CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS325107 Bijlage Haagse demografische ontwikkelingen 2050.pdf

Algemene Raadscommissie 25 juni 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Programma 15: Financiën40.071 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Politieke participatie Politieke participatie betreft de deelname van verschillende groepen aan de politieke besluitvorming. Ook hier tekent zich weer een verschil af naar opleidingsachtergrond, en in mindere mate voor herkomst of leeftijd. Het aandeel van inwoners dat stemt bij de Tweede Kamerverkiezingen ligt hoger bij inwoners met een hbo- of woopleidingsachtergrond dan inwoners zonder startkwalificatie, maar ook bij inwoners zonder migratieachtergrond is dit verschil groter. Voor overige politieke activiteiten bestaan er uitsluitend verschillen op basis van opleidingsachtergrond. Het is belangrijk dat het gemeentelijk beleid ook voldoende aandacht besteedt aan niet-stemmers. Wanneer de lage opkomst bij de Tweede Kamerverkiezingen zich ook voordoet bij gemeenteraadsverkiezingen, is het belangrijk om inwoners zonder startkwalificatie of met een migratieachtergrond niet uit het oog te verliezen. Deze groepen laten in dat geval in mindere mate hun politieke voorkeur zien waardoor het risico bestaat dat het beleid onvoldoende aandacht schenkt aan deze groepen.

4.6 Gemeentelijke organisatie Demografische ontwikkelingen stellen nieuwe eisen aan de manier waarop de gemeentelijke organisatie is ingericht. De opgaven waar Den Haag voor staat – van vergrijzing tot migratie en van bevolkingsgroei tot veranderende zorgbehoeften – vragen om een flexibele en wendbare overheid. Dit betekent dat ambtenaren niet alleen specialistische kennis moeten hebben, maar vooral in staat moeten zijn om tussen beleidsterreinen te bewegen, mee te denken in scenario’s en effectief samen te werken in wisselende teams. Er is behoefte aan medewerkers met een generalistische blik, goede digitale vaardigheden en het vermogen om integraal te werken aan complexe opgaven. Tegelijkertijd blijft specialistische expertise noodzakelijk, maar de manier waarop die kennis wordt ingezet verandert. In plaats van in vaste afdelingen of verkokerde structuren ligt de toekomst eerder in projectmatig werken, waarbij experts als kennisdragers opereren binnen flexibele, opgavegerichte teams. Een toename van het aantal inwoners zorgt voor een toename in het gebruik van generieke gemeentelijke diensten. Een toename van het aantal inwoners leidt ertoe dat het aantal aanvragen voor vergunningen, uitkeringen, inschrijvingen en andere diensten toeneemt, net als de vraag naar ondersteuning via wijkteams en loketten.

Deze toename stelt hogere eisen aan de capaciteit van administratieve afdelingen en aan de uitvoeringspraktijk in de wijken. Zonder aanvullende inzet of veranderingen in werkwijze neemt de werkdruk toe, met risico op langere doorlooptijden en afnemende toegankelijkheid. Gemeenten kunnen door verdere digitalisering (beperkte) productiviteitswinst behalen. Bij een toename van de productiviteitswinst groeit de druk om efficiënter te werken. Digitalisering kan helpen om routinematige

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

94

processen sneller en schaalbaarder te maken, bijvoorbeeld via online formulieren, automatische afhandeling of digitale informatievoorziening. Dit verlicht de druk op personeel en maakt het mogelijk om grotere aantallen inwoners te bedienen met dezelfde inzet. Hilhorst et al. (2022) laten zien dat meer investeringen in ICT bij Nederlandse gemeenten leiden tot een efficiëntiewinst, maar dat de (potentiële) efficiëntiewinst afneemt naarmate gemeenten al meer in ICT hebben geïnvesteerd. Digitalisering moet niet ten koste gaan van het bereiken van kwetsbare groepen. Niet alle inwoners weten hun weg te vinden in digitale systemen. Kwetsbare groepen – zoals ouderen, laaggeletterden of nieuwkomers – lopen het risico buiten beeld te raken als persoonlijke ondersteuning wegvalt. Als de dienstverlening te ver digitaliseert, kan dit leiden tot ongelijke toegang tot ondersteuning en het verlies van menselijk contact, juist in situaties waarin maatwerk nodig is. Vergrijzing leidt tot een toename in het zorggebruik, waardoor de druk op de gemeentelijke organisatie ook bij krimp toeneemt. De scenarioanalyse laat zien dat het Wmo-gebruik in ieder scenario toeneemt. Hierdoor dient de gemeente binnen de organisatie meer ruimte vrij te maken om te voorzien in deze toenemende zorgbehoefte. Daarnaast vraagt vergrijzing om meer maatwerk en persoonlijk contact.

Oudere inwoners hebben vaker moeite met digitale systemen of complexe procedures. Als de gemeente steeds verder digitaliseert zonder passende alternatieven te bieden, bestaat het risico dat deze groep onvoldoende bereikt wordt. Dit kan leiden tot verminderde toegang tot ondersteuning, toename van hulpvragen in een later stadium en hogere maatschappelijke kosten. Vergrijzing binnen de gemeentelijke organisatie vergroot de druk. Ook intern stelt vergrijzing eisen aan het personeelsbeleid. Enerzijds is er behoefte aan medewerkers die kunnen omgaan met een ouder wordende doelgroep: met kennis van zorgstructuren, communicatieve vaardigheden en geduld. Anderzijds vergrijst het ambtenarenapparaat zelf. Bij gelijkblijvend beleid neemt de uitstroom van ervaren krachten toe, terwijl kennisoverdracht en opvolging niet altijd goed zijn geregeld. Verschillende typen migratie vragen om andere prioriteiten voor de gemeentelijke organisatie. De uitwerking van een toename van kennis-, asiel- en arbeidsmigratie verschilt sterk tussen deze typen. Kennismigranten zijn vaker hoog opgeleid en hebben zich omwille van hun werk in Den Haag gevestigd. Asielzoekers hebben daarentegen geen tewerkstellingsvergunning en staan daarmee op afstand van de Haagse bevolking.

Arbeidsmigranten vestigen zich ook omwille van hun werk in Den Haag, maar worden vaak gehuisvest in kamers waar zich misstanden voor kunnen doen.

Kennismigratie Een toename van kennismigranten heeft op het eerste gezicht beperkte impact op de gemeentelijke organisatie, maar roept bij gelijkblijvend beleid wel specifieke organisatorische vragen op. Kennismigranten maken relatief weinig gebruik van sociale voorzieningen, maar hebben wel behoefte aan toegankelijke informatie, snelle procedures en dienstverlening in het Engels. Als dit onvoldoende wordt georganiseerd, ontstaan er knelpunten in de dienstverlening en nemen de frustraties bij deze groep toe. Veel kennismigranten verblijven tijdelijk in de stad en zijn sterk gericht op werk, onderwijs en praktische zaken als inschrijving en huisvesting. Voor de gemeentelijke organisatie betekent dit dat basisdiensten – zoals het gemeenteloket, informatievoorziening en inschrijvingen – snel, duidelijk en meertalig moeten functioneren. Wanneer deze processen complex of traag zijn, belemmert dat niet alleen de vestiging van kennismigranten, maar ook het vestigingsklimaat voor internationale bedrijven.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

95

Daarnaast vraagt de toename van kennismigranten om meer aandacht voor hun gezinnen, met name partners die niet altijd werken en kinderen op internationale of reguliere scholen. Zonder actief beleid blijven deze groepen vaak buiten beeld, terwijl zij op termijn wel gebruik kunnen maken van onderwijs, gezondheidszorg en ondersteuning. De gemeentelijke organisatie moet in staat zijn deze groepen vroegtijdig te signaleren en mee te nemen in beleid, ook al doen zij niet meteen een beroep op voorzieningen. Tot slot vraagt een groeiende internationale gemeenschap om afstemming binnen de gemeentelijke organisatie. Denk aan samenwerking tussen afdelingen voor economie, onderwijs, integratie en dienstverlening. Zonder samenhang dreigt versnippering en sluit het beleid onvoldoende aan bij de leefwereld van kennismigranten. Bij gelijkblijvend beleid ontstaat zo het risico dat deze groep wel fysiek aanwezig is in de stad, maar onvoldoende wordt meegenomen in gemeentelijk handelen.

Asielmigratie Een toename van het aantal asielmigranten vraagt veel van de gemeentelijke organisatie. Bij gelijkblijvend beleid dreigt het risico dat ondersteuning te laat of onvoldoende wordt geboden, met gevolgen voor zowel de nieuwkomers als de bestaande inwoners van de stad. Een goede start is belangrijk: dat begint bij tijdige toegang tot taalcursussen, inburgeringstrajecten en begeleiding bij oriëntatie op de Nederlandse samenleving. Als deze voorzieningen pas laat op gang komen, wordt de kans op langdurige afhankelijkheid groter en de afstand tot werk, onderwijs en participatie moeilijker te overbruggen. Beperkte (Engelse en Nederlandse) taalvaardigheid belemmert toekomstige arbeidsparticipatie. Heyma en Ruit (2025) laten op basis van gegevens over de instroom van Oekraïense vluchtelingen in Nederland zien dat beperkte taalvaardigheden van vluchtelingen een belemmering vormen voor de arbeidsparticipatie. De gemeente kan door het bieden van taalcursussen beperkte arbeidsparticipatie van vluchtelingen voorkomen. Dit heeft als positief neveneffect dat arbeidsparticipatie bijdraagt aan de integratie van vluchtelingen.

Arbeidsmigratie Een toenemend aantal EU-arbeidsmigranten stelt de gemeentelijke organisatie voor structurele uitvoeringsvragen. Deze groep is vaak tijdelijk in Nederland, werkt veelal in sectoren met flexibele werktijden en woont geregeld in gedeelde huisvesting. Bij gelijkblijvend beleid leidt dit tot toenemende druk op registratie, toezicht en handhaving, terwijl het zicht op de doelgroep beperkt blijft. Een toename van het aantal arbeidsmigranten vraagt om een hogere inzet van toezicht op woonomstandigheden. Kranenborg en Scheele-Goedhart (2021) constateren dat arbeidsmigratie leidt tot meer kamerbewoning. Voor deze kamerbewoning is niet altijd een vergunning verleend. De gemeente kan door toezicht toezien of er teveel huishoudens op één adres wonen om zo de effecten van arbeidsmigratie op de buurt te beperken. Daarnaast vragen de omstandigheden van arbeidsmigranten om beter toezicht of er geen sprake is van onduidelijke contracten en/of malafide verhuurpraktijken. Goed verhuurderschap moet actief worden afgedwongen, zowel ter bescherming van arbeidsmigranten als van de leefomgeving van andere bewoners. Deze ontwikkeling vraagt om capaciteit voor buurtgericht toezicht, betere dataverzameling en samenwerking met andere overheden, woningcorporaties en uitzendorganisaties.

Zonder deze inzet dreigt de groep arbeidsmigranten buiten beeld te blijven, met als gevolg dat sociale en ruimtelijke problemen zich opstapelen voordat er wordt ingegrepen. Bij gelijkblijvend beleid neemt het risico toe dat gemeentelijke diensten reactief in plaats van preventief moeten opereren – met hogere maatschappelijke kosten als gevolg. De gemeente dient zich bewust te zijn dat niet alle arbeidsmigranten in beeld zijn bij de gemeente. Arbeidsmigranten schrijven zich lang niet altijd in bij de gemeente, waardoor zij buiten het bereik blijven van

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

96

publieke dienstverlening. Dit vergroot het belang om in het gemeentelijk beleid rekening te houden met de beperkte zichtbaarheid van arbeidsmigranten om misstanden te voorkomen.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

5

97

Handelingsperspectieven

Demografische ontwikkelingen vragen om preventief en adaptief beleid. Het beleid moet op de eerste plaats stevig zijn en tegelijk kunnen meebewegen met verschillende uitkomsten. Op de tweede plaats vraagt een blik op de toekomst om aandacht voor de impact van migratie, en op de derde plaats om aandacht voor vergrijzing. Hier pakken we de draad op van hoofdstuk 4. Dat hoofdstuk laat zien waar Den Haag op moet letten richting 2050. Drie punten vragen om aandacht. Het beleid moet stevig zijn en tegelijk kunnen meebewegen met verschillende uitkomsten. Migratie weegt in Den Haag zwaarder dan landelijk. En vergrijzing is hier wat minder sterk dan gemiddeld, maar wel merkbaar in alle scenario’s. Deze drie punten vormen het vertrekpunt voor dit hoofdstuk. Hoofdstuk 5 vertaalt deze uitkomsten naar handelingsperspectieven voor de gemeente. We beschrijven ze als losse bouwstenen en niet als één vast pakket. Zo blijft het mogelijk om, afhankelijk van politieke voorkeuren, een eigen samenstelling te kiezen. Wel is het van belang om over domeinen heen te kijken, omdat maatregelen elkaar kunnen versterken. Het is ook nodig om te voorkomen dat maatregelen elkaar tegenwerken. Denk aan woningbouw die tijdig wordt gekoppeld aan openbaar vervoer, scholen en sociale voorzieningen, zodat nieuwe wijken meteen mee kunnen groeien.

Denk ook aan beleid rond arbeids- en studiemigratie dat samen opgaat met zicht op registratie, tijdelijke huisvesting en handhaving, zodat druk op wijken beheersbaar blijft. Voor vergrijzing gaat het om woonzorgoplossingen die doorstroming helpen en zorg dichter bij huis organiseren. Deze manier van werken sluit aan bij de lijn uit de SDO om te kiezen voor robuuste keuzes die schokken kunnen opvangen.

5.1 Wonen Demografische trends vragen om een wendbare woningvoorraad. De bevolkingsontwikkeling richting 2050 kent een grote bandbreedte. In het basisscenario groeit Den Haag met 14 procent; bij hogere migratie kan de groei oplopen naar 47 procent en bij lage migratie zelfs omslaan in krimp. Zoals blijkt uit de scenarioanalyse in hoofdstuk 2, is Den Haag relatief gevoelig voor migratievarianten. Dit brengt ook voor de woningmarkt extra onzekerheid met zich mee. Naast de veranderende migratieachtergronden stijgt het aandeel eenpersoonshuishoudens. De demografische onzekerheid werkt stevig door in onzekerheid met betrekking tot de woningvraag. Zowel de ontwikkeling in de totale woningvraag als in het type woning verschilt danig per scenario. De implicatie hiervan is dat de woningvoorraad bij voorkeur flexibel, aanpasbaar en herprogrammeerbaar moet zijn (SDO, 2024). De woningbouw zou bij voorkeur vlot moeten kunnen opschalen en afschalen. Deze lijn sluit aan bij de oproep van de SDO tot robuuste keuzes die schokbestendig zijn en sturen op gematigde groei met ruimte voor bijsturing. Dubbele vergrijzing maakt passende en zorgzame woonvormen noodzakelijk. In alle scenario’s stijgt het aandeel 65- en 75-plussers. De vraag naar levensloopbestendige woningen, nultreden, geclusterde woonvormen en nabijheid van voorzieningen groeit daardoor structureel.

De doorrekening van zorggebruik laat zien dat zowel het Wmo-gebruik richting 2050 stijgt, wat de noodzaak onderstreept om wonen en zorg dichter te organiseren en doorstroming te bevorderen, zodat ouderen langer prettig en zelfstandig kunnen wonen (SDO, 2024). Dit sluit aan bij de analyse in hoofdstuk 4 dat vergrijzing doorwerkt in woonbehoefte en zorgcapaciteit, en vraagt in Den Haag om gebiedsgericht programmeren van woonzorgcombinaties.

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

98

Meer en meer diverse migratie vraagt om meer betaalbare en tijdelijke huisvesting. De sterkere groei zit vooral in arbeids- en studiemigratie en een relatief snelle toename van asielmigratie; deze instroom vergroot de druk op het betaalbare segment en op tijdelijke huisvesting, vooral in stedelijke wijken. Hoofdstuk 4 laat zien dat concentratie en wachttijden de sociale samenhang onder druk kunnen zetten als huisvesting en voorzieningen niet meebewegen; de SDO bepleit daarom heldere keuzes en een samenhangende aanpak over domeinen heen (SDO, 2024). Voor Den Haag betekent dit sturen op kwaliteit en spreiding van tijdelijke woonvormen, met standaarden die misstanden voorkomen en doorstroom mogelijk maken naar regulier wonen. Hiermee komen we tot drie overkoepelende handelingsperspectieven voor Den Haag. De uiteenlopende woningvraag tussen scenario’s, de toename van ouderen met zorgvraag en de groei van tijdelijke en kwetsbare doelgroepen maken het logisch om te kiezen voor: (1) een wendbare woningvoorraad die kan opschalen, ombouwen en herprogrammeren; (2) passende en zorgzame woonvormen voor een ouder wordende bevolking; en (3) fatsoenlijke, goed georganiseerde huisvesting voor tijdelijke en kwetsbare groepen, zoals blijkt uit de analyses in hoofdstuk 2 en 4 en de handelingsperspectieven van de SDO (SDO, 2024).

In de subparagrafen hieronder werken we deze drie handelingsperspectieven uit.

5.1.1 Wendbare woningvoorraad Adaptief woningprogramma met ‘aan-/uitknoppen’ Maak het woningprogramma expliciet adaptief. Het PBL (2023) adviseert om investeringsbeslissingen vandaag te toetsen aan meerdere 2050-beelden, zodat no-regretmaatregelen en prioriteiten zichtbaar worden en plannen bestand zijn tegen fluctuaties in de vraag naar woonruimte (gevoeligheidsanalyse). Daarbij past per deellocatie en doelgroep een trigger aan demografische signalen (bijv. groei/krimp van studenten, alleenstaanden of 75-plussers). Concreet kan dit worden vormgegeven in de vorm van een “stoplicht”: Den Haag kan per doelgroep en locatie bekijken of de bouw moet worden versneld, gepauzeerd of aangepast. Zo blijft het woningprogramma flexibel en kunnen fouten of overschotten worden voorkomen.

Flexibele schil met losmaakbaar en verplaatsbaar bouwen Creëer een stedelijke “flexschil” van modulaire, losmaakbare woningen voor piekvraag (studenten, starters, arbeidsmigranten en tijdelijke herhuisvesting bij renovatie). Dit vult aan op het adaptieve beleid op basis van demografische ontwikkelingen. Immers kunnen niet alle ontwikkelingen in woonvraag altijd tijdig worden voorzien. Dit vraagt om extra flexibiliteit: een flexschil met modulaire, losmaakbare woningen voor piekvraag. De Woonvisie van de gemeente Den Haag (2024) noemt flex en innovatie al, maar de verplaatsbaarheid kan daarnaast expliciet worden geborgd. Leg bijvoorbeeld in erfpacht en omgevingsplan vast dat deze woningen na 10–15 jaar verplaatsbaar zijn, met terugname- en herplaatsopties. Zo kan de voorraad mee-ademen met de vraag zonder leegstandsrisico. Zorg hierbij voor modulair ‘infrastructuur-grid’. Leg eerst een robuust grid aan (leidingen, waterafvoer, energie) en plaats daarop modulair aanpasbare woonblokken. Ontwerp de wijk gemengd: studentenwoningen, tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten, kinderopvang, mkb-werkruimten, buurthuis, basiszorg, groen en sport op daken. Dit versterkt veerkracht bij groei én krimp en maakt locaties langdurig flexibel inzetbaar.

Versnellen van functiewijziging tussen wonen en werken Maak het makkelijker om panden tijdelijk of structureel van functie te laten wisselen. Veel kantoren en bedrijfsruimten voldoen niet meer aan de eisen van de moderne economie, terwijl de woningvraag blijft stijgen. Door een versnelloket en een transformatiefonds op te richten kunnen eigenaren sneller kantoren of werkruimten ombouwen tot woningen. In aangewezen gebieden krijgen zij een duidelijk “recht op ombouw” wanneer zij aan

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

99

kwaliteitseisen voldoen, zoals daglicht, geluid en buitenruimte. Dit bouwt voort op de Woonvisie-lijn rond transformatie/leegstand, en voegt voorspelbare doorlooptijden toe. Dat vermindert onzekerheid, verkort procedures en levert woningen op zonder extra ruimtebeslag. Maak de voorraad ook op korte termijn wendbaar met een tijdelijk omklaprecht. Bij woningkrapte kan een deel van de werkruimte tijdelijk worden gebruikt als woning; bij tekorten aan werklocaties kan het pand weer terugklappen naar de oorspronkelijke bestemming. Zo kan de stad beter omgaan met schommelingen in vraag en aanbod zonder langdurige herbestemmingstrajecten. Deze aanpak sluit aan bij de Haagse Omgevingsvisie en bij de SDO 2050-lijn om de bestaande stad optimaal te benutten. Door tijdelijk en structureel functiewijzigingen te combineren, ontstaat een flexibele woningvoorraad die de Haagse ruimte beter benut en sneller reageert op veranderende omstandigheden.

5.1.2 Passende en zorgzame woonvormen voor een ouder wordende bevolking Koppeling wonen-zorg met prestatieafspraken Maak met zorgverzekeraars, zorgaanbieders en corporaties bindende prestatieafspraken per wijk: aantal geschikte nultredenwoningen, beschikbaarheid van geclusterde woonvormen en aanwezigheid van buurtvoorzieningen. Combineer dit met een investeringskader voor woningaanpassing (badkamer, traplift) en sociale ondersteuning. Het doel is langer zelfstandig wonen én minder druk op verpleeghuiszorg. Dit bouwt voort maar gaat verder dan de Woonzorgvisie van de gemeente doordat het hier gaat om harde, wijkgebonden aantallen en een bindend investeringskader worden gevraagd, plus jaarlijkse verantwoording op realisatie.

Doorstroompremie en verhuisontzorging voor senioren Introduceer een doorstroompremie en een gemeentelijke verhuiscoach voor 65-plussers die verhuizen naar passend(er) wonen binnen de stad. Ontzorg op praktische punten (huurcontract, kluswerk, taxatie, opslag) en koppel het aan gegarandeerde doorlooptijden. Dit levert grotere gezinswoningen op voor gezinnen en vermindert eenzaamheid doordat ouderen dichter bij voorzieningen en netwerk wonen. Dit sluit aan bij de Woonzorgvisie (gericht op doorstroming, tijdige oriëntatie en ontzorging), en gaat verder door een expliciete financiële prikkel, vaste servicelevels/doorlooptijden en actieve casusregie op iedere verhuizing te introduceren.

5.1.3 Fatsoenlijke huisvesting voor tijdelijke en kwetsbare groepen Regionale flexafspraken voor doelgroephuisvesting Maak met de buurgemeenten een regionaal quotum voor flexibele doelgroephuisvesting (studenten, arbeidsmigranten, statushouders). Spreek af hoeveel plaatsen de Haagse flexschil levert en wanneer omliggende gemeenten extra capaciteit activeren. Zo voorkomt de gemeente concentratie en kan deze sneller schakelen bij pieken.

Verminder kwetsbaarheid in woonsituatie van arbeidsmigranten Voor EU-arbeidsmigranten is het van belang de arbeidsrelatie en de woonsituatie structureel te ontkoppelen, zodat baanverlies niet automatisch woningverlies betekent (IBO Arbeidsmigratie, 2025). Daarnaast adviseren we om de overige aanbevelingen uit het rapport Geen tweederangsburgers op te pakken om de kwetsbaarheden in de woonsituatie van (EU-)arbeidsmigranten te verminderen. Dit zijn: een verhuurdersvergunning met strenge eisen en handhaving; versnelling van passende huisvesting gekoppeld aan

DEMOGRAFISCHE ONTWIKKELINGEN DEN HAAG 2050

100

nieuwe bedrijvigheid en het aanscherpen en integreren van bestaande keurmerken tot een verplicht kwaliteitssysteem in de keten (Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten, 2020). Het is inmiddels vijf jaar geleden sinds het Aanjaagteam kwam met deze aanbevelingen. De uitvoering kwam lange tijd moeizaam op gang. In 2025 ontstaat meer beweging door de aangenomen Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta) en de verdere uitwerking richting invoering en handhaving (ministerie van SZW, 2025). Tegelijk laten de demografische scenario’s zien dat de groep arbeidsmigranten in de toekomst nog veel groter kan worden. Dit maakt het nog noodzakelijker om de aanbevelingen sneller en concreter uit te voeren. Snellere uitvoering verkleint de afhankelijkheid van arbeidsmigranten van één werkgever, pakt misstanden eerder aan en geeft gemeenten en uitvoerders meer grip op goede huisvesting en registratie.

5.2 Mobiliteit De demografische groei versterkt de druk op het mobiliteitssysteem. De SDO schetst dat bevolkingsgroei, verstedelijking en economische expansie leiden tot een forse toename van de mobiliteitsvraag tot 2050. De commissie waarschuwt dat het mobiliteitssysteem in scenario’s van hoge groei niet kan meekomen met de bevolkingsgroei, wat leidt tot structurele knelpunten in bereikbaarheid, vooral in en rond de grote steden. In Den Haag versterken bevolkingsgroei en verdichting de druk op de mobiliteit, ondanks een dempend samenstellingseffect. De Haagse bevolking groeit in het basisscenario met 14 procent tot 2050, maar in het sterke groeiscenario met 47 procent. De stad is al de dichtstbevolkte van Nederland en kent beperkte ruimte voor uitbreiding van infrastructuur. In het sterke groeiscenario stijgt het aantal verplaatsingen tot ruim 1 à 1,5 miljoen per dag, vooral per openbaar vervoer en fiets. De toename wordt deels gedempt doordat inwoners met een nietNederlandse herkomst – een groeiende groep in de Haagse bevolking – zich gemiddeld minder vaak verplaatsen, maar juist vaker gebruikmaken van het stedelijk ov. Hierdoor verschuift de druk van het autonetwerk naar het openbaar vervoer en de fietsinfrastructuur. Tegelijk zal de vergrijzing leiden tot meer niet-werkgebonden mobiliteit en een grotere behoefte aan toegankelijke vervoersopties binnen wijken.

De beperkte ruimte en hoge bevolkingsdichtheid vergroten zo de spanning tussen bereikbaarheid, leefbaarheid en duurzaamheid. Voor Den Haag vraagt de demografische mobiliteitsdruk om structurele beleidskeuzes richting 2050. De stad zal de groei van mobiliteit niet kunnen opvangen met traditionele uitbreidingsprojecten. Beleidsmatig ligt de nadruk op drie strategische richtingen: 1) gedragssturing en spreiding, zoals stimuleren van thuiswerken en variabele werktijden om piekbelasting te verminderen, en 2) mobiliteit als inclusieve basisvoorziening, door vervoer toegankelijk en betaalbaar te houden voor ouderen en kwetsbare groepen. In het sterke groeiscenario wordt bovendien investeringscoördinatie met regiogemeenten cruciaal om congestie aan de stadsranden te voorkomen en 3) zonder actief beleid dreigt in 2050 een dubbele problematiek: verminderde bereikbaarheid én toegenomen ongelijkheid in vervoersmogelijkheden tussen wijken. De beleidsopgave is dan ook niet enkel uitbreiding, maar het herontwerpen van mobiliteit als kernonderdeel van een leefbare en toegankelijke stad.

5.2.1 Gedragssturing en spreiding Actieve sturing op modal shift Stuur stevig op lopen, fietsen en openbaar vervoer zodat dezelfde mobiliteitsvraag minder ruimte vraagt. Zo kan een toename in het aantal inwoners worden geborgd zonder dat dit ten koste gaat van de mobiliteit en bereikbaarheid. Concreet betekent dit prioriteit voor doorfietsroutes, veilige loopnetwerken, extra fietsparkeren bij stations en een schaalsprong in hoogwaardig openbaar vervoer (snelle, frequente tram/bus en betere

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16793220/1