RIS324498 Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk
Tekst van het document
Den Haag zal zich voor groei moeten richten op binnenstedelijke locaties (de zogenaamde inbreidingslocaties), transformatie van bestaande gebouwen en gemengde woonwerkgebieden. Daarbij wordt ingezet op differentiatie in architectuur en woningtypen. Het is van belang om hierbij zorgvuldig om te gaan met bestaand groen en bestaande wijken. Een andere uitdaging is het verkleinen van de sociaaleconomische verschillen tussen wijken. De woonvisie zet in op: 1. Een meer sociaal-inclusieve stad. 2. Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. 3. Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Dit heeft zowel betrekking op de duurzaamheid van woningen als op de levensloopbestendigheid van woningen.
blad 45 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
Ad 1. Een meer sociaal-inclusieve stad. Een aantrekkelijke en gastvrije stad is sociaal inclusief: een stad zonder te grote sociaaleconomische verschillen. De aanwezigheid en spreiding van voldoende betaalbare woningen in de stad voor minder financieel draagkrachtige huishoudens is hierin een belangrijke opgave. Voor de woningbouwproductie is dit vertaald in een gemiddelde woningbouwproductie van: 30% sociale huurwoningen voor de hele stad; 20% middeldure huurwoningen; en een streven naar 25% middeldure koopwoningen. Daarbij sturen we op een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningbouw over de stad. Ook wordt ingezet op het borgen van voldoende betaalbare woningen voor kwetsbare groepen en wordt gestuurd op de verbetering en vernieuwing van kwetsbare wijken, o.a. via de aanpak 'Nieuwe Generatie Stadswijken'. Streven is meer differentiatie in de woningvoorraad aan te brengen. Eventuele afname van de sociale voorraad in deze wijken dient elders in de stad, maar ook in de regio te worden gecompenseerd. Ad 2. Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. Dit is een voorwaarde voor het vasthouden en aantrekken van stedelijk talent. Doel is om voor deze groepen die bijdragen aan het internationale, gastvrije, levendige en economische profiel van Den Haag nog meer onderscheidende stedelijke woon(werk)milieus te ontwikkelen.
In het bouwprogramma wordt daarom nadrukkelijk rekening gehouden met de woonvoorkeuren van stedelijke doelgroepen young urban professionals, stedelijke gezinnen, studenten, empty-nesters en expats. Ad 3. Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Het streven is dat in 2030 de woningvoorraad voldoet aan de duurzame en woontechnische eisen. Dit betekent dat het onderhoud van woningen op orde is en dat in 2030 tenminste 50% van de woningen wordt verwarmd met een niet-fossiele warmtebron. Voor nieuwbouw betekent dit dat woningen niet langer zijn aangesloten op het gasnet. Verder wordt ingezet op een groter en gevarieerder aanbod aan geschikte woningen en woonzorgvormen voor (langer) zelfstandig thuis wonen. Woonagenda 2020-2023 Op 7 oktober 2020 heeft de raad de Woonagenda 2020-2023 vastgesteld (RIS305711). De Woonagenda 20202023 is een actualisatie van de vorige Woonagenda 2019-2023, aangevuld met maatregelen uit het coalitieakkoord 'Samen voor de stad'. Uitgangspunt is dat iedere inwoner van Den Haag fatsoenlijk en betaalbaar kan wonen. Betaalbaar wonen moet haalbaar zijn voor starters, ouderen, studenten én gezinnen. "Haags samen wonen, daar geloven we in". De Woonagenda vormt het actueel woonbeleid van Den Haag en is hiermee een concrete uitwerking van de Woonvisie. De woonagenda vervangt de uitvoeringsagenda bij de Woonvisie Den Haag.
Belangrijke elementen van de woonagenda zijn: maatregelen om de realisatie en het behoud van goedkope en middeldure woningen te borgen; maatregelen om de sociale huurwoningen in Den Haag beter te verdelen; maatregelen om de leefbaarheid in wijken te beschermen door een rem op de bouw van kleine woningen (kleiner dan 40/50 m²) en het beperken van de mogelijkheid tot bouwkundig splitsen (zie paragraaf 3.7.5); maatregelen voor specifieke doelgroepen waaronder onmisbare beroepsgroepen, woonwagenbewoners, zorgdoelgroepen en studenten. In de woonagenda zijn extra maatregelen beschreven. Den Haag kampt momenteel namelijk met een enorme woningnood. Den Haag groeit de komende jaren met 4.000 tot 5.000 inwoners per jaar. Om te zorgen dat iedereen in onze stad prettig kan wonen zijn dan ook flinke maatregelen nodig voor de Haagse woningmarkt. In de woonagenda zijn deze extra maatregelen beschreven en hieronder worden er aantal opgesomd: De jaarlijkse bouwambitie is verhoogd. De norm van 30% sociale woningbouw voor de hele stad groeit hierbij mee. Er wordt gestreefd naar 20% betaalbare koopwoningen in nieuwbouw. Op beperkte schaal voert de gemeente een actief grondbeleid als dat helpt om de bouw van sociale huur en starterswoningen te ondersteunen.
Het verbouwen van een woning tot 2 of meer zelfstandige woningen (bouwkundig splitsen) kan alleen nog in een beperkt aantal gebieden en onder bepaalde voorwaarden. Ook de regels voor kamerbewoning en blad 46 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
kamerverhuurders worden strenger. Dit voorkomt negatieve gevolgen voor het karakter en de leefbaarheid van buurten. Er is in Den Haag een groot tekort aan bepaalde beroepsgroepen zoals leraren, agenten en zorgpersoneel. Daarom experimenteert de gemeente met manieren om deze beroepsgroepen te helpen bij het vinden van huisvesting. Zo maken we het aantrekkelijker om deze beroepen uit te oefenen in Den Haag. Er komen extra maatregelen voor het huisvesten van specifieke groepen zoals studenten, zorgdoelgroepen, ouderen en arbeidsmigranten
Het bouwplan omvat 145 woningen, waarvan 51 sociale huurwoningen, 51 middeldure huurwoningen en 43 vrije sector woningen. Het aandeel sociale huurwoningen is daarmee 35 procent en het aandeel middeldure huur 35 procent en voldoet daarmee ruimschoots aan de woonvisie. Het gedifferentieerde programma waarbij ook deels wordt voorzien in woningen met werkateliers voor werken aan huis draagt tevens bij aan het streven naar een stedelijke, attractieve en inclusieve stad. Ook de buurtwoonkamer geeft daarin een meerwaarde. Het gedifferentieerde programma draagt ook bij aan een meer toekomstbestendige woningvoorraad. In dat kader geldt ook dat de woningen gasloos worden uitgevoerd.
4.9
Economie
4.9.1
Algemeen: Economische Visie Den Haag+ 2030; brede economische groei in een stad zonder grenzen De economische visie dient als Kadernota economisch beleid (RIS303550) en vervangt de beleidsnota "de Kracht van Kwaliteit" (RIS180414). De brede economische groei als algemene doel wordt via vier strategische doelen verwezenlijkt: een attractieve stad voor bewoners, bezoekers en bedrijven; een veerkrachtige economische structuur; een excellent ondernemingsklimaat, waarin ondernemers kunnen groeien; voldoende ruimte voor bedrijvigheid in aantrekkelijke werkmilieus. Brede economische groei is een integrale opgave. Ruimte voor werk moet mee groeien met het inwoneraantal, zodat elke inwoner van Den Haag mee kan doen: ondernemer en werknemer, onafhankelijk van opleidingsniveau. Er is dringend behoefte aan meer en kwalitatief diverse betaalbare, duurzame en bereikbare bedrijfsruimte. De Haagse agglomeratie moet meer ruimte bieden aan verschillende soorten bedrijvigheid: van internationale topmilieus tot bedrijventerreinen en kleinschalige bedrijfsruimte in de wijken met voldoende leer-werkmogelijkheden voor vakmensen. Hoofdkantoren, innovatieve bedrijven en instellingen willen in gemengde locaties, dicht bij elkaar en bij het openbaar vervoer zijn gevestigd.
Ook sfeer, imago en uitstraling worden steeds belangrijkere vestigingsvoorwaarden voor ondernemers, onder andere om talent aan te trekken. Ambitie van Den Haag is in 2030 het best scoren op woon- en leefklimaat van de vier grote Nederlandse steden en dé stad zijn voor kwaliteitstoerisme in Nederland. Er wordt ingespeeld op ontwikkelingen als digitalisering, technologische vernieuwing en verduurzaming en ingezet op schonere lucht en minder geluidhinder. Conclusie Dit bestemmingsplan is in lijn met de economische visie. Het bouwplan sluit met de woningen met werkateliers aan op het streven naar kleinschalige bedrijfsruimte in de wijken.
4.9.2
Kleinschalige bedrijvigheid Het ondersteunen en faciliteren van beginnende en kleinschalige bedrijvigheid vormt de kern van het economische beleid in de wijken. Vergroting van het aanbod aan kleinschalige bedrijfsruimte vormt daarbij een prioriteit. Daarvoor is het Actieprogramma Kleinschalige Bedrijfsruimte opgesteld (RIS181978). Met dit actieprogramma wordt ingezet op de realisatie van kleinschalige bedrijfshuisvesting. Om de ondernemers die actief zijn in de ambachtelijke bedrijfsactiviteiten zo goed als mogelijk te faciliteren, ligt de focus op de categorieën verzamelgebouw, bedrijvenhof en solitaire panden. Gestreefd wordt naar het toevoegen van bedrijfsruimte in de stadsdelen Escamp, Scheveningen, Segbroek, Loosduinen en Centrum. blad 47 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
Uit onderzoek van de Stec Groep naar de behoefte aan kleinschalige bedrijfsruimte in Den Haag (2016) blijkt dat zij op basis van een aanbodanalyse en vraagraming een uitbreidingsvraag verwachten van circa 30.000 tot 50.000 m2 in de periode tot en met 2026. Kleinschalige bedrijfsruimte in dit soort panden is van belang omdat nabijheid van de eigen woning en het verzorgingsgebied belangrijke locatie-eisen zijn van gebruikers van dit type bedrijfsruimte. Onder kleinschalige bedrijfsruimte wordt verstaan een verblijfsruimte, waarin werkzaamheden overwegend zijn gericht op vervaardiging, verwerking en/of opslag en distributie van goederen. Te denken valt aan ruimten voor aannemers, loodgieters, ambachten, drukkerijen, bouw, groothandel, kleine industrie, reparatie etc. Kantoren en panden waar kantoorachtige activiteiten plaats vinden, behoren niet tot de definitie van bedrijfsruimte. Ook winkels en horecapanden, showrooms met verkoop aan particulieren en andere bebouwing met een commerciële functie ten behoeve van de finale consument vallen buiten deze categorie. Bedrijfsverzamelgebouwen zijn belangrijk voor startende ondernemers als betaalbaar onderkomen. De gemeente brengt mogelijke locaties voor nieuwe kantoren en bedrijven in kaart en stimuleert de ontwikkeling er van. Voor bedrijven in de maakindustrie denkt de gemeente mee in de huisvestingsmogelijkheden.
Mogelijkheid van bedrijfsruimten in de wijken gaat conform de locatietypologie in de functiemengingstrategie (RIS 127027). De typologie komt er op neer dat bedrijfsruimte groter dan +/-500 m2 zich alleen op een bedrijventerreinen kan vestigen. De bedrijvigheid tussen 100 en 500 m 2 moet zich kunnen vestigen langs de doorgaande wegen in Den Haag. Kleinschalige bedrijvigheid met minder dan +/-100 m2 moet zich kunnen vestigen in de woonstraten in de buurt. Conclusie In het bouwplan is ruimte voor werken / kleinschalige bedrijven aan huis in bij de woning behorende werkateliers.
4.10
Onderwijs, Welzijn en Maatschappelijke Zorg
4.10.1 Welzijn en zorg Op 25 oktober 2019 is het beleidsplan Zorg, Jeugd en Volksgezondheid ''Gezond en Veerkrachtig'' Den Haag 2019-2022 (RIS303812) vastgesteld in de gemeenteraad. Den Haag is de stad waar iedereen erbij hoort en zelfstandig mee kan doen in de eigen wijk en in de stad. De juiste ondersteuning en hulp is toegankelijk, betaalbaar, dicht bij huis en tijdig. Informatie, advies, hulp en ondersteuning vinden zoveel mogelijk in de wijk plaats. We zetten in op een verschuiving van (gespecialiseerde) hulp en ondersteuning bij een instelling, naar brede passende ondersteuning in de eigen leefomgeving. In 2018 zijn het Centrum Jeugd en Gezin, de Wmo-uitvoeringsorganisatie en het Centraal Coördinatiepunt samengevoegd tot één wijkgerichte organisatie Jeugd en Maatschappelijke Ondersteuning (JMO). Alle inwoners van 0 tot 100+ jaar kunnen hier terecht voor alle hulp en ondersteuning, inclusief de periodieke onderzoeken voor kinderen, voor vragen over jeugdgezondheidszorg, opvoeding en jeugdhulp. Voor inwoners in een kwetsbare positie komt er een basisinfrastructuur van het Haagse welzijn, waar zij terechtkunnen voor informatie over alle voorzieningen in de wijk, voor vragen over welzijn en ondersteuning. Deze ondersteuning wordt geboden vanuit de Servicepunten XL. Aan de hand van de kenmerken van de wijk wordt een aantal Servicepunten XL doorontwikkeld.
Het Servicepunt XL De Henneberg ligt op 5 minuten met de auto en 6 minuten met de fiets van het bouwplan. Het brede kader van dit nieuwe beleidsplan maakt het mogelijk om het Beleidsplan Jeugd 2018-2020 'Haagse jeugd samen aan zet' (RIS298573) hieraan te verbinden. Met dit beleidsplan wordt voldaan aan de wettelijke verplichting zoals die is verwoord in de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet én de Wet publieke gezondheid.
blad 48 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
4.11
Duurzaamheidsbeleid Kadernota duurzaamheid - schone energie in een groene stad (5 maart 2019, RIS 301829) Samen met alle inwoners van Den Haag werkt de gemeente aan een stad die schoner, groener en duurzamer wordt. Zo wordt duurzaam denken én doen een nog belangrijker onderdeel van de Haagse mores: duurzaam is de nieuwe norm. Om duurzame ontwikkeling hanteerbaar te maken richt de gemeente zich op vier thema's: de overgang naar schone energie, een aantrekkelijke leefomgeving, schone mobiliteit en het hergebruik van grondstoffen. Doel is om op de gestelde doelen concrete resultaten te boeken en deze resultaten via monitoring zichtbaar te maken. Dit gaat de gemeente doen in de vorm van een jaarlijkse Programmabrief Duurzaamheid en een jaarlijkse Voortgangsbrief Duurzaamheid. Per thema is een plan van aanpak en een werkagenda voor de periode 2019-2022 opgesteld. De laatste kan invloed hebben op bestemmingsplannen en concrete projecten. Energie Den Haag zet betekenisvolle en concrete stappen naar het doel van een klimaatneutrale stad in 2030. Hiermee sluit de gemeente aan op de besluiten van de rijksoverheid die op energieterrein zijn genomen. Dit betekent onder andere dat elk nieuw gebouw klimaatneutraal en dus zonder aardgas wordt opgeleverd. Bij grootschalige renovaties is aardgasvrij het uitgangspunt.
Daarnaast is de ambitie om in de periode 2018-2022 25.000 tot 30.000 bestaande woningen van duurzame energie te voorzien of ze hierop voor te bereiden, zodat ze klaar zijn om aangesloten te worden op schone energie. Per wijk worden wijkenergieplannen opgesteld. In deze plannen zal worden beschreven welke toekomstige energievoorziening in de wijk beschikbaar is en hoe de overstap wordt gemaakt. Verder is de ambitie dat ieder geschikt dak in Den Haag zonnepanelen, zonneboilers heeft, groen is of anders wit. Leefomgeving Het opvangen van de groei van de stad dient met de ambitie van een gezonde, aangename leefomgeving gepaard gaan. Dit vraagt een maximale inzet op klimaatbestendigheid (omgaan met wateroverlast en hitte) en een sterk vooruitgang in milieukwaliteit. Klimaatbestendigheidsmaatregelen moeten zo mogelijk samenvallen met andere fysieke werkzaamheden in de stad, zoals gebiedsontwikkelingen, herinrichtingen en grootschalig onderhoud. Groen in de stad wordt kwalitatief ontwikkeld, zodat groen toekomstbestendig wordt. In intensiveringsgebieden zal groen in, op, en aan gebouwen een belangrijk middel zijn om bij te dragen aan de verschillende functies van groen in de stad (natuurontwikkeling, bijdragen aan klimaatbestendigheid, bieden plekken voor rust en ontspanning). Voorts wordt ingezet op schone lucht en bodem, aangename omgevingsgeluidsniveau en externe veiligheid.
Halen van milieunormen is hierbij niet voldoende. Uitganspunt is dat ontwikkelingen in de stad op een verantwoorde wijze worden mogelijk gemaakt. Een afgewogen gebruik en beheer van de boven- én ondergrond worden steeds belangrijker. Mobiliteit Den Haag kiest vooral voor vervoer dat weinig ruimte vraagt, duurzaam en gezond is: lopen, fietsen, lichte elektrische voertuigen (LEV's) en OV. Bij het inrichten van de buitenruimte krijgt dit prioriteit. Daarbij is extra aandacht voor de mensen met een beperking. Den Haag zet in op schoon vervoer. Dat doet de gemeente onder meer door het stimuleren van elektrische voertuigen. Elektrische auto's kunnen bijdragen aan een evenwicht tussen vraag en aanbod van stroom en aan een efficiënt gebruik van het stroomnetwerk in de stad. De groei van de stad vraagt om een andere organisatie van parkeren, rekening houdend met de omstandigheden en behoeften per wijk. Alternatieven worden gestimuleerd, zoals het gebruik van (elektrische-) deelauto's. De parkeernormen voor nieuw woongebouwen worden flexibeler en meer gebiedsgericht; binnen het invloedsgebied van de OV-corridors en rond OV-knopen kan een lagere parkeernorm gaan gelden.
blad 49 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
Grondstoffen Den Haag wil inzetten op hergebruik dat lokaal het meest kansrijk is en de meeste impact heeft. Met dat doel voor ogen zal Den Haag zich concentreren op zes sporen: gebruiksgoederen delen en hergebruiken, hergebruik uit huishoudelijk afval, hergebruik uit de bouw, plastic terugdringen, voedselverspilling tegengaan, ondernemers ondersteunen in grondstoffenmanagement. De gemeente stelt eisen aan circulair gebruik van materialen en grondstoffen bij al haar opdrachten in zowel de bouw en sloop van gebouwen als de grond-, weg- en waterwerkzaamheden in de buitenruimte. Daarnaast zal de gemeente bij gebiedsontwikkeling en gronduitgifte het circulair gebruik van materialen en grondstoffen stimuleren middels gunningscriteria in ontwikkelcompetities. Grote winst is te behalen met slimme, modulaire ontwerpoplossingen in bouwprojecten. Uitvoeringsplan Duurzame Stedenbouw (2012; RIS 251776) Het document beschrijft de belangrijkste principes van duurzame stedenbouw en gaat in op voor Den Haag relevante opgaven, zoals op het vlak van energieverbruik terugdringen, kust-klimaat-groen aanpassingen aan klimaatverandering, het stimuleren van loop en fiets bewegingen en bouwen en hergebruik van gebouwen. Duurzame stedelijke ontwikkeling betekent kiezen voor schone en gezonde systemen, rekening houdend met de eindgebruiker en met de mogelijkheid van geleidelijke vernieuwing.
Stedenbouwkundige en planologische keuzes ten aanzien van de situering van functies, afstemming tussen functies en (ruimtelijke) inrichtingselementen, grondgebruik (dichtheden), structuren en maatvoering kunnen bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. Het doel is een adaptieve stedelijke omgeving die met zorgvuldig gebruik van grondstoffen en zonder ingrijpende aanpassingen lang meegaat en mooi kan verouderen. Den Haag kiest voor stedelijkheid en efficiënt grondgebruik, met een lage milieubelasting, minder energieverbruik en een beperkte mobiliteitsbehoefte. Dit betekent in grote lijnen voor plangebied dat er ingezet wordt op hoge dichtheid bij een OV-knooppunt. Dit is een belangrijke opgave voor de stedenbouwkundige planvorming in plangebied. Een duurzaam ingerichte stedelijke omgeving betekent een aantrekkelijke stad waar mensen graag wonen en werken. Duurzaamheid is dus is een belangrijke vestigingsconditie voor bewoners, bedrijven en instellingen. Duurzaam bouwen in Den Haag Nieuwbouw in het plangebied dient te voldoen aan de beleidskaders voor duurzaam bouwen uit het Bouwbesluit en de daaraan gekoppelde energieprestatie Deze energieprestatie is de afgelopen jaren stapsgewijs aangescherpt. Vanaf 1 januari 2021 dient alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).
GPR beleid: GPR staat voor Gemeentelijke Praktijkrichtlijn Duurzaam Bouwen. De Gemeente Den Haag voert als algemeen beleid dat minimaal voldaan moet worden aan een GPR-waarde van 7 voor woningbouw en 8 voor utiliteitsbouw. Voor nieuwe kantoren en andere utiliteitsgebouwen wordt minimaal een GPR van 8 gevraagd (Kantorenstrategie 2010-2030, RIS 170032). Een GPR-waarde van minimaal 7 of hoger kan opgenomen worden in de gronduitgifte. Volgens het gemeentelijk beleid mogen initiatiefnemers ook andere instrumenten gebruiken, mits minimaal een vergelijkbare ambitie wordt geleverd (bijvoorbeeld BREEAM, LEED). Voor hoogbouw voert de gemeente aanvullend beleid. In de nota Haagse Hoogbouw: Eyeline & Skyline (RIS298448) is de ambitie opgenomen om volgens het meetinstrument 'GPR Gebouw' minimaal een 8 te scoren op de thema's milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Voor energie geldt bij de GPR een score van 9. Duurzaam bouwen in het plangebied Energie Voor wat betreft het thema energie wordt het bouwplan gasloos uitgevoerd en voldoen de woningen aan de eisen van het BENG. Leefomgeving Ten aanzien van de leefomgeving geldt dat het plangebied in haar huidige vorm een gebied waar de lokale effecten vanwege het veranderende klimaat goed zichtbaar en voelbaar zijn. Het terrein is, zoals het nu is, blad 50 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
nagenoeg geheel verhard. Met als gevolg dat de temperatuur zomers hier lokaal hard oplopen en dat deze warmte ook s’ nachts wordt vastgehouden. In het bouwplan neemt de hoeveelheid verharding af en worden kansen benut om de locatie beter voor te bereiden op het klimaat in de toekomst. De ambitie voor Nieuw Houtwijk is om integraal na te denken over het vasthouden en bergen van het hemelwater. Hierbij speelt de groeninrichting én het beheer gezamenlijk een belangrijke rol. Denken vanuit het natuurlijk systeem zal moeten lijden tot een inrichting van de publieke ruimte die werkelijk betekenisvol is en zichtbaar effectief in het omgaan met het veranderende klimaat in de stad. Om te kunnen beantwoorden aan de ambities op gebied van klimaat en waterberging, is het doel om gesloten verharding enkel daar toe te passen waar noodzakelijk. Op plekken verharde ruimte die enkel incidenteel wordt belast en parkeerplaatsen passen we half open verharding toe. Bij de waterberging wordt gestreefd wordt naar een combinatie van toepassen van waterberging op groene daken, in achterpaden in grondkoffers en via oppervlakkige afvoer naar groenvoorzieningen en in wadi’s. Uitgangspunt hierbij is de bergingsopgave die volgt uit de watersleutel (zie paragraaf 5.10). De maatregelen dragen bij aan wateroverlast, hittestress, droogtestress en biodiversiteit.
In het kader van groen in de stad worden er bomen en beplanting aangelegd in de openbare ruimte en woningen voorzien van gevelbeplanting.
bomen
beplanting
Tevens is het uitgangspunt van het bouwplan de biodiversiteit te vergroten. In het plangebied worden een aantal verschillende biotopen gecreëerd. Uiteraard zijn er in het plangebied gebouwen en tuinen te vinden. De gebouwen kunnen geschikt zijn voor gebouw bewonende soorten. Er worden nestkasten aan en in de gebouwen gerealiseerd voor gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen. In de openbare ruimte worden een aantal groenvoorzieningen gecreëerd. Hierin is onderscheid te maken in verschillende biotopen. Deze bestaan uit graslanden, bloemweiden en bermen, sierplantsoen, waterbergingsgebied en tot slot struweel, hagen en bosranden. Voorts is er ter plaatse van het plangebied sprake van schone lucht. Voor de aspecten stikstofdioxide en fijn stof wordt voldaan aan de WHO normen (zie paragraaf 5.6).
Mobiliteit De ligging van Nieuw Houtwijk in het stedelijk weefsel van Den Haag biedt uitgelezen kansen om de diverse behoefte aan mobiliteit te actief in te zetten. Op basis van het STOMP-principe wordt de bewoner centraal gezet in het in eerste instantie aantrekkelijk te maken om te voet of te fiets te gaan. Daarna zullen bewoners bewust worden gemaakt van de diverse openbaar vervoerslijnen (tram en bus) nabij Nieuw Houtwijk. Ook worden er twee deelauto’s inzet om daarmee deelmobiliteitsoplossingen te faciliteren.
blad 51 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
Grondstoffen De initiatiefnemer is één van de ondertekenaars van het Convenant Circulair Bouwen. Met dit convenant als vertrekpunt zetten partijen zich in op efficiënt om te gaan met herbruikbare grondstoffen en materialen. In Nieuw Houtwijk wordt in dit kader onderzocht hoe materialen uit de te slopen gebouwen kunnen worden hergebruikt in de nieuwe ontwikkeling. Hierbij wordt gedacht aan een toepassing in de openbare ruimte als in de private ruimte.
blad 52 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
5.
Omgevingsaspecten
5.1
Inleiding De Wet milieubeheer schaart onder milieu het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat. In de ruimtelijke context gaat het om het fysieke milieu, de fysieke ruimtelijke omgeving. Voor de inkadering van milieu gebruikt men dan vaak de begrippen: 'milieuhygiëne': gericht op het bestrijden van milieuhinder van geluid, lucht, geur, stank, bodemverontreiniging en veiligheidsrisico's; 'ecologische duurzaamheid': bestaat naast milieuhygiëne uit aspecten van aardkunde, hydrologie, cultuurhistorie, natuur en klimaat en energie, die bij aantasting niet of zeer moeilijk te herstellen zijn; In dit hoofdstuk komen aan de orde: de milieueffectrapportage, externe veiligheid, geluid, lucht, verkeer, natuurbescherming, bodem, archeologie en water.
5.2
Milieueffectrapportage Toetsingskader Wijzigingswet Wet milieubeheer De wijzigingen van de m.e.r.-richtlijn zijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wijzigingswet Wet milieubeheer. In deze wet zijn alleen de noodzakelijke wijzigingen vastgelegd. Met name wordt géén gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ondergrenzen voor de m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteiten aan te geven. De procedurele en inhoudsvereisten voor de m.e.r.-beoordeling waren al grotendeels vastgelegd in de wetgeving tot nu toe. Zo was al geregeld dat de m.e.r.-beoordelingsbeslissing binnen 6 weken moet plaatsvinden. Nu is in artikel 7.16 een uitgebreide lijst van te overleggen gegevens opgenomen voor initiatiefnemers. Maar deze verschillen niet heel veel van wat gebruikelijk is. Aanpassing van het Besluit m.e.r. Met de aanpassing van het Besluit m.e.r., zoals deze 7 juli 2017 in werking is getreden, gelden deze procedurele en inhoudsvereisten ook voor activiteiten onder de drempelwaarden, dus in het geval van een vormvrije m.e.r.beoordeling. Het belangrijkste verschil met een m.e.r.-beoordeling voor gevallen boven de drempelwaarde is dat het bevoegd gezag geen mededeling hoeft te doen van zijn beslissing omtrent de vraag of een MER moet worden gemaakt door een kennisgeving en ter inzage legging niet nodig is.
De beslissing dat er (g)een MER moet worden gemaakt, maakt uiteindelijk deel uit van het m.e.r.(beoordelings)-plichtige besluit (omgevingsvergunning of bestemmingsplan). Gevolgen voor de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijking of milieu Voor de formeel m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten boven de drempelwaarden is er qua procedure niet zo heel veel veranderd. Hier moest altijd al een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden gepubliceerd. Nieuw is wel dat eventuele mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen bij de beoordeling, maar dat moet dan wel worden vastgelegd in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Voor vormvrije m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten geldt nu, net als bij formele m.e.r.- beoordelingsplichtige projecten, dat bij besluiten op aanvraag (aanmeldingsnotitie) er binnen 6 weken moet worden beslist of een MER moet worden gemaakt. Waar het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer is moet nu (net als bij een formele m.e.r.-beoordeling) ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit c.q. -plan een m.e.r.-beoordelingsbeslissing zijn genomen. Deze hoeft niet apart te worden gepubliceerd, maar zal in de praktijk wel meegaan bij de terinzagelegging van het ontwerpbesluit c.q. -plan.
Stedelijke ontwikkelingsprojecten Dat een m.e.r-beoordelingsbeslissing moet worden gemaakt is een aandachtspunt voor een aantal activiteiten die in kolom 1 vallen. Een belangrijk voorbeeld is categorie D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r., stedelijke ontwikkelingsprojecten: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip blad 53 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Als de gevalsomschrijving (drempelwaarde) niet meer bepalend is voor de noodzaak van een m.e.r.- beoordelingsbeslissing valt hier opeens heel veel onder. Samenvatting Uit voorgaande blijkt dat bij veel (meer) plannen een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, bestaand uit een apart besluit in een zo vroeg mogelijke planfase op basis van een zelfstandig document waarin expliciet wordt aangetoond of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten nadat er een afweging heeft plaatsgevonden aangaande de volgende drie criteria: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Omdat er geen drempelwaarden meer gelden en er geen duidelijke definitie van stedelijke ontwikkelingsprojecten is opgenomen, is het bij het mogelijk maken van een paar woningen al snel een discussiepunt 'wel of geen stedelijk ontwikkelingsproject'. Door de omgevingsdienst wordt beoordeeld of voor de genoemde activiteiten welke in het Besluit milieueffectrapportage zijn opgenomen eerst een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden doorlopen. Daar is wel enige nuancering op zijn plaats. Uit uitspraken van de Raad van State volgt namelijk dat er wel sprake moet zijn van activiteiten met een zekere omvang.
Er begint zich al wel een zekere lijn af te tekenen in de jurisprudentie, maar veel blijf afhankelijk van de aard en omvang van het concrete project en het gebied waarbinnen dit plaatsvindt. De Afdeling heeft daarin bijvoorbeeld expliciet overwogen dat dat het geval is voor de ontwikkeling van volumineuze detailhandel met een oppervlakte van 17.000 m2 (ABRvS 24 december 2014,201307608/1/R1, r.o. 20.3) en 95 woningen (ABRvS 27 mei 2015, 201404713/1/R3, r.o. 13.2). Onduidelijk is of een nieuw muziekcentrum (ABRvS 28 november 2012, 201112213/1/R4, r.o. 5), 14 woningen (ABRvS 19 december 2012, 201201154/1/R4, r.o. 8.3 en 17 woningen (ABRvS 20 februari 2013, 201208192/1/R3, r.o. 5.3) als een stedelijk ontwikkelingsproject laat kwalificeren. Natura 2000 gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. In onderstaande kaart zijn de verschillende Natura 2000-gebieden op kaart weergegeven.
Westduinpark & Wapendal maken deel uit van een aaneenschakeling van Natura-2000 gebieden die in het duinlandschap langs de Noordzeekust zijn gelegen (de aaneenschakeling is hier en daar onderbroken door onder andere bebouwing, zoals steden als Den Haag of Katwijk). Ten noorden van het Westduinpark ligt het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide (niet op de kaart weergegeven) en ten zuiden ligt het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen.
Natura 2000-gebieden blad 54 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
Onderzoek en conclusie Het bouwplan Nieuw Houtwijk betreft een ontwikkelingsplan, waarin een stedelijke ontwikkelingsproject mogelijk wordt gemaakt. Er bevinden zich geen Natura-2000 gebieden in of nabij het plangebied, waardoor er geen effect is op de Natura 2000-gebieden door de voorgestane ontwikkeling, ook niet vanwege de stikstofdepositie (zie paragraaf 5.8). Er is een vormvrije - m.e.r.-beoordeling gemaakt, omdat de herontwikkeling van het plangebied naar woningbouw valt te kwalificeren als een stedelijke ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De aanmeldnotitie4 is als losse bijlage bij de bouwaanvraag gevoegd. Conclusie De conclusie is dat de activiteiten die mogelijk worden gemaakt met voorliggende ontwikkeling gelet op de kenmerken, plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu zijn, dat een milieueffectrapportage doorlopen dient te worden. Met deze conclusie hebben wij ingestemd <besluit van XX-2025, onder nummer <nog in te vullen>.
5.3
Milieuzonering Toetsingskader De VNG heeft de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. In de handreiking staan uitgebreide lijsten met richtafstanden die aangehouden moeten worden om voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies zoals wonen. In de richtafstandenlijst zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan, afhankelijk van het omgevingstype, van worden afgeweken. Bij het omgevingstype 'gemengd gebied' kunnen de afstanden uit de richtafstandenlijst bijvoorbeeld met één afstandstap worden verminderd. Bij het geldende bestemmingsplan is de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging opgenomen. Ze vermeldt welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in gebieden met functiemenging (stadscentra, winkelcentra, woonwerkgebieden met kleinschalige vooral ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies). Er is in deze lijst gekozen voor een andere categorieaanduiding dan in de algemene richtafstandenlijst: • Categorie A betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd.
De eisen uit het bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend; • Categorie B betreft de activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; • Categorie C betreft activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: • het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; • productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; • de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; • activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.
4
Nieuw Houtwijk Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (Antea Group, 02-05-25)
blad 55 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
Onderzoek en conclusie Aanwezige bedrijven Het plangebied (met rood aangeduid in figuur hieronder) en de directe omgeving liggen in het bestemmingsplan Houtwijklaan.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Houtwijk Aan de oost-, west- en zuidkant grenst het plangebied aan gronden met de bestemming Wonen. Aan de noordkant grenst het plan aan gronden met de bestemming Bedrijf – 2 (oranje contour in bovenstaande figuur). Aan de zuidzijde ligt een bedrijfsperceel met de bestemming Bedrijf – 1 met de functieaanduiding verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg (gele contour). Bedrijf – 1: Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven in de categorieën A en B van de staat van bedrijfsactiviteiten voor functiemenging, zoals opgenomen in Bijlage 2 Staat van bedrijven bij functiemenging van het bestemmingsplan. Ter plaatse van de aanduiding ‘verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' is tevens gebruik ten behoeve van een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg toegestaan. Bedrijf - 2: Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven in de categorieën A en B van de staat van bedrijfsactiviteiten voor functiemenging, zoals opgenomen in Bijlage 2 Staat van bedrijven bij functiemenging van het bestemmingsplan. Hieruit volgt dat er sprake is van een gebied met functiemenging. Hier zijn alleen bedrijven toegestaan die in principe verenigbaar zijn met woningbouw. Bij functiemening wordt onderscheid gemaakt in bedrijven in categorie A, B of C. Beoordeling Bij de beoordeling is uitgegaan van een maximale planologische invulling van het bestemmingsplan.
Bedrijf - 1 Op het perceel zijn categorie A en B-bedrijven toegestaan. Categorie A betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving, dat deze aanpandig aan woningen in gebieden met functiemenging kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daar toereikend. Categorie B zijn activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een blad 56 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. De bedrijfsbebouwing aan de noordkant is bouwkundig afgescheiden van de geprojecteerde woningen. Wat betreft het gebruik ten behoeve van een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg geldt het volgende. Een dergelijk bedrijf valt in milieucategorie 2 (benzineservicestation, SBI 2008 473-3) met een richtafstand van 30 meter voor geluid en geur en 10 meter voor het aspect gevaar in het gebiedstype rustige woonomgeving. De afstand van de perceelgrens van het bedrijfsperceel tot de dichtstbijzijnde gevels van de geprojecteerde woningen is circa 40 meter. Ook indien rekening wordt gehouden met vergunningvrij bouwen tot 4 meter uit de gevel van de geprojecteerde woningen wordt aan de richtafstanden voldaan. In paragraaf 5.4 is nader ingegaan op het aspect externe veiligheid, waarbij wordt geconcludeerd, dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen oplevert. Bedrijf - 2 Ook op dit perceel zijn categorie A en B-bedrijven toegestaan. Categorie A betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving, dat deze aanpandig aan woningen in gebieden met functiemenging kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daar toereikend.
Categorie B zijn activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. De bedrijfsbebouwing aan de noordkant is bouwkundig afgescheiden van de geprojecteerde woningen. Conclusie Er is ter plaatse van de gronden met de bestemmingen Bedrijf - 1 en Bedrijf - 2 planologisch geen mogelijkheid dat de bedrijfsgebouwen aanpandig aan de nieuwe woningen worden gebouwd. Geconcludeerd kan worden dat er ter plaatse van de geprojecteerde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
5.4
Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas.
Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen.
blad 57 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
Tot risicovolle inrichtingen behoren ook LNG- en waterstoftankstations en windturbines. Hierop is het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet van toepassing. Voor dergelijke objecten zijn wel rekenmethoden vastgelegd om de veiligheidscontouren te bepalen. Hierbij worden vergelijkbare grenswaarden (PR 10-6) gehanteerd. Voor de opslag van explosieven wordt geen risicobenadering maar een effectbenadering gehanteerd. Op grond van artikel 2.6.6 (veiligheidszones munitieopslag civiele inrichting) van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening worden drie veiligheidszones aangewezen. Voor zowel LPG- als LNG-tankstations heeft het Rijk aanvullend effectgericht beleid geformuleerd door middel van het vaststellen van circulaires. In de circulaires wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een verzorgingstehuis en een kindercrèche). Mensen op hoge leeftijd en kleine kinderen zijn beperkt zelfredzaam. Daarom moet voor dergelijke verblijfsobjecten een grotere afstand tot het vulpunt van een LNG- of LPG-installatie aangehouden worden tenzij aanvullende maatregelen aan de gebouwen worden getroffen. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen.
De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met LeidschendamVoorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling.
Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 meter van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid).
Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Op 27 juni 2013 heeft de gemeenteraad een routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2). Dit routeringsbesluit is gewijzigd (RIS302166) en bij besluit van 16 mei 2019 door de gemeenteraad vastgesteld (besluiten-lijst RIS302538 onder G.10). De wijziging is op 1 oktober 2019 in werking getreden. Vanaf die datum zijn de venstertijden voor het vervoer van routeplichtige stoffen (zoals LPG en propaan) op de Utrechtsebaan en de Benoordenhoutseweg blad 58 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
komen te vervallen. Doorgaand vervoer van routeplichtige stoffen is niet meer mogelijk behoudens voor het bevoorraden van de LPG-tankstations aan de Prof. B.M. Teldersweg en de Rijksstraat 447 (Wassenaar) door middel van een ontheffing. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een beperkte verantwoording: 1.
Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Gemeentelijk beleid De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS259485 en besluitenlijst, RIS260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: 1. De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid. 2. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen. 3. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten. 4. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk. 5.
Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: Structuurvisieniveau -> Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen. Bestemmingsplanniveau -> Veiligheidsgeïntegreerd ordenen. Bouwplanniveau: -> Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen. Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen. De Nota Motorbrandstofverkooppunten is 9 februari 2011 vastgesteld (RIS170330a). Deze nota behandelt de huidige (2011) en toekomstige ontwikkelingen rondom tankstations in de stad. Het doel is om de stedelijke kwaliteit te verbeteren door het aanbod van tankstations af te stemmen op de ruimtelijke en milieueisen. De nota benadrukt dat er momenteel voldoende tankstations zijn, maar dat er in de toekomst een afname van het aantal tankstations wordt verwacht, gecombineerd met schaalvergroting per locatie.
Er wordt ook aandacht besteed aan de veiligheid van LPG en de noodzaak om deze brandstof voornamelijk aan het hoofdwegennet te concentreren.
blad 59 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
Onderzoek en conclusie In het kader van het bouwplan is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is als losse bijlage bij de bouwaanvraag gevoegd5. Hierbij zijn alle risicobronnen nabij het plangebied locatie beschouwd. Het plangebied ligt in de buurt van de risicobronnen: Tankstation Gulf, aardgasleiding A-617, A4 en LGP-tankstation BP. In onderstaande figuur zijn alle risicobronnen weergegeven ten opzichte van het plangebied (rode locatie pin).
Risicobronnen nabij ontwikkellocatie (bron: signaleringskaart) Tankstation Gulf Tankstation Gulf ligt op circa 40 meter van de ontwikkellocatie. In bestemmingsplan Houtwijk staat deze risicobron vermeldt als: Bedrijf- 1 (functieaanduiding: 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'). Het tankstation bevat geen veiligheidscontouren, omdat er geen LGP verkocht worden. Deze risicobron is daarom niet relevant voor de ontwikkeling en vergt geen verdere verantwoording. Op grond van de Nota Motorbrandstofverkooppunten is een nieuwe LPG-vestiging alleen mogelijk als er sprake is van ligging aan de route gevaarlijke stoffen, of op maximaal 100 meter afstand daarvan. Dat is niet het geval. Daarnaast mag de vestiging van een nieuw LPG-tankstation niet tot gevolg hebben dat er een nieuw knelpunt voor het groepsrisico ontstaat. Gezien het bestemmingsplan en het beleid voor nieuwe LPG-tankstation is nieuwvestging van een LPG-tankstation op deze locatie niet mogelijk. Aardgasleiding A-617 Ten westen van de ontwikkellocatie ligt de aardgasleiding op circa 1,7 km van de ontwikkellocatie. Het invloedsgebied van de leiding bedraagt 200 meter. Voor de leiding is het brand scenario relevant. De ontwikkellocatie ligt ver buiten het invloedsgebied van deze risicobron en er is daarom geen verantwoording nodig.
LGP-tankstation BP Voor LPG-tankstations is wettelijk vastgelegd dat het invloedsgebied 150 meter bedraagt, gerekend vanaf het vulpunt en vanaf het bovengrondse deel van de ondergrondse tank. de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations gaat uit van de volgende scenario's: Fakkelbrand scenario: 60 meter Explosie scenario: 160 meter
5 QS externe veiligheid project locatie Nieuw Houtwijk Den Haag (Antea Group, 2024)
blad 60 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
De ontwikkellocatie ligt op 1,7 km afstand van de risicobron en valt daarom buiten het invloedsgebied. Er is daarom geen verdere verantwoording nodig. A4 Het invloedsgebied van de A4 bedraagt 880 meter (stofcategorie: LT2). De afstand tot de ontwikkellocatie bedraagt circa 5,7 km en valt daarom buiten het invloedsgebied van de risicobron. De A7 is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot het plangebied en er is daarom geen verdere verantwoording. De bovengenoemde onderzochte risicobronnen zijn niet relevant voor de voorgenomen ontwikkeling en vragen geen verdere ontwikkeling. Conclusie Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Aangezien het bouwplan niet binnen het invloedsgebied van enig risicobron ligt, is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet vereist. Toetsing aan het gemeentelijk beleid kan daarom eveneens achterwege blijven.
5.5
Geluid Toetsingskader De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, waarbij in artikel 1.2 lid 1 van het Besluit geluidhinder de geluidgevoeligre gebouwen worden benoemd. De Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer: Wegverkeers- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, en waarbinnen bij het opstellen van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Die verplichting geldt niet indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan de (spoor)weg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de betreffende weg opgenomen geluidsgevoelige gebouwen die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn. Daarnaast maakt de wet een uitzondering voor wegen waar de maximaal toegelaten snelheid 30 km/uur is. Deze wegen hoeven niet in het onderzoek te worden betrokken. De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Voor nieuwe situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Deze bedraagt voor wegverkeerslawaai maximaal 63 dB.
Een uitzondering wordt gemaakt als het gaat om vervangende nieuwbouw langs wegen. De gevelbelasting mag dan maximaal 68 dB bedragen. De wet bepaalt hierbij dat de vervanging niet zal leiden tot: een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur of functie; een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen. In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen spoorwegen aanwezig. Met lawaai van railverkeer hoeft geen rekening te worden gehouden. Reconstructie van wegen Binnen het plangebied zullen de komende jaren naar verwachting geen straten ingrijpend gereconstrueerd worden. Industrielawaai In en rond het plangebied zijn geen industrieterreinen aanwezig waarop aangewezen inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd.
blad 61 van 81
Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04
Procedure hogere waarden Wanneer de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, is parallel aan de bestemmingsplanprocedure een procedure ontheffing hogere waarden ingevolge de Wet geluidhinder noodzakelijk. De hogere waarde procedure moet zijn afgerond alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Onderzoek In het kader van de vergunningaanvraag is akoestisch onderzoek 6 uitgevoerd dat als losse bijlage is uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hieronder samengevat. Berekende geluidniveaus Uit de resultaten volgt dat de geluidbelasting vanwege de Houtwijklaan/Groen van Prinstererlaan ten hoogste 51 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt. De voorkeurswaarde van 48 dB wordt daarmee voor 3 woningen overschreden op het zuidelijke deel van woonblok 1. Aan de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt voldaan. De geluidbelasting vanwege de Laan van Vredestein bedraagt ten hoogste 49 dB (incl. aftrek ex artikel 110g Wgh) op gebouwblok 1 zuid. Hoewel de grenswaarden uit de Wet geluidhinder niet formeel gelden voor 30 km/uur wegen, zijn de kaders uit de Wet geluidhinder wel gehanteerd als maat om de resultaten te kunnen duiden (in verband met goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet ruimtelijke ordening). Uit de resultaten blijkt dat de vastgestelde geluidbelasting valt binnen de marges die uit de Wet geluidhinder volgen.
De geluidbelasting is weliswaar hoger dan de voorkeurgrenswaarde (48 dB inclusief aftrek), maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde (63 dB inclusief aftrek). De geluidbelasting vanwege de Oude Haagweg (incl. tram) en Laan van der Kroft bedragen respectievelijk ten hoogste 47 en 33 dB (incl. aftrek ex artikel 110g Wgh) en voldoen daarmee aan de Wet geluidhinder. Beschouwing geluidbeperkende maatregelen Gezien de geconstateerde overschrijdingen van de voorkeurgrenswaarde zijn in het kader van het akoestisch onderzoek geluidmaatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied en bij ontvanger beschouwd. Bronmaatregelen Een mogelijke bronmaatregel is het verlagen van de rijsnelheid. Snelheidsverlaging heeft een direct effect op de geluidemissie van wegverkeer. Indien de maximum snelheid op de Houtwijklaan/Groen van Prinstererlaan van 50 km/uur naar 30 km/uur wordt teruggebracht, daalt de maximale geluidbelasting met circa 3 dB. Ook zal door het verlagen van de maximum snelheid van 50 naar 30 km/uur deze weg niet-gezoneerd zijn in de zin van de Wet geluidhinder. De Houtwijklaan/Groen van Prinstererlaan is opgenomen in de hoofdroutekaart voor hulpdiensten en openbaar vervoer van de gemeente Den Haag. Op deze weg mogen geen snelheid beperkende maatregelen worden getroffen. Derhalve stuit deze maatregel op verkeerskundige bezwaren.
Overdrachtsmaatregelen Gezien het beperkte aantal woningen dat een geluidniveau boven de 48 dB ondervindt, zullen overdrachtsmaatregelen eveneens niet doelmatig en efficiënt kunnen worden uitgevoerd. Er is sprake van een binnenstedelijke omgeving, waardoor plaatsing van schermen op bezwaren van stedenbouwkundige aard kan stuiten. Daarnaast gaat het hier om hoogbouw met ook op de hoogste verdiepingen een overschrijding van de voorkeurswaarde. Een scherm met deze hoogte is zeer kostenintensief en zal mede daardoor ook op bezwaren van financiële aard stuiten. Ontvangermaatregelen Het binnenmilieu wordt beschermd door de eisen die opgelegd zijn vanuit het Bouwbesluit. De geluidwering van de gevel dient zodanig te zijn dat het resulterende geluidniveau in de woning niet meer bedraagt dan 33 dB. Bij deze berekening wordt de cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer gebruikt