RIS324218 Bijlage onderbouwing en tekeningen Oude Middenweg 12 en 14
Tekst van het document
4.5
Activiteiten en milieuruimte
4.5.1 Kader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer vervallen. De gemeente dient ervoor te zorgen dat in een omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar (bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf); - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen). Geluid door activiteiten Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke omgevingsplanwijziging houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Geurhinder De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan.
In een omgevingsplanwijziging moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelplangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelplangebied, optreedt. Milieuzonering nieuwe stijl Het ''groene'' boekje Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf. Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen. Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de huidige publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Hierop gelet is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor zijn geïntegreerd. Onder de Omgevingswet is het daarom gebruikelijk en noodzakelijk om, indien benodigd, concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan.
28 4.5.2 Onderzoek Momenteel is wonen ter plaatse van het projectgebied al toegestaan. In de omgeving van het projectgebied bevinden zich daarnaast voornamelijk woonbestemmingen. Aan de overzijde van de Oude Middenweg bevindt zich een detailhandelbestemming, welke momenteel wordt ingevuld door o.a. een bouwmarkt. Gezien de afstand (ca. 50 meter) wordt hiervan geen hinder verwacht. Overige (bedrijfsmatige) activiteiten bevinden zich op grotere afstand, waardoor ook hiervan geen hinder wordt verwacht. 4.5.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘activiteiten en milieuruimte’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.6
Trillingen
4.6.1 Kader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. 4.6.2 Onderzoek Trillingen door activiteiten Met voorliggend initiatief worden geen trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Trillingen door wegverkeer Rondom het projectgebied maximale rijsnelheid van 30 km per uur toegestaan. Er zullen dan ook geen trillingsniveaus optreden die de standaardwaarden overschrijden. 4.6.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘trillingen’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, waardoor er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.7
Bodem
4.7.1 Kader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het gemeentelijk omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het projectgebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.
29 4.7.2 Onderzoek Door ABO Milieuconsult is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als bijlage 5 opgenomen. Verkennend bodemonderzoek In het grondmengmonsters M01 (bovengrond) overschrijdt het gehalte lood de achtergrondwaarde. In het grondmengmonster M02 (bovengrond) overschrijden de gehalten kwik, lood en PAK de achtergrondwaarden. In het grondmengmonster M03 (ondergrond) overschrijden de gehalten PCB, minerale olie, zink, kwik en lood de achtergrondwaarden en het gehalte PAK overschrijdt de interventiewaarde. De gehalten van de overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de achtergrondwaarden. Tijdens de werkzaamheden zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen en derhalve is geen onderzoek uitgevoerd naar asbest. Aanvullend bodemonderzoek In verband met de sterke verontreiniging in M03, zijn de grondmonsters separaat geanalyseerd op de kritische parameter PAK. Uit de resultaten blijkt dat in grondmonster 002.3 het gehalte PAK de achtergrondwaarde overschrijdt. In grondmonster 003.3 overschrijdt het gehalte PAK de tussenwaarde (index >0,5). In het grondmonster 006.3 overschrijdt het gehalte PAK de interventiewaarde. Vanwege de matig tot sterk verhoogde gehalte PAK in de grondmonsters 003.3 en 006.3 zijn aanvullende boringen en analyses uitgevoerd om de omvang de verontreiniging met PAK te bepalen.
Daarnaast zijn de geplaatste boringen om de handmatig ondoordringbare laag in kaart te brengen. Uit de aanvullende analyses zijn geen sterk verhoogde gehalten PAK aangetoond. Alle geanalyseerde grondmonsters zijn licht verontreinigd met PAK. In grondmonster 108.4 is het gehalte PAK lager dan de achtergrondwaarde. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat op locatie geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De aangetoonde matige tot sterke verontreinigingen, ter plaatse van boringen 003 en 006, betreffen zogenoemde “toevalstreffers”. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie is in voldoende mate vastgesteld. Ter plaatse van de woning Oude Middenweg 12 is in de bodem, circa vanaf 0,7 m-mv, een handmatig ondoordringbare laag aanwezig. In enkele boringen is wel een puinbijmenging aangetroffen. Grondwater In het grondwater van peilbuis 001 (filterstelling 2,0 – 3,0 m-mv) zijn de concentraties van alle geanalyseerde parameters lager dan de streefwaarden. Op de locatie is, zowel op het maaiveld als in de bodem, visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De resultaten uit dit onderzoek zijn gebaseerd op voorgaande wetgeving. Voor het toelaten van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving eisen aan de bodemkwaliteit.
In de Wet bodembescherming en onderliggende regelgeving waren er normen voor de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit en diverse normen voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie en het aanwenden van meststoffen en andere stikstofhoudende verbindingen. Deze normen zijn ongewijzigd overgebracht naar de systematiek van de Omgevingswet.
30 Op detailniveau zijn er enkele veranderingen, als gevolg waarvan de gemeente meer vrijheid heeft om strenger of juist minder streng te zijn ten aanzien van bepaalde stoffen. Voor deze ontwikkeling is dit echter niet van toepassing. De resultaten uit het bodemonderzoek geven voldoende inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse. 4.7.3 Conclusie Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het aspect ‘bodem’ geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. In overleg met de omgevingsdienst is bepaald dat er na de sloop van de bestaande bebouwing nog aanvullend onderzoek plaats dient te vinden ter plaatse van de bebouwing. Ook dienen er nog een aantal zaken nader in kaart te worden gebracht (PAK-verontreiniging, asbest in grondonderzoek en onderzoek ter plaatse van het perceel 5687). Deze aanvullende onderzoeken leiden naar verwachting niet tot andere conclusies. Mochten er sanerende maatregelen noodzakelijk blijken, dan zullen deze worden toegepast voordat de toekomstige woningen worden gerealiseerd. De bodemkwaliteit gaat er in dat geval op vooruit ten opzichte van de bestaande situatie. Hiermee wordt bijgedragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.8
Omgevingsveiligheid
4.8.1 Kader Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het gemeentelijk omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het projectgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij nieuwe ontwikkelingen moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.
De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in: • Brandaandachtsgebieden (BAG) Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt. • Explosieaandachtsgebied (EAG) Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 1. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en 2. een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG) Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.
31 4.8.2 Onderzoek Met deze ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten (woningen) mogelijk gemaakt. Om deze reden is er onderzoek gedaan naar mogelijke risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij deze onderbouwing. In deze paragraaf staan de belangrijkste resultaten beschreven. In de omgeving van de locatie zijn de volgende risicobronnen aanwezig: - Hogedruk aardgastransportleiding A-517; - Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijkswegen A4 en A12; - Vervoer gevaarlijke stoffen over de N14/Zoetermeerse Rijweg. Het plangebied bevindt zich binnen de aandachtsgebieden van de hogedruk aardgastransportleiding A-517, waardoor rekening gehouden dient te worden met het groepsrisico. In zowel de huidige als de plansituatie wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico voor dit leidingtraject niet overschreden. Er treedt geen verandering van het GR op als gevolg van het bouwplan. Het plangebied is gelegen binnen het gifwolkaandachtsgebied van de rijksweg, maar buiten de brand- en explosieaandachtsgebieden. Er is daarom aandacht besteedt aan de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. De N14/Zoetermeerse Rijweg is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. De weg is echter niet opgenomen in het basisnet, waardoor er geen aandachtsgebieden zijn berekend.
Het plangebied is gelegen op circa 225 meter afstand van de weg en dus binnen het effectgebied van toxische stoffen die over de N14 vervoerd worden, waardoor aandacht is besteed aan de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. Aan de energietransitie zijn veiligheidsrisico’s verbonden, zoals risico’s rond elektrisch rijden/parkeren, waterstof en grootschalig gebruik van zonnepanelen in combinatie met energie opslag systemen (EOS). Indien in het plangebied nieuwe energiebronnen worden ontwikkeld dient de VRH hierover geïnformeerd te worden. Aangezien een deel van het plangebied valt binnen het brandaandachtsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding wordt geadviseerd om een voorschriftengebied vast te stellen voor het gehele plangebied. Het plangebied valt tevens geheel binnen het gifwolkaandachtsgebied van de rijksweg. Een gifwolkaandachtsgebied kan echter niet worden omgezet in een voorschriftengebied. De bouwkundige maatregel van afsluitbare mechanische ventilatie is een algemene eis die voor alle nieuwbouw geldt. In het plangebied worden geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. Voor de beschouwde risicobronnen gelden verschillende maatgevende ongeval scenario’s. In het geval van een BLEVE of fakkelbrandincident kan gevlucht worden, mits men zich niet binnen de 100% letaliteitscontour bevindt.
Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om de volgende maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied: • in het stedenbouwkundig ontwerp rekening houden met de bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten; • effectieve bluswatervoorziening; • NL-Alert; • risicocommunicatie naar de bewoners. Bij het treffen van eventuele maatregelen wordt gebruik gemaakt van de maatregelen zoals opgenomen in de notitie ‘Advisering EV – Veiligheidsregio Haaglanden’ (bijlage 9 bij deze onderbouwing). Voor de ventilatie van de parkeergarage wordt een gelijkwaardige oplossing toegepast voor mechanische afzuiging. Er worden stuwdrukventilatoren toegepast en verse lucht via de speedgate aangezogen en afgeblazen via het metselwerk.
32 4.8.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘omgevingsveiligheid’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.9
Mobiliteit
4.9.1 Kader Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Regionaal beleid De gemeente Den Haag maakt onderdeel uit van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). De MRDH is sinds 2015 de samenwerking van 23 gemeenten die hun krachten hebben gebundeld om het gebied beter bereikbaar te maken en het economisch vestigingsklimaat te versterken. De MRDH bestaat uit twee pijlers, de Vervoersautoriteit (Va) en Economisch Vestigingsklimaat (EV). Ter voorbereiding op de Vervoersautoriteit is in 2013 de Strategische Bereikbaarheidsagenda (SBA) voor de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) opgesteld. De SBA is nader uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda Bereikbaarheid 2016-2025 die invulling geeft aan de gezamenlijke regionale mobiliteitsopgaven in de metropoolregio. In de Uitvoeringsagenda wordt een samenhangend pakket aan maatregelen voorgesteld voor de periode 2016-2025. De Uitvoeringsagenda is vastgesteld op 1 juli 2016. De Uitvoeringsagenda gaat er van uit dat het belang van het openbaar vervoer en de fiets toeneemt, mede vanwege leefbaarheid van de steden. Met het openbaar vervoer wordt voortgebouwd op het succes van RandstadRail en is de inzet om een schaalsprong te maken voor het openbaar vervoer naar de economische centra.
Ook wordt ingezet op meer vraaggestuurd vervoer in combinatie met gemeentelijk vervoer voor doelgroepen op tijden en plaatsen waar het gewone openbaar vervoer geen oplossing is. Voor de fiets gaat de Uitvoeringsagenda uit van de realisatie van meer snelle routes en een uitbreiding van de fietsparkeerplaatsen. Voor het wegverkeer ligt de nadruk op een betere betrouwbaarheid door gecoördineerd verkeersmanagement en door het stimuleren van alternatieven voor spitsverkeer en het afbouwen van de noodzakelijke weginfrastructuur voor een goede bereikbaarheid van de economische centra. De Uitvoeringsagenda zet voor wat betreft de verbetering van de verkeersveiligheid in op o.a. gedragsbeïnvloeding en doelgroepenbenadering. Op het punt van de innovatie biedt de Uitvoeringsagenda ruimte voor de toepassing van nieuwe technieken en mobiliteitsdiensten samen met het bedrijfsleven en kennisinstellingen. In de Uitvoeringsagenda staan diverse projecten en maatregelen genoemd voor de periode 2016-2025. Gemeentelijk beleid Den Haag groeit, er komen meer inwoners, meer banen en ook meer bezoekers. Dit zorgt voor een toename van het verkeer van, naar en in de stad. Het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Den Haag voor de periode 2010 tot 2020 met een doorkijk tot 2030, is vervat in de “Haagse Nota Mobiliteit”.
De visie in de nota is er op gericht van Den Haag een duurzaam bereikbare en een leefbare stad te maken door er voor te zorgen dat reizigers een bewuste keuze kunnen maken voor de vervoerwijze en de route die het beste bij hen past. Gerichte investeringen in het openbaar vervoer en de fiets, goede voorzieningen voor voetgangers, en bundeling en ordening van het autoverkeer moeten er voor zorgen dat reizigers de juiste keuzes kunnen maken.
33 4.9.2 Onderzoek Verkeer Den Haag is een zeer sterk stedelijke gemeente en het gebied ligt in de rest bebouwde kom. Op basis van de CROW-publicatie 381 is de verkeersgeneratie van de huidige en toekomstige situatie bepaald (zie tabellen 7.1 en 7.2). In de CROW-publicatie staan de minimale en maximale verkeersgeneratie, hiervan is het gemiddelde genomen. Huidig programma Aantallen / m2 Koop, huis, vrijstaand Totaal Tabel 7.1: berekening verkeersgeneratie huidig programma
Norm 3 3
Nieuw programma Aantallen / m2 Appartement, huur, duur 33 Appartement, huur, 28 midden/goedkoop Totaal 61 Tabel 7.2: berekening verkeersgeneratie nieuw programma
7,7 per woning
Norm 5,1 per woning 3,2 per woning
Verkeersgeneratie 23,1 23,1
Verkeersgeneratie 168,3 89,6 257,9
Uit tabel 7.1 en 7.2 blijkt dat door de voorgenomen ontwikkeling de verkeersgeneratie met 234,8 motorvoertuigen per etmaal toe zal nemen. Het parkeerterrein wordt ontsloten via de Oude Middenweg. Door Mobycon is een beoordeling uitgevoerd naar de verkeersbelasting in de omgeving door te toename van het plan. Hiervoor is gerekend met de totale verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling (afgerond 260 motorvoertuigen per weekdagetmaal). Omgerekend komt dit 23 pae tijdens het drukste ochtend- en 26 pae tijdens het drukste avondspitsuur op werkdagen. Op de woonstraten rondom de ontwikkeling (parallelweg Oude Middenweg, Kampioensingel en Kamilleveld) kan conform de Ontwerpwijzer Fietsverkeer worden uitgegaan van een maximaal acceptabele intensiteit van circa 4.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal in relatie tot de verkeersveiligheid en -leefbaarheid. In de autonome toekomstige situatie ligt de intensiteit ruim binnen deze marges. De ontwikkeling zal hier dus niet tot verkeersveiligheids- of leefbaarheidsknelpunten leiden. Ook het kruispunt Oude Middenweg/Kampioensingel kan op basis van het onderzoek het verkeer in de toekomstige situatie dus op een acceptabele manier verwerken. Deze toename in verkeer leidt niet tot knelpunten ten aanzien van verkeersveiligheid, leefbaarheid en/of doorstroming.
Parkeren Op 15 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Den Haag de Parkeerstrategie Den Haag 2021-2030 vastgesteld. Daarmee stemde zij in met de uitwerking door het college van beleidsregels autoparkeernormen ter actualisatie van het oude parkeernormenbeleid. De Nota parkeernormen Den Haag 2021 is opgesteld ter vervanging van de Nota parkeernormen Den Haag uit 2011 en de wijzigingen en aanvulling op de nota parkeernormen uit 2016. Aan de hand van deze parkeernormen is de parkeerbehoefte berekend. Het plangebied valt binnen de gebiedsindeling ‘Naoorlogsewijken’ zoals geformuleerd in de Nota Parkeernormen. De appartementen vallen onder de categorie 40-70 m2 en 70-100 m2. Nieuw programma Appartement 70-100 m2 Appartement 40-70 m2
Aantallen/ m2
Norm 33 28
0,6 per woning 0,8 per woning
Aantal parkeerplaatsen 26,4 16,8
34
Bezoekersparkeren 61 Totaal Tabel 7.3: berekening verkeersgeneratie nieuw programma
0,3 per woning
18,3 61,5
In de parkeergarage worden 40 parkeerplaatsen gerealiseerd. De overige parkeerplaatsen worden gerealiseerd in een parkeerkoffer naast het appartementengebouw (22 stuks). Hiermee voorziet het plan in voldoende parkeermogelijkheid. Fiets De fietsparkeerbehoefte is berekend conform de 'Beleidsregels fietsparkeernormen Den Haag'. Het fietsparkeren voor woningen wordt conform bouwbesluit opgelost. Het bouwplan voorziet in een afsluitbare fietsenstalling. Hier is plaats voor 240 fietsparkeerplekken. 4.9.3 Conclusie Met betrachting van de juiste maatregelen voor wat betreft de verkeersgeneratie en realisatie van voldoende (fiets)parkeerplaatsen heeft het aspect mobiliteit geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt het bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Kader Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor gemeentelijke ruimtelijke procedures. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten.
35 4.10.2 Onderzoek Door Ecofect is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3. Onderstaand worden de resultaten uit het onderzoek samengevat. Gebiedsbescherming Natura-2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voorliggend plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied of een van de aangewezen NNN-gebieden. Om deze reden wordt nadere toetsing niet nodig geacht. Stikstof Door is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 6. Hierin is beoordeeld of de bouw (aanlegfase) en het gebruik (gebruiksfase) van de nieuwe woningen in het plangebied leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek blijkt dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de nieuwe woningen. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten.
Soortenbescherming Door onderzoeksbureau is beoordeeld of er beschermde planten- en diersoorten aanwezig zijn binnen de planlocatie en of deze soorten schade ondervinden van de gewenste ontwikkelingen. De rapportage van dit onderzoeken is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. Uit de quickscan blijkt dat er in het verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels noodzakelijk is om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde amfibieën en zoogdieren aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland. Het voorkomen en negatieve effecten op broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen en verblijfplaatsen van vleermuizen wordt uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde soorten kan tevens worden uitgesloten. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats.
Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. Voorgenoemd onderzoek is uitgevoerd voor het intreden van de Omgevingswet. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels die te maken hebben met natuurbescherming ongewijzigd over gegaan in de Omgevingswet. Het beschermingsniveau blijft dus hetzelfde en de bevoegdheidsverdeling blijft ook in grote lijnen hetzelfde. De overgang is dus beleidsneutraal. Dit komt doordat een groot deel van de regels uit de Wet natuurbescherming direct voortvloeiden uit Europese en internationale verplichtingen, zoals de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn. De Omgevingswet moet ook aan die Europese en internationale verplichtingen voldoen. De resultaten uit de uitgevoerde onderzoeken zoals hierboven beschreven, ook al zijn deze uitgevoerd onder voorgaande wetgeving, bieden dan ook voldoende zekerheid dat de ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor beschermde flora en fauna.
36
Inpassing (bestaand) groen In het plan worden 10 bomen gekapt om ruimte te maken voor het gebouw. Indien er voldoende voorbereidingstijd is, wordt gekeken om geschikte bomen te verplanten. De bestaande uitrit van de woning wordt gehandhaafd. Op eigen terrein staat links van de uitrit een bestaande treurwilg (te behouden), rechts van de uitrit, langs het water, staat een groep essen die eveneens behouden blijft. Langs de Oude Middenweg, buiten de perceelsgrens, staat een rij amberbomen. Bij de uiteindelijke uitvoering van het plan zullen alle nodige maatregelen getroffen worden om de bestaande, te behouden bomen te beschermen. Hierbij valt te denken aan stambescherming en bescherming van de kroonprojectie tegen bodemverdichting. Er vindt geen terreinophoging of afgraving plaats ter hoogte van bestaande boomkronen. De parkeerplaatsen langs de essen worden voorzien van grasbetonsteen met daaronder bodemverbetering om doorworteling van de bomen mogelijk te maken. Het gebouw vormt de kop van een verspringende rij blokken in een glooiend landschap. In het ontwerp van het landschap hebben we als doel deze kop te laten meelopen met de bestaande groenstructuren rondom deze rij. Daarbij wordt gestreefd naar een rijkere en meer biodiverse beplanting. Denk aan bloemrijke graslanden, een grotere variatie aan heesters en bomen die aantrekkelijk zijn voor fauna (o.a. bloei, vruchten).
Bijzondere vermelding verdient het behoud van bestaande bomen zoals de rij essen langs het water en de treurwilg bij de toegang van het perceel. De aanwezige tuinbeplanting op de locatie zal plaats maken voor de uitbreiding van de bestaande groenstructuur met als doel deze onderdeel te laten zijn van een groter geheel van blokken in een glooiend landschap. Op het dak van de parkeergarage wordt voorzien in een versterking van het glooiende landschap; de overgang tussen de dakbegroening en het omliggende landschap zal naadloos plaatsvinden. 4.10.3 Conclusie Uit onderzoek blijkt dat er geen nadelige effecten optreden op het gebied van stikstofdepositie en beschermde plant- of diersoorten. Het aspect natuur en ecologie heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.11 Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed 4.11.1 Kader Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Rijksbeleid De Erfgoedwet is op dit moment het wettelijk kader voor de omgang met erfgoed. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). De Erfgoedwet gaat deels op in de Omgevingswet: in de Omgevingswet zullen de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd worden, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die nu in het overgangsrecht van de Erfgoedwet zijn opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de
37 Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Provinciaal beleid De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Zuid-Holland laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het projectgebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. Gemeentelijk beleid Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de gemeente een Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart (AWVK) opgesteld. In de Beleidsnota Archeologie 2011-2020 'In het verleden ligt het heden' (RIS 180680) geeft de gemeente aan hoe ze zorg wil dragen voor de archeologische sporen en resten in de Haagse ondergrond. Op de gemeente dekkende AWVK komen drie eenheden voor waaraan de gemeente beleid heeft gekoppeld: 1.
Terreinen met een archeologische waarde, dat wil zeggen: waarvan is vastgesteld dat er zich belangrijke archeologische sporen en resten bevinden. In het kader van de archeologische monumentenzorg stelt de gemeente hier voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten dieper dan 50 cm onder maaiveld; 2. Gebieden waar archeologische resten en sporen kunnen worden verwacht (op basis van de bodemopbouw en/of historische kaarten). Bij activiteiten met een bodemverstoring groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld stelt de gemeente hier voorwaarden voor onderzoek en bescherming van mogelijk aanwezige sporen en resten. 3. Gebieden waar geen archeologische sporen/resten (meer) worden verwacht. Hier verbindt de gemeente op het gebied van de archeologie geen voorwaarden aan bodemverstorende activiteiten. Van initiatiefnemers van activiteiten met bodemverstoringen in zones met een archeologische waarde of verwachting wordt in het kader van vergunningverlening gevraagd om de archeologische waarde van het terrein dat door de bodemingreep verstoord wordt in voldoende mate vast te stellen. In gebieden waarvan de archeologische waarde al is vastgesteld wordt ook gekeken naar de mate van bedreiging van de archeologische waarden door het bouwplan.
Als blijkt dat er sprake is van een bedreiging van behoudenswaardige archeologische resten, kunnen aan de uitvoering van de geplande bodemingreep voorwaarden worden verbonden, zoals: • technische aanpassingen zodat archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; • het laten verrichten van een opgraving teneinde behoudenswaardige resten die verstoord zullen worden, te documenteren en veilig te stellen; of • de activiteit die tot de bodemverstoring leidt, archeologisch te laten begeleiden. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van kracht (art. 5.10 en 5.11 Erfgoedwet). Dit houdt in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag. De meldingsplicht leidt niet tot een bepaling in het bestemmingsplan.
38 De afdeling Archeologie van de Dienst Stadsbeheer verricht namens het bevoegd gezag de taken en besluitvorming inzake de archeologische monumentenzorg. De kosten van vooronderzoek en indien noodzakelijk opgraving of begeleiding zijn voor de initiatiefnemer. Alle archeologische werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een erkende archeologische partij. Cultuurhistorisch beleid De Structuurvisie Den Haag 2020 benoemt vier grote troeven van Den Haag, een daarvan is de monumentale residentie. Den Haag is een stad met een belangrijk cultuurhistorisch erfgoed. Er zijn talrijke monumenten en 30% van de stad is beschermd stadsgezicht. De structuurvisie beschrijft de beschermde stadsgezichten als zéér waardevol en geeft aan dat deze door goed beheer hun kwaliteit zullen moeten behouden. In de beschermde stadsgezichten is verdichten alleen mogelijk als programma, schaal, maat en architectuur aansluiten bij de bestaande kwaliteiten. Het college van B&W heeft in 2011 de erfgoedvisie “Bekend maakt bemind” (RIS 181127) uitgebracht. Het college noemt in deze nota de verankering van de monumentenzorg in de ruimtelijke ordening en het centraal stellen van het bestemmingsplan hierbij een goede ontwikkeling. Er dient te worden vastgelegd hoe om te gaan met nieuwbouw in een waardevolle omgeving, het thema 'nieuw tussen oud'.
Dat vergt een “maatwerkbenadering”; behoudend waar nodig en ruimte gevent waar dat kan. 4.11.2 Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan “Leidschenveen” kent het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Ook op de Archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Den Haag ligt het plangebied binnen de zone zonder archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek is dan ook niet benodigd. Uit de cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied zelf geen cultuurhistorische waarden kent. Het projectgebied ligt niet binnen een beschermd stadsgezicht en de huidige bebouwing is niet aangewezen als monumentaal pand. 4.11.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op het behoud van landschappelijke; cultuurhistorische en archeologische waarden. Vanuit deze aspecten is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.12 Water en klimaatadaptatie 4.12.1 Kader Voor een duurzame en hoogwaardige toekomst van de fysieke leefomgeving moet het belang van watersystemen worden betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bouw- en herinrichtingsprojecten kunnen grote gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Door de mogelijke effecten in kaart te brengen en het waterbelang mee te nemen in het project, kunnen problemen met water worden voorkomen. Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken
39 en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen.
Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.
De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.
40 In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem.
Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Er is een grote en urgente maatschappelijke behoefte om voldoende woningen te bouwen, en in aanloop daarnaar toe locaties te vinden die ook in lijn staan met de verstedelijkingsstrategie van Zuid-Holland. Beleid waterbeheerder Hoogheemraadschap van Delfland – Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016-2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering.
Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Handreiking watertoets Delfland heeft een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor elk van de volgende ruimtelijke planvormen: stedenbouwkundige plan;
41
structuurvisie; bestemmingsplan; beheersverordening; omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing; en tot slot de planfiguren van de Crisis- en herstelwet, zoals het projectuitvoeringsbesluit. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. Keur en legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen, waterkeringen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het hoogheemraadschap van Delfland zijn gebodsen verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het hoogheemraadschap. De Legger Oppervlaktewater is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Beleid gemeente Toekomstbestendig Haags water! In de visie 'Toekomstbestendig Haags water!' is aangeven hoe het watersysteem in Den Haag anno 2014 functioneert, welke knelpunten er zijn en hoe het systeem robuust te houden. Het Haagse watersysteem is op dit moment grotendeels op orde.
Door kansen te benutten die zorgen voor een robuuster watersysteem en die ook bijdragen aan de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de stad, wordt het stedelijke gebied bestand tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte. In het stedelijke gebied is beperkte ruimte voor de traditionele opvang van water. Daarom is inzetten op onderzoek naar meer creatieve en innovatieve maatregelen belangrijk. Samenwerking tussen gemeente Den Haag en Delfland is daarvoor essentieel. De ambitie is: "Den Haag heeft een goed functionerend en toekomstbestendig watersysteem dat de gevolgen van klimaatverandering en verstedelijking kan opvangen en dat bijdraagt aan een aantrekkelijke stad." Samengevat zijn de drie belangrijkste strategische pijlers om te komen tot een toekomstbestendig Haags watersysteem: 1. De basis op orde: We zorgen ervoor dat het systeem goed blijft functioneren. Eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding moeten worden voorkomen of dienen te worden gecompenseerd. 2. Pak kansen door samen te werken en door slimme combinatie te zoeken: We moeten als overheden het goede voorbeeld geven, tijdig kansrijke initiatieven en projecten herkennen en optrekken met partijen in de stad. 3.
Kennis, onderzoek en innovatie: Kennisontwikkeling, onderzoek en innovatie is van belang om creatieve oplossingen te vinden in het voorkomen van wateroverlast en het leefbaar en aantrekkelijk houden van de stad. Gemeentelijk Rioleringsplan Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is het "Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025". Het plan beschrijft voor het eerst integraal de hoofdtaken van de gemeente voor de vier watercompartimenten: afvalwater, hemelwater, grond- en oppervlaktewater waarbij de onderlinge relaties, beleid en opgaven beschreven zijn. Daarnaast is de integraliteit versterkt door de aansluiting bij en afstemming op de bouwopgave, klimaatadaptieve oplossingen bij opgaven in de openbare ruimte. De raakvlakken met de uitwerking van de stadsbrede klimaatadaptatiestrategie zijn opgezocht en geïntegreerd. Deze strategie wordt in een apart traject behandeld en vastgesteld. De gemeente neemt haar verantwoordelijkheid voor de zorgplichten zoals omschreven in de Wet milieubeheer en de Waterwet. De zorg voor het rioolstelsel en het grond- en oppervlaktewater vindt plaats gebiedsgericht en
42 op basis van maatschappelijk aanvaardbare kosten. De klimaatverandering zal effect hebben op de grondwaterstanden. Naast monitoring op mogelijke verhoogde grondwaterstanden zullen ook te lage grondwaterstanden nauwlettender worden gevolgd. De bodemgesteldheid in polders, en in het bijzonder in Wateringseveld, Ypenburg en Leidschenveen (diepe polders) is ongunstiger dan in andere stadsdelen, de verwachte levensduur van de riolering is hier dan ook korter dan gemiddeld. Deze wijken liggen op veengrond en hebben een gemiddeld hoge grondwaterstand die met behulp van sloten en soms ook lokale drainage wordt beheerst. Risico van bodemdaling met invloed op riool en op gebouwen is hier het grootst. In de nieuwe planperiode wordt extra nadruk gelegd op de samenhang tussen diverse gebruiksvormen van en werkzaamheden op maaiveld en ondergronds. Fasering van wegwerkzaamheden en rioolvervanging wordt op elkaar afgestemd. Een primaire notie bij het klimaatbestendiger maken van de stad door het afkoppelen van verharde oppervlakken is het ontstenen en bij voorkeur vergroenen. Verder vormt de aanwezigheid van bomen een uitdaging voor het vervangen van de riolering. Omgekeerd stelt de aanwezigheid van riolering randvoorwaarden aan te planten bomen.
Er zal een goede afstemming nodig blijven met programma's van andere partijen, zoals met name het vervangen van waterleidingen door Dunea en gasleidingen door Stedin. Dubbel ruimtegebruik is wenselijk maar stelt wel de nodige voorwaarden. Een goede en tijdige afweging van de belangen is nodig om de verschillende ondergrondse ruimtegebruikers een plek te geven. Er is ook sterke samenhang met energietransitie: aan de ene kant kan er warmte uit de riolering en het water worden gewonnen. Aan de andere kant kan de toenemende vraag naar ruimte in de ondergrond door warmtenetwerken leiden tot een nog grotere druk op de toch al schaarse ruimte in de ondergrond. Bij herstructureringen en nieuwbouwprojecten wordt in samenwerking met het hoogheemraadschap van Delfland een watertoets uitgevoerd. Via een waterparagraaf in het bestemmingsplan wordt de visie op de verwerking van afvalwater, hemelwater en grondwater en de samenhang met oppervlaktewater beschreven en worden eisen voor de verdere uitwerking verwoord. Het hoogheemraadschap hanteert hierbij de watersleutel. Deze is in 2020 vernieuwd en via de website van het hoogheemraadschap te gebruiken. Indien de ontwikkeling kan leiden tot overlast in het project of de nieuwe wijk, kunnen in een vroeg stadium passende maatregelen worden genomen om overlast te voorkomen.
Meer dan de helft van het oppervlak van Den Haag is niet in bezit van de gemeente zelf. Bewoners en bedrijven zullen hun steentje moeten bijdragen om de stad water robuuster te maken. Voorbeelden van maatregelen op eigen terrein zijn het aanleggen van groene daken en het verminderen van verharding (tegels) in tuinen en op binnenterreinen. 4.12.2 Onderzoek Oppervlaktewatersysteem In het plangebied zijn geen watergangen gelegen. Middels dit plan worden geen nieuwe watergangen gegraven en de naastgelegen watergangen worden in tact gelaten.
43
Afbeelding 4.2: Uitsnede leggerkaart Hoogheemraadschap van Delfland
Waterkwantiteit Het plangebied omvat circa 2.727 m2. Door Stijlgroep is een watertoets uitgevoerd (bijlage 2). Uit de watersleutel die is opgenomen in de watertoets komt een opgave van 127 m3 aan te nemen maatregelen. Door het toepassen van waterpasserende verharding, het aanleggen van een wadi en buffercapaciteit toe te passen op de daken van het gebouw en de parkeergarage wordt in totaal 136,3 m3 water vastgehouden. Dat is ruim voldoende om aan de benodigde waterbergingseis te voldoen. Vertraagde afvoer Hemelwater van verhardingen stroomt via kolken en kolk- en verzamelleidingen in de wadi. Hemelwater van het hoge en lage dak wordt vastgehouden op de daken met een max. waterbuffer van resp. 5 cm en 10 cm. Het water in de wadi infiltreert langzaam in de zandlaag onder de wadi, waarna het via de drainleidingen afstroomt via een overstortvoorziening met vertraagde afvoer naar de watergang. Als de buffervelden op de daken geheel gevuld zijn en het water in de wadi’s het niveau van de slokopkolken heeft bereikt, treedt de overstort van de daken en wadi in werking en stroomt het overtollige water via leidingen naar de watergang ten noordoostzijde van het terrein. Afvoer van de wadi en overstorten van de daken vindt gecombineerd plaats via een inspectieput op een uitstroombak met overstortmuur. In de overstortmuur wordt een opening gemaakt t.b.v. de vertraagde afvoer.
De diameter van de doorvoer bepaalt het maximale debiet van deze vertraagde afvoer. Uitgangspunt is dat de vertraagde afvoer naar de watergang met een max. debiet van 0,6 ltr/uur/m2 mag plaatsvinden. Er mag derhalve maximaal 0,6 l/m2/uur x (746/2 + 515 + 895) = 1.070 l/uur, ofwel 1,07 m3/uur geloosd worden via het uitstroompunt. Uit bijlage 2 blijkt dat een gat in de overstortmuur met een diameter van ca. 23 mm benodigd is. Veiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een waterkering. Bodem en grondwater Voor ondergrondse constructies, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. De voorgenomen
44 ontwikkeling bestaat sloop-/nieuwbouw. Er worden geen ondergrondse constructies gerealiseerd. De ontwikkeling heeft dan geen invloed op de grondwaterstand. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er dienen zo min mogelijk (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • hemelwater vasthouden voor benutting; • (in)filtratie van afstromend hemelwater; • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Beheer en onderhoud Het Hoogheemraadschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkering. Het onderhoud van de waterkering en hoofd- en boezemwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Beheer en onderhoud van het waterbuffer- en afvoersysteem wordt nader in detail beschreven in het nog op te stellen beheerplan in de uitvoeringsvoorbereidingsfase.
Hierbij dient aandacht te worden besteed aan periodieke werkzaamheden, zoals: - Controles van het gehele systeem op optimale werking; - Maaien en schoonhouden van de wadi; - Reinigen van straat-, trottoir- en slokopkolken; - Inspecteren en reinigen van leidingwerk en putten; - Schoonhouden van uitstroomopeningen; - Reinigen van waterdoorlatende bestratingen; - Toepassen en schoonhouden van afvoerroosters op daken.
45 4.12.3 Conclusie Voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Er is vanuit het aspect water daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.13 Duurzaamheid 4.13.1 Kader Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst. Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VNklimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd.
Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio.