CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS324240 Bijlage 1 Regionaal programma van school naar duurzaam werk 2026-2029

Commissie Samenleving 8 januari 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken36.789 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Dat geldt ook voor de wijze van agenderen van waargenomen patronen op beleidsniveau en voor opschalingsmogelijkheden wanneer professionals vastlopen bij individuele casuïstiek. Uitvoerder: Regioteam / Onderwijsbesturen

• •

Coördinatie, monitoring en bijsturing: structureel volgen van voortgang en effecten van de onderwijsmaatregelen. Advisering: input leveren voor beleidsontwikkeling en het bijstellen van de maatregelen waar nodig.

Doelgroep De directe doelgroep zijn alle professionals binnen de keten regionaalplan. Indirect is de doelgroep jongeren met een groot risico op het niet volgen van onderwijs of het niet hebben van werk. De regionale professionaliseringsaanpak professionals in onderwijs, zorg, welzijn en werkgevers verbindt en hen beter toerust om integraal samen te werken en jongeren tijdig en effectief te ondersteunen. Hierdoor kunnen risicojongeren eerder passende begeleiding en interventies krijgen voordat ze uitvallen. Relatie regionale analyse Belangrijke kenmerken van de maatregel die aansluiten op de regio analyse:

• •

Gerichte inzet op kwaliteit en samenhang: ondersteunt de noodzaak uit de regio-analyse voor betere afstemming en monitoring van onderwijsmaatregelen. Coördinatie en overzicht: zorgt voor een integrale aanpak tussen onderwijs, gemeenten en partners, waardoor overlap wordt voorkomen en resultaten beter zichtbaar worden.

48

•

Beleidsadvisering: levert onderbouwde input voor het aanpassen van beleid en uitvoering op basis van regionale trends en resultaten.

•

Doel: continu verbeteren van de effectiviteit van maatregelen en waarborgen van een dekkend regionaal aanbod. Deze maatregel zorgt voor sturingskracht, samenhang en kwaliteitsbewaking binnen het regionale programma, zodat onderwijs- en ondersteuningsmaatregelen beter aansluiten op de behoeften van jongeren in de regio. Maatschappelijk effect Het maatschappelijk effect van deze maatregel is dat professionals binnen onderwijs, zorg, welzijn en werkgevers beter toegerust worden om integraal samen te werken en jongeren met een verhoogd risico op uitval tijdig en effectief te ondersteunen. Door gezamenlijke kennisdeling, multidisciplinaire casuïstiekbesprekingen en thematische bijeenkomsten worden expertise en ervaringen regionaal geborgd, waardoor interventies voor jongeren consistenter, effectiever en eerder ingezet kunnen worden. Dit versterkt de kwaliteit van de begeleiding en draagt bij aan duurzame participatie van jongeren in onderwijs, werk en samenleving. Indicator Het aantal thematische bijeenkomsten (praktijkleren, methodiekuitwisseling, beroepspraktijkvorming), multidisciplinaire casuïstiekbesprekingen, gezamenlijke bespreking beleidsevaluaties. En de tevredenheid over deze bijeenkomsten gemeten in de monitoring en evaluatie.

Aanvulling op reguliere taken De regionale professionaliseringsaanpak versterkt en verbindt bestaande initiatieven, zoals het decanennetwerk, bijeenkomsten van vsv-casemanagers, bijscholing van schoolcoaches en netwerktafels van pro, vso en entree. Door deze activiteiten te combineren en aan te vullen met nieuwe vormen van kennisdeling – zoals themabijeenkomsten, casuïstiekbesprekingen en gezamenlijke beleidsevaluaties – wordt integraal samenwerken structureel bevorderd. Deze maatregel gaat verder dan reguliere professionalisering binnen afzonderlijke organisaties, doordat zij regionaal wordt gecoördineerd en gericht is op gezamenlijke leerprocessen over domeinen heen (onderwijs, werk, zorg, welzijn). De aanjaag- en coördinatierol zorgt voor duurzame samenwerking, kennisborging en professionele consultatie, waardoor signalen en knelpunten ook op beleidsniveau kunnen worden geadresseerd.

6.4 Actielijn 4: Maatwerk(onderwijs) op het snijvlak school, arbeidsparticipatie, praktijkleren en eventueel zorg Gewenste beweging Van

Naar

Jongeren die niet passen in het systeem (heen en weer schuiven tussen scholen en andere voorzieningen)

Het systeem - waar dit nog niet het geval is - werkend maken voor jongeren, door gezamenlijk (vso, pro, vo, mbo, gemeentelijk sociaal domein, werkgevers) onderwijs en werk op maat te organiseren (gezamenlijk belang). Om te zorgen dat jongeren die toch (dreigen of daadwerkelijk) uitvallen en/of niet duurzaam werken, terugkeren naar school, werk of dagbesteding, biedt de wet en het nieuwe regionale programma de mogelijkheid voor een beweging.

→

Voor jongeren waarvoor het onderwijssysteem niet passend is (heen en weer schuiven tussen scholen en andere voorzieningen), zijn er mogelijkheden om het systeem werkend en/of dekkend te maken. Dit vraagt wel om gezamenlijk optrekken om onderwijs en werk op maat te organiseren. Denk aan invalshoeken vanuit v(s)o, pro, vavo, mbo, gemeente, sociaal domein, onderwijs, zorg, huisvesting, welzijn, participatie en werkgevers. Gewenst maatschappelijk effect Door financiële ruimte te creëren voor trajecten die op maat kunnen worden gemaakt voor (groepjes) jongeren, kan beter worden ingespeeld op de specifieke behoeften van jongeren die buiten de boot dreigen te vallen, Hiermee wordt de kloof tussen jongeren en onderwijs of arbeidsmarkt verkleind en worden de kansen op duurzame participatie van kwetsbare jongeren.

49

Connectie regioanalyse Uit de regio-analyse blijkt dat wij als regio winst kunnen boeken door meer voortijdig schoolverlaters aan het werk te helpen, eventueel in combinatie met een opleiding of opleiding(scomponent). Op dit moment blijft het aantal voortijdig schoolverlaters dat na een jaar doorgestroomd is naar werk relatief laag. Een specifieke aanpak voor jongeren waarvoor het reguliere onderwijs- en arbeidsmarktaanbod niet volstaat, moet bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie. Wat we al doen In onze regio bestaan meer op maat gemaakte trajecten en vormen van/combinaties met onderwijs voor jongeren waarop de systeemwereld van scholen en gemeenten nog onvoldoende toegesneden is. Deze jongeren hebben meer of andere ondersteuning nodig dan vanuit alleen het oogpunt van passend onderwijs, werkgeversbenadering of hulpverlening te realiseren is. Het gaat om scholing op het snijvlak van deze domeinen: voortgezet (al dan niet speciaal) onderwijs, mbo, werk/praktijkleren en/of zorg. Veelal zijn deze initiatieven tijdelijk bekostigd vanuit een combinatie van subsidies. De ene keer vanuit de doelstelling werk de andere keer vanuit de doelstelling kwalificeren of participeren.

Voorbeelden zijn: Sleutelen met jongeren Leren doen EWA Haaglanden TOP Academies Hybride leerlijnen Leven lang flex Coalitie wonen, onderwijs, werk (Regiodeal Den Haag Zuidwest) Leerwerkcentrum/Activering mbo Rijnland InGang Roc Mondriaan New LIFE (Rijnmond) REAO DigiBende

De behoefte is om dergelijke fluïde vormen van onderwijs, werk, zorg, activering en participatie op regelmatige basis te kunnen blijven realiseren. Dit vraagt om een boost bovenop reguliere bekostiging vanuit de verschillende domeinen en geldstromen die daaraan gekoppeld zijn. Denk aan cofinanciering voor het aanjagen, opstarten of bijdragen voor kleinere groepsgroottes, flexibele instroommomenten en deelname van jongeren die buiten reguliere regelingen vallen.

6.4.1

Maatregel 4.1. Onderwijstrajecten op maat

De ambitie in dit programma is om de verschillende werkzame factoren op het snijvlak van onderwijs, werk en maatschappelijke zorg te verduurzamen en regionaal te ontsluiten. Jongeren met een verhoogde kans op maatschappelijke uitval, maar die niet automatisch binnen het reguliere of wettelijke aanbod van gemeenten en scholen vallen (bijvoorbeeld omdat zij al een startkwalificatie hebben, geen uitkering ontvangen of werken), moeten eveneens een beroep kunnen doen op passende trajecten. Binnen deze brede doelgroep is ook aandacht voor havo- en vwo-leerlingen die voortijdig uitvallen en niet zonder meer kunnen terugkeren naar het reguliere onderwijsaanbod. Deze jongeren vallen vaak buiten bestaande ondersteuningsstructuren, terwijl zij baat hebben bij maatwerktrajecten die gericht zijn op heroriëntatie, doorstroom of aansluiting op vervolgonderwijs, werk of andere vormen van participatie. Omdat dit aanpassingen vraagt van scholen en gemeenten - bijvoorbeeld op het gebied van groepsgrootte, werkwijze en faciliteiten - wordt binnen het regionale programma voorzien in een budget en verdeelsleutel voor cofinanciering, aanvullend op lumpsums en wettelijke middelen vanuit participatie, werk, inkomen en onderwijs (zie bekostigingssystematiek).

In plaats van het verschuiven van jongeren tussen domeinen, maken we het eenvoudiger om hybride en samenhangende trajecten te organiseren die aansluiten bij de verschillende uitstroomperspectieven van jongeren. Daarbij is bijzondere aandacht voor nieuwkomers en statushouders, zodat ook zij kunnen aansluiten bij bestaande en nieuw te ontwikkelen trajecten.

50

Concreet betekent dit: •

• • • •

Flexibele combinaties van pro, vso, (va)vo, mbo, NT1, NT2, alternatieve dagbesteding (zoals in azc’s), (beschermde) stage, ondernemerschap, leren en begeleiding op de werkvloer, betaald werk, zorg, participatie (tijds-/dagbesteding) en sport blijven aanbieden binnen de regio; Via praktijkleren in het mbo en non-formele scholing met branchewaardering, zoals opgenomen in erkende sectorale ontwikkelpaden; Met extra aandacht voor praktijkleren en branchegerichte scholing in vitale sectoren; Met specifieke inzet op samenwerking en ondersteuning voor nieuwkomers en statushouders, om hun aansluiting op onderwijs, werk en samenleving te versterken; Met oog voor havo- en vwo-leerlingen die uitvallen en niet direct kunnen terugkeren naar het reguliere aanbod, door hen passende trajecten te bieden die aansluiten bij hun ontwikkelbehoeften en toekomstperspectief.

Bij de uitvoering van deze actielijn worden slimme verbindingen gelegd met de inzet van leerwerkmakelaars, casemanagers en andere professionals in het kader van maatregel 1.1. en 1.2. Uitvoerder: Gemeenten, Onderwijsinstellingen en werkgevers trekken hierin samen op

• •

Bevorderen van samenwerking (aanjaagfunctie) tussen onderwijs en bedrijfsleven, met het WSP als schakel.

•

Kennismaking in laatste schooljaar: leerlingen worden vroegtijdig gekoppeld aan begeleiding vanuit het werkbedrijf om de overgang naar werk te versterken (overlap met actielijn 2).

Ondersteuning op stage of werkplek: extra begeleiding bij school overstijgende problematiek van jongeren (overlap met actielijn 1).

Doelgroep Jongeren zonder werk of onderwijs en jongeren met een groot risico op het niet volgen of het niet hebben van werk. Omdat deze maatregel hen hybride, op maat gemaakte trajecten biedt die onderwijs, werk en maatschappelijke zorg combineren, zodat zij ook buiten het reguliere aanbod begeleiding en kansen krijgen. Zo kunnen ze via flexibele combinaties van leren, werk en zorg een passende uitstroom realiseren. Met bijzondere aandacht voor nieuwkomers en statushouders, zodat zij kunnen aansluiten bij bestaande en nieuwe trajecten. Relatie regionale analyse Deze maatregel sluit direct aan bij de bevindingen uit de regionale analyse dat de grootste winst te boeken is bij het zorgen dat meer voortijdig schoolverlaters (sneller) aan het werk komen – al dan niet in combinatie met een opleiding(scomponent). In onze regio zijn nu relatief veel voortijdig schoolverlaters na een jaar nog steeds schoolverlater. Dit is vertaalt naar actie door hybride leer- en werktrajecten te stimuleren voor jongeren die risico lopen uit te vallen of zonder werk zitten. Belangrijke kenmerken van de maatregel die aansluiten op de regio analyse:

•

Gerichte doelgroep: jongeren in een kwetsbare positie, waaronder voortijdig schoolverlaters en jongeren zonder werk of onderwijs. Met

•

Doel: meer jongeren sneller toeleiden naar werk of leer-werktrajecten, al dan niet gecombineerd met scholing, om duurzame participatie te bevorderen.

•

Hybride trajecten: bieden flexibele combinaties van leren, werken, praktijkleren, zorg en participatie, zodat ook jongeren buiten het reguliere onderwijsaanbod perspectief krijgen.

•

Samenwerking onderwijs–arbeidsmarkt: het Werkgeversservicepunt (WSP), SBB en onderwijsinstellingen fungeren als schakel tussen scholen en bedrijven, wat de domein-overstijgende samenwerking versterkt. Vroegtijdige koppeling: in het laatste schooljaar worden leerlingen gekoppeld aan begeleiding vanuit het werkbedrijf, waardoor de overgang naar werk of vervolgopleiding soepeler en duurzamer verloopt. Cofinanciering: maakt het mogelijk om maatwerktrajecten te realiseren die buiten de reguliere taken en bekostiging van scholen of gemeenten vallen, zodat ook niet-reguliere routes voor jongeren beschikbaar worden.

• •

Maatschappelijk effect Het maatschappelijk effect van deze maatregel is dat kwetsbare jongeren duurzaam toegang krijgen tot flexibele, op maat gemaakte trajecten op het snijvlak van onderwijs, werk, praktijkleren en zorg. Door cofinanciering kunnen succesvolle tijdelijke initiatieven structureel worden geborgd, waardoor jongeren die buiten reguliere regelingen vallen toch begeleiding, leer-werkervaring en activering krijgen. Dit vergroot hun kansen op kwalificatie, werkparticipatie en maatschappelijke integratie, en voorkomt dat zij tussen wal en schip raken.

51

Indicator Het aantal keren dat praktijkleren, sectorale ontwikkelpaden alsmede andere hybride vormen succesvol worden ingezet. Aanvulling op reguliere taken Deze maatregel richt zich op het verduurzamen en regionaal beschikbaar maken van werkzame factoren op het snijvlak van onderwijs, werk en maatschappelijke zorg. Zij gaat verder dan de reguliere taken van scholen en gemeenten, omdat ook jongeren buiten het formele aanbod – bijvoorbeeld zonder uitkering of met een startkwalificatie – toegang krijgen tot passende trajecten. Dit vraagt om aanpassingen in werkwijze, organisatie en financiering. Het programma voorziet daarom in een regionaal budget voor cofinanciering, waarmee hybride leer- en werkopties mogelijk worden gemaakt, zoals combinaties van onderwijs, zorg, werk en participatie. Zo ontstaat meer ruimte voor maatwerk en duurzame ondersteuning, voorbij de grenzen van bestaande wettelijke kaders.

7

Randvoorwaarden

Om de vier actielijnen en bijbehorende maatregelen succesvol uit te voeren, zorgen we regionaal voor: 1. 2. 3. 4.

Jongerenparticipatie Monitoring en evaluatie Besluitvormings-, aansturings- en uitvoeringsstructuur Begroting

Ook hier gelden de uitgangspunten: • Bouw vooral voort op wat er al is en wat goed werkt: • Streef naar eenvoud: liever geen nieuwe interventies, maar goed werkende aanpakken versterken en opschalen; • Interventies zijn tenminste toegankelijk voor alle jongeren schoolgaand en/of woonachtig in de doorstroomregio: • Door het ‘wat’ en het ‘hoe’ te scheiden behouden we ruimte voor lokale context, locatie gebonden invulling en differentiatie.

7.1 Jongerenparticipatie 7.1.2 Uitgangspunten 7.1.2.1 Algemeen • • • •

Participatie is veilig, betekenisvol en aantrekkelijk (incentives, certificaten, invloed). Het proces wordt professioneel en onafhankelijk gefaciliteerd. Doelen en verwachtingen worden vooraf helder gemaakt. Resultaten worden zichtbaar gemaakt en teruggekoppeld aan deelnemers via toegankelijke communicatie (visuals, infographics, video’s).

7.1.2.2 Rol van bestuurders en stakeholders • • •

Bestuurders fungeren als katalysator en promotor van jongerenparticipatie. Actieve betrokkenheid van bestuurders vergroot legitimiteit en draagvlak. Andere stakeholders (scholen, werkgevers, hulpverlening) worden gefaseerd betrokken, met jongeren als gelijkwaardige gesprekspartners.

7.1.2.3 Effectiviteit Er wordt gewerkt met de volgende van indicatoren om effect en kwaliteit van jongerenparticipatie te meten: • Aantal en diversiteit deelnemers. • Mate van betrokkenheid en tevredenheid. • Zichtbaarheid en impact van jongereninput op beleid. Evaluatie vindt (half)jaarlijks plaats via de PDCA-cyclus.

52

Jongerenparticipatie is een cruciale bouwsteen in het regionaal programma ‘Van school naar duurzaam werk’. Jongeren betrekken bij ideevorming, toetsing en uitvoering van het programma, verbetert de samenhang van interventies met de leefwereld van jongeren. Dit is essentieel om impact te maken en resultaten te boeken. In lijn met het principe ‘niets over jongeren, zonder jongeren’, verwerken we de behoeftes van jongeren en hun ideeën over wat helpt en wat beslist niet in de voorbereiding op diplomering en duurzaam werk, zowel in het gehele programma als per actielijn/maatregel. Dit doen we door gebruik te maken van onderzoeken, evaluaties en enquêtes waarin niet alleen de stem van professionals, ouders zijn opgetekend, maar ook jongeren hun stem hebben laten horen. Daarnaast laten we jongeren als volwaardige gesprekspartners actief bijdragen aan de inhoud en uitvoering van het programma. Daarbij opmerkend dat, waar jongeren naar school gaan, stage lopen, een bijbaan hebben, meehelpen binnen het gezin en (deels online) een sociaal leven hebben, het actief betrekken jongeren een uitdaging is voor zowel jongeren als professionals.

7.1.1

Doelgroep en benadering

Binnen het regionaal programma zijn verschillende doelgroepen te onderscheiden: praktisch en theoretisch opgeleiden in vo, vavo en vervolgonderwijs, jongeren met roots in Nederland of nieuwkomers, jogneren die wel of niet werken, wel of geen diploma hebben, in zorg of in detentie zitten en/of toereikende financiële omstandigheden kennen etc. Dit betekent dat niet één manier van benaderen passend is voor alle jongeren. Differentiatie is noodzakelijk, zowel voor participatie in ideevorming en -toetsing, als in uitvoering van het programma. De ervaring met bestaande formele en informele wijzen van jongerenparticipatie leert dat specifieke kennis en expertise nodig is om dit goed te organiseren: doelen te stellen die aansluiten bij de doelgroep en bij de doelgroep en doelstelling passende communicatiemiddelen en -skills in te zetten. Bij de samenwerkingspartners in het regionaal programma bestaan al structuren voor jongerenparticipatie. Denk aan jongerenplatforms, ervaringsdeskundigheid, student-, client of leerlingraden. Daar is deze expertise aanwezig. Die vormt de basis voor het betrekken van jongeren bij het regionaal programma. We benutten deze structuren en zetten alleen iets losstaand op als er hiaten zijn.

Om goed te kunnen aansluiten op bestaande structuren en deze te benutten voor het regionaal programma, zorgen we voor een ‘aanjager jongerenparticipatie’ en borgen die rol in de governance. Voor het uitgebreide plan van aanpak Jongerenparticipatie verwijzen we naar bijlage 6.

7.2

Monitoring en evaluatie

Evaluatie en monitoring is niet enkel bedoeld als verantwoordingsinstrument, maar als middel om te leren en verbeteren. Door inzicht te krijgen in de effecten van maatregelen, de kwaliteit van de samenwerking en de ontwikkeling van jongeren, kunnen partners gezamenlijk gericht bijsturen. Zo ontstaat een lerend regionaal netwerk waarin beleid en praktijk elkaar versterken.

7.2.1 • • • •

• • •

Uitgangspunten

We monitoren het hele programma op uniforme wijze, met eenduidige uitgangspunten en definities Effectmeting sociaal domein breed; Combinatie van data en duiding (‘tellen en vertellen’ zie bijlage 7); We formuleren: o Indicatoren die regionaal inzicht geven in effect van het hele programma; o Indicatoren per maatregel (t.b.v. cyclisch evalueren, door ontwikkelen en aantoonbaar effectief werken); Jongeren hebben een terugkomende rol bij evaluaties, reflecties en doorontwikkeling; We koppelen de monitoring van interventies aan professionalisering; We nemen afspraken (AVG) op over uitwisseling van data.

Voor het bepalen van indicatoren, verbreden we de opdracht aan de bestaande regionale begeleidingsgroep ‘mbo als werkplaats’: formuleren van indicatoren voor het gehele regionaal programma (sociaal domein breed, inclusief indicatoren gericht op duurzaam werk).

53

7.2.2

Werkwijze: cyclische en gestructureerde evaluatie

Uitgangspunten bij het monitoren van maatregelen zijn: • Meer eenduidigheid door middel van ‘tellen en vertellen’ (kwantitatieve en kwalitatieve data) • De relatie leggen met aanverwante beleidsterreinen, door: • Naast het monitoren op effecten ten aanzien van (streefcijfers) voortijdig schoolverlaten en duurzaam werk, bredere graadmeters voor succes te formuleren; • Eenduidigheid te brengen in termen (denk bijv. aan ‘preventie’: concreet maken). • Integraal te kijken naar jongeren, voor alle leefgebieden verantwoordelijkheid te nemen, betekent niet dat iedereen voor alle doelen verantwoordelijk is en/of op alle terreinen expertise heeft. Het betekent wel dat we: • (Onbedoelde) effecten op andere beleidsterreinen inzichtelijk kunnen maken; • Met elkaar verantwoordelijk zijn en haakjes kunnen maken naar/tussen andere beleidsterreinen/expertises; • Met elkaar leren en reflecteren mogelijk maken. De opbrengsten van de maatregelen binnen het programma worden op alle niveaus regelmatig en gestructureerd besproken in de daarvoor bestemde overlegvormen (zie besluitvormingsstructuur, paragraaf 7.1). Tijdens deze momenten wordt niet alleen gekeken naar resultaten, maar ook gereflecteerd op de gemaakte samenwerkingsafspraken tussen scholen, doorstroompunten, hulpverlening en de domeinen participatie, werk en inkomen.

Belangrijke vragen zijn daarbij: wie is waarvoor aan zet, hoe verloopt de samenwerking en waar dreigen jongeren buiten de boot te vallen? Deze reflectieve werkwijze maakt het mogelijk om tijdig bij te sturen en te zorgen dat maatregelen blijvend aansluiten bij de behoeften van jongeren.

7.2.3

Evaluatiemethoden en instrumentarium

Het effect van de maatregelen wordt cyclisch en gestructureerd geëvalueerd binnen de regionale overlegstructuur. De regio-analyse en een nulmeting (op het moment van start van het regionaal programma) met actuele regionale data over voortijdig schoolverlaten, uitstroom naar werk en participatie, aangevuld met beschikbare kwalitatieve gegevens over de ervaringen van jongeren en professionals vormt de basis voor de evaluaties. Resultaten, samenwerking en jongerenervaringen worden regelmatig besproken om tijdig bij te sturen. Jongeren hebben een terugkerende rol in de evaluatie en reflectie. Digitale instrumenten zoals Voroc en Tuula ondersteunen deze monitoring, terwijl regionale dataanalyses via het nieuwe regionale dashboard (Ecbo) inzicht geven in doorstroom, ontwikkeling en succes van jongeren. Succescriteria Een maatregel is succesvol wanneer jongeren met een groot risico op uitval beter worden bereikt, begeleid en duurzaam doorstromen naar onderwijs, werk of participatie. Succes wordt ook afgemeten aan de kwaliteit van de samenwerking tussen scholen, gemeenten en zorgpartners, én aan de mate waarin jongeren de begeleiding als helpend en passend ervaren. Monitoring door ‘Tellen en Vertellen’ Voor elke maatregel worden de doelstellingen vastgesteld met behulp van het format Tellen en Vertellen.

Dit instrument, gebaseerd op de principes van Rijker Verantwoorden, combineert kwantitatieve en kwalitatieve gegevens. Op die manier worden zowel cijfers als verhalen benut om inzicht te krijgen in de effecten van maatregelen. Dit vormt de basis voor de monitoring van resultaten en voor het signaleren van verbetermogelijkheden. Het effect van de maatregel bij jongeren wordt gemeten door een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve methoden volgens het principe van ‘Tellen en Vertellen’. Enerzijds worden gegevens verzameld over doorstroom, schooluitval en duurzaam werk (tellen), anderzijds worden ervaringen, beleving en tevredenheid van jongeren actief opgehaald via onderzoeken, enquêtes, gesprekken en evaluaties (vertellen). Jongeren spelen daarbij een structurele en terugkerende rol in de evaluatie: zij geven feedback op begeleiding, samenwerking en resultaten, en denken mee over wat wel en niet werkt in hun traject. Hun input wordt verwerkt in de cyclische evaluaties en teruggekoppeld aan partners binnen het programma. Een belangrijk onderdeel van deze werkwijze is het zichtbaar maken van zowel eindresultaten als tussentijdse mijlpalen. Voor kwetsbare jongeren zijn juist deze tussentijdse stappen — zoals groei in motivatie, deelname of de eerste oriëntatie op school of werk — waardevolle resultaten op zich.

Door structureel contact en begeleiding wordt niet alleen het einddoel (bijvoorbeeld werk of opleiding) gemonitord, maar ook de voortgang en ontwikkeling onderweg. Dit betekent dat zowel de

54

behaalde resultaten als de stappen die jongeren zetten om deze te bereiken systematisch worden geregistreerd en inzichtelijk gemaakt. Door de combinatie van data, verhalen en jongerenparticipatie ontstaat zo een compleet beeld van de resultaten — niet alleen in cijfers, maar ook vanuit het perspectief en de ontwikkeling van jongeren zelf. Regionaal instrumentarium voor monitoring en evaluatie De regio maakt gebruik van digitale middelen die zijn ontwikkeld in het kader van de overstap (Voroc) en de regionale coachvoorziening (Tuula). Deze systemen ondersteunen de uitvoering, monitoring en evaluatie van interventies. Ze bieden actuele sturingsinformatie en maken het mogelijk om ontwikkelingen op individueel en regionaal niveau te volgen. In verwerkingsovereenkomsten zijn verantwoordelijkheden en de grondslag voor verwerking van gegevens opgenomen. Om aparte, tijdrovende werkwijzen te voorkomen maken we in het regionaal programma centraal afspraken over gegevensverwerking. Voor Tuula is ROC Mondriaan (vanuit haar rol als contactschool) de verwerkingsverantwoordelijke. De DPIA wordt uitgevoerd binnen de wettelijke kaders en onder toezicht van ROC Mondriaan. De juridische afspraken over verwerking van gegevens via Voroc lopen via de Spirit4You.

Ook wordt onderzocht hoe ICT-toepassingen - zoals Voroc, Tuula en leerlingvolgsystemen - beter in samenhang kunnen worden ingezet voor afstemming, overdracht, monitoring en evaluatie. Bij dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van en voortgebouwd op de actuele regionale ICT-onderzoeken en DPIA’s. Integrale regionale data-analyse Een belangrijke stap in het versterken van de evaluatie is de gezamenlijke regionale data-analyse. Momenteel vinden analyses nog parallel plaats via verschillende partijen, wat de vergelijkbaarheid bemoeilijkt. In het nieuwe programma wordt gewerkt aan één gezamenlijke en integrale dataverzameling, zodat de onderwijs- en arbeidsloopbaan van jongeren consistent kan worden gevolgd. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van het regionaal dashboard dat in ontwikkeling is door Ecbo (in opdracht van het ministerie, oplevering verwacht in het najaar van 2025). Dit dashboard maakt het mogelijk om tendensen in de doorstroom van jongeren te volgen, inclusief specifieke groepen zoals nieuwkomers, en om ook de ontwikkeling van jongeren uit pro-, vso- en entreeonderwijs duurzaam te monitoren. Het dashboard ondersteunt zo de toetsing van effectiviteit van maatregelen en helpt om een completer beeld te krijgen van de doorstroom, ontwikkeling en het succes van jongeren op zowel individueel als regionaal niveau.

7.3 Structuren voor besluitvorming, sturing en uitvoering regionaal programma 7.3.1 Totstandkoming Een sterke governance-structuur vormt de ruggengraat van een effectief regionaal programma. Heldere afspraken over besluitvorming, sturing en uitvoering zorgen voor samenhang en slagkracht. Deze paragraaf beschrijft hoe casuïstiek en waargenomen patronen worden opgeschaald, hoe besluitvormingsstructuren zijn ingericht, en op welke wijze doorzettingsmacht wordt geborgd om de vertaling van de praktijk van jongeren naar beleid te versterken. De overlegstructuur voor het regionaal programma bouwt voort op de huidige besluitvormingsstructuur van het regionaal programma voortijdig schoolverlaten. Deze wordt aangepast op de nieuwe wetgeving met inachtneming van voortschrijdende inzichten vanuit de werkwijzen die in de verschillende regio’s nu gebruikelijk zijn. Daarbij zijn de contouren voor de governance, zoals bestuurlijk meegegeven, als uitgangspunt genomen.

7.3.1.1 Uitgangspunten contourenmemo We organiseren regionaal een efficiënte, integrale (sociaal domein brede) (bestuurlijke) besluitvorming, opdrachtgeverschap en aansturing van het regionaal programma.

55

Efficiënt en integraal • • • • • •

We weten wie waarover in gesprek is met welk mandaat; We regelen bestuurlijk de relatie tussen overleggen in: lokaal-regionaal, arbeidsmarktregio-doorstroompuntregio, zorgdomein (wettelijke plicht); We sluiten dubbelingen in voorbereidende overleggen zoveel mogelijk uit; We borgen de samenwerking tussen regionaal coördinatoren vsv/doorstroom, vso-pro, werk/participatie, jeugdhulp/Wmo/zorg; We zorgen voor actieve informatievoorziening, consultatie en betrokkenheid tussen lokale/interne en regionale functionarissen; We zijn ons ervan bewust dat integraal werken iets vraagt op alle niveaus: uitvoering, beleid, management, bestuur.

Besluitvorming, opdrachtgeverschap en aansturing • • • • •

We regelen jongerenparticipatie (doe je er niet even bij) in relatie tot uitvoering van interventies, management, beleid en bestuur; We trekken verantwoordelijkheden en belangen uit elkaar en zorgen voor - bij het gevraagde besluitvormingsniveau passende vertegenwoordiging; We weten wie waarvoor aanspreekbaar is: voor inhoud van het programma, voor realisatie van de doelen en beleidsafspraken uit het programma, voor aansturing van interventies en voor uitvoering van interventies; We borgen de mogelijkheid (voor ouders, jongeren en professionals) voor onafhankelijke consultatie en advies (op casusniveau) t.a.v. jongeren die dreigen maatschappelijk uit te vallen; We zorgen (op casusniveau) voor een heldere lijn om aantoonbare hiaten in het regionaal vangnet en behoeftes t.b.v. een dekkend aanbod te kunnen opschalen naar besluitvormende overleggen; we praten op basis van feiten en voorbeelden, niet op basis van aannames.

Verbinding samenwerkingsregio’s passend onderwijs en doorstroomregio •

We maken verschil in governance voor enerzijds pro, vso, vo en anderzijds mbo: • Pro, vso, vo-leerlingen: interventies/afspraken sub-regionaal inregelen waar mogelijk; • Vraagstukken voor pro, vso, vo-leerlingen die vragen om samenwerking met mbo’s en/of werk: interventies/afspraken regionaal inregelen.

De samenwerkingsverbanden passend onderwijs vo en (adviserend) Spirit4You, sluiten aan bij de regionale overlegstructuur, zodat zij interventies/afspraken die worden gemaakt in de sub-regio’s (voor vo, vso, pro) en interventies/afspraken die worden gemaakt in de doorstroomregio met mbo’s en arbeidsmarkt, kunnen verbinden. Bijv. vraagstuk grensverkeer: • • •

Grensverkeer vo op sub-regionaal niveau inregelen > vsv-programma als vangnet; Grensverkeer mbo op regionaal niveau > inregelen in vsv-programma; Grensverkeer bovenregionaal > dubbelingen/dilemma’s bespreken op casusniveau > bij patronen: agenderen in bovenregionaal overleg.

7.3.2 Sterke governance In de governance wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de overlegstructuur t.a.v. de lokale/reguliere/wettelijke taken van gemeenten en scholen en anderzijds de overlegstructuur t.a.v. de afspraken en interventies in het regionaal programma. Om goed te kunnen sturen op opvolging van afspraken, resultaten, capaciteiten en middelen om de complexiteit bij integraal werken te kunnen doorbreken, en daarmee ook verbindend samen te werken, wordt gewerkt met de volgende gremia:

•

Regionaal breed beleidsoverleg: signalerend, adviserend, formuleren beleidsmatige verbetervoorstellen op basis van evaluaties waargenomen patronen

• •

Programmateam: operationeel aanjagend, monitorend, signalerend en adviserend Kerngroep: strategisch adviserend en besluitvormend binnen de vastgestelde bestuurlijke kaders

56

•

Bestuurlijk Overleg (BO): strategisch, kader stellen en toezicht houdend (stond in plaatje) besluitvormend

Deze gremia worden hieronder verder worden toegelicht. Dit gebeurt in samenhang met de lokale/voorliggende overlegstructuren en de integrale advies- en consultatiefunctie die moet fungeren als regionaal vangnet bij complexe problematiek.

Zie overzichtsplaat. NB De formele uitwisselingen zijn weergegeven m.b.v. pijlen. Alle andere uitwisselingen, die wel plaatsvinden, worden niet weergegeven in de overzichtsplaat.

7.3.2.1 Optimale doorzettingsmacht In ieder gremium nemen de mensen met het juiste mandaat zitting: -

-

Deelnemers zijn door hun organisatie aangewezen en dragen de verantwoordelijkheid om de inbreng uit het overleg terug te koppelen, een vertaalslag te maken naar de eigen praktijk, binnen hun organisatie uitvoering te (laten) geven aan de gemaakte afspraken en daar terugkoppeling van te geven in opvolgende overleggen. Iedere gemandateerde neemt zitting in maximaal één gremium22, tenzij diegene een regionaal functionaris is binnen het programma23. Bij afwezigheid laten leden zich vertegenwoordigen door een collega die dezelfde rol op zich kan nemen, of geeft inbreng mee aan een van de leden vanuit collega-organisaties of -school.

Voor alle gremia geldt tevens dat ontwikkeling en bijsturing onderdeel is van de monitoring van de samenwerkingsafspraken in het regionaal programma. Daarbij is specifiek aandacht voor het nieuwe gremium (programmateam) en (in relatie tot de actielijn professionalisering) de voorliggende integrale advies- en consultatiefunctie.

7.3.2.2 Specifieke regionale rollen De verantwoordelijkheden voor regionale samenwerking zijn belegd op verschillende niveaus, bij verschillende organisaties en functionarissen. Zowel de verantwoordelijkheden voor samenwerking binnen het regionaal programma, als de verantwoordelijkheden voor de bredere, subregionale en/of onderlinge samenwerking tussen scholen of gemeenten. De doorstroompuntcoördinator en regionaal programmaregisseur hebben een coördinerende en verbindende rol en faciliteren 22 Regionaal breed beleidsoverleg, programmateam, kerngroep, bestuurlijk overleg. 23 Regionale functionarissen: doorstroompuntcoördinator, programmaregisseur, verbinders arbeidsmarktregio’s,

coördinator vso en pro, programmamanager spirit4you, aanjagers van specifieke actielijnen, maatregelen of afspraken.

57

daarmee een effectieve samenwerking. Zij zorgen samen met de verschillende gremia dat gezamenlijke inzichten en initiatieven uitmonden in breed gedragen keuzes en concrete vervolgstappen. Doorstroompuntcoördinator Namens de contactgemeente budgetverantwoordelijke voor de middelen die voor het regionale programma aan de gemeente zijn toegekend. Regionaal programmaregisseur Namens de contactschool budgetverantwoordelijk voor de middelen die aan de school zijn toegewezen. Regiocoördinatoren Arbeidsmarktregio Zuid-Holland Centraal en Haaglanden Namens de centrumgemeenten verantwoordelijk voor de verbinding van de partners in de arbeidsmarktregio op het gebied van jeugdwerkloosheid en tevens leggen zij de verbinding met het regionaal programma in de doorstroompuntregio. Programmamanager Spirit4You Verantwoordelijk voor het bevorderen regionale samenwerking tussen vo (incl. vso/pro) en vervolgonderwijs op het gebied van loopbaanoriëntatie en -begeleiding en een soepele overstap van school naar vervolgonderwijs of werk. Netwerkcoördinator Pro/vso Verantwoordelijk voor het bevorderen samenwerking tussen het VSO, praktijkonderwijs, gemeenten, mbo, werkgevers en andere ketenpartners om te zorgen voor een sluitende route van school naar werk/onderwijs/dagbesteding voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte.

Regionaal verantwoordelijken actielijnen/maatregelen Per actielijn/maatregel/samenwerkingsafspraak (afhankelijk van omvang van) zijn één of meerdere functionarissen (vanuit dsp/gemeenten, scholen) verantwoordelijk voor aanjagen, monitoring en/of evaluatie. Zij hebben de focus op de implementatie en realisatie van de afspraken en maatregelen en trekken nauw op met intern/lokaal verantwoordelijken voor wettelijke taken. Binnen een actielijn of maatregel kunnen deze functionarissen financieel mandaat hebben (onder verantwoordelijkheid van budget verantwoordelijken). De mandaten en rollen van bovenstaande functionarissen lopen uiteen. Dat maakt dat er verschil zit in de mate waarin zij een specifieke rol en focus kunnen hebben in (relatie tot) de implementatie, monitoring, evaluatie en/of aansturing van specifieke afspraken en/of actielijnen/maatregelen uit het regionaal programma. In de implementatiefase worden de verantwoordelijkheden van bovenstaande rollen daarom nader gespecificeerd.

7.3.3 Vaststelling en mandatering 7.3.3.1 Doorzettingsmacht bij complexe casuïstiek Basisinfrastructuur bij scholen en gemeenten (intern/lokaal) Jongeren en hun ouders hebben voor vragen of ondersteuning in eerste instantie contact met school (mentor, ib-er, smwer, SWVVO, BOSS, STIP), doen een beroep op het eigen netwerk, huisartszorg of gemeente via (al dan niet digitale) inlooppunten (JIP, Jongerenwerk). Binnen scholen en (bij gemeenten) lokaal en wijkgericht werken professionals zo goed mogelijk samen om de jongeren te ondersteunen waar nodig. Om te zorgen dat jongeren niet tussen wal en schip belanden, bestaan er verschillende multidisciplinaire overlegtafels, casuïstiekbesprekingen en signaleringsnetwerken. Wanneer op uitvoeringsniveau patronen worden waargenomen, wordt (al dan niet via leidinggevenden) contact gelegd met beleidsafdelingen voor mogelijke aanpassingen van of oplossingen van beleid. Ook op sub-regionale tafels zoeken professionals elkaar op wanneer zij elkaars expertise nodig hebben om een jongere daadwerkelijk verder op weg te kunnen helpen. Wanneer professionals vastlopen in hun werk rondom individuele jongeren, verloopt consultatie en opschaling aan

58

gemeentekant via de vaste contactpersonen/adressen van de gemeenten (regionaal protocol en loketten voor Jeugdhulp en Wmo). Aan scholenkant (VO) wordt opgeschaald naar Samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs en/of Jeugdgezondheidszorg. Bij mbo’s zijn er interne informatie- en adviespunten voor passend onderwijs en school maatschappelijk werk en wordt steeds vaker multidisciplinair overlegd, conform werkwijzen zoals gebruikelijk in het VO.

Regionaal vangnet: integrale advies- en consultatiefunctie Wanneer scholen, ondanks alle voorliggende voorzieningen op en rondom school, niet verder komen met het organiseren van ondersteuning en zich zorgen maken over uitval van een leerling of student, doen zij via de website van het regionaal programma een beroep op de regionale schoolcoachvoorziening (zie maatregel 1.1). Zowel voor het aanvragen van coaching als voor advies en consultatie24. Vanuit de coachvoorziening wordt vanuit verschillende invalshoeken (jongere, ouders, professionals) onafhankelijk meegedacht met scholen. Er wordt advies gegeven, kennis gedeeld en - wanneer dit bij kan dragen aan een duurzame oplossing voor een jongere - extra coaching (vanuit domein onderwijs, swvvo, zorg en welzijn) ingezet voor de jongere. In dienst van de beste oplossing voor jongeren, zoekt de coachvoorziening ten alle tijden verbinding met de voorliggende voorzieningen van scholen (swvvo, mbo’s), gemeenten en het bredere sociaal domein. De inzet van een schoolcoach gebeurt dus altijd pas na een bewuste afweging of voorliggende voorzieningen, zoals SMW of JES-overleggen, zijn benut. Alleen zo nodig wordt aanvullend coaching ingezet, eventueel ter overbrugging naar de meest passende ondersteuning.

In het nieuwe programma gaat de regionale coachvoorziening voor casuïstiekbespreking en -opvolging nauwer samenwerken met collega’s vanuit het gemeentelijk sociaal domein. Voor complexe problematiek wordt aangesloten bij de (bestaande) expertise tafel Haaglanden25. Deze samenwerking moet de kwaliteit en integraliteit van de regionale advies- en consultatiefunctie ten goede komen. Verantwoordelijkheden / mandaat 1. 2. 3.

4.

Centraal optrekken als vangnet wanneer de weg naar voorzieningen (echt) niet wordt gevonden; Onafhankelijk meedenken met duurzame oplossing voor jongere (en ouders) - zonder af te drijven van de scholen of gemeenten van waaruit zij die verantwoordelijkheid krijgen; Voor complexe casuïstiek (jongeren die lokaal en regionaal tussen wal en schip vallen): aansluiten op regionale Experttafel van het Expertiseteam Complexe Zorg Haaglanden. Casusinbrenger monitort het nakomen van afspraken ten aanzien van de besproken (door doorstroomregio ingebrachte) jongere (ook als de regie bij jongere en/of hulpverlener ligt); Bij hiaten in onderwijs-/werk-/ondersteuningsaanbod: onderbouwd (criteria) beroep kunnen doen op frictiebudget om direct passend aanbod in te kunnen zetten in dienst van de jongere (zie actielijn maatwerk).

Samenstelling Om de integraliteit van deze regionale advies- en consultatierol in het nieuwe programma beter te borgen, gaat de coachvoorziening nauwer samenwerken met regionaal verantwoordelijken vanuit doorstroompunten, zorg, participatie/werk en inkomen: Regie, coördinatie en verbinding o Procesmanagers regionale coachvoorziening vo en mbo (jongeren die staan ingeschreven in onderwijs) o Regionaal verantwoordelijke (uitvoeringsniveau) doorstroompunten/gemeenten (jongeren die niet staan ingeschreven in onderwijs) 24 Naarmate de vraag naar individuele coaching terugloopt als gevolg van het beter inregelen van hulp op scholen, is de

verwachting dat de vangnetfunctie van schoolcoaching kleiner wordt (bijvoorbeeld alleen coaching voor jongeren op nietaandachtslocaties vo) en het zwaartepunt binnen het werk (zo nodig) verder verschuift naar professionalisering en advisering. 25 Regionale Experttafel - Expertiseteam complexe zorg; RET Haaglanden – Regionaal Expertteam Jeugdhulp | BREN ZH. In de huidige programmaperiode werd voor jongeren in het mbo (18-/18+) incidenteel aangesloten bij de regionale casuïstiekoverleggen vanuit het domein (Jeugd)zorg. De behoefte is om de samenwerking/kennisuitwisseling tussen scholen (met name mbo) en domein zorg structureler in te regelen en hiervoor door te bouwen op bestaande structuren vanuit Jeugdhulp. In de implementatiefase worden de afspraken hierover verder geconcretiseerd, bijvoorbeeld t.a.v. leeftijdsgrenzen.

59

De versterking van de regionale advies- en consultatierol (o.a. de samenwerking met de SWVVO), wordt in de implementatiefase verder uitgewerkt. Escalatieladder casuïstiek Stap

Niveau

Verantwoordelijke Regiehouder

/

Termijn

Escalatievoorwaarden opschalen

0

Interne/lokale aanpak school (incl SWV/BOSS/Campus/StiP /dsp/gemeente

Mentor/ Zorgcoördinator/ SLB’er /casemanager/participatie?

Binnen 2–4 weken

Geen voortgang, geen passend aanbod, dreigend thuiszitten

1

School/dsp/gemeente + ketenpartners via multidisciplinair overleg

Zorgcoördinator/casemanager/ participatie?

Binnen 2 weken na stagnatie

Geen regie, geen gezamenlijk plan, geen voortgang

2

Opschaling VO / MBO / dsp / gemeente

SWV-coördinator voor VO en voor MBO onafhankelijke functionaris van het regionale consultatie- en adviesfunctie.

Binnen 2 weken na eerste opschaling

Geen consensus of verantwoordelijkheid, jongere >6 weken zonder onderwijs of dagbesteding

3

Expertiseoverleg (multidisciplinair)

Regisseur doorzettingsmacht (RMC of regionale casusregisseur)

Binnen week na tweede opschaling

Casus te complex, geen besluit binnen mandaat, beleids- of budgetknelpunt

7.3.3.2 Opschaling waargenomen patronen Soms zien professionals meerdere casussen met vergelijkbare complexiteit. Wanneer professionals patronen signaleren, wordt beleidsmatig opgeschaald. Allereerst via eigen gemeente of school en zo nodig regionaal. Escalatieladder waargenomen patronen Niveau

Verantwoordelijke / Regiehouder

Termijn

Escalatievoorwaarden opschalen

1

Lokale /interne beleidsoverleggen

Verantwoordelijke voor betreffende overleggen

Eerstvolgend

Meerdere signalen lijken een patroon, toetsen herkenbaarheid, uitvraag (elkaar uitsluitende) cijfers en casussen, oplossingrichtingen lokaal/intern in gang zetten

2

Regionale overleggen (zie hieronder:) wettelijke taken en/of regionaal breed overleg

Verantwoordelijken voor betreffende overleggen

Eerstvolgend

Meerdere signalen lijken een patroon, toetsen herkenbaarheid, uitvraag (elkaar uitsluitende) cijfers en casussen, oplossingsrichting in gang zetten

3

Kerngroep (beleidsmatig overleg)

Eerst volgend

Structureel of beleidsmatig knelpunt, noodzaak aanpassing beleid of budget

Stap

60

4

Bestuurlijk overleg (doorzettingsmacht)

Wethouder onderwijs/jeugd + Voorzitter SWV

Eerst volgend

Systeemdoorbraak nodig, structurele beleidsbeslissing vereist

7.3.3.3 Regionale overleggen op deelterreinen gemeenten en scholen In de volgende regionale overleggen vindt afstemming plaats t.a.v. wettelijke taken voortijdig schoolverlaten, werk en inkomen/participatie, Jeugdhulp (breder sociaal domein): • Doorstroomregio (via beleidsoverleg ROB) • Arbeidsmarktregio's ZHC en Haaglanden (via Ontwikkelteam en SBO) • Jeugdhulpregio H9 (via Programmateam Jeugd) Ook is er (sub-/) regionaal afstemming tussen scholen: • •

•

•

Voor Vo-scholen in Zuid-Holland West: o Overleggen en besluitvormingsstructuren van Spirit4You. ‘Regionale coalitie po-vo ondersteuning en preventie thuiszittende jeugdigen’: o SWVZHW, SPPOH, SWV’s PPO Delflanden, VO Delflanden, SPOW, SWV VO Westland en SWV Zoetermeer (PO en VO). VSO-PRO: Stuurgroep VSO-PRO (afvaardiging van directeuren), 2 keer per jaar Stage coördinatoren overleg PRO (6 keer per jaar) Stage coördinatoren overleg VSO (6 keer per jaar) Mbo’s: o Bovenregionale overleggen (o.a. ViaDelta)26

Specifieke over de voortgang van de samenwerking en maatregelen uit het regionaal programma worden (maximaal 4) keer per jaar overleggen tussen scholen georganiseerd. In deze overleggen kan afstemming plaatsvinden tussen de verschillende intern verantwoordelijken voor programmalijnen en/of samenwerkingsafspraken bij scholen. Afhankelijk van de inhoud van de overleggen, zullen deze plaatsvinden met zowel vo als mbo of als vo’s of mbo’s onderling. Waar nodig en mogelijk, wordt, voor opschaling en afstemming tussen scholen, bestaande overleggen benut.

7.3.3.4 Breed beleidsoverleg regionaal programma Om in het nieuwe programma de integraliteit in afstemming op alle niveaus te bevorderen, wordt, naast de regionale overleggen hierboven, gewerkt met een gecombineerd beleidsoverleg. In dit beleidsoverleg worden domein overstijgende thema’s, evaluaties en oplossingen voor knelpunten in de samenwerkingsafspraken en maatregelen van het regionaal programma besproken. Verantwoordelijkheden / mandaat Het breed beleidsoverleg lost vraagstukken op waar mogelijk. Ze adviseert, doet voorstellen aan en escaleert wanneer nodig naar de kerngroep - met behulp van het programmateam. Wanneer vraagstukken om bovenregionale afstemming vragen, wordt dit door de DSP-coördinator, programmaregisseur en regionale verbinders arbeidsmarkt geïnitieerd.

26 Het samenwerkingsverband van de ROC’s Albeda, mboRijnland, Mondriaan en Zadkine. Sinds 2023 bundelen zij hun

krachten om activiteiten op het gebied van Leven Lang Ontwikkelen (LLO) uit te voeren (zie www.viadelta.org/over/).

61

Samenstelling Regie, coördinatie en verbinding o DSP-coördinator (contactgemeente) o Programmaregisseur o Regionale verbinders Deelnemers

• • •

Beleidsadviseurs onderwijs/VSV vanuit ROB. Beleidsadviseurs Werk vanuit SBO (Haaglanden) en/of Ontwikkelteam (ZHC). Beleidsverantwoordelijken mbo en vo (samenwerkingsverbanden passend onderwijs).

Procesafspraken

•

Vergaderfrequentie vier keer per jaar, voorafgaand aan de Kerngroep voor het bestuurlijk overleg.

7.3.3.5 Het Programmateam Nieuw in de regionale ‘governance’ is het Programmateam. Het programmateam is verantwoordelijk voor en heeft de focus op het aanjagen, monitoren en evalueren van de samenwerkingsafspraken, de programmalijnen en maatregelen en bijbehorende randvoorwaarden. Het team bespreekt de voortgang, signaleert knelpunten, bespreekt deze zonodig in beleidsoverleggen en adviseert de Kerngroep over bijsturing. Verantwoordelijkheden/ mandaat team:

• • • • • • •

Aanjagen van maatregelen en interventies uit het regionaal programma Monitoring en evaluatie van resultaten en samenwerkingsafspraken Zorg dragen voor in- en overzicht in stand van programmalijnen Signaleren van knelpunten en inbrengen prioriteiten vanuit actielijnen Bespreken van knelpunten in beleidsoverleggen en doen van verbetervoorstellen Adviseren en escaleren (zowel casuïstiek als regionale patronen) richting de Kerngroep Faciliteren van samenwerking, verbinding, afstemming, communicatie, bijeenkomsten en kennisdeling

Wanneer er (op uitvoeringsniveau), buiten het mandaat van deze professionals iets aangepast moet worden (afwijkend van de afgesproken programmalijn/maatregel), wordt dit overlegd in het programmateam. Besluiten worden in gezamenlijkheid genomen. Indien geen overeenstemming wordt bereikt wordt dit zo nodig aan de Kerngroep en zo nodig aan het BO voorgelegd (escalatiemechanisme). Indien aanpassingen nodig zijn in gemaakte afspraken uit het regionaal programma, wordt dit besproken en geformaliseerd via de kerngroep (escalatiemechanisme). Samenstelling Regie, coördinatie en verbinding (inhoudelijk en procesmatig)

• • • •

Doorstroompuntcoördinator en Programmaregisseur Regionaal verbinder Arbeidsmarktregio Zuid-Holland Centraal (ZHC); Regionaal verbinder Arbeidsmarktregio Haaglanden.

Samen met iig:

• • • • •

Aanjager jongerenparticipatie Programmamanager Spirit4You Netwerkcoördinator Pro/Vso Consultatie-en adviesrol Functionaris monitoring en evaluatie (ict, regioanalyse)

62

•

Financiële, juridische, administratieve en communicatieve ondersteuning

Afhankelijk van de rol die bovenstaande functionarissen kunnen oppakken ten aanzien van aanjagen en monitoren van de actielijnen sluiten aan:

•

Functionarissen (aanjagers, coördinatoren, procesmanagers, procesbegeleiders) die vanuit school- en gemeentelijk sociaal domein een specifieke rol en focus hebben in (relatie tot) de implementatie, monitoring, evaluatie en/of aansturing van de afspraken en/of actielijnen/maatregelen uit het regionaal programma: o Actielijn 1: Hulp/aanpak/expertises voor jongeren met specialistische ondersteuningsbehoefte. o Actielijn 2: Versterken van kwetsbare overstapmomenten. o Actielijn 3: Professionalisering en kennisdeling over integraal werken. o Actielijn 4: Maatwerkonderwijs op het snijvlak van school, arbeid en zorg.

Procesafspraken Vergaderfrequentie: 1 keer per maand (in de startfase 2 keer per maand)

7.3.3.6 De kerngroep De Kerngroep fungeert op managementniveau en vormt de schakel tussen beleid/uitvoering en bestuur van het regionaal programma. De kerngroep geeft strategische (bij)sturing aan het programma en heeft beslissingsbevoegdheid binnen de bestuurlijk kaders van het programma. De Kerngroep bewaakt de voortgang- en zorgt voor opvolging van de gemaakte afspraken, (strategische) doelen en beoogde resultaten en streefcijfers/ambities. De Kerngroep handelt n.a.v. escalaties vanuit het programmateam en draagt zorg voor de voorbereiding en afstemming van de agenda, vraagstukken en besluitvorming voor het BO - inclusief afstemming met beleidsadviseurs en directie-/MT-niveau binnen de eigen organisatie Verantwoordelijkheden / mandaat

• • • • •

Bewaken van voortgang, resultaten en bestuurlijke kaders. Voorbereiden van agenda’s, vraagstukken en besluiten voor het BO. Besluiten nemen binnen vastgestelde bestuurlijke kaders27. Rapporteren en adviseren richting het BO. Behandelen van escalaties vanuit het Programmateam.

Samenstelling Kerngroepleden hebben namens hun organisatie beslissingsbevoegdheid, doorzettingsmacht (kunnen binnen hun organisatie uitvoering - laten - geven aan gemaakte afspraken) en zijn procesmatig en inhoudelijk ingevoerd in de regionale samenwerking. Bij afwezigheid laten leden zich vertegenwoordigen door een collega die dezelfde rol op zich kan nemen, of geven zij inbreng mee aan een van de leden vanuit collega-organisaties of -scholen.

Vanuit gemeenten

•

Managers met mandaat o Onderwijs/DSP – contactgemeente Den Haag o Werk – centrumgemeente Den Haag (Haaglanden) o Werk – centrumgemeente Zoetermeer (Zuid-Holland Centraal) o Zorg (vertegenwoordiging afhankelijk van thema) o Onderwijs/DSP – vertegenwoordiger namens middelgrote gemeenten (bijv. Delft, Zoetermeer of Westland) o Onderwijs/DSP – vertegenwoordiger namens kleine gemeenten (bijv. Rijswijk, Pijnacker-Nootdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland of Wassenaar) o Werk - middelgrote gemeente (nader te bepalen) o Werk - kleine gemeente (nader te bepalen)

27 Dat betekent dat de kerngroep beslissingen mag nemen binnen de door het BO vastgestelde inhoudelijke en financiële

kaders. Bijvoorbeeld het verschuiven van budgetten tussen actielijnen binnen de vastgestelde begroting (uiteraard mits in lijn met de doelstellingen van het programma zoals bestuurlijk vastgelegd in het regionaal programma).

63

Vanuit onderwijs

•

Managers met mandaat: o ROC Mondriaan – contactschool (namens Yuverta, Albeda, Lentiz) o Mbo Rijnland o SWVVO Delflanden (namens alle samenwerkingsverbanden vo - Zoetermeer, Zuid-Holland-West en Westland) o Praktijkschool en school voor VSO (namens de vo-scholen in de Doorstroomregio)

Procesafspraken • • •

•

• • •

•

Alle gemeenten, mbo’s en SWVVO’s ontvangen de agenda en stukken en zijn verantwoordelijk voor hun eigen inbreng via hun vertegenwoordigers. Bij afwezigheid vindt onderlinge vervanging plaats. Niet deelnemende managers aan de kerngroep zorgen dat hun inbreng vooraf wordt afgestemd met de hen vertegenwoordigende manager. Iedereen krijgt vooraf de stukken. Als er geen input wordt meegegeven bij afwezigheid, gaan we uit van instemming. Uitgangspunt voor de besluitvorming in de kerngroep is het consensusmodel. Besluitvorming vindt bij voorkeur plaats op basis van consensus. Indien consensus niet haalbaar blijkt vindt besluitvorming plaats op basis van meerderheid van stemmen (50% +1). Mede in samenhang met het gegeven dat er nieuwe partijen deelnemen aan de kerngroep moet de wegingsfactor van stemmen per deelnemende partij nog worden vastgesteld voor de looptijd van het nieuwe programma. Een voorstel daartoe wordt voorbereid in het implementatieplan en zal nog worden voorgelegd. Waarbij mogelijk ook rekening gehouden kan worden met de omvang van zowel de betreffende vertegenwoordigende partij/organisatie als de omvang van de problematiek van die organisatie/partij in relatie tot het regionaal programma Als de samenstelling van de kerngroep verandert, verandert ook de stemverhouding van de leden.

Vergaderfrequentie is 6x per jaar Voorzitterschap roulerend:  Contactgemeente  Contactschool Voorbereiding door doorstroom coördinator en programmaregisseur, in samenwerking met programmateam en breed beleidsoverleg..

7.3.3.7 Het Bestuurlijk Overleg van School naar Duurzaam Werk (BO) De eindverantwoordelijkheid voor de samenwerking in het regionaal programma ligt bij de wethouder Onderwijs van de contactgemeente en de voorzitter CvB van de contactschool en de wethouders Werk van de twee centrumgemeenten. Het BO stelt de kaders en houdt toezicht. Op basis van adviezen/vraagstukken en verantwoording/evaluatie vanuit de Kerngroep neemt het BO zo nodig besluiten over aanpassingen van het regionaal programma. Via het bestuurlijk overleg van school naar duurzaam werk, stemmen de wethouder van de contactgemeente en voorzitter CvB van de contactschool af met de gemeenten en scholen die zij vertegenwoordigen en tevens met de wethouders Werk van de twee centrumgemeenten. Verantwoordelijkheden / mandaat

• • • •

Bepaalt de visie en lange termijndoelen voor het programma; Besluitvorming over beleid, interventies, middelen en prioriteiten; Eindverantwoordelijk voor de samenwerking binnen het regionaal programma; Afstemming in doorstroompuntregio tussen en binnen gemeenten (wethouder onderwijs), scholen (bestuurder school) en arbeidsmarktregio’s (wethouder werk);

64

Samenstelling Aan het bestuurlijk overleg nemen uitsluitend bestuurders en wethouders deel.

• • • • • • •

Contactgemeente:

Wethouder Onderwijs

Contactschool:

Voorzitter College van Bestuur

Centrumgemeenten:

Wethouders Participatie / Werk en Inkomen

Gemeenten DSP-regio:

Wethouders Onderwijs

Mbo Rijnland:

Lid College van Bestuur

Samenwerkingsverband VO Zuid Holland West

Directeur-bestuurder

VO-Platform Haaglanden

Voorzitter (Directeur bestuurder VO-Haaglanden)

Procesafspraken

• • •

• •

Voorzitter zijn afwisselend de bestuurder contact gemeente en contact school. De centrumgemeenten vertegenwoordigen de gemeenten in hun arbeidsmarktregio Onderwijsbestuurders werken met een afvaardiging en stemmen vooraf met elkaar hun inbreng af

• •

De contactschool vertegenwoordigt mbo’s Albeda, Yuverta en Lentiz

•

Het VO-Platform vertegenwoordigt alle VO-scholen inclusief de pro- en vso-scholen in de Doorstroomregio

Het SWVVO Zuid-Holland West vertegenwoordigt de samenwerkingsverbanden Zoetermeer, Delflanden en Westland

De bestuurlijke stukken worden naar alle bestuurders verzonden Niet deelnemende bestuurders aan het regionaal overleg zorgen dat hun inbreng vooraf wordt afgestemd met de hen vertegenwoordigende bestuurder o Uitgangspunt voor de besluitvorming in het bestuurlijk overleg is het consensusmodel. Besluitvorming vindt bij voorkeur plaats op basis van consensus. Indien consensus niet haalbaar blijkt vindt besluitvorming plaats op basis van meerderheid van stemmen (50% +1). Mede in samenhang met het gegeven dat er nieuwe partijen deelnemen aan het bestuurlijk moet de wegingsfactor van stemmen per deelnemende partij nog worden vastgesteld voor de looptijd van het nieuwe programma. Een voorstel daartoe wordt voorbereid in het implementatieplan en zal nog worden voorgelegd. Waarbij mogelijk ook rekening gehouden kan worden met de omvang van zowel de betreffende vertegenwoordigende partij/organisatie als de omvang van de problematiek van die organisatie/partij in relatie tot het regionaal programma.

•

In het jaar voorafgaand aan besluitvorming over de nieuwe programmaperiode, worden alle bestuurders uitgenodigd om deel te nemen aan de bestuurlijke overleggen. o Bij afwezigheid van een wethouder wordt deze vervangen een collega-wethouder met aanverwante portefeuille. o Bestuurders van scholen laten zich bij afwezigheid vertegenwoordigen door elkaar. o Vergaderfrequentie twee keer per jaar, of vaker indien nodig. o Het BO wordt voorbereid (agenda en stukken) door de programmaregisseur en regio-coördinator. Zij zorgen er, samen met de kerngroep voor dat bestuurlijke afspraken worden vertaald naar gezamenlijke concrete acties (onderwijs, dsp/gemeenten), Daarbij bewaken zij de verbinding tussen beleid en praktijk en de samenhang tussen initiatieven en besluiten.

7.3.3.8 Op alle niveaus: evalueren, reflecteren en verbeteren De inbreng van jongeren en de opbrengsten en observaties van de maatregelen binnen de actielijnen uit het programma worden op alle niveaus gestructureerd en periodiek geëvalueerd in de achterban, beleidsbreed-overleg, het programmateam, de Kerngroep en het BO. Daarbij wordt tegelijkertijd gereflecteerd op de onderlinge samenwerking en de gemaakte samenwerkingsafspraken (scholen, doorstroompunten, hulpverlening, participatie/werk) over wat we van elkaar mogen verwachten. Het doel is om van de uitkomsten te leren, te verbeteren en door te ontwikkelen. Zie ook actielijn professionalisering en paragraaf monitoring.

65

7.3.3.9 Verantwoordelijkheden ten aanzien van informatie- en gegevensverwerking Gemeenten en scholen maken voor uitvoering, monitoring en evaluatie van maatregelen en samenwerkingsafspraken gebruik van digitale middelen die zijn ontwikkeld. Om in het nieuwe programma pragmatisch te kunnen (door)starten met het volgen van ontwikkelingen op individueel en regionaal niveau, blijven we gebruik maken van de bestaande icttoepassingen Voroc en Tuula (de opvolger van de voormalige Plusapplicatie). Deze instrumenten bieden actuele sturingsinformatie. Parallel onderzoeken we komende periode hoe Voroc, Tuula, leerlingvolgsystemen en/of andere ict-toepassingen beter in samenhang kunnen worden ingezet voor afstemming, overdracht, monitoring en evaluatie 28. Voroc blijven we regionaal gebruiken in het kader van ‘de overstap’: de juridische afspraken over verwerking van gegevens in Voroc lopen via Spirit4You. Tuula gebruiken we specifiek voor het monitoren van de maatregelen uit het programma29. De noodzaak en verantwoordelijkheden voor de gegevensverweking in Tuula zijn als volgt: ➢

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16414920/1