RIS322974 Bijlage 1 - Verdiepend onderzoek - Met wetenschap beter bewapend
Tekst van het document
Er kunnen daarnaast drie kleinere groepen worden onderscheiden: jongeren voor wie wapens een instrumentele betekenis hebben om delicten of geweld te kunnen plegen, jongeren voor wie wapens vooral een symbolische of esthetische betekenis hebben, en jongeren die wapens hebben gebruikt om een conflict te beslechten. Als het gaat om daadwerkelijke gevallen van steekincidenten en het gebruik van vuurwapens, dan zal dit vooral passen bij de meer delinquente groep met instrumentele motieven, en de groep die een wapen heeft gebruikt om een conflict te beslechten en anderen te verwonden. Bij de andere twee doelgroepen gaat het primair om het bezit en dragen van wapens. Dit kan ook escaleren tot gebruik ervan, al is uit onderzoek niet duidelijk hoe vaak dit daadwerkelijk gebeurt (in de publicatie van Beke en Schreuder (2002)
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 44
wordt vermeld dat dit in een derde van de gevallen zo zou zijn, maar wordt niet vermeld waarop dit is gebaseerd). De factoren die samenhangen met bezit, dragen en gebruik van wapens komen voor een belangrijk deel overeen met wat bekend is uit onderzoek naar de risicofactoren voor jeugdcriminaliteit in het algemeen. Dat geldt bijvoorbeeld voor persoonlijke kenmerken zoals risicogeneigdheid en agressiviteit, gezinsfactoren zoals de band met ouders, schoolfactoren zoals spijbelen, het hebben van delinquente vrienden, en het wonen in een stedelijke omgeving. Toch zijn er ook meerdere factoren die er bovenuit springen of zelfs specifiek verband lijken te houden met wapens. We onderscheiden hiervan zes groepen. Ten eerste lijkt van groot belang de eigen blootstelling aan geweld en slachtofferschap. Dit omvat meerdere elementen: het zelf slachtoffer zijn van verschillende vormen van geweld, slachtofferschap van vrienden en ook het getuige zijn van geweld. Ervaringen met geweld en slachtofferschap hangen niet alleen samen met bezit of het dragen van een wapen, maar ook met het gebruik: in die zin lijkt geweld nog meer geweld voort te brengen. Uit de literatuur wordt ook duidelijk dat het hier niet alleen gaat om verbanden die zijn vastgesteld, maar dat er ook veel aanwijzingen zijn dat het gaat om oorzakelijke factoren die de kans op bezit, dragen en gebruik van wapens verhogen.
De bevindingen geven ook aan dat het bij onveiligheid als motief voor wapens het kennelijk niet zozeer gaat om vage gevoelens van onveiligheid maar om echt concrete ervaringen daarmee. Ten tweede hangt betrokkenheid bij wapens ook in een groot aantal studies samen met pesten, zowel slachtofferschap als daderschap. Dit geeft weer dat de situatie waarin jongeren zich bevinden en gedragen op hun school een belangrijke rol zou kunnen spelen in hun betrokkenheid bij wapens. Bij slachtofferschap van pesten ligt dit in het verlengde van het voorgaande: dit is een concrete ervaring van onveiligheid die jongeren naar wapens zou kunnen doen grijpen. Het eigen pestgedrag wijst mogelijk ook op andere achterliggende persoonlijke kenmerken en probleemgedrag, al is een deel van de pesters ook zelf slachtoffer geweest van pesten door anderen. Ten derde hangt, wellicht niet zo verrassend maar wel belangrijk, eigen delinquentie duidelijk samen met het dragen van een wapen, inclusief betrokkenheid bij drugshandel. Dit is voor een belangrijk deel verklaarbaar vanuit de gemeenschappelijke achterliggende factoren voor beide gedragingen. Maar het kan er ook op wijzen dat het dragen van een wapen voortkomt uit de gevaren van crimineel gedrag of een functie heeft binnen dat gedragspatroon, zeker als het gaat om meer ernstige en georganiseerde vormen van criminaliteit.
Ten vierde wordt in veel studies een duidelijke en soms sterke samenhang gevonden tussen alcohol / drugsgebruik en alle vormen van betrokkenheid bij wapens onder jongeren. Deels zal dit ook te maken hebben met gemeenschappelijke achterliggende factoren voor middelengebruik op deze leeftijd en betrokkenheid bij wapens. Maar het is ook mogelijk dat degenen die regelmatig alcohol drinken en andere middelen gebruiken, een riskantere
45 • Hoofdstuk 4
levensstijl hebben en zich daardoor vaker in riskantere situaties bevinden, wat reden kan zijn om een wapen mee te nemen. Daarnaast kan het gebruik van alcohol en drugs sneller tot conflicten leiden en de drempel om een wapen daadwerkelijk te gebruiken verlagen. Ten vijfde hangen persoonlijke problemen samen met het bezit en dragen van wapens: zowel mentale gezondheidsproblemen als algemeen probleemgedrag. Deze verbanden zouden deels verklaard kunnen worden doordat beide vormen van individuele problemen sneller kunnen leiden tot conflicten met anderen en tot een meer riskante levensstijl. Maar het is ook goed mogelijk dat sommige vormen van psychosociale problematiek kunnen leiden tot het sneller aanschaffen van een wapen of het gebruik ervan, bijvoorbeeld in een impuls. Het is ook goed mogelijk dat individuele problemen sneller leiden tot conflicten en de escalatie daarvan, al zijn er geen directe aanwijzingen dat er een verband is met het gebruik van een wapen. Ten zesde komt uit de literatuurstudie naar voren dat het opgroeien en zich begeven in een criminele omgeving samenhangt met alle vormen van betrokkenheid bij wapens. Dat geldt niet alleen voor het hebben van delinquente vrienden, maar ook voor lidmaatschap van een gang of problematische jeugdgroep, het hebben van criminele ouders (of ouders die wapens goedkeuren) en het opgroeien in een criminele buurt.
De aanwijzingen zijn ook sterk dat het hier niet alleen gaat om gemeenschappelijke factoren en, in het geval van leeftijdsgenoten en groepen, om eigen keuzes, maar ook om daadwerkelijk oorzakelijke factoren die leiden tot meer dragen en ook gebruik van wapens. Wat betreft de verschillen tussen soorten wapens en soorten betrokkenheid biedt het bestaande onderzoek nog niet veel extra duidelijkheid. Veel van de factoren die voor de verschillende soorten wapens worden gevonden komen met elkaar overeen. Factoren die specifiek voor vuurwapens worden gevonden betreffen relatief vaak ernstig problematische ervaringen en omstandigheden. De literatuur suggereert ook dat het gebruik van wapens sterker en vaker gerelateerd is aan problematische omstandigheden en kenmerken dan alleen het dragen en nog meer het bezit van wapens. Bij kinderen tot 15 jaar springen vooral de zaken die gerelateerd zijn aan eigen ervaringen met geweld eruit, zowel eigen slachtofferschap als ervaringen van anderen en het getuige zijn van geweld, slachtofferschap of daderschap van pesten, de relatie met ouders, en het zich bevinden in een criminele omgeving. Dit zijn alle mogelijk aangrijpingspunten voor een vroegtijdige aanpak.
Het Nederlandse onderzoek bevestigt veel van de relaties die ook in internationale studies worden gerapporteerd, maar vindt ook factoren die elders nog weinig zijn onderzocht: zoals iemands houding ten opzichte van geweld en de rol van online activiteiten, al wordt de rol van drillrap bij wapens onder jongeren vaak genuanceerd. De factoren met betrekking tot wapens lijken lokaal weinig te verschillen, maar wel lijken er lokaal verschillen te zijn in de ernst van de problematiek en in de context die de betrokkenheid van jongeren bij wapens mogelijk maakt of juist remt. Het gaat dan bijvoorbeeld om de plaatselijke onderlinge sociale controle,
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 46
andersoortige informele normen onder jongeren, en de aanwezigheid van georganiseerde misdaad of drugshandel.
47 • Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 5: Resultaten met betrekking tot interventies In dit hoofdstuk bespreken we de resultaten met betrekking tot de tweede onderzoeksvraag, die luidt: Wat is uit onderzoek bekend over de effecten van interventies met betrekking tot wapens onder jongeren? Voor de onderzochte interventiemaatregelen en -programma’s geven we weer in hoeverre hiervoor aanwijzingen zijn gevonden voor effectiviteit en hoe robuust deze bevindingen waren. Kenmerken van de studies naar interventies De meerderheid van de 29 gevonden studies naar interventies is kwantitatief en gebaseerd op vragenlijsten of registraties (zie Tabel 8). De grootte van de steekproeven in deze studies loopt sterk uiteen (van 57 tot bijna 10.000 personen). Twee studies maakten gebruik van interviews. Een tiental interventies is geëvalueerd met behulp van een zodanige opzet (experimenteel of quasi-experimenteel) dat dit ook een relatief betrouwbare aanwijzing biedt voor gunstige effecten van de interventie. We moeten daarbij wel voorzichtig zijn: er kunnen nog andere onvolkomenheden zijn in het onderzoek (bijvoorbeeld geen rekening houden met uitvallers bij de interventie) waardoor effecten worden overschat. Om meer zekerheid te krijgen zijn eigenlijk meerdere studies nodig waarin een effect wordt gevonden, daarom spreken we vooralsnog over (eerste) aanwijzingen voor effectiviteit.
Bij de experimentele en quasi-experimentele studies zijn de uitkomsten van jeugdigen die de interventie volgden afgezet tegen die van een zo vergelijkbaar mogelijke groep jeugdigen bij wie de interventie niet werd toegepast. Bij de overige interventies (het grootste deel) is gekeken naar verbanden tussen het toepassen van de interventie en het gewenste gedrag, of naar veranderingen over de tijd, zonder dat er goed rekening gehouden wordt met verschillen tussen de jeugdigen die wel en niet met de interventie te maken kregen. Ruim de helft van de studies heeft betrekking op primaire interventies (gericht op de algemene populatie), ongeveer een kwart heeft betrekking op secundaire interventies (gericht op risicogroepen), en een kwart op tertiaire interventies (gericht op individuen die al een strafbaar feit hebben gepleegd) of totaalprogramma’s waarvan tertiaire interventie een belangrijk onderdeel van is. Anders dan in de QuickScan (Wolsink & Ferwerda, 2024) onderscheiden wij geen aparte categorie repressieve interventies (hierbij ging het om regelgeving rond wapens, extra controle op wapens en strenger straffen). Elementen die in meerdere of mindere mate repressief zijn komen voor bij heel veel interventies, en wij vinden het duidelijker de mate van repressie mee te nemen bij de beschrijving van een interventie, maar niet als aparte categorie.
Resultaten met betrekking tot interventies • 48
Tabel 8: kenmerken van de onderzochte studies naar interventies Kenmerk
Aantal
Totaal aantal studies
29
Design volgens Maryland Scale 1. alleen verband op een moment 2. vergelijking van groepen of gekeken naar verandering 3. vergelijking met een controlegroep 4. quasi-experiment, gematchte vergelijkingsgroepen 5. experiment met randomisatie 6. overige designs (interviews)
1 8 8 3 7 2
Type interventie onderzocht Primaire interventie Secundaire interventie Tertiaire interventie of totaalprogramma’s
15 7 7
Interventie gericht op: Geen onderscheid of combinatie bezit/dragen en/of gebruik Alleen bezit Alleen dragen Alleen gebruik
8 2 11 8
Land waar interventie is onderzocht Verenigde Staten Verenigd Koninkrijk Meerdere landen tegelijk Nederland
20 7 2 0
Doelgroep leeftijdscategorie Twaalfminners (10-12) Kinderen en vroege adolescenten (10-15) Vooral adolescenten (12-18) Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25) Bredere groep of ongespecificeerd
0 7 12 2 8
Uitkomstmaat Aantal incidenten, verdachten of slachtoffers Individuele zelfrapportage Registraties en zelfrapportage
15 13 1
Ongeveer evenveel studies richten zich specifiek op dragen, specifiek op gebruik, en op combinaties van betrokkenheid bij wapens. Er zijn twee studies die zich uitsluitend richten op het bezit van wapens en dat gaat in beide gevallen over vuurwapens. Ongeveer evenveel studies
49 • Hoofdstuk 5
richten zich op de uitkomstmaat incidenten als op de uitkomstmaat individueel daderschap. De studies zijn bovendien ongeveer gelijk verdeeld over interventies voor verschillende leeftijdsgroepen, met uitzondering van de jongvolwassenen. Veruit de meeste studies zijn gericht op interventies in de Verenigde Staten, daarnaast zijn er ook verschillende studies die uit het Verenigd Koninkrijk komen en twee studies hadden betrekking op meerdere landen tegelijk (waaronder de V.S., maar ook Spanje, Noorwegen en Japan). Tot slot concluderen we dat de helft van de studies informatie geeft over de kwaliteit van de implementatie van de interventie (programma-integriteit). De informatie betreft het vaakst een evaluatie van de bereikte doelgroep, daarnaast wordt er ook gekeken naar de continuïteit van de interventie, kwaliteit van de uitvoerders en het tot stand komen van werkzame mechanismen. Er zijn grote verschillen tussen de studies in de wijze waarop de programmaintegriteit is vastgesteld en welke informatie beschikbaar is over de flexibiliteit van de interventie in het gebruik. Die flexibiliteit is belangrijk, zodat betrokken professionals de interventie passend kunnen maken voor de feitelijke omstandigheden waarmee zij te maken krijgen (Weisz, Ugeo, e.a., 2013).
Bevindingen over de effectiviteit van primaire interventies Er zijn evaluatiestudies over 15 verschillende primaire interventies gevonden in de literatuur, waarvan er 4 specifiek gericht waren op vuurwapens, 3 op steekwapens en de rest op wapens in het algemeen (zie Tabel 9). Slechts 1 interventie richt zich alleen op het bezit, de rest van de programma’s op dragen en/of gebruik. Geen van de programma’s was gericht op twaalfminners. De programma’s richtten zich vaak op een brede leeftijdsgroep, waaronder ook (jong)volwassenen (5x) de brede definitie van adolescenten (5x), of de relatief jonge groep tot ongeveer 15 jaar. Voor 6 interventies wordt door de onderzoekers de conclusie getrokken dat de resultaten een indicatie geven van effectiviteit. Hiervan zijn vier interventies geëvalueerd met een experimenteel of quasi-experimenteel onderzoeksdesign, waarmee in voldoende mate alternatieve verklaringen voor het effect van de interventie uitgesloten kunnen worden (score 4 of 5 op de Scientific Maryland scale (SMS). Tabel 9: Effectiviteit primaire interventies (studies over 15 interventies) Effectiviteit Aanwijzingen voor effectiviteit Niet aantoonbaar effectief of onduidelijk
Aantal studies
Soort wapen
Hoe betrokken
Leeftijdsgroep
SMS-categorie
W
B
1
1/2
3
4/5
6
6
1
1
4
9
2
5
3
1
V
4
S
3
1
D
G
C
2
3
2
1
3
4
2
3
1
4
1
3
4
2
5
3
Soort wapen: W: wapen algemeen, V: vuurwapen, S: steekwapen Hoe betrokken: B: bezit, D: dragen, G: gebruik, C: combinatie Leeftijd: 1: twaalfminners, 2: Kinderen en vroege adolescenten (10-15), 3: Vooral adolescenten (12-18), 4: Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25), 5: Brede groep of ongespecificeerd SMS-score: 1: Alleen verband, 2: Verandering of vergelijking groepen, 3: Vergelijking met controle groep, 4: Gematchte vergelijkingsgroepen;, 5: Experiment met randomisatie
Resultaten met betrekking tot interventies • 50
Primaire interventies met aanwijzingen voor effectiviteit Tabel 10 geeft een overzicht van de primaire interventies waarvoor aanwijzingen voor effectiviteit worden gerapporteerd. Drie van de zes interventies betreffen een lesprogramma op de middelbare school, één interventie biedt een geïntegreerd pakket aan programma’s in verschillende contexten: een lesprogramma voor leerlingen, training voor ouders en docenten, en buurtactiviteiten. Een van de interventies behelst een verbeterde toegang voor jongeren tot de (geestelijke)gezondheidzorg, en een interventie bestaat uit het aanstellen van speciale schoolagenten. Tabel 10: Kenmerken primaire interventies met aanwijzingen voor effectiviteit (6 studies) Naam interventie
Type interventie
N
SMS
Leeftijd
Type wapen
Type betrokkenheid
Primaire uitkomstmaat
Safe Dates
Intensief lesprogramma op scholen Intensief lesprogramma, oudertraining, docenttraining en buurtactiviteiten Intensief lesprogramma op scholen
1690
5
2
Algemeen
Dragen, Gebruik
Totaal incidenten
3301
5
2
Algemeen
Dragen
Individuele zelfrapportage
563
4
2
Algemeen.
Dragen, Gebruik
Individuele zelfrapportage
Het aanbieden van (mentale) gezondheidszorg op scholen
2000
4
3
Algemeen.
Dragen
Individuele zelfrapportage
Keepin' it REAL
Lesprogramma op school
581
3
2
Algemeen
Gebruik
Individuele zelfrapportage
School resource officer (SRO) programs
Vaste politieagent op school, in combinatie met mentorschap voorlichting en ondersteuning
28 scholen
2
3
Algemeen
Dragen, Gebruik
Aantal arrestaties voor dragen wapen op schoolterrein
Dating Matters
The Peaceful Conflict Resolution and Violence Prevention Curriculum Comprehensive and Multicomponent School Health Services
Leeftijd: 1: twaalfminners, 2: Kinderen en vroege adolescenten (10-15), 3: Vooral adolescenten (12-18), 4: Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25), 5: Brede groep of ongespecificeerd, 6: Niet van toepassing. SMS-score: 1: Alleen verband, 2: Verandering of vergelijking groepen, 3: Vergelijking met controle groep, 4: Gematchte vergelijkingsgroepen;, 5: Experiment met randomisatie
51 • Hoofdstuk 5
Opvallend is dat twee van de interventies ‘Teen dating violence’ preventieprogramma’s betreffen (Foshee e.a., 2014; Estefan e.a., 2020), gericht op het voorkomen van misbruik en geweld binnen romantische contacten en relaties onder jongeren. De auteurs beschrijven dat deze vorm van geweld sterk samenhangt met andere delinquente gedragingen, waaronder het dragen van wapens. Om die reden zijn ook de effecten van deze programma’s op andere uitkomsten geëvalueerd. De uitleg bij de gevonden cross-over effecten is dat het aanleren van probleemoplossende vaardigheden op één gebied bijdraagt aan het oplossen van problemen op andere gebieden (‘Analogical problem solving’). Het oudste ‘Teen dating violence’ programma, ‘Safe dates’, bestaat uit 10 lessen op school voor 13 en 14-jarigen, een toneelstuk gespeeld door de scholieren en het maken van posters (Foshee e.a., 2014). Het programma omvat bewustwording over veranderende normen, agressieregulatie, conflictoplossende vaardigheden en het stimuleert slachtoffers en daders om hulp te zoeken (vergroten van besef voor de noodzaak, vaardigheden en kennis over mogelijke bronnen van hulp). In het onderzoek werden 14 scholen in paren verdeeld die vergelijkbaar waren wat betreft grootte, en werd willekeurig op de ene school wel en de andere school niet het programma toegepast.
De jongeren op scholen waar het ‘Safe dates’ programma werd uitgevoerd, bleken een jaar later een 31% lagere kans te hebben om een wapen te dragen dan de jongeren uit de controlegroep. Het later ontwikkelde ‘Dating matters’ programma (bestemd voor de leeftijdsgroep van 11 tot en met 14 jaar) zet nog breder in op verschillende vormen van risicovolle gedragingen (waaronder middelengebruik en de omgang met conflicten). De deelprogramma’s zijn niet alleen gericht op jongeren, maar ook op ouders en docenten. De onderdelen die zich op de jongeren richten gaan over gezonde relaties, emotie-regulatie en het begrijpen van emoties, en het maken van gezonde en veilige keuzes in risicovolle omstandigheden. Er zijn daarnaast docenttrainingen en ouders worden getraind in positieve opvoedvaardigheden, ouder-kind communicatie en ouderlijke monitoring. Het hele programma duurt drie schooljaren en de deelprogramma’s zijn geconstrueerd om elkaar te bekrachtigen en versterken. Deze interventie is onderzocht via willekeurige toewijzing op 22 scholen met als controlegroep 24 scholen met jongeren die het ‘Safe dates’ programma volgden (Estefan e.a., 2020). Het ‘Dating matters’ programma vond een afname van nog eens 9% in de kans op het dragen van wapens als gevolg van het programma en blijkt dus nog beter te werken dan het ‘Safe dates’ programma.
De derde interventie ‘The Peaceful Conflict Resolution and Violence Prevention Curriculum’ richt zich op conflictregulatie en geweldpreventie op scholen (Durant e.a., 2001). Dit is een 13 modules tellend programma gericht op het opbouwen van vaardigheden. In de lessen wordt op een concrete manier ingegaan op het verloop van conflicten, hoe jongeren op een vreedzame manier hun boosheid kunnen uiten, conflicten kunnen oplossen en escalatie naar vechten en geweld kunnen voorkomen. Het programma combineert het opdoen van kennis met actieve oefening met vaardigheden door o.a. rollenspellen, het geven en krijgen van (individuele)
Resultaten met betrekking tot interventies • 52
feedback en het gebruik van positieve rolmodellen. Het programma was onderzocht op twee scholen met als controlegroep twee vergelijkbare scholen wat betreft omvang en leerlingpopulatie. Daarbij werd nagegaan of het dragen van een vuurwapen en een combinatiemaat voor geweld en het dragen en gebruiken van wapens twee weken na afloop van de interventie was afgenomen ten opzichte van daarvoor (zelfgerapporteerd door de scholieren). Voor beide uitkomsten werd een statistisch significant verband gevonden van de toepassing van de interventie op de verschillen tussen voor en nameting. Voor het dragen van een vuurwapen is uit het artikel af te leiden dat dit onder jongeren op de interventiescholen daalde met bijna 30%, terwijl het op de controlescholen ongeveer gelijk bleef. Bij deze studie moet wel worden opgemerkt dat het al een vrij oud onderzoek is dat een klein aantal scholen betreft onder een vrij specifieke populatie (leerlingen in en rond sociale woningbouw in een grote stad in het zuiden van de VS). Hoewel in deze wijken de risico’s op betrokkenheid van jongeren bij wapens relatief groot zijn, werden deze jongeren niet geselecteerd omdat zij als individu een groter risico hebben. Deze interventie is bovendien ontworpen voor een algemene populatie en vergelijkbare programma’s worden op een diversiteit aan scholen uitgevoerd.
Daarom hebben wij deze studie ingedeeld onder primaire interventies. Meer onderzoek naar de effectiviteit van deze interventievorm voor het voorkomen van betrokkenheid bij wapens is dus gewenst. Wel zijn veel vergelijkbare interventies onderzocht (‘conflict resolution education’) en een overzichtsstudie concludeert dat dit soort programma’s een gunstig effect kunnen hebben op antisociaal gedrag in het algemeen, met de sterkste effecten in de midden adolescentie, ongeveer tussen 15 en 18 jaar (Garrard & Lipsey, 2007). De vierde interventie waarbij ook aanwijzingen voor effectiviteit gevonden zijn, is een programma dat zorgt voor lokale gezondheidszorgcentra op scholen. Dit ‘Comprehensive and Multicomponent School Health Centers (SHC)’ programma is gericht op het plaatsen van een zorgafdeling op scholen dat voor leerlingen snelle toegang biedt tot gezondheidszorg en ook psychosociale hulp inclusief de mogelijkheid van therapie en verslavingszorg, en sociaal werk (Hutchinson, 2012). Doordat scholieren laagdrempelig gebruik kunnen maken van de zorg, kunnen problemen die tot risicovol gedrag leiden (zoals mentale problemen of verslavingsproblematiek) eerder opgelost worden.
Ook in deze studie was het aantal onderzochte scholen beperkt (3 controle en 3 interventie scholen), maar de individuele scholieren die in de studie werden meegenomen, zijn wel op basis van adequate methoden geselecteerd (via matching, zo vergelijkbaar mogelijk). De interventie bleek effectief voor het verminderen van diverse risicogedragingen en ook voor het dragen van wapens door jongens (9% minder op interventiescholen dan bij de controlescholen). Voor meisjes was er geen verschil tussen scholen met en zonder School Health Centers. Overigens is er ook een studie naar een vergelijkbare interventie gevonden waarin geen aantoonbare effecten van SHC werden gevonden op wapens (zie Tabel 11).
53 • Hoofdstuk 5
De vijfde interventie waarvoor de auteurs indicaties zien voor effectiviteit, maar met een iets minder sterk onderzoeksdesign, is de interventie ‘Keeping it Real’ (Nieri e.a., 2014). Dit is een lesprogramma voor relatief jonge (10-15 jaar) kinderen en adolescenten dat primair is gericht op het voorkomen van drugsgebruik via het aanleren van sociale vaardigheden en verstandige keuzes (life skills). Het programma wordt uitgevoerd door leraren en vindt plaats gedurende enkele maanden en omvat vier lessen met video, gericht op het versterken van weerstand tegen drugsgebruik, en 6 tot 8 aanvullende lessen (afhankelijke van de leeftijd) over vaardigheden zoals assertiviteit, doelgerichtheid en het maken van verstandige beslissingen. Deze interventie werd bij een willekeurige selectie van 30 scholen uitgevoerd die al meededen aan een studie naar middelengebruik onder jongeren. Niet alle leerlingen hadden echter een volledige vragenlijst ingevuld, waardoor de groep met een interventie niet optimaal vergelijkbaar was met de controlegroep. Uit het onderzoek kwam naar voren dat gemiddeld de betrokkenheid bij wapens (in het algemeen) onder jongeren in de vroege adolescentie (ongeveer tussen 11 en 14 jaar, grade 6 tot 8 in de VS) flink toenam onder jongeren. Deze toename was echter minder bij de jongeren die de lessen hadden gevolgd dan bij de jongeren die dat niet hadden gedaan.
Nadat rekening is gehouden met de verschillen tussen de interventie en controlegroep bleek het verwachte effect van de interventie in statistische termen significant (niet toe te schrijven aan toeval), waarbij werd geschat dat de interventie de kans op het dragen of gebruik van wapens met 34% verminderde. Tot slot was er nog een primaire interventie waarvan in een studie gunstige effecten op wapens zijn gerapporteerd, de aanwezigheid van een vaste politieagent op school (School Resource Office Programs, SRO). Deze agent voert traditioneel politiewerk binnen de school uit, zoals het opnemen en onderzoeken van aangiften, toezichthouden en optreden tegen jongeren die de schoolregels overtreden (Theriot, 2009). De agent richt zich echter ook op voorlichting over preventie van criminaliteit en geweld, opereert als mentor voor scholieren en helpt de schoolomgeving te verbeteren. Ondanks de gevarieerde en ook preventieve taken van de schoolagent bestond de angst dat de aanwezigheid op scholen juist criminaliserend zou werken (o.a. door het verhogen van de pakkans). De studie vindt echter dat op de interventiescholen het relatieve aantal arrestaties voor het dragen van een wapen op het schoolterrein 73% lager ligt dan op scholen zonder politieagent. Daarbij is rekening gehouden met verschillen in economische positie van de schoolpopulatie.
Echter, het is onzeker of deze interventie daadwerkelijk effectief is: de onderzoeksmethode die is gehanteerd bij deze studie is beperkt (2 op de Scientific Maryland Scale). Voor deze zelfde interventie wordt in een andere, omvangrijkere en methodisch ook wat betere studie (zie ook Tabel 11) echter geen duidelijk effect gevonden (maar dus ook niet het negatieve effect dat in eerste instantie verwacht werd).
Resultaten met betrekking tot interventies • 54
Niet effectieve en contra-effectieve primaire interventies Tabel 11 geeft een overzicht van de interventies waarvoor geen effecten of geen duidelijke effecten worden gevonden, of die in een geval zelfs contra-effectief lijkt te zijn. Tabel 11: Kenmerken niet aantoonbaar of onduidelijk effectieve primaire interventies (9 studies) Naam interventie
Type interventie
N
SMS
Leeftijd
Type wapen
Type betrokkenheid
Primaire uitkomstmaat
Fear-based antiknife crime campaigns (2 substudies)
Landelijke bewustwordingscampagnes
479 en 57
5
5
Steekwapen
Dragen
Zelfrapportage bereidheid dragen van wapens
Knife seizure images
Landelijke bewustwordingscampagnes
20
Interviews
5
Steekwapen
Dragen, Gebruik
Verwachting dat anderen messen dragen
The 1968 Federal Ban on Handgun Purchases State Bans on Concealed Gun Carrying Child Access Prevention laws
Verbieden verkoop aan jongvolwassen
nvt
3
4
Vuurwapen
Bezit
Totaal incidenten
Verbieden dragen vuurwapens voor jongvolwassenen Ouders verantwoordelijk houden voor onveilig opbergen vuurwapens De aanwezigheid van een metaaldetector op school
nvt
2
4
Vuurwapen
Dragen
Totaal incidenten
nvt
2
2
Vuurwapen
Gebruik
Totaal incidenten
1399
2
3
Vuurwapen
Dragen
Individuele zelfrapportage
1659 scholen
1
3
Steekwapen, vuurwapen
Bezit, gebruik
Schoolregistraties
470 scholen
3
3
Algemeen
Dragen, Gebruik
Totaal incidenten
282
3
5
Steekwapen
Dragen, Gebruik
Totaal slachtoffers
School Metal Detector Geen effect buiten school Law enforcement and school security measures Effectiviteit gemengd School Resource Officers (SROs)
Operation Blade Alleen kortdurend effect
Schoolagenten met uiteenlopende geweldsmiddelen controle en detectie op scholen Vaste politieagent op school, in combinatie met mentorschap voorlichting en ondersteuning Landelijke bewustwordingscampagne, voorlichting scholen, inleveracties, preventief fouilleren, stewards, gesprekken messenverkopers
Leeftijd: 1: twaalfminners, 2: Kinderen en vroege adolescenten (10-15), 3: Vooral adolescenten (12-18), 4: Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25), 5: Brede groep of ongespecificeerd, 6: Niet van toepassing.
55 • Hoofdstuk 5
SMS-score: 1: Alleen verband, 2: Verandering of vergelijking groepen, 3: Vergelijking met controle groep, 4: Gematchte vergelijkingsgroepen;, 5: Experiment met randomisatie
De interventies betreffen landelijke bewustwordingscampagnes (2x), wettelijke regelingen voor verkoop, dragen en de opslag van (vuur-)wapens (3x), extra controle en de inzet van agenten op scholen (3x), en een programma waarin verschillende interventies gericht op voorlichting en aanwezigheid van (steek-)wapens in combinatie worden ingezet (1x). Met uitzondering van de hiervoor ook besproken interventie met schoolagenten die ook ondersteuning bieden, pakken de hier besproken interventies geen van allen de onderliggende problematiek aan maar richten ze zich op bewustwording en afschrikking of op situationele factoren die de gelegenheid voor het dragen of gebruiken van wapens beïnvloeden. De twee onderzochte bewustwordingscampagnes zijn gericht op het aanjagen van angst (fear-based), waarmee een afschrikkend effect op het gedrag wordt beoogd. Het omgekeerde kan echter ook het geval zijn, namelijk dat zulke campagnes mensen juist bewust maken van hun eigen kwetsbaarheid waarop zij reageren met het organiseren van de eigen bescherming (Terror Management Theory). De evaluatiestudies van de twee op afschrikking gerichte interventies gericht op wapens komen met iets uiteenlopende conclusies.
De eerste studie (met twee substudies) heeft een experimenteel design (Fear based anti knife campagne) en vindt geen onderbouwing voor positieve effecten, maar ook geen ondersteuning voor de Terror Management Theory (Hobson e.a., 2022). De evaluatie van de interventie Knife Seizure Images (een kwalitatieve interviewstudie met 20 jongeren) vindt wel ondersteuning voor het omgekeerde effect van afschrikking zoals in de Terror Management Theory beschreven (Cogan e.a., 2021). Deze studie richt zich echter niet op eigen wapengeweld, maar op de impact die de campagne heeft op de verwachting dat anderen messen dragen. Er blijkt een duidelijke angst dat anderen juist meer messen gaan dragen door de campagne. Deze verschilt niet tussen jongeren in buurten met veel messengeweld en jongeren in buurten met weinig messengeweld. De laatste studie benoemt ook de mogelijke stigmatiserende werking van deze campagnes voor buurten met een hoge mate van messengeweld. De drie wettelijke regelingen zijn gericht op het verbieden van vuurwapens (koop of dragen), of het veilig opslaan daarvan hebben als doel om de beschikbaarheid van vuurwapens voor mogelijke daders in te perken en daarmee ook de gelegenheid voor het plegen van een vuurwapendelict (Webster & Starnes, 2000; twee studies gerapporteerd door Kleck, 2019).
De studies vinden geen overtuigende aanwijzingen voor effectiviteit van dergelijke regelgeving, maar daarbij moet wel worden opgemerkt dat er sprake is van een beperkte kwaliteit van de onderzoeksmethoden (SMS 3 of lager). Ook hier zou nader onderzoek nodig zijn om meer zekerheid te krijgen. De drie interventies / maatregelen gericht op controle op scholen zijn ook geen van allen op een grondige manier onderzocht, dus ook hier zijn geen definitieve uitspraken te doen. Twee van deze interventies hebben wel kleine deeleffecten maar lijken over het geheel genomen niet
Resultaten met betrekking tot interventies • 56
effectief. Zo worden er op scholen met metaaldetectiepoortjes minder wapens aangetroffen dan op scholen zonder detectoren. Echter, het dragen en gebruik van wapens buiten school is niet lager geworden op scholen met zulke poortjes (Centers for Disease Control and Prevention, 1993). In een ander onderzoek werd gekeken naar de inzet van agenten met uiteenlopende geweldsmiddelen op scholen (zoals het dragen van vuurwapens en pepperspray) en verschillende veiligheidsmaatregelen op scholen (zoals detectiepoortjes en wapencontroles). Hier wordt voor de meeste maatregelen geen verband gevonden, voor sommige maatregelen lijkt er sprake van minder registraties van het dragen of gebruik van wapens op een deel van de scholen, maar voor veel maatregelen gaat het juist samen met meer registraties op scholen (Crawford & Burns, 2016). Tot slot vindt een relatief uitgebreide studie geen significant effect voor de inzet van schoolagenten waarvoor in een eerder besproken studie wel lichte aanwijzingen waren voor effectiviteit (Na & Gottfredson, 2011). Operation Blade is een uitgebreide politie-interventie in Glasgow en omgeving, waarbij een bewustwordingscampagne voor de algemene populatie gecombineerd wordt met een wapeninleveractie, preventief surveilleren en fysieke en sociale veiligheidsmaatregelen in en bij uitgaansgelegenheden.
In het onderzoek lijkt er na de inzet van de interventie wel kort een daling van ziekenhuisbehandelingen voor steekwonden zichtbaar te zijn, maar na 10 maanden is dit aantal weer op het oude niveau (Bleetman e.a., 1997). De conclusie is dat een dergelijke interventie om effectief te kunnen zijn frequent herhaald moet worden. Bovendien vraagt dit continuïteit in inzet. Er kan dus geen blijvend effect verwacht worden van kortstondige acties ook niet als deze een integrale aanpak betreffen. De interventie zou bovendien ook aspecten moeten hebben die inspelen op de achterliggende problematiek zoals problemen in de (mentale) gezondheid en gebrek aan kennis en inzicht over de consequenties van wapens. Bevindingen over de effectiviteit van secundaire interventies Er zijn in de literatuur zes evaluatiestudies gevonden over secundaire interventies (gericht op jongeren met een relatief hoog risico) of combinaties van interventies waarbij een belangrijk deel van de aanpak was gericht op secundaire preventie (zie Tabel 12). Hiervan waren er drie specifiek gericht op steekwapens en drie op wapens in het algemeen. Alle zes studies richtten zich op het dragen van een wapen. De meeste interventies waren bedoeld voor minderjarigen, waarvan er twee waren gericht op een relatief jonge leeftijdsgroep van kinderen en vroege adolescenten en drie op adolescenten in het algemeen.
Voor vier interventies wordt door de onderzoekers de conclusie getrokken dat de resultaten aanwijzingen bieden voor effectiviteit. Twee daarvan hebben een experimentele of quasi-experimentele opzet (score 4 of 5 op de Maryland Scale). Twee studies hebben een opzet die weinig tot geen betrouwbare informatie bieden over de effectiviteit (score 1 of 2). Bij de interventies waar geen aanwijzingen voor effectiviteit werden gevonden, ging het om twee studies met een experimentele opzet (score 5).
57 • Hoofdstuk 5
Tabel 12: Effectiviteit secundaire interventies (6 studies) Effectiviteit Aanwijzingen voor effectiviteit Niet aantoonbaar effectief of onduidelijk
Aantal studies
Soort wapen
Hoe betrokken
Leeftijdsgroep
SMS-categorie
W
B
1
5
1/2
1
2
V
S
D
G
C
2
3
4
2
2
4
1
2
2
1
1
2
1
1
4
3
4/5 2 2
Soort wapen: W: wapen algemeen, V: vuurwapen, S: steekwapen Hoe betrokken: B: bezit, D: dragen, G: gebruik, C: combinatie Leeftijd: 1: twaalfminners, 2: Kinderen en vroege adolescenten (10-15), 3: Vooral adolescenten (12-18), 4: Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25), 5: Brede groep of ongespecificeerd, 6: Niet van toepassing SMS-score: 1: Alleen verband, 2: Verandering of vergelijking groepen, 3: Vergelijking met controle groep, 4: Gematchte vergelijkingsgroepen;, 5: Experiment met randomisatie
Secundaire interventies met aanwijzingen voor effectiviteit In Tabel 13 zijn de kenmerken van secundaire interventies met aanwijzingen voor effectiviteit weergegeven. De twee interventies die met de meeste zekerheid effectief zijn bevonden, kenmerken zich door een relatief intensieve vorm van ondersteuning en hulpverlening. De twee andere interventies zijn voorlichtingsprogramma’s met meerdere sessies. De Collaborative Care interventie benadert jongeren die zich in een medische zorgomgeving bevinden en daar terecht zijn gekomen na ernstig lichamelijk letsel, zowel het gevolg van opzettelijk handelen van anderen als van ongelukken (Zatzick e.a., 2014). Deze jongeren ontvangen gedurende 12 maanden na het letsel extra zorg van een zorgmanagementteam bestaande uit sociale werkers en verplegers, met het doel om latere mentale en gedragsmatige problemen te voorkomen. Daarnaast vindt er motiverende gespreksvoering plaats die is gericht op het willen veranderen van risicogedrag en middelengebruik, en er wordt eventueel medicatie en therapie gegeven voor PTSS en depressieve symptomen. Deze interventie richt zich direct op slachtoffers van geweld, wat aansluit bij de bevinding uit het vorige hoofdstuk dat dit een belangrijke factor is die specifiek samenhangt met betrokkenheid bij wapens onder jongeren.
Verder richt het zich op sociale en levensvaardigheden van jongeren en op een aantal andere factoren die verband houden met wapens, zoals middelengebruik, mentale gezondheid en de omgang met trauma. Het onderzoek is verricht bij 120 jongeren die op een medisch traumacentrum terecht waren gekomen, die willekeurig werden verdeeld over een interventiegroep en een controlegroep die de gebruikelijke behandeling kreeg. Het bleek dat jongeren die de speciale vorm van nazorg ontvingen na afloop aanmerkelijk minder vaak een wapen droegen dan jongeren die dat niet kregen (7% tegenover 21%).
Resultaten met betrekking tot interventies • 58
Tabel 13: Kenmerken secundaire interventies met aanwijzingen voor effectiviteit (4 studies) Naam interventie
Type interventie
N
SMS
Leeftijd
Type wapen
Type betrokkenheid
Primaire uitkomstmaat
Collaborative care intervention
Nazorg en leerprogramma voor jongeren met letsel in traumacentrum
120
5
3
Algemeen
Dragen
Individuele zelfrapportage
Informed Parents and Children Together (ImPACT) The Devastating After Effects antiknife crime sessions Life on a knife edge
Gezinsinterventies / opvoedingsondersteuning risicogroep
494
5
3
Slagwapen
Dragen
Individuele zelfrapportage
Voorlichtingssessies over de gevaren van wapens op scholen in risicobuurt Voorlichtingsproject gericht op jongeren met verhoogd risico op betrokkenheid bij steekwapens
9875
2
2
Algemeen
Dragen
Individuele zelfrapportage
8
Interviews
5
Steekwapen
Dragen
Individuele zelfrapportage over houdingen
Leeftijd: 1: twaalfminners, 2: Kinderen en vroege adolescenten (10-15), 3: Vooral adolescenten (12-18), 4: Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25), 5: Brede groep of ongespecificeerd, 6: Niet van toepassing. SMS-score: 1: Alleen verband, 2: Verandering of vergelijking groepen, 3: Vergelijking met controle groep, 4: Gematchte vergelijkingsgroepen;, 5: Experiment met randomisatie
ImPACT (Impacting Parent And Children Together) is een interventie die is uitgevoerd in achterstandsbuurten in Baltimore (Stanton e.a., 2004). Het omvat verschillende elementen voor jongeren en hun ouders. De jongeren krijgen een uitgebreide vaardighedentraining van acht sessies, gericht op weerbaarheid, besluitvorming, communicatie en dergelijke. De ouders krijgen een korte video over het belang van toezicht en een training door middel van rollenspel. In het onderzoek is gekeken naar meerdere ongewenste gedragingen, maar wat betreft wapens is alleen een effect gevonden voor het dragen van een knuppel (‘bat’). Jongeren die deelnamen aan de interventie deden dat twee jaar na afloop significant minder dan jongeren uit een controlegroep (4% tegenover 10%), maar er was geen duidelijk effect zichtbaar voor het dragen van een steekwapen. De Devestating after effects anti-knife crime sessions is een interventie die in Engeland is bedoeld voor jonge adolescenten (13-15 jaar) met verhoogd risico en daarom is onderzocht bij scholen in buurten in London met relatief veel messencriminaliteit (Gilbert & Sinclair, 2019). Het bestaat uit een les over de gevaren van het dragen van wapens en de gevolgen van messencriminaliteit.
Daarbij wordt een film vertoond over een gezin dat slachtoffer is geworden van een steekincident gevolgd door een discussie met iemand die zelf een familielid heeft verloren aan messencriminaliteit. Het onderzoek maakte gebruik van een minder goede
59 • Hoofdstuk 5
methoden (2 op de Maryland Scale) en keek alleen naar verandering in de houding ten opzichte van het dragen van een mes. Betrouwbare conclusies over de werkzaamheid van deze aanpak kunnen daarmee eigenlijk niet worden getrokken. Life on a knife edge is een voorlichtingsproject voor jongeren met een verhoogd risico op betrokkenheid bij steekwapens (Tribe e.a., 2018). Het bestaat uit een tweedelige workshop waarbij een scenario wordt besproken van de ervaringen van iemand die in de buik wordt gestoken, gevolgd door een uitgebreide discussie met de aanwezige jongeren over de gevaren van messen voor henzelf en voor de gemeenschap. De beoordeling van de werkzaamheid is slechts gebaseerd op observaties van jongeren die meededen en hun uitingen in acht interviews na afloop, wat een weinig betrouwbare methode is om iets te kunnen zeggen over de daadwerkelijke effecten op gedrag. Niet aantoonbaar effectieve secundaire interventies Tabel 14 geeft een overzicht van de twee interventies waar geen effectiviteit is vastgesteld door de onderzoekers. Deze interventies richtten zich net als de eerstgenoemde effectieve secundaire interventie hierboven op gewonde jongeren. Tabel 14: Kenmerken niet aantoonbaar effectieve secundaire interventies (2 studies) Naam interventie
Type interventie
N
SMS
Leeftijd
Type wapen
Type betrokkenheid
Primaire uitkomstmaat
Behavior Change Counseling (BCC)
Motivationele gesprekken met gewonden op eerstehulpafdeling
629
5
3
Algemeen
Dragen
Individuele zelfrapportage
Mentorimplemented, violence prevention intervention
Leersessies met mentor en ouderondersteuning voor door peers verwonde jongeren in het ziekenhuis
113
5
2
Steekwapen
Dragen
Individuele zelfrapportage
Leeftijd: 1: twaalfminners, 2: Kinderen en vroege adolescenten (10-15), 3: Vooral adolescenten (12-18), 4: Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25), 5: Brede groep of ongespecificeerd, 6: Niet van toepassing SMS-score: 1: Alleen verband, 2: Verandering of vergelijking groepen, 3: Vergelijking met controle groep, 4: Gematchte vergelijkingsgroepen;, 5: Experiment met randomisatie
Behavior Change Counseling benadert jongeren die op de spoedeisende-hulpafdeling terecht waren gekomen vanwege een verwonding (Johnston e.a., 2002). Anders dan de wel effectieve aanpak was deze interventie relatief kortdurend. Het bestond uit motivationele gesprekken om de houding ten opzichte van wapens en risicovol gedrag te veranderen. Mentor-implemented, violence prevention intervention is een programma voor jongeren die in het ziekenhuis waren terechtgekomen voor een verwonding die door leeftijdsgenoten was veroorzaakt (Cheng e.a., 2008). Hier was de interventie wel wat uitgebreider: deze bestond uit zes bijeenkomsten om
Resultaten met betrekking tot interventies • 60
probleemoplossende vaardigheden te versterken en drie thuisbezoeken om behoeften van gezinnen te inventariseren en daarop ondersteuning aan te beiden. De controlegroep kreeg een minder intensieve vorm van hulp. Deze studie had een sterk design, maar lage aantallen deelnemers: er was een trend in de verwachte richting, maar de verschillen waren statistisch niet significant. Kortom, het is vooralsnog onduidelijk in hoeverre deze programma’s gericht op gewonde jongeren in een ziekenhuis wel of niet effectief zijn. Bevindingen over de effectiviteit van tertiaire interventies en brede programma’s In de laatste paragraaf bespreken we een aantal interventies die deels zijn gericht op jonge daders en meerdere totaalprogramma’s die zowel primaire, secundaire en/of tertiaire interventies toepassen (zie Tabel 15). Tabel 15: Effectiviteit tertiaire interventies en combinatie/totaal programma’s (8 studies) Effectiviteit Aanwijzingen voor effectiviteit Niet aantoonbaar effectief of onduidelijk
Aantal studies 6 2
Soort wapen
Hoe betrokken
Leeftijdsgroep
SMS-categorie
W
V
B
1
5
1/2
3
4/5
1
5
3
3
2
3
1
1
1
1
S
1 1
D
G
C
4
1
2
2
3
4
2
Soort wapen: W: wapen algemeen, V: vuurwapen, S: steekwapen Hoe betrokken: B: bezit, D: dragen, G: gebruik, C: combinatie Leeftijd: 1: twaalfminners, 2: Kinderen en vroege adolescenten (10-15), 3: Vooral adolescenten (12-18), 4: Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25), 5: Brede groep of ongespecificeerd, 6: Niet van toepassing. SMS-score: 1: Alleen verband, 2: Verandering of vergelijking groepen, 3: Vergelijking met controle groep, 4: Gematchte vergelijkingsgroepen;, 5: Experiment met randomisatie
Er zijn in de literatuur acht evaluatiestudies gevonden over tertiaire interventies (gericht op jonge daders of combinaties van interventies). Hiervan waren de meesten gericht op vuurwapens (uitgevoerd in de Verenigde Staten), twee programma’s (uitgevoerd in Engeland) waren gericht op steekwapens en wapens in het algemeen. De meeste studies richten zich op het daadwerkelijk gebruik (een studie op gebruik en dragen), vaak dodelijke gevallen van wapengebruik onder jongeren. Een studie keek naar het bezit van wapens. De helft van de studies richtte zich op een brede doelgroep van jonge personen, de andere helft ging specifiek over adolescenten. Bij zes interventies of programma’s worden door de onderzoekers resultaten gevonden die zij benoemen als aanwijzingen voor effectiviteit. Deze conclusie is echter meestal gebaseerd op een verandering in het aantal politieregistraties voor wapengeweld op de locatie waar de interventie is uitgevoerd, soms in vergelijking met ontwikkelingen elders (2 of 3 op de Maryland Scale). In een van de zes studies is ook gebruik gemaakt van zelfrapportage van wapengebruik. Bij een van de studies, uitgevoerd in Schotland, werd een quasi-experimentele opzet gebruikt om aanwijzingen te krijgen voor effectiviteit. Bij de twee programma’s waar geen aanwijzingen
61 • Hoofdstuk 5
voor effectiviteit zijn gevonden, werd ook gekeken naar een trend in registraties in vergelijking met de ontwikkeling elders (score 3 op de Maryland Scale). De onderzoeksdesigns voor deze groep van interventies laat dus nog veel te wensen over, met uitzondering van de studie in Schotland. Tertiaire interventies en totaalprogramma’s met aanwijzingen voor effectiviteit In Tabel 16 zijn de kenmerken van de aanpakken weergegeven waarvoor onderzoekers aanwijzingen voor effectiviteit rapporteren. De eerstgenoemde interventie, Project Life, is specifiek gericht op daders van geweld en vuurwapenmisdrijven (Hipple & Lentz, 2024). Via de reclassering worden zij verplicht om een educatief programma te volgen, in veel opzichten dus vergelijkbaar met een leerstraf in Nederland. De interventie bestaat uit een intensief driedaags naschools programma over de gevolgen en gevaren van vuurwapengeweld, voor iemand zelf en voor de gemeenschap. Van de daders die dit programma volgden, recidiveerde ruim 5% na anderhalf jaar, terwijl dit bij een controlegroep 21% was. De controlegroep was niet gelijk samengesteld als de interventiegroep (ongematcht), maar het effect bleef wel bestaan als er werd gecontroleerd voor verschillende relevante factoren.
De drie hierna genoemde interventieprogramma’s zijn allemaal varianten van een benadering die oorspronkelijk in Boston werd ontwikkeld om gang-gerelateerd geweld tegen te gaan (Braga e.a., 2001; McGarrell e.a., 2006; Picard-Fritsche et al., 2013; Gorman-Smith & Cosey-Gay, 2014). Dit programma is bekend geworden onder de naam Operation Ceasefire, maar ook andere benamingen worden gebruikt, waaronder Lever Pulling. Het interventieprogramma wordt uitgevoerd door de politie in combinatie met organisaties als de reclassering, straat- en buurtwerk en lokale kerken. De interventie is vooral gebaseerd op wat wordt genoemd de ‘pulling levers’ – strategie (wellicht te vertalen met ‘hendels overhalen’). Hierbij worden jonge gang-leden direct benaderd door de politie of reclassering en verwezen naar een bijeenkomst waar ze de boodschap krijgen dat ze nauwkeurig in de gaten worden gehouden en bij elke overtreding of geringe aanleiding extra streng worden vervolgd of snel worden gedetineerd. Dit onderdeel van de interventie wordt ook wel gerichte afschrikking genoemd, en daarmee heeft deze interventievorm ook duidelijk repressieve elementen. Tegelijkertijd wordt er door de samenwerkende organisaties extra hulp en ondersteuning aangeboden op praktisch vlak (bijvoorbeeld begeleiding bij onderwijs, arbeid en huisvesting) en bij mentale problemen.
Een variant van deze benadering wordt op dit moment uitgeprobeerd in Rotterdam onder de benaming Group Violence Intervention, en de gerichte afschrikking heeft ook overeenkomsten met de Top-600 benadering in Amsterdam (en andere plekken). In alle drie genoemde studies wordt gevonden dat het aantal geregistreerde gevallen van dodelijk vuurwapengeweld onder jongeren sterk afnam in de periode tijdens en nadat de interventie werd toegepast. De methode lijkt dus breed succesvol te zijn geweest in de Verenigde Staten om golven van gang-gerelateerd vuurwapengeweld onder jongeren tegen te
Resultaten met betrekking tot interventies • 62
gaan. Wel is de robuustheid van het onderzoek naar deze methode relatief zwak (2 of 3 op de Maryland Scale) en een nadeel is dat ook niet duidelijk is of het gaat om een daadwerkelijke verandering in gedrag, een natuurlijke afname in geweld na een piek, of om een afname doordat er extra veel jongeren een tijd worden opgesloten. Wat de (mogelijk) werkzame elementen zijn, is dus erg onduidelijk. Tabel 16: Kenmerken tertiaire interventies en combinatie/totaalprogramma’s met aanwijzingen voor effectiviteit (6 studies) Naam interventie
Type interventie
N
Project Life
Educatief project voor daders over de gevolgen van vuurwapengeweld Focused deterrence gericht op gangleden, in combinatie met aanbod hulp en steun Focused deterrence gericht op gangleden, in combinatie met aanbod hulp en steun Focused deterrence gericht op gangleden, in combinatie met aanbod hulp en steun Hulp en ondersteuning voor jongeren bij een gang, met voorwaarden Buurtgerichte aanpak met bijeenkomsten en outreach workers die gangleden en daders benaderen met hulpaanbod, geweldsonderbrekers die conflictescalatie tegengaan
Operation Ceasefire
Ceasefire
Lever Pulling Strategy
Community Initiative to Reduce Violence Safe Streets
SMS
Leeftijd
Type wapen
Type betrokkenheid
Primaire uitkomstmaat
368
3
3
Vuurwapen
Gebruik
Totaal incidenten
nvt
3
5
Vuurwapen
Gebruik
nvt
2
3
Vuurwapen
Gebruik
Totaal aantal incidenten/ totaal aantal slachtoffers Totaal incidenten
nvt
2
5
Vuurwapen
Gebruik
Totaal incidenten
334
4
5
Algemeen
Bezit
Politieregistraties
nvt
3
3
Vuurwapen
Dragen en gebruik
Totaal incidenten, Individuele zelfrapportage
Leeftijd: 1: twaalfminners, 2: Kinderen en vroege adolescenten (10-15), 3: Vooral adolescenten (12-18), 4: Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25), 5: Brede groep of ongespecificeerd, 6: Niet van toepassing. SMS-score: 1: Alleen verband, 2: Verandering of vergelijking groepen, 3: Vergelijking met controle groep, 4: Gematchte vergelijkingsgroepen;, 5: Experiment met randomisatie
Community Initiative to Reduce Violence is een interventie die is uitgevoerd in Glasgow. Het is in sommige opzichten vergelijkbaar met de Ceasefire strategie, maar vooral met de
63 • Hoofdstuk 5
nadruk op een hulpaanbod en zonder de gerichte afschrikking die in de steden in de V.S. worden toegepast. Jongeren die waren geïdentificeerd als leden van een ‘gang’ werden uitgenodigd voor een bijeenkomst op het politiebureau (Williams e.a., 2014). Zij werden gevraagd een verklaring te ondertekenen af te zien van geweld en het dragen van een wapen en kregen in ruil daarvoor toegang tot verschillende vormen van extra ondersteuning, gebaseerd op een analyse van hun behoeften (bijvoorbeeld opleiding, woning, medische zorg). Wanneer een jongere zich niet aan de belofte hield, werd deze jongere of zelfs diens hele groep / gang uitgesloten van verdere hulp. De interventie werd onderzocht met een quasi-experiment, waarbij 167 jongeren uit een buurt die de interventie hadden gekregen werden vergeleken met jongeren van dezelfde leeftijd uit een vergelijkbare buurt met overeenkomstige problemen. Daaruit bleek dat onder jongeren die deelnamen aan de interventie het bezit van wapens na een en twee jaar sterker was afgenomen dan onder jongeren die niet deelnamen. Bij steekwapens was het bezit bij de controlegroep zelfs toegenomen: na twee jaar met 31%, terwijl er bij de jongeren uit de interventiegroep er een afname was van 58%. Safe Streets is een interventieprogramma dat is voortgekomen uit Ceasefire, maar dat ook niet de elementen van afschrikking bevat.
Daarnaast omvat het ook aanvullende onderdelen. Het programma wordt uitgevoerd door een overheidsorganisatie waar meerdere ‘outreach workers’ in dienst zijn, vaak voormalige ‘gang members’ (Trent, 2020; Webster e.a., 2012). Het programma bestaat uit drie kernelementen: het promoten van geweldloosheid, het helpen van jongeren met een verhoogd risico op geweld en het ingrijpen in conflicten die kunnen leiden tot wapengeweld. Voor het promoten van geweldloosheid organiseert de programmaorganisatie buurtbijeenkomsten en evenementen in reactie op wapengeweld (met name schietpartijen). Voor het helpen van jongeren met een verhoogd risico op geweld benaderen de outreach workers jongeren van wie zij weten dat ze betrokken zijn geweest bij gangs, wapens of criminaliteit actief, en proberen hen toe te leiden naar een opleiding of werk. Er zijn verder speciale outreach workers die "geweldonderbrekers" worden genoemd. Zij identificeren potentieel gevaarlijke conflicten in de buurt en grijpen in via bemiddeling en door het tegengaan van wraakacties. Om de mogelijke effecten te onderzoeken werd een vergelijking gemaakt tussen de gebieden waar het programma werd ingezet en vergelijkbare gebieden met hoge niveaus van geweld en criminaliteit.
Gecontroleerd voor meerdere relevante factoren (bevolkingssamenstelling, andere maatregelen) wordt door de onderzoekers geconcludeerd dat het programma leidt tot 26% minder moorden en 22% minder niet fatale schietincidenten onder jongeren, al is deze uitkomst onzeker vanwege het niet-experimentele onderzoeksdesign. Interessant is verder dat van deze benadering ook een moderne variant is ontwikkeld in de Verenigde Staten (E-responder), waarbij professionals zich richten op het onderbreken en mediëren van conflicten die zich ontwikkelen op sociale media (Sichel e.a., 2019; 2020). Dit is enigszins vergelijkbaar met ‘online jongerenwerkers’ in Nederland, die soms proberen escalatie van online conflicten naar de fysieke leefwereld te voorkomen. Verschil is wel dat bij dit
Resultaten met betrekking tot interventies • 64
Amerikaanse programma gebruik wordt gemaakt van een handleiding om posts van jongeren in te delen in verschillende niveaus van geweldsrisico (de Interruption Toolkit). De ervaringen met deze werkwijze zijn wel onderzocht, maar er is nog niet gekeken naar de effectiviteit met betrekking tot wapens onder jongeren. Niet effectieve programma’s In de literatuur werden twee voorbeeld gevonden van geëvalueerde interventieprogramma’s waar geen effectiviteit kon worden vastgesteld (Tabel 17). Tabel 17: Kenmerken niet effectieve of tertiaire interventies en combi-programma’s (2 studies) Naam interventie
Type interventie
N
SMS
Leeftijd
Type wapen
Type betrokkenheid
Primaire uitkomstmaat
Safe our Streets
Totaalprogramma, met educatie en campagnes in de buurt, positieve rolmodellen, hulp aan slachtoffers, en het inzetten van violence interrupters Totaal programma met extra controles, voorlichting activiteiten, media campagnes, leertaak jonge daders
nvt
3
3
Vuurwapens
Gebruik
Totaal incidenten
nvt
3
5
Steekwapen
Gebruik
Totaal incidenten
Tackling Knives and Serious Youth Violence Action Programme
Leeftijd: 1: twaalfminners, 2: Kinderen en vroege adolescenten (10-15), 3: Vooral adolescenten (12-18), 4: Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25), 5: Brede groep of ongespecificeerd, 6: Niet van toepassing SMS-score: 1: Alleen verband, 2: Verandering of vergelijking groepen, 3: Vergelijking met controle groep, 4: Gematchte vergelijkingsgroepen;, 5: Experiment met randomisatie
Safe our Streets is een totaalprogramma dat vergelijkbaar is met de benadering van Safe Streets (hierboven behandeld). Het combineert primaire, secundaire en tertiaire preventiemethoden (Picard-Fritsche et al., 2013). In het programma wordt gebruik gemaakt van buurtcampagnes en bijeenkomsten, hulp aan slachtoffers en familieleden van schietpartijen, van rolmodellen/ credible messengers en ‘violence interrupters’ die proberen mogelijk dodelijke conflicten te voorkomen. Deze evaluatie was relatief beperkt qua omvang (een enkele buurt waarin de interventie werd toegepast vergeleken met drie andere buurten), er werd wel een verandering in de verwachte richting gevonden, maar die was statistisch niet significant. Tackling Knives and Serious Youth Violence Action Programme (TKAP) is een omvangrijk programma in Engeland, uitgevoerd door lokale politieafdelingen, die elk hun eigen aanpak en uitvoering konden bepalen (Grimshaw & Ford, 2018). Ze konden gebruik maken van extra
65 • Hoofdstuk 5
fouilleringsacties, voorlichtingsmiddelen en avondactiviteiten in de buurt, en/of voerden mediacampagnes uit. Daarnaast kregen een aantal jongeren die misdrijven plegen een lesprogramma voorgeschreven over de gevaren van messen. In dit programma is flink geïnvesteerd door de Britse overheid, maar de onderzoekers concluderen dat er geen merkbaar effect is vast te stellen. Verschillende indicatoren werden hiervoor gebruikt, onder ander het aantal dodelijke gevallen van wapengebruik onder jongeren en jongvolwassenen: dit was niet merkbaar afgenomen en had zich niet anders ontwikkeld dan elders in de gebieden waar het interventieprogramma niet was toegepast. Concluderend: programma’s met aanwijzingen voor effectiviteit bestaan vaak uit relatief intensieve educatieve lesprogramma’s, bieden zorg en ondersteuning voor slachtoffers, daders of risicojongeren en zijn gericht op oorzakelijke factoren In vergelijking met het onderzoek naar achterliggende factoren van wapens onder jongeren is nog relatief beperkt onderzocht wat de effectiviteit is van interventies en programma’s die deels of geheel op die factoren zijn gericht. Een deel daarvan maakt gebruik van robuuste methoden om dit vast te stellen. Maar de meeste studies hebben onderzoeksdesigns die minder of soms zelfs nauwelijks zekerheid bieden over de werkzaamheid.
Desondanks komen er uit onze analyse duidelijke patronen naar voren over de kenmerken van interventies die als effectief worden gezien en de kenmerken van interventies waarbij dat niet is vastgesteld. Bij de primaire interventies (gericht op jongeren in het algemeen) valt op dat het bij alle interventies met enige aanwijzingen voor effectiviteit gaat om aanpakken via scholen. De meest duidelijke aanwijzingen worden gevonden voor intensieve lesprogramma’s op scholen die niet primair zijn gericht op wapens, maar op het versterken van beschermende factoren en het verminderen of helpen omgaan met risicofactoren. Deze programma’s zijn voor een belangrijk deel gericht op het aanleren van ‘life-skills’, met name vaardigheden om verstandige keuzes te maken en gewelddadige conflicten te voorkomen. De als meest effectief beoordeelde aanpakken richtten zich ook vaak op slachtofferschap en middelengebruik onder jongeren, twee factoren die sterk bleken samen te hangen met wapens onder jongeren. Bij de secundaire interventies (gericht op jongeren met een verhoogd risico) die als effectief zijn beoordeeld, valt op dat ook hier een aantal educatieve programma’s zijn vermeld.