RIS322974 Bijlage 1 - Verdiepend onderzoek - Met wetenschap beter bewapend
Tekst van het document
De meest robuuste aanwijzingen voor werkzaamheid werden gevonden voor een programma dat zich richtte op het aanleren van vaardigheden (vergelijkbaar met de hierboven genoemde ‘life skills’) en een korte training voor ouders. Minder duidelijke aanwijzingen werden gevonden voor twee relatief intensieve educatieve projecten over de gevaren van wapens. Ook voor een educatieproject over de gevaren en gevolgen van wapengebruik voor daders (tertiaire interventie) werden aanwijzingen gevonden voor effectiviteit.
Resultaten met betrekking tot interventies • 66
Verder wordt ondersteuning gevonden voor effectiviteit van een interventie die is gericht op nazorg voor gewonde jongeren (Collaborative Care), gedurende een jaar na opname in een traumacentrum. Ook deze interventie was gericht op het verminderen van belangrijke risicofactoren zoals slachtofferschap van geweld, mentale problemen, en middelengebruik. Hierbij moet worden vermeld dat in twee andere studies naar vergelijkbare aanpakken nog niet met genoeg zekerheid een gunstig effect kon worden aangetoond, al waren de uitkomsten wel in de verwachte richting. Een andere interessante interventie die als effectief werd beoordeeld, is een programma uit Glasgow voor jongeren die als ‘gang’ lid waren geïdentificeerd (Community Initiative to Reduce Violence). Deze interventie kenmerkte zich door een aanbod van een intensief individueel traject van hulp en ondersteuning op meerdere levensdomeinen, in combinatie met duidelijke voorwaarden. In meerdere studies wordt geconcludeerd dat Amerikaans combinatieprogramma’s van gerichte afschrikking en hulp en ondersteuning op meerdere levensdomeinen voor jonge gangleden wordt gevolgd door een afname in gang-gerelateerd vuurwapengeweld. Jongeren worden in deze programma’s direct benaderd en extra zwaar vervolgd als ze niet mee willen doen.
Het onderzoeksdesign dat is gebruikt voor dit type programma is echter beperkt en laat geen conclusies toe over de werkzame mechanismen van deze benadering. Tot slot wordt een combinatieprogramma als effectief beoordeeld dat is gericht op buurtbijeenkomsten, ondersteuning voor risicojongeren, en het voorkomen van escalerende conflicten (Safe Streets). Met name het laatste element is interessant omdat het ingrijpt op een belangrijk motief voor het gebruik van wapens, het beslechten van een conflict. Bij deze aanpak wordt gebruik gemaakt van professionele geweldsonderbrekers, en het is een methode die mogelijk ook toepasbaar is bij conflicten die zich deels ontwikkelen via sociale media. Van belang is wel te noemen dat het onderzoeksdesign beperkt was en dat voor een vergelijkbaar programma alleen een verandering in de verwachte richting werd gevonden. De aanwijzingen voor effectiviteit zijn dus nog erg onzeker. De interventies waarvoor tot nu toe geen of beperkte effectiviteit kon worden vastgesteld, betroffen onder meer algemene landelijke bewustwordingscampagnes die waren gericht op het aanjagen van angst voor de gevolgen van wapens en verboden, extra controle en detectiepoortjes, maatregelen om de verkoop of dragen van wapens te beïnvloeden.
Beide soorten maatregelen richtten zich niet of nauwelijks op de achterliggende oorzakelijke factoren voor bezit, dragen en gebruik van wapens. Een meer uitgebreid maar kortdurend politieprogramma met betrekking tot steekwapens uit Glasgow leidde alleen op korte termijn tot minder steekincidenten, maar niet tot een blijvend effect. Het betrof hier een combinatie van maatregelen die ook in Nederland zijn toegepast: mediacampagnes, inleveracties, surveilleren en veiligheidsmaatregelen in uitgaansgelegenheden. Ook hier was de interventie niet duidelijk gericht op belangrijke oorzakelijke factoren. Verder viel op dat ook een meer omvangrijk programma in Engeland om steekwapengeweld onder jongeren tegen te gaan geen merkbaar
67 • Hoofdstuk 5
effect leek te hebben. De lokale politieafdelingen die hiervoor geld kregen, konden hun eigen invulling geven en kozen een combinatie van voorlichten, extra controle en een lesprogramma over wapens voor jonge wetsovertreders. Hoewel het ging om een gevarieerd scala aan maatregelen, valt op dat ze zich ook weinig richten op de oorzakelijke factoren die in het vorige hoofdstuk zijn beschreven. In grote lijnen zien we een aantal elementen die kenmerkend zijn voor veel van de interventies die als effectief zijn beoordeeld, in vergelijking tot de interventies die dat niet zijn. Ten eerste zien we dat deze zich kenmerken doordat ze intensief, veelomvattend en langdurend zijn. Educatieve programma’s die succesvol zijn omvatten vaak rond de tien sessies, nazorg voor slachtoffers kan een jaar worden gegeven, gemotiveerde risicojongeren of gang-leden volgen een langdurig individueel traject. Interventies die niet effectief worden bevonden zijn vaak eenmalig of kortdurend, of worden na afloop van de activiteiten niet gecontinueerd. Ten tweede kenmerken de meeste effectieve interventies zich doordat ze zich richten op meerdere oorzakelijke factoren bij het bezit, dragen of gebruik van wapens. Dan gaat het bijvoorbeeld om slachtofferschap, middelengebruik, mentale gezondheid, schooluitval en de thuissituatie.
Veel van de niet-effectieve interventies richten zich alleen op de gelegenheid om wapens te krijgen of te dragen, of richten zich alleen op bewustwording rond wapens zonder achterliggende factoren aan te pakken. Ten derde beogen de meer succesvolle interventies een substantiële verandering in het leven van jongeren te bewerkstellingen door hun vaardigheden en ‘life skills’ aan te leren en/of hun sociale situatie te verbeteren. Niet duidelijk effectieve interventies richtten zich vaker op controle, afschrikking, of bewustwording. Ten vierde zijn veel van de effectief bevonden interventies gericht op het aanbieden van zorg en ondersteuning voor hoog risico jongeren of wetsovertreders. Dat gebeurt soms in combinatie met een meer repressieve of confronterende benadering, maar anders dan de niet als effectief beoordeelde interventies is er nooit sprake van repressie of afschrikking alleen. Ten vijfde is er veel aandacht besteed aan een zorgvuldige en professionele ontwikkeling van de als effectief beoordeelde interventies. Veel van deze aanpakken zijn gebaseerd op wetenschappelijke theorieën of een meer algemeen interventiemodel en een deel wordt ondersteund met instrumenten zoals lesprogramma’s of een Intervention Toolkit. Veel van de niet duidelijk werkzame interventies zijn minder goed onderbouwd of ontwikkeld door de uitvoerders zelf.
Veel van deze bevindingen zijn in lijn met de conclusies over interventies uit het QuickScan literatuuronderzoek naar steekwapens (Wolsink & Ferwerda, 2024). Ook daarin wordt benadrukt dat interventies die zich niet richten op de onderliggende risicofactoren, interventies met repressieve elementen en interventies die zijn gericht op afschrikking hun doel voorbijschieten. Zij zien nog wel nut in sommige vormen van voorlichting op scholen, maar uit ons onderzoek blijkt dat wellicht meer te verwachten valt van intensievere educatieve programma’s. Verder komen uit ons onderzoek ook meerdere andere interventietypen naar voren die in de QuickScan niet waren gevonden (deels omdat ze ontwikkeld zijn voor
Resultaten met betrekking tot interventies • 68
vuurwapens): de interventies gericht op nazorg voor slachtoffers, gerichte hulp en ondersteuning voor risicojongeren, het ingrijpen in en modereren van conflicten, en de totaalprogramma’s met een combinatie van confrontatie en ondersteuning. In het QuickScan rapport worden ook meerdere preventieve interventies genoemd die in dit onderzoek niet aan de orde zijn gekomen, zoals voorschoolse programma’s, antipestprogramma’s op school, gezinsinterventies en het inzetten van positieve rolmodellen. Dit zijn allen interventies die zijn gericht op delinquent of probleemgedrag in het algemeen waardoor ze niet naar boven kwamen in de literatuurselectie (die was specifiek gericht op uitkomsten met betrekking tot wapens onder jongeren). Dat betekent niet dat deze meer algemene interventies geen effect kunnen hebben. De gedragingen waarop ze zijn gericht en de achterliggende risicofactoren hangen ook samen met de betrokkenheid bij wapens onder jongeren. Het is goed mogelijk dat de effecten van dergelijke interventies zich uitstrekken tot meer domeinen dan waar ze voor ontworpen zijn, net zoals we zagen bij de interventies die primair waren gericht op het voorkomen van dating violence.
Dit betekent dat de aanpak van wapens onder jongeren niet alleen is gebaat bij het gebruik van effectief bevonden interventies die hierop direct zijn gericht, maar ook bij een versterkt gebruik van interventies en aanpakken die effectief zijn bevonden ten aanzien van delinquentie, geweld en probleemgedrag in het algemeen.
69 • Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 6: Resultaten over de toepasbaarheid van interventies In dit hoofdstuk bespreken we de resultaten met betrekking tot de derde onderzoeksvraag, die luidt: Wat kan worden geconcludeerd over de zinvolheid en bruikbaarheid van de onderzochte interventies in de Nederlandse situatie? Voor een selectie van drie interventies uit het buitenland wordt besproken welke inzichten naar boven kwamen uit de vragenlijsten onder deskundigen over de toepasbaarheid van deze interventies in de Nederlandse situatie. De geconsulteerde professionals Per email is een link naar een verkennende vragenlijst verzonden naar 35 personen binnen het netwerk rond het Actieplan Wapens en Jongeren. Door een gevarieerde groep van respondenten te benaderen, hoopten wij informatie te kunnen krijgen over de toepasbaarheid en bruikbaarheid van interventies waarvoor in het buitenland aanwijzingen waren gevonden voor effectiviteit. Van de benaderde groep professionals hebben 17 personen, ongeveer de helft van alle aangeschreven personen, de vragenlijst ingevuld. In Tabel 18 is weergegeven bij welk type organisatie deze personen werkzaam zijn. Tabel 18: Kenmerken van de deelnemers aan de consultatieronde Type organisatie / respondent Gemeente of lokale organisatie Onderwijsgerelateerd Justitiegerelateerd Onderzoek op het veiligheidsdomein CCV Zorg en welzijn Totaal
Aantal 4 3 2 2 2 4 17
De deelnemers zijn divers van achtergrond. Van de lokale organisaties deden twee medewerkers van een gemeente mee en twee van een lokale veiligheidsorganisatie. Binnen het onderwijs ging het om iemand van een landelijke organisatie op het gebied van veiligheid op scholen, iemand van de landelijke MBO-Raad, en een medewerker van een lokale MBO-gemeenschap. Vanuit het justitieveld was er een vertegenwoordiger van het OM en een van Halt. Vanuit het onderzoeksveld participeerden een medewerker van een onderzoeksbureau en een zelfstandig onderzoeker op het terrein van zorg en veiligheid. Twee vertegenwoordigers van het CCV vulden de vragenlijst in. Bij de categorie Zorg en welzijn ging het om een ambulante zorgorganisatie, een lokale zorg- en welzijnsorganisatie, een lokale Jeugd en Gezin, een lokale organisatie voor sociaal werk.
Resultaten over de toepasbaarheid van interventies • 70
De deelnemers kregen drie interventies voorgelegd die geselecteerd waren op basis van een eerste inspectie van de aanpakken waarbij aanwijzingen waren gevonden voor effectiviteit. Het betreft een primaire interventie, een secundaire interventie en een combinatie/totaalprogramma. Van de interventies die onder primair zijn ingedeeld is gekozen voor een lesprogramma (The Peaceful Conflict Resolution and Violence Prevention Curriculum), van de secundaire interventies is gekozen voor een interventie die was gericht op slachtoffers van geweld in een ziekenhuis (Collaborative Care Program), en bij de combinatie/totaal programma’s is gekozen voor een buurtgericht programma waarbij outreach werkers risicojongeren benaderen met een aanbod van ondersteuning en waarbij ze proberen in te grijpen bij mogelijk escalerende conflicten (Safe Streets). Hieronder geven we een algemene beschrijving van de antwoordpatronen van de deelnemers aan de consultatieronden, en gaan we vooral in op de inzichten die hun antwoorden hebben opgeleverd met betrekking tot de geschiktheid en toepasbaarheid van de drie voorgelegde interventies. We doen dit niet gedetailleerd cijfermatig vanwege de kleine omvang van de geraadpleegde groep; aantallen en percentages zijn dan niet betrouwbaar.
De bedoeling van dit onderdeel was vooral om inhoudelijke inzichten te krijgen uit de praktijk over de potentie van mogelijk interessante interventies uit het buitenland voor de Nederlandse context. Toepasbaarheid in Nederland van een lesprogramma gericht op omgang met conflicten, weerbaarheid en life skills (primaire interventie) Dit programma is uitgezocht voor de consultatieronde omdat het is gericht op meerdere van de risicofactoren die in verband bleken te staan met betrokkenheid bij wapens onder jongeren, met name de omgang met conflicten en het vinden van goede oplossingen daarvan. Het is een langdurig lesprogramma, waarbij ook wordt geoefend met rollenspelen. Vergelijkbare programma’s zijn ook elders ontwikkeld, waarbij gunstige resultaten werden gerapporteerd met betrekking tot antisociaal gedrag in het algemeen. Verder leek het in meer algemene zin interessant om de bruikbaarheid van lesprogramma’s voor jongeren in verband met wapens nader te bekijken, gezien de positieve resultaten die ook bij andere lesprogramma’s waren gevonden, met name bij de varianten die waren gericht op het voorkomen van geweld en slachtofferschap binnen romantische relaties (zoals ‘Dating Matters’). Onder de geconsulteerde professionals was bij de meesten niet een dergelijke interventie bekend in Nederland of niet in deze vorm of zo systematisch.
Er waren wel verschillende deelnemers aan de consulatie die overeenkomsten zagen met bestaande projecten en aanpakken. Een belangrijke parallel is de SOVA training die wordt ingezet binnen de Haltinterventie, en voorlichtingslessen die op scholen al worden gegeven. Daarnaast wordt gewezen op de overeenkomsten met De Vreedzame School, een uitgebreid programma voor basisscholen voor sociale en burgerschapscompetenties. Daarnaast worden Your Move en
71 • Hoofdstuk 6
Vriend & Vijand genoemd als methoden, een eigen les over messen en geweld met VR en rollenspelen, elementen uit vechtsporten en de werkwijze bij jeugdrechtbanken. De meeste deelnemers achten een lesprogramma als dit in zijn geheel bruikbaar voor de Nederlandse context. Zij vinden het leren omgaan met conflicten belangrijk, ook voor kinderen in zijn algemeenheid. Ze wijzen daarbij op de intensieve en gestructureerde kenmerken van de interventie, en zien ook het rollenspel als nuttige aanvulling. Een aantal deelnemers noemen ook dat het aansluit bij bevindingen en aanbevelingen over de rol van conflicten bij wapengebruik die naar voren kwamen uit het onderzoek onder jongeren in Rotterdam (Weerman e.a., 2022). Een van de deelnemers meldt dat ook jongeren die zijn geraadpleegd voor de ontwikkeling van het barrièremodel van het CCV het nut inzien van lessen gericht op omgangsvormen en conflicthantering, ook voor hun latere leven. Meerdere deelnemers vinden het wel belangrijk om de lessen in zijn geheel aan te bieden en hier ook goede externe trainers bij in te zetten die aansluiting hebben met de doelgroep. Enkele deelnemers vinden het wel van belang om het niveau en de intensiteit van het programma af te stemmen op de leerlingen die het ontvangen. De deelnemers verschillen in hun antwoorden op de vraag voor welke doelgroep deze interventie het meest geschikt zou kunnen zijn.
Er wordt genoemd om dit aan te bieden aan leerlingen aan het eind van de basisschool en/of de onderbouw van de middelbare school of de middelbare school in zijn geheel. Er zijn ook verschillende deelnemers die van mening zijn dat dit lesprogramma beter kan worden aangeboden aan jongeren met een verhoogd risico, zoals kwetsbare jongeren of jongeren die al in contact zijn gekomen met de politie, jongeren die problemen hebben met agressie- en emotieregulatie, of op scholen en in klassen waar relatief vaak sprake is van geweldsincidenten. Een van de deelnemers wijst daarbij op het RNR-principe dat interventies qua intensiteit moeten passen bij de doelgroep. Bij de vraag wie een dergelijk lesprogramma zou moeten uitvoeren, worden verschillende soorten organisaties en personen genoemd. Deelnemers noemen het jongerenwerk of jeugdzorg als mogelijkheid, of docenten die door een professionele organisatie worden opgeleid. Het wordt belangrijk gevonden dat het gaat om personen en organisaties die dicht bij jongeren staan, daarnaast wordt professionaliteit en expertise genoemd als belangrijk kenmerk. Organisaties die al betrokken zijn bij vergelijkbare projecten zouden een optie kunnen zijn. Daarbij wordt Bureau Halt genoemd als optie, omdat zij al voorlichtingen bieden aan scholen en ouders, en gedragsinterventies hebben ontwikkeld voor jongeren die grensoverschrijdend gedrag vertonen.
De meeste deelnemers zien verschillende obstakels en aandachtspunten bij uitvoering en implementatie van een dergelijk lesprogramma. Ten eerste kan het programma gezien de omvang en intensiteit als belastend worden ervaren door scholen die al behoorlijk vol zitten in hun curriculum. Ook worden rollenspelen als uitdagend gezien voor zowel de uitvoerder als voor de leerlingen die dit niet gewend zijn. Aangeraden wordt om bij toepassing ook de groepsdynamiek en situatie binnen de klas mee te nemen in de opzet en uitvoering. Andere
Resultaten over de toepasbaarheid van interventies • 72
aandachtspunten die worden genoemd zijn: de financiering, de mogelijkheid van nazorg, privacygevoeligheid van eventuele filmopnamen, kijken of dit echt speelt op scholen of dat er beter een selectie van scholen kan worden gemaakt, mogelijke verveling bij leerlingen voor wie omgang met conflicten geen probleem is, de mogelijkheid om dit ook geschikt te maken voor LVB-leerlingen, en de suggestie om dit eerst kleinschalig uit te proberen en ook jongeren te betrekken bij de opzet. Kortom, het ontwikkelen van lespakketten voor de ontwikkeling van conflicthantering en sociale competenties wordt door de geraadpleegde professionals gezien als mogelijk nuttige aanvulling op het bestaande palet aan interventies. Hierbij moet wel nader worden gekeken voor welke doelgroep de interventie het meest geschikt is, het zou beter kunnen zijn om (in ieder geval in eerste instantie) deze interventievorm in te zetten als secundaire interventie, op scholen of jongeren waarbij het risico op betrokkenheid bij wapens relatief hoog is. Gezien de parallellen met bestaande interventies ligt het voor de hand om gebruik te maken van al bestaande expertise op dit gebied in Nederland, zoals bij Bureau Halt en het programma De Vreedzame School. Deze zouden kunnen worden uitgebreid en gecombineerd met het hier besproken lespakket.
Maar ook andere bestaande aanpakken uit het buitenland waaronder het Dating Matters programma, waarbij ook elementen zitten die zijn gericht op ouders en docenten. Mocht een lesprogramma als dit worden uitgevoerd, dan dient wel aandacht te worden besteed aan de verschillende aandachtspunten en mogelijke uitvoeringsproblemen die door de deelnemers zijn genoemd. Een zorgvuldig ontwikkeltraject en monitoring van de implementatie en effecten in de praktijk is dus belangrijk. Toepasbaarheid in Nederland van een aanpak gericht op begeleiding van en steun aan slachtoffers van geweld en ernstige verwondingen (secundaire interventie) Deze interventie is voorgelegd in de consultatieronde omdat het zich specifiek richt op slachtoffers en deze groep op een directe manier kan bereiken. Slachtofferschap en ervaringen met geweld in brede zin bleken een belangrijke en specifieke factor te zijn die is gerelateerd aan betrokkenheid bij wapens onder jongeren, en daarom is het bij uitstek van belang om interventies toe te passen die zich juist richten op deze factor. Een programma voor jonge slachtoffers zou kunnen helpen om te voorkomen dat zij later wapens nodig denken te hebben. Bij verreweg de meeste deelnemers aan de consultatieronde was een interventie als dit in Nederland niet bekend. Wel worden raakvlakken met andere aanpakken en projecten genoemd.
Zo bestaan er nazorgtrajecten in Nederland voor jongeren die in ziekenhuizen worden binnengebracht met overmatig alcoholgebruik. Dit bestaat uit een of meer gesprekken met kinderartsen en mogelijk neurologen en psychologen. Ook wordt er voorlichting gegeven en kan worden doorverwezen naar hulpverlening. Een ander project in Nederland dat tien jaar geleden is uitgeprobeerd, betreft registratie van geweld als oorzaak van letsels op de spoedeisende-hulpafdeling van Amsterdamse ziekenhuizen. Dit is opgezet naar aanleiding van
73 • Hoofdstuk 6
een veelbelovend project in Cardiff (zie Van Wijk e.a., 2015). Hierbij werd geprobeerd om de aard en achtergronden van het geweld in kaart te brengen en in te schatten of vervolgactie nodig was. Voor zover bekend heeft dit geen opvolging gekregen. Verder is ooit overwogen om een aanpak uit Schotland (Glasgow) in de Nederlandse situatie toe te passen. Dit project heeft de naam Navigators, en bestaat uit het aanbieden van psychosociale hulp aan patiënten die binnenkomen op de Afdeling Spoedeisende Hulp van ziekenhuizen. Het wordt uitgevoerd door een team van ‘support workers’ (die soms ook ervaringsdeskundig zijn) die patiënten benaderen in het ziekenhuis en hen ook blijven ondersteunen na ontslag. De meeste deelnemers aan de consultatieronde zijn enthousiast over de mogelijke bruikbaarheid van een interventie als deze in Nederland. “Het moment in het ziekenhuis gebruiken om achterliggende factoren te onderzoeken en de juiste hulp te bieden, klinkt als een mooie integrale interventie”, aldus een van de geconsulteerde professionals. Een andere deelnemer noemt een interventie als dit cruciaal, want een intensief programma is nodig om het verhoogde risico op betrokkenheid bij wapens bij slachtoffers van geweld te verlagen.
Een andere deelnemer wijst erop dat het programma niet alleen inzet op de omgang met slachtofferschap, maar ook op andere factoren die verband houden met wapens onder jongeren, zoals middelengebruik en mentale gezondheid. De deelnemers verschillen enigszins in hoe breed zij de doelgroep zien voor deze vorm van interventie. Door een deel wordt in het algemeen slachtoffers van geweld genoemd, in lijn met de opzet van de interventie. Enkelen zouden de interventie vooral willen richten op jongeren die opgroeien in risicovolle omstandigheden of jongeren die dreigen in aanraking te komen met justitie. Anderen denken dat de doelgroep nog breder zou kunnen: ook naasten van slachtoffers van geweld zouden baat kunnen hebben bij de aanpak, en ook in instellingen buiten de medische omgeving zou een programma als dit nuttig kunnen zijn. Ook wat betreft de uitvoerende organisatie lopen de antwoorden uiteen. Een deel van de deelnemers denkt dat (algemene of forensische) zorgorganisaties het meest geschikt zijn, al dan niet in samenwerking met de ziekenhuizen zelf. Enkelen noemen Slachtofferhulp Nederland als mogelijkheid, en weer anderen denken aan de inzet van jongerenwerkers en Credible messengers (professionals en jongeren die de leefwereld van de betrokkenen kennen en begrijpen, sommigen uit eigen ervaring) eventueel in aanvulling op anderen.
Een belangrijk obstakel voor toepassing dat wordt genoemd, is dat er voor een interventie als deze voldoende financiën en personeel nodig is. Gezien de al bestaande druk op de zorg is de vraag of dit gaat lukken. Een deelnemer ziet dit programma daarom vooral als geschikt voor grote steden waar veel wapengeweld voorkomt, vanwege het benodigde volume om het mogelijk te maken. Verder wordt erop gewezen dat motivatie en deelname van jongeren in het ziekenhuis niet vanzelfsprekend is wanneer de interventie wordt gegeven op basis van vrijwilligheid. Een deel van de jonge slachtoffers wordt mogelijk niet bereikt. Verder wordt
Resultaten over de toepasbaarheid van interventies • 74
gesuggereerd om ook ouders te betrekken bij deze interventie en ook op de nog langere termijn, na 12 maanden, een vinger aan de pols te houden, bijvoorbeeld via jongerenwerk. Kortom, ook deze interventie wordt door professionals als interessant gezien om verder te onderzoeken en eventueel toe te passen in de Nederlandse context. Een belangrijke risicogroep voor wapens wordt direct bereikt en meerdere factoren kunnen worden aangepakt met deze interventie. Hoe smal of breed een dergelijke aanpak kan worden ingezet is nog niet duidelijk: terwijl sommigen de aanpak zouden willen beperken tot hoog risicogroepen of gebieden, zien anderen juist een bredere toepassing als zinvol. De ontwikkeling van een interventie als deze vergt voldoende middelen en waarschijnlijk ook samenwerking tussen de verschillende instanties die zijn geopperd als uitvoerder (Slachtofferhulp, zorginstellingen, jeugdwerk, in samenwerking met de ziekenhuizen).
Toepasbaarheid in Nederland van een interventieprogramma gericht op het ombuigen van omstandigheden van en conflicten tussen jongeren in gebieden met veel geweld (combinatie/totaalprogramma) Als derde interventie in de vragenlijst is een totaalprogramma uit de Verenigde Staten gekozen dat past binnen een traditie van projecten in grote steden met gang gerelateerd geweld, maar die in de uitvoering minder gericht is op selectieve afschrikking dan andere programma’s. In dit programma proberen ‘outreach workers’ (vaak ervaringsdeskundigen) hoog-risico jongeren in de buurt toe te leiden naar een opleiding of werk, en zijn er onder hen ‘geweldonderbrekers’ die potentieel gevaarlijke conflicten in de buurt signaleren en ingrijpen via mediatie en het voorkomen van wraakacties. Daarnaast worden er activiteiten en bijeenkomsten georganiseerd na wapengeweld. Dit programma wilden we voorleggen aan de professionals, omdat het een combinatie is van gerichtheid op factoren die zijn gerelateerd aan wapens onder jongeren en een directe preventieve aanpak van conflicten tussen hoog-risico jongeren. Anders dan de hiervoor genoemde interventies, zien de geconsulteerde professionals verschillende overeenkomsten tussen elementen uit dit programma en al bestaande aanpakken in de Nederlandse context.
Zo worden er veel overeenkomsten gezien met het jongerenwerk in meerdere steden, waarbij medewerkers de taal van de jongeren kennen en ook vaak proactief/ ‘outreachend’ werken en begeleiden. Een deel van hen heeft ook zelf een kwetsbare achtergrond en kan van daaruit fungeren als ‘rolmodel’. Ook wordt door meerdere professionals de overeenkomsten benoemd met het inzetten van ‘credible messengers’ op verschillende plekken in Nederland. Een van de deelnemers meent dat in Schotland ook vergelijkbare programma’s zijn. Een mogelijk voorbeeld daarvan is het Community Initiative to Reduce Violence dat in vorige hoofdstuk werd besproken als een van de interventies waarvoor aanwijzingen worden gevonden voor effectiviteit. In dit programma worden jongeren uit gangs actief benaderd met een hulpaanbod en begeleiding, in ruil voor een verklaring af te zien van geweld en het dragen van een wapen.
75 • Hoofdstuk 6
Een deel van de geraadpleegde professionals vindt het programma of elementen daaruit ook bruikbaar in Nederland. Met name het proactieve element in de benadering van jongeren wordt als positief benoemd, alsmede de inzet van rolmodellen. Toch is er ook twijfel bij meerdere deelnemers aan de consultatieronde. Er wordt op gewezen dat de situatie in de Verenigde Staten waarin deze interventie wordt toegepast op veel punten verschilt van die in Nederland: hier gaat het niet om gang-gerelateerd vuurwapengeweld, maar vooral om problemen met steekwapens en de achterstanden en ongelijkheid zijn hier van een andere orde. Verder wordt er getwijfeld of het wel verstandig is om van de inzet van ‘geweldsonderbrekers’ een aparte interventie te maken. Dit is eigenlijk al onderdeel van het reguliere werk van politie en jongerenwerk, dat beter breder en opener kan worden gericht op het stimuleren van een goede ontwikkeling en het voorkomen van delinquentie van jongeren in het algemeen. Een van de deelnemers pleit daarom voor een versterking van het jongerenwerk in plaats van het ontwikkelen van een nieuwe interventie.
Over de eventuele doelgroep van het programma zijn de meningen verdeeld; sommigen benoemen een brede groep van jongeren (en ook volwassenen waar het gaat om buurtbijeenkomsten), anderen zien het programma vooral als bedoeld voor de groep jongeren met een verhoogd risico op betrokkenheid bij wapens. Een van de deelnemers benoemt dat het eigenlijk gaat om de huidige doelgroep van het jongerenwerk: jongeren in de leeftijd van 10 tot 23 jaar die opgroeien in kwetsbare situaties. Wat betreft de organisatie die in een aanpak als dit leidend zou moeten zijn, wordt vooral het jongerenwerk genoemd of andere outreachende organisaties. Sommigen zien vooral een rol weggelegd voor organisaties van of met ervaringsdeskundigen / ‘credible messengers’. Voor de toepassing in de praktijk van het programma of onderdelen daarvan worden enkele complicaties benoemd. Meerdere deelnemers benoemen het belang van goede en goed opgeleide ervaringsdeskundigen, aangezien de inzet van rolmodellen ook risico’s en beperkingen met zich mee kan brengen. Ook de vaardigheden van de jeugdwerker zijn van belang: die moeten goed aansluiten bij de jongeren om wie het gaat, de X-factor hebben waardoor het mogelijk is wat te bereiken. Verder wordt benoemd dat de interventie niet te breed wordt ingezet om te voorkomen dat buurten worden gestigmatiseerd of jongeren op een verkeerd idee worden gebracht.
Ook dit komt overeen met het RNR-principe dat een te intensieve interventie voor laag risico-jongeren ongewenst is, mede vanwege het ‘besmettingsrisico’). Tot slot waarschuwen een aantal deelnemers aan de consultatieronde dat het reageren op en mediëren van conflicten geen symptoombestrijding moet zijn. Van belang is ook om de achterliggende maatschappelijke oorzaken van geweld aan te pakken en om ook opvolging te geven bij acties die worden ondernomen om conflicten in de kiem te smoren of erbij te mediëren. Kortom, de bevraagde professionals zijn positief over verschillende elementen uit het programma uit de Verenigde Staten, met name het outreachend karakter en het gebruik van
Resultaten over de toepasbaarheid van interventies • 76
ervaringsdeskundigen. Dit wordt herkend als aanpakken die in Nederland ook worden toegepast, met name in het jongerenwerk, en die versterkt zouden kunnen worden. Tegelijkertijd is er veel twijfel over de toepasbaarheid en bruikbaarheid van het programma als specifieke interventie. Aan de ene kant zit dit in de verschillen tussen de Nederlandse context en de situatie in de Amerikaanse buurten waarvoor dit programma is ontwikkeld. Aan de andere kant gaat het om het belang van een aanpak die breder is dan het aanpakken van conflicten en specifieke gevallen van wapengeweld. Concluderend: professionals zien mogelijkheden in buitenlandse interventies met aanwijzingen voor effectiviteit of elementen daaruit De geraadpleegde professionals zagen nuttige elementen in elk van de drie aan hen voorgelegde interventies, en zijn van mening dat twee daarvan een mogelijk aanvulling kunnen zijn op het bestaande palet aan interventies in Nederland, onder de nodige voorwaarden. Om te beginnen stond men positief tegenover de mogelijke (verdere) ontwikkeling van lespakketten voor de versterking van conflicthanteringsvaardigheden en sociale competenties bij jongeren. Er zijn raakvlakken met bestaande aanpakken en interventies, en het ligt voor de hand om bij een eventuele toepassing van deze interventiemogelijkheid daarbij aan te sluiten.
De professionals denken wel verschillend over de doelgroep voor de lespakketten, sommigen denken aan een algemene toepassing, maar er zijn ook professionals die argumenten leveren om dit (eventueel in eerste instantie) vooral te richten op jongeren met een verhoogd risico op betrokkenheid bij wapens. Verschillende professionals zien ook nut in het verder verkennen van de mogelijkheden om intensieve begeleiding en zorg te bieden aan slachtoffers van geweld die in het ziekenhuis worden opgenomen. Eventueel kan dit ook worden uitgebreid tot andere plekken waar contact kan worden gelegd met jonge slachtoffers van geweld. Belangrijk is wel dat er voldoende middelen zijn voor een dergelijke aanpak en dat het op een zorgvuldige manier wordt opgezet. Er is minder enthousiasme voor het ontwikkelen van programma’s die vergelijkbaar zijn met buurtprogramma’s in Amerikaanse achterstandsbuurten met gang-gerelateerd geweld. Dergelijke programma’s lijken vooralsnog niet goed bruikbaar en verstandig in de Nederlandse context. Wel achten professionals de meer ‘outreachende’ elementen daaruit en de inzet van ervaringsdeskundigen nuttig. Dat geldt ook voor het mediëren bij mogelijk escalerende conflicten. Er worden verschillende bezwaren genoemd om van deze elementen een aparte interventie te maken, maar het past wel goed binnen de dagelijkse werkzaamheden van politie en vooral het jongerenwerk.
77 • Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 7: Conclusies en beleidsaanbevelingen In dit laatste hoofdstuk worden de conclusies van dit onderzoek weergegeven. Om te beginnen geven we een uitgebreid antwoord op de onderzoeksvragen die in hoofdstuk 1 zijn geformuleerd. Daarbij wordt ook aangegeven in hoeverre dit overeenkomt of verschilt van de conclusies uit de eerder verschenen QuickScan over steekwapens (Wolsink & Ferwerda, 2024) en het Barrièremodel van het CCV (2024). Tot slot formuleren een aantal aanbevelingen en actiepunten op basis van de resultaten van dit onderzoek. Antwoord op onderzoeksvraag 1 over motieven en factoren De eerste onderzoeksvraag luidde: Wat is uit onderzoek bekend over de motieven en oorzakelijke (risico)factoren die zijn gerelateerd aan het bezitten, dragen en gebruiken van wapens bij jongeren? Uit de studies die motieven onderzochten komt naar voren dat er globaal vier groepen motieven kunnen worden onderscheiden 1. Motieven die te maken hebben met veiligheid en het zichzelf kunnen verdedigen. Deze motieven worden het vaakst genoemd in onderzoek en blijken ook doorslaggevend voor de grootste groep van jongeren die betrokken zijn bij wapens. 2. Instrumentele motieven waarbij wapens van belang zijn om delicten of geweld te kunnen plegen, zoals het kunnen beroven van iemand of het bedreigen van anderen om iets voor hen te doen. 3.
Symbolische of esthetische motieven, waarbij wapens vooral een intrinsieke betekenis hebben voor jongeren. Het kan gaan om een bepaalde uitstraling naar andere jongeren of om het simpelweg interessant en mooi vinden van wapens. 4. Conflictbeslechting. Dit motief wordt vooral in verband gebracht met het gebruik van wapens, terwijl de eerste motieven worden gevonden bij jongeren die wapens bezitten en/of dragen. De factoren die blijken samen te hangen met bezit, dragen en gebruik van wapens onder jongeren komen voor een belangrijk deel overeen met wat bekend is uit onderzoek naar de risicofactoren voor jeugdcriminaliteit in het algemeen. Er zijn een zestal groepen van factoren die relatief vaak naar voren komen in onderzoek dat specifiek is gericht op wapens onder jongeren. Voor deze factoren zijn er ook aanwijzingen dat er sprake is van een oorzakelijk verband. 1. Slachtofferschap en blootstelling aan geweld in bredere zin blijkt samen te hangen met zowel het bezitten en het dragen van een wapen bij jongeren, en ook met het gebruiken daarvan. Het gaat daarbij niet alleen om zelf geweld hebben ervaren (inclusief seksueel geweld), maar ook om slachtofferschap bij vrienden en ook het getuige zijn van geweld.
Conclusies en beleidsaanbevelingen • 78
2.
3.
4.
5.
6.
Algemene gevoelens van onveiligheid hangen minder duidelijk samen met wapens onder jongeren, het lijkt vooral te gaan om concrete ervaringen met geweld. Pesten, zowel slachtofferschap als daderschap. Deze factoren laten zien dat de school een belangrijke context kan zijn voor de betrokkenheid bij wapens onder jongeren. Bij jongeren die gepest worden, ligt het verband met wapens in het verlengde van het hiervoor genoemde verband met slachtofferschap. Eigen pestgedrag kan wijzen op achterliggende agressiviteit en probleemgedrag. Betrokkenheid bij criminaliteit in het algemeen, inclusief betrokkenheid bij drugshandel, hangt ook samen met betrokkenheid bij wapens. Dat is deels verklaarbaar doordat betrokkenheid bij wapens en crimineel gedrag veel gemeenschappelijke oorzaken hebben. Maar er zijn ook aanwijzingen dat er sprake is van een oorzakelijk verband, mogelijk doordat het dragen van een wapen functioneel kan zijn voor het plegen van delicten, of doordat het bedoeld is als bescherming tegen de gevaren die kunnen voortvloeien uit crimineel gedrag (onderlinge conflicten, betrapt worden). Alcohol en drugsgebruik wordt opmerkelijk vaak gerapporteerd in relatie tot betrokkenheid bij wapens onder jongeren. Deels kan dit ook weer te maken hebben met gemeenschappelijke achterliggende factoren voor beide vormen van gedrag.
Maar het is ook mogelijk dat degenen die regelmatig alcohol drinken en andere middelen gebruiken vaker in riskantere situaties terechtkomen. Het gebruik van alcohol en drugs kan ook sneller tot conflicten leiden en de drempel om een wapen te gebruiken verlagen. Persoonlijke (psychosociale)_problemen. Het gaat daarbij om zowel mentale gezondheidsproblemen als om andere vormen van (niet strafbaar) probleemgedrag. Ook hier ligt de verklaring naast gemeenschappelijke achterliggende factoren in een riskantere levensstijl en een mogelijk lagere drempel om een wapen te gebruiken. Het opgroeien en begeven in een omgeving met veel criminaliteit. Dit omvat niet alleen het hebben van delinquente vrienden, maar ook lidmaatschap van een ‘gang’ of problematische jeugdgroep, het hebben van ouders die misdrijven plegen (of ouders die wapens goedkeuren) en het opgroeien in een buurt met veel criminaliteit. De literatuur geeft veel aanwijzingen dat de verbanden hiervan met wapens onder jongeren niet alleen te verklaren zijn vanuit gemeenschappelijke achterliggende factoren, maar dat een omgeving met veel criminaliteit ook het gaan dragen en gebruiken van wapens kan stimuleren.
Voor verschillende soorten wapens en vormen van betrokkenheid bij wapens worden deels dezelfde factoren gevonden, maar er zijn ook verschillen. De factoren voor vuurwapens lijken ernstiger te zijn van aard en intensiteit. De bestaande onderzoeken laten ook zien dat het gebruik van wapens is gerelateerd aan meer serieuze problemen bij jongeren en hun omgeving dan alleen het dragen en nog meer het bezit van wapens.
79 • Hoofdstuk 7
Bij kinderen tot 15 jaar springen vooral de zaken die gerelateerd zijn aan eigen ervaringen met geweld eruit, zowel eigen slachtofferschap als ervaringen van anderen en het getuige zijn van geweld, slachtofferschap of daderschap van pesten, de relatie met ouders, en het zich bevinden in een omgeving met veel criminaliteit. Dit zijn mogelijk aangrijpingspunten voor een vroegtijdige aanpak. Het onderzoek dat is gedaan in Nederland bevestigt veel van de relaties die in internationale studies worden gerapporteerd, maar vindt ook factoren die elders nog weinig zijn onderzocht, zoals iemands houding ten opzichte van geweld en de rol van online observatie van wapens en geweld. Er blijkt echter niet een duidelijke rol van drillrap bij wapens onder jongeren als soms is gesuggereerd in de media. De factoren met betrekking tot wapens lijken lokaal weinig te verschillen, maar wel zijn er lokaal verschillen in de ernst van de problematiek. Dat heeft te maken met verschillen in de lokale context, zoals de plaatselijke onderlinge sociale controle, lokale informele normen onder jongeren, en de mate waarin georganiseerde misdaad aanwezig is.
In vergelijking tot de eerder uitgevoerde Quikscan over steekwapens en het Barrièremodel van het CCV biedt ons onderzoek een nog duidelijker beeld van welke groepen motieven te onderscheiden zijn en welke (groepen van) factoren het sterkst samenhangen met wapens onder jongeren. In de QuickScan zijn grotendeels dezelfde motieven genoemd als uit onze analyse naar voren komen, maar uit ons onderzoek wordt nog duidelijker dat motieven die te maken hebben met veiligheid en zelfbescherming veruit het belangrijkste zijn voor zowel het bezit als dragen van wapens. Verder onderscheiden wij vier overkoepelende typen motieven: veiligheid, symbolisch/intrinsiek, instrumenteel, en conflict gerelateerd. In het Barrièremodel wordt niet expliciet over motieven gesproken, de aanname lijkt te zijn dat die motieven vanzelf ontstaan wanneer jongeren in aanraking komen met wapens. Wel wordt gesproken over angstig en onveilig voelen, wat suggereert dat zelfbescherming als motief wordt gezien. Daarnaast lijkt ook spanning zoeken te worden gezien als motief, maar dat komt uit ons onderzoek niet naar voren. De factoren die in de QuickScan worden gerapporteerd, komen grotendeels overeen met de factoren die zijn gevonden in ons onderzoek (er is deels gebruik gemaakt van dezelfde literatuur).
Behalve dat er nog extra factoren zijn gevonden in dit onderzoek (zoals risicogeneigdheid en opvoedingstekorten), laat onze analyse vooral zien bij welke factoren de meeste ondersteuning wordt gevonden voor een oorzakelijke rol bij bezit, dragen en gebruik van wapens onder jongeren. Verder wijst ons onderzoek op zes groepen van factoren die bij uitstek belangrijk lijken te zijn. Interessant is dat slachtofferschap en ervaringen met geweld sterk samenhangen met wapens onder jongeren en ook dat dit heel breed kan zijn: slachtofferschap van mishandeling maar ook van seksueel geweld en bedreiging, en indirect slachtofferschap via vrienden, in het gezin en in de buurt. Een andere e bevinding is dat algemene onveiligheidgevoelens minder duidelijk blijken samen te hangen met wapens onder jongeren.
Conclusies en beleidsaanbevelingen • 80
Het Barrièremodel, tot stand gekomen via raadpleging van professionals, richt zich vooral op de gelegenheid voor aanschaf, dragen en gebruik van wapens. Dit biedt allerlei handvatten voor regulering, toezicht en handhaving, maar ons onderzoek suggereert dat de achtergronden van wapens onder jongeren breder en deels anders zijn dan wordt verondersteld in het Barrièremodel. In dat model wordt verondersteld dat het in aanraking komen met wapens de eerste stap is in het proces, en de nadruk in het model ligt op rationele afwegingen met betrekking tot opbrengsten en mogelijke risico’s en pakkansen. Uit ons onderzoek komt echter naar voren dat de belangrijkste factoren zijn gerelateerd aan de persoonlijke ervaringen en eigenschappen van jongeren en kenmerken van hun directe omgeving. Bovendien laat onder onderzoek zien dat bezit, dragen en gebruik van een wapen niet noodzakelijkerwijs in elkaars verlengde liggen. Antwoord op onderzoeksvraag 2 over effecten van interventies De tweede onderzoeksvraag luidde: Wat is uit onderzoek bekend over de effecten van interventies met betrekking tot wapens onder jongeren? Op basis van de literatuur is het nog niet mogelijk een lijst op te stellen van ‘bewezen’ effectieve aanpakken, hooguit zijn er aanwijzingen dat bepaalde interventies effectief zijn.
Daarbij komen wel enkele duidelijke patronen naar voren over de kenmerken van interventies die als effectief worden gezien en de kenmerken van interventies waarbij dat niet is vastgesteld. Voor de volgende interventies en typen interventies worden aanwijzingen gevonden voor effectiviteit: - Intensieve educatieve programma’s op scholen: omvattende lespakketten die niet primair zijn gericht op wapens, maar op het versterken van beschermende factoren en het verminderen of helpen omgaan met risicofactoren, waaronder slachtofferschap. Deze programma’s zijn voor een belangrijk deel gericht op het aanleren van ‘life-skills’, zoals vaardigheden om verstandige keuzes te maken en gewelddadige conflicten te voorkomen. Sommige van deze projecten zijn ontworpen voor het voorkomen van relationeel geweld onder jongeren, maar blijken effectief op een breder palet aan uitkomsten, waaronder wapengeweld. - Educatieve programma’s voor risicojongeren en daders. Deze zijn vaak minder omvangrijk, en vooral gericht op de bewustwording van de gevaren en gevolgen van wapengebruik voor jongeren en voor de samenleving. Voor deze programma’s is de effectiviteit met minder goede methoden onderzocht en dus minder zeker. - Nazorg voor slachtoffers van geweld en ongelukken. Het gaat hier om een programma met nazorg voor jongeren die in een spoedeisende-hulpafdeling van een ziekenhuis zijn beland.
Gedurende een jaar na afloop worden deze jongeren begeleid en ondersteund in het verminderden van belangrijke risicofactoren voor wapens die te maken hebben met
81 • Hoofdstuk 7
-
-
hun slachtofferschap. Bij twee vergelijkbare programma’s kon effectiviteit niet worden aangetoond, waardoor definitieve conclusies over dit type aanpak nog niet mogelijk zijn. Een aanbod van hulp en ondersteuning voor daders of hoog-risico jongeren, met name jongeren die betrokken zijn bij gangs. In veel van de onderzochte programma’s gebeurt dit in combinatie met strenge voorwaarden of specifieke afschrikkende consequenties indien niet wordt deelgenomen aan het programma. De ondersteuning kan bestaan uit concrete hulp op verschillende levensdomeinen, maar ook uit een individueel hulpverleningstraject. De inzet van outreach werkers / geweldsonderbrekers. Hierbij gaat het om een samenhangend programma waarin wordt gewerkt met ervaringsdeskundigen die vaak zelf een achtergrond hebben als voormalig gang lid of anderszins geloofwaardig zijn voor de doelgroep. Het programma omvat onder meer het organiseren van buurtbijeenkomsten en het proactief aanbieden van hulp en steun. Maar er zijn ook outreach werkers die proberen in te grijpen bij mogelijk escalerende conflicten tussen groepen jongeren in de buurt, of daarbij mediëren.
Voor de volgende aanpakken of typen aanpakken wordt in onderzoek geen of onduidelijke aanwijzingen gevonden voor effectiviteit: - Algemene landelijke bewustwordingscampagnes die waren gericht op het aanjagen van angst voor de gevolgen van wapens - Wettelijke of situationele maatregelen om de verkoop of dragen van wapens te beïnvloeden, zoals verboden of regulering voor de verkoop van vuurwapens of detectiepoortjes op scholen. - Een kortdurend politieprogramma met een combinatie van mediacampagnes, inleveracties, extra controles en veiligheidsmaatregelen. Hier leek wel sprake van een korte termijneffect. - Een landelijk actieprogramma uit Engeland om steekwapengeweld tegen te gaan, waarbij lokale politieafdelingen geld kregen om hun eigen aanpak te ontwikkelen. Deze aanpak kon bestaan uit een combinatie van voorlichten, extra controle en lessen over wapens voor jonge wetsovertreders. We moeten hierbij wel opmerken dat het evaluatieonderzoek naar deze interventies beperkt is qua omvang en dat we dus ook niet met zekerheid kunnen zeggen dat deze interventies ineffectief zijn. De interventies waarvoor aanwijzingen voor effectiviteit worden gerapporteerd onderscheiden zich in grote lijnen van de andere programma’s door de volgende vijf elementen, waarvan in elk programma tenminste een aantal aanwezig is:
Conclusies en beleidsaanbevelingen • 82
1. Ze zijn intensief, veelomvattend en langdurend. Educatieve programma’s bevatten meerdere sessies met een uitgebreide en gevarieerde inhoud, zorg en ondersteuning worden langdurig volgehouden en niet na enkele weken of maanden gestopt. Interventies die niet effectief worden bevonden, zijn minder omvattend of zijn kortdurend. 2. Ze richten zich op meerdere oorzakelijke factoren bij het bezit, dragen of gebruik van wapens, zoals slachtofferschap, middelengebruik, mentale gezondheid, schooluitval en de thuissituatie. Veel van de niet-effectieve interventies richten zich alleen op de gelegenheid om wapens te krijgen of te dragen, of richten zich alleen op bewustwording rond wapens. 3. Ze beogen een substantiële verandering in het leven van jongeren te bewerkstellingen door vaardigheden en ‘life skills’ aan te leren en/of hun sociale situatie te verbeteren. Niet effectief bevonden interventies richten zich op controle, afschrikking, of bewustwording waarbij de nadruk wordt gelegd op het gevaar van wapens. 4. Ze richten zich op het aanbieden van zorg en ondersteuning voor hoog risico jongeren of wetsovertreders. Anders dan sommige als niet-effectief beoordeelde interventies is er nooit sprake van repressie of afschrikking alleen. 5.
Er wordt vaak aandacht besteed aan een zorgvuldige en professionele ontwikkeling van de als effectief beoordeelde interventies, met wetenschappelijke theorieën, interventiemodellen, en bepaalde methoden. Veel niet duidelijk werkzame interventies zijn minder goed onderbouwd of ontwikkeld door de uitvoerders zelf. In vergelijking tot de eerder uitgevoerde Quikscan over steekwapens en het Barrièremodel van het CCV biedt onze analyse een aanvullend inzicht voor welke interventies aanwijzingen zijn voor effectiviteit specifiek voor wapens onder jongeren. Daarnaast laat ons onderzoek ook zien dat bescheidenheid past over de mate van bewijs voor effectiviteit en ook dat er voor een aantal interventies die nu worden gebruikt geen of onduidelijke aanwijzingen zijn voor effectiviteit. In dit literatuuronderzoek zijn voornamelijk evaluatiestudies meegenomen waarbij is gekeken naar effecten op wapenbezit, dragen van wapens of gebruik van wapens onder jongeren. Terwijl de QuickScan zich mede richtte op interventies die zijn toegepast voor geweld en jeugdcriminaliteit in het algemeen. Daardoor omvat de QuickScan een breder palet aan interventies dan van dit onderzoek, zoals gezinsinterventies en schoolprogramma’s. Deze aanpakken kunnen zeker ook gunstige effecten hebben op de problemen met wapens onder jongeren, maar dit is nog niet bevestigd met onderzoek.
Wat opvalt is dat beide studies laten zien dat er geen ondersteuning is voor de effectiviteit van maatregelen gericht op de beschikbaarheid van wapens, zoals controle op wapens. De QuickScan benoemt ook een interventie na ziekenhuisopname als veelbelovend, waarvan wij voor een andere, uitgebreidere variant aanwijzingen vinden voor effectiviteit. Verder benoemt de QuickScan ook elementen
83 • Hoofdstuk 7
(jeugdwerk, credible messengers, mentoren) die voorkomen in een aantal omvangrijkere programma’s waarvoor in dit onderzoekaanwijzingen voor effectiviteit zijn gevonden. De QuickScan benoemt niet de uitgebreidere lesprogramma’s waarvoor wij aanwijzingen voor effectiviteit vinden. Wel wordt melding gemaakt van voorlichting op school en bewustwordingscampagnes, maar voor kortdurende varianten daarvan vinden wij juist weinig aanwijzingen voor effectiviteit. Verder komen uit dit literatuuronderzoek een vijftal gemeenschappelijke elementen naar voren van interventies met aanwijzingen voor effectiviteit, die aanvullend zijn op de voorwaarden die worden genoemd in de QuickScan (zoals integrale samenwerking, vroegsignalering en het vergroten van kennis). In het Barrièremodel is vooral geïnventariseerd welke kleinere en grotere maatregelen en interventies mogelijk zijn die ter beschikking staan van professionals en beleidsmakers. Het overzicht laat zien dat er al veel maatregelen bestaan die in de praktijk kunnen worden toegepast om wapens onder jongeren tegen te gaan en te voorkomen. Een deel daarvan is gericht op jeugdcriminaliteit en veiligheid in het algemeen, een ander deel specifiek op wapens.
Die laatste categorie omvat ook maatregelen en interventies waarvoor uit ons onderzoek (en dat van de QuickScan) geen duidelijk aanwijzingen zijn voor effectiviteit: kortdurende voorlichting en mediacampagnes, wapencontroles en wettelijke beperkingen. Daarnaast zijn er ook maatregelen die beter passen bij de interventies waarvoor wel aanwijzingen zijn dat ze werkzaam zijn om wapens onder jongeren tegen te gaan: uitgebreidere lesprogramma’s, het stimuleren van conflictoplossingsvaardigheden en het intensief ondersteunen van jongeren die willen wegbewegen uit een criminele omgeving. Antwoord op onderzoeksvraag 3 over de bruikbaarheid van interventies De derde onderzoeksvraag luidde: Wat kan worden geconcludeerd over de zinvolheid en bruikbaarheid van de onderzochte interventies in de Nederlandse situatie? Op basis van ons literatuuronderzoek is meer duidelijk geworden over welke interventies mogelijk zinvol zijn. Dat zijn in principe de specifieke programma’s waarvoor de meer robuuste aanwijzingen zijn gevonden voor effectiviteit en de aanpakken die voldoen aan de hierboven genoemde elementen. Welke van de onderzochte interventies ook daadwerkelijk toepasbaar zijn in de Nederlandse praktijk is op basis van ons literatuuronderzoek nog niet precies te beantwoorden; dat zou in het veld verder moeten worden onderzocht en bepaald.
Vervolgens is ook monitoring gewenst van hoe goed eventueel nieuwe interventies worden geïmplementeerd. Ook moet worden onderzocht welke aanwijzingen er zijn voor effectiviteit in Nederland. Op basis van de antwoorden van de geraadpleegde professionals en onze eigen analyses aan de hand van algemene literatuur over interventies, is wel een eerste inschatting te maken van welk
Conclusies en beleidsaanbevelingen • 84
type interventies mogelijk bruikbaar zijn in Nederland als aanvulling op het bestaande palet aan interventies op het terrein van wapens en jeugdcriminaliteit in het algemeen. Wij komen tot de volgende conclusies: - Het lijkt nuttig om te werken aan het (verder) ontwikkelen van lespakketten voor de versterking van conflicthanteringsvaardigheden en sociale competenties bij jongeren. Wij denken dat dit in eerste instantie het best kan worden gericht op scholen waar sprake is van een verhoogde kans op betrokkenheid bij wapens, en meer algemeen; agressie en geweld. Belangrijk is dat het niet gaat om eenmalige of kortdurende vormen van voorlichting, maar om intensieve en langdurige curricula, waarbij mogelijk ook ouders en docenten betrokken kunnen worden. Om dit te ontwikkelen is het nodig om verschillende bestaande programma’s en de gedachten erachter te inventariseren. Dit zou het beste kunnen worden gedaan door organisaties die nu al vergelijkbare interventies aanbieden. - Een ander type interventie die interessant is om verder te verkennen, is het aanbieden van intensieve begeleiding en zorg aan slachtoffers van geweld. Spoedeisendehulpafdelingen in ziekenhuizen lijken hiervoor een geschikte contactmogelijkheid, die nu nog niet of weinig wordt benut in Nederland.
Andere instanties waar slachtoffers van geweld terechtkomen zouden ook betrokken kunnen worden bij een dergelijke interventie. Onderzocht moet worden hoe een dergelijke interventie op een zorgvuldige manier kan worden opgezet, met de middelen die nodig zijn voor een intensieve uitvoering. - Het ontwikkelen van programma’s die vergelijkbaar zijn met buurtprogramma’s in Amerikaanse achterstandsbuurten met gang-gerelateerd geweld lijkt vooralsnog niet goed bruikbaar en verstandig in de Nederlandse context. Wel kunnen de meer ‘outreachende’ elementen daaruit en de inzet van ervaringsdeskundigen in buurten nuttig zijn. Dit sluit aan bij werkwijzen die al worden toegepast in het straat- en jongerenwerk. Dat geldt ook voor het mediëren bij mogelijk escalerende conflicten; het lijkt niet nuttig om hiervan een aparte interventie te maken, maar politie en het straaten jongerenwerk kunnen hier in hun dagelijkse werkzaamheden goed aan bijdragen. Sociale media bieden hiervoor in toenemende mate aangrijpingspunten, bijvoorbeeld via het verder ontwikkelen van ‘online jongerenwerk’. Daarbij kan ook worden gekeken naar methoden uit het buitenland. De buitenlandse interventies en elementen daaruit die in ons onderzoek naar voren komen als mogelijk bruikbaar in de Nederlandse situatie, zijn voor het grootste deel niet expliciet benoemd in de QuickScan of het Barrièremodel.
Dat geldt met name voor de omvangrijke lespakketten en de intensieve nazorg voor slachtoffers van geweld in een ziekenhuis. De inzet van jeugdwerk wordt wel genoemd in de QuickScan en het Barrièremodel, maar niet specifiek de mogelijkheid
85 • Hoofdstuk 7
om met een outreachende manier van werken conflicten te voorkomen en jongeren te bereiken met steun en begeleiding. Aanbevelingen voor beleid en praktijk Op basis van onze conclusies uit het onderzoek kunnen we een aantal algemene aanbevelingen formuleren voor beleid en praktijk. Een belangrijke ‘bijsluiter’ hierbij is dat we geen zekerheid kunnen bieden over de werkzaamheid van interventies en aanpakken. Omdat nog zo weinig onderzoek is verricht dat specifiek betrekking heeft op wapens onder jongeren, kunnen we hooguit spreken van aanwijzingen voor effectiviteit. Bovendien is dat onderzoek verricht in het buitenland, met name de Verenigde Staten, waar de situatie op meerdere aspecten heel anders is dan in Nederland. Onderzoek naar bestaande en mogelijk nieuwe interventies en aanpakken in de Nederlandse context is dus zeer gewenst. Een tweede ‘bijsluiter’ is dat wij aanbevelingen doen op basis van wetenschappelijke publicaties, maar dat beleidsmakers en professionals zelf verder in discussie moeten over de bruikbaarheid van de aanpakken en interventies die wij hebben beschreven. Vervolgens zullen nieuwe interventies in de praktijk moeten worden vormgegeven, via afstemming tussen organisaties, communicatie met buitenlandse uitvoerders van interventies, en een professionele en haalbare uitwerking.
Met deze beperkingen in het achterhoofd kunnen we de volgende aanbevelingen formuleren: 1. Zet in op de aanpak van onderliggende factoren Een gemeenschappelijk kenmerk van de meeste interventies waarbij aanwijzingen zijn voor effectiviteit is dat ze ingrijpen op een of meerdere factoren waarvan uit dit onderzoek een duidelijk verband is aangetoond met het bezit, dragen of gebruik van wapens onder jongeren. Het gaat dan met name om een zestal factoren (slachtofferschap, pestgedrag, betrokkenheid bij criminaliteit, alcohol en drugsgebruik, persoonlijke psychosociale problemen en opgroeien in een omgeving met veel criminaliteit) die extra relevant bleken te zijn voor wapens onder jongeren. Veel van de interventies zonder aanwijzingen voor effectiviteit zijn vooral gericht op het dragen van wapens of richten zich op de bewustwording van de gevolgen van het dragen van wapens. Dit betekent dat de huidige aanpak in Nederland, waar veel maatregelen zijn ontwikkeld voor het opwerpen van barrières tegen wapens onder jongeren, zich nog meer zou moeten richten op de onderliggende factoren daarvan. 2. Maak bij de aanpak van bezit, dragen en gebruiken onderscheid tussen verschillende motieven De verschillende motieven die worden gevonden in onderzoek wijzen erop dat de groep jongeren die betrokken is bij wapens gevarieerd is.
Er zijn jongeren die wapens hebben of dragen om zich te kunnen verdedigen, jongeren die wapens vooral hebben of dragen vanwege de
Conclusies en beleidsaanbevelingen • 86
uitstraling of omdat ze die op zichzelf interessant vinden, jongeren die wapens inzetten voor criminele doeleinden en jongeren die wapens gebruiken of hebben gebruikt bij conflicten. Ook combinaties van motieven komen voor. Bij de individuele reactie (door justitie of andere gezagsdragers) op jonge wapenbezitters, dragers en gebruikers is het daarom belangrijk om op zoek te gaan naar ‘het verhaal achter’ de betrokkenheid van jongeren bij wapens. En bij preventieve aanpakken of interventies zou vooraf nagedacht moeten worden op welke achterliggende motieven deze zijn gericht en hoe deze kunnen worden omgebogen. 3. Zorg ervoor dat maatregelen en interventies langdurig en intensief zijn, en op een zorgvuldige en professionele manier worden ontwikkeld en uitgevoerd. De meeste positief beoordeelde interventies kennen een intensieve opzet, met meerdere sessies of langdurige begeleiding. Ze zijn gebaseerd op methoden die zorgvuldig zijn ontwikkeld en gebaseerd op wetenschappelijke benaderingen en worden uitgevoerd door professionals of getrainde ervaringsdeskundigen. Veel van de niet effectief bevonden interventies zijn kortdurend of worden ad hoc ontwikkeld en uitgevoerd zonder wetenschappelijke onderbouwing.