CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS324240 Bijlage 1 Regionaal programma van school naar duurzaam werk 2026-2029

Commissie Samenleving 8 januari 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken36.789 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

5.3

Domein overstijgende samenwerkingsafspraken

Taken van gemeenten en scholen raken elkaar wanneer jongeren: 1. Naast onderwijs, gemeentelijke hulp of zorg nodig hebben die verder gaat dan scholen vanuit passend onderwijs, beroepspraktijkvorming (BPV) en loopbaanbegeleiding kunnen bieden; 2. Toch dreigen uit te vallen of al uitgevallen zijn en (terug) begeleid moeten worden naar onderwijs of werk. Afspraken betreffen dus zowel de samenwerking tijdens school en werk, als samenwerking bij overgangsmomenten.

5.3.1 Schoolaanwezigheid Gewenste beweging: Van

Naar

Veel schoolafwezigheid en overload aan verzuimmeldingen

Focus op werkzame elementen voor schoolaanwezigheid en leerling-/studentbetrokkenheid. Deze elementen gebruiken als basis voor een gezamenlijke aanpak en monitoring (scholen, ouders, Jeugdgezondheidszorg, Leerplicht, Doorstroompunt).

→

18

Voorkomen van schooluitval begint bij aanwezigheid op school of de stageplek. De afgelopen jaren zien we landelijk een zorgwekkende stijging van schoolverzuim. Dit heeft een negatieve impact op de ontwikkeling en het welbevinden van jongeren. Hoewel niet alle verzuimende leerlingen voortijdig schoolverlaters worden, is er omgekeerd, bij een voortijdig schoolverlater vaak wel sprake geweest van langdurig of frequent verzuim. Onderzoek wijst uit dat een goede aanwezigheid zorgt voor een positieve schoolloopbaan en goede onderwijsresultaten. De redenen voor verzuim zijn heel divers; zich niet fijn voelen op school, gepest worden, overvraagd worden of juist onvoldoende uitgedaagd, de verkeerde opleiding, mentale problemen, financiële zorgen of problemen thuis. Dat betekent ook dat er niet één oplossing is, maar dat we gezamenlijk moeten zoeken naar de beste wegen om leerlingen en studenten binnenboord te houden. De behoefte van jongeren om zich veilig, gehoord en gezien te voelen staat hierbij centraal. Afhankelijk van de oorzaak van afwezigheid zijn er verschillende mogelijkheden om invloed op aanwezigheid uit te oefenen. Een integrale aanpak richt zich zowel op leerlingen/studenten als op docenten en het schoolsysteem: ze bevordert niet alleen aanwezigheid en betrokkenheid van jongeren, maar ook het welzijn, de deskundigheid en de motivatie van leerkrachten. 1.

Proactieve monitoring van aan- en afwezigheid Regelmatige analyse van verzuimdata om de oorzaken en patronen te begrijpen. Dit helpt bij het ontwikkelen van gerichte interventies.

2.

Persoonlijke begeleiding en ondersteuning Een persoonlijke benadering door mentorschap, studiebegeleiding en een vertrouwenspersoon.

3.

Verhogen van motivatie en betrokkenheid Een stimulerende leeromgeving door duidelijke doelen, interactieve lesmethoden en aanbieden van relevante, uitdagende projecten.

4.

Financiële ondersteuning en advies Studenten voorzien van toegang tot financieel advies en budgetteringstools. Dit helpt hen bij het plannen en beheren van hun financiën.

5.

Verbeteren van de leer- en werkomgeving Een veilige en ondersteunende cultuur met respectvolle omgang tussen studenten en docenten. Een optimale leeromgeving met goed functionerende faciliteiten draagt bij aan de aanwezigheid van leerlingen en studenten.

6.

Ouder- en verzorgerbetrokkenheid Informeer en betrek ouders/verzorgers bij de voortgang en aanwezigheid van hun kind.

7.

Preventieve programma’s en initiatieven Workshops en trainingen over belangrijke onderwerpen zoals tijdmanagement, stressbeheer en studievaardigheden om leerlingen en studenten te ondersteunen in hun dagelijkse studieactiviteiten.

Het bevorderen van aanwezigheid is de kerntaak van scholen. Wanneer jongeren toch dreigen uit te vallen of uitgevallen zijn, is nauwe samenwerking tussen scholen en gemeenten nodig. Scholen zijn verplicht om afwezigheid (via DUO) te melden bij gemeenten (afhankelijk van de leeftijd van de jongere bij de afdeling Leerplicht of het Doorstroompunt). Gemeenten houden toezicht op de naleving van de leerplicht- en rmc-wetgeving. In augustus 2026 moet het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim in werking treden met als doel om het verzuim beter in beeld te krijgen, te voorkomen en terug te dringen en onnodig thuiszitten tot nul te reduceren. Het wetsvoorstel implementeert 5 maatregelen: 1. 2. 3. 4. 5.

Versterken van het verzuimbeleid op scholen; Het registreren van geoorloofd en ongeoorloofd verzuim; Tijdig betrekken van de leerplichtambtenaar bij zorgelijk ongeoorloofd verzuim; Verbeteren van het regionaal en landelijk zicht op verzuim; Verbetering van de procedure voor een vrijstelling op basis van lichamelijke of psychische grond.

19

5.3.1.1 Aanvullende afspraken schoolaanwezigheid (18-/18+) In de nieuwe programmaperiode zet de Doorstroompuntregio Haaglanden sterker in op het bevorderen van schoolaanwezigheid en welbevinden. Om meer impact te kunnen maken op het voorkomen van problematische schooluitval, willen scholen en gemeenten in de doorstroompuntregio de samenwerkingsafspraken herzien en de aandacht verschuiven naar aanwezigheid en welbevinden van leerlingen en studenten op school (en stage/beroepspraktijkvorming). Nieuwe afspraken moeten bijdragen aan het afschalen van de hoeveelheid meldingen 18+ en de kwaliteit van de meldingen vergroten: • •

Beter filteren welke jongeren (maatschappelijk) dreigen uit te vallen en waar we samen het verschil kunnen maken als we tijdig de juiste dingen doen. Afspraken over verantwoordelijkheden en meldtermijnen.

Doel van de nieuwe aanwezigheidsaanpak is om de juiste (risico)groep gezamenlijk beter te bereiken en ondersteunen waar nodig. Verschuiving in focus: een cultuuromslag We willen een verschuiving van de focus op registratie en melding van ongeoorloofd verzuim naar aandacht voor de aanwezigheid en het welbevinden van leerlingen en studenten op school en op de werkplek. Dit doen we door het versterken van beschermende factoren en werkzame elementen. Een positief schoolklimaat draagt bij aan aanwezigheid blijkt uit onderzoeken. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) benoemt de volgende succesfactoren. Schoolbrede aanpak Dit vraagt om een schoolbrede aanpak voor alle leerlingen en studenten. Dit betekent ook een verschuiving van het kijken naar individueel verzuim binnen de school naar het breed en systematisch kijken naar redenen voor verzuim. Op niveau van leerling, klas, leerjaar en opleiding. Gedegen analyse en het herkennen van patronen dragen bij aan een effectieve inzet van interventies. Het is belangrijk om dit in samenhang te doen met andere interventies binnen de school zoals bijvoorbeeld de aanpak om pestgedrag tegen te gaan, sociale veiligheid, huiswerkbegeleiding en activiteiten gericht op gezondheid en ouderbetrokkenheid.

(Regionale) samenwerking in de keten De school doet dat niet alleen maar met de samenwerkingspartners zoals het schoolmaatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg, leerplicht en het Doorstroompunt. Het is daarom van belang dat de aanwezigheidsaanpak en de ondersteuningsstructuur op de school goed verbonden zijn. En dat de gemeentelijke ondersteuning vanuit het sociaal domein daar naadloos op aansluit. In deze samenwerking is helderheid over de (wettelijke) verantwoordelijkheden, rollen en mandaat cruciaal; dat noemen we ‘de basis op orde’. Daarnaast kennen we binnen de regio Haaglanden al een preventieve aanpak van vroegtijdig signaleren en melden van verzuim (ongeoorloofd en geoorloofd) en zorg. We ambiëren met elkaar om in de periode 2026-2029 binnen de regio de cultuuromslag te maken naar een aanwezigheidsaanpak zoals hier beschreven. Voor meer informatie verwijzen we naar het Kennisnetwerk Schoolaanwezigheid en de Folder-Samenwerken-aan-schoolaanwezigheid-met-het-piramideraamwerk-2025.pdf Scholen melden verzuim en zorgsignalen aan de woongemeente van de leerling of student. Vanwege het grensverkeer willen we binnen regio Haaglanden zo uniform mogelijk werken. De basisafspraken over verzuim en uitval tussen gemeenten (leerplicht/DSP) en onderwijs- zowel wettelijk als preventief- staan beschreven in bijgevoegde afsprakenkaart (bijlage 3 Aanwezigheidsaanpak – Afsprakenkaarten).

Op lokaal niveau kunnen deze samenwerkingsafspraken(het wat) verder uitgewerkt zijn/worden in een gezamenlijk routeboek of werkinstructie (het hoe).

5.3.2

Jongeren met specialistische en meervoudige problematiek

Voor een deel van de jongeren geldt dat zij afwezig zijn, uitvallen of onderpresteren op school en in werk, als gevolg van omstandigheden waarin zij opgroeien. Voor jongeren met multiproblematiek ligt er regionaal een specifieke opdracht om slim samen te werken als scholen (en SWVVO), jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp, leerplicht, doorstroompunt/participatie (soms ook Wmo, UWV en zorgverzekeraars). Doel is om maatschappelijke uitval van deze jongeren te voorkomen door ondersteuning bij het halen van een passend diploma of werk.

20

Vanuit hun wettelijke basisopdracht in het kader van de wet passend onderwijs, zorgen scholen voor iedere jongere voor een onderwijsplek met passende ondersteuning bij het leerproces. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de Vo-scholen via de samenwerkingsverbanden passend onderwijs, waarin zij zich subregionaal verenigd hebben. Voor leerlingen 12-18 jaar van wie school van herkomst tijdelijk geen passend aanbod heeft, bieden samenwerkingsverbanden VO verschillende oplossingen. De ondersteuningsstructuur binnen de vier samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs in de regio (Delflanden, Haaglanden, Westland en Zoetermeer) kent grofweg de onderstaande indeling: Een stevige basis Een stevige basis omvat de standaarden zoals omschreven in het waarderingskader van de Onderwijsinspectie (basiskwaliteit) als de binnen de samenwerkingsverbanden gemaakte afspraken met scholen over de basisondersteuning 8. Ten aanzien van de basisondersteuning wordt van alle scholen verwacht dat zij: • • • •

Vroegtijdig onderwijs- en opvoedbehoeften bij jongeren signaleren op het gebied van taal- en rekenvaardigheden, gedrag, gezondheid en sociaal-emotionele ontwikkeling. Onderwijsprogramma’s bieden die aansluiten op deze onderwijsbehoeften, deze evalueren en waar nodig flexibel bijstellen. Preventieve ondersteuning bieden i.s.m. gemeenten/JGZ, die is gericht op inzicht en borging van welbevinden en sociale veiligheid van leerlingen. Fysieke toegankelijke schoolgebouwen hebben.

Elk van onze vier samenwerkingsverbanden monitort op eigen wijze of scholen zich houden aan de gemaakte afspraken.

Een passend aanbod van extra ondersteuning VO Het passend aanbod van extra ondersteuning kan binnen de samenwerkingsverbanden verschillen. Dit hangt samen met de doelgroep jongeren binnen een samenwerkingsverband (bv. grote stede problematiek) en de specifieke groep jongeren die een school in huis heeft. Individuele scholen en/of met elkaar samenwerkende scholen maken over het aanbod van extra ondersteuning binnen hun school/binnen een onderwijskolom afspraken met hun eigen samenwerkingsverband. Daar waar van toepassing stemt het samenwerkingsverband over dit aanbod van extra ondersteuning af met lokale en/of regionale zorgpartners. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de inzet van iemand vanuit de jeugdhulp binnen de school (gemeentelijk budget) in combinatie met de inzet van een orthopedagoog (samenwerkingsverband budget) wanneer er op een school veel jongeren zijn met zorgwekkend ziekteverzuim en daaruit voortkomende aangepaste onderwijsprogramma’s. In het ondersteuningsprofiel van de school is terug te vinden welke afspraken een school heeft gemaakt met het samenwerkingsverband over het aanbod in de extra ondersteuning. Daarnaast is in het ondersteuningsplan en in de daarbij behorende meerjarenbegroting terug te vinden welke afspraken elk samenwerkingsverband heeft gemaakt per school/schoolbestuur of alle scholen binnen het samenwerkingsverband.

Vormen van extra ondersteuning kunnen dus bijvoorbeeld zijn: • • •

Speciale klas, begeleiding in kleine groepjes of een maatwerkprogramma voor een enkele leerling Een plaatsing in het gespecialiseerd onderwijs De inzet van jeugdhulp en jeugdzorg in de school (gefinancierd door de zorg) in combinatie met een individueel of groepsgewijs onderwijsprogramma

Naast de afspraken die elk van de bestuurders van de vier samenwerkingsverbanden maakt binnen het eigen samenwerkingsverband, worden ook tussen de vier samenwerkingsverbanden afspraken gemaakt over het organiseren van een ondersteuningsaanbod dat niet binnen elk samenwerkingsverband apart kan worden aangeboden, zoals bijvoorbeeld

8 De landelijke norm voor basisondersteuning is door de vier samenwerkingsverbanden geïntegreerd in de lokale (per

samenwerkingsverband) gemaakte afspraken over wat scholen minimaal moeten bieden aan ondersteuning en welke kennis en beleid aanwezig moet zijn om die ondersteuning te realiseren. Dit is ook vastgelegd in één gemeenschappelijk opgestelde vragenset om het ondersteuningsaanbod in kaart te brengen en te kunnen monitoren.

21

het hebben van een OPDC als bovenschools ondersteuningsaanbod of een aanbod vanuit een ambulante dienst/team. De afspraken hebben dan betrekking op het gebruik kunnen/mogen maken van elkaars bovenschools georganiseerd aanbod.

Een passend aanbod van extra ondersteuning in het MBO Voor jongeren in het mbo geldt dat de mbo’s zelf verantwoordelijk zijn voor het bieden van passend onderwijs. Zo nodig maken mbo’s aanpassingen in de vorm van onderwijs en ondersteuning met behulp van de adviseurs passend onderwijs/boss-adviseurs binnen de eigen instelling. De scholen werken uiteraard vanuit de landelijke wetgeving en regionale afspraken rondom beroepsonderwijs, passend onderwijs en preventieve begeleiding. Het doel is dat iedere student een startkwalificatie behaalt en zich persoonlijk en maatschappelijk kan ontwikkelen. Mbo’s zorgen voor een brede, samenhangende aanpak voor alle studenten. Opleidingen proberen zoveel mogelijk in te spelen op de diverse achtergronden, talenten en behoeften van studenten. Studenten leren in de praktijk via stages (BPV) en krijgen begeleiding die aansluit bij hun persoonlijke situatie. Binnen de opleidingen wordt veel aandacht besteed aan beroepsvaardigheden, burgerschap en loopbaanbegeleiding. Daarbij worden themaweken, gastlessen en loopbaanactiviteiten georganiseerd om motivatie en betrokkenheid te vergroten. Een sterke begeleidingsstructuur ondersteunt in dit proces. Pedagogisch conciërges, studieloopbaanbegeleiders, BPVbegeleiders en zorgspecialisten werken samen om problemen vroegtijdig te signaleren en passende hulp te bieden.

Daarnaast zijn er school-overstijgende voorzieningen, zoals schoolmaatschappelijk werkers, loopbaanadviseurs en kansenklassen die extra ondersteuning bieden bij persoonlijke of leerproblemen. Om een kleine indicatie te geven van de uitgaven die mbo’s doen, per 1-10 2025 wordt zo’n 36,5 Fte bij ROC Mondriaan ingezet per campus. Extra inzet in de school zelf gericht op extra begeleiding of ondersteuning, zijn hier net als de voorzieningen, projecten die centraal voor het gehele ROC worden aangeboden nog niet in meegenomen.

5.3.2.1 Aanvullende afspraken jongeren met multiproblematiek Voor jongeren in het vo, waarvoor - naast inzet vanuit het swvvo, bijvoorbeeld het OPDC -, een beroep wordt gedaan op regionale voorzieningen (schoolcoaching) worden afspraken gemaakt over een gezamenlijke werkwijze. Doel is om vanuit het programma regionaal versterkend te werken, maar geen werk over te nemen of dubbel te doen. Denk aan afspraken over wie welke rol heeft wanneer vo-scholen advies vragen of behoefte hebben aan ondersteuning van docenten en klas, in het team (pedagogisch-didactisch handelen, groepsdynamiek en passend onderwijs) of aan individuele begeleiding van leerlingen (motivatie, gedrag, toekomstperspectief en/of problemen buiten school op sociaal/emotioneel gebied). Gemeenten zorgen vanuit hun wettelijke basisopdracht in vso, pro en mbo voor structurele deelname (afhankelijk van casuïstiek Leerplicht, VSV, JGZ of Jeugdhulp) aan MDO’s van ondersteuningsteams. Daarnaast versterken we regionaal de schoolse ondersteuningsstructuur met professionals vanuit het sociaal domein (zie actielijn 1.1. ‘aanvullende ondersteuning voor jongeren met multiproblematiek/behoefte aan meer specialistische aanpak’): o In het VO: regionaal vangnet waar dit meerwaarde heeft t.o.v.

de samenwerkingen die er al zijn tussen vo, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en (gemeentelijke) jeugdhulp, jgz, welzijn, ggz (bij de overgang naar 18 jaar);9 o In het mbo: inzet van professionals uit het sociaal domein meer in samenhang en op structurele basis inzetten (conform afspraken ‘mbo als werkplaats’). Voor jongeren met specifieke onderwijs- en ondersteuningsbehoeften óp de V(S)O-scholen die, ondanks alle inzet toch uit het onderwijs zijn gevallen, zorgen swvvo, mbo’s en gemeente voor begeleiding naar passend vervolgonderwijs, arbeid of dagbesteding. Het gaat hier om jongeren in de leeftijdscategorie 15+, uit de eigen of een heel andere regio (verhuisleerlingen) veelal met een PrO, VMBO, MAVO en HAVO-profiel. Deze categorie jongeren is het extra ondersteuningsaanbod dat de scholen kunnen bieden binnen de gemaakte afspraken in het kader van passend en inclusiever onderwijs, ruim voorbij. Het zijn jongeren die veelal al een langere periode niet naar schoolgaan, veel

9

Denk aan samenwerkingen met zorginstellingen en residentiele jeugdhulp voor onderwijs aan jongeren die niet naar regulier of speciaal onderwijs kunnen. Of aan de regionale coalities voor thuiszitters.

22

faalervaringen in het onderwijs hebben opgedaan, gedemotiveerd zijn geraakt voor het onderwijs, te oud zijn om teruggeleid te kunnen worden naar onderwijsprogramma’s binnen het voortgezet onderwijs. Hun begeleiding wordt georganiseerd in de vorm van een regionaal vangnet, waarin een aanbod aan onderwijs en ondersteuning beschikbaar is dat inspeelt op juist de behoeften van deze specifieke (tussen wal en schip vallende) groep. Dit regionaal vangnet is flexibel van aard en aanvullend op dat wat er nu lokaal en regionaal geboden wordt door de scholen, het samenwerkingsverband en de partners. Zie actielijn 4. Maatwerk. Ook voor jongeren die geen schoolinschrijving hebben en/of niet duurzaam werken en kwetsbaar zijn voor maatschappelijke uitval, versterken we integrale ondersteuning en organiseren we maatwerk. Zie maatregel 1.2. jongeren zonder schoolinschrijving en actielijn 4. maatwerk.

5.3.3

Kwetsbare overstapmomenten10

5.3.3.1 Afspraken overstap vo – vso – pro – vervolgonderwijs In doorstroomregio Haaglanden heeft Spirit4You een belangrijke rol bij het realiseren van soepele overgangen van voorgezet onderwijs naar vervolgonderwijs. Doel van S4Y is om de overstap naar vervolgonderwijs voor jongeren te verbeteren en scholen daarbij te ondersteunen. S4Y biedt een neutrale aanvulling op lokale of interne initiatieven vanuit scholen, zoals open dagen en voorlichtingen. De hele doorstroomregio maakt gebruik van S4Y voor: 1.

Loopbaanoriëntatie ▪ Website bekijkjetoekomst.nu ▪ Voorlichtingsgids mbo ▪ Beurzen en evenementen

2.

Monitoring overstap van vo naar mbo – en hbo ▪ Met behulp van het digitale overstapsysteem VOROC wordt relevante informatie over de leerling overgedragen aan de mbo-school van aanmelding en krijgen verantwoordelijken vanuit het vmbo een terugkoppeling van de aanmelding. o Waar nodig worden afspraken gemaakt over warme overdrachten o VOROC geeft aan scholen en gemeenten inzicht in het aanmeldproces van elke leerling/student.

3.

Samenwerken en kennisdelen ▪ Professionalisering van decanen en loopbaanbegeleiders, verknopen onderwijskolommen11 ▪ Data-analyse overstap vo-mbo-hbo: o Jaarlijks maakt Spirit4You een analyse van de overstap van vo naar mbo en naar hbo.

Voor jongeren die ongediplomeerd dreigen uit te vallen vanuit het VO en overstappen naar mbo of een alternatieve (zorg-, participatie- en/of) onderwijsroute, is behoefte aan aanvullende regionale afspraken over de verantwoordelijkheden van stamschool, gemeente en ontvangende school. Zie bijlage ‘aanwezigheidsaanpak inclusief inbreng t.a.v. art. 3b’. Voor jongeren die staan ingeschreven in vervolgonderwijs mbo, geldt dat een groot deel van hen een of meerdere keren switcht van opleiding. Dat is niet altijd problematisch, het grootste deel lijkt uit te vallen van onderwijs, maar keert binnen een jaar weer terug in een andere opleiding. Voor loopbaan oriëntatie en mogelijkheden voor flexibele instroom kunnen terecht bij de oriëntatieklas of bij BOSS/STIP.

5.3.3.2 Aanvullende afspraken vo – vso – pro – vervolgonderwijs

10 Zie bijlage 5 stroomschema’s 11

Daarbij is aandacht nodig vooractualisering van het lesaanbod en loopbaan oriëntatie passend bij Gen Z (digitale middelen, praktijkgericht) en inbouwen van meerdere stage- en oriëntatiemomenten.

23

Hoewel alle aanbod en instrumenten hierboven ook inzetbaar zijn voor jongeren vanuit vso en pro die de overstap maken naar mbo of hbo, blijkt in praktijk dat voor jongeren en scholen voor vso en pro een meer toegespitste aanpak nodig is, zowel vanuit de school van herkomst, als vanuit de ontvangende mbo’s en hbo’s. In Voroc zit nog te veel dubbel werk voor aanleverende pro- en vso-scholen. Ook voldoet dit systeem (nog) niet voor jongeren die (zonder uitstroomprofiel onderwijs) zelf melden bij het mbo. De afspraken zoals die gemaakt zijn over ieders rol bij kwetsbare overstapmomenten, vragen tevens aanpassing/versterking op het punt van reguliere switchers. Door als vo’s en mbo’s de basisvoorzieningen voor switchers te versterken, kan bij interventies in het regionaal programma meer focus liggen op jongeren die daadwerkelijk problematisch switchgedrag laten zien en dreigen langdurig uit te vallen (zie actielijn kwetsbare overstapmomenten). Voor schooljaar 2025/2026 houden we voor het gebruik van Voroc de eerder gemaakt afspraken met vso en pro scholen voor het delen van informatie aan. Daarvoor wordt Voroc gebruiksvriendelijker gemaakt gewerkt met een nieuw overgangsdocument [bijlage 4 Overgangsdocument]. Parallel wordt het huidige instrumentarium onder de loep genomen.

Scholen (aanleverend en ontvangend) zijn zelf verantwoordelijk voor het opvolgen van de afspraken over gebruik van Voroc: t.a.v. registratie en warme overdracht. Voor jongeren vanuit pro en vso geldt dat er altijd een warme overdracht is. Voor de groep jongeren die uitstroomprofiel arbeid of dagbesteding hebben, maar zich ondanks dit toch zelf melden bij mbo’s, spreken we af: zodra bij vso’s en pro’s in het kader van loopbaanbegeleiding/nazorg duidelijk wordt dat de jongere toch de stap naar het mbo heeft genomen, organiseert de vso-school van herkomst alsnog een warme overdracht met de ontvangende school, al dan niet met behulp van de overstapcoach die verbonden is aan de vso-school van herkomst. Voor niet-problematische switchers werken mbo’s, vanuit hun reguliere taken, aan meer mogelijkheden om gaandeweg het jaar gemakkelijk te starten met opleiding(scomponent)en en aan mogelijkheden voor jongeren om mee te lopen op het mbo en op die manier al meer te zien van de studie- en werkpraktijk, zodat zij zich goed kunnen voorbereiden op hun studiekeuze.

5.3.3.3 Van school naar werk en dagbesteding Scholen en gemeenten zijn verplicht om afspraken te maken over de samenwerking bij de overstap van school naar werk en de manier van overdragen van informatie wanneer jongeren aanvullend gemeentelijke ondersteuning nodig hebben. De wet schrijft voor dat scholen voor praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs tot twee jaar na uitschrijving loopbaanbegeleiding bieden aan hun leerlingen of studenten die doorstromen naar werk of dagbesteding. Voor mbo’s geldt dat zij de verplichting hebben om loopbaanbegeleiding aan te bieden aan gediplomeerde studenten tot een jaar na uitschrijving. Jongeren (tot 23 jaar) die ongediplomeerd uitstromen zonder startkwalificatie vallen onder het begeleidingsaanbod van Doorstroompunten. Dat geldt ook voor jongeren tussen 23 en 27 jaar die geen startkwalificatie hebben en geen uitkering. Als jongeren niet werken en niet naar school gaan, maar wel een uitkering hebben, dan vallen zij onder de Participatiewet (gemeenten) die tot doel heeft om jongeren tot 27 jaar aan duurzaam werk te helpen. Gemeenten hebben een taak bij de ondersteuning van de overgang naar werk voor jongeren waarvoor ondersteuning van de onderwijsinstelling of het doorstroompunt niet voldoende is. Het UWV is verantwoordelijk voor jongeren met een WW of Wajong uitkering.

5.3.3.4 Afspraken van pro en vso naar werk en dagbesteding De scholen voor Praktijkonderwijs of Voortgezet Speciaal Onderwijs dragen zelf verantwoordelijkheid voor de voortgang van de leerlingen in de periode van inschrijving op de school. Zij plaatsen zoveel mogelijk zelf hun leerlingen op werk via een plaatsingsstage. In geval van leerlingen die gaan vallen onder het doelgroepregister en richting beschut werk begeleid moeten worden, neemt de school contact op met het betreffende onderdeel van de gemeente die begeleidt naar beschut werk. Vanuit de wet van school naar duurzaam werk hebben PRO en VSO scholen een wettelijke taak tot het bieden van verlengde loopbaanbegeleiding (nazorg). Hiertoe behoort het volgen van de leerling, zodanig dat de school weet waar de leerling terecht is gekomen. Deze nazorg duurt 2 jaar voor PRO en VSO scholen. De onderwijsinspectie verstaat onder nazorg dat de school als bemiddelaar optreedt en de contacten legt met instanties die ervoor kunnen zorgen dat een

24

leerling weer aan de slag komt of in een traject komt dat leidt naar werk of opvang met als doel werk weer mogelijk te maken. Het werkgeversservicepunt (WSP) van de betreffende gemeente wordt hierbij, afhankelijk van de behoefte van de school, betrokken. Door middel van een warme overdracht, zoals bijvoorbeeld de zogenaamde casuïstiek bespreking gaat deze taak over naar de contactpersoon van de gemeente die is verbonden aan de school. Na uitstroom behouden school en gemeente gezamenlijk de verantwoordelijkheid om de jongere te volgen en zo nodig op te pakken. De leerlingen vanaf 16 jaar worden multidisciplinair, op ingerichte uitstroomtafels, besproken. Hierin komen de uitstroomprofielen en nodige aanpak per leerling aan bod en wordt afgestemd tussen de scholen en de gemeente (Leerplicht, Doorstroompunt, WSP, Werkbedrijf) om ervoor te zorgen dat er een directe aansluiting is met de dienstverlening gericht op (beschut) werk. Deze gesprekken vinden plaats aan het begin, midden en einde van het schooljaar. Iedere school en gemeente benoemt hiervoor een contactpersoon, die - op hoofdlijnen - aangesloten is op de regionale werkgeversdienstverlening en op de lokale ontwikkelingen rond WMO en Jeugdzorg. Deze contactpersoon verwijst door of zet in bij vragen rond WMO en Jeugdzorg. De hoofdtaak is het regelen van de doorstroom naar werk.

De school is verantwoordelijk voor het organiseren van de uitstroomtafels. De school houdt overzicht welke leerlingen besproken gaan worden, de behoefte van de school is daarin leidend. De praktijk- en voortgezet speciaal onderwijs scholen hebben een nazorgtaak die 2 jaar duurt na doorstroom naar werk. De voortgang van nazorg wordt tijdens de uitstroomtafels besproken om overzicht te behouden en casuïstiek te bespreken. School en gemeente organiseren een warme overdracht, zodat de leerling zo goed mogelijk begeleid wordt in de overstap naar de arbeidsmarkt. Om dit te faciliteren worden gegevens gedeeld via het overgangsdocument of overgangssysteem (VOROC). Het is wenselijk dat de leerling in het laatste schooljaar al kennis maakt met de contactpersoon van de gemeente, zodat de overstap minder spannend wordt. Overgangsdocument Om een soepele overgang van het onderwijs naar de gemeente12 te realiseren, wordt een overgangsdocument ingezet. Het Overgangsdocument is een instrument uit de wet Van school naar duurzaam werk dat de overdracht van informatie van kwetsbare jongeren van school naar de gemeente moet verbeteren. Het overgangsdocument is een verplicht document dat scholen (voor mbo, pro en vso) met toestemming van betreffende jongere verstrekken aan de gemeente wanneer zij aan de gemeente verzoeken om de begeleiding van een jongere voort te zetten na het verlaten van school.

Het doel is een betere en duurzame begeleiding naar werk voor jongeren, met name degenen die moeite hebben met de overgang naar de arbeidsmarkt. In dit document worden de samenwerkingsafspraken vastgelegd tussen de Pro en Vso scholen, en de gemeente binnen de doorstroompunt regio. Doelgroep Kwetsbare jongeren van 16 tot 27 jaar, te definiëren als jongeren: • • •

die onder het doelgroepregister (banenafspraak) vallen of tot de doelgroep beschut werk behoren (dit zijn twee elkaar uitsluitende groepen, beschutte werkplekken tellen immers niet mee voor de banenafspraak) in of vanuit het praktijkonderwijs (pro) of Voortgezet Speciaal Onderwijs of MBO Entree; oud vsv-ers, jongeren zonder startkwalificatie, die niet-uitkeringsgerechtigd (nug-ers) zijn of de NEET Jongeren (Not in Education, Employment or Training – geen onderwijs, geen werk en geen training hebben en/of volgen) en geen uitkering/voldoende inkomen hebben.

Jongeren van 12 tot 16 jaar vallen onder Leerplicht en de leerlingen met uitstroomprofiel dagbesteding of werk zijn vrijgesteld van de kwalificatieplicht (behalen startkwalificatie). Taakverdeling tussen school en gemeente De scholen voor Praktijkonderwijs of Voortgezet Speciaal Onderwijs dragen zelf verantwoordelijkheid voor de voortgang van de leerlingen in de periode van inschrijving op de school. Zij plaatsen zoveel mogelijk zelf hun leerlingen op een werkplek via een plaatsingsstage.

12 Vanaf schooljaar 2017-2018 heeft de RMC wettelijk de taak om jongeren zonder startkwalificatie en

jongeren vanuit het praktijk en speciaal onderwijs langdurig te monitoren. Hierdoor blijven alle jongeren in beeld en kunnen zij ook vroegtijdig ondersteund worden bij uitval werk en/of verlies van inkomen. 25

In geval van leerlingen die onder het doelgroepregister (banenafspraak) vallen of tot de doelgroep beschut werk behoren, neemt de school contact op met het betreffende onderdeel van de gemeente die begeleidt naar banen bij reguliere werkgevers voor mensen met een arbeidsbeperking (banenafspraak) of beschut werk voor mensen met een arbeidsbeperking. Vanuit de wet van school naar duurzaam werk hebben PRO en VSO scholen een wettelijke taak tot het bieden van verlengde loopbaanbegeleiding (nazorg). Het volgen van de leerling behoort tot de nazorg, zodanig dat de school weet waar de leerling is terechtgekomen. Deze nazorg duurt 2 jaar voor PRO en VSO scholen en 1 jaar voor MBO (Entree). De onderwijsinspectie verstaat onder nazorg dat de school als bemiddelaar optreedt en de contacten legt met instanties die ervoor kunnen zorgen dat een leerling weer aan de slag komt of in een traject komt dat leidt naar werk of opvang met als doel werk weer mogelijk te maken13. Het werkgeversservicepunt (WSP) van de betreffende gemeente wordt hier, afhankelijk van de behoefte van de school, bij betrokken. Door middel van een warme overdracht, zoals bijvoorbeeld de zogenaamde casuïstiek bespreking gaat deze taak over naar de contactpersoon van de gemeente die is verbonden aan de school.

Na uitstroom behouden school en gemeente gezamenlijk de verantwoordelijkheid om de jongere te volgen en zo nodig op te pakken. Warme overdracht School en gemeente organiseren een warme overdracht, zodat de leerling zo goed mogelijk begeleid wordt in de overstap naar de arbeidsmarkt. Om dit te faciliteren worden gegevens gedeeld via het verplichte overgangsdocument. Dit uniforme document is enigszins op de doelgroep pro/vso aangepast. We onderzoeken of dit document gekoppeld kan worden aan het systeem voor De Overstap(VOROC). Het is wenselijk dat de leerling in het laatste schooljaar al kennis maakt met de contactpersoon van de gemeente, zodat de overstap minder spannend wordt. 4 Uitstroomopties Er kan worden toegeleid: • • • •

naar regulier werk naar werk met inzet van gemeentelijke instrumenten en regelingen vanuit de instrumentengidsen Dennis en Eva naar toeleidingstrajecten van het werkbedrijf ter overbrugging van school naar betaald werk naar beschut werk

Van de leerlingen die naar deze uitstroomopties zijn overgedragen naar de gemeente geeft de gemeente jaarlijks een overzicht van de stand van zaken aan de school. Instrumentengidsen Dennis en Eva De regio beschikt over de instrumentengidsen Dennis en Eva. Dennis is de gids voor de werkgeversdienstverlening en Eva voor de werknemersdienstverlening. De gemeente/WSP bepaalt of een voorziening wordt ingezet. De school kan bij een plaatsingsstage de werkgever over deze mogelijkheden informeren. De school legt een lijntje naar de gemeente/het WSP. De accountmanager gaat in gesprek met de werkgever en zet (zo nodig) instrumenten uit de instrumentengidsen Dennis en/of Eva in. Per gemeente zijn er verschillen in het aantal kandidaten dat jaarlijks gebruik kan maken van bepaalde instrumenten. De instrumentengidsen krijgen twee keer per jaar een update, oplevering is in het voorjaar en najaar. Via het overleg Kwetsbare Jongeren kunnen deelnemers signalen over wat wel/niet werkt doorgeven. Communicatie Scholen zijn verantwoordelijk om leerlingen en ouders vroegtijdig te informeren over de verschillende uitstroomroutes en de nazorg. Na overdracht naar de gemeente is de gemeente verantwoordelijk voor de ingezette dienstverlening en/of instrumenten. Scholen en gemeenten stemmen de communicatie hierover af.

13 Samenwerking pro-mbo: entree naar de toekomst. Uitgave van Platform praktijkonderwijs 2016

26

5.3.3.5 Aanvullende afspraak van pro en vso naar werk en dagbesteding Voor het schooljaar 2025/2026 vullen vso en pro scholen ook in Voroc in waar leerlingen heen gaan wanneer zij uitstroomprofiel werk of dagbesteding hebben. Het is nog niet mogelijk in Voroc om informatie die nodig is voor de warme overdracht naar werk of dagbesteding te koppelen. In schooljaar 2025/2026 vindt onderzoek plaats hoe de digitale overstapsystemen te actualiseren naar de nieuwe eisen ten aanzien van overdracht, monitoring richting onderwijs, werk, dagbesteding. Uitstroomtafels PRO, VSO en MBO (Entree) In de regio Haaglanden op school De Leerlingen vanaf 16 jaar worden multidisciplinair, op ingerichte uitstroomtafels, besproken. Hierin komen de uitstroomprofielen en nodige aanpak per leerling aan bod en wordt afgestemd tussen de scholen en de gemeente (Leerplicht, Doorstroompunt, WSP, Werkbedrijf) om ervoor te zorgen dat er een directe aansluiting is met de dienstverlening gericht op (beschut) werk. Deze gesprekken vinden plaats aan het begin, midden en einde van het schooljaar. Iedere school en gemeente benoemt hiervoor een contactpers on, die - op hoofdlijnen - aangesloten is op de regionale werkgeversdienstverlening en op de lokale ontwikkelingen rond WMO en Jeugdzorg. Deze contactpersoon verwijst door of zet in bij voorkomende vragen rond WMO en Jeugdzorg.

De hoofdtaak is het regelen van de doorstroom naar werk. De school is verantwoordelijk voor het organiseren van de uitstroomtafels. De school houdt overzicht welke leerlingen besproken gaan worden, de behoefte van de school is daarin leidend. Nazorg (verlengde loopbaanbegeleiding) De praktijk- en voortgezet speciaal onderwijs scholen hebben een nazorgtaak die 2 jaar duurt na doorstroom naar werk. De voortgang van nazorg wordt tijdens de uitstroomtafels besproken om overzicht te behouden en casuïstiek te bespreken.

5.3.3.5 Samenwerkingsafspraken van mbo naar werk Doel Om jongeren in een kwetsbare positie hulp te bieden in de stap van school naar duurzaam werk en op deze manier te zorgen voor gelijke kansen. Wat betekent dit voor het mbo? • • • •

Mbo-instellingen moeten aanvullende loopbaanbegeleiding aanbieden, niet alleen tijdens de opleiding, maar ook na diplomering. Dit tot 1 jaar na diplomering. De focus ligt op studenten tot 27 jaar die gediplomeerd uitstromen vanuit Entree en niveau 2 en op studenten in kwetsbare posities. Het wetsvoorstel stimuleert de samenwerking tussen onderwijs, doorstroompunten en gemeenten op casusniveau en bij een regionaal programma. Er wordt structureel budget vrijgemaakt voor deze begeleiding, zodat de mbo-scholen deze taak kunnen uitvoeren.

De mbo-scholen hebben specifiek beleid opgesteld voor aanvullende loopbaanbegeleiding. Dit beleid beschrijft hoe scholen jongeren adviseren en ondersteunen bij de overgang naar vervolgonderwijs of de arbeidsmarkt. De begeleiding richt zich op een persoonlijke en vraaggerichte ondersteuning, zodat deze aansluit bij de individuele behoefte van elke jongere. Het beleid omvat zowel: • De benaderingswijze: de manier waarop het aanbod voor aanvullende loopbaanbegeleiding onder de aandacht wordt gebracht en toegankelijk wordt gemaakt voor jongeren. • De inhoud van het aanbod: de concrete ondersteuning, interventies en instrumenten die worden ingezet om een soepele overgang van school naar werk of vervolgonderwijs te bevorderen. Samenwerking tussen het MBO met gemeenten en sociale partners De dienstverlening van het MBO is gericht op het ondersteunen van deze studenten bij de overgang naar werk of een vervolgopleiding. Dit gedurende een maximale periode van een jaar. Het mbo werkt nauw samen met regiogemeenten om

27

de kans op werk voor de studenten te vergroten. In het bijgevoegde schema zijn de afspraken beschreven over overdrachtsmomenten naar het Doorstroompunt of de gemeente (dienstverlening vanuit de Participatiewet). Bij ROC Mondriaan is de begeleiding en nazorg van de studenten belegd bij “Op weg naar werk”. Bij mboRijnland is deze taak belegd bij de Adviseurs arbeidsmarkt binnen de interne zorgstructuur. Beide organisaties maken nadere werkafspraken met gemeenten over de overdracht van studenten. Als basis voor deze toelichting gaan we uit van een gediplomeerde student van ROC Mondriaan of mboRijnland, maar het schema kan ook toegepast worden door andere mbo-scholen in de regio. Overdracht De overdracht naar de gemeente vindt plaats d.m.v. een overgangsdocument. Dit document bevat informatie over de mogelijke interventies gedurende het traject bij het mbo. Alle relevante informatie m.b.t. de student en de vervolgstappen worden hierin opgenomen. Toelichting bij schema MBO – nazorg gediplomeerden Algemeen De schema’s zijn bedoeld om ketenpartners in de regio Haaglanden, die betrokken zijn bij de taken in verband met de ‘wet van school naar duurzaam werk’ inzicht te geven wanneer welke organisatie aan zet is met betrekking tot de loopbaanbegeleiding van de gediplomeerde tot 27 jaar.

De schema’s zijn een vertaling van de nazorg- en begeleidingstaken van verschillende organisaties (gemeenten, scholen, Doorstroompunt) die volgen uit de wetgeving en de afspraken die binnen de regio gemaakt zijn. Voor gediplomeerde studenten niveau 2 en overige studenten in een kwetsbare positie is het Doorstroompunt niet relevant voor de beschrijving, er is immers een startkwalificatie. De verantwoordelijkheid voor deze studenten blijft dan bij het MBO. Loopbaanbegeleiding vanuit het mbo in welke vorm dan ook, is voor jongeren van 18 jaar en ouder altijd vrijwillig. De wet schetst geen resultaatverplichting, maar alleen een inspanningsverplichting waarbij proactief een individueel aanbod voor loopbaanondersteuning of nazorg gedaan moet worden door de organisatie die de regie heeft.

Stap 1: Tijdens school/ voor diplomering Begeleiding richting duurzaam werk begint al tijdens school. Het mbo biedt studie- en loopbaanbegeleiding. Vanaf de start van de opleiding heeft ook het Doorstroompunt een rol als er sprake is van verzuim óf als er zorg is over deze studenten 14. Betrekken Doorstroompunt/gemeenten Bij sommige studenten is al tijdens hun onderwijsproces bekend dat zij structureel begeleiding nodig zullen hebben op de werkplek. In deze gevallen kan school al contact opnemen met het Doorstroompunt nog voor de jongere het diploma heeft gehaald. Het Doorstroompunt blijft de jongere monitoren totdat deze 27 jaar wordt of toch een startkwalificatie behaalt. Wanneer een student onder het doelgroepregister (banenafspraak) valt of tot de doelgroep beschut werk behoort, wordt rechtstreeks contact gezocht met de verantwoordelijke dienstverlening van de gemeente. Dat kan uitgevoerd worden door de gemeente zelf of door het werkbedrijf. Stap 2: Jongere heeft het MBO-diploma gehaald en gaat de arbeidsmarkt op Nadat de jongere het MBO-diploma heeft gehaald, ligt de regie over de loopbaanbegeleiding voor de jongere nog steeds bij school. Tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, blijft de regie gedurende één jaar na diplomering bij school liggen in de vorm van de nazorgplicht.

Die nazorgplicht van scholen betreft vormen van loopbaanondersteuning; cv opstellen, zoeken naar vacatures, beroepskeuzetesten, voorbereiding op een sollicitatiegesprek en het concreet bemiddelen naar een werkplek. Die nazorgplicht kan ook bestaan uit het monitoren en begeleiding bieden bij een jongere of werkgever van een jongere op het moment dat de jongere werk heeft gevonden. tAls de school heeft vastgesteld dat de jongere zwaardere nazorg/loopbaanbegeleiding nodig heeft dan de school kan bieden, kan school het Doorstroompunt of de gemeente vragen de regie over de begeleiding van de jongere op zich te nemen. We denken hierbij aan jongeren die kampen met complexe problematiek op meerdere leefgebieden. De overdracht gebeurt door middel van een overgangsdocument en altijd met toestemming van de jongere zelf. In de ideale situatie is er al voor diplomering contact geweest tussen het Doorstroompunt en de school over het arbeidsperspectief van deze jongere. tJongere komt in beeld bij andere instantie. Het kan zo zijn dat een jongere tot maximaal 1 jaar na diplomering in beeld komt bij een andere instantie. Bijvoorbeeld omdat zij een uitkering hebben aangevraagd en toegekend hebben gekregen bij de gemeente of het UWV. Het valt dan binnen de taken van de uitkerende instantie om de jongere passende ondersteuning te bieden. In het ideale geval neemt de uitkerende instantie,

14 Zie ook samenwerkingsafspraken Aanwezigheidsaanpak 18-/18+

28

met toestemming van de jongere, contact op met de school op het moment dat de uitkering op korte termijn gaat stoppen om de begeleiding weer over te dragen. De jongere is inburgeringsplichtig. Een mbo 1 diploma is onvoldoende om te voldoen aan de inburgeringsplicht. Jongeren die inburgeringsplichtig zijn, worden zo snel mogelijk verwezen naar Inburgering. oJongere wordt 27 binnen 1 jaar na diplomering. Als de jongere 27 jaar is geworden, stopt de nazorgplicht van de Mbo-school. In dat geval wordt de jongere verwezen naar reguliere dienstverlening. Bijvoorbeeld van het werkcentrum of de gemeente. Stap 3: Een jaar na diplomering geen/weinig werk Het is gebruikelijk dat jongeren een maand na diplomering nog geen werk hebben gevonden. Dat is ook niet erg. Als jongeren echter negen maanden na diplomering nog steeds niet aan het werk zijn, kan het zijn dat er omstandigheden zijn die hen belemmeren werk te vinden of te houden. De nazorgplicht van de school houdt 1 jaar na diplomering op. In dit geval zoekt de school, enkele maanden eerder, afstemming met het Doorstroompunt/gemeente om een warme overdracht voor te bereiden. Ook hiervoor wordt gebruik gemaakt van het overgangsdocument. Het resultaat hiervan is dat het Doorstroompunt/gemeente de loopbaanbegeleiding overneemt en dat de nazorgplicht voor de school ophoudt.

Vroegtijdige overdracht Wanneer in het begeleidingstraject blijkt dat aanvullende expertise nodig is, kan een vroegtijdige overdracht plaatsvinden. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer:

•

de jongere vóór afloop van het eerste onderwijsjaar aanvullende ondersteuning nodig heeft vanuit de gemeente of het participatiedomein;

•

de jongere zich meldt bij de gemeente, bijvoorbeeld voor een uitkering, schuldhulpverlening of re-integratie; het Doorstroompunt al betrokken is en gezamenlijke regie wenselijk is; signalen wijzen op risico’s die de voortgang of afronding van de opleiding kunnen belemmeren; de jongere in afwachting is van de start van een opleiding, bijvoorbeeld bij de BOL-variant met specifieke instroommomenten.

• •

Aanvullende afspraken praktijkleren en mbo-verklaringen Praktijkleren Er zijn binnen het mbo drie leerwegen: BOL, BBL en de derde leerweg. Binnen BOL en BBL is het onderwijs leidend. De studenten gaan naar school, lopen stage of hebben een leerbaan bij een erkend leerbedrijf. Bij scholing in de derde leerweg (of: praktijkleren in het mbo) heeft de kandidaat meestal al een inkomen via loon van de werkgever of een uitkering. Daarnaast volgt hij (een deel van) een mbo-opleiding. De scholing wordt op maat gemaakt, zodat het aansluit op de eerdere leer- en werkervaring van de kandidaat. BOL en BBL worden bekostigd door het ministerie van OCW. De derde leerweg wordt via de centrumgemeenten van de arbeidsmarktregio’s bekostigd door het ministerie van SZW. Er zijn verschillende mogelijkheden voor praktijkleren binnen het mbo. Die zijn gericht op verschillende doelen: het behalen van een diploma, het behalen van een certificaat of het behalen van een praktijkverklaring. Bij de optie die is gericht op het behalen van een diploma wordt de opleiding ingevuld op basis van eerder opgedane werkervaring of afgeronde opleiding. Bij optie diploma is het een reguliere opleiding, dus geen maatwerk zoals in de zin hiervoor staat. Bij het praktijkleren gericht op een certificaat doet de kandidaat een deel van een mbo-opleiding.

Daarbij gaat het om het leren van een afgerond takenpakket dat deel uitmaakt van een beroep. Bij het praktijkleren gericht op een praktijkverklaring gaat het ten slotte om maatwerk. Daarbij worden werkprocessen op de werkvloer in het leerbedrijf - passend bij de kandidaat en de werkgever - aangeleerd. Praktijkleren met de praktijkverklaring is bedoeld voor werkenden die (nog) niet in staat zijn om een volledige opleiding, mbo-diploma of mbo-certificaat te halen. Jongeren die uitstromen uit het praktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso) vormen een belangrijke doelgroep. Zij zijn zonder startkwalificatie kwetsbaar op de arbeidsmarkt. Via praktijkleren doen ze kennis op in de praktijk, waardoor hun kansen verbeteren. Het behalen van een praktijkverklaring wordt namelijk (h)erkend door bedrijven, brancheorganisaties en mbo-instellingen. Het om- en bijscholen via praktijkleren

29

in het mbo verbetert de directe en duurzame inzetbaarheid van werkzoekenden en werkenden op de arbeidsmarkt. Werknemers kunnen zich door praktijkleren (een leven lang) ontwikkelen. Daarnaast kan het behalen van een diploma, certificaat of praktijkverklaring zorgen voor erkenning en zelfvertrouwen. Voor praktijkleren met een praktijkverklaring heb je echter een werkgever nodig. In de praktijk zien we dat jongeren vanuit het PRO deze vaak niet hebben, deze instroom is dus minimaal. Praktijkleren biedt werkgevers de kans om nieuwe werknemers op te leiden of om eigen medewerkers bij te scholen. Werkgevers komen door praktijkleren in contact met doelgroepen die anders niet in beeld zijn. Op die manier trekken ze nieuwe medewerkers aan, of dragen ze bij aan de ontwikkeling van huidige medewerkers. Praktijkleren biedt zo grote groepen deelnemers alsnog een kans om aan te tonen wat ze in huis hebben en om te ontdekken waar zij zich nog in kunnen ontwikkelen. Te veel jongeren haken af in het reguliere onderwijs. Het gevolg is dat we talent onbenut laten, dat kunnen we ons niet veroorloven. Zeker niet in vitale sectoren waar naar de toekomst toe sprake is van een groeiend personeelstekort als gevolg van de vergrijzing. Door de komende vier jaar stevig in te zetten op praktijkleren kunnen we daar verandering in aanbrengen.

Het concept praktijkleren draagt kort gezegd bij aan de volgende maatschappelijke doelen: • een betere aansluiting van praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs op het mbo; • het terugdringen van voortijdig schoolverlaten; • een duurzaam perspectief op de arbeidsmarkt van jongeren in een kwetsbare positie; • een mogelijkheid voor bedrijven de krapte op de arbeidsmarkt tegen te gaan door actief mee te werken aan Praktijkleren in de breedste zin van te woord Mbo-verklaringen De MBO verklaring omhelst:

• •

De verklaring geeft een overzicht van de examenresultaten en onderdelen die de student wel heeft behaald.

•

De verklaring kan helpen bij het vinden van werk of bij het voortzetten van een andere opleiding.

Ook resultaten van de beroepspraktijkvorming kunnen hierin worden opgenomen, eventueel aangevuld met een praktijkverklaring van het leerbedrijf.

We zorgen ervoor dat alle mbo-instellingen standaard een mbo-verklaring afgeven. Dit geldt ook voor studenten die uitvallen en geen volledig diploma weten te behalen. Dit is een wettelijke verplichting van de mbo-instelling. Bovendien is het in het bezit zijn van een MBO verklaring voor (oud-)studenten van meerwaarde om aan te tonen welke competenties zij verworven hebben, ook als zij de opleiding slechts ten dele hebben afgerond. We moeten toewerken naar een systeem waarbij leerlingen die binnen het pro en vso in de derde leerweg onderwijs volgen, beter in beeld blijven. Alle behaalde verklaringen en certificaten moeten net als behaalde diploma's, geregistreerd worden bij/door DUO. Jongeren die niet op een pro of vso-school zitten worden ingeschreven bij een instelling die gespecialiseerd is in het verzorgen van maatwerk praktijkleren. Op dit moment is er een samenwerking met de Marlijn Academie.

5.3.3.6 Samenwerkingsafspraken Doorstroompunten en gemeenten (terugkeer) naar school en/of werk De wet van school naar duurzaam werk, vraagt nauwe samenwerking tussen het Doorstroompunt en de gemeente (participatie). De afspraken en werkwijzen die hier zijn vastgelegd, zorgen ervoor dat jongeren met (een risico op) een afstand tot de arbeidsmarkt de juiste begeleiding en ondersteuning krijgen – zowel bij de stap van school naar werk- als bij het behouden van werk wanneer (dreigende) werkloosheid aan de orde is. Doelgroep en bereikbaarheid Het Doorstroompunt richt zich op jongeren van 16 tot 27 jaar zonder startkwalificatie, die vragen hebben of ondersteuning nodig hebben op het gebied van onderwijs, werk, participatie, schulden en andere leefdomeinen. Het gaat daarbij niet alleen om jongeren die al zijn uitgevallen of problemen ervaren, maar het Doorstroompunt zet vanuit het regionaal programma ook preventief in: jongeren worden bereikt via scholen, ROC’s en in de wijk, zodat ondersteuning kan worden geboden voordat situaties escaleren en jongeren uitvallen.

30

Jongeren komen via verschillende routes in beeld bij het Doorstroompunt. Jongeren kunnen zelf contact opnemen, er kunnen meldingen worden gedaan vanuit het onderwijs, en daarnaast monitort het Doorstroompunt proactief de jongeren zonder startkwalificatie in de gemeentelijke systemen om tijdig contact te leggen wanneer zij uitvallen, hun werk stopt of er geen inkomen bekend is. Het doel is om jongeren te motiveren een opleiding te volgen, al dan niet gecombineerd met werk, zodat zij een startkwalificatie behalen en een duurzame plek op de arbeidsmarkt krijgen. Wanneer scholing niet mogelijk of gewenst is, dan is begeleiding naar werk ook een optie. Wanneer meer begeleiding nodig is, kan het re-integratieaanbod vanuit de Participatiewet ingezet worden. Afhankelijk van de inrichting van de lokale dienstverlening kan dit vanuit het Doorstroompunt plaatsvinden of er vindt een warme overdracht plaats naar participatie. Omgekeerd is het van belang dat jongeren die bij participatie in beeld komen -bijvoorbeeld via een uitkeringsaanvraag of een inlooppunt- er contact gelegd wordt met het Doorstroompunt om de ondersteuning af te stemmen. Binnen deze brede doelgroep is er specifieke aandacht voor kwetsbare jongeren die het onderwijs verlaten, met of zonder diploma en een hogere kans hebben op maatschappelijk uitval.

Extra focus ligt daarbij op nieuwkomers, leerlingen uit het praktijkonderwijs (pro) en het voortgezet speciaal onderwijs (vso), Studenten Mbo Entree en jongeren met risico op afglijden richting criminaliteit. Integraal en multidisciplinair Het Doorstroompunt onderhoudt het netwerk en het vangnet voor (dreigende) schoolverlaters en werkt vanuit een brede domeinaanpak waarin diverse expertises samenkomen. Medewerkers van het Doorstroompunt werken intensief samen met externe partners, zoals onderwijsinstellingen, maatschappelijke- en hulpverleningsorganisaties, werkgevers en het Werkbedrijf als uitvoerder van de Participatiewet.kkWerkwijze in de praktijk Jongeren krijgen één vaste contactpersoon binnen het Doorstroompunt of participatie, in de vorm van een casemanager of coach, die hen vanaf het begin begeleidt. Tijdens de intake wordt samen met de jongere het traject besproken en worden waar nodig de beschikbare gemeentelijke instrumenten ingezet, zoals sollicitatietrainingen, jobcoaching, inkomensondersteuning, kinderopvang, schulddienstverlening en begeleiding op maat. Daarbij is er ook aandacht voor de maatschappelijke context van de jongere, waaronder de gezinssituatie, financiële problemen, het sociale netwerk, eventuele schulden, verzuim of andere obstakels buiten school en werk.

Warme overdracht Bij de uitstroom uit het onderwijs, of bij plaatsing in werk, vindt altijd een warme overdracht plaats tussen de school, het Doorstroompunt en de gemeente. Tijdens dit proces wordt direct afgesproken wie het aanspreekpunt voor de jongere is of blijft. Ook wordt vastgesteld wie samen met de jongere de regie voert in het afgesproken traject, waarbij ook de wettelijke monitoringstaak van het Doorstroompunt wordt meegenomen.

Actief volgen & signaleren Jongeren worden gedurende de nazorgperiode actief gevolgd, zodat tijdig kan worden ingegrepen wanneer zich knelpunten voordoen. Bij signalen van risico’s, zoals uitval, verzuim of het verlies van een werkplek, wordt direct contact opgenomen met de jongere om te bepalen welke vervolgstappen nodig zijn. Het initiatief hiervoor ligt bij de afgesproken regiehouder, die indien nodig kan opschalen via een multidisciplinair overleg. Het Doorstroompunt kan vanuit de wettelijke taak ook het initiatief nemen om een dergelijk overleg te organiseren. De behoefte en het welbevinden van de jongere staan hierbij steeds centraal. Monitoring vindt plaats door middel van gegevensdeling zoals het verplichte overgangsdocument, de gegevens vanuit DUO en BIDN (voorheen inlichtingenbureau) en de registratie van voortgang, uitstroom, uitval en het gebruik van voorzieningen. De inzet van een gezamenlijke monitoringstool kan dit proces verder ondersteunen. Daarnaast wordt periodiek geëvalueerd (frequentie nader te bepalen), waarbij in multidisciplinair verband de resultaten en knelpunten van de aanpak worden besproken. Tot slot wordt er geleerd door trends te identificeren, trajecten te verbeteren en afspraken waar nodig bij te sturen, inclusief het aanpassen van beleid.

Multidisciplinair casuïstiekoverleg Het Doorstroompunt en de gemeente organiseren periodiek casuïstiekbesprekingen, waarbij de benodigde samenwerkingspartners worden betrokken. Het doel van deze overleggen is te voorkomen dat jongeren tussen wal en schip vallen en ervoor te zorgen dat er snel passende ondersteuning wordt ingezet. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen intern overleg binnen het Doorstroompunt en extern overleg met partners zoals jeugdhulp, Wmo, sociale zaken en onderwijs. Op deze manier wordt de samenwerking gemonitord en geborgd. Ondersteuning op maat/regie bij de jongeren De jongere wordt actief betrokken bij het opstellen van het begeleidingsplan, zodat de ondersteuning goed aansluit bij de persoonlijke situatie en behoeften. Er wordt maatwerk geboden, bijvoorbeeld in de vorm van extra coaching, scholing, werkplekbegeleiding of financiële ondersteuning. De continuïteit van het traject wordt daarbij zorgvuldig bewaakt; ook bij een wisseling van casemanager loopt het plan ononderbroken door en vindt een zorgvuldige overdracht plaats. De casemanager ziet erop toe dat de trajecten in lijn blijven met de duurzame werkdoelen zoals vastgelegd in de nieuwe wet.

31

Rollen en verantwoordelijkheden De Doorstroompunten dragen verantwoordelijkheid voor een aantal kerntaken. Zij registeren nieuwe voortijdig schoolverlaters, benaderen en begeleiden jongeren zonder startkwalificatie naar onderwijs, werk of zorg. Ze plaatsen jongeren op leer(werk)trajecten of dragen ze warm over naar een passende dienstverlening of zorg. De taak omvat het actief in beeld houden van voortijdig schoolverlaters (nieuw en oud) en kwetsbare jongeren pro/vso/Entree en het coördineren van de hulp door samenwerking met scholen en gemeenten, inclusief het faciliteren van gegevensuitwisseling. Gemeenten hebben daarnaast hun eigen verantwoordelijkheden. Zij dragen zorg voor de begeleiding binnen het nazorgtraject en zetten werkgeversarrangementen in, met name voor jongeren die (nog) niet direct geplaatst kunnen worden bij een reguliere werkgever. Bij het signaleren van risico’s nemen gemeenten het initiatief om integrale en multidisciplinaire samenwerking op te starten. Bovendien zijn zij verantwoordelijk voor de begeleiding van specifieke doelgroepen.

6 Actielijnen en aanvullende maatregelen vanuit het Regionaal programma Op basis van de zeven inhoudelijk hoofdlijnen uit de contourennota15, zijn vier actielijnen opgesteld: 1. Aanvullende ondersteuning voor jongeren die behoefte hebben aan gerichte begeleiding of een gespecialiseerde aanpak op het snijvlak van zorg, welzijn en multiproblematiek 2. Borgen en versterking kwetsbare overstapmomenten 3. Professionalisering en kennisdeling integraal werken 4. Maatwerkonderwijs op het snijvlak school, arbeidsparticipatie, praktijkleren en eventueel zorg. Voor de maatregelen die onder deze actielijnen vallen en bekostigd worden (of cofinanciering krijgen) vanuit het regionaal programma, gelden de volgende uitgangspunten: • Bouw vooral voort op wat er al is en wat goed werkt: • Streef naar eenvoud: liever geen nieuwe interventies, maar goed werkende aanpakken versterken en opschalen; • Maatregelen zijn tenminste toegankelijk voor alle jongeren die schoolgaand en/of woonachtig zijn in de doorstroomregio, ongeacht in welke gemeente zij wonen, zodat elke jongere gelijke toegang heeft tot ondersteuning en ontwikkelkansen16 • Door het ‘wat’ en het ‘hoe’ te scheiden behouden we ruimte voor lokale context, locatie gebonden invulling en differentiatie.

Verantwoordelijkheden en reikwijdte van ondersteuning De ondersteuning die vanuit de reguliere taken van scholen wordt aangeboden — zoals eerste- en tweedelijnsondersteuning — wordt altijd uitgevoerd, ongeacht de woonplaats of leeftijd van de jongere. Voor de uitvoering van wettelijke taken van het Doorstroompunt en de gemeenten (zoals participatie, jeugdhulp, wmoondersteuning) is de geldende wetgeving leidend. In deze wetgeving zijn taken vastgelegd die woonplaatsafhankelijk zijn, zoals de handhaving van de leerplicht voor jongeren onder de 18 jaar, het aanvragen van een uitkering en het verstrekken van jeugdhulp. Voor gemeentelijke taken die door of op een onderwijsinstelling worden uitgevoerd vanuit een gezamenlijk regionaal budget, geldt dat de (toekomstige) interventies beschikbaar zijn voor alle jongeren in onze regio die naar school gaan, werken of werk zoeken — ongeacht de woonplaats, de omvang van de gemeente of het type school/mbo, en ongeacht of de jongere 18- of 18+ is.

15 Inhoudelijke hoofdlijnen contourenmemo oktober 2024: 1. Bevorderen schoolaanwezigheid; 2. Borgen en versterken

kwetsbare overstapmomenten - pro, vso, vo, mbo - onderwijs en werk; 3. Aanbieden van onderwijs en werk op maat: pro, vso, vo, mbo, sociaal domein, werkgevers; 4. Inregelen van hulp op school/(beschermde/beschutte) stage/ werkplek; 5. Ondersteuning voor jongeren die momenteel niet naar school of werk gaan en/of kunnen; 6. Integrale begeleiding en ondersteuning (met in achtneming van de BIG 5, Support, School en werk, Inkomen, Wonen, Welzijn (The Big Five – JONG doet mee!); 7. Professionalisering school- en sociaal domein breed samen organiseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16414920/1