CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS323108 Schimmel bij Hof Wonen en de GGD bijlage 2

Commissie Ruimte 29 oktober 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Hoofdstuk 2.13 Stadsontwikkeling en Wonen37.380 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

49

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

Figuur 4.5 | In afgelopen twee jaar verhuisde doorstromers en semi-starters naar achtergelaten en betrokken woning, 2024

Gemiddelde actieve zoektijd corporatiewoning 29 maanden Figuur 4.6 | Gemiddelde actieve zoektijd in maanden van huishoudens die in afgelopen twee jaar zijn verhuisd naar een corporatiewoning, naar landsdeel en leeftijd, 2024 Noord-Nederland Oost-Nederland West-Nederland Zuid-Nederland < 25 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar 65-74 jaar 75+ jaar Totaal 0

• De belangrijkste verhuisstromen vonden plaats binnen het segment met huurappartementen en binnen het segment met eengezinskoopwoningen. Dat beeld was ook bij het WoON 2021 zichtbaar. • Een deel van de bewoners van een huurappartement maakte de stap naar een eengezinswoning, deels in de huursector, vaker in de koopsector. • De verhuisstroom van eengezinswoningen naar appartementen is in vergelijking met de andere verhuisstromen beperkt. Met name vanuit eengezinskoopwoningen werd naar verhouding nog weinig verhuisd naar appartementen. Gezien de toenemende vergrijzing is wel te verwachten dat dit zal toenemen als ook het aanbod toeneemt.

10

20

30

40

50

• Gemiddeld was een woningzoekende die de afgelopen twee jaar is verhuisd naar een corporatiewoning 28 maanden actief op zoek naar hun huidige woning. • De actieve zoektijd was het langst in West-Nederland (30 maanden), maar in Zuid-Nederland (29 maanden) en in Noord-Nederland (27 maanden) was de zoektijd niet veel korter. In Oost-Nederland zocht een huishouden de afgelopen jaren gemiddeld twee jaar naar een corporatiewoning. • De verschillen tussen West-Nederland en de andere landsdelen is ten opzichte van het vorige WoON afgenomen, een indicatie dat ook buiten de Randstad de druk op de sociale huursector is toegenomen. • Jonge huishoudens in de leeftijd tot 35 jaar zochten korter dan huishoudens in de leeftijd tussen 35 en 65 jaar. • Ouderen vonden sneller dan gemiddeld een corporatiewoning. Ouderen kunnen geregeld reageren op voor senioren gelabelde woningen en hebben doorgaans een lange inschrijfduur, waardoor zij relatief snel een corporatiewoning kunnen krijgen.

50

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

Huishoudens vinden sneller woning in private huur

4.2 Verhuiswensen

Figuur 4.7 | Gemiddelde actieve zoektijd in maanden van huishoudens die in afgelopen twee jaar zijn verhuisd naar een private huurwoning, naar landsdeel en leeftijd, 2024

3,6 miljoen huishoudens met verhuiswens Figuur 4.8 | Aantal verhuisgeneigde huishoudens (bestaand + nieuw) met voorkeur voor zelfstandige woning en aantal actief zoekende huishoudens; 2018 tot en met 2024

Noord-Nederland Oost-Nederland West-Nederland Zuid-Nederland

4.000.000 3.500.000

< 25 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar 65-74 jaar 75+ jaar

2.000.000

Totaal

500.000

3.000.000 2.500.000

1.500.000 1.000.000

0

2

4

6

8

10

12

14

-

16

Een private huurwoning is sneller te vinden dan een corporatiewoning. • Huishoudens die de afgelopen twee jaar een private huurwoning betrokken, waren gemiddeld negen maanden actief op zoek. Een private huurwoning is daarmee gemiddeld in een derde van de actieve zoektijd te bemachtigen die het vergt om een corporatiewoning te vinden. • In Oost-Nederland duurde het langer dan gemiddeld om een private huurwoning te vinden. In Zuid-Nederland zochten huurders van een private huurwoning gemiddeld het kortst. • Jonge huurders (tot 25 jaar) vonden sneller dan gemiddeld een private huurwoning. Huurders in de leeftijd van 75 jaar en ouder deden er langer over dan gemiddeld om hun private huurwoning te vinden.

2018

2021

Verhuisgeneigde huishoudens (bestaand + nieuw)

2024 Actief op zoek naar woning

• 3,6 miljoen huishoudens hebben de wens om de komende jaren te verhuizen of sluiten niet uit dat zij dit zullen doen. Het aandeel huishoudens met een verhuiswens is toegenomen sinds het WoON 2021. • Bijna 1,8 miljoen huishoudens met een verhuiswens zijn actief op zoek naar een woning. Dat is de helft van de huishoudens met een verhuiswens.

Jonge mensen zoeken vaker actief Tabel 4.3 | Actief zoekende woningvragers naar positie op de woningmarkt; 2018 tot en met 2024 Verandering 2021 - 2024 Starter

2018 362.500

2021 418.800

2024 539.900

Absoluut 121.000

Relatief 29%

Semi-starter

58.800

71.300

87.700

16.400

23%

Doorstromer uit koop

498.300

565.100

492.300

-72.800

-13%

Doorstromer uit huur Totaal

517.600

605.200

668.700

63.500

10%

1.437.200

1.660.400

1.788.600

128.100

8%

51

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

1.292.400

1.394.600

1.438.800

44.100

3%

51%

52%

60%

5%

5%

5%

• Er zijn 1,4 miljoen thuiswonenden in de leeftijd van 18 jaar en ouder. Van deze groep wil bijna twee derde (65%) verhuizen. • Van de thuiswonende jongeren wil 60% naar een zelfstandige woning en 5% naar een kamer of onzelfstandige wooneenheid verhuizen. Het betreft thuiswonende jongeren die actief op zoek zijn naar woonruimte. • De druk om te verhuizen onder thuiswonende jongeren is toegenomen. Ten tijde van het WoON 2021 was het aantal thuiswonende jongeren kleiner en was ook de verhuiswens kleiner dan nu blijkt uit het WoON 2024. Toen lag de verhuiswens onder thuiswonende jongeren 10% lager.

Totaal

Relatief

Paar 65+ jr

Absoluut

Alleenstaand 65+ jr

% met verhuiswens: kamer of wooneenheid

2024

Eenoudergezin

% met verhuiswens: zelfstandige woning

2021

Paar met kind(eren)

Totaal aantal thuiswonenden (18+)

2018

Paar 35-64 jr

Verandering 2021 - 2024

Tabel 4.5 | In afgelopen twee jaar verhuisde huishoudens naar leeftijd en type huishouden en belangrijkste verhuisreden, 2024

Alleenstaand 35-64 jr

Tabel 4.4 | Aantal en aandeel verhuisgeneigde thuiswonende kinderen (18+), 2018 tot en met 2024

Verhuisde huishoudens is gevraagd naar hun verhuisredenen.

Paar < 35 jr

Bijna twee derde thuiswonende jongeren wil verhuizen

4.3 Verhuismotieven

Alleenstaand < 35 jr

Het aantal actief zoekende starters is aanmerkelijk toegenomen. • Ruim een half miljoen starters zijn actief op zoek naar een woning, een toename met bijna 30% ten opzichte van het vorige WoON. • Ook bij semi-starters is het aantal actief woningzoekenden toegenomen (+23%). Deze groep is in omvang echter veel kleiner. • Potentiële doorstromers zijn minder vaak actief op zoek naar een woning dan starters en semistarters. • Potentiële doorstromers uit de koopsector zijn zelfs minder actief op zoek de laatste jaren. • Huishoudens die nog niet zelfstandig wonen, starters en semi-starters, vormen een derde van de actief woningzoekenden. Het betreft een vraag naar bijna 630.000 woningen.

Huwelijk/samenwonen

1%

33%

1%

19%

10%

1%

0%

4%

10%

Scheiding/einde relatie

6%

0%

23%

1%

0%

28%

7%

0%

7%

Zelfstandig wonen

37%

6%

6%

0%

1%

6%

2%

0%

13%

Gezondheid/behoefte zorg

0%

0%

6%

2%

2%

4%

20%

18%

3%

Studie

12%

1%

0%

0%

1%

2%

0%

0%

4%

Werk

7%

8%

8%

10%

7%

2%

0%

1%

7%

Financiële reden

4%

7%

7%

6%

6%

5%

3%

7%

6%

Vorige woning

11%

14%

10%

18%

21%

15%

20%

15%

15%

Vorige woonomgeving

3%

4%

7%

11%

13%

6%

6%

15%

7%

Dichter bij familie

2%

5%

7%

4%

7%

6%

15%

15%

6%

Andere reden

16%

21%

25%

29%

31%

25%

26%

25%

23%

Totaal

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

• De start van een relatie of juist het beëindigen daarvan zijn vaak aanleiding om te verhuizen. Bij ruim 15% van de verhuizingen zijn dit de aanleidingen. • De stap om zelfstandig te gaan wonen is eveneens een veelgenoemde verhuisreden. Bijna 15% van de verhuisgeneigden noemt dit als reden voor een recente verhuizing, met name jonge huishoudens, alleenstaanden en eenoudergezinnen. • De vorige woning is geregeld de belangrijkste reden voor de gerealiseerde verhuizing. Alle onderscheiden huishoudensgroepen noemen dit als verhuismotief. • Naarmate huishoudens ouder worden, wordt de gezondheid en de behoefte aan zorg vaker genoemd. Ook de wens om dichter bij familie te wonen is voor oudere huishoudens vaker een reden om te verhuizen dan voor jongere huishoudens. • Minder dan 10% van de recente verhuizingen had te maken met werk. • Naast de genoemde redenen heeft bijna een kwart van de ondervraagden een ‘andere’ reden om te verhuizen.

52

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

4.4 Acties om een woning te vinden Verhuisgeneigde zelfstandig wonende huishoudens en starters zijn gevraagd of zij al acties hebben ondernomen om een woning te vinden en welke acties dat zijn. Figuur 4.9 | Acties die actief woningzoekenden hebben ondernomen om een (andere) woning te vinden, naar leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2024

Woningen te duur Geen aanbod in gewenste plaats/buurt

l aa

jr 64 Pa a

rm

et

kin

r3

Pa a

To t

jr 564

d3

d( er en Ee ) no ud er Al ge lee zin ns ta an d6 5+ jr Pa ar 65 +j r

jr 35

an ta

ns lee Al

5-

jr Pa a

r<

35

Kwaliteit woningen niet goed

d< an ta ns lee

Actief woningzoekenden is gevraagd naar de belangrijkste redenen waarom het nog niet is gelukt een woning te vinden. Figuur 4.10 | Belangrijkste reden dat actief zoekende woningvragers nog geen woning hebben gevonden, 2018 tot en met 202413

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Al

Huizenprijzen en gebrek aan aanbod belangrijkste belemmeringen

Oproep, sociale media en/of via kennis Professioneel bemiddelaar, instantie of makelaar Bezichtiging, ingeschreven bij nieuwbouw of kavel en/of bod gedaan

De helft van de huishoudens met een verhuiswens is zoals aangegeven actief op zoek naar een (andere) woning. • Bijna 85% van de actief woningzoekenden heeft via het informele circuit acties ondernomen om een woning te vinden. Het gaat dan om het doen van een oproep, het informeren of zoeken via sociale media en het bespreken van de verhuiswens met kennissen. Vrijwel alle groepen zoeken via deze wegen naar een woning. Ouderen zijn wat minder vaak actief in het informele circuit dan de andere onderscheiden huishoudensgroepen. • Ruim de helft (53%) van de actief woningzoekenden heeft professionele hulp ingeschakeld in de vorm van een professionele bemiddelaar, een instantie of een makelaar. Alleenstaanden kiezen deze weg vaker dan paren en gezinnen. • Een derde van de actief woningzoekenden is zover dat men zich heeft ingeschreven bij een nieuwbouwproject of voor een kavel, een woning heeft bezichtigd of zelfs al een bod heeft gedaan. Paren in de leeftijd van 35 tot en met 64 jaar en paren met kinderen hebben deze weg vaker al bewandeld dan de andere onderscheiden groepen.

Wachttijd te lang Nog geen gepast aanbod gezien of gekregen Afwachting verkoop huidige woning Te weinig activiteiten ondernomen Andere reden 0% 2018

5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 2021

2024

• De hoge huizenprijzen zijn de belangrijkste belemmering voor het vinden van een woning. Een derde van de actief woningzoekenden noemt dit als belangrijkste reden waarom zij nog geen woning hebben gevonden. Dit was ook ten tijde van het vorige WoON al de meest genoemde reden. • Ruim één op de zeven (16%) van de actief woningzoekenden noemt gebrek aan aanbod in de gewenste plaats of de gewenste buurt als belangrijkste reden. • Men steekt ook de hand in eigen boezem: bijna 15% van de actief woningzoekenden geeft aan dat zij zelf niet genoeg activiteiten hebben ondernomen om een woning te vinden. • De groep actief woningzoekenden die aangeeft dat de kwaliteit van het aanbod onvoldoende is, is in 2024 aanmerkelijk toegenomen. 13 Met ingang van het WoON 2024 zijn de antwoordcategorieën van de vraag naar de belangrijkste reden waarom woningzoekenden nog geen woning hebben gevonden, aangepast. Om de vergelijking met 2018 en 2021 te kunnen maken, zijn in figuur 4.10 voor 2024 antwoordcategorieën samengevoegd.

53

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

Figuur 4.11 | Belangrijkste reden dat actief zoekende woningvragers nog geen woning hebben gevonden, naar leeftijd, 2024

65 jaar en ouder

4.5 Wensen ten aanzien van de woning De woonwensen van verhuisgeneigde huishoudens als groep veranderen als de omvang en samenstelling van deze groep verandert. De toename van het aantal oudere huishoudens heeft effecten op de woonwensen. Maar ook de mogelijkheden die huishoudens op de woningmarkt hebben, komen tot uitdrukking in de woonwensen.

Toegenomen vraag naar huurappartementen

35 - 64 jaar

Figuur 4.12 | Gewenste woning van actief zoekende woningvragers naar eigendom, 2018 t/m 2024 Tot 35 jaar

800.000 0%

20%

40%

60%

80%

te weinig gedaan

prijzen te hoog

nog niet lang genoeg ingeschreven

wachttijd te lang

te weinig aanbod in plaats of buurt

te veel vraag/kom er niet tussen

100%

700.000 600.000 500.000 400.000

woningen voldoen niet aan wensen verkoop huidige woning

300.000

andere reden

200.000

• Te hoge prijzen op de woningmarkt zijn voor jonge woningzoekenden vaker de belangrijkste reden dat men nog niet is geslaagd dan voor middelbare en oudere woningzoekenden. • Voor oudere woningzoekenden is juist gebrek aan aanbod in de gewenste plaats of buurt vaak de reden dat men nog geen andere woning heeft gevonden. • Naarmate woningzoekenden ouder zijn, zijn zij ook kritischer op een andere woning. De reden dat het aanbod niet voldoet aan de wensen wordt vaker genoemd naarmate woningzoekenden ouder zijn.

100.000 -

Koop eengezins

Koop appartement

Huur eengezins Huur appartement

2018

2024

2021

• De vraag van actief woningzoekenden is de laatste jaren verschoven. Ten tijde van het WoON 2021 zochten verreweg de meeste woningzoekenden een eengezinskoopwoning. Nog steeds zoeken veel actief woningzoekenden een eengezinskoopwoning, maar hun aantal is afgenomen. • Meer huishoudens zoeken een huurwoning en dan vaak een huurappartement. Ongeveer de helft van de vraag van actief woningzoekenden richt zich op de huurmarkt. • Ook de vraag naar eengezinshuurwoningen is toegenomen, waarschijnlijk omdat een deel van de woningzoekenden in de huidige woningmarkt niet de mogelijkheden heeft om een woning te kopen. • De vraag naar koopappartementen is maar licht gestegen ten opzichte van het vorige WoON.

54

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

Figuur 4.13 | Gewenste woning van actief zoekende woningvragers naar eigendom en prijsklasse, 2018 t/m 2024

Figuur 4.14 | Gewenste woning van actief zoekende woningvragers naar positie op de woningmarkt en naar eigendom en prijsklasse, 2018 t/m 2024

2018

2021

2024 0%

20%

40%

60%

80%

Koopprijs t/m € 390.000

Koopprijs € 390.000 - € 490.000

Koopprijs boven € 490.000

Huurprijs tot liberalisatiegrens

100%

Huurprijs boven liberalisatiegrens

• Ruim een derde (36%) van de woningvraag van actief woningzoekenden heeft betrekking op een huurwoning met een huurprijs tot de liberalisatiegrens (€ 808, prijspeil 2023). In 2021 was dit 29%. • De vraag naar huurwoningen met een huur boven de liberalisatiegrens is eveneens toegenomen, bijna 15% van de actief woningzoekenden richt zich op een huurwoning in dit segment. • Bijna een kwart van de actief woningzoekenden is op zoek naar een koopwoning in het betaalbare segment (tot € 390.000, prijspeil 2024). • Een even grote groep zoekt een koopwoning in het dure segment, waarvan een aanzienlijk deel zich richt op een woning met een prijs boven € 490.000.

• Starters die actief op zoek zijn naar een woning richten zich in 2024 meer op de huursector dan zij in 2021 deden. Vaker ook richten zij zich op een huurwoning met een prijs boven de liberalisatiegrens. Het gaat in potentie om bijna 92.000 woningen met een middenhuur of een dure huur. • Doorstromers uit een koopwoning hebben vaak overwaarde in hun huidige woning en kunnen daarom een dure koopwoning betalen. Zij zoeken vaak een koopwoning met een prijs boven € 490.000. • Doorstromers uit een huurwoning zijn vaak in de markt voor een huurwoning met een prijs onder de liberalisatiegrens of een betaalbare koopwoning. Maar zij richten zich ook vaker dan in het verleden op een huurwoning in de vrije huursector.

55

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

Figuur 4.15 | Gewenste woning van actief zoekende woningvragers naar type huishouden (na verhuizing) en naar eigendom en type, naar mate van stedelijkheid, 2024 Alleenstaand < 35 jr

Figuur 4.16 | Gewenste koopprijs van actief zoekende woningvragers naar type en leeftijd huishouden (na verhuizing), 2024

Alleenstaand < 35 jr

(zeer) stedelijk

Paar < 35 jr Paar < 35 jr

Alleenstaand 35-64 jr Paar 35-64 jr

Alleenstaand 35-64 jr

Paar met kind(eren) Eenoudergezin

Paar 35-64 jr

Alleenstaand 65+ jr

Paar met kind(eren)

Paar 65+ jr niet tot matig stedelijk

Alleenstaand < 35 jr

Eenoudergezin

Paar < 35 jr

Alleenstaand 65+ jr

Alleenstaand 35-64 jr Paar 35-64 jr

Paar 65+ jr

Paar met kind(eren) Eenoudergezin

0%

Alleenstaand 65+ jr Paar 65+ jr 0% Koop eengezins

20%

Koop appartement

40%

60%

Huur eengezins

80%

20%

40%

60%

80%

< € 290.000

€ 290.000 - € 390.000 € 390.000 - € 490.000

€ 490.000 - € 590.000

> € 590.000

100%

100%

Huur appartement

• De vraag naar appartementen, met name huurappartementen, is groter in (zeer) stedelijke gemeenten dan in niet tot matig stedelijke gemeenten. Maar ook in (zeer) stedelijke gemeenten is er veel vraag naar eengezinswoningen. Met name middelbare paren en gezinnen vragen ook in de steden eengezinswoningen, waarbij bij eenoudergezinnen het accent op de huursector ligt. • In niet tot matig stedelijke gemeenten is er vooral vraag naar appartementen onder alleenstaanden en ouderen. Jonge en middelbare paren en paren met kinderen richten zich op eengezinskoopwoningen.

• Meer dan de helft van de alleenstaande jonge woningzoekenden die een woning willen kopen, richt zich op een goedkope koopwoning met een prijs tot € 290.000. Woningen in dit prijssegment komen in de bestaande woningvoorraad niet veel meer voor. In de nieuwbouw is het een uitdaging om woningen met een voldoende aansprekende kwaliteit (naar woonvorm, grootte en buitenruimte) te realiseren in dit prijssegment. • Van de alleenstaande huishoudensgroepen die een koopwoning zoeken richt zo’n 60% tot 80% zich op een betaalbare koopwoning met een prijs tot € 390.000. • Van de middelbare paren en de paren met kinderen zoekt een groot deel een duurdere koopwoning, vaak in het segment boven € 590.000. Vaak zijn dit doorstromers binnen de koopsector die veel overwaarde hebben in hun huidige woning.

56

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

Figuur 4.17 | Gewenste huurprijs van actief zoekende woningvragers naar type en leeftijd huishouden (na verhuizing), 2024

Figuur 4.18 | Voorkeur actief woningzoekende woningvragers voor een nieuwbouwwoning of een bestaande woning, naar leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2024

Alleenstaand < 35 jr

Alleenstaand < 35 jr

Paar < 35 jr

Paar < 35 jr

Alleenstaand 35-64 jr

Alleenstaand 35-64 jr

Paar 35-64 jr

Paar 35-64 jr

Paar met kind(eren)

Paar met kind(eren)

Eenoudergezin

Eenoudergezin

Alleenstaand 65+ jr

Alleenstaand 65+ jr

Paar 65+ jr

Paar 65+ jr 0%

20%

40%

60%

80%

Huur < kwaliteitskortingsgrens

Huur < aftoppingsgrens

Huur < liberalisatiegrens

Huur middenhuur ( ≤ € 1.123,13)

100%

Huur dure huur (> € 1.123,13)

• In de huursector richt een groot deel van de woningzoekenden zich op een woning met een huurprijs onder de liberalisatiegrens. Uitzondering hierop zijn de jonge paren, die in vergelijking met de andere groepen vaak een huurwoning vragen met een prijs in de middenhuur (27%) of de dure huur (33%). • Alleenstaande huishoudens en eenoudergezinnen richten zich vaker dan andere groepen op een huurwoning met een huurprijs onder de aftoppingsgrens. Deze huishoudens hebben vaker een laag inkomen.

0% Nieuwbouw

20%

40%

Bestaande woning

60%

80%

100%

Geen voorkeur

• Ongeveer 20% van de actief woningzoekenden geeft de voorkeur aan een nieuwbouwwoning. • Middelbare paren en paren met kinderen hebben iets vaker de voorkeur voor een nieuwbouwwoning dan de andere groepen.

57

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

Veel behoefte aan woningen met werkkamer In de coronaperiode moesten veel werknemers noodgedwongen vanuit huis werken. Videovergaderen kwam snel op gang en deze mogelijkheden hebben werknemers in een aantal sectoren nog steeds. Dat roept de vraag op of deze mogelijkheden een blijvend effect hebben op de behoefte aan een werkkamer in woningen.

Figuur 4.20 | Belang dat actief zoekende woningvragers hechten aan een werkkamer om thuis te kunnen werken, naar regio, 2024

Figuur 4.19 | Belang dat actief zoekende woningvragers hechten aan een werkkamer om thuis te kunnen werken, naar leeftijd en huishoudenssamenstelling en gewenst eigendom, 2024 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10%

Corporatiehuur

r6

l aa

Pa a

an

Al

lee

ns

ta

To t

jr 5+

jr 5+ d6

ge ud

er

er

no Ee

Pa a Koop

zin

) en

jr kin

rm

et

Pa a

r3

d(

5-

5d3 an

64

64

jr 35 r<

ta ns lee Al

35

jr Pa a

d< an ta ns lee Al

jr

0%

Private huur

• Bijna 60% van de actief woningzoekende huishoudens die een koopwoning of een private huurwoning wensen, hecht eraan dat er in de nieuwe woning een werkkamer is om thuis te kunnen werken. Woningzoekenden die een woning van een corporatie willen huren hebben deze wens minder vaak, maar ook onder deze groep hecht meer dan 40% aan een werkkamer. • Jonge huishoudens, middelbare paren en paren met kinderen hechten het vaakst aan een werkkamer. • De groep jonge huishoudens die een corporatiewoning wil huren hecht (vrijwel) net zo vaak aan een werkkamer als de huishoudens in deze groep die een woning willen huren van een private verhuurder of een woning willen kopen. • Ook oudere huishoudens, niet allemaal meer werkzaam, stellen een werkkamer op prijs. Een kwart tot een derde van deze groep hecht aan een werkkamer.

• Actief woningzoekenden die zich richten op een woning in de Randstad, de Gelderse regio’s Apeldoorn, Arnhem, Nijmegen en Ede, de regio Groningen, de regio Eindhoven en in de regio Maastricht hechten het meeste belang aan een werkkamer in hun nieuwe woning om thuis te kunnen werken. • Huishoudens die de Randstad verlaten, verhuizen vaak naar omliggende regio’s, met name naar de regio’s Lelystad, Alkmaar, Den Bosch en Ede.

58

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

4.6 Wensen ten aanzien van de woonomgeving Naast de woning zelf is de woonomgeving een belangrijke factor bij de keuze die huishoudens maken als zij verhuizen.

Plek met groen en water nabij woning belangrijk

Winkelaanbod nabij woning belangrijk voor ouderen

Figuur 4.21 | Wensen actief woningzoekenden ten aanzien van de afstand van de nieuwe woning tot een plek met veel water en groen, naar leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2024

Figuur 4.22 | Wensen actief woningzoekenden ten aanzien van de afstand van de nieuwe woning tot winkels voor dagelijkse boodschappen, naar leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2024

Alleenstaand < 35 jr

Alleenstaand < 35 jr

Paar < 35 jr

Paar < 35 jr

Alleenstaand 35-64 jr

Alleenstaand 35-64 jr

Paar 35-64 jr

Paar 35-64 jr

Paar met kind(eren)

Paar met kind(eren)

Eenoudergezin

Eenoudergezin

Alleenstaand 65+ jr

Alleenstaand 65+ jr

Paar 65+ jr

Paar 65+ jr

Totaal

Totaal 0%

20%

40%

60%

80%

100%

0%

20%

40%

60%

tot 500 meter

tot 1 kilometer

tot 500 meter

tot 5 kilometer

tot 5 kilometer

op grotere afstand

tot 15 kilometer

op grotere afstand

geen voorkeur / maakt niet uit

• Ruim een kwart van de actief woningzoekenden wil binnen 500 meter van een plek met veel water en groen wonen. Nog eens bijna een derde (31%) wil binnen een kilometer van zo’n plek wonen. Een kwart heeft geen voorkeur. • Middelbare paren, paren met kinderen en oudere huishoudens hechten vaker dan gemiddeld aan de nabijheid van een plek met veel groen en water.

80%

100%

geen voorkeur / maakt niet uit

• Een kwart van de actief woningzoekenden heeft de wens om binnen een afstand van 500 meter te wonen van winkels voor dagelijkse boodschappen. Nog eens ruim de helft geeft de voorkeur aan een maximale afstand van vijf kilometer. • Oudere huishoudens hechten vaker dan de andere groepen aan de nabijheid van winkels binnen een afstand van 500 meter. Maar ook onder de andere huishoudensgroepen heeft 20% tot 30% de wens binnen 500 meter van winkels voor dagelijkse boodschappen te wonen.

59

| Verhuisdynamiek op de woningmarkt

Figuur 4.23 | Wensen actief woningzoekenden ten aanzien van de afstand van de nieuwe woning tot een ruim winkelaanbod, naar leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2024

Nabijheid openbaar vervoer belangrijk Figuur 4.24 | Mate waarin actief woningzoekenden belang hechten aan openbaar vervoer op loopafstand van de nieuwe woning, naar leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2024

Alleenstaand < 35 jr

Alleenstaand < 35 jr

Paar < 35 jr

Paar < 35 jr

Alleenstaand 35-64 jr

Alleenstaand 35-64 jr Paar 35-64 jr

Paar 35-64 jr

Paar met kind(eren)

Paar met kind(eren)

Eenoudergezin

Eenoudergezin

Alleenstaand 65+ jr

Alleenstaand 65+ jr

Paar 65+ jr

Paar 65+ jr

Totaal

Totaal 0%

20%

tot 500 meter tot 15 kilometer

40%

60%

80%

0%

100%

20%

40%

60%

80%

tot 5 kilometer

(Heel) onbelangrijk

Niet belangrijk en niet onbelangrijk

op grotere afstand

Belangrijk

Heel belangrijk

100%

geen voorkeur / maakt niet uit

• Eén op vijf actief woningzoekende huishoudens wil binnen 500 meter van een ruim winkelaanbod wonen. Ook op dit punt hebben ouderen vaker deze wens dan de andere huishoudensgroepen. Van de oudere woningzoekenden wil 35% tot 40% in de directe nabijheid van een ruim winkelaanbod wonen. • Ruim twee derde van de actief woningzoekenden geeft de voorkeur voor een ruim winkelaanbod binnen vijf kilometer.

• Bijna twee derde van de actief woningzoekenden vindt het belangrijk dat openbaar vervoer aanwezig is op loopafstand van de nieuwe woning. Bijna de helft van deze groep vindt dit heel belangrijk. • Eenoudergezinnen vinden de nabijheid van openbaar vervoer nog vaker van belang dan de andere huishoudensgroepen. • Middelbare paren en paren met kinderen hechten er wat minder vaak aan.

60

Hoofdstuk 5 gaat over de tevredenheid van huishoudens over hun woning en hun woonomgeving. Daarnaast wordt een aantal aspecten van de woningkwaliteit uitgelicht. Specifiek gaat het om het binnenklimaat van woningen en de veiligheidsmaatregelen die in woningen zijn genomen ten aanzien van rookdetectie en de detectie van koolmonoxide. Ook wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de mate waarin groot onderhoud wordt uitgevoerd aan woningen en welke maatregelen worden getroffen.

Hoofdstuk 5

Woningkwaliteit en woonbeleving

meteen naar:

Kerncijfers

Tevredenheid met de woning Aangenaam binnenklimaat Veiligheid in huis

Groot onderhoud en woningverbetering Tevredenheid met de woonomgeving

61

Kerncijfers woningkwaliteit en woonbeleving

Gebruiksoppervlakte

Vocht en schimmel

Gebruiksoppervlakte in m2 (koop) 2024 143

% vocht of schimmel (koop)

Veiligheid % rookmelder (koop)

Groot onderhoud en woningverbetering in afgelopen 5 jaar % buitenkant (koop)

2024 14%

2024 94%

2021 141

2021 10%

2021 80%

2021 75%

2018 139

2018 12%

2018 76%

2018 80%

Gebruiksoppervlakte in m2 (corporatiehuur) 2024 83

% vocht of schimmel (corporatiehuur) 2024 29%

% rookmelder (corporatiehuur) 2024 95%

2024 74%

% buitenkant (corporatiehuur) 2024 52%

2021 84

2021 24%

2021 77%

2021 54%

2018 84

2018 28%

2018 70%

2018 58%

Gebruiksoppervlakte in m2 (private huur) 2024 94

% vocht of schimmel (private huur) 2024 31%

% rookmelder (private huur) 2024 93%

% buitenkant (private huur) 2024 47%

2021 94

2021 23%

2021 74%

2021 50%

2018 97

2018 27%

2018 66%

2018 58%

% koolstofmonoxidemelder (koop) 2024 54%

Tevredenheid met woning

Tevredenheid met woonomgeving

% (zeer) tevreden met woning 2024 84%

% (zeer) tevreden met woonomgeving 2024 84%

% binnenkant (koop) 2024 46%

2021 41%

2021 46%

2018 29%

2018 47%

% koolstofmonoxidemelder (corporatiehuur) 2024 38%

% binnenkant (corporatiehuur) 2024 27%

2021 87%

2021 85%

2021 26%

2021 27%

2018 86%

2018 84%

2018 18%

2018 31%

% (zeer) ontevreden met woning

% (zeer) ontevreden met woonomgeving

% koolstofmonoxidemelder (private huur)

% binnenkant (private huur)

2024

5%

2024

5%

2024 40%

2021

4%

2021

5%

2021 32%

2021 23%

2018

4%

2018

5%

2018 23%

2018 25%

2024 20%

62

| Woningkwaliteit en woonbeleving

5.1 Tevredenheid met woning Een prettige woning die voldoet aan de eisen en wensen van huishoudens is een belangrijke voorwaarde voor een fijn leven. Bewoners van huurwoningen en koopwoningen is gevraagd naar de mate waarin hun woning aansluit bij hun wensen en behoefte.

Figuur 5.2 | Percentage bewoners dat het (helemaal) eens is met aantal stellingen over de woning naar type eigendom, 2024 Woning heeft voldoende buitenruimte*

Bewoners zeer tevreden over woning Figuur 5.1 | Percentage bewoners dat (zeer) tevreden is met de woning naar type eigendom, 2018 tot en met 2024 100% 90%

Woning is goed onderhouden* Woning is niet te groot* Woning is niet te klein*

80% 70%

Indeling woning is geschikt

60% 50%

0%

40%

Koop

30% 20%

20%

Corporatiehuur

40%

60%

80%

100%

Private huur

* Omgezet naar positieve formulering.

10% 0%

Koop

Corporatiehuur 2018

2021

Private huur

Totaal

2024

• Een grote meerderheid van de inwoners van Nederland (84%) is (zeer) tevreden met de woning waarin men woont. De tevredenheid is wel iets afgenomen in de laatste jaren. Ten tijde van het WoON 2021 was 87% tevreden of zeer tevreden over de woning. • Eigenaar-bewoners zijn meer tevreden over hun woning dan huurders. Van de eigenaarbewoners is 93% (zeer) tevreden over hun eigen woning. Van de huurders is ongeveer twee derde tevreden of zeer tevreden. Er zijn nauwelijks verschillen tussen huurders van een corporatiewoning of huurders van een private huurwoning. • De tevredenheid over de woning waar men woont, is onder zowel huurders van een corporatiewoning als huurders van een private huurwoning wat afgenomen ten opzichte van 2021.

• Eigenaar-bewoners zijn met name meer tevreden dan huurders over het onderhoud aan hun woning en over de geschiktheid van de indeling van hun woning. Huurders zijn op deze punten minder tevreden. Er zijn nauwelijks verschillen tussen huurders bij een woningcorporatie en huurders bij een private verhuurder. • Eigenaar-bewoners geven vaker dan huurders aan hun woning te groot te vinden. Huurders vinden hun woning juist vaker te klein.

63

| Woningkwaliteit en woonbeleving

Figuur 5.3 | Mate van tevredenheid met de woning naar stedelijkheid van de woongemeente, 2024

Meeste huishoudens kunnen woning aangenaam warm krijgen Figuur 5.4 | Percentage huishoudens dat in staat is de woning aangenaam warm te krijgen, naar eigendom en woningtype, 2024

Niet stedelijk

Weinig stedelijk

100% 80%

Matig stedelijk

60% Sterk stedelijk

40% 20%

Zeer sterk stedelijk 0%

20%

40%

60%

80%

(Zeer) ontevreden Niet tevreden, maar ook niet ontevreden Tevreden

100%

Zeer tevreden

• Mensen in een stedelijke omgeving zijn wat vaker ontevreden over hun woning dan mensen in een meer dorpse of landelijke omgeving. Mensen in een matig stedelijke, weinig stedelijke of niet stedelijke woongemeente zijn vaker tevreden of zeer tevreden over de woning waarin zij wonen. • Het aandeel ontevredenen is ook in de zeer stedelijke setting overigens klein, het gaat om 7% van de inwoners. Ook in een zeer stedelijke woongemeente is bijna 80% van de inwoners (zeer) tevreden over hun woning.

5.2 Aangenaam binnenklimaat Een woning met een aangenaam en gezond binnenklimaat is belangrijk. In het licht van de klimaatveranderingen heeft dit onderwerp steeds meer de aandacht. Niet alleen het aangenaam kunnen verwarmen van woningen is belangrijk, het aangenaam kunnen koelen van woningen is in toenemende mate een punt van aandacht. De verduurzaming van de woningvoorraad kan bijdragen aan meer woningen met een aangenaam binnenklimaat, maar er zijn ook mogelijke neveneffecten van het beter isoleren van woningen. Goede ventilatie wordt belangrijker naarmate een woning beter is geïsoleerd. Daarnaast kan gedrag van bewoners, ingegeven door hoge energieprijzen, effect hebben op het ervaren binnenklimaat.

0%

Eengezins Koop

Appartement Corporatiehuur

Private huur

• Verreweg de meeste huishoudens zijn in staat hun woning aangenaam warm te krijgen. Er zijn op dit punt verschillen tussen huurwoningen en koopwoningen en (in mindere mate) tussen eengezinswoningen en appartementen. • Bewoners van een huurwoning geven minder vaak aan de woning aangenaam warm te kunnen krijgen dan bewoners van een koopwoning. • Van de huurders van een corporatiewoning geeft 81% aan dat dit voor hen mogelijk is. Van de huurders van een private huurwoning betreft het 83% (eengezinswoning) en 84% (appartement). • Bij het beantwoorden van de vraag of men de woning aangenaam warm kan krijgen, speelt mogelijk niet alleen de energetische kwaliteit van de woning een rol, maar ook de financiële ruimte van de bewoner. Mogelijk geeft een deel van de bewoners aan de woning niet aangenaam warm te kunnen krijgen omdat zij moeite hebben de energierekening te betalen. • In de koopsector zijn de verschillen tussen eengezinswoningen en appartementen groter. Van de eigenaren van een eengezinswoning geeft 96% aan de woning aangenaam warm te kunnen krijgen, bij de eigenaren van een appartement is dit 91%.

Veel woningen niet aangenaam te koelen Door de opwarming van het klimaat neemt het aantal huishoudens dat hun woning niet aangenaam koel kan krijgen toe. Deze situatie kan zich voordoen in slecht geïsoleerde woningen,

64

| Woningkwaliteit en woonbeleving

maar ook in goed geïsoleerde woningen die niet goed geventileerd worden. In een stenige stedelijke omgeving is de kans op te hoge temperaturen in woningen groter dan in een meer groene woonomgeving. Figuur 5.5 | Percentage huishoudens dat in staat is de woning aangenaam koel te krijgen, naar eigendom en woningtype, 2024 90%

Meer huishoudens hebben last van vocht en/of schimmel in woning Figuur 5.6 | Percentage huishoudens dat last heeft van vocht en/of schimmel in de woning naar type eigendom, 2021 en 2024 35% 30% 25%

80%

20%

70% 60%

15%

50%

10%

40%

5%

30%

0%

20% 10% 0%

Koop

Corporatiehuur 2021

Eengezins Koop

Appartement Corporatiehuur

Private huur

• Net als eigenaar-bewoners vaker in staat zijn hun woning aangenaam te verwarmen, zijn zij ook vaker dan huurders in staat om hun woning aangenaam koel te krijgen. Van de eigenaarbewoners met een eengezinswoning krijgt 77% de woning aangenaam koel. Voor eigenaarbewoners van een appartement is dit 66%. • Dat betekent dat een kwart tot een derde van de eigenaar-bewoners niet in staat is de eigen woning aangenaam te koelen. • Van de huurders geeft de helft tot 60% aan de woning waarin zij wonen aangenaam te kunnen koelen. • Dus voor 40% tot 50% van de huurders is dat niet het geval. • In een eengezinswoning is aangenaam koelen voor huurders vaker mogelijk dan in een appartement. Er zijn kleine verschillen tussen de beide huursectoren.

Private huur

Totaal

2024

• Een op de vijf huishoudens heeft naar eigen zeggen last van vocht en/of schimmel in de woning. Dit percentage is aanmerkelijk toegenomen sinds het WoON 2021. Toen betrof het 15% van de huishoudens. • Huurders hebben vaker last van vocht en/of schimmel in de woning dan eigenaar-bewoners. De toename van het aandeel huishoudens met klachten deed zich echter zowel in de koopsector als in de huursector voor. • Van de eigenaar-bewoners heeft 14% last van vocht en/of schimmel (in 2021 was dit 10%). Van de huurders van een corporatiewoning heeft 29% klachten (2021: 24%) en van de huurders van een private huurwoning 31% (2021: 23%). De toename van het aandeel huishoudens met klachten over vocht en/of schimmel in de woning is opmerkelijk. Wellicht hangt dit samen met gestegen energieprijzen, waardoor mensen minder zijn gaan stoken en mogelijk minder zijn gaan ventileren, in combinatie met het verder isoleren van woningen. Daarnaast speelt wellicht mee dat 2023 volgens het KNMI het natste jaar was dat ooit in Nederland is gemeten. Het hoge grondwaterpeil kan ook een rol spelen bij vocht- en schimmelproblemen. En mogelijk heeft de aandacht die vocht- en schimmelproblemen de afgelopen jaren hebben gehad in de media er voor gezorgd dat mensen hier kritischer over zijn geworden.

65

| Woningkwaliteit en woonbeleving

Figuur 5.7 | Vertrekken waar vocht en schimmel voorkomt en oorzaak van de vocht en schimmel 70% (onder woningen met vocht- en schimmelproblemen), 2024

5.3 Veiligheid in huis

60%

Bijna geen woningen zonder rookmelder meer

50%

Vanaf 1 juli 2022 is in iedere woning een rookmelder verplicht. De afgelopen jaren is het aandeel woningen met een rook- en/of koolmonoxidemelder dan ook aanzienlijk toegenomen.

40%

Figuur 5.8 | Aanwezigheid van rookmelder en/of koolstofmonoxidemelder naar type eigendom, 2018 en 2024

30% 20% 10%

Lekkage

Ov er ig

an g Ke ld er (b ox )

l /g Ha

nk am

er

) er (s

Ventilatieproblemen

W oo

ap ka m

Ke uk en

let To i

Sla

Ba

dk am

er

0%

Doorslaand / optrekkend vocht

Anders

• Vocht- en schimmelproblemen komen het meest voor in de badkamer. Bijna 60% van de bewoners met klachten over vocht en schimmel in de woning geeft aan dat dit (mede) in de badkamer speelt. De belangrijkste oorzaak van vocht en schimmel in de badkamer is een gebrekkige ventilatie. • Ook in (de) slaapkamer(s) en in de woonkamer komt geregeld vocht en schimmel voor. Ruim een derde van de mensen met vocht- en schimmelproblemen geeft aan dat dit in de slaapkamer(s) speelt en bijna een kwart heeft vocht en schimmel in de woonkamer. • Onder de huishoudens met vocht- en schimmelproblemen in de woning is het aandeel dat last heeft van vocht en schimmel door ventilatieproblemen ten opzichte van 2021 toegenomen.

• Zowel in de koopsector als in de huursector zijn er nog maar weinig woningen zonder tenminste een rookmelder. In 2018 betrof dit nog een kwart tot een derde van de woningen in Nederland. • In de huursector is het aandeel woningen met alleen een rookmelder hoger dan in de koopsector. In de koopsector komt wat vaker voor dat zowel een rookmelder als een koolmonoxidemelder in de woning aanwezig zijn. • Er zijn weinig verschillen tussen corporatiesector en de private huursector.

66

| Woningkwaliteit en woonbeleving

5.4 Groot onderhoud en woningverbetering In de bestaande woningvoorraad is periodiek groot onderhoud essentieel om de kwaliteit van de woningvoorraad in stand te houden. Eigenaar-bewoners hebben meer invloed op het onderhoud aan hun woning dan huurders. Om deze reden ligt de nadruk in deze paragraaf op het onderhoud dat wordt uitgevoerd in de koopsector.

Figuur 5.10 | Groot onderhoud of woningverbetering in afgelopen vijf jaar aan de buiten- en binnenkant van de woning door eigenaar-bewoners aan woningen met een bouwjaar tot 2015 (huishoudens met een woonduur korter dan vijf jaar), 2024 100% 90%

Figuur 5.9 | Groot onderhoud of woningverbetering in afgelopen vijf jaar aan de buiten- en binnenkant van de woning door eigenaar-bewoners aan woningen met een bouwjaar tot 2015 (exclusief huishoudens met een woonduur korter dan vijf jaar), 2024 100%

80% 70% 60% 50%

90%

40%

80%

30%

70%

20%

60%

10%

50%

0%

40%

Buitenkant

30%

Binnenkant

• Bij eigenaar-bewoners die korter dan vijf jaar in hun woning wonen ligt de focus juist meer op de binnenkant. Ongeveer 60% voerde onderhoud uit aan de buitenkant van de woning en bijna driekwart (72%) aan de binnenkant.

20% 10% 0% Buitenkant

Binnenkant

• Zo’n driekwart van de huishoudens in een koopwoning die al langer dan vijf jaar in de woning wonen, heeft de afgelopen vijf jaar groot onderhoud of woningverbetering uitgevoerd of laten uitvoeren. Het betreft woningen met een bouwjaar tot 2015. Bij nieuwere woningen ligt het voor de hand dat onderhoud beperkt of nog niet nodig is. • Bij eigenaar-bewoners die al langer in de woning wonen, ligt de focus op onderhoud en verbetering aan de buitenkant van de woning. Bij bijna de helft (47%) is sprake van onderhoud of verbetering aan de binnenkant van de woning.

67

| Woningkwaliteit en woonbeleving

Figuur 5.12 | Groot onderhoud of woningverbetering in afgelopen vijf jaar aan de buiten- en binnenkant van de woning door eigenaar-bewoners aan woningen met een bouwjaar tot 2015, naar aard van de uitgevoerde werkzaamheden (huishoudens met een woonduur korter dan vijf jaar), 2024 Dak of dakgoot

Dakkapel of dakopbouw

Dakkapel of dakopbouw Buitenkant

Dak of dakgoot

Uitbouw of serre Werkzaamheden aan buitengevel

Uitbouw of serre Werkzaamheden aan buitengevel

Houtwerk aan buitenkant geschilderd

Houtwerk aan buitenkant geschilderd

Raamkozijnen

Raamkozijnen

Keuken of badkamer

Keuken of badkamer

Nieuwe vloer

Nieuwe vloer

Binnenkant

Binnenkant

Buitenkant

Figuur 5.11 | Groot onderhoud of woningverbetering in afgelopen vijf jaar aan de buiten- en binnenkant van de woning door eigenaar-bewoners aan woningen met een bouwjaar tot 2015, naar aard van de uitgevoerde werkzaamheden (exclusief huishoudens met een woonduur korter dan vijf jaar), 2024

Wanden of plafonds gestuukt Indeling woning aangepast Anders

Wanden of plafonds gestuukt Indeling woning aangepast Anders

0%

10% 20% 30% 40% 50% 60%

• Onderhoud of verbetering aan de buitenkant van de woning betreft bij huishoudens die al langer in hun woning wonen vaak het schilderen van houtwerk, onderhoud of verbetering van het dak of de dakgoot en onderhoud/verbetering aan raamkozijnen. • Onderhoud of verbetering aan de binnenkant van de woning betreft vaak de keuken of de badkamer, het plaatsen van een nieuwe vloer en het stuken van wanden of plafonds.

0%

10% 20% 30% 40% 50% 60%

• Bij eigenaar-bewoners die korter dan vijf jaar in hun woning wonen ligt het accent veel meer op de binnenkant van de woning. Bij deze eigenaar-bewoners is naar verhouding veel vaker sprake van het aanpakken van keuken of badkamer, het plaatsen van een nieuwe vloer of het stuken van wanden of plafonds dan bij eigenaar-bewoners die al langer in hun woning wonen.

68

| Woningkwaliteit en woonbeleving

5.5 Tevredenheid met woonomgeving Naast de woning draagt de tevredenheid over de woonomgeving in belangrijke mate bij aan het woongeluk van mensen.

Corporatiehuurders wat minder vaak tevreden over woonomgeving dan eigenaarbewoners en huurders private huur

Meeste bewoners tevreden met hun buurt Figuur 5.14 | Percentage bewoners dat het (helemaal) eens is met aantal stellingen over de woonomgeving naar type eigendom, 2024 Ik voel mij thuis in deze buurt

Figuur 5.13 | Percentage bewoners dat (zeer) tevreden is met de woonomgeving naar type eigendom; 2018, 2021 en 2024

Ik ben gehecht aan deze buurt Ik zou niet uit deze buurt willen verhuizen*

100% 90%

Het is niet vervelend om in deze buurt te wonen*

80% 70%

Woningen in buurt zijn goed onderhouden

60% 50%

De bebouwing in deze buurt is aantrekkelijk

40%

0%

30% 20%

Private huur

10% 0%

20% 40% 60% 80% 100%

Corporatiehuur

Koop

* Omgezet naar positieve formulering.

Koop

Corporatiehuur 2018

2021

Private huur

Totaal

2024

• Een grote meerderheid van de inwoners van Nederland is tevreden of zeer tevreden over hun woonomgeving. Het betreft 84% van alle inwoners. • De tevredenheid over de woonomgeving is onder eigenaar-bewoners groter dan onder huurders. Van de eigenaar-bewoners is 88% tevreden over de woonomgeving. Binnen de huursector zijn huurders van een private huurwoning (81%) wat vaker te spreken over hun woonomgeving dan huurders van een corporatiewoning (73%). Ruim een kwart van de huurders van een corporatiewoning is niet tevreden over de woonomgeving.

• Bijna niemand vindt het vervelend om in de eigen buurt te wonen. • Zowel bij eigenaar-bewoners als bij huurders is het aandeel mensen die dat wel vindt zeer beperkt. Bijna 80% van de huurders en meer dan 90% van de eigenaar-bewoners zou niet uit de eigen buurt willen verhuizen. • Een kleine 60% van de eigenaar-bewoners geeft aan gehecht te zijn aan hun buurt. Bij de huurders ligt dit aandeel tussen 50% en 60%. • Meer dan 80% van de eigenaar-bewoners en ongeveer 70% van de huurders voelt zich thuis in de eigen buurt. • Drie kwart van de eigenaar-bewoners en ruim de helft van de huurders is van mening dat de woningen in de buurt goed zijn onderhouden. • Bijna twee derde van de eigenaar-bewoners en ruim de helft van de huurders vindt de bebouwing in hun buurt aantrekkelijk.

69

| Woningkwaliteit en woonbeleving

Figuur 5.15 | Mate van tevredenheid met de woonomgeving naar stedelijkheid van de woongemeente, 2024 Niet stedelijk

Weinig stedelijk

Matig stedelijk

Sterk stedelijk

Zeer sterk stedelijk 0%

20%

40%

60%

80%

(Zeer) ontevreden Niet tevreden, maar ook niet ontevreden Tevreden

100%

Zeer tevreden

• Net als bij de woning zijn bewoners van een meer stedelijke woonomgeving minder tevreden over de woonomgeving dan bewoners van een minder stedelijke woonomgeving. • En net als bij de woning is ook in de meer stedelijke gebieden de tevredenheid groot en het aandeel ontevreden inwoners relatief beperkt. Ervaren overlast in de woning en/of de woonomgeving kan impact hebben op het woongenot. In het WoON 2024 is respondenten gevraagd naar de mate waarin zij overlast ervaren. Figuur 5.16 | Percentage bewoners dat wel eens overlast ondervindt, naar bron van de overlast, 2024

Meeste bewoners ondervinden geen overlast, verkeersoverlast komt geregeld voor • Jonge mensen, alleenstaanden tot 65 jaar en eenoudergezinnen ondervinden vaker overlast van hun directe buren dan andere huishoudensgroepen. Een kwart tot een derde van deze groepen ondervindt overlast, een klein deel veel overlast. Het betreft huishoudensgroepen die vaak een lager inkomen hebben en in goedkopere delen van de woningvoorraad wonen. • Ouderen en paren, met en zonder kinderen, ondervinden minder vaak overlast van hun directe buren hoewel dit ook onder deze groepen bij 15% tot 20% speelt. • Overlast van andere buurtbewoners komt ook bij jonge mensen, alleenstaanden tot 65 jaar en eenoudergezinnen wat vaker voor dan bij de andere huishoudensgroepen, maar de verschillen zijn kleiner dan bij de overlast van directe buren. • Een derde tot de helft van alle inwoners ondervindt in meer of mindere mate overlast van verkeer in de woonomgeving. Bij verkeersoverlast is het aandeel inwoners dat veel overlast ervaart groter dan bij de andere onderzochte categorieën. Van alle inwoners ervaart 10% tot 15% veel overlast van verkeer. Er zijn weinig verschillen tussen de huishoudensgroepen. • Veel inwoners ervaren in meer of mindere mate geluidsoverlast in brede zin. Het betreft een kwart tot bijna de helft van de inwoners, afhankelijk van de huishoudensgroep waartoe zij behoren.

• Jonge mensen, alleenstaanden tot 65 jaar en eenoudergezinnen ervaren ook op dit punt vaker overlast dan andere huishoudensgroepen. • Geluidsoverlast komt meer voor in de goedkopere delen van de voorraad en in gebieden met meer goedkopere woningen. Bij geluidsoverlast is de kwaliteit van de woningisolatie een belangrijke factor. Met name de aanwezigheid van dubbel glas beperkt de mate waarin bewoners geluidsoverlast van buiten de woning ervaren. Dat blijkt ook uit de antwoorden van de respondenten. Van de huishoudens met enkel glas in de woonkamer geeft 16% aan veel geluidsoverlast te ondervinden (gemiddeld is dit 7%).

Overlast van directe buren

Overlast van andere buurtbewoners

Overlast van verkeer

Geluidsoverlast 0% Ja, veel overlast

20%

40%

Ja, een beetje overlast

60%

80%

100%

Nee, geen overlast

70

| Woningkwaliteit en woonbeleving

Figuur 5.17 | Percentage bewoners dat wel eens overlast ondervindt, naar bron van de overlast, naar mate van stedelijkheid, 2024

Overlast van directe buren

Overlast van andere buurtbewoners

Niet stedelijk

Niet stedelijk

Weinig stedelijk

Weinig stedelijk

Matig stedelijk

Matig stedelijk

Sterk stedelijk

Sterk stedelijk

Zeer sterk stedelijk

Zeer sterk stedelijk 0%

Ja, veel overlast

20%

40%

60%

Ja, een beetje overlast

80%

100%

Nee, geen overlast

0% Ja, veel overlast

Overlast van verkeer Niet stedelijk

Weinig stedelijk

Weinig stedelijk

Matig stedelijk

Matig stedelijk

Sterk stedelijk

Sterk stedelijk

Zeer sterk stedelijk

Zeer sterk stedelijk

Ja, veel overlast

20%

40%

Ja, een beetje overlast

40%

Ja, een beetje overlast

60%

80%

100%

Nee, geen overlast

Geluidsoverlast

Niet stedelijk

0%

20%

60%

80%

Nee, geen overlast

100%

0% Ja, veel overlast

20%

40%

Ja, een beetje overlast

60%

80%

100%

Nee, geen overlast

71

Naarmate mensen in een gebied wonen met een hogere stedelijkheid, ondervinden zij meer overlast. Dat is logisch want in meer stedelijke gebieden wonen meer mensen dichter op elkaar en is er intensiever verkeer en meer bedrijvigheid. De verschillen in ervaren overlast zijn aanzienlijk. • Van de inwoners in niet stedelijke gebieden ervaart 17% (enige) overlast van directe buren. In zeer stedelijke gebieden betreft dat 28% van de inwoners. Van de inwoners van niet stedelijke gebieden ervaart 15% overlast van overige buurtbewoners. In zeer stedelijke gebieden is dat 29%, bijna het dubbele aandeel. • Verkeersoverlast komt ook in niet stedelijke gebieden veel voor. Van de inwoners van niet-stedelijke gebieden ervaart 40% (enige) overlast van verkeer. In zeer stedelijke gebieden is dat bijna de helft (48%). Wel is de ernstige verkeersoverlast in stedelijke gebieden groter dan in niet stedelijke gebieden. In zeer stedelijke gebieden ervaart 16% veel verkeersoverlast, in sterk stedelijke gebieden 13%. In niet stedelijke gebieden ervaart 10% van de inwoners ernstige verkeersoverlast. • Ook geluidsoverlast in brede zin doet zich meer voor in zeer stedelijke gebieden dan in niet stedelijke gebieden. Op dit punt zijn de verschillen groter dan bij de verkeersoverlast. In zeer stedelijke gebieden ervaart 32% van de inwoners enige geluidsoverlast en 11% veel geluidsoverlast.

In niet stedelijke gebieden is dit 20% respectievelijk 4%. Dat betekent overigens dat ook in de minst stedelijke gebieden een kwart van de inwoners enige vorm van geluidsoverlast ondervindt.

72

Het Klimaatakkoord stelt ambitieuze doelen voor de reductie van de uitstoot van CO2 in de bebouwde omgeving. In 2050 moet de Nederlandse woningvoorraad CO2-neutraal zijn. Om de vorderingen op het gebied van het verbeteren van de energetische kwaliteit van de woningvoorraad te volgen, wordt in dit hoofdstuk in beeld gebracht hoe het staat met de energielabels en het energieverbruik in de koopsector en de huursector. Ook wordt uitgebreid ingegaan op de verduurzaming van woningen en de bereidheid van eigenaarbewoners om hun woning verder te verduurzamen.

Hoofdstuk 6

Duurzaamheid en energie

meteen naar:

Kerncijfers

Energielabels en energieverbruik Installaties Isolatie in koopwoningen

Uitgevoerde verduurzamingsmaatregelen Voorgenomen verduurzamingsmaatregelen

73

Kerncijfers duurzaamheid en energie

Energieverbruik

Installaties (koop+huur) % zonnepanelen (eengezinswoningen)

Gasverbruik in m per jaar (koop) 3

Isolaties (koop)

Verduurzamingsmaatregelen afgelopen vijf jaar (koop)

% gevelisolatie

2024 1.003

2024 53%

2024 73%

2021 1.270

2021 28%

2021 72%

2018 1.576

2018 13%

2018 -

% dubbelglas 2024 23% 2021 18% 2018 28%

Gasverbruik in m3 per jaar (corporatiehuur)

% zonnepanelen (appartementen)

% dakisolatie

2024 691

2024 16%

2024 65%

2021 801

2021 9%

2021 64%

2018 1.038

2018

4%

2018 -

% isolatie (gevel, dak of vloer) 2024 21% 2021 15% 2018 22%

Gasverbruik in m3 per jaar (private huur)

% warmtepomp

2024 793

2024 7%

2021 912

2021

2018 1.218

2018 1%

% vloerisolatie 2024 51%

3%

2021 47% 2018 -

% zonnepanelen 2024 38% 2021 18% 2018 11%

Elektriciteitsverbruik in kWh per jaar (koop)

% warmtepomp (bouwjaar woning ≥ 2010)

% dubbel- of triple glas in woonkamer

2024 2.888

2024 32%

2024 98%

2021 3.223

2021 19%

2021 98%

2018 3.400

2018 11%

2018 -

% Cv-ketel vernieuwd 2024 33% 2021 33% 2018 40%

Elektriciteitsverbruik in kWh per jaar (corporatiehuur)

% stadsverwarming

% dubbel- of triple glas in slaapkamer

2024 1.834

2024 6%

2024 94%

2021 2.017

2021

5%

2021 92%

2024

2018 2.157

2018

5%

2018 -

2021 1%

% warmtepomp 4%

2018 Elektriciteitsverbruik in kWh per jaar (private huur) 2024 2.100 2021 2.235 2018 2.341

Energielabels % geregistreerd energielabel E, F of G (koop) 2024 16%

Verduurzamingsmaatregelen toekomst % geregistreerd energielabel E, F of G (corporatiehuur) 2024 7%

% geregistreerd energielabel E, F of G (private huur) 2024 18%

% eigenaar-bewoners bereid meer maatregelen 2024 65%

2021 17%

2021 10%

2021 20%

2021 61%

2018 24%

2018 15%

2018 26%

2018 65%

74

| Duurzaamheid en energie

6.1 Energielabels en energieverbruik Inzicht in het energiegebruik en de energetische kwaliteit van de woningvoorraad geven (mede) inzicht in de opgave die er is om te komen tot een CO2-neutrale woningvoorraad in 2050.

Dit is de geleverde energie aan de woning zonder aftrek van eventuele terug geleverde stroom. Het verbruik van zelf opgewekte stroom zit niet in het gepresenteerde verbruik omdat dit achter de voordeur plaatsvindt.

Energieverbruik huishoudens verder gedaald Figuur 6.1 | Gemiddeld gasverbruik (in m3) en elektriciteitsverbruik (in kWh) per huishouden per jaar, 4.000 1986 tot en met 202414 3.500 3.000

Nog maar weinig corporatiewoningen met slechte energielabels In 2030 moeten alle huurwoningen met een energielabel E, F of G zijn uitgefaseerd. Woningcorporaties moeten dit punt al in 2028 bereiken. De onderstaande figuur laat zien hoe het aandeel huishoudens in zelfstandige woningen met verschillende energielabels zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld.

2.500

Naast inzicht in de ontwikkeling van het aandeel woningen met slechte energielabels is voor de energietransitie van belang hoe het aandeel woningen met een energielabel A (of beter) en B zich ontwikkelt. Woningen met deze energielabels zijn in beginsel geschikt voor lage temperatuurverwarming met een warmtepomp of een lage temperatuurwarmtenet.

2.000 1.500 1.000 500 0

1986 1990 1994 1998 2002 2006 2009 2012 2015 2018 2021 2024 Gas m3/jaar

Elektriciteit kWh/jaar

Het gasverbruik in Nederland neemt al sinds de jaren `80 van de vorige eeuw gestaag af. Het jaarlijkse gemiddelde gasverbruik van een huishouden was in 1986 zo’n 2.400 m3. In 2024 is dit teruggelopen naar gemiddeld minder dan 900 m3 per huishouden per jaar14. De verduurzaming van de Nederlandse woningvoorraad heeft hier in belangrijke mate in bijgedragen. Vanaf 2018 neemt het gemiddelde gasgebruik per huishouden sneller af dan in de periode daarvoor. De daling vanaf 2021 hangt naast verdere verduurzaming van de woningvoorraad samen met het aanpassen van het energieverbruik door de sterk stijgende energieprijzen.

Voor een deel van de woningen is nog geen energielabel aangevraagd (in de onderstaande figuur aangeduid als ‘onbekend’). Het aandeel woningen met een geregistreerd energielabel verschilt aanzienlijk tussen de huursector en de koopsector. Figuur 6.2 | Verdeling van geregistreerde energielabels naar type eigendom, 2018 tot en met 2024

Het elektriciteitsgebruik in Nederland nam tot halverwege de jaren `10 van deze eeuw toe, maar is daarna ook gaan dalen. In 2006 gebruikte een gemiddeld huishouden meer dan 3.300 kWh per jaar, in 2024 is dit teruggelopen naar minder dan 2.500 kWh. De ontwikkeling dat huishoudens met zonnepanelen zelf elektriciteit opwekken en daarom minder elektriciteit afnemen van de energieleverancier speelt hierin een belangrijke rol. Het gepresenteerde elektriciteitsverbruik is het bruto verbruik. 14 Het gepresenteerde gasverbruik is het daadwerkelijke verbruik in elk jaar. Er is niet gecorrigeerd voor de invloed van warme of koude jaren. 14 De gemiddelde energieverbruiken in het WoON komen niet exact overeen met de door het CBS hierover gepubliceerde cijfers. Die cijfers baseert het CBS op registraties in plaats van op een steekproef, zoals het WoON. Bovendien hanteert het CBS een andere rekenmethode om op basis van registraties het gemiddelde verbruik te bepalen.

75

| Duurzaamheid en energie

Het aandeel geregistreerde energielabels is in de corporatiesector veel groter dan in de private huursector en in de koopsector. In de corporatiesector heeft bijna 90% van de woningen een geregistreerd energielabel. In de private huursector is dit bijna 70%. De koopsector blijft hierbij achter. In de koopsector heeft minder dan de helft van de woningen een geregistreerd energielabel. In de private huursector neemt het aandeel woningen met een geregistreerd energielabel gestaag toe. In de corporatiesector lijkt het aandeel te fluctueren. Mogelijk hangt dit samen met de registratie van labels, mogelijk ook met mutaties in de voorraad. In de koopsector is het aandeel geregistreerde labels tussen 2021 en 2024 licht gestegen.

Jonge huishoudens en eenoudergezinnen vaker in corporatiewoning met groen label Figuur 6.3 | Verdeling van geregistreerde energielabels naar leeftijd en huishoudenstype, 2018 tot en met 2024

• Van de woningen met een geregistreerd energielabel in de corporatiesector heeft meer dan de helft (56%) energielabel A of B en is daarmee in beginsel geschikt voor lage temperatuurverwarming. In de koopsector en in de private huursector ligt dit aandeel rond de 50%. • Het aandeel woningen met een geregistreerd energielabel A is vergelijkbaar in alle drie de onderscheiden sectoren. Van de woningen met een geregistreerd energielabel heeft in beide huursectoren ruim 35% van de woningen een energielabel A. In de koopsector is dit iets lager, namelijk 33%, maar het verschil is klein. • Aan de andere kant van het spectrum zijn de verschillen groter. Van de corporatiewoningen met een geregistreerd energielabel heeft minder dan 10% nog een slecht energielabel (E, F of G). In de koopsector en de private huursector is dit bijna 20%.

• Jonge huishoudens (tot 35 jaar) wonen vaker dan andere huishoudensgroepen in een woning met een groen energielabel. Hetzelfde geldt voor eenoudergezinnen. • Beide huishoudensgroepen hebben vaker dan gemiddeld een laag inkomen en wonen vaker in een corporatiewoning. Omdat de corporatiesector voorloopt op de private huursector en de koopsector in het verduurzamen van woningen, wonen deze huishoudensgroepen vaker in een woning met een goede energetische kwaliteit. • Sinds 2018 is, op basis van de informatie over geregistreerde energielabels, voor alle huishoudensgroepen het aandeel dat in een woning woont met een goede energetische kwaliteit, toegenomen.

76

| Duurzaamheid en energie

6.2 Installaties In het licht van de energietransitie is zeer relevant hoe het aandeel woningen met duurzame installaties voor verwarming of het opwekken van energie zich ontwikkelt.

Hoewel de meerderheid van de huishoudens nog een individuele gasgestookte verwarmingsinstallatie heeft, wordt dit steeds minder de norm. Steeds meer huishoudens wonen in een woning die wordt verwarmd met een duurzame en/of collectieve verwarmingsinstallatie.

Grote toename woningen met zonnepanelen • Het aandeel woningen met zonnepanelen is de afgelopen zes jaar sterk toegenomen. Tussen 2018 en 2021 was al sprake van een aanmerkelijke toename, tussen 2021 en 2024 is de groei versneld. In de koopsector is het aantal woningen met zonnepanelen groter dan in de huursector, met name bij eengezinswoningen. • In 2024 had 58% van de eengezinskoopwoningen zonnepanelen. In 2021 was dit nog 30%. Dit betekent dat het aandeel eengezinskoopwoningen met zonnepanelen in drie jaar tijd bijna is verdubbeld. • In de corporatiesector heeft 42% van de eengezinswoningen zonnepanelen. Ook hier was sprake van bijna een verdubbeling van het aandeel woningen met zonnepanelen. • In de private huursector heeft ruim een kwart van de eengezinswoningen (26%) zonnepanelen. In 2021 was dit nog 14%, ook hier dus bijna een verdubbeling van het aandeel. • In de appartementensfeer is het aandeel woningen met zonnepanelen veel lager dan bij eengezinswoningen. De verschillen tussen de koopsector, de corporatiesector en de private huursector zijn hier ook klein. Van de koopappartementen had in 2024 17% zonnepanelen. In de corporatiesector was dit 16% en in de private huursector 15%.

• Het aandeel huishoudens in woningen die worden verwarmd met een warmtepomp of stadsverwarming nam tussen 2021 en 2024 toe van 9% naar 13%. Met name het aandeel huishoudens met een woning met een warmtepomp nam snel toe, van 3% in 2021 naar ruim 7% in 2024. • Het aandeel huishoudens in woningen met een duurzame en/of collectieve verwarmingsinstallatie is het hoogst in de private huursector. Hier heeft ongeveer 15% van de huishoudens een woning met een warmtepomp of stadsverwarming. • In de koopsector is het aandeel huishoudens met woningen met een duurzame en/of collectieve verwarmingsinstallatie het laagst, vooral omdat relatief weinig woningen zijn aangesloten op collectieve voorzieningen. In de koopsector nam het aandeel huishoudens in woningen met een warmtepomp juist snel toe, van ruim 3% in 2021 naar bijna 9% in 2024, een verdriedubbeling. • In de koopsector is het aandeel huishoudens in woningen met een warmtepomp hoger dan in de huursector. In de huursector wordt juist meer gebruik gemaakt van collectieve voorzieningen. Dit hangt samen met het feit dat in de huursector het aandeel appartementen hoger is en warmtenetten beter kunnen worden ingezet in wijken waar de woningdichtheid hoog is.

Aandeel huishoudens met duurzame en/of collectieve verwarmingsinstallaties neemt toe

Koopwoningen vaker mechanisch te koelen dan huurwoningen

30% 6.4 | Type installatie voor het verwarmen van de woning (exclusief gasgestookte installaties Figuur in eigen woning) naar type eigendom, 2018 tot en met 2024 25% 20%

Een deel van de geïnstalleerde warmtepompen is ook in staat om te koelen en kan daardoor als airconditioning functioneren. Daarnaast is in steeds meer woningen een vaste of mobiele airconditioning aanwezig. In de koopsector en in de private huursector is het aandeel woningen met een warmtepomp die ook kan koelen hoger dan in de corporatiesector, waar meer warmtepompen worden toegepast die alleen verwarmen. In koopappartementen is het aandeel woningen met een warmtepomp die ook kan koelen het hoogst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15905679/1