RIS324218 Bijlage onderbouwing en tekeningen Oude Middenweg 12 en 14
Tekst van het document
Nota Duurzaamheid Schone energie in een groene stad (maart 2019) Den Haag groeit met ongeveer 5.000 inwoners per jaar, naar meer dan 600.000 inwoners over 20 jaar. Die groei gebeurt binnen de huidige grenzen van de stad. Dit vraagt om een stedelijk ontwerp waarbij meer goede woningen, snelle mobiliteit en groen in de stad op een hoogwaardige manier worden gecombineerd. Tegelijk wil Den Haag in de hele stad de overgang naar schone energie maken, vooruitlopen op de gevolgen van klimaatverandering en efficiënter met grondstoffen omgaan. Al deze ontwikkelingen zijn onvermijdelijk en noodzakelijk. De energietransitie brengt veel in beweging en leidt tot veranderingen in de samenleving. Dit biedt kansen voor nieuwe technieken, samenwerkingen, voor de Haagse economie en werkgelegenheid. De verdichting van de stad biedt schaalvoordelen voor mobiliteit, voor energiemaatregelen, voor de kwaliteit van de leefomgeving en voor de manier waarop de stad met grondstoffen omgaat. ‘Duurzame ontwikkeling komt tegemoet aan de behoeften van nu, zonder toekomstige generaties mogelijkheden te ontnemen om in hun behoeften te voorzien.’ Zo staat de Haagse ambitie omschreven in het VN-rapport Our Common Future. Dit rapport is al 30 jaar oud, maar is ook actueler dan ooit. De definitie kan echter ook abstract klinken.
De gemeente Den Haag maakt duurzame ontwikkeling hanteerbaar door te richten op vier thema's: de overgang naar schone energie, een aantrekkelijke leefomgeving, schone mobiliteit en het hergebruik van grondstoffen. Energiebeleid in Agenda Ruimte voor de Stad
46 De ontwikkeling naar een nieuwe circulaire economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en ruimte voor maatschappelijk initiatief zijn bij uitstek kansen voor het thema duurzaamheid. De gemeente Den Haag hanteert de Trias energetica; energie besparen, energie duurzaam opwekken en een restant overblijvende energiebehoefte zo duurzaam mogelijk voorzien. De ambitie van Den Haag is om is 2040 Klimaatneutraal zijn. Daartoe zullen tot 2023 25.000 á 30.000 woningen en 5.000 bedrijfspanden klimaatneutraal gemaakt moeten worden. Voor alle wijken van de stad zullen op termijn een eindbeeld geschetst worden hoe klimaatneutraal er voor die wijken uit kan zien. In drie gebieden van de stad zal de gemeente het voortouw nemen. In een zevental andere wijken nemen Duurzaam Den Haag en verenigde bewoners het initiatief. Om in bestaande wijken het aardgasgebruik uit te faseren tot 2040 zullen alle natuurlijke investeringsmomenten in vastgoed en de openbare ruimte benut moeten worden om de duurzame energieinfrastructuur op tijd mogelijk te maken. De keuze welke maatregelen voor de hand liggen zal de komende jaren vorm krijgen. Grofweg zijn er enkele varianten. Een all electric wijk, een collectieve warmtewijk of een mix hiervan.
Vooral in all electric wijken zal het elektranet verzwaard moeten worden en zijn mogelijk extra onderstations nodig. In ieder geval zullen gecombineerde ingrepen in de openbare ruimte voor de hand liggen. Bij een verdergaande elektrificatie van de mobiliteitsvloot zal het beroep op het elektranet tijdelijk vergroot worden en zullen accu's meer voor opslag van stroom gebruikt gaan worden om het net niet onnodig te belasten. Mochten er zich kansen voor transformatie voordoen zijn de hieronder genoemde punten vanuit Agenda Ruimte voor de Stad onder andere leidend voor het opstellen van een Programmatisch Uitwerkingskader. • Bij vergroenen ligt de focus op de groene buitenruimte (kust), ontmoeting, klimaatbestendigheid. Het gaat hier bijvoorbeeld om het vergroenen op gebouwniveau door middel van groene daken en verticale (gevel) tuinen, het vergroenen van bedrijventerreinen, het vergroten van soortendiversiteit, het zorgen voor voldoende waterberging en het gebruik maken van een multifunctionele inrichting. • Bij verduurzamen ligt de focus op duurzame mobiliteit, energie en flexibiliteit. Voorbeelden hiervan zijn gasloos bouwen, het gebruik maken van collectieve warmtenetten en aandacht besteden aan het oriënteren van nieuwbouw op de zon.
• Bij ontsluiting legt de Agenda Ruimte voor de Stad de focus onder andere bij het parkeren, het bevorderen van langzaam verkeer fiets- en wandelpaden om autoverkeer te beperken, de detaillering van de stedelijke ruimte voor fietsers en voetgangers (beleving en comfort) en de scheiding van doorgaande autoroutes en 'luwe' langzaam verkeerroutes. Ook wordt er gestreefd naar het integreren van sportvoorzieningen in de openbare ruimte (kustlandschap, landgoederen en naar veilige verbindingen tussen onderwijs-, spel- en sportvoorzieningen. Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig Het klimaat wereldwijd en in Nederland is de afgelopen decennia al merkbaar veranderd. De scenario’s van het VN Klimaatpanel (IPCC) en het KNMI geven aan dat deze trends de komende decennia zullen versnellen. Natuurlijk wordt er mondiaal, én in Den Haag, hard gewerkt om de broeikasgasemissies te beperken en daarmee klimaatverandering af te remmen. In Den Haag worden stappen gezet om minder energie te verbruiken en de energie die verbruikt wordt steeds schoner te maken. Ondanks alle wereldwijde en lokale inspanningen om klimaatverandering tegen te gaan zullen de gevolgen van klimaatverandering steeds merkbaarder worden. Door extreme neerslag, hitte en droogte kan veel overlast en financiële schade ontstaan. Ook kan hitte leiden tot een toename van sterfte bij kwetsbare groepen zoals ouderen.
47 Vanwege deze redenen wordt er hard gewerkt om de stad klimaatbestendiger en leefbaarder te maken. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft Den Haag in 2012 een Uitvoeringsplan Klimaatbestendig gelanceerd. Sindsdien is ingezet op grote projecten voor kustveiligheid en waterberging aan de rand van de stad, op voorbeeldprojecten in de stad en op kennisontwikkeling. Al deze projecten maken de stad niet alleen klimaatbestendiger, maar ook leefbaarder. Ook zijn er talrijke particuliere initiatieven in de stad. De opgave voor de komende decennia is om de bestaande en nieuwe stad klimaatbestendiger in te richten tegen extreme neerslag, hitte en droogte. Wat daarvoor nog ontbreekt zijn criteria voor klimaatbestendige inrichting en een gezamenlijke aanpak om de stad klimaatbestendig en waterrobuust te maken. De Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig biedt daar antwoord op. Hierin zijn de uitdagingen beschreven en ambities en eisen opgesteld voor een klimaatbestendige inrichting. 4.13.2 Onderzoek en conclusie Bij het plan wordt waar mogelijk ingezet op een zo duurzaam mogelijk gebouw.
Er wordt aangesloten bij de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig, door het meenemen van de volgende maatregelen: Toepassing van struiken en groen; Waterberging nabij stallinggarage met een groen dak; Loggia als toepassing voor de buitenruimte van de woning; beschaduwde zitplek; Toepassing van gevelmetselwerk alleen ter plaatse van vloerranden (ca. 20% van het geveloppervlak); overige dichte gevelvlakken voorzien van gevelbeplanting. Reducering van de massa. De warmte-, koude en warmtapwaterbereiding wordt per appartement verzorgd door individuele water (brine)water warmtepompen, welke aangesloten worden op centraal aangebrachte (collectieve) gesloten bronnen. De appartementen worden gebalanceerd geventileerd, met een per appartement aangebrachte balansbox met HR warmteterugwinning en een CO2 zone regeling. De ontwikkeling zal dus in ieder geval voldoen aan de wettelijke vereisten. Daarnaast wordt waar mogelijk verder gegaan dan de wettelijke verplichtingen. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de gestelde duurzaamheidskaders.
4.14 Bezonning en windklimaat 4.14.1 Kader Onderdeel van de toetsing voor stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor windhinder en bezonning gehanteerd. Voor wat betreft bezonning dient het Haags bezonningsbeleid in acht te worden genomen. De gemeente Den Haag baseert zich in haar bezonningsbeleid op de TNO-norm. De gemeente wijkt af van de lichte TNO-norm. In de Haagse norm is de bezonning van gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen. Van windhinder is sprake als gedurende een te groot aantal uren per jaar een bepaalde windsnelheid wordt overschreden. Dit treedt op rond hoge gebouwen wanneer er sprake is verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk maken. In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder. Over het algemeen wordt gesteld dat voor gebouwen hoger dan 30 meter windonderzoek noodzakelijk is. De gemeente Den Haag sluit zich wat betreft beleid ten aanzien van windhinder aan op de NEN 8100. 4.14.2 Onderzoek Bezonning
48 Voor het plangebied is een onderzoek uitgevoerd naar bezonning (bijlage 7) en bijbehorende schaduwwerking van de toekomstige bebouwing op de omgeving van het plangebied. Uit het onderzoek blijkt alle omliggende woningen meer dan 2 uur zon per dag behouden, conform het Haagse Bezonningbeleid. Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Overige belemmeringen zoals planologisch relevante leidingen zijn niet gelegen binnen het plangebied. Windhinder Door DGMR is een onderzoek uitgevoerd naar het veranderende windklimaat door de realisatie van het appartementengebouw. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 11 bij deze onderbouwing. Uit het onderzoek blijkt dat er in de huidige en toekomstige situatie geen sprake is van windgevaar. Het windklimaat in de toekomstige situatie zal rond de nieuwbouw goed zijn. Het windklimaat bij de entrees is goed. Ook is er sprake van een goed windklimaat in de tuinen en de balkons van de Kampioensingel. Er zijn geen maatregelen noodzakelijk om het windklimaat te verbeteren. 4.14.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op het gebied van bezonning en windklimaat. Vanuit deze aspecten is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.15 Gezondheid 4.15.1 Kader In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Binnen het aspect gezondheid kan onderscheid worden gemaakt tussen gezondheidsbevordering en gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering is gericht op het bevorderen van een gezonde leefstijl en een gezonde sociale en fysieke omgeving. Gezondheidsbescherming richt zich op bescherming van de bevolking tegen gezondheidsbedreigende factoren. 4.15.2 Onderzoek en conclusie Het realiseren van een gezonde woonomgeving vormt een belangrijk uitgangspunt voor het plan. De gezondheidsbedreigende factoren komen voornamelijk terug in de verschillende (milieu)aspecten en de instructieregels die hierover zijn gesteld in de AMvB’s. Deze zijn reeds beschreven en getoetst in de voorgaande paragrafen. Wat betreft gezondheidsbevordering dragen de toekomstige woningen dragen op verschillende manieren bij aan gezond en comfortabel wonen.
Ten eerste worden zo veel mogelijk gezonde materialen gebruikt. Wonen in woningen met zulke materialen is gezonder en verkleint de kans op gezondheidsproblemen als allergieën, hoofdpijn en verkoudheid. Daarnaast zal in de woningen sprake zijn van goede ventilatie, wat zorgt voor gezonde, prettige en comfortabele woningen. Ten derde zal in de woningen de verwarming en koeling zeer efficiënt zijn en snel reageren, waardoor de bewoner snel in staat is de temperatuur in huis op het gewenste niveau te krijgen. Bewoners hebben vanuit de woning zicht op groen, wat een positief effect heeft op de mentale gezondheid. Met het ontwerp van zowel de woningen als de openbare ruimte wordt aandacht besteed aan het tegengaan van
49 hittestress. Tot slot wordt aandacht besteed aan een gezond leefklimaat, in het bijzonder met het oog op geluid. Paragraaf 4.4 gaat uitgebreider op het aspect geluid in. Vanuit het oog van gezondheid is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5 Maatschappelijke en financiële haalbaarheid 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het proces om te komen tot deze woningbouwontwikkeling zijn belanghebbenden op verschillende momenten en manieren betrokken. Bewoners Gedurende de planvorming zijn er nieuwsbrieven verstuurd naar de omwonenden om hen op de hoogte te houden van de voortgang van het project. Tevens is er een inloopavond georganiseerd. De belangrijkste uitkomsten en vragen uit deze sessie zijn samengevat in de nieuwsbrief die als bijlage 12 bij deze onderbouwing is opgenomen. Belangen andere bestuurslagen Het concept van deze onderbouwing is aan andere bestuursorganen en overlegpartners toegezonden voor een reactie. De opmerkingen van de overlegpartners zijn verwerkt en/of worden meegenomen in de nadere planuitwerking.
50
5.2
Financiële uitvoerbaarheid In de voorbereidende fase van een BOPA moeten het bevoegd gezag en de initiatiefnemer aandacht besteden aan het verzekeren van de financiële uitvoerbaarheid van de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd. Het uitgangspunt is dat medewerking aan een BOPA alleen aan de orde is als de activiteiten waarvoor vergunning verleend wordt, niet financieel onuitvoerbaar zijn. Het aspect van kostenverhaal speelt daarbij een rol. Met het plan is sprake van een kostenverhaalsplichtige activiteit, namelijk de bouw van gebouwen met een woonfunctie. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten. Met deze overeenkomst is er in het kostenverhaal voorzien. Daardoor is het opstellen van kostenverhaalsvoorschriften is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
Er
Eui
BIJLAGEN
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12:
Quickscan beschermde planten- en diersoorten, B.V., januari 2022 Watertoets, Stijlgroep, 10 november 2023 Aanmeldnotitie mer-beoordeling, juli 2025 Akoestisch onderzoek, 3 juli 2025 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek, ABO Milieuconsult, 17 juni 2022 Stikstofdepositie-onderzoek, 14 januari 2025 Bezonningsstudie Onderzoek omgevingsveiligheid, 30 december 2024 Advisering Externe Veiligheid, Veiligheidsregio Haaglanden, 22 oktober 2019 Verkeerskundige toetsing, Mobycon, 29 november 2023 Windhinderonderzoek, DGMR, 18 juni 2024 Nieuwsbrief / participatieverslag, 2D Vastgoed, 22 september 2022
Bijlage 1 Quickscan beschermde planten- en diersoorten,
B.V., januari 2022
Adviesbureau B V.
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN OUDE MIDDENWEG 12-14 TE LEIDSCHEVEEN
„omamamsacamm
-----
- -g
"8
•1»
r he
ge aër
wbhnadaokms.
aa mabrawMdsm-emim---
.3 -r
- ■ - - ■■.. . caemsnanua I“S•
(1
*28,7
ë 7 ”
Hl|l — El
""03
^**1"
m aej
Eindrapport
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN OUDE MIDDENWEG 12-14 TE LEIDSCHEVEEN
rapportnummer 2021.4006 januari 2022 In opdracht van: 2d vastgoed Minstreelstraat 73 3051 PJ Rotterdam
B.V.
Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Utrechtseweg 120, 6871 DV Renkum info@
©
BV, Renkum, 2022.
Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN .............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 5 1.4 OPBOUW RAPPORT ................................................................................................................................... 5
2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ............................................................................................... 6 2.1 WET NATUURBESCHERMING ...................................................................................................................... 6 2.2 RODE LIJST............................................................................................................................................... 6
3. METHODE........................................................................................................................................................... 8
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING ...................................................................................... 9 4.1 FLORA ...................................................................................................................................................... 9 4.2 VLEERMUIZEN ........................................................................................................................................... 9 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN.............................................................................................................................. 9 4.4 BROEDVOGELS ....................................................................................................................................... 10 4.5 AMFIBIEËN .............................................................................................................................................. 10 4.6 VISSEN ................................................................................................................................................... 10 4.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 10 4.8 OVERIGE ................................................................................................................................................ 12
5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE .................................................................................................................... 13
GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 14
BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 15 1. PLANGEBIED ......................................................................................................................................... 16 2. BEGRIPPEN ........................................................................................................................................... 17 3. VOORWAARDEN ................................................................................................................................... 19
1
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
1. INLEIDING
1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen (zie figuur 1 voor de globale ligging en bijlage 1 voor de exacte ligging en begrenzing van het plangebied). De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan B.V. uit Renkum gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd.
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen.
1.2 Het plangebied en de plannen Aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen is een zijn een tweetal vrijstaande woningen met rondom tuin gelegen. Bij nummer 12 is een klein bijgebouw en uitbouw naar het zuidwesten. Rondom de woningen is bestrating en cultuurgroen gelegen. Het initiatief bestaat uit de sloop van de opstallen, het bouwrijp maken van het plangebied en de realisatie en gebruik van woningbouw. In en direct rond het plangebied ontbreekt het aan oppervlaktewater. In figuur 2 wordt een beeld gegeven van het plangebied op dinsdag 21 december 2021.
2
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
Figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen.
3
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen.
4
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. 1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie?
1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten (hoofdstuk 4). - Een beoordeling van de effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 5). In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen. In bijlage 3 worden de voorwaarden van het onderzoek weergegeven.
5
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.2) beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).
De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn: in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Zuid-Holland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat.
2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten zijn eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van
6
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022 instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.
7
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
3. METHODE
Op dinsdag 21 december 2021 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving dat gelegen is aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Gedurende dit bezoek is het gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Voor het vaststellen van deze ecotopen en sporen is een ladder gebruikt. Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen.
Figuur 3. Onderzoek met ladder aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen.
8
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING
4.1 Flora Het plangebied aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen is volledig in cultuur gebracht. Gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 21 december 2021 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld (in of direct rond het plangebied). Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten.
4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan volledig worden uitgesloten. In de optallen zijn geen geschikte openingen vastgesteld waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het ontbreekt aan geschikte openingen in muren en dak. In de muren en het dak ontbreekt het aan geschikte gaten waarin vleermuizen zich kunnen ophouden. Onder de dakgoot zijn wel openstootvoegen, maar deze zijn niet toegankelijk als gevolg van de aanwezigheid van bijenbekjes. De opstallen aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen worden gesloopt. De opstallen zijn geen onderdeel in een essentieel lijnvormig landschapselement. Woningbouw is voorzien waarop vleermuizen zich kunnen blijven oriënteren. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve landschapselementen waardoor er ook voldoende alternatieve oriëntatiemogelijkheden zijn voor vleermuizen. Negatieve effecten op vlieg- en migratieroutes worden derhalve uitgesloten.
Met de realisatie van de plannen gaan geen doorgaande landschapselementen verloren voor vleermuizen. De school wordt behouden waardoor vleermuizen zich kunnen blijven oriënteren. Daarnaast zijn er voldoende alternatieve landschapselementen in de omgeving. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er gewone dwergvleermuis en laatvlieger als gevolg van de aanwezige ecotopen (verhardingen). Het plangebied is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve foerageerplaatsen aanwezig. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten.
4.3 Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt het de aanwezigheid van overige zoogdieren uitgesloten.
9
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022 Voor steenmarter is het plangebied geen leefgebied omdat er geen sporen zijn vastgesteld gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 21 december 2021. Daarnaast ontbreekt het aan geschikte gaten en openingen waarin de steenmarter kan verblijven. In de omgeving komen mogelijk bosmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland.
4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 21 december 2021 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. De opstallen aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen bezitten geen geschikte mogelijkheden voor vogels om in te verblijven. Voor huismus zijn er geen geschikte nestelmogelijkheden omdat de dakpannen bij de dakgoot dicht zitten. Huismus en sporen van de huismus zijn ook niet vastgesteld in en in de directe omgeving van het plangebied. Voor gierzwaluw ontbreken geschikte openingen in muren en dak. In de muren ontbreekt het aan gaten waarin mussen en gierzwaluwen kunnen nestelen. Negatieve effecten op nesten en eieren van gebouwbewonende vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. Rond de opstallen kunnen algemene broedvogels broeden zoals roodborst en merel in het opgaand groen. In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.
4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) kan de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën volledig worden uitgesloten in het plangebied aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. In de tuin rond de opstallen komen mogelijk gewone pad en bruine kikker voor. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland.
4.6 Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in en direct rond het plangebied aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten.
4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen en de verspreiding van reptielen, kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen worden derhalve uitgesloten.
10
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
Figuur 3. Niet geschikte daken voor nestplaatsen van vogels en verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aan de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen.
11
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen. Negatieve effecten op overige beschermde diersoorten worden derhalve uitgesloten.
12
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE
Er is het voornemen voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Voorzien is de sloop van de opstallen om woningbouw te kunnen realiseren en gebruiken. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde amfibieën en zoogdieren aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland. Het voorkomen en negatieve effecten op broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen en verblijfplaatsen van vleermuizen wordt uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde soorten kan tevens worden uitgesloten.
Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de ruimtelijke ontwikkeling van de Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden.
13
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Oude Middenweg 12-14 te Leidscheveen. Eindrapport januari 2022
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Literatuur Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348. Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476. EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368. Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584. Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, Overijssel, 1-260. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84. SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels. Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151. Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.
Website www.ravon.nl www.waarneming.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.zoogdiervereniging.nl www.netwerkecologischemonitoring.nl www.verspreidingsatlas.nl
14
Renkum
BIJLAGEN
1. PLANGEBIED
2. BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.
Verblijfplaats
Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).
Vliegroute
Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.
Voorbijvliegend
Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.
Zwermen
Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.
Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap
(hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.
3. VOORWAARDEN
BV (ingeschreven in het handelsregister onder nummer 09110429) richt zich op de inventarisatie van natuur- en landschapswaarden en de eventuele effecten van plannen of projecten op deze waarden. Vaak wordt daarom getoetst aan de geldende wet- en regelgeving. Dieren en planten kunnen zich vestigen na onderzoek en ook is er een mogelijkheid, dat ondanks onderzoek dieren zich verborgen houden of dat planten niet zijn opgekomen in een bepaald jaar doordat het bijvoorbeeld een droog of koud voorjaar is. Ook komt het zeer soms voor dat wilde dieren zich anders gedragen in bepaalde situaties zoals op plaatsen waar veel mensen komen, waar veel geluid is of veel lichtverstrooiing. Daarom heeft BV een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting bij inventarisaties. BV is niet aansprakelijk voor het zich verborgen houden, nadien vestigen of verplaatsen van soorten. Zoals bovenstaand weergegeven wordt getoetst aan de geldende wet- en regelgeving. Een plan of project BV. De geldende interpretatie van de wet- en wordt met de grootste zorg getoetst door regelgeving is aan verandering onderhevig en sinds de decentralisatie van bevoegde gezagen treden er ook BV is niet verantwoordelijk voor veranderde interpretatie van regionale verschillen op. de wet- en regelgeving.
Na verrichtte werkzaamheden worden projecten soms overgedragen of wordt er op een andere manier invulling gegeven aan de uitvoering. BV is niet aansprakelijk voor gevolgschade, of schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens afkomstig van BV. De opdrachtgever vrijwaart BV voor aansprakelijkheid van derden als gevolg van deze toepassingen. Omdat dieren en planten zich verplaatsen, zich kunnen vestigen na onderzoek en de geldende interpretatie van wet- en regelgeving aan verandering onderhevig is, is een onderzoek twee jaar geldig. Na twee jaar dient een onderzoek en/of advies geactualiseerd te worden. De opdrachtgever is hiervoor zelf verantwoordelijk. De interpretatie van wet- en regelging kan zijn gewijzigd na advies, de situatie kan veranderd zijn en daarnaast dient voldaan te worden aan de Zorgplicht van bijvoorbeeld de Wet natuurbescherming. Tijdig maar in ieder geval voorafgaand van start van eventueel fysieke werkzaamheden dient de initiatiefnemer / uitvoerder zich daarom opnieuw op de hoogte te stellen van eventueel aanwezige natuur- en landschapswaarden in en rond een plangebied en hoe hiermee moet worden omgegaan. Voor uitvoer dienen natuur- en landschapswaarden en eventueel gewijzigde situaties in kaart gebracht te worden en dient nagegaan te worden hoe hiermee moet worden omgegaan.
BV is niet aansprakelijk voor indirecte en/of gevolgschade, waaronder mede wordt verstaan gederfde winst en schade als gevolg van bedrijfstagnatie. Inzake schadevergoeding geldt bij een toerekenbare tekortkoming van aansprakelijkheidsbedrag van maximaal drie maal de opdrachtwaarde.
BV een
Adviesbureau
Telefoon
wmwdhtrremmam" -■
d .
ime--
I 1205
wtmuaüü-dsu
:
AVe
•1»
MAmufegsj
" - . !22
......... .. - J r. —
pomauczcaomowbsdememhhmdims--a—- —-on—--es
.
•a"
info@
ca a •
gsm ■ m m
e)e(•
t TeeUmw" "—ev "TTTKETTGesde" . . M«EA4* 4 !
ï
r
Hik war
Bijlage 2 Watertoets, Stijlgroep, 10 november 2023
&
F
E
4
*
aege
—aa" JA da. □
T HuritE ■
#
“Hügkam . es
"
afis
MMep
ë 12-.
MCs
am% ■ o bp Eg 4em.
acEFe- “*k.
A Ame
S4,3 Mgde 9 , dom J
3
"NE
ehs
2*5
2
* s T
“ %4 3 l
A ëè aa —« Em.E : •” eo
m7
usMTGadtl.
gkah I I 1
a
»"N
, g
I
.
1a J -■ m=
- 963 (
Sa «F *,
■
°
eeu
"382,
ë,ë
c,.
__
*■
‘ h-h
1,
*1
*L
"Chdh
a . -
»
2
' <a X
I
WATERTOETS
OUDE MIDDENWEG - LEIDSCHENVEEN
10 NOVEMBER 2023 52133
ËHJ1EI roe landscape and urban
design
4
INLEIDING Wateropgave De wateropgave bestaat enerzijds uit het voorkomen van wateroverlast vanuit het oppervlaktewater door het compenseren van toenemende verharding en klimaateffecten. Voor het bepalen van de watercompensatie dient de watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland ingevuld te worden. Uit de watersleutel volgt een wateropgave van in totaal 127 m3. Anderzijds dient ten aanzien van klimaatadaptatie voldaan te worden aan de eisen voor het vasthouden van hemelwater, zoals verwoord in de “Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig”. Dit is voornamelijk gericht op het voorkomen van hemelwateroverlast. Bij nieuwbouw geldt de eis dat er 50 mm van een korte hevige bui van 70 mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen. Op basis van een totaal nieuw te realiseren verhard oppervlak van 2.156 m2 (uitgaande van volledig verhard) volgt een wateropgave van in totaal 108 m3. De grootste opgave van 127 m3 is maatgevend voor de te nemen maatregelen.
Watervergunning Voor het uitvoeren van de te nemen watercompensatiemaatregelen blijkt volgens de Algemene regels behorende bij de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland geen vergunning noodzakelijk, maar volstaat een melding (zie Hoofdstuk 3, par. 3.1.).
0123124345ÿ37815
9
ÿ !"#$!% !$ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ /!0!!1ÿ3%"#4"ÿ45!"ÿ6!1"788!9ÿ544"ÿ4!$73: 791;ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ /$%0!ÿ5<=!#ÿ795%$$!9;ÿ>"%<ÿ5!"54$1!9#ÿ48ÿ%8? !; ÿ ÿ ÿ ÿ BCDEFGHIJJKÿLÿDKMGNCOEPOIQ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ RS-S-.+.T ÿÿ UVWFÿXOWWFIYFQ ÿ ÿ [FOWMGNFIPFFI ÿ ÿ ÿ RZÿR+Sÿ+ÿ+ÿSS ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ \JHFCM]MHFFK ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ^_àbcde_bfbg ÿ hFWOIQFCiCDFjkDlWFC ÿ ÿ rstu ÿ ÿ ÿ mbgnnòn^nopqbpq ggdbqgnn` zBzr{{|[}~ÿ~ ÿ ÿ ÿ ^bp̀mbepba vwwxy ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ UkkFCPlJjHFPFCWFlOIQÿklJIQFiOFW ÿ ~~z hU}UXh~z ÿ ÿ ''* ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ bcncaÿpcnqcdebe_pm g us |u ÿ ÿ ÿ _bcncaÿqbabp̀ g u| ÿ ÿ (¡(*)¢£ÿ¡)¤*¥¦§¤¨ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ bcncaÿmǹmbepba g { { ÿ ÿ ÿ _bcncaÿmǹmbepba g { { ÿ ÿ ÿ (¡(*)¢£ÿ(¡)©ÿ¡'(¦§¤¨©ÿ¥¡¤¤( ÿ ÿÿ ÿ bcncaÿǹabp̀ g ÿ { { ÿ ÿ ÿ _bcncaÿǹabp̀ g { { ÿ ÿ ª¡'( ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ papmÿnnbfpmÿnqbc g { { ÿ ÿ «§¡¡ ÿ ÿ ÿ ÿÿ r|r| r|r| ÿ _^^bcǹqbÿ^ǹmbepba g ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ zFiOFWMjFIKFCjFI ÿ ~~z hU}UXh~z ÿ mbgpaabàÿgnnpbà ¬®ÿg ÿ ¯ut{ ¯ut{ ÿ ÿ ÿ ÿ gnnqmbbaÿ^bp̀ ¬®ÿg ¯t|| ¯t||ÿ ÿ tu| tu|ÿ ÿ ÿ mbgpaabàbÿac__mb̀mmpm g ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ UkkFCPlJjHFYJHFCÿOIÿK³ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ hDHJJl UIHYOjjFlOIQ lOKJJHÿr{s{ ÿ ÿ ÿ ÿ '´(¡ÿ'ÿ('¡*)'('¥ r| ,µ S¶ÿ ÿ ÿ £¤**ÿ¡¡¥¨'·* ÿ { + ÿÿ ÿ r| ,µ S¶ÿ ÿ ÿ §¡¡ÿ'ÿ('¡*)'('¥ ÿ ÿ ÿ nnabbÿ̀^ǹmbepbaÿ S¸¹º .¸µº R¸¶º ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ \JHFCiFCQOIQÿOIÿK» ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ hDHJJl UIHYOjjFlOIQ lOKJJHÿr{s{ ÿ ÿ rt T¶¸¶ .T¸,ÿ ÿ
ÿ '´(¡ÿ'ÿ('¡*)'('¥ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿpapmÿnoqbbÿ̀p̀gnnqÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ
°qpbp̀mÿp̀gnnqÿ±²ÿ
ÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ
ÿ ÿ ÿ
ÿ ÿ
ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ
ÿ
ÿ ÿ ÿ
ÿ ÿ
ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ
ÿ ÿ ÿ
ÿ ÿ
ÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ
ÿ
ÿ
ÿ
ÿ
ÿ
ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ
ÿ
ÿ
ÿ ÿ
¼cnpbbÿapbbÿn`b̀bÿqbcÿbcapabp̀pmÿnÿabÿ^cpop^b
&'()*'ÿ+,-.+.+ ÿ
ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ ÿ ÿ
ÿ
ÿ ÿ
ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿ
ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ
ÿ
8
52133|2D Vastgoed - Oude Middenweg| Leidschenveen |10-11-2023 52133-S-BO05-03
2
LOCATIE o 0 —
V TOTALE OPPERVLAKTE
2727m2
o o
oUSgwrodenwe9
hui
) \
Me* \
g, ©
«(---- -6
q
V0,
5 0
3 I I I
I I I I I I I
1?
77
I I I I
0
I
I I I I I
0
s
e
1
«L
5 0e
-
I
6
O
o
o
o
o
0
o
R)
o
o
9
o
_ 0
3 3
----- 3
o
9
*
*
6
*
o
3
0
o
*
o 5213312D Vastgoed - Oude Middenweg Leidschenveen 110-11-2023 52133-S-BO05-03
=iTe roep
Landscape and urban
design
3
BESTAANDE SITUATIE o 0
366m2
21 BEBOUWD OPPERVLAK o O g-
)
-0
cC-
Mh k J I y.A .
*
o
an
I"TMusqeg
oude widdepe9
0
0
I
OPPERVLAKTE VERHARDING
985m2
OVERIG EN GROEN
1376m2
2727m2
w --
@
■
6
%\
3
è
c
-
— x
3
II
••' 2g," ge ",5
-sl
—
o o
o
o
o
d ë
o
03
0
3 3
9
*
-
*
f
"1 L -
o
• eë,#
>1
o
e
0
o
o
9
e
I
—
6
0.
—*
0
3
o
-a
o 52133 |2D Vastgoed - Oude Middenweg! Leidschenveen 110-11-2023 52133-S-BO05-03
=iTe roep
Landscape and urban
design
4
AANZET NAAR UITWERKING DEFINITIEF ONTWERP
Bestaande bomen te behouden
Oude
Bestaande bomen te verwijderen en/of verplanten
4.85
nweg
Midde
Bestaande bomen te behouden
Nieuw te planten bomen lplaats ig opste u rv woeegrt ndidwdeeen M ra b e d Ou
Bestaande bomen te verwijderen en/of verplanten
4.85 openbare blusvoorziening (positie ntb) 5.00
Heesterbeplanting
openbare blusvoorziening (positie ntb)
5.00 opstelplaats brandweervoertuig
5.50 22 parkeerplaatsen
stalling 240 fietsen
2.44
ingang fietsenstalling brandweer
2.44
entreehal 5.00
5.50
2.00 1.00
15.50
Rijweg/openbare ruimte Markering parkeerplaatsen
Perceelsgrens Rijweg/openbare ruimte
Opstelplaats brandweervoertuig
1.72
5.40
40 parkeerplaatsen 3.90
5.40
1.72
opstelplaats brandweervoertuig
5.00
opstelplaats brandweervoertuig
15.50
1.30
Kamilleveld
6.20
2.00 1.00
ingang parkeergarage brandweer
40 parkeerplaatsen
5.50
ingang parkeergarage brandweer
5.00 1.30
5.00
Markering parkeerplaatsen
Perceelsgrens
entreehal
6.70
Bloemrijk grasland
kampioensingel
3.80
Bloemrijk grasland
22 parkeerplaatsen
5.50
6.00
Heesterbeplanting
Haag ingang fietsenstalling brandweer
4.80 stalling 240 fietsen
Haag
kampioensingel
lplaats ig opste ertu eervo w d n bra
opstelplaats brandweervoertuig
Nieuw te planten bomen
Openbare blusvoorziening (positie ntb
Opstelplaats brandweervoertuig
In- en uitri Openbare blusvoorziening (positie ntb)
1.50 trafo
In- en uitrit
1.50 trafo 12.00
11.10
1.30
12.00
1.55
1.25
11.10
1.55
1.25
52133|2D Vastgoed - Oude Middenweg| Leidschenveen |10-11-2023 52133-S-BO05-03
08.06.2023 Opdrachtgever 012D Vastgoed
J.Wellens
Wijziging
Getekend
Datum
01
08
Wijziging
Da
5 52133
Projectnumme
WATERBUFFERING vb
vb
Hoe wordt omgegaan met de waterbuffering?
k
k
Door de toepassing van waterpasserende bestrating (grasbeton 272m² + waterpasserende klinkerverharding 474m² =746m²) wordt 50% van 746m² meegerekend met groen en 50% van 746m² met verharding. Dit water wordt gebracht via open goten naar de wadi in de groenstrook voorlangs het gebouw.
k
k
k
4.85 k
k
k
Capaciteit van de wadi bestaat uit 40m3 hetgeen volstaat voor de afvoer van het regenwater van het verharde deel van het terrein (50% van 746m²x0.05=18.7m3). De wadi heeft nog een overcapaciteit van 21.3m3.
Oude
eg Middenw
k
5.00
vb
vb
af
k
4.80
af af
2.44
Op het dak van het overdekte parkeergedeelte 515m² wordt een buffer voorzien van 10cm (515m²x0.1m=51.5m3).
5.50
Op het dak van het appartementen gebouw wordt een waterbuffer voorzien van 5 cm (895m²x0.05= 44.8m3).
6.00
3.80
In totaal wordt op het terrein 136.3m3 water vastgehouden. Wadi 40m3 + dak appartement 44.8m3 + dak parkeergarage 51.5m3.
5.00
5.50
5.00
k
2.00 1.00
af
15.50
1.72
1.30
6.70
5.40
af af vb a
Legenda
f
af
r
r
af r
Beplanting 571m² Beplanting 571m²
k
1.50
r
af
3.90
6.20
Waterpasserende verharding Waterpasserende verharding grasbeton steen 272m² grasbeton steen 272m²
af
1.30
k
r
11.10
Waterretentiedak dak parkeergarage 515m² Waterretentiedak dak parkeergarage 515m²
k
Waterretentiedak Waterretentiedak dak woningen 895m² dak appartementen 895m²
af
Wadi
Wadi
k
k
k
k
af
Kampioensingel
af
vb
af
k
r
k
1.55
af af
1.25
k
12.00
Waterpasserende verharding Waterpasserende verharding betonstraatsteen 450m² betonstraatsteen 474m²
52133|2D Vastgoed - Oude Middenweg| Leidschenveen |10-11-2023 52133-S-BO05-03
6
VERTRAAGDE AFVOER Hoe wordt omgegaan met vertraagde afvoer van het regenwater?
Hoe wordt omgegaan met beheer en onderhoud? Beheer en onderhoud van het waterbuffer- en afvoersysteem wordt nader in detail beschreven in het nog op te stellen beheerplan in de uitvoeringsvoorbereidingsfase.
Hemelwater van verhardingen stroomt via kolken en kolk- en verzamelleidingen in de wadi. Hemelwater van het hoge en lage dak wordt vastgehouden op de daken met een max. waterbuffer van resp. 5 cm en 10 cm. Het water in de wadi infiltreert langzaam in de zandlaag onder de wadi, waarna het via de drainleidingen afstroomt via een overstortvoorziening met vertraagde afvoer naar de watergang. Als de buffervelden op de daken geheel gevuld zijn en het water in de wadi’s het niveau van de slokopkolken heeft bereikt, treedt de overstort van de daken en wadi in werking en stroomt het overtollige water via leidingen naar de watergang ten noordoostzijde van het terrein. Afvoer van de wadi en overstorten van de daken vindt gecombineerd plaats via een inspectieput op een uitstroombak met overstortmuur. In de overstortmuur wordt een opening gemaakt t.b.v. de vertraagde afvoer.
Hierbij dient aandacht te worden besteed aan periodieke werkzaamheden, zoals:
Tabel 1: bepaling maximale diameter van een gat t.b.v. vertraagde afvoer bij een maximaal toegestaan debiet
Uitgangspunt is dat de vertraagde afvoer naar de watergang met een max. debiet van 0,6 ltr/uur/m2 mag plaatsvinden.
-
Controles van het gehele systeem op optimale werking; Maaien en schoonhouden van de wadi; Reinigen van straat-, trottoir- en slokopkolken; Inspecteren en reinigen van leidingwerk en putten; Schoonhouden van uitstroomopeningen; Reinigen van waterdoorlatende bestratingen; Toepassen en schoonhouden van afvoerroosters op daken;
Er mag derhalve maximaal 0,6 l/m2/uur x (746/2 + 515 + 895) = 1.070 l/uur, ofwel 1,07 m3/uur geloosd worden via het uitstroompunt. Uit bovenstaande tabel blijkt dat een gat in de overstortmuur met een diameter van ca. 23 mm benodigd is.
De diameter van de doorvoer bepaalt het maximale debiet van deze vertraagde afvoer.
52133|2D Vastgoed - Oude Middenweg| Leidschenveen |10-11-2023 52133-S-BO05-03
7
PRINCIPE DOORSNEDE | WATERBUFFERING
sedum-kruidenmat extensief substraat glasschuimslakken grind koffer
drainagemat
25 cm
trottoir wadi
52133|2D Vastgoed - Oude Middenweg| Leidschenveen |10-11-2023 52133-S-BO05-03
8
www.stijlgroep.nl
Bijlage 3 Aanmeldnotitie mer-beoordeling,
juli 2025
Aanmeldnotitie mer-beoordeling BOPA ‘Oude Middenweg’
Juli 2025
Werknummer
621.154.40
Datum
Juli 2025
3
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ............................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding ........................................................................................................... 4
1.2
Waarom een mer-beoordeling? ........................................................................... 4
1.3
Leeswijzer ........................................................................................................... 5
2.
Kenmerken van het project .............................................................................. 6
2.1
Inleiding............................................................................................................... 6
2.2
Planbeschrijving .................................................................................................. 6
2.3
Cumulatie met andere projecten ......................................................................... 7
2.4
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen ................................................................... 7
2.5
Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder .......................................... 8
2.6
Risico van ongevallen ......................................................................................... 8
2.7
Effecten op gebieden .......................................................................................... 8
3.
Plaats van het project ....................................................................................... 9
3.1
Ligging van het project ........................................................................................ 9
3.2
Bestaand grondgebruik ....................................................................................... 9
3.3
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu ................................................. 9
4.
Kenmerken van het potentiële effect ..............................................................12
4.1
Inleiding..............................................................................................................12
4.2
Activiteiten en milieuruimte .................................................................................13
4.3
Ecologie .............................................................................................................14
4.4
Geluid ................................................................................................................14
4.5
Verkeer ..............................................................................................................15
4.6
Luchtkwaliteit......................................................................................................15
4.7
Water en klimaatadaptatie ..................................................................................15
4.8
Windhinder .........................................................................................................16
5.
Conclusie ..........................................................................................................17
Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling – BOPA ‘Oude Middenweg’
4
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een appartementengebouw in de Haagse wijk Leidschenveen. Het appartementengebouw bestaat uit negen bouwlagen met in totaal 61 woningen. De voorgenomen ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals dat in bijlage V van het Omgevingsbesluit (categorie J11) is aangewezen als een mer(beoordelings)plichtig project. Voor deze ontwikkeling dient zodoende een mer-beoordeling te worden uitgevoerd.
1.2
Waarom een mer-beoordeling? In Europees verband is afgesproken dat projecten die aanzienlijke milieueffecten hebben of kunnen hebben, worden onderzocht op hun gevolgen voor het milieu. Een milieueffectrapportage (mer) brengt de milieugevolgen van een project in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. In Nederland is de mer-richtlijn geïmplementeerd in de Omgevingswet. De Omgevingswet maakt onderscheid tussen een milieueffectrapportage (mer) voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en een milieueffectrapportage voor projecten (paragraaf 16.4.2). Op grond van Ow artikel 16.43 zijn in het Omgevingsbesluit de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen, die mer-(beoordelings)plichtig zijn. Een plan-mer-plicht geldt op grond van Ow artikel 16.36 voor – onder andere – een plan of programma als dat het kader vormt voor te nemen besluiten voor deze projecten. Voor voorliggende ontwikkeling is het project-mer van toepassing.