CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS324218 Bijlage onderbouwing en tekeningen Oude Middenweg 12 en 14

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Verzoek om bindend advies voor omgevingsvergunning appartementencomplex Oude Middenweg 12 en 14 (RIS324218)29.891 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

5 Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 6 1.1 Inleiding en aanduiding projectgebied ........................................................................................................... 6 1.2 Leeswijzer ....................................................................................................................................................... 6 2 2.1 2.2 2.3

Huidige en nieuwe situatie ....................................................................................................................... 8 Beschrijving huidige situatie ........................................................................................................................... 8 Beschrijving nieuwe situatie ......................................................................................................................... 11 Beschrijving strijdigheid en procedure ......................................................................................................... 12

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Ruimtelijk beleidskader ......................................................................................................................... 13 Rijksbeleid ..................................................................................................................................................... 13 Provinciaal beleid ......................................................................................................................................... 14 Regionaal beleid ........................................................................................................................................... 18 Gemeentelijk beleid...................................................................................................................................... 19 Conclusie....................................................................................................................................................... 22

4 Aspecten van de fysieke leefomgeving ................................................................................................... 23 4.1 Milieueffectrapportage ................................................................................................................................ 23 4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking ......................................................................................................... 24 4.3 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................................... 25 4.4 Geluid door wegen ....................................................................................................................................... 26 4.5 Activiteiten en milieuruimte ......................................................................................................................... 27 4.6 Trillingen ....................................................................................................................................................... 28 4.7 Bodem ..........................................................................................................................................................

28 4.8 Omgevingsveiligheid ..................................................................................................................................... 30 4.9 Mobiliteit ...................................................................................................................................................... 32 4.10 Natuur en ecologie ....................................................................................................................................... 34 4.11 Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed ....................................................................................................... 36 4.12 Water en klimaatadaptatie ........................................................................................................................... 38 4.13 Duurzaamheid .............................................................................................................................................. 45 4.14 Bezonning en windklimaat ........................................................................................................................... 47 4.15 Gezondheid ...................................................................................................................................................

48 5 Maatschappelijke en financiële haalbaarheid ........................................................................................ 49 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................................... 49 5.2 Financiële uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 50 Bijlagen: Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12:

Quickscan beschermde planten- en diersoorten, B.V., januari 2022 Watertoets, Stijlgroep, 10 november 2023 Aanmeldnotitie mer-beoordeling, juli 2025 Akoestisch onderzoek, 3 juli 2025 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek, ABO Milieuconsult, 17 juni 2022 Stikstofdepositie-onderzoek, 14 januari 2025 Bezonningsstudie Onderzoek omgevingsveiligheid, 30 december 2024 Advisering Externe Veiligheid, Veiligheidsregio Haaglanden, 22 oktober 2019 Verkeerskundige toetsing, Mobycon, 29 november 2023 Windhinderonderzoek, DGMR, 18 juni 2024 Nieuwsbrief / participatieverslag, 2D Vastgoed, 22 september 2022

6

1 Inleiding 1.1

Inleiding en aanduiding projectgebied

De initiatiefnemer is voornemens in de Haagse wijk Leidschenveen een appartementengebouw te ontwikkelen. Het appartementengebouw bestaat uit negen bouwlagen met in totaal 61 woningen. Voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de toegestane activiteiten in het omgevingsplan (van rechtswege) van de gemeente Den Haag en wordt om die reden gezien als buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet biedt een algemene mogelijkheid om de omgevingsvergunning te verlenen. Een vergunning kan verleend worden met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Voorliggend document bevat de onderbouwing op welke manier voorgenomen ontwikkeling hierin voorziet. Ligging planlocatie Het projectgebied is gelegen in het stadsdeel Leidschenveen-Ypenburg van de gemeente Den Haag, in het noordoosten van Leidschenveen. Leidschenveen is een Vinex-locatie in de gemeente Den Haag. Aan de zuid- en zuidwestzijde wordt het plangebied begrensd door, door groen omgeven, bestaande woonbebouwing. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een watergang, met daarachter tevens woonbebouwing. Aan de noordwestzijde wordt het plangebied door de Oude Middenweg en een watergang gescheiden van het bedrijventerrein Forepark. De ligging van het projectgebied is globaal weergegeven op afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1: Ligging van het projectgebied (het projectgebied is wit omkaderd).

1.2

Leeswijzer

De opzet en het vervolg van deze onderbouwing is als volgt. In hoofdstuk 2 is de planbeschrijving opgenomen, waarin de huidige en toekomstige situatie wordt beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijk beleidskader. In het vierde hoofdstuk komen de verschillende milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Hierbij worden per thema de relevante juridische en beleidskaders beknopt weergegeven, waarna vervolgens de effecten in relatie

7 tot de beoogde toekomstige situatie worden beoordeeld (inclusief alle bijbehorende onderzoeken). De maatschappelijke en financiële haalbaarheid komt in het laatste hoofdstuk aan de orde.

8

2 Huidige en nieuwe situatie 2.1

Beschrijving huidige situatie

2.1.1 Planologische situatie Omgevingsplan Den Haag Ter plaatse van het projectgebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Leidschenveen’, dat op 29 september 2016 door de gemeenteraad van Den Haag is vastgesteld. Dit bestemmingsplan is vanaf 1 januari 2024 automatisch onderdeel van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan (van rechtswege 1) van de gemeente Den Haag. In dit bestemmingsplan is het projectgebied voorzien van de enkelbestemming ‘Wonen - 1’ met drie bouwvlakken (zie afbeelding 1.2). De bestaande bouwvlakken kennen een maximum bouwhoogte van 7 meter en een maximum goothoogte van 4 meter.

Afbeelding 2.1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Leidschenveen’ (het plangebied is rood omkaderd).

Vigerende milieuregels (bruidsschat - omgevingsplan van rijkswege) Met het in werking treden van de Omgevingswet komen veel rijksregels die in onder meer het Activiteitenbesluit, Besluit omgevingsrecht, Bouwbesluit en Woningwet te vervallen. Als deze vervallen regels toch nodig zijn om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen, moeten gemeenten deze opnemen in het omgevingsplan. Nu zal het merendeel van de gemeenten geen omgevingsplan vaststellen op het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden. De tot dat moment geldende bestemmingsplannen gaan dan over in een omgevingsplan van rechtswege. Om er voor te zorgen dat hierdoor geen regelhiaat ontstaat, worden deze vervallen rijksregels van rechtswege als 'bruidsschat' aan het omgevingsplan van rechtswege gehecht. Deze bruidsschatregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 (begripsbepalingen) en hoofdstuk 22 (inhoudelijke regels) van het omgevingsplan. Hoewel deze bruidsschat onderdeel uitmaakt van het zogenoemde 'tijdelijke deel' van het omgevingsplan, blijft deze van kracht tot het moment dat de gemeente deze regels met een besluit tot wijzigen van het omgevingsplan wijzigt of laat vervallen.

1

Elke gemeente heeft op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, automatisch een omgevingsplan: een omgevingsplan van rechtswege. Dit betreffen inhoudelijk de nu geldende bestemmingsplannen samen met een aantal rijksregels die het Rijk als onderdeel van het Invoeringsbesluit Omgevingswet automatisch toevoegt aan elk omgevingsplan, beter bekend als de bruidsschat. Tijdens de overgangstermijn (die tot en met 2032 loopt) kan elke gemeente het tijdelijk deel stapsgewijs omvormen naar een volwaardig omgevingsplan.

9 De bruidsschat bevat milieuregels voor activiteiten die lokaal geregeld kunnen worden. Bijvoorbeeld over geluidshinder of geurhinder bij een horecagelegenheid, sportinrichting of een winkel. Ook bevat de bruidsschat regels over immissies van geluid, geur en trillingen. Bij de voorliggende BOPA wordt er van uit gegaan dat de gemeente Den Haag de bruidsschat (vooralsnog) intact laat. Op de milieubelastende activiteiten blijven de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van toepassing. 2.1.2 Feitelijke situatie Ontstaansgeschiedenis Het projectgebied is gelegen in het stadsdeel Leidschenveen-Ypenburg van de gemeente Den Haag, in het noordoosten van Leidschenveen. Leidschenveen is een wijk van Den Haag ontwikkeld op een locatie ten oosten van de stad in de oksel van de rijkswegen A4 en A12 en ligt in de Tedingerbroekpolder en de polder van Nootdorp. Deze polders zijn in de loop van de negentiende eeuw drooggemalen. Via sloten en tochten in het gebruikelijke rechthoekige verkavelingpatroon is het water uit de polders afgevoerd en werd het gebied geschikt gemaakt voor landbouw en veeteelt. Langs dijken als de Veenweg, die tevens als verkeerswegen functioneerden en de poldergebieden van elkaar scheidden, werden boerenhoeven gebouwd.

In 1990 is het gebied in de Vierde Nota Extra (VINEX) aangewezen als één van de gebieden rond Den Haag die ontwikkeld moesten worden als bouwlocatie om in de groeiende woningbehoefte in het zuidelijk deel van de Randstad te kunnen voorzien. De gemeente Leidschendam heeft daartoe een masterplan ontwikkeld, een bestemmingsplan vastgesteld en in 1995 zijn de eerste woningen in het gebied gerealiseerd. In 2002 is de hele wijk Leidschenveen onderdeel geworden van het grondgebied van de gemeente Den Haag.

Afbeelding 2.2: Ontwikkeling Leidschenveen

10 Bestaande situatie Het plangebied ligt in de buurt De Velden, gelegen in de noordwestelijke woonkern van Leidschenveen. De wijk bestaat uit een aantal vlakken of velden in een orthogonaal raamwerk van singels, straten en groene ruimten waarop gespeeld kan worden. De thematiek van de 'velden' is kenmerkend voor de woonsfeer en is terug te zien in de diverse verkavelingstypologieën en architectonische eenheden die per veld verschillend zijn. De verkaveling van de buurt is opgebouwd uit stroken- en half gesloten blokverkavelingen, bestaande uit overwegend geschakelde rijwoningen variërend in hoogte en georiënteerd op de openbare ruimte en tweeonder-één kap woningen afgewisseld met gestapelde bouw. De gestapelde bouw loopt dwars door de buurt en markeert het midden van de buurt. Deze ‘as’ vormt een groene zone met appartementengebouwen, variërend van zes tot tien bouwlagen en een plint. De appartementengebouwen hebben geen alzijdige orientatie en balkons aan de gevels. Het plangebied is circa 2.727 m2 en bevindt zich aan het ‘einde’ van deze as. Binnen het plangebied bevinden zich drie woningen, bestaande uit één woonlaag met kap.

Afbeelding 2.3: straatbeeld van de bestaande situatie

Afbeelding 2.4: Omliggende bouwblokken en groenstructuur

11

2.2

Beschrijving nieuwe situatie

Het voornemen bestaat om de bestaande woonbebouwing te slopen en hier een appartementengebouw van negen lagen voor terug te bouwen. In totaal biedt het appartementengebouw ruimte voor 61 woningen, variërend in oppervlakte. Daarnaast voorziet het plan in 62 parkeerplaatsen en 240 fietsparkeerplaatsen op eigen terrein. In het oorspronkelijke Masterplan Leidschenveen was ter plaatse van het plangebied reeds een hoogteaccent van 10 lagen bedacht, net als aan de andere zijde van de groene as. Door het volume te verhogen is er ruimte voor groen rondom het volume en komt het net als de andere blokken in het ‘park’. Het wordt een alzijdig bouwblok met geïntegreerde buitenruimtes. De groenstructuur zal worden doorgezet en het parkeren vindt plaats onder het groen. De groene as van het stedenbouwkundig plan krijgt hiermee een duidelijke kop.

Afbeelding 2.5: Stedenbouw – groene as

12

Afbeelding 2.6: Impressie toekomstige situatie

2.3

Beschrijving strijdigheid en procedure

Het voorziene appartementengebouw past niet binnen de bestaande bouwvlakken en overschrijdt de toegestane bouw- en goothoogte zoals opgenomen in het omgevingsplan. Voorgenomen ontwikkeling wordt om die reden gezien als een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is ofwel een activiteit, waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, ofwel een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Het gaat dus om een activiteit die niet toegelaten is op grond van het omgevingsplan en ook niet toegelaten kan worden met toepassing van de regels in het omgevingsplan. Artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet biedt een algemene mogelijkheid om de omgevingsvergunning toch te verlenen. Deze vergunning kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De instructieregels van de rijksoverheid en van de provincie zijn ook van toepassing op het verlenen van de vergunning. Het voorliggende document betreft de onderbouwing bij de BOPA. Voor deze BOPA wordt uitgegaan van de reguliere procedure. De beslistermijn voor de reguliere procedure is maximaal 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken.

Een omgevingsvergunning die is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop het bevoegd gezag het besluit bekend heeft gemaakt.

13

3 Ruimtelijk beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Omgevingswet De Omgevingswet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: • Omgevingsbesluit: hierin staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, procedures, handhaving en uitvoering evenals over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). • Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): hierin stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Algemene rijksregels die gelden voor diverse activiteiten zijn in dit besluit opgenomen. Het Bal is direct gericht op burgers en bedrijven.

• Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl): dit besluit bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor gemeenten, provincies en waterschappen voor het vaststellen van onder meer omgevingsplannen en verordeningen. • Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): dit besluit bevat met name regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast bevat het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het Bbl is vooral gericht op burgers of bedrijven. Toetsing Met voorgenomen ontwikkeling wordt niet afgeweken en worden geen aanvullende regels gesteld ten aanzien van de regels uit het Bal of het Bkl. De toetsing aan de verschillende milieuthema’s is verder uitgewerkt in Hoofdstuk 4 van deze onderbouwing. Uit de toetsing aan deze milieuthema’s blijkt dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl. De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het Bouwbesluit 2012. Voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de toegestane activiteiten in het omgevingsplan (van rechtswege) van de gemeente Den Haag en wordt om die reden gezien als een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het voorliggende document betreft de onderbouwing op welke wijze wordt voorzien in ETFAL.

De aanvraag voor de technische bouwactiviteit loopt parallel aan de aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit. 3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er

14

één rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet. Toetsing Voorliggend plangebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI. Wel draagt de beoogde ontwikkeling van een hoogwaardige en groene woonomgeving in algemene zin bij aan de kwaliteit van leven in stad en dorp.

3.2

Provinciaal beleid

Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is. 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland. Ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid‐Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3.

Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid‐Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid‐Holland. 5. Versterken natuur in Zuid‐Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid‐Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. Ruimtelijke hoofdstructuur De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 3.1 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.

15

Afbeelding 3.1: Omgevingsvisie Zuid-Holland – ruimtelijke hoofdstructuur.

Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving: - Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; - Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is beschreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft; - Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een ‘ja, mits’-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening. De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie. De belangrijke gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland zijn weergegeven in vier lagen: de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving.

De integrale kwaliteitskaart vat de vier lagen in één kaartbeeld samen. Met behulp van de kwaliteitskaart houden betrokken partijen bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van een gebied. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen, die nader zijn geconcretiseerd in richtpunten. De richtpunten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden, en de wijze waarop ruimtelijke ontwikkelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in verschillende gebiedsprofielen. Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toetsingskader maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Passende ruimtelijke ontwikkeling Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol.

16 De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is. In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Toetsing Voorliggend projectgebied is opgenomen in een aantal lagen van de kwaliteitskaart. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Veencomplex – oude zeeklei’. Ontwikkelingen in droogmakerijen dienen bij te dragen aan een duurzame waterhuishouding. Voorgenomen ontwikkeling ligt binnen een woonwijk en er is geen bestaande waterproblematiek bekend. In hoofdstuk 4 van deze onderbouwing is uitgebreider ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied deels aangeduid als ‘Steden en dorpen’.

Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkelingen zijn: • ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp; • hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur; • ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Het plangebied ligt aan het einde van een groene as binnen Leidschenveen, met unieke bebouwing. De naastgelegen appartementengebouwen kennen een opbouw van zes bouwlagen met een plint. Aan de andere zijde van de groene as wordt de as op de kop afgesloten met een hoogteaccent van tien bouwlagen. Het past binnen de opbouw van de bebouwing om ook op deze kop af te sluiten met een hoogteaccent. Ook is er door het volume te verhogen naar negen lagen meer ruimte voor groen rondom het volume en komt het net als de andere blokken in het ‘park’. De omliggende straat- en groenstructuur wordt doorgezet rondom het gebouw. Hiermee past de ontwikkeling binnen de omgeving en draagt het bij aan de versterking van de stedelijke groenstructuur. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen en in de laag van de beleving is voor het plangebied geen aanduiding opgenomen.

Voorgenomen ontwikkeling sluit dus aan bij de richtpunten uit de kwaliteitskaarten en past zodoende binnen het gestelde in de provinciale omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) is geldig vanaf 1 januari 2024. De ZHOV is 15 december 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. Daarna is de ZHOV enkele keren gewijzigd en aangevuld (ook al voor de inwerkingtreding). De instructieregels uit de omgevingsverordening hebben een directe doorwerking in omgevingsplannen en bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ladder voor duurzame verstedelijking Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking.. De toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt behandeld in paragraaf 4.2.

17 Ruimtelijke kwaliteit Op grond van de Omgevingsverordening kan een omgevingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.

Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die niet passen bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Toetsing Voorliggende ontwikkeling voorziet in het slopen van de bestaande woonbebouwing en in de realisatie van een appartementengebouw op het perceel. Het wordt een alzijdig bouwblok met geïntegreerde buitenruimtes. De groenstructuur zal worden doorgezet en het parkeren vindt plaats onder het groen. De bestaande groene as krijgt hiermee een duidelijke kop. Hiermee past de ontwikkeling binnen de omgeving en draagt het bij aan de versterking van de stedelijke groenstructuur. Deze planontwikkeling op perceelsniveau past zodoende binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet geen wijziging op structuurniveau.

Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassen', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan. Het projectgebied is in de provinciale verordening aangewezen als ‘stationsomgeving’. De volgende artikelen zijn hierbij van toepassing: Artikel 7.45d (aanwijzing en geometrische begrenzing stationsomgevingen) Stationsomgevingen zijn locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Artikel 7.45e (parkeernorm stationsomgevingen) 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving als bedoeld in artikel 7.45d, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. De wijze waarop het parkeren wordt opgelost is nader beschreven in paragraaf 4.10. Voor het overige zijn geen relevante instructieregels opgenomen voor het projectgebied in de omgevingsverordening.

18

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Regionale agenda’s De Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) is een samenwerkingsverband van 23 gemeenten die hun krachten bundelen om het gebied beter bereikbaar te maken en het economisch vestigingsklimaat te versterken. De MRDH werkt vanuit twee agenda's: De Strategische Bereikbaarheidsagenda Vervoersautoriteit en de Agenda Economisch Vestigingsklimaat. De metropoolregio zet zich in voor: • Verbetering van de (internationale) bereikbaarheid van de metropoolregio; • Economische vernieuwing • Transitie naar toonaangevende duurzaamheid • Attractiviteit van de regio Toetsing De regionale agenda’s bevatten geen zaken die zich specifiek richten op onderhevig plangebied. 3.3.2 Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 De beleidsterreinen Verkeer en Vervoer en Economisch Vestigingsklimaat zijn in MRDH verband vastgelegd. Het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020 (RSP) (vastgesteld in 2008 door het algemeen bestuur van het Stadsgewest Haaglanden) blijft voor de overige beleidsterreinen vooralsnog van kracht; het is een integraal plan voor: • de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden; • het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie; • lokale plannen, zoals bestemmingsplannen. Toetsing Het RSP kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen.

Het RSP bevat geen zaken die zich specifiek richten op onderhevig plangebied. 3.3.3 Woonvisie Woningmarktregio Haaglanden 2017-2021 De negen gemeenten in de regio Haaglanden vormen al jaren een gezamenlijke woningmarktregio. Na het opheffen van het Stadsgewest Haaglanden in 2014 is de samenwerking voortgezet middels een bestuurlijke tafel Wonen. Om de woningmarktregio verder te versterken is in 2017 een regionale woonvisie opgesteld voor de periode 2017 – 2021. De regionale woonvisie kiest er voor om te streven naar een ongedeelde regionale woningmarkt. Dit wil zeggen een woningmarkt waar er voor alle inwoners voldoende betaalbare en gewenste woningen verspreid over de gemeenten in de regio beschikbaar zijn. De regionale woonvisie benoemt daarnaast meerdere gezamenlijke opgaven op het gebied van sociale woningbouw, woningbouwprogrammering, duurzaamheid, wonen en zorg en verbetering van het bestaande vastgoed. Dit is vertaald naar de volgende doelstellingen: • Een regionaal afgestemd woningbouwprogramma, waarmee tot 2020 jaarlijks 5.000 woningen worden toegevoegd aan de woningmarktregio. • Hierbij aandacht te hebben voor de opgave om meer stedelijke woonmilieus toe te voegen. • Gezamenlijk de opgave voor nieuwe sociale woningen in de regio (circa 12.000 tot 2025) op te pakken, en gelijk ook oog te hebben voor de kwaliteit en betaalbaarheid van de huidige voorraad.

• Het aandeel middeldure huurwoningen verhogen binnen het totale nieuwbouwprogramma.

19 • • •

Om in 2050 tot een CO2- neutrale of energie-neutrale regio te worden, zetten de gemeenten in op een volledige energietransitie van de gebouwde omgeving. Regionaal is de intentie om vanaf 2018 geen woningen meer te bouwen met een aardgasaansluiting. Intensievere samenwerking op het gebied van wonen en zorg. Dit middels een uniform registratiesysteem voor aangepaste woningen, en het gezamenlijk afspreken van het uitgangspunt dat wanneer een bewoner uit de regio wil verhuizen naar een andere gemeente in de regio, hun zorg- en/of begeleidingstoekenning moet kunnen meeverhuizen.

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 61 woningen in een stedelijk woonmilieu. De appartementen voldoen aan de huidige duurzaamheidseisen. Zodoende past de ontwikkeling binnen de regionale doelstellingen.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Wéreldstad aan Zee, Structuurvisie Den Haag 2020 De Structuurvisie Den Haag 2020 beschrijft de toekomstvisie van Den Haag op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad in regionaal perspectief tot het jaar 2020. De ambitie is om van Den Haag een 'Wereldstad aan Zee' te maken door de sterke kwaliteiten van Den Haag te benutten: een internationale stad, een stad aan zee, een multiculturele stad en een monumentale residentie. De structuurvisie gaat uit van een lichte groei van het aantal inwoners en een groei van het aantal arbeidsplaatsen in 2020. Dat betekent dat er circa 40.000 woningen moeten worden toegevoegd in de bestaande stad, door verdichting. In de structuurvisie wordt de Wéreldstad aan Zee vorm gegeven door ontwikkelingen in vijf kansenzones (het Centrum, de Lijn 11-zone, de Internationale Kustzone, de Vliet/A4-zone en de Schakelzone Lozerlaan). Toetsing Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de verdichting van de bestaande stad door het toevoegen van woningen. 3.4.2 Agenda Ruimte voor de Stad De Agenda Ruimte voor de Stad is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie die, wanneer de nieuwe Omgevingswet van kracht wordt, ook voor gemeenten verplicht gesteld is.

Voor de Agenda Ruimte voor de Stad zijn vier transitieopgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief. Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd wordt: • Kwaliteit van het proces door samen stad maken waar mogelijk ruimte aan initiatiefnemers, daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzen om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven; • Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat; • Kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkloosheid.

20

Toetsing Het belang van veel lopende projecten wordt met deze agenda benadrukt. Goede uitvoering met ook oog voor de tijdelijke situatie vraagt een enorme inzet. Daarnaast zijn er een aantal grotere strategische ontwikkelingen geagendeerd in deze agenda. In het algemeen kan worden gesteld dat in de periode tot 2025 in de stad voldoende plancapaciteit aanwezig moet zijn voor het bouwen van 2.000 tot 2.500 woningen per jaar. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van 61 woningen en sluit dus aan bij de strategische kaders uit de agenda. 3.4.3 Woonvisie Den Haag 2017-2030 Het woonbeleid is vastgelegd in de Woonvisie Den Haag 2017-2030 (RIS296833, 29 juni 2017). Den Haag is een groeiende stad in een tijd waarin veranderingen steeds sneller gaan en die de maatschappelijke en economische verhoudingen blijvend veranderen. Het is een uitdaging om mensen, bedrijven en banen aan de stad te blijven binden. Om een fijne, leefbare en groene woonstad te blijven moeten we zorgen dat de sociaaleconomische verschillen niet te groot worden en moeten we overstappen op een nieuwe vorm van energievoorziening. Den Haag heeft een gunstige uitgangspositie als aantrekkelijke woonstad. De unieke ligging aan zee, het levendige centrumgebied, prettige woonwijken en een sterk internationaal profiel.

Om deze positie nog verder te versterken zet de woonvisie in op een 'stedelijke, attractieve en inclusieve stad in 2030'. Dit betekent dat Den Haag meer onderscheidende en aantrekkelijke stedelijke woonmilieus biedt, dat wonen in de stad betaalbaar is voor iedereen én wijken op de toekomst zijn voorbereid en meer gemengd zijn. Het (sloop-)nieuwbouw, transformatie- en verbeterprogramma geeft ruim baan aan deze ambitie en volgt de groei van de stad. De gemeente Den Haag gaat voor de langere termijn uit van een jaarlijks netto bouwprogramma van 2.000-2.500 woningen. De ruimte om te groeien is beperkt. Den Haag zal zich voor groei moeten richten op binnenstedelijke locaties (de zogenaamde inbreidingslocaties), transformatie van bestaande gebouwen en gemengde woonwerkgebieden. Daarbij wordt ingezet op differentiatie in architectuur en woningtypen. Het is van belang om hierbij zorgvuldig om te gaan met bestaand groen en bestaande wijken. Een andere uitdaging is het verkleinen van de sociaaleconomische verschillen tussen wijken. De woonvisie zet in op: 1. Een meer sociaal-inclusieve stad. 2. Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. 3. Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Dit heeft zowel betrekking op de duurzaamheid van woningen als op de levensloopbestendigheid van woningen. 1. Een meer sociaal-inclusieve stad.

Een aantrekkelijke en gastvrije stad is sociaal inclusief: een stad zonder te grote sociaaleconomische verschillen. De aanwezigheid en spreiding van voldoende betaalbare woningen in de stad voor minder financieel draagkrachtige huishoudens is hierin een belangrijke opgave. Voor de woningbouwproductie is dit vertaald in een gemiddelde woningbouwproductie van: • 30% sociale huurwoningen voor de hele stad; • 20% middeldure huurwoningen; • en een streven naar 25% middeldure koopwoningen. Daarbij wordt gestuurd op een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningbouw over de stad. Ook wordt ingezet op het borgen van voldoende betaalbare woningen voor kwetsbare groepen en wordt gestuurd op de verbetering en vernieuwing van kwetsbare wijken, o.a. via de aanpak 'Nieuwe Generatie Stadswijken'. Streven is

21

meer differentiatie in de woningvoorraad aan te brengen. Eventuele afname van de sociale voorraad in deze wijken dient elders in de stad, maar ook in de regio te worden gecompenseerd. 2. Het verder uitbouwen van Den Haag als aantrekkelijke en gastvrije woonstad. Dit is een voorwaarde voor het vasthouden en aantrekken van stedelijk talent. Doel is om voor deze groepen die bijdragen aan het internationale, gastvrije, levendige en economische profiel van Den Haag nog meer onderscheidende stedelijke woon(werk)milieus te ontwikkelen. In het bouwprogramma wordt daarom nadrukkelijk rekening gehouden met de woonvoorkeuren van stedelijke doelgroepen young urban professionals, stedelijke gezinnen, studenten, empty-nesters en expats. 3. Een meer toekomstbestendige woningvoorraad. Het streven is dat in 2030 de woningvoorraad voldoet aan de duurzame en woontechnische eisen. Dit betekent dat het onderhoud van woningen op orde is en dat in 2030 tenminste 50% van de woningen wordt verwarmd met een niet-fossiele warmtebron. Voor nieuwbouw betekent dit dat woningen niet langer zijn aangesloten op het gasnet. Verder wordt ingezet op een groter en gevarieerder aanbod aan geschikte woningen en woonzorgvormen voor (langer) zelfstandig thuis wonen. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 61 (huur)appartementen.

De doelgroep voor de appartementen zijn voornamelijk empty nesters. De ontwikkeling past binnen de gemeentelijke ambitie. De appartementen voldoen aan de huidige duurzaamheidseisen. De ontwikkeling past binnen de gemeentelijke woonambities. 3.4.4 Woonagenda 2020-2030 In de Woonagenda 2020-2023 is het uitgangspunt is dat iedere inwoner van Den Haag fatsoenlijk en betaalbaar kan wonen. Betaalbaar wonen moet haalbaar zijn voor starters, ouderen, studenten én gezinnen. “Haags samen wonen, daar geloven we in”. De Woonagenda vormt het actueel woonbeleid van Den Haag en is hiermee een concrete uitwerking van de Woonvisie. De woonagenda vervangt de uitvoeringsagenda bij de Woonvisie Den Haag. Belangrijke elementen van de woonagenda zijn: • maatregelen om de realisatie en het behoud van goedkope en middeldure woningen te borgen; • maatregelen om de sociale huurwoningen in Den Haag beter te verdelen; • maatregelen om de leefbaarheid in wijken te beschermen door een rem op de bouw van kleine woningen (kleiner dan 50 m2) en het beperken van de mogelijkheid tot bouwkundig splitsen; • maatregelen voor specifieke doelgroepen waaronder onmisbare beroepsgroepen, woonwagenbewoners, zorgdoelgroepen en studenten. In de woonagenda zijn extra maatregelen beschreven. Den Haag kampt momenteel namelijk met een enorme woningnood. Den Haag groeit de komende jaren met 4.000 tot 5.000 inwoners per jaar.

Om te zorgen dat iedereen in onze stad prettig kan wonen zijn dan ook flinke maatregelen nodig voor de Haagse woningmarkt. In de woonagenda zijn deze extra maatregelen beschreven en hieronder worden er aantal opgesomd: • De jaarlijkse bouwambitie is verhoogd. De norm van 30% sociale woningbouw voor de hele stad groeit hierbij mee. • Er wordt gestreefd naar 20% betaalbare koopwoningen in nieuwbouw. Voor ontwikkelingen tot 80 woningen geldt geen eis wat betreft een minimaal aantal betaalbare woningen. • Op beperkte schaal voert de gemeente een actief grondbeleid als dat helpt om de bouw van sociale huur en starterswoningen te ondersteunen.

22 •

•

•

Het verbouwen van een woning tot 2 of meer zelfstandige woningen (bouwkundig splitsen) kan alleen nog in een beperkt aantal gebieden en onder bepaalde voorwaarden. Ook de regels voor kamerbewoning en kamerverhuurders worden strenger. Dit voorkomt negatieve gevolgen voor het karakter en de leefbaarheid van buurten. Er is in Den Haag een groot tekort aan bepaalde beroepsgroepen zoals leraren, agenten en zorgpersoneel. Daarom experimenteert de gemeente met manieren om deze beroepsgroepen te helpen bij het vinden van huisvesting. Zo maken we het aantrekkelijker om deze beroepen uit te oefenen in Den Haag. Er komen extra maatregelen voor het huisvesten van specifieke groepen zoals studenten, zorgdoelgroepen, ouderen en arbeidsmigranten.

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 61 (huur)appartementen. De woningen variëren in grootte. De ontwikkeling past binnen de elementen en maatregelen uit de Woonagenda.

3.5

Conclusie

Zoals uit het voorgaande blijkt, past de ontwikkeling in het projectgebied binnen het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

23

4 Aspecten van de fysieke leefomgeving 4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1 Kader In Europees verband is afgesproken dat projecten die aanzienlijke milieueffecten hebben of kunnen hebben, worden onderzocht op hun gevolgen voor het milieu. Een milieueffectrapportage (mer) brengt de milieugevolgen van een project in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. In Nederland is de mer-richtlijn geïmplementeerd in de Omgevingswet. De Omgevingswet maakt onderscheid tussen een milieueffectrapportage (mer) voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en een milieueffectrapportage voor projecten (paragraaf 16.4.2). Op grond van Ow artikel 16.43 zijn in het Omgevingsbesluit de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen, die mer-(beoordelings)plichtig zijn. Een plan-mer-plicht geldt op grond van Ow artikel 16.36 voor – onder andere – een plan of programma als dat het kader vormt voor te nemen besluiten voor deze projecten. Voor voorliggende ontwikkeling is het projectmer van toepassing.

Project-mer en mer-beoordeling Voor de milieueffectrapportage voor projecten is onderscheid gemaakt tussen projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt (Ow artikel 16.43 lid 1 sub a), en projecten waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben (Ow artikel 16.43 lid 1 sub b). Die projecten zijn aangewezen in bijlage V van het Omgevingsbesluit, respectievelijk kolom 2 en 3. In geval van een mer-plichtig project maakt degene die voornemens is het project uit te voeren het milieueffectrapport. Over de uitvoering en inhoud van een project-MER staan nadere regels in paragraaf 11.2 van het Omgevingsbesluit. Indien degene die voornemens is een mer-beoordelingsplichtig project uit te voeren geen milieueffectrapport maakt, beoordeelt het bevoegd gezag of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (Ow artikel 16.43 lid 2 en 3): - kenmerken van het project; - plaats van het project; - kenmerken van het potentiële effect. Degene die voornemens is het project uit te voeren – en geen milieueffectrapport maakt – moet dat voornemen mededelen aan het bevoegd gezag (Ow artikel 16.45).

Over de inhoud van deze mededeling staan regels in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Na ontvangst van en op grond van de informatie in deze mededeling, neemt het bevoegd gezag de beslissing of sprake is van aanzienlijke milieueffecten – en als dat het geval is een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het resultaat van deze beoordeling met de bijbehorende motivering wordt opgenomen in het besluit (Ob artikel 11.11). 4.1.2 Onderzoek en conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals dat in bijlage V van het Omgevingsbesluit (categorie J11) is aangewezen als een mer-(beoordelings)plichtig project. De aanleg, wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling is in kolom 3 aangemerkt als geval waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (Ow artikel 16.43 lid 1 sub b). Als het voor dit project benodigde besluit is in kolom 4 het omgevingsplan

24 aangewezen. Voor deze ontwikkeling dient zodoende een mer-beoordeling te worden uitgevoerd. Deze merbeoordeling is opgenomen in een zogenaamde aanmeldnotitie, welke is opgenomen als bijlage 3 bij deze onderbouwing. De mogelijke milieueffecten zijn hierin weloverwogen beoordeeld. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om mogelijke aanzienlijke effecten te voorkomen of te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen aanzienlijke negatieve effecten verwacht worden. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit te nemen. De merbeoordelingsbeslissing vormt uiteindelijk een bijlage bij de vergunning.

4.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.2.1 Wettelijk kader In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4.

Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit jurisprudentie volgt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 4.2.2 Onderzoek De structuurvisie Den Haag 2020 gaat uit van een lichte groei van het aantal inwoners en een groei van het aantal arbeidsplaatsen in 2020. Dat betekent dat er circa 40.000 woningen moeten worden toegevoegd in de bestaande stad, door verdichting. De Agenda ruimte voor de Stad stelt dat er in de periode tot 2025 voldoende plancapaciteit in de stad aanwezig moet zijn voor het bouwen van 2.000 tot 2.500 woningen. In de Woonagenda 2020-2023 is het uitgangspunt is dat iedere inwoner van Den Haag fatsoenlijk en betaalbaar kan wonen. Daarnaast is de woningbouwambitie opgeschroefd van 2.500 naar 4.000 woningen per jaar. Daarnaast is in de Woonvisie Den Haag aangegeven dat de gemeente in 2030 een stedelijke, attractieve en inclusieve stad is.

Dit betekent dat Den Haag meer onderscheidende en aantrekkelijke stedelijke woonmilieus biedt, dat wonen in de

25 stad betaalbaar is voor iedereen én wijken op de toekomst zijn voorbereid en meer gemengd zijn. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 61 woningen. De doelgroep voor de appartementen zijn studenten en ouderen. De woningen variëren in grootte. Zodoende past de ontwikkeling binnen de regionale en gemeentelijke woonambities en volgt de groei van de stad. De ontwikkeling draagt bij aan de verdichting van de stad. 4.2.3 Conclusie Gezien het voorgaande en op basis van de algehele woningbehoefte in de regio en de gemeente kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1 Kader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen agglomeraties, moeten de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente Den Haag bevindt zich binnen het aandachtsgebied voor luchtkwaliteit ‘agglomeratie Den Haag/Leiden’. De voorgenomen ontwikkeling is echter vanwege zijn aard en omvang aan te merken als een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van luchtkwaliteit. 4.3.2 Onderzoek Het project gaat om de realisatie van 61 woningen. Het behoort hierdoor tot een standaardgeval dat niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van verhoging van de concentratie stikstofdioxide en fijnstof. Van deze standaardgevallen staat vast dat de verhoging maximaal 1,2 µg/m3 bedraagt. De realisatie van het project is daarom nauwelijks van invloed op de kwaliteit van de buitenlucht.

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat de waarden van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de omgevingswaarden blijven zoals benoemd in artikel 2.4 en artikel 2.5 uit het Bkl. In afbeelding 4.1 is een uitsnede weergegeven van de kaart in de omgeving van het projectgebied.

Afbeelding 4.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2020)

26 4.3.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Geluid door wegen

4.4.1 Kader Op grond van onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. 4.4.2 Onderzoek Omdat deze nieuwe woningen zijn gelegen binnen het aandachtsgebied van Rijkswegen, Gemeentewegen en Spoorwegen is akoestisch onderzoek op grond van artikel 5.78s Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) noodzakelijk. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze onderbouwing. Uit het onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels blijkt dat de geluidsbelasting door het verkeer op de Rijksweg A4 maximaal 61 dB bedraagt en het verkeer op de Gemeentewegen maximaal 59 dB. Dit betekent dat de grenswaarde van 60 dB voor Rijkswegen met 1 dB wordt overschreden en de grenswaarde van 70 dB voor gemeentewegen niet. Verder blijkt uit het onderzoek dat bron- en overdrachtsmaatregelen op of langs de rijksen gemeentewegen niet doelmatig zijn. Om deze reden is er voor gekozen het woon- en leefkwaliteit van de woningen te vergroten door bouwkundige maatregelen.

Deze maatregelen zijn de toepassing van een gesloten borstwering ter plaatse van de balkons van 1,5 en 1,6 m hoog. Daarnaast worden de plafonds van de geluidsbelaste loggia’s voorzien van absorptie met een absorptiecoëfficiënt ≥0,90 en wordt aan de noordwestgevel een laag gepositioneerd spuiluik toegepast achter de gesloten glazen borstwering. Verder blijkt dat aan het geluidbeleid van de gemeente kan worden voldaan. Uit het rapport wordt geconcludeerd dat 44 van de 55 eenzijdig georiënteerde 1 en 2 kamer woningen een geluidsluwe gevel hebben. Dit past ruimschoots binnen de vrijstelling dat de helft van deze woningen een geluidsluwe zijde moeten hebben. Omdat daarnaast alle 6 grotere appartementen op de 8e verdieping een geluidsluwe gevel hebben en omdat de maximale cumulatieve berekende geluidsbelasting van 63 dB ruim lager is dan de plandrempel van 69,5 dB wordt voldaan aan alle voorwaarden uit het geluidbeleid. Een overschrijding van de grenswaarde door de rijkswegen is aan de orde op 1 appartement op de 7e verdieping (meest noordwestelijke) en de 3 appartementen op de 8e verdieping. De geluidsbelasting op deze woningen wordt gereduceerd middels de gesloten borstwering zodat deze gevel moet worden gezien als een nietgeluidsgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen.

De gezamenlijke geluidsbelasting is 62 dB op de 7e verdieping en 63 dB op de 8e verdieping en moet specifiek worden vastgelegd in de Bopa vergunning. Op termijn zal deze niet-geluidsgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen met de waarde van het gezamenlijke geluid moeten worden vastgelegd in het omgevingsplan van Den Haag. Met de toegepaste bouwkundige maatregelen wordt de optredende geluidbelasting in de woning verder gereduceerd. In het ontwerp is er ruim voldoende geluidwering geboden om aan de wettelijke eisen te kunnen voldoen en een goed akoestisch binnenklimaat te kunnen garanderen. In de praktijk zal met de verder

27

gereduceerde belasting als gevolg van de genoemde bouwkundige maatregelen en de berekende geluidwering van de gevel het akoestische binnenklimaat ruimschoots voldoen aan de geluidsregels uit de Omgevingswet. 4.4.3 Conclusie In de bouwtechnische uitwerking van het plan wordt de geluidbelasting meegenomen en waar nodig zullen de benodigde maatregelen worden getroffen. Met het toepassen van deze maatregelen heeft het aspect geluid geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en voorziet het in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16403673/1