CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS324498 Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk

Commissie Ruimte 11 februari 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken35.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

6

Akoestisch onderzoek, buitenplanse omgevingsvergunning Nieuw Houtwijk Den Haag, Antea Group, 2 mei 2025)

blad 62 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

Uit de beschouwing volgt dat toepassing van maatregelen stuit op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige en/of ruimtelijke aard. Beschouwing geluidluwe gevel Op basis van het bouwplan zijn de geluidniveaus op het zuidelijke deel van blok 1 bepaald. Alle woningen voldoen aan de eis van een geluidluwe gevel die is opgesteld door de gemeente. Hogere grenswaarden Burgermeester en wethouders van de gemeente Den Haag kunnen overwegen om voor woningen een hogere waarde vanwege de Houtwijklaan/Groen van Prinstererlaan vast te stellen (inclusief correctie ex artikel 110g Wgh) voor bouwnummers op het zuidelijke deel van blok 1, waar de geluidbelasting ten hoogste 51 dB Lden incl. aftrek bedraagt. Op basis van het bouwplan plan gaat hier om 3 woningen. Geluid speelplaats Zoals in paragraaf 3.2 beschreven zal er centraal in de buurt een speelplein komen. De plek bestaat uit twee delen. Het noordelijke van circa 7 bij 8 meter ligt 50 cm verdiept ten opzichte van het omliggende maaiveld. In deze verdiepte zone is ruimte voor vrij/fantasiespel, gebruikmakend van het niveauverschil en het patroon van de vloer. De vloer is uitgevoerd als een patroon, met verschillende lijnen en vlakken, gemaakt van rietrubber. De zelfde vloer ligt ook in het zuidelijke deel van circa 7 bij 10 meter. Hier vult een sculpturaal klim-glijtoestel de ruimte, samen met een schommel.

Langs de randen van het speelterrein worden zitelementen gerealiseerd. Gezien de aard van het speelterrein, de beperkte omvang van het speelterrein en daarmee een beperkt aantal spelende kinderen en het feit dat de speelvoorzieningen bestaan uit een klim-/glijtoestel en een schommel is er geen geluidhinder te verwachten vanwege gillende spelende kinderen. Dit zou anders zijn bij de aanleg van een trapveldje met doeltjes, een basketbalveldje of een speelkooi. Dat is echter niet aan de orde. Daarbij geldt aanvullend dat het gedeelte van het speelplein waar de speelelementen staan tussen het noordelijk deel van blok 1, blok 5 en blok 2 zijn gesitueerd. De tuinen van blok 1 en blok 5 bevinden zich ten opzichte van het speelplein aan de achterzijde, zodat er bij die woningen naast dat er weinig tot geen geluidhinder wordt verwacht er ook nog geluidafscherming plaatsvindt door het gebouw. Tot slot betreft het speelplein geen binnenterrein. Aan de noord- en zuidzijde bevindt zich geen bebouwing, zodat er geen risico is dat de bebouwing als een klankkast gaat fungeren, waardoor het geluid wordt versterkt. Op basis van voorgaande is het aannemelijk dat er geen geluidhinder vanwege spelende kinderen optreedt.

5.6

Luchtkwaliteit Toetsingskader Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld, dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten

blad 63 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Onderzoek en conclusie De projecten, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan luchtkwaliteit en dus niet getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden, zijn genoemd in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). In de bij dit besluit behorende Regeling NIBM is de lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Zo is een nieuwbouwproject met maximaal 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) per definitie NIBM. Onderhavig bouwplan met 145 woningen valt daar ruim onder. Er is geen toets aan de effecten op de luchtkwaliteit nodig. Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen), die beperkingen stelt aan de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen is vanwege de afstanden tot de provinciale weg van meer dan 50 meter niet van toepassing. Voor wat betreft het woon- en leefklimaat ter plaatse met betrekking tot luchtkwaliteit geldt het volgende. Via de CIMLK (www.cimlk.nl) is bij de dichtstbijzijnde plek de waarde van de relevante luchtkwaliteitsaspecten bepaald7, te weten: 1. Oude Haagweg: locatie X:77064 (…), Y:452810 (…), receptor wegverkeer 27370927_503. 2. Houtwijklaan: locatie X:77138 (..), Y:452582 (..), receptor wegverkeer 27370927_739.

Grenswaarde Grenswaarde NO2-concentratie: < 35 µg/m3 Grenswaarde PM2,5-concentratie: < 20 µg/m3 Grenswaarde PM10-concentratie: < 35 µg/m3 Grenswaarde PM10 overschrijdingsdagen: < 35 dagen

Waarde locatie 1 Waarde 2025: 17,8 µg/m3 Waarde 2025: 7,9 µg/m3 Waarde 2025: 16,0 µg/m3 Waarde 2025: 6 dagen

Waarde locatie 2 16,9 µg/m3 7,9 µg/m3 15,8 µg/m3 6 dagen

De waarden liggen ruim onder de grenswaarden. Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. De Wereldgezondheidsorganisatie (of WHO) adviseert strengere normen dan de Europese Unie. De maximale normen voor fijnstof volgens de Wereldgezondheidsorganisatie bedragen 20 µg/m³ voor PM10 en 10 µg/m³ voor PM2,5. Aan deze normen wordt ter plaatse van het plangebied in 2025 voldaan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling de toenames in stikstofdioxide en fijn stof zeer beperkt zijn en in 2025 voldoen aan de WHO normen. Er zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

7

Monitoringsronde 2024, monitoringsjaar 2025

blad 64 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

5.7

Verkeer en parkeren

5.7.1

Parkeren Toetsingskader Parkeren In paragraaf 4.6 is het parkeerbeleid beschreven voor auto’s en fietsen. Onderzoek Parkeren Voor de appartementen geldt een parkeernorm van 0,55. Voor de grondgebonden woningen is de norm 1,7. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 123 parkeerplaatsen (108 appartementen * 0,55 + 37 grondgebonden woningen * 1,7). Er worden 117 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan twee voor deelauto’s. Hierbij geldt dat één parkeerplaats voor een deelauto voor vier parkeerplaatsen telt. Met 115 reguliere parkeerplaatsen en twee deelauto’s (8 pp) zijn er in totaal 123 parkeerplaatsen en voldoet het bouwplan aan de parkeernorm. Fietsparkeren Op grond van het Bouwbesluit moet een woning met een gebruiksoppervlakte groter dan 50 m2 beschikken over een niet-gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte (buitenberging) om fietsen of scootmobielen beschermd tegen weer en wind te kunnen opbergen. In afwijking van het eerste kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m² de bergruimte gemeenschappelijk zijn indien de vloeroppervlakte van de bergruimte tenminste 1,5 m² per woonfunctie bedraagt.

Het college van burgemeester en wethouder is bevoegd om te oordelen, dat een voorgestelde alternatieve oplossing, bij het realiseren van gemeenschappelijke buitenbergingen, ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu (gelijkwaardigheid) biedt. Hiervoor heeft het college de 'Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Den Haag 2017' vastgesteld (Haagse Bouwbrief). De 37 grondgebonden woningen in blok 1, 4 en 5 geldt dat deze woningen individuele bergruimte hebben die voldoet aan het Bouwbesluit 2012. De 51 sociale huurwoningen met een gbo van minder dan 50 m2 in blok 3 hebben gemeenschappelijke bergruimte a 1,5 m2 per woonruimte, waarmee ook aan het Bouwbesluit wordt voldaan. Blok 1, 2 en 4 voldoen daarmee ook aan het gemeentelijk fietsparkeerbeleid. In blok 2 is voor de 57 appartementen uitgegaan van gemeenschappelijke bergingen. Hierbij wordt niet voldaan aan de eisen van 1,5 m2 per woonruimte uit het Bouwbesluit 2012. Met toepassing van de Haagse Bouwbrief kan zoals hierboven aangegeven worden afgeweken. De norm voor deze woningen is 3 plekken in een fietsrek waarbij tenminste 2,7 m2 interne berging aanwezig is. Dit leidt tot een behoefte van 171 fietsplekken. Hier wordt aan voldaan.

Ten aanzien van scootmobielen geldt op basis van de normen uit de Haags Bouwbrief, dat er bij 57 appartementen afgerond 7 opstelplaatsen voor scootmobielen (57 / 9) benodigd zijn met een bruto oppervlakte van 3 m2 per plek. Dat betekent dat 19 m2 stallingsruimte voor scootmobielen moeten worden gerealiseerd (57 / 9 * 3). Daar wordt aan voldaan (de ruimte is 23,55 m2). De opstelplekken zijn voorzien van een elektrische oplaadmogelijkheid.

5.7.2

Verkeer In het kader van de bouwaanvraag is een verkeersonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek 8 is als losse bijlage bijgevoegd. Doel van dit onderzoek is een beeld geven van de hoeveelheid verkeer dat gebruik maakt van de verschillende delen van de Laan van Vredestein (noordelijk deel en zuidwestelijk deel). Verkeersafwikkeling Noordzijde Uit het onderzoek blijkt, dat van het verkeer, dat gebruikmaakt van de noordelijke ontsluiting 56% direct de Oude Haagweg op gaat. Hiervan zal grofweg de helft (voornamelijk uitgaand) gebruik maken het noordelijke deel van de Laan van Vredestein, de andere helft (voornamelijk inkomend) van de Schifflaan

8

Verkeersonderzoek Nieuw Houtwijk Den Haag (Antea Group, 28-05-2024)

blad 65 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

Alleen het verkeer naar Loosduinen (1%), het Westland (10%) en Rotterdam (20%) maakt gebruik van de Laan van Vredestein en alleen in uitgaande richting.

Zuidzijde Alle verkeer van/naar de zuidzijde zal direct via de Houtwijklaan rijden.

Totaalbeeld Naar schatting zal er evenveel verkeersgeneratie zijn aan beide zijden van de ontwikkeling.

Verkeersintensiteiten Laan van Vredestein en Schifflaan De te verwachte toename van verkeer (in motorvoertuigen per etmaal) op de Laan van Vredestein is circa: • 47 op noordelijk deel • 30 op oostelijk deel blad 66 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

•

178 op zuidelijk deel

De verwachte toename op de Schifflaan is circa 74 mvt/etmaal Op het noordelijk deel is de toename in relatieve zin significant (+20%), in absolute zin is deze zeer klein. Ter vergelijking: op de Oude Haagweg en Houtwijklaan rijden ieder circa 20.000 motorvoertuigen per etmaal. De toename op de Houtwijklaan is 178 en op de Oude Haagweg 125 motorvoertuigen per etmaal.

Verkeersintensiteit huidig + toename [motorvoertuigen / etmaal] Bron huidig: Intensiteitenkaarten 2022 – Gemeente Den Haag

Tevens is de situatie voor 2034 beoordeeld (aanname 1% groei van de verkeersgeneratie ten gevolge van de ontwikkeling Nieuw Houtwijk en op de prognose van het overige verkeer.

Verkeersintensiteit 2034 + toename [motorvoertuigen / etmaal] Bron: Intensiteitenkaarten 2033 – Gemeente Den Haag

5.8

Natuurbescherming

5.8.1

Algemeen De wet- en regelgeving voor de groene waarden betreft de Wet natuurbescherming, de Wet milieubeheer, de Gemeentewet en de Wet ruimtelijke ordening. De bescherming van de groene waarden kent in de wet- en regelgeving verschillende invalshoeken: gebiedsbescherming, soortenbescherming, bomenbescherming, areaalbescherming en netwerkbescherming. Op elk van deze aspecten wordt hierna ingegaan. blad 67 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de gebiedsbescherming van bijzondere natuurgebieden, de zogenoemde Natura2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hieraan voorafgaand is in januari 2006 de formele aanwijzingsprocedure van Natura 2000-gebieden gestart. Na deze aanwijzing is de gebiedsbescherming uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en sinds 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland. In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (inclusief Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (inclusief Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (inclusief landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreft Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden in de gemeente Den Haag. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. Is er op grond van de Wet milieubeheer (Wm) sprake van een passende beoordeling dan is een MER nodig. Voor de andere gevallen kent de Wm de vormvrije mer-beoordeling.

In een ruimtelijke onderbouwing dient aangegeven te worden in hoeverre de uitvoering van het plan onder de verplichtingen vanuit deze wet valt. De kortste afstand tussen het plangebied en een Natura2000-gebied (Westduinpark & Wapendal) bedraagt circa 1,3 kilometer. Natuurnetwerk Nederland Om de nationale ruimtelijke beleid te borgen is op grond van de Wet ruimtelijke ordening door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) van kracht. Daarin wordt de mogelijkheid geboden om stelsels van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang aan te wijzen dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten - het natuurnetwerk Nederland. Deze gebieden moeten bij provinciale verordening worden aangewezen en hun ligging geometrisch vastgelegd. Ook de Wnb kent een gelijke bepaling voor dit netwerk. In de verordening wordt gesteld dat een buitenplanse omgevingsvergunning voor gronden binnen dit netwerk, met bestaande natuur geen bestemmingen aanwijst die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.

Het plangebied is op geruime afstand van het Natuurnetwerk Nederland gelegen, waardoor de ontwikkeling geen invloed heeft op het Natuurnetwerk Nederland.

blad 68 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

Soortenbescherming Verder heeft de Wnb de bescherming van planten- en diersoorten uit de Flora- en faunawet overgenomen. De wet gaat ervan uit dat zonder uitdrukkelijke toestemming geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. Dit betekent dat het gaat om het effect van een handeling op beschermde soorten. De wet kent een drie aparte beschermingsregimes voor: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; 3. andere soorten' die vanuit nationaal oogpunt zijn beschermd. Hierbij hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden in de soorten die beschermd zijn. De wet legt een zorgplicht op voor alle dieren en planten in Nederland, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de wijze en het tijdstip van uitvoering van bouwplannen waarbij men rekening houdt met het voortplantingsseizoen en met winterverblijfplaatsen en waardoor dieren niet onnodig worden verontrust. Ook legt de wet een beschermingsplicht op voor een groot aantal met name genoemde soorten. De wet bevat verbodsbepalingen voor het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten en het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.

Voor de algemene beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling, voor andere soorten die strenger zijn beschermd (vleermuizen, vogels, eekhoorns) kan onder voorwaarden een ontheffing worden aangevraagd.

5.8.2

Onderzoek Natuurtoets In het kader van de vergunningaanvraag is een natuuronderzoek 9 uitgevoerd. In deze paragraaf is per onderdeel de conclusie en het advies gegeven, dat voortkomt uit de uitgevoerde natuurtoets. De natuurtoets is als losse bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning gevoegd. Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels en vleermuizen. In onderstaande tabel zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van de natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming. Soort(groep) Essentieel leefgebied in Nader (directe omgeving van) onderzoek plangebied? nodig? Vogels (algemene Ja, nestgelegenheid in N.v.t. broedvogels) opgaande begroeiing Zoogdieren (diverse Bebouwing mogelijk Ja, zie soorten vleermuizen) geschikt als verblijfplaats hieronder - verblijfplaatsen

•

•

9

Maatregelen?

Ja, zie hieronder

Ontheffing Wnb aan de orde? Nee

n.t.b.

n.t.b.

Maatregelen algemene broedvogels: Werken buiten het broedseizoen óf het projectgebied ongeschikt maken voor de start van het broedseizoen óf vrijgave van het terrein voor de start van de werkzaamheden door een deskundig ecoloog. Vleermuizen: Nader onderzoek conform het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Dit onderzoek bestaat uit minimaal vijf bezoeken verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober).

Natuurtoets Houtwijklaan Den Haag (Antea Group, 2023)

blad 69 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

Nader onderzoek vleermuizen Naar aanleiding van de natuurtoets is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen 10. De conclusies zijn hieronder weergegeven: • In het projectgebied zijn geen zomer-, kraam-, of paarverblijfplaatsen vastgesteld van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis en laatvlieger. Winterverblijfplaatsen kunnen derhalve redelijkerwijs worden uitgesloten. • In wijk rondom het projectgebied zijn vijf baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. De bijbehorende paarverblijfplaatsen liggen buiten het projectgebied. De baltsterritoria bevinden zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. • Op basis van het soortgericht onderzoek ten aanzien van beschermde elementen van vleermuizen is er geen ontheffing noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming ( per 1 januari 2024 heet dit een omgevingsvergunning flora-en-fauna-actviteit onder de Omgevingswet. Wel is er sprake van zorgplicht ten behoeve van langsvliegende en foeragerende vleermuizen. Lichtverstoring van vleermuizen in de nacht dient te worden voorkomen. Zorgplicht Het blijkt dat er in het plangebied soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten.

Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in onderstaande tabel. Zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Vleermuizen Voorkomen van lichtverstoring in de nacht Algemene broedvogels Werken buiten het broedseizoen óf het projectgebied ongeschikt maken voor de start van het broedseizoen. Bij werkzaamheden in het broedseizoen: broedvogelinspecties laten uitvoeren door deskundig ecoloog. Het is raadzaam om (kap)werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Grondgebonden zoogdieren Ecologische begeleiding tijdens opschonen en bouwrijp maken van het terrein (ook in de (alle soorten) winterperiode). Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort maaien.

Natura 2000 In onderstaande tabel zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.4 van de bijgevoegde natuurtoets (Antea Group, 2023). Conclusies Natura 2000-gebieden. Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden? Treden er negatieve effecten op of zijn deze te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Wnb-vergunning of akkoord van de provincie noodzakelijk?

Natura 2000 Ja Ja, er kan sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Ja, er dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd Nog onbekend

Stikstofonderzoek Conform het advies van de natuurtoets is een stikstofonderzoek met AERIUS-berekeningen uitgevoerd voor de realisatie en gebruiksfase. De resultaten daarvan zijn gepresenteerd in het rapport ‘Stikstofonderzoek Nieuw Houtwijk (Antea Group, juli 2024). Hieruit volgt dat zowel in de gebruiks- als realisatiefase de stikstofdepositie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/ja op enig Natura 2000-gebied. Dat onderzoek is uitgevoerd met AERIUS 2023.1. Inmiddels is per 1 oktober 2024 AERIUS 2024.1 van toepassing. Het onderzoek uit 2024 is hiermee geactualiseerd in de vorm van een oplegnotitie11, dat als losse bijlage is bijgevoegd. Ook zijn daarbij de rekenjaren aangepast (1 jaar naar achteren geschoven). De AERIUS Calculator (versie 2024.1) geeft voor de 10 Soortgericht onderzoek vleermuizen Houtwijklaan 20 te Den Haag (

11

2023). Memo Stikstof Nieuw Houtwijk AERIUS versie 2024 met ingevoegde koude start (Antea Group, 26 februari 2025)

blad 70 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

verschilberekeningen voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase (in mindering gebracht met de referentiesituatie) opnieuw een maximale stikstofdepositiebijdrage van 0,00 mol/ha/jaar. Er is ook geen toename in stikstofdepositie berekend op hexagonen met hersteldoelen. Op woensdag 18 december 2024 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een belangrijke uitspraak gedaan in het ‘stikstofdossier’ die ook gevolgen heeft voor bouwprojecten en voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan12. De uitspraak (hierna: REndac-uitspraak) geeft aan dat intern salderen gepaard gaat met een natuurverguningplicht (omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit. De ABRvS besteedt in de Rendac-uitspraak uitdrukkelijk aandacht aan de procesrechtelijke gevolgen van haar koerswijziging en zet hierbij enkele lijnen uit: 1. Het aangescherpte kader voor intern salderen geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020. Dit betekent in de eerste plaats dat lopende aanvragen om natuurtoestemmingen aan het herziene kader moeten worden getoetst. 2. In de tweede plaats geldt voor projecten die op of na 1 januari 2020 fysiek zijn gestart zonder dat volgens de toen geldende rechtspraak een natuurvergunning nodig was, alsnog een natuurvergunning nodig is.

De ABRvS formuleert hiervoor een overgangstermijn van 5 jaar (tot 1 januari 2030), waarbinnen alsnog een natuurvergunning moet worden aangevraagd en moet in beginsel worden afgezien van handhavend optreden. 3. In de derde plaats overweegt de Afdeling dat voor aanvragen om een omgevingsvergunning onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt, dat volgens het voorheen geldende kader voor intern salderen moet worden beoordeeld of sprake is van een aanhaakverplichting (zie r.o. 25.1). In beroepsprocedures over Wabo-omgevingsvergunningen kan dan ook niet onder verwijzing naar de Rendacuitspraak worden betoogd dat met terugwerkende kracht sprake is van een aanhakende natuurtoestemming. Dat neemt niet weg dat voor de desbetreffende projecten alsnog een natuurvergunning nodig is als daarbij intern gesaldeerd is. Ingeval reeds fysiek is gestart geldt een overgangstermijn van 5 jaar (tot 1 januari 2030), waarbinnen alsnog een natuurvergunning moet worden aangevraagd en moet in beginsel worden afgezien van handhavend optreden. Teneinde te kunnen bepalen wat de gevolgen van de uitspraak van de ABRvS van 18 december 2024 is eerst van belang om vast te stellen wanneer de aanvraag is ingediend. Voorliggende is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.

Ingevolge artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing, in dit geval dus de Wabo. Gelet hierop is punt 3 van toepassing uit voorgaande paragraaf. Dit betekent dus dat r.o. 25.1 van de Rendac-uitspraak van toepassing is: […] Voor de beoordeling van de aanhaakverplichting als bedoeld in artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht, in de gevallen waarin de initiatiefnemer de Wabo-omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit niet heeft aangehaakt bij zijn Wabo-omgevingsvergunning voor een of meer andere activiteiten, geldt het volgende: Bij een beslissing op de aanvraag voor een Wabo-omgevingsvergunning, of bij de beoordeling in (hoger) beroep van een betoog dat de Wabo-omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit ten onrechte niet is aangehaakt bij de aanvraag voor een Wabo-omgevingsvergunning wordt beoordeeld of ten tijde van de aanvraag voor de Wabo omgevingsvergunning (dat is altijd voor 1 januari 2024) op grond van de voor deze uitspraak geldende rechtspraak over intern salderen geen vergunning nodig was voor de activiteit waarop de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning ziet.

Als de uitkomst van die beoordeling is dat op grond van de voorheen geldende rechtspraak geen natuurvergunning nodig was, dan bestond er ten tijde van de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning geen procedurele verplichting om de Waboomgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aan te haken bij de aanvraag voor de Waboomgevingsvergunning. De Afdeling acht deze beoordelingswijze niet in strijd met artikel 6 van de Hrl, omdat die bepaling niet verplicht tot de gelijktijdige aanvraag van verschillende vergunningen voor dezelfde activiteit. De beoordeling van de aanhaakplicht ten tijde van de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning staat los van de vraag of de initiatiefnemer voor zijn voorgenomen of inmiddels in uitvoering genomen of gerealiseerd project alsnog een natuurvergunning nodig heeft. Dat dient de initiatiefnemer op basis van het kader voor de 12

ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac),

blad 71 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

beoordeling van de natuurvergunningplicht zoals in deze uitspraak uiteengezet, te bezien. Kort en goed gezegd komt het dus op het volgende neer: • De aanvraag dateert van vóór 1 januari 2024, zodat oud recht van toepassing blijft. • Uit de actualisatie van de stikstofdepositieberekening blijkt dat met intern salderen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Ook andere negatieve effecten zijn uitgesloten13. • Op grond van de geldende rechtspraak van vóór 18 december 2024 is er geen natuurvergunning benodigd, zodat er geen aanhaakplicht geldt voor lopende aanvraag om buitenplanse afwijking en wijziging van de werking van de inrichting ingevolge de Wabo (r.o. 25.1 Rendac-uitspraak). • Uit r.o. 25.1 Rendac-uitspraak volgt voorts dat de beoordeling van de aanhaakplicht ten tijde van de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning los staat van de vraag of de initiatiefnemer voor zijn voorgenomen of inmiddels in uitvoering genomen of gerealiseerd project alsnog een natuurvergunning nodig heeft. Gelet hierop kan het college van B&W van de gemeente Den Haag die alsnog beslissen op de aanvraag om buitenplanse afwijking en wijzigen van de werking van de inrichting ingevolge de Wabo. Hiervoor is geen natuurvergunning noodzakelijk, want er is geen aanhaakplicht. NNN In onderstaande tabelzijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNN-gebieden opgenomen.

De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.5 van de natuurtoets. Conclusies NNN-gebieden.

Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNN-gebied? Is er sprake van toetsing van externe werking in de betreffende provincie? Is er sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of is dit te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Afstemming met het bevoegd gezag aan de orde?

NNN Circa 1,5 km Nee Niet bepaald, aangezien de provincie Zuid-Holland geen externe werking kent. Nee Nee

Overig provinciaal beleid Zuid-Holland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van overig provinciaal beleid van Zuid-Holland. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Beschermde houtopstanden Wnb Er is bij voorliggend planvoornemen geen sprake van aantasting van onder de Wnb beschermde houtopstanden. Er zijn voor wat de Wnb betreft geen vervolgstappen aan de orde. Gemeentelijk beleid omtrent de kap van bomen en/of bosschages kan echter wel van toepassing zijn.

5.9

Bodem Wetgeving en beleid Op 1 januari 2006 is de wijziging van de Wet bodembescherming (Wbb) in werking getreden. Vertrekpunt van de nieuwe Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is voortaan functiegericht. Vroeger moesten alle functies van de bodem worden hersteld maar dit bleek in de praktijk lastig haalbaar. Hoge kosten en langdurige saneringen zorgden van stagnatie. De gewijzigde wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik;

13

Natuurtoets Houtwijklaan Den Haag (Antea Group, 31-10-2025)

blad 72 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

b. c.

het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen wordt een stuk flexibeler. Het is niet meer altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Onderzoek Bodemonderzoek 2022 Er is een verkennend en nader milieukundig (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd ( 2022). Dit is onderzoek is als losse bijlage bijgevoegd. Geconcludeerd wordt dat er milieuhygiënisch gezien, met één uitzondering, geen belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen bouw van woningen en appartementen. Ter onderbouwing van bovenstaand wordt tevens geconcludeerd dat: • ter plaatse van boring G15 de grond van 0,30 - 1,00 m-mv matig verontreinigd is met zink. Omdat zowel in horizontale als in verticale richting niet uitgesloten kan worden dat er mogelijk sprake is van een sterke verontreiniging met zink, wordt aanbevolen nader bodemonderzoek conform de NTA 5755 uit te voeren; • visueel zowel op het maaiveld als in het opgeboorde materiaal geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen; • in de grond geen zintuiglijk verdachte bijmenging (b.v. puin) zijn aangetroffen.

De grond is derhalve niet verdacht op de aanwezigheid van verontreinigingen met asbest; • de boven- en ondergrond ter plaatse van het overige deel van het terrein maximaal licht verontreinigd is met de geanalyseerde parameters; • het grondwater maximaal licht verontreinigd is met de geanalyseerde parameters; • in de gebonden hoogovenslakken geen asbestconcentratie boven de bepalingsgrens is gemeten. De totaal gewogen asbestconcentratie overschrijdt niet het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.); • in de baksteenresten met zand geen asbest is gedetecteerd; • de gebonden hoogovenslakken en de baksteenresten met zand indicatief herbruikbaar zijn op basis van samenstelling; • ter plaatse van de verdachte deellocaties geen matige of sterke verontreinigingen met de geanalyseerde parameters zijn aangetoond; • het “geval van ernstige bodemverontreiniging” met minerale olie ter plaatse van deellocatie C niet opnieuw is aangetoond; • de grond is getoetst aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit. De milieuhygiënische bodemkwaliteit en bijbehorende hergebruiksmogelijkheden varieert van Altijd Toepasbaar tot Niet Toepasbaar (>Industrie); • de analyseresultaten zijn getoetst aan de normen van het SRCarbo-waarden, voor het werken in de grond en het grondwater is indicatief alleen de “Basishygiëne” van toepassing.

Hierbij wordt opgemerkt dat de definitieve veiligheidsklasse vastgesteld dient te worden door de desbetreffende veiligheidsdeskundige. Aanbevelingen Aanbevolen wordt om de aangetroffen matige verontreiniging met zink in de grond nader te onderzoeken conform de NTA 5755, om aan te tonen of er mogelijk sprake is van een sterke verontreiniging. Aanbevolen wordt om het onderhavige rapport te laten beoordelen door het bevoegde gezag en om de door het “geval van ernstige bodemverontreiniging” met minerale olie ontstane kadastrale aantekening op het perceel te laten verwijderen. Op basis van de beschikbare gegevens kan niet volledig worden uitgesloten, dat op de locatie niet nog één of meerdere ondergrondse tanks aanwezig zijn. Aanbevolen wordt om tanks welke tijdens de herinrichting worden aangetroffen, te saneren. Bodemonderzoek 2023 Naar aanleiding van het bodemrapport uit 2022 en het advies van de Omgevingsdienst Haaglanden d.d. 31-102022 is in 2023 een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd ( 2023). Dit onderzoek is als losse bijlage bijgevoegd. De resultaten zijn hieronder samengevat.

blad 73 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

De doelstellingen van het onderzoek zijn: • het bepalen of het terrein, milieuhygiënisch gezien, geschikt is voor de voorgenomen nieuwbouw; • het (indicatief) bepalen van het uitlooggedrag van de aanwezige slakkenfundering; • het vaststellen van de ernst en omvang van de aangetroffen verontreinigingen. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek is geconcludeerd dat er invulling is gegeven aan de op- en aanmerkingen van het eerder uitgevoerde onderzoek met kenmerk GEDE20220493, d.d. 31 oktober 2022, zoals omschreven in de brief van de Omgevingsdienst Haaglanden met kenmerk ODH554953, zaaknummer: 01054370, d.d. 23-12-2022. De slootdempingen ter plaatse van deellocatie H zijn aanvullend onderzocht. Tijdens het verkennend bodemonderzoek met kenmerk GEDE20220493 zijn hier destijds geen peilbuizen geplaatst. Tijdens dit onderzoek zijn een drietal peilbuizen geplaatst ter hoogte van boringen H1, H2 en H3. Het grondwater is hier onderzocht op het standaardpakket waaruit volgt dat er geen concentraties zijn aangetoond die de signaleringsparameters overschrijden. De aangetroffen ‘matige verontreiniging met zink’ ter hoogte van boring G15 (van 0,3 tot 1,0 m-mv) ter plaatse van deellocatie G is met het nader bodemonderzoek in voldoende mate afgeperkt. De oppervlakte van deze spot wordt geschat op circa 300 m² en bevindt zich voornamelijk is het traject van 0,5 tot 1,6 m-mv.

De totale omvang van de grond waarin zink de interventiewaarde overschrijdt wordt hiermee geschat op circa 330 m³. Ter hoogte van boring G15-123 is in het traject van 0,6 tot 1,0 m-mv een concentratie zink aangetroffen die de interventiewaarde overschrijdt. Dit betreft een losliggende spot. Hier wordt de oppervlakte van de grond waarbij zink de interventiewaarde overschrijdt geschat op circa 10 m³. De omvang wordt geschat op circa 4 m³. Tijdens het afperken van de verontreiniging met zink in de grond is een voorheen onbekende spot met minerale olie in de grond aangetroffen. Dit betreft het gebied rondom boring G15-106. Deze boring is afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het analyseren van het grondwater. Uit de analyses volgt dat in het traject van 1,0 tot 1,5 m-mv in de grond een concentratie minerale olie is aangetoond die de interventiewaarde overschrijdt. In de meest verdachte lagen van de boringen rondom boring G15-106 zijn geen concentraties hoger dan de interventiewaarde aangetoond. In het grondwater ter plaatse van boring/peilbuis G15-106 zijn er geen concentraties (minerale olie) aangetoond die de signaleringsparameters overschrijden. Hier wordt de oppervlakte van de grond waarbij minerale olie de interventiewaarde overschrijdt geschat op circa 10 m³. De omvang wordt geschat op circa 5 m³.

De aanwezige slakkenfundering is onderzocht op het uitlooggedrag middels een CEN-test L/S 10. Hieruit is gebleken dat de emissiewaarden niet worden overschreden. De slakken zijn daarmee (indicatief) toepasbaar. Tijdens het voorgaande onderzoek met kenmerk GEDE20220493 is al gebleken dat de samenstellingwaarden niet worden overschreden. Zodra de toekomstige herinrichting is bepaald dient te worden nagegaan in welke mate grondroerende werkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de aangetoonde spots. Afhankelijk daarvan wordt dan bepaald welke vervolgstappen en meldingen in het kader van de Omgevingswet moeten worden ingediend en hoe de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het toekomstig gebruik.

5.10

Water Wetgeving en beleid Ten aanzien van het thema water zijn er diverse beleidsstukken van kracht. De belangrijkste zijn beschreven in het rapport Watertoets Nieuw Houtwijk, Den Haag (Antea Group, 2025). Voor een nadere beschrijving van het beleid verwijzen we naar dat rapport. Onderzoek Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de

blad 74 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

waterbeheerders (in dit geval het waterschap Delfland en de Gemeente Den Haag) in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. De resultaten van de watertoets worden hieronder beschreven. Voorgenomen ontwikkeling In de toekomstige situatie wordt de huidige bebouwing gesloopt en worden ter plaatse appartementen en grondgebonden woningen gebouwd met ruimte voor een buurtwoonkamer. In onderstaande figuur wordt een impressie gegeven van de voorgenomen ontwikkeling.

Toekomstige situatie In de nieuwe situatie worden vijf bouwblokken gerealiseerd, hiervan zijn er twee voor appartementen en drie voor grondgebonden woningen. Grondwater De grondwaterstand binnen het plangebied betreft 1,24 tot 1,4 m-mv. Hierbij is uitgegaan van een maaiveld van ca. NAP +0,95 m, en grondwaterstanden van NAP -0,34 m tot NAP -0,42 m. Dit correspondeert met de gemeten grondwaterstand van ca. 1,4 m -mv afkomstig van de peilbuis van de gemeente. Binnen de gemeente Den Haag wordt een ontwateringsdiepte onder de bebouwing gehanteerd van 0,7 m -mv. Onder een kruipruimte dient een ontwateringsdiepte van 0,2 m te zijn, met als uitgangspunt een kruipruimte van 0,5 m diep. Aan deze ontwateringsdiepte wordt voldaan, want de ontwateringsdiepte ter plaatse van de planlocatie is 1,2 m á 1,4 m. blad 75 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

Vanuit het Hoogheemraadschap wordt een drooglegging van minstens 1,2 m geadviseerd. De drooglegging in het plangebied bedraagt ca. 1,3 á 1,4 m. In de geplande ontwikkeling zijn er geen plannen voor ondergrondse constructies zoals parkeergarages of kelders. Daarom zal dit geen invloed hebben op het grondwater. Watersysteem Waterpeil Het plangebied is gelegen in peilgebied GPG2007BZM I-a en heeft een vast peil van NAP -0,43 m. Dit peil mag niet aangepast worden. Bij lozing van hemelwater op de omringende watergangen moet worden gecheckt of deze watergangen en bijbehorende kunstwerken deze hoeveelheid hemelwater aankunnen. Verhard- en onverhard oppervlak In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak af en het oppervlakte groen toe. Uitgangspunt is dat in de huidige situatie het plangebied volledig verhard is, met sporadisch een groenperkje of een heg. In Tabel 4-1 is een overzicht opgenomen van het toekomstige verhard- en onverhard oppervlak. Dit is gebaseerd op het definitief ontwerp van Gebiedsmanagers (tekening 1554-VO-B-BG-OW d.d. 07-06-2024). Hieruit blijkt dat het verhard oppervlak met circa 2.150 m² afneemt. Waterbergingsopgave Ten behoeve van de waterbergingsopgave zijn er eisen vanuit het hoogheemraadschap en vanuit de gemeente.

Het hoogheemraadschap werkt conform de ‘Watersleutel’ en de gemeente heeft aspecten vanuit het ‘Convenant Klimaatadaptief Bouwen’ vastgelegd in een klimaatbeleid. De benodigde watercompensatie vanuit beide waterbeheerders is onderstaand uiteengezet. Hierbij is het niet nodig om beide watercompensaties bij elkaar op te tellen, maar dient aan de grootste watercompensatie te worden voldaan. Watersleutel Om te bepalen of watercompensatie noodzakelijk is, is de watersleutel van het hoogheemraadschap ingevuld. De watersleutel is onderverdeeld in 2 componenten: Het huidige klimaat (A) en een aanvullende opgave om te voldoen aan het klimaat in 2050 (B). Voor de watersleutel zijn de oppervlaktes gebruikt zoals aangegeven in onderstaande tabel. Ten aanzien van de tuinen is als uitgangspunt genomen dat 50 m2 van iedere tuin verhard is. Wanneer de tuin kleiner is dan 50 m2, is deze als volledig verhard meegenomen. Oppervlaktes toekomstige situatie Onderdeel

Onverhard

Verhard

(m2)

(m2)

Bebouwing (uitgeefbaar terrein)

-

3.927

Resterend uitgeefbaar terrein (o.a. parkeren en tuinen)*

-

2.978

Verharding (openbaar terrein)**

-

3.883

Groen (openbaar terrein)

2.149

-

Totaal onverhard vs. verhard

2.149

10.788

Totaal oppervlak

12.937

*De tuinen zijn op basis van de ontwerpkaart allen gemiddeld 50 m2. Om deze reden zijn deze als volledig verhard beschouwd. ** Er is geen onderscheid gemaakt in verharding of halfverharding. Alle verharding is 100% meegerekend.

Het resultaat van de watersleutel is te zien in bijlage 1 van het rapport Watertoets Nieuw Houtwijk, Den Haag (Antea Group, 2025). Op basis van de watersleutel blijkt, dat er in het huidige klimaatscenario geen waterberging gerealiseerd dient te worden als gevolg van het plan. Het plan wordt aangeduid als kruimelgeval. Dit geeft het Hoogheemraadschap aan bij een waterbergingsopgave kleiner dan 5 m 3. Hierbij is geen compensatie verplicht. Het is altijd wenselijk neerslag vast te houden, daarom stimuleert het Hoogheemraadschap klimaatadaptieve maatregelen. blad 76 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

De uitkomst van de Watersleutel geeft zelfs een negatieve bergingsopgave van -370 m3. Dit wil zeggen dat er door de afname van verharding, meer bergingscapaciteit in het gebied ontstaat. Convenant Klimaatadaptief Bouwen/Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig • Neerslagevent 70 mm/uur: In het kader van klimaatadaptatie is het ‘Convenant Klimaatadaptief Bouwen’ opgesteld en heeft de gemeente Den Haag dit als beleid vastgesteld in de ‘Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig’. Derhalve zijn de gestelde eisen in het convenant geen ambitie van de gemeente, maar is dit het beleid waaraan dient te worden voldaan. In het beleid van de gemeente is opgenomen dat 50 mm/m2 bij een korte hevige bui (70 mm/uur) opgevangen dient te worden op privaat terrein. Hierbij wordt als randvoorwaarde gesteld dat het opgevangen water niet eerder dan na 24 uur wordt afgevoerd en dat de berging binnen 48 uur weer beschikbaar dient te zijn. Er dient 50 mm/m2 opgevangen te worden op privaat terrein, dit gaat dus om 0,05 m x 6.905 m 2 (uitgeefbaar terrein) = 345 m3. De parkeerplaatsen die in het uitgeefbare terrein liggen, zijn ook als privaat terrein meegerekend in deze berekening. Voor het openbare terrein stelt de gemeente dat zij voor de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad maatregelen treft om voor 2050 bekende knelpunten in de openbare ruimte bij een bui van 70 mm te verhelpen.

Het is onbekend of het huidige plangebied als knelpunt gezien wordt. Rekening houdend met 50 mm/m² berging komt het in de openbare ruimte neer op 0,05 x3.883 = 194 m³. •

Neerslagevent 90 mm/uur

Bij een neerslagevent van 90 mm/uur is in het convenant en de wegwijzer opgenomen dat in het plangebied geen schade optreedt aan infrastructuur, gebouw, eigendommen of groen in de bebouwde omgeving. Enige hinder is hierbij wel toegestaan. •

Langdurige droogte

Langdurige droogte mag niet leiden tot verdroging of schade aan de bebouwde omgeving. Hierbij dient ernaar gestreefd te worden dat 50% van het jaarlijks gemiddelde neerslag in het plangebied geïnfiltreerd wordt. Daarnaast dient de inrichting van het plangebied afgestemd te worden met de verwachte grondwaterstanden en de beschikbaar van zoetwater tijdens droogte. Klimaatadaptatie Met de Watersleutel van Hoogheemraadschap van Delfland is een negatieve berging opgave van -370 m3 berekend. Op basis van het gemeentelijk beleid dient 345 m 3 waterberging op privaat terrein beschikbaar te zijn. Hier wordt in de ontwikkeling invulling aangegeven door bij alle grondgebonden woningen een regenton van 210 liter toe te passen en het projectmatig inrichten van de dektuinen bij de dekwoningen met een plantvak dat 40 procent van de private daktuin beslaat. Ten behoeve van de waterberging in het openbaar gebied is 194 m³ benodigd. Hiervoor worden tussen de twee zuidelijke appartementen complexen en tussen de appartementencomplexen en de rijtjes woningen groenstroken met ruimte voor waterberging ingericht. Vuil- en hemelwater De huidige riolering is gescheiden, waarbij het hemelwater wordt geloosd op de aangrenzende watergang. Vanuit het Hoogheemraadschap is de wens om hemelwater zo veel mogelijk vast te houden en het niet direct op het oppervlaktewater of de riolering af te voeren.

Er dient door de opdrachtgever zo veel mogelijk rekening gehouden te worden met het realiseren van zo veel mogelijk waterberging in het plangebied. Waar mogelijk heeft het aanleggen van retentiekratten, retentieblokken en blauw-groene daken meerwaarde voor de wateropgave. Om problemen in latere fases te voorkomen en zicht te hebben op de benodigde vergunningen, dient de wateropgave zo ver mogelijk uitgewerkt te worden in het bestemmingsplan. De capaciteit van de huidige vuilwaterriolering is voldoende en kan de toename van woningen opvangen. Er is derhalve geen risico op overstorten van vuilwater op het oppervlaktewater.

blad 77 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

Waterkwaliteit In de toekomstige situatie mag de waterkwaliteit niet verslechteren. Derhalve dient gewerkt te worden met niet-uitlogende materialen. Hemelwater dat op het oppervlaktewater geloosd wordt komt mogelijk uit de rententiekratten en -blokken en van de blauw-groene daken. Dit afgevoerde hemelwater is van gelijke of betere kwaliteit dan het afstromende hemelwater in de huidige situatie. De kwaliteit zou beter kunnen zijn vanwege filterende werking van de maatregelen. Daarnaast stroomt het water in de huidige situatie af via de weg/parkeerplaats waar de bussen van Connexxion rijden en gestald worden, waardoor bandensporen en andere niet-natuurlijke stoffen mee stromen naar het oppervlaktewater. Dit zal in de toekomstige situatie niet meer het geval zijn. Waterveiligheid De kade aan de overkant van de Loosduinsche Vaart is geclassificeerd als een regionale waterkering in de legger van het hoogheemraadschap. Echter valt het plangebied buiten de kern- of beschermingszone van de waterkering. Er zijn geen effecten op de waterveiligheid. Beheer en onderhoud Beheer van de watergang nabij het plangebied (Loosduinsche Vaart) dient mogelijk te blijven. Dit zal naar verwachting geen probleem moeten zijn, aangezien de bebouwing niet voorbij de weg (Laan van Vredestein) reikt.

Conclusie De conclusie van de watertoets is dat voor de voorgenomen ontwikkeling waterberging dient te worden gerealiseerd. Uit de Watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland volgt dat er voor het project geen waterbergingsopgave geldt, doordat het groenoppervlak aanzienlijk toeneemt. Uit het gemeentelijke geleid volgt wel een waterbergingsopgave. Voor de particuliere terrein bedraagt de totale opgave circa 345 m³ en de opgave voor openbare verharding bedraagt circa 194 m³. In het bouwplan houdt de initiatiefnemer hier zoveel mogelijk rekening mee, door verschillende vormen van waterberging te realiseren. In het plan worden de volgende maatregelen getroffen. Waterberging Nieuw Houtwijk Bergingsvoorzieningen Infiltratiezones Waterberging met speelvoorziening (inschatting) Regenwatertuin Regenton Groenparkeren (halfverharding)

186 m3 21 m3 54 m3 8 m3 39 m3

Te realiseren waterberging

308 m3

Uit bovenstaande tabel volgt, dat de maatregelen met name in de openbare ruimte plaatsvinden. Door de vertrapte daken, waarop zonnepanelen worden geplaatst (blokken 1 en 5), dakterrassen zijn gesitueerd (blok 2) of vluchtwegen lopen (blokken 1, 2 en 3) is er naast de looppaden en installaties op de private gronden een heel beperkt oppervlakte over voor maatregelen ten behoeve van waterberging. De maatregelen op private gronden bestaan uit het plaatsen van een regenwaterton van 210 liter per ton en het projectmatig inrichten van de dektuinen bij de dekwoningen met een plantvak dat 40 procent van de private daktuin beslaat. Voor de overige aspecten rondom water zoals waterveiligheid heeft de ontwikkeling geen effect. De opgenomen maatregelen zijn met verschillende vakdisciplines van de gemeente besproken. Vanuit het oogpunt van water zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.

5.11

Bezonning Toetsingskader TNO-norm Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal. een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:

blad 78 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

•

de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. De wet stelt de TNO-norm niet verplicht, maar veel gemeenten hanteren hem. Een aantal gemeenten heeft beleid gebaseerd op deze norm. De gemeente kan er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan op te nemen. Bezonningsbeleid: Den Haag De gemeente Den Haag baseert zich in haar bezonningsbeleid op de TNO-norm. De gemeente wijkt af van de lichte TNO-norm. In de Haagse norm is de bezonning van gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen. Onderzoek en conclusie Voor de beoogde nieuwbouw ‘Nieuw Houtwijk’ met woningen op de voormalige Connexxionlocatie, hebben we een bezonningsstudie14 gemaakt voor zowel de huidige als de nieuwe situatie, die als losse bijlage is bijgevoegd. Hierbij hebben we het beleid van de gemeente Den Haag aangehouden. De gemeente Den Haag volgt grotendeels de zg. lichte TNO norm.

In de Haagse norm is de bezonning van de gevels maatgevend, onafhankelijk van de ramen. Verder houden we in beide berekeningen, huidige en nieuwe situatie, geen rekening met bestaande groenstroken en bomen. Deze kunnen in de huidige situatie mogelijk al van invloed zijn op (vermindering van) de bezonning van de gevels en achtertuinen. Uit de verbeeldingen van de huidige en nieuwe situatie volgt dat wat betreft het aantal bezonningsuren per etmaal voor zowel de bestaande bebouwing aan de Laan van der Kroft als ook voor de bestaande bebouwing aan de Architect Mutterskade in de nieuwe situatie geen nadelige gevolgen ondervinden. Uit de verbeeldingen van de huidige en nieuwe situatie volgt dat zowel op 19 februari, 21 juni als op 21 oktober per dag minimaal 2 bezonningsuren aanwezig zijn, waarbij de gevels van de omringende bestaande bebouwing aan de Laan van Vredestein vol in de zon kunnen staan. Met dit document wordt aangetoond dat de invloed van de nieuwbouw ten opzichte van de huidige bebouwing op de projectlocatie geen vermindering betekent van bezonning conform de zg. Haagse norm. Conclusie Vanuit het oogpunt van bezonning zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.

14

Nieuw Houtwijk – Bezonningsstudie Den Haag (HUD, BPD, Venster Architecten, 11-04-2025)

blad 79 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

6.

Beschrijving uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid Het project wordt door de initiatiefnemer uitgevoerd. Ten behoeve van de procedure is / wordt een overeenkomst gesloten tussen gemeente en de initiatiefnemer. Hierin wordt het kostenverhaal geregeld en overeengekomen, dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische afwijkingsprocedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

blad 80 van 81

Ruimtelijke onderbouwing Nieuw Houtwijk projectnummer 477813.100 19 november 2025 revisie 04

7.

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid Het bouwplan met 145 woningen en een buurtwoonkamer zijn planologisch niet toegestaan op basis van de vigerende bestemmingsplannen, onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Den Haag. Derhalve is een planologische procedure nodig. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt gebruikt gemaakt van de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure ex artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3e van de Wabo. doorlopen, die voor 1 januari 2024 is aangevraagd. In voorliggende ruimtelijke onderbouwing is het initiatief getoetst aan rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Tevens is het bouwplan getoetst aan de ruimtelijke inpassing, diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende wet- en regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De stedenbouwkundige, ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

blad 81 van 81

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1800 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.

Contactgegevens Zutphenseweg 31D 7418 AH Deventer Postbus 321 7400 AH Deventer

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@antegroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.

www.anteagroup.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16560157/1