RIS323108 Schimmel bij Hof Wonen en de GGD bijlage 2
Tekst van het document
15% 10% 5% 0%
2018 2021 2024 2018 2021 2024 2018 2021 2024 2018 2021 2024 Koop Warmtepomp
Corporatiehuur Stadsverwarming
Private huur Blok- of wijkverwarming
Totaal Overig
77
| Duurzaamheid en energie
Figuur 6.5 | Percentage huishoudens met een warmtepomp die ook kan koelen en met een airconditioning (vast en mobiel apart onderscheiden), naar type en eigendom, 2024 25% 20%
6.3 Isolatie in koopwoningen Eigenaar-bewoners hebben meer direct regie over het verbeteren van de energetische kwaliteit van hun woning dan huurders. Zij hebben ook vaak beter zicht op maatregelen die in de woning zijn getroffen. Daarom zoomt deze paragraaf specifiek in op de isolatie van koopwoningen.
Woningen eigenaar-bewoners met hoog inkomen beter geïsoleerd Eigenaar-bewoners is gevraagd naar de aanwezigheid van gevel-, dak- en vloerisolatie in hun woning. Bij het beschouwen van de volgende figuren is het van belang te realiseren dat bekend is dat bewoners niet altijd precies op de hoogte zijn van de isolatie die in hun woning is aangebracht, bijvoorbeeld door een eerdere eigenaar.
15% 10%
Eengezins Warmtepomp die ook kan koelen
Private huur
Corporatiehuur
Koop
Corporatiehuur
Koop
0%
Private huur
5%
Appartement Vaste airconditioning
Mobiele airconditioning
• Een vaste airconditioning is in koopwoningen veel vaker aanwezig dan in de huursector. Bij eengezinskoopwoningen is in meer dan één op de vijf woningen inmiddels een vaste airco aanwezig. • In koopwoningen is een vaste airconditioning een meer gebruikte wijze om de woning te koelen dan een warmtepomp die ook kan koelen. Een warmtepomp die ook kan koelen wordt in huurappartementen in vergelijking met airconditionings naar verhouding vaak toegepast. • De corporatiesector blijft wat achter bij het bieden van mechanische mogelijkheden om de woning te koelen in vergelijking met de private huursector en met de koopsector, met name bij eengezinswoningen. • Huurders van een corporatiewoning geven ook minder vaak dan woningeigenaren en huurders van een private huurwoning aan dat zij in staat zijn hun woning aangenaam te koelen. • Toch is de aanwezigheid van mechanische koeling lang niet altijd bepalend of een woning aangenaam koel te krijgen is; het aandeel huishoudens dat in een woning met mechanische koeling woont, is veel lager dan het aandeel huishoudens dat aangeeft de woning aangenaam koel te kunnen krijgen (zie ook paragraaf 5.2 ‘Aangenaam binnenklimaat’).
Figuur 6.6 | Percentage eigenaar-bewoners met gevel-, dak- en/of vloerisolatie naar inkomensgroepen, 2021 en 2024 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
2021 2024 2021 2024 2021 2024 2021 2024 2021 2024 2021 2024 20% laagste 2e kwintiel inkomens
3e kwintiel
Gevel
Dak
4e kwintiel 20% hoogste inkomens Vloer
Totaal
Geen
• Ruim 70% van de eigenaar-bewoners heeft een woning met gevelisolatie, zo’n twee derde heeft dakisolatie en de helft heeft vloerisolatie. Er zijn nog maar weinig eigenaar-bewoners die in een niet geïsoleerde woning wonen (ongeveer 10%). • Naarmate eigenaar-bewoners een hoger inkomen hebben, wonen zij vaker in een geïsoleerde woning. Van de woningeigenaren met de 20% laagste inkomens woont bijna 30% in een niet geïsoleerde woning. Van de hoogste 20% inkomens is dit 7%. • Naarmate eigenaar-bewoners een hoger inkomen hebben, wonen zij vaker in een goed geïsoleerde woning. Vooral vloerisolatie komt vaker voor naarmate eigenaar-bewoners een hoger inkomen hebben.
78
| Duurzaamheid en energie
Oudere koopwoningen minder goed geïsoleerd Naarmate woningen jonger zijn, hebben ze bij oplevering een hogere isolatiegraad. De mate waarin woningen worden geïsoleerd hangt mede samen met de eisen die hieraan worden gesteld in het Bouwbesluit dat geldt op het moment dat de woning wordt gebouwd. Bij jongere woningen waren deze eisen hoger dan bij woningen met een ouder bouwjaar. In oudere woningen is door de jaren vaak door eigenaar-bewoners ‘na geïsoleerd’. • Koopwoningen die zijn gebouwd na 1980 zijn veel vaker goed geïsoleerd dan oudere koopwoningen. • Woningen met een bouwjaar vanaf 2000 zijn weer vaker geïsoleerd dan woningen die zijn gebouwd in de jaren `80 en `90 van de vorige eeuw. • Het aandeel niet geïsoleerde woningen met een bouwjaar na 2000 is miniem, in de bouwjaarklasse na 2010 zijn er geen niet-geïsoleerde woningen meer. • Van de koopwoningen die zijn gebouwd na 2000 heeft meer dan 95% gevelisolatie, heeft ruim drie kwart dakisolatie en heeft ruim twee derde vloerisolatie. • Van de koopwoningen van voor 1960 heeft zo’n 20% geen isolatie. Figuur 6.7 | Type glas in de woonkamer van eigenaar-bewoners naar inkomensgroepen, 2021 en 2024 70%
• Eigenaar-bewoners met een hoger inkomen zijn beter in staat en bereid te investeren in een goed geïsoleerde woning. Naarmate woningeigenaren een hoger inkomen hebben, is hun woning vaker uitgerust met dubbel glas of beter.
6.4 Uitgevoerde verduurzamingsmaatregelen Eigenaar-bewoners is gevraagd naar de verduurzamingsmaatregelen die in de afgelopen vijf jaar zijn uitgevoerd in hun woning. Figuur 6.8 | Uitgevoerde verduurzamingsmaatregelen in afgelopen vijf jaar door eigenaar-bewoners aan woningen met een bouwjaar tot 2015 (exclusief huishoudens met een woonduur korter dan vijf jaar), 2024 Dubbel glas Isolatie gevel, dak, vloer Zonnepanelen Warmtepomp Cv-ketel
60% Anders
50%
Geen
40%
0%
30% 20% 10% 0%
2021 2024 2021 2024 2021 2024 2021 2024 2021 2024 2021 2024 20% laagste 2e kwintiel inkomens
3e kwintiel
4e kwintiel 20% hoogste inkomens
Enkel glas
Gewoon dubbel glas
HR(+/++) dubbel glas
Triple glas / HR+++ glas
Totaal
• Er zijn vrijwel geen eigenaar-bewoners meer met een woning met alleen enkel glas. De meeste eigenaar-bewoners hebben een woning met dubbel glas (46%) of HR(+/++) dubbel glas (46%). Een klein deel van de woningeigenaren heeft Triple glas/HR+++glas (7%).
10%
20%
30%
40%
50%
• In de koopsector werd in ruim 20% van de woningen met een bouwjaar tot 2015 in de vijf jaar voorafgaand aan het WoON dubbel glas geïnstalleerd. In een vrijwel even groot aandeel woningen werd de gevel, het dak of de vloer geïsoleerd. • Eigenaar-bewoners plaatsten vaak zonnepanelen (bijna 40%). • Bij een (klein) deel van de koopwoningen (4%) werd een warmtepomp geplaatst. • In ruim een derde van de koopwoningen waar de bewoners al minstens vijf jaar wonen werd een nieuwe Cv-ketel geplaatst. Doorgaans is dit een energiezuiniger exemplaar dan de ketel die vervangen wordt. • Ruim 10% van de eigenaar-bewoners voerden ook andere, niet nader gespecificeerde, energiebesparende maatregelen uit.
79
| Duurzaamheid en energie
Figuur 6.9 | Uitgevoerde verduurzamingsmaatregelen in afgelopen vijf jaar door eigenaarbewoners aan woningen met een bouwjaar tot 2015 (huishoudens met een woonduur korter dan vijf jaar), 2018, 2021 en 2024 Dubbel glas Isolatie gevel, dak, vloer
Besparen en comfort belangrijkste motivatie om te verduurzamen in de koopsector Figuur 6.10 | Belangrijkste reden voor eigenaar-bewoners om verduurzamingsmaatregelen uit te voeren naar soort maatregel (exclusief huishoudens waarbij meerdere verduurzamingsmaatregelen zijn uitgevoerd), 2024 Dubbel glas
Zonnepanelen Isolatie muur
Warmtepomp
Isolatie dak
Cv-ketel Anders
Isolatie vloer
Geen
Zonnepanelen 0%
10%
20%
30%
40%
50%
Het beeld van uitgevoerde verduurzamingswerkzaamheden is bij eigenaar-bewoners die korter dan vijf jaar in hun woning wonen niet heel anders dan bij huishoudens die al langer wonen. Het aandeel huishoudens waar geen werkzaamheden zijn uitgevoerd, is groter dan bij huishoudens die al langer wonen, maar de accenten in de uitgevoerde werkzaamheden is vergelijkbaar met de werkzaamheden bij huishoudens die al langer wonen.
Warmtepomp Cv-ketel Anders 0%
20%
40%
60%
80%
100%
Dit was toch al nodig vanwege onderhoud De investering verdient zich terug door een lagere energierekening Om mijn woning aangenamer te maken Vanwege het milieu Dit was afgesproken in de VvE De woning is zo beter verkoopbaar Andere reden
De belangrijkste motivaties voor eigenaar-bewoners om hun woning te verduurzamen zijn ingegeven door geld en comfort. Het milieu is maar beperkt de belangrijkste reden om te verduurzamen. • Vaak voert men werkzaamheden uit om geld te besparen via een lagere energierekening (met name zonnepanelen en een warmtepomp) of om de woning comfortabeler te maken (isolatie van vloeren en muren). • Daarnaast worden werkzaamheden vaak uitgevoerd omdat het toch al nodig was vanwege onderhoud (Cv-ketel, dubbel glas, isolatie dak).
80
| Duurzaamheid en energie
Figuur 6.11 | Reden(en) waarom eigenaar-bewoners geen verduurzamingsmaatregelen hebben uitgevoerd naar welvaartsklasse, 2024 Woning is al energiezuinig
Kan dit niet betalen
Besparing is onvoldoende
Weet niet wat mogelijkheden zijn
Wil geen verbouwing
VvE wil dit niet
Nog niet aan toegekomen
Deel eigenaar-bewoners met laag inkomen kan verduurzaming niet betalen • De meest genoemde reden om niet te investeren in het verduurzamen van de woning is dat deze voor de bewoners al energiezuinig genoeg is. Naarmate huishoudens een hoger inkomen hebben wordt deze reden vaker genoemd. Uit eerder gepresenteerde analyses blijkt ook dat huishoudens in een beter geïsoleerde woning wonen naarmate zij een hoger inkomen hebben (zie ook figuren 6.6 en 6.7). • De energielabels van de woningen van de eigenaar-bewoners die hun woning al energiezuinig genoeg vinden, onderschrijven dit grotendeels. Van de eigenaar-bewoners die niet (verder) investeren in de verduurzaming van hun woning heeft ruim 70% een energielabel A of beter. Ongeveer 10% heeft een energielabel B en eveneens ongeveer 10% een energielabel C. • Dat betekent dat ook een deel van de eigenaar-bewoners met een energielabel D of slechter vindt dat de woning energiezuinig genoeg is. In totaal betreft het bijna 10% van de eigenaarbewoners met een geregistreerd energielabel. • Voor huishoudens met een lager inkomen of een middeninkomen is het niet kunnen betalen van verduurzamingsmaatregelen geregeld een reden om niet te investeren. Dit geldt voor zo’n 20% tot 25% van de huishoudens in de onderste drie inkomenskwintielen.
• Voor alle inkomensgroepen geldt dat een deel van de huishoudens nog geen maatregelen heeft getroffen omdat men er nog niet aan toegekomen is. Dit betreft zo’n 15% van de eigenaarbewoners.
Verhuisplannen
Anders 0%
10%
20% 30% 40% 50% 60% 70%
20% laagste welvaart
2e kwintiel
4e kwintiel
20% hoogste welvaart
3e kwintiel
81
| Duurzaamheid en energie
Figuur 6.12 | Reden(en) waarom eigenaar-bewoners geen verduurzamingsmaatregelen hebben uitgevoerd naar leeftijd en huishoudenssituatie, 2024 Woning is al energiezuinig
6.5 Voorgenomen verduurzamingsmaatregelen Naast inzicht in de maatregelen die eigenaar-bewoners hebben getroffen aan hun woningen, is minstens zo interessant welke maatregelen zij nog van plan zijn te treffen en onder welke voorwaarden zij bereid zijn te investeren in de energetische kwaliteit van hun woning.
Kan dit niet betalen
Mogelijkheid om kosten terug te verdienen belangrijke voorwaarde voor verduurzaming in de koopsector
Besparing is onvoldoende
Figuur 6.13 | Bereidheid van eigenaar-bewoners om meer verduurzamingsmaatregelen te nemen in de toekomst naar welvaartsklasse, 2024
Weet niet wat mogelijkheden zijn
20% laagste welvaart 2e kwintiel
Wil geen verbouwing
3e kwintiel
VvE wil dit niet
4e kwintiel Nog niet aan toegekomen
20% hoogste welvaart 0%
Verhuisplannen
20%
40%
60%
80%
100%
Alleen als kosten terugverdiend kunnen worden Ook als kosten zich niet terugverdienen
Anders
Nee 0%
10%
20% 30% 40% 50% 60% 70%
Alleenstaand < 35 jr
Paar < 35 jr
Alleenstaand 35-64 jr
Paar 35-64 jr
Paar met kind(eren)
Eenoudergezin
Alleenstaand 65+ jr
Paar 65+ jr
• Alleenstaanden wonen vaker in een goedkopere woning die minder energiezuinig is. Deze groepen geven dan ook minder vaak dan de andere onderscheiden huishoudensgroepen aan dat hun woning al energiezuinig genoeg is. • Eenoudergezinnen geven vaak als reden om niet in hun woning te investeren dat zij dit niet kunnen betalen. Dit is ook voor paren in de leeftijd vanaf 65 jaar een veelgenoemde reden. Het is bij deze groep zelfs de meest genoemde reden. Bijna 60% van de huishoudens noemt dit.
Weet niet
• Naarmate eigenaar-bewoners een hoger inkomen hebben, zijn zij meer bereid om in de toekomst te investeren in de verduurzaming van hun woning. • Ongeveer de helft tot driekwart van de woningeigenaren is bereid hun woning in de toekomst (verder) te verduurzamen. • Voor een belangrijk deel van de eigenaar-bewoners (40% tot 50%) is een voorwaarde om te verduurzamen dat de kosten terugverdiend kunnen worden. Bij eigenaar-bewoners met een lager inkomen is deze eis prominenter dan bij eigenaar-bewoners met een hoger inkomen.
82
| Duurzaamheid en energie
Figuur 6.14 | Bereidheid van eigenaar-bewoners om meer verduurzamingsmaatregelen te nemen in de toekomst naar type huishouden en leeftijd, 2024
Figuur 6.15 | Bereidheid van eigenaar-bewoners om meer verduurzamingsmaatregelen te nemen in de toekomst naar geregistreerd energielabel, 2024 A
Alleenstaand < 35 jr
B
Paar < 35 jr
C
Alleenstaand 35-64 jr
D Paar 35-64 jr
E
Paar met kind(eren)
F
Eenoudergezin
G
Alleenstaand 65+ jr
Onbekend 0%
Paar 65+ jr 0%
20%
40%
60%
80%
100%
20%
40%
60%
80%
100%
Alleen als kosten terugverdiend kunnen worden Ook als kosten zich niet terugverdienen
Alleen als kosten terugverdiend kunnen worden
Nee
Ook als kosten zich niet terugverdienen
Weet niet
Nee Weet niet
• Oudere eigenaar-bewoners zijn minder vaak bereid om in de toekomst te investeren in verduurzaming van hun woning dan jongere huishoudensgroepen. Van de alleenstaande oudere woningeigenaren geeft ruim een derde (37%) aan dit niet te zullen doen. Naarmate mensen ouder zijn, zijn zij minder vaak bereid om in hun woning te investeren. • Voor jonge huishoudens maar ook voor gezinnen is het van belang dat de kosten van de verduurzaming terugverdiend kunnen worden met een lagere energierekening. Middelbare kleine huishoudens noemen dit minder vaak. Dat betekent niet dat deze groep vaker bereid is te investeren als de kosten zich niet terugverdienen, zij weten het vaak niet.
• De bereidheid van eigenaren van een woning met een goed energielabel om meer verduurzamingsmaatregelen te nemen, is bijna even groot als die van eigenaren van een woning met een minder goed energielabel. • Zowel huishoudens met een koopwoning met een goed energielabel als huishoudens met een koopwoning met een slecht energielabel vinden het daarbij belangrijk dat de kosten van een investering in de energetische kwaliteit van hun woning terugverdiend kan worden. • Naarmate het energielabel slechter is, zijn meer eigenaar-bewoners bereid om ook te investeren als de kosten zich niet terugverdienen. Ook het aandeel eigenaar-bewoners dat niet weet of zij willen investeren wordt lager naarmate hun woning een slechter energielabel heeft.
83
Woningvoorraad
Energielabel
Huishoudentype
Semi-starter Corporatiehuur
Liberalisatiegrens
Begrippenlijst
Op de volgende pagina’s zijn de definities van de in dit document gebruikte begrippen te vinden.
84
| Begrippenlijst
Actieve zoekers/actief zoekende woningvragers De groep actieve zoekers bestaat uit (bestaande en nieuw te vormen) huishoudens die zeggen binnen twee jaar te willen verhuizen naar een zelfstandige woning en minimaal één actie hebben ondernomen om een andere woning te vinden of al een woning gevonden hebben. Personen en huishoudens die bij een ander huishouden intrekken en huishoudens die aangeven dat ze niet willen verhuizen maar wel moeten (bijvoorbeeld vanwege gezondheid of financiële redenen) worden buiten beschouwing gelaten. In eerdere WoON-publicaties is deze groep ‘vragers in de markt’ genoemd.
Aftoppingsgrens
wordt het besteedbaar inkomen afgeleid op basis van het betaalbudget. Het besteedbaar inkomen is het netto-inkomen uit tegenwoordige of verleden arbeid, uit kapitaal en uitkeringen, dus na aftrek van belastingen en premies. In afwijking van het besteedbare inkomen in vorige WoONpublicaties worden hier geen uitgaven in verrekend (zoals betaalde hypotheekrente en premie zorgverzekering) en ook geen compensaties voor uitgaven (zoals toeslagen en belastingteruggave voor de eigen woning). Zodanig is het begrip breed toepasbaar voor verschillende betaalbaarheidsonderzoeken. In het huishoudinkomen telt mee het inkomen van het hoofd van het huishouden, de eventuele partner en van leden van het huishouden. Het inkomen is in vijf even grote klassen (kwintielen) verdeeld. De kwintielgrenzen zijn (exclusief inflatiecorrectie) als volgt:
De aftoppingsgrens is de grens waarboven de huurtoeslag wordt verlaagd. Het deel van de huurprijs tussen de kwaliteitskortingsgrens en de aftoppingsgrens wordt voor 65% vergoed door huurtoeslag. De huurprijs boven de aftoppingsgrens en onder de liberalisatiegrens wordt bij eenpersoons-, mindervalide meerpersoons- en oudere meerpersoonshuishoudens voor 40% vergoed door huurtoeslag en bij overige meerpersoonshuishoudens voor 0%. Er zijn twee aftoppingsgrenzen die jaarlijks per 1 januari worden vastgesteld. Voor de in het WoON gehanteerde aftoppingsgrenzen zie Huurprijsgrenzen.
Appartement
Bijkomende koopuitgaven
Gestapelde woning of meergezinswoning. Een woning in een gebouw met meerdere woningen, zoals een flatwoning, appartement, galerijflat, etagewoning, boven- en benedenwoning, portiekwoning of maisonnette.
De uitgaven voor de opstalverzekering, het eigenaarsgedeelte OZB, het eigenaarsgedeelte waterschapslasten en de (eventuele) erfpacht.
WoON2018 € 18.427
WoON2021 € 20.405
WoON2024 € 23.976
2e kwintiel
€ 27.647
€ 30.890
€ 35.956
3e kwintiel
€ 39.646
€ 44.717
€ 52.832
4e kwintiel
€ 56.326
€ 62.219
€75.888
Vanaf € 56.326
Vanaf € 62.219
Vanaf €75.888
20% laagste inkomens
20% hoogste inkomens
Bijkomende woonuitgaven Belastingeffect eigen woning Belastingeffect voor eigenaar-bewoners als gevolg van het saldo van de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait.
De uitgaven voor energie en water en de uitgaven voor heffingen en belastingen van de Openbaar Publiekrechtelijke Lichamen (OPL). Het gaat hierbij om alle heffingen van gemeente en waterschap, maar exclusief het eigenaarsgedeelte OZB en het eigenaarsgedeelte waterschapslasten. Deze laatste twee posten vallen onder de bijkomende koopuitgaven.
Betaalbaarheidsgrens Omdat wordt gestuurd op het toevoegen van voldoende betaalbare koopwoningen aan de woningvoorraad, wordt jaarlijks de maximale prijs vastgesteld waarboven een koopwoning niet meer als betaalbaar wordt beschouwd, maar als duur. In 2025 ligt de betaalbaarheidsgrens op € 405.000. In 2024 was dit € 390.000 en in 2023 € 355.000. Voor 2023 was de NHG-grens de maatstaf voor betaalbare koopwoningen.
Bruto huur
Betaalbudget
Bruto koopuitgaven
In het WoON2024 is een nieuw inkomensgrip voor het besteedbaar inkomen gehanteerd. In vorige WoON-publicaties werd het netto besteedbaar huishoudinkomen gehanteerd. In het WoON 2024
De maandelijkse hypotheekuitgaven vermeerderd met de bijkomende koopuitgaven en de reservering aan groot onderhoud.
Zie Huur.
Bruto hypotheekuitgaven De totale hypotheekuitgaven aan rente, aflossing en/of premie per maand.
85
| Begrippenlijst
Corporatiehuur Huurwoningen van woningcorporaties. Woningcorporaties zijn privaatrechtelijke instellingen (stichting of vereniging) die zich ten doel stellen op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam te zijn en als zodanig door de Kroon zijn toegelaten. De term toegelaten instelling, waarmee corporaties ook aangeduid worden, verwijst hiernaar.
Eenpersoonshuishouden tot AOW
WoON2018 € 22.200
WoON2021 € 23.225
WoON2024 € 25.475
Eenpersoonshuishouden vanaf AOW
€ 22.200
€ 23.175
€ 25.075
Meerpersoonshuishouden tot AOW
€ 30.150
€ 31.550
€ 34.575
Meerpersoonshuishouden vanaf AOW
€ 30.175
€ 31.475
€ 33.800
Corporatiedoelgroep De corporatiedoelgroep bestaat uit huishoudens met een belastbaar jaarinkomen onder de onderstaande inkomensgrenzen. WoON2018 € 36.165
Grens sociale toewijzing
WoON2021 € 39.055
WoON2024
Eenpersoonshuishouden
€ 44.035
Meerpersoonshuishouden
€ 48.625
Omdat de in het WoON opgenomen inkomensgegevens betrekking hebben op het voorgaande jaar, zijn de in deze tabel opgenomen inkomensgrenzen ook steeds de grenzen die golden voor het voorgaande jaar. Voor 2022 gold voor alle huishoudens eenzelfde inkomensgrens voor toegang tot de gereguleerde corporatiehuursector. Sinds 1 januari 2022 wordt er onderscheid gemaakt tussen eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens. De corporatiedoelgroep wordt ook wel de DAEB-doelgroep genoemd.
Omdat de in het WoON opgenomen inkomensgegevens betrekking hebben op het voorgaande jaar, zijn de in deze tabel opgenomen inkomensgrenzen ook steeds de grenzen die golden voor het voorgaande jaar.
Doorstromer Een binnen Nederland verhuizend huishouden. Voor en na de verhuizing is het huishouden de hoofdbewoner van een woning. De vorige woning is na de verhuizing volledig beschikbaar voor nieuwe bewoners.
Dure scheefheid Huurders die een te laag inkomen hebben voor de huur die zij betalen wonen duur scheef. Het gaat om huishoudens die behoren tot de aandachtsgroep huurtoeslag met een inkomen tot de inkomensgrens voor passend toewijzen, en wonen in een zelfstandige huurwoning met een huur boven de aftoppingsgrens. Voor de relevante inkomensgrenzen, zie Doelgroep passend toewijzen.
Doelgroep huurtoeslag
Dure huur
Sinds 2020 zijn de inkomensgrenzen voor de huurtoeslag komen te vervallen. De eigen bijdrage bepaalt hoeveel huurtoeslag een huishouden ontvangt. Naarmate het huishoudinkomen hoger is, wordt ook de eigen bijdrage hoger. Als de eigen bijdrage hoger is dan de feitelijk huur die een huishouden betaalt, dan ontvangt het huishouden geen huurtoeslag meer. Naast het inkomen is voor de het ontvangen van huurtoeslag het vermogen van invloed. De vermogensgrenzen in 2023 waren:
Huurwoningen in de vrije huursector met in 2023 een huurprijs (zie Huur) boven € 1.123,13. Voor de in andere WoON-jaargangen gehanteerde grenzen, zie Huurprijsgrenzen. Omdat de huren in het WoON 2024 als peildatum 1 juli 2023 hebben, wordt de grens die gold in 2023 gehanteerd.
Eenpersoonshuishoudens | Meerpersoonshuishoudens |
€ 33.748 € 67.496
Eengezinswoning Ook wel grondgebonden woning genoemd. De typen lopen uiteen van een tussenwoning, hoekwoning, twee-onder-één-kap, vrijstaande woning, villa en landhuis.
Energielabel Doelgroep passend toewijzen De doelgroep passend toewijzen bestaat uit huishoudens met een belastbaar jaarinkomen onder de onderstaande inkomensgrenzen. Het inkomen van thuiswonende kinderen telt hierbij niet mee. In tegenstelling tot bij de huurtoeslag telt bij het bepalen of een huishoudens behoort tot de doelgroep voor passend toewijzen het vermogen van een huishouden niet mee.
Laat zien hoe energiezuinig een woning is. Het energielabel wordt aangegeven door middel van de letters A (zeer zuinig) tot en met G (zeer onzuinig). De energielabels in deze publicatie betreffen de door RVO geregistreerde energielabels.
86
| Begrippenlijst
Gereguleerde huurwoning
Huur
Huurwoning met een huurprijs (zie Huur) onder de liberalisatiegrens (zie Huurprijsgrenzen). Huurwoningen met een gereguleerd huurcontract maar een huurprijs boven de liberalisatiegrens worden niet tot de gereguleerde huursector gerekend.
De gehanteerde definitie van huur (bruto huur) is de betaalde huur verminderd met de eventueel in de huur opgenomen kosten voor water, verwarming, garage en andere diensten voor privégebruik. Subsidiabele servicekosten worden niet in mindering gebracht. Het gehanteerde huurbegrip wordt in de huurtoeslag wel de ‘rekenhuur’ genoemd.
Gebruikte woningwaarde In figuren en tabellen die betrekking hebben op de huidige woningwaarde is gebruikgemaakt van de WOZ-waarde. Aan het WoON 2024 zijn de WOZ-waarden gekoppeld vanuit de OZB-aanslag van 2024. Deze WOZ-waarden hadden een waardepeildatum van 1 januari 2023. De prijsstijgingen sinds begin 2023 zijn daarmee niet zichtbaar in de getoonde woningwaarden. Voor alle WoONjaargangen geldt zodoende dat de gehanteerde woningwaarde (WOZ-waardepeildatum) overeenkomt met het jaar waarop de inkomensgegevens betrekking hebben. Bij het WoON 2018 is de WOZ-waarde peildatum 1 januari 2017, bij het WoON 2021 is dit 1 januari 2020.
Huurprijsgrenzen
Goedkope scheefheid
Huurtoeslag
Huurders die een te hoog inkomen hebben voor de huur die zij betalen wonen goedkoop scheef. Dit zijn huishoudens die in aanmerking komen voor een inkomensafhankelijke hogere huurverhoging in een huurwoning onder de liberalisatiegrens. Het gaat om huishoudens met een belastbaar jaarinkomen boven onderstaande inkomensgrenzen.
Een door de Belastingdienst uitgekeerde toeslag aan huurders die in verhouding tot hun inkomen duur wonen. Huishoudens met een aanvangshuur (inclusief subsidiabele servicekosten) hoger dan de liberalisatiegrens komen niet voor huurtoeslag in aanmerking.
WoON2018 € 414,02
WoON2021 € 432,51
WoON2024 € 452,20
Aftoppingsgrens (1 of 2 personen)
€ 592,55
€ 619,01
€ 647,19
Aftoppingsgrens (3+ personen)
€ 635,05
€ 663,40
€ 693,60
Liberalisatiegrens
€ 710,68
€ 737,14
€ 808,06
Bovengrens middenhuur (ondergrens dure huur)
€ 945,00
€ 1.000,00
€ 1.123,13
Kwaliteitskortingsgrens
Inflatie Grens inkomensafhankelijke huurverhoging WoON2024
Hoge middeninkomens
Hoge inkomens
Eenpersoonshuishoudens
€48.836 - €57.573
Hoger dan €57.573
Meerpersoonshuishoudens
€56.513 - €76.764
Hoger dan €76.764
Bij vergelijking van prijsniveaus (zoals van huurprijzen en woonuitgaven) over verschillende jaren wordt in deze publicatie geen inflatiecorrectie toegepast. In deze publicatie staan de uitkomsten beschreven inclusief de relatie tot de hoge inflatie en gestegen inkomens in de afgelopen jaren.
Kale huur Omdat de in het WoON opgenomen inkomensgegevens betrekking hebben op het voorgaande jaar, zijn de in deze tabel opgenomen inkomensgrenzen ook steeds de grenzen die golden voor het voorgaande jaar. Huishoudens met minimaal één persoon die de AOW-leeftijd heeft bereikt en huishoudens die bestaan uit minimaal vier personen, mochten geen inkomensafhankelijke huurverhoging ontvangen en worden in deze publicatie (bij alle WoON-jaargangen) dus niet tot de goedkope scheefheid gerekend.
Huishoudentype Onderscheid naar eenpersoons- en meerpersoonshuishouden, waarbij de laatste onderverdeeld wordt naar eenoudergezin, paar zonder kinderen, paar met kinderen. Zogenoemde nietgezinshuishoudens (bijvoorbeeld samenwonende broers) zijn ingedeeld bij paren zonder kinderen.
De kale huur is de prijs die verschuldigd is voor het enkele gebruik van woonruimte. Dit komt neer op de brutohuur verminderd met alle overige kosten die in de huurprijs inbegrepen kunnen zijn, zoals servicekosten en energiekosten. In afwijking van eerdere kernpublicaties zijn de huurprijsgrenzen gebaseerd op de kale huur in plaats van de bruto huur.
Kamer Het aantal kamers in een woning is het aantal woon- en slaapvertrekken. De keuken, toilet, badkamer, open zolder, hal en gang tellen niet mee.
Koopstarters Voormalige huurders (doorstromers en semi-starters uit huur) dan wel starters op de woningmarkt die een koopwoning betrokken hebben. Deze huishoudens kunnen eerder in een
87
| Begrippenlijst
koopwoning hebben gewoond, maar in het WoON is alleen het eigendom van de huidige en vorige woning bekend. De gehanteerde definitie van koopstarter wijkt daardoor af van de definitie van Kadaster. De definitie wijkt ook af van de groep die in aanmerking komt voor startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting. Zie ook Starter, Semi-starter en Doorstromer.
Kwaliteitskortingsgrens Dit is een begrip uit de huurtoeslag. Het deel van de huurprijs tussen de eigen bijdrage (basishuur) en de kwaliteitskortingsgrens wordt voor 100% vergoed door huurtoeslag. De kwaliteitskortingsgrens wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld. Voor de in het WoON gehanteerde kwaliteitskortingsgrens zie Huurprijsgrenzen.
Netto huur Bruto huur verminderd met de huurtoeslag.
Netto huurquote De netto huur uitgedrukt als een percentage van het betaalbudget. De netto huurquote is de microquote die berekend wordt door eerst per huishouden de quote te berekenen en de quotes vervolgens te middelen.
Netto koopuitgaven De bruto koopuitgaven verminderd met het belastingeffect eigen woning.
Kwintiel (betaalbudget)
Netto koopquote
Indeling in vijf inkomensgroepen die ieder evenveel huishoudens tellen. Het eerste kwintiel bevat de 20% huishoudens van Nederland met het laagste betaalbudget. Het tweede kwintiel geeft het tweede vijfde deel weer (van 20% tot 40%). Het vijfde kwintiel bevat de 20% huishoudens van Nederland met het hoogste betaalbudget. Voor de grenzen van de kwintielen, zie Betaalbudget.
De netto koopuitgaven van eigenaar-bewoners uitgedrukt in een percentage van het betaalbudget. Het belastingeffect (hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait) is hierin dus verwerkt. Met in de woning geïnvesteerd eigen vermogen wordt geen rekening gehouden. De netto koopquote is de microquote die berekend wordt door eerst per huishouden de quote te berekenen en de quotes vervolgens te middelen.
Leeftijd huishouden Voor het bepalen van de leeftijd van het huishouden wordt uitgegaan van de leeftijd van het hoofd van het huishouden: bij paren is dit de man. Bij paren van gelijk geslacht is het de oudste partner.
Netto woonuitgaven De netto woonuitgaven voor huurders en kopers bedraagt de netto huur (zie Netto huur), respectievelijk de netto koopuitgaven (zie Netto koopuitgaven), vermeerderd met de bijkomende woonuitgaven.
Liberalisatiegrens De liberalisatiegrens is de huurprijsgrens waar de gereguleerde huursector stopt en de vrije huursector begint. In 2023 lag de liberalisatiegrens op € 808,06. Met de invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 valt ook het middenhuursegment onder de gereguleerde huursector, waardoor de liberalisatiegrens is opgeschoven naar de bovengrens van het middenhuursegment. Ten tijde van de dataverzameling van het WoON 2024 was dit nog niet het geval.
Netto woonquote Het percentage van het betaalbudget dat besteed wordt aan de netto woonuitgaven.
Overige corporatiedoelgroep
Middenhuur
De overige corporatiedoelgroep bestaat uit huishoudens die niet behoren tot de doelgroep passend toewijzen (zie Doelgroep passend toewijzen) maar wel behoren tot de corporatiedoelgroep (zie Corporatiedoelgroep).
Huurwoningen in de vrije huursector15 met in 2023 een huur tussen de liberalisatiegrens van € 808,06 en € 1.123,13. Voor de in andere WoON-jaargangen gehanteerde grenzen, zie Huurprijsgrenzen.
Overige huishoudens
Midden- en hoge inkomens Huishoudens met een belastbaar jaarinkomen boven de inkomensgrens van de corporatiedoelgroep (zie Corporatiedoelgroep). Bij WoON 2024 is de inkomensgrens voor eenpersoonshuis houdens € 44.035 en voor meerpersoonshuishoudens € 48.625.
Particulier huishouden dat uitsluitend bestaat uit ‘overige huishoudensleden’. Dit zijn leden die als anders dan een partner, ouder in een eenouderhuishouden of als thuiswonend kind deel uitmaken van een particulier huishouden. Te denken valt aan twee broers of twee zussen die samen een huishouden vormen.
15 Per 1 juli 2024 is de Wet betaalbare huur in werking getreden en is het middenhuursegment gereguleerd. De vrije huursector begint sindsdien bij de bovengrens van het middenhuursegment. Ten tijde van de dataverzameling van het WoON 2024 behoorde de middenhuur nog tot de vrije huursector.
88
| Begrippenlijst
OZB Onroerendezaakbelasting wordt door de gemeente op basis van de WOZ-waarde van de woning vastgesteld. De OZB wordt betaald door eigenaren van woningen en gebouwen.
zorginstelling) of een alternatieve woonvorm zoals een woonboot of woonwagen. Huishoudens die vanuit het buitenland zijn verhuisd, tellen niet mee als starters.
Verhuisgeneigd Particulier huishouden Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf, dus niet bedrijfsmatig, voorzien in de dagelijkse levensbehoeften. Personen die in (zorg)instellingen wonen, vallen hier dus buiten.
Men is verhuisgeneigd als men aangeeft binnen twee jaar misschien of beslist te willen verhuizen. In deze publicatie kijken we daarbij alleen naar (bestaande en nieuw te vormen) huishoudens die naar een (andere) zelfstandige woning willen verhuizen.
Verhuismotief Passend toewijzen Corporaties zijn wettelijk verplicht om ervoor te zorgen dat 95% van de woningen met een huurprijs tot de bovengrens sociale huur (€ 808,06 prijspeil 2023) die zij jaarlijks toewijzen aan huishoudens met een laag inkomen (doelgroep passend toewijzen) een huur heeft onder de aftoppingsgrens.
Reden voor een (gewenste of gerealiseerde) verhuizing.
Vrije sector (huur) Huurwoningen met een huurprijs boven de liberalisatiegrens (zie Huurprijsgrenzen). Huurwoningen met een gereguleerd huurcontract maar een huurprijs boven de liberalisatiegrens worden hier dus tot de vrije huursector gerekend.
Private huur Huurwoningen van alle verhuurders anders dan woningcorporaties. Het gaat voor het overgrote deel om institutionele beleggers (pensioenfondsen, verzekerings- en beleggingsmaatschappijen), overige rechtspersonen en particuliere personen die woningen op commerciële basis verhuren of laten verhuren.
Woningvoorraad Het totaal aantal bewoonde woningen.
Woonduur Het aantal jaren dat een huishouden in de woning heeft gewoond.
Reservering groot onderhoud Maandelijks benodigde voorziening voor kosten van periodiek groot onderhoud aan de eigen woning. Het bedrag is modelmatig geschat op basis van de relatie tussen uitgaven voor groot onderhoud en de grootte en het type van de woning volgens het Budgetonderzoek (CBS).
Semi-starter Een binnen Nederland verhuizend huishouden. Voor en na de verhuizing is het huishouden de hoofdbewoner van een woning. De vorige woning is na de verhuizing echter niet beschikbaar voor de woningmarkt, bijvoorbeeld na scheiding, verlaten woongroep of door sloop of grootschalige renovatie van de vorige woning. Zie ook Doorstromer.
Starter Een starter is een huishouden dat voor verhuizing niet in een zelfstandige woning woonde en na de verhuizing hoofdbewoner van een zelfstandige woning is. Starters zijn veelal afkomstig uit het ouderlijk huis, een onzelfstandige woonruimte (zoals een kamer in een studentenhuis of
WOZ-waarde De getaxeerde waarde die wordt gebruikt voor de gemeentelijke OZB-aanslag, voor het eigenaarsgedeelte van de waterschapslasten en voor de inkomstenbelasting (eigenwoningforfait). WOZ is een afkorting voor Waardering Onroerende Zaken. Aan het WoON 2024 zijn de WOZwaarden gekoppeld vanuit de OZB-aanslag van 2024. Deze WOZ-waarden hadden een waardepeildatum van 1 januari 2023. Bij het WoON2018 is de WOZ-waarde peildatum 1 januari 2017, bij het WoON2021 is dit 1 januari 2020.
Zelfstandige woning Een gebouw of deel van een gebouw dat volgens de bouw of verbouw blijvend is bestemd voor permanente bewoning. Bovendien is onder andere vereist dat bij de bouw of verbouw aan de op dat moment bestaande bouwtechnische voorschriften voor woningen is voldaan. Een zelfstandige woning betreft een (deel van een) gebouw met een woonfunctie waar voorzieningen als toilet, keuken en badkamer niet gedeeld hoeven worden met andere huishoudens.
89
Tabellen
Op de volgende pagina’s staan alle tabellen uit dit document, welke corresponderen met de grafieken uit de voorgaande hoofdstukken.
90
| Tabellen
Figuur 1.1 | Ontwikkeling natuurlijke aanwas en buitenlands migratiesaldo, 2000 tot en met 2024 Natuurlijke aanwas
Buitenlandse migratie
Saldo
2000
66.100
53.900
120.000
2001
62.200
50.800
113.100
2002
59.700
24.300
84.100
2003
58.400
-300
58.000
2004
57.500
-16.200
41.200
2005
51.500
-27.400
24.100
2006
49.700
-31.300
18.400
2007
48.300
-5.800
42.600
2008
49.500
25.700
75.200
2009
50.700
34.500
85.200
2010
48.300
33.100
81.400
2011
44.300
29.800
74.100
2012
35.200
13.900
49.000
2013
30.100
19.100
49.200
2014
36.000
35.100
71.100
2015
23.400
55.100
78.500
2016
23.500
79.200
102.700
2017
19.600
80.700
100.300
2018
15.200
86.400
101.500
2019
17.800
108.000
125.800
2020
0
68.400
68.400
2021
8.500
107.200
115.700
2022
-2.600
223.800
221.200
2023
-5.000
137.400
132.300
2024*
-6.500
109.100
102.600
* Voorlopige cijfers. Bron: CBS StatLine - Bevolkingsontwikkeling; regio per maand.
91
| Tabellen
Figuur 1.2 | Ontwikkeling aantal huishoudens naar type en leeftijd, 2000 tot en met 2024
2000
Alleenstaand < 35 jr
Paar < 35 jr
Alleenstaand 35-64 jr
Paar 35-64 jr
Paar met kind(eren)
741.500
481.100
820.800
964.000
2.082.400
Eenoudergezin Alleenstaand 65+ 384.300
710.000
Paar 65+ 617.000
2003
736.800
436.800
908.400
1.009.500
2.092.900
424.100
738.400
648.900
2006
747.100
386.400
987.100
1.030.300
2.076.800
452.400
768.000
698.200
2009
764.300
371.500
1.054.000
1.032.500
2.051.300
474.900
801.100
763.000
2012
810.000
350.700
1.100.000
979.800
2.048.000
510.900
851.900
861.700
2015
829.200
349.800
1.121.500
906.800
2.027.500
545.300
917.100
968.100
2018
853.900
361.600
1.154.800
861.100
2.022.500
572.400
988.800
1.042.700
2021
856.100
392.900
1.181.300
835.200
2.021.000
593.900
1.059.700
1.103.400
2024
978.100
410.200
1.228.700
820.200
2.029.900
618.100
1.133.800
1.155.500
Bron: CBS StatLine - Particuliere huishoudens naar samenstelling en grootte, 1 januari.
Figuur 1.3 | Ontwikkeling gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van zelfstandige huishoudens naar leeftijd en samenstelling, 2015 tot en met 2023 2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023*
Alleenstaand < 35 jr
€ 16.800
€ 17.600
€ 18.100
€ 18.800
€ 19.900
€ 20.900
€ 22.100
€ 23.700
€ 25.600
Paar < 35 jr
€ 42.100
€ 44.300
€ 45.700
€ 47.500
€ 50.300
€ 52.600
€ 55.400
€ 58.800
€ 62.800
Alleenstaand 35-64 jr
€ 24.900
€ 25.700
€ 26.100
€ 26.700
€ 28.300
€ 28.900
€ 30.300
€ 32.100
€ 34.100
Paar 35-64 jr
€ 49.500
€ 51.700
€ 53.800
€ 54.800
€ 59.600
€ 59.800
€ 62.900
€ 66.200
€ 71.400
Paar met kind(eren)
€ 58.100
€ 61.400
€ 64.000
€ 66.200
€ 72.000
€ 73.400
€ 77.000
€ 81.900
€ 88.100
Eenoudergezin
€ 32.200
€ 33.500
€ 34.900
€ 36.100
€ 38.400
€ 39.800
€ 41.700
€ 44.500
€ 48.600
Alleenstaand 65+ jr
€ 22.800
€ 23.200
€ 23.800
€ 24.100
€ 25.500
€ 25.900
€ 26.700
€ 28.300
€ 30.600
Paar 65+ jr
€ 37.400
€ 38.500
€ 40.300
€ 40.600
€ 43.900
€ 43.900
€ 45.200
€ 47.800
€ 52.400
Overig huishoudsamenstelling
€ 39.900
€ 41.900
€ 44.400
€ 46.900
€ 50.500
€ 51.900
€ 55.100
€ 58.400
€ 63.200
Totaal
€ 38.600
€ 40.200
€ 41.600
€ 42.500
€ 45.700
€ 46.400
€ 48.500
€ 51.200
€ 55.000
* Voorlopige cijfers. Bron: CBS: Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek.
92
| Tabellen
Figuur 1.4 | Ontwikkeling hypotheekrente op nieuw afgesloten hypotheken, december 2014 tot en met januari 2025 Gemiddelde bancaire rente op nieuw afgesloten woninghypotheken huishoudens
Gemiddelde bancaire rente op nieuw afgesloten woninghypotheken huishoudens
Gemiddelde bancaire rente op nieuw afgesloten woninghypotheken huishoudens
Gemiddelde bancaire rente op nieuw afgesloten woninghypotheken huishoudens
december 2014
3,2%
juli 2017
2,5%
februari 2020
1,8%
september 2022
2,9%
januari 2015
3,2%
augustus 2017
2,4%
maart 2020
1,8%
oktober 2022
3,1%
februari 2015
3,2%
september 2017
2,4%
april 2020
1,8%
november 2022
3,3%
maart 2015
3,1%
oktober 2017
2,4%
mei 2020
1,8%
december 2022
3,5%
april 2015
3,0%
november 2017
2,4%
juni 2020
1,8%
januari 2023
3,7%
mei 2015
2,9%
december 2017
2,4%
juli 2020
1,8%
februari 2023
3,7%
juni 2015
2,9%
januari 2018
2,4%
augustus 2020
1,8%
maart 2023
3,8%
juli 2015
2,9%
februari 2018
2,4%
september 2020
1,9%
april 2023
3,9%
augustus 2015
2,9%
maart 2018
2,4%
oktober 2020
1,8%
mei 2023
3,9%
september 2015
2,9%
april 2018
2,4%
november 2020
1,8%
juni 2023
4,1%
oktober 2015
2,9%
mei 2018
2,4%
december 2020
1,8%
juli 2023
4,1%
november 2015
2,9%
juni 2018
2,4%
januari 2021
1,7%
augustus 2023
4,1%
december 2015
2,8%
juli 2018
2,4%
februari 2021
1,7%
september 2023
4,2%
januari 2016
2,8%
augustus 2018
2,4%
maart 2021
1,7%
oktober 2023
4,2%
februari 2016
2,8%
september 2018
2,4%
april 2021
1,6%
november 2023
4,3%
maart 2016
2,7%
oktober 2018
2,4%
mei 2021
1,6%
december 2023
4,3%
april 2016
2,7%
november 2018
2,4%
juni 2021
1,6%
januari 2024
4,2%
mei 2016
2,6%
december 2018
2,4%
juli 2021
1,6%
februari 2024
4,1%
juni 2016
2,6%
januari 2019
2,4%
augustus 2021
1,6%
maart 2024
4,0%
juli 2016
2,6%
februari 2019
2,4%
september 2021
1,6%
april 2024
4,0%
augustus 2016
2,5%
maart 2019
2,4%
oktober 2021
1,6%
mei 2024
3,9%
september 2016
2,5%
april 2019
2,3%
november 2021
1,6%
juni 2024
3,9%
oktober 2016
2,4%
mei 2019
2,3%
december 2021
1,6%
juli 2024
4,0%
november 2016
2,4%
juni 2019
2,3%
januari 2022
1,6%
augustus 2024
4,0%
december 2016
2,3%
juli 2019
2,2%
februari 2022
1,6%
september 2024
4,0%
januari 2017
2,3%
augustus 2019
2,2%
maart 2022
1,7%
oktober 2024
3,9%
februari 2017
2,4%
september 2019
2,1%
april 2022
1,8%
november 2024
3,8%
maart 2017
2,4%
oktober 2019
2,0%
mei 2022
2,0%
december 2024
3,7%
april 2017
2,4%
november 2019
1,9%
juni 2022
2,2%
januari 2025
3,7%
mei 2017
2,4%
december 2019
1,9%
juli 2022
2,4%
juni 2017
2,4%
januari 2020
1,9%
augustus 2022
2,7%
Bron: De Nederlandsche Bank, Hypotheekrentes Banken.
93
| Tabellen
Figuur 1.5 | Ontwikkeling mutaties (nieuwbouw. andere toevoegingen, sloop, andere onttrekkingen) in de woningvoorraad, 2015 tot en met 2024 Nieuwbouw
Overige toevoeging
Sloop
Overige onttrekking
2015
48.400
30.000
-11.500
-14.000
2016
54.900
30.800
-10.100
-31.200
2017
63.000
27.600
-12.900
-23.200
2018
66.600
27.000
-8.800
-11.300
2019
71.600
26.500
-10.700
-11.200
2020
70.000
22.900
-10.300
-8.300
2021
71.200
25.400
-9.900
-8.400
2022
74.600
24.100
-10.600
-8.800
2023
73.600
20.800
-9.300
-6.600
2024
69.000
20.200
-11.800
-7.200
Bron: CBS statline.
Figuur 1.6 | Samenstelling bewoonde woningvoorraad naar eigendom en woonvorm, 1986 tot en met 2024 Koop eengezins
1986
1990
1994
1998
2002
2006
2009
2012
2015
2018
2021
2024
39%
41%
43%
46%
48%
48%
50%
50%
51%
51%
51%
50%
Koop appartement
4%
4%
4%
5%
6%
7%
8%
9%
9%
9%
9%
9%
Huur eengezins
30%
28%
25%
23%
21%
20%
18%
18%
17%
17%
16%
16%
Huur appartement
27%
27%
27%
26%
25%
25%
23%
23%
23%
24%
24%
25%
94
| Tabellen
Figuur 1.7 | Samenstelling nieuwbouw naar grootteklasse, 2018 tot en met 2022 < 50 m2 50-75 m
2
75-100 m2 100-150 m
2
150 m of meer 2
2018
2019
2020
2021
2022
12%
13%
12%
14%
16%
13%
12%
14%
16%
20%
16%
15%
17%
17%
16%
36%
33%
33%
29%
26%
23%
26%
25%
25%
22%
Bron: CBS, Nieuwbouwmonitor 2018-2020, Monitor Bewoonde Nieuwbouw 2019-2021, Monitor Bewoonde Nieuwbouw 2020-2022.
Figuur 1.8 | Percentage huishoudens woonachtig in een koopwoning (eigenwoningbezit), naar leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2006 tot en met 2024 2006
2009
2012
2015
2018
2021
2024
Alleenstaand < 35 jr
27%
32%
32%
25%
25%
21%
20%
Paar < 35 jr
64%
64%
60%
51%
50%
51%
50%
Alleenstaand 35-64 jr
39%
43%
42%
42%
42%
41%
41%
Paar 35-64 jr
71%
76%
77%
79%
81%
81%
80%
Paar met kind(eren)
76%
81%
82%
83%
83%
84%
83%
Eenoudergezin
31%
35%
37%
38%
39%
40%
43%
Alleenstaand 65+ jr
31%
33%
33%
37%
39%
39%
43%
Paar 65+ jr
54%
59%
64%
68%
71%
73%
75%
Figuur 1.9 | Percentage huishoudens woonachtig in een corporatiewoning, naar leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2006 tot en met 2024 2006
2009
2012
2015
2018
2021
2024
Alleenstaand < 35 jr
49%
49%
43%
43%
36%
37%
31%
Paar < 35 jr
24%
25%
21%
23%
16%
13%
13%
Alleenstaand 35-64 jr
49%
48%
46%
46%
44%
43%
44%
Paar 35-64 jr
24%
21%
19%
16%
14%
13%
13%
Paar met kind(eren)
19%
17%
15%
13%
13%
11%
12%
Eenoudergezin
61%
57%
55%
51%
49%
47%
44%
Alleenstaand 65+ jr
54%
55%
53%
51%
47%
47%
45%
Paar 65+ jr
37%
34%
28%
25%
22%
21%
18%
95
| Tabellen
Figuur 1.10 | Percentage huishoudens woonachtig in een private huurwoning, naar leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2006 tot en met 2024 2006
2009
2012
2015
2018
2021
2024
Alleenstaand < 35 jr
24%
19%
24%
31%
39%
42%
50%
Paar < 35 jr
12%
12%
19%
26%
33%
36%
37%
Alleenstaand 35-64 jr
12%
9%
11%
12%
14%
16%
15%
Paar 35-64 jr
5%
4%
4%
4%
6%
6%
7%
Paar met kind(eren)
4%
3%
4%
4%
5%
4%
5%
Eenoudergezin
8%
8%
8%
11%
13%
13%
14%
Alleenstaand 65+ jr
15%
11%
14%
12%
14%
14%
13%
Paar 65+ jr
9%
7%
8%
6%
7%
6%
6%
96
| Tabellen
Figuur 2.1 | Ontwikkeling eigendom en prijsklasse huurders, 2018 tot en met 2024 2018
2021
Figuur 2.2 | Samenstelling huurders naar type huishouden, 2018 tot en met 2024 2024
2018
2021
2024
Corporatiehuur tot kwaliteitskortingsgrens
11%
9%
8%
Alleenstaand < 35 jr
14%
16%
18%
Corporatiehuur tot aftoppingsgrens
41%
39%
42%
Paar < 35 jr
6%
6%
6%
Corporatiehuur tot liberalisatiegrens
13%
16%
11%
Alleenstaand 35-64 jr
22%
21%
22%
Corporatiehuur boven liberalisatiegrens
4%
4%
4%
Paar 35-64 jr
6%
5%
5%
Private huur tot liberalisatiegrens
19%
16%
15%
Paar met kind(eren)
11%
10%
10%
Private huur middenhuur
7%
10%
10%
Eenoudergezin
12%
11%
11%
Private huur duur
4%
7%
11%
Alleenstaand 65+ jr
21%
21%
19%
100%
100%
100%
Paar 65+ jr
10%
9%
9%
Totaal
100%
100%
100%
Totaal
Figuur 2.3 | Woonsituatie huurders naar type huishouden en prijsklasse, 2024 Huur < kwaliteitskortingsgrens
Huur < aftoppingsgrens
Huur < liberalisatiegrens
Huur middenhuur (≤ € 1.123.13)
Huur dure huur (> € 1.123.13)
Alleenstaand < 35 jr
26%
29%
17%
16%
12%
Paar < 35 jr
5%
14%
13%
22%
46%
Alleenstaand 35-64 jr
13%
54%
18%
9%
7%
Paar 35-64 jr
6%
33%
22%
21%
18%
Paar met kind(eren)
5%
40%
23%
16%
15%
Eenoudergezin
4%
60%
19%
9%
7%
Alleenstaand 65+ jr
10%
63%
15%
9%
3%
Paar 65+ jr
6%
50%
24%
13%
7%
Totaal
12%
46%
18%
13%
11%
Figuur 2.4 | Ontwikkeling gemiddelde netto huur en bijkomende woonuitgaven en gemiddelde netto huur- en woonquote, 2018 tot en met 2024 2018
2021
2024
Netto vaste woonlasten huurders (bruto vaste lasten-ontvangen huurtoeslag) per maand
€ 487
€ 557
€ 643
Totaal bijkomende woonlasten
€ 174
€ 157
€ 226
Netto huurquote (gecorrigeerd voor opgegeven uitgaven)
24,7%
25,4%
24,7%
Totale woonquote 0-99.7 (gecorrigeerd voor opgegeven uitgaven)
34,5%
33,3%
34,4%
97
| Tabellen
Figuur 2.5 | Ontwikkeling gemiddelde netto huurquote in de huursector naar type huishouden, 2018 tot en met 2024 2018
2021
2024
Alleenstaand < 35 jr
28,9%
30,2%
34,4%
Paar < 35 jr
22,0%
23,7%
24,8%
Alleenstaand 35-64 jr
27,5%
27,9%
25,6%
Paar 35-64 jr
19,4%
20,1%
18,8%
Paar met kind(eren)
18,6%
18,2%
16,9%
Eenoudergezin
22,7%
23,4%
19,8%
Alleenstaand 65+ jr
27,1%
27,5%
25,2%
Paar 65+ jr
21,2%
21,0%
19,3%
Totaal
24,7%
25,4%
24,7%
Figuur 2.6 | Mate waarin huurders hebben aangegeven moeite te hebben om de maandelijkse woonlasten te betalen, naar huursector en leeftijd en huishoudenssamenstelling, 2024
Huursector
Huishoudenstype
Figuur 2.7 | Woonquote naar mate waarin huurders hebben aangegeven moeite te hebben om de maandelijkse woonlasten te betalen, 2024
(Heel) moeilijk
Niet moeilijk en niet makkelijk
Makkelijk
Heel makkelijk
Corporatiehuur
24%
47%
25%
4%
Heel moeilijk
38,4%
Private huur
22%
44%
27%
7%
Moeilijk
37,6%
Alleenstaand < 35 jr
25%
40%
28%
7%
Niet moeilijk en niet makkelijk
34,2%
Paar < 35 jr
14%
42%
32%
12%
Makkelijk
32,7%
Alleenstaand 35-64 jr
27%
45%
23%
5%
Heel makkelijk
29,9%
Paar 35-64 jr
21%
47%
26%
6%
Totaal
34,4%
Paar met kind(eren)
27%
46%
22%
5%
Eenoudergezin
34%
45%
19%
2%
Alleenstaand 65+ jr
17%
49%
31%
4%
Paar 65+ jr
17%
56%
24%
3%
2024
98
| Tabellen
Figuur 2.8 | Netto woonlasten van huurders per regio, 2024 Woningmarktgebied ABF (31)
Figuur 2.9 | Netto woonquote van huurders van een corporatiewoning per regio, 2024
Totale woonlasten per maand (zonder VVE en opgegeven servicekosten)
Woningmarktgebied ABF (31)
Figuur 2.10 | Netto woonquote van huurders van een private huurwoning per regio, 2024
Totale woonquote 0-99.7 (gecorrigeerd voor opgegeven uitgaven)
Woningmarktgebied ABF (31)
Totale woonquote 0-99.7 (gecorrigeerd voor opgegeven uitgaven)
Groningen
€ 757
Groningen
30,4%
Groningen
43,7%
Leeuwarden
€ 744
Leeuwarden
32,4%
Leeuwarden
41,2%
Heerenveen
€ 720
Heerenveen
29,0%
Heerenveen
40,8%
Emmen
€ 696
Emmen
30,8%
Emmen
33,6%
Zwolle
€ 799
Zwolle
28,7%
Zwolle
34,6%
Enschede
€ 732
Enschede
31,1%
Enschede
39,1%
Lelystad
€ 821
Lelystad
29,9%
Lelystad
35,8%
Apeldoorn
€ 819
Apeldoorn
30,6%
Apeldoorn
35,4%
Doetinchem
€ 890
Doetinchem
27,9%
Doetinchem
39,1%
Arnhem
€ 812
Arnhem
30,3%
Arnhem
40,4%
Nijmegen
€ 795
Nijmegen
29,6%
Nijmegen
38,9%
Ede
€ 801
Ede
31,2%
Ede
39,0%
Amersfoort
€ 930
Amersfoort
29,8%
Amersfoort
42,1%
Utrecht
€ 926
Utrecht
30,7%
Utrecht
41,7%
Alkmaar
€ 781
Alkmaar
29,6%
Alkmaar
37,9%
Amsterdam
€ 1.021
Amsterdam
31,0%
Amsterdam
44,8%
Gouda
€ 861
Gouda
30,3%
Gouda
36,4%
Leiden
€ 913
Leiden
31,2%
Leiden
46,7%
Den Haag
€ 916
Den Haag
31,7%
Den Haag
43,2%
Rotterdam
€ 886
Rotterdam
30,3%
Rotterdam
43,5%
Dordrecht
€ 783
Dordrecht
29,0%
Dordrecht
38,2%
Middelburg
€ 783
Middelburg
30,1%
Middelburg
37,0%
Roosendaal
€ 796
Roosendaal
29,9%
Roosendaal
32,8%
Breda
€ 841
Breda
30,2%
Breda
45,3%
Tilburg
€ 843
Tilburg
29,2%
Tilburg
46,6%
Den Bosch
€ 880
Den Bosch
27,3%
Den Bosch
37,1%
Oss
€ 803
Oss
29,5%
Oss
36,1%
Eindhoven
€ 841
Eindhoven
28,1%
Eindhoven
39,1%
Venlo
€ 803
Venlo
30,0%
Venlo
37,4%
Sittard
€ 722
Sittard
30,6%
Sittard
38,7%
Maastricht
€ 869
Maastricht
31,0%
Maastricht
52,9%
Totaal
€ 869
Totaal
30,3%
Totaal
41,9%
99
| Tabellen
Figuur 2.11 | Ontwikkeling goedkope en dure scheefheid in de huursector, 2018 tot en met 2024 2018
2021
2024
Dure scheefheid
313.200
357.000
204.000
Goedkope scheefheid
239.500
208.200
238.900
Paar < 35 jr
Alleenstaand 35-64 jr
Figuur 2.12 | Scheefheid in de huursector naar type huishouden, 2024 Alleenstaand < 35 jr
Paar 35-64 jr
Paar met kind(eren)
Eenoudergezin
Alleenstaand 65+ jr
Paar 65+ jr
Totaal
Dure scheefheid
12%
6%
4%
2%
5%
12%
4%
2%
6%
Geen scheefheid
86%
80%
91%
75%
73%
81%
94%
91%
86%
Goedkope scheefheid
2%
14%
5%
23%
23%
7%
1%
6%
7%
2021
2024
Alleenstaand < 35 jr
25%
32%
Paar < 35 jr
23%
28%
Alleenstaand 35-64 jr
18%
15%
Paar 35-64 jr
26%
25%
Paar met kind(eren)
21%
18%
Eenoudergezin
11%
17%
Alleenstaand 65+ jr
2%
3%
Paar 65+ jr
7%
3%
Figuur 2.13 | Aandeel tijdelijke huurcontracten recent verhuisden naar huishoudenstype, 2021 en 2024
100