RIS322974 Bijlage 1 - Verdiepend onderzoek - Met wetenschap beter bewapend
Tekst van het document
ASReview is een gratis open-source softwareprogramma dat met behulp van machine learning technieken het screeningsproces versnelt. Op basis van de input van de onderzoeker, presenteert ASReview telkens wat het voorspelt als het meest relevante document. De onderzoeker kiest vervolgens of het als relevant voorspelde document van ASReview inderdaad relevant is. Door gebruik te maken van dit programma, hoeven de onderzoekers niet de hele set aan documenten te screenen, maar kan doorgaans worden gestopt na het screenen van 10 tot 20% van de documenten (Van de Schoot e.a., 2021). In het onderzoeksproces is de richtlijn gevolgd om te stoppen met screenen nadat 100 studies die door ASReview waren voorgelegd als onbruikbaar waren gelabeld (en het identificeren van nieuwe relevante studies dus erg onwaarschijnlijk was geworden). Dit resulteerde in een totaal van 56 relevante studies. Deze 56 studies zijn vervolgens door een andere onderzoeker gescreend en beoordeeld op relevantie, waarna uiteindelijk 16 van de 56 studies als niet-relevant zijn bestempeld. Redenen voor uitsluiting waren bijvoorbeeld dat de interventie zich niet specifiek richtte op jongeren, of dat de interventie ging over geweld in het algemeen in plaats van bezit, dragen of gebruik van wapens. Daarnaast was er voor 5 studies geen volledige tekst beschikbaar (voornamelijk scripties en PhD theses).
Daarmee bleven er 35 studies over. De verschillende stappen die hebben geleid tot de totstandkoming van deze selectie zijn weergegeven in Bijlage 4. Deze 35 studies zijn aangevuld met een studie die werd genoemd in het overzicht van Browne (2022), maar niet uit de literatuursearch naar voren kwam, én nog eens 13 onderzoeken die werden genoemd in een recent literatuuroverzicht dat ook naar voren kwam via ASReview,
21 • Hoofdstuk 3
maar waar wij nog niet mee bekend waren, namelijk die van Wilkinson e.a. (2024). Dat bracht het totaal op 49, maar daarvan werden er na nadere bestudering nog eens 20 geëxcludeerd, omdat daarin de uitkomstmaat niet ging over wapens onder jongeren, of omdat er geen sprake was van een evaluatie van de effectiviteit. Uiteindelijk zijn er 29 evaluatiestudies meegenomen in de analyse. Analyse van de gevonden studies bij onderzoeksvraag 1 en 2 Voor de analyse van de gevonden studies is een gestandaardiseerde aanpak toegepast. Voor beide onderzoeksvragen zijn codeerformulieren opgesteld om de relevante kenmerken van de verschillende studies te kunnen coderen (scoren). Dit had betrekking op beschrijvende en methodologische informatie, zoals de categorieën betrokkenheid bij wapens en de doelgroep waarop het onderzoek betrekking had, jaar en land van de studie, en het soort onderzoek en analysemethode. Naast het invullen van de studiekenmerken aan de hand van het codeerhandboek, zijn ook de belangrijkste uitkomsten van de studies gecodeerd. Voor onderzoeksvraag 1 bestond dit uit een extra formulier, met een groot scala aan mogelijke motieven en factoren die kunnen bijdragen aan wapenbezit, wapendracht of wapengebruik onder jongeren. De keuze van deze motieven en factoren was gebaseerd op eerder literatuuronderzoek naar wapens en naar jeugdcriminaliteit in het algemeen.
De tabel bevat ook een ‘overige’ categorie, waarin alle motieven en/of factoren kunnen worden geplaatst die in de studies naar voren komen, maar niet onder een van de vooraf gedefinieerde motieven en factoren kunnen worden geschaald. Deze zijn later heringedeeld waarbij ook enkele nieuwe factoren zijn onderscheiden. Per studie werd in de tabel ingevuld of het verband is onderzocht, en of dit verband (statistisch significant) werd gevonden, met de codering voor geen verband, 1 voor een verwacht verband en 2 voor een onverwacht verband. Verder is aangegeven of er sprake is van een verband dat is gecontroleerd voor andere factoren in een multivariate analyse) en/of een verband over de tijd is gevonden met longitudinale gegevens, en tot slot de statische maat die is gebruikt om een verband of effect vast te stellen. De 158 studies die waren gevonden voor onderzoeksvraag 1 zijn door twee leden van het onderzoeksteam gecodeerd. Deze hebben voorafgaand aan het data-extractieproces een aantal studies samen gecodeerd om de consistentie en betrouwbaarheid van de codering te bevorderen. Bij twijfelgevallen of onduidelijkheden werd er overlegd om consensus te bereiken over de keuze een studie wel of niet te includeren of over hoe bepaalde informatie moest worden geïnterpreteerd.
In de uiteindelijke analyse is per motief en factor met behulp van Excel geteld hoe vaak elke factor en/of motief is onderzocht, hoe vaak een verband is gevonden in de verwachte richting, en hoe vaak dit is gevonden in studies van hogere kwaliteit (met multivariate of longitudinale analyses). Dit zorgde voor een gestructureerd inzicht in de prevalentie van de verschillende motieven en factoren. Tijdens deze stap van het analyseproces zijn ook de factoren
Opzet en methode van onderzoek • 22
in de categorieën ‘overig’ in kaart gebracht en werd opnieuw geëvalueerd om vast te stellen of deze niet toch onder een al bestaande categorie konden worden geschaald. Deze stap resulteerde uiteindelijk in de vorming van 22 nieuwe factoren die meerdere keren waren onderzocht, maar die we bij het opstellen van de lijst niet hadden verwacht of over het hoofd gezien. Factoren die maar in een enkele studie waren bekeken en nergens anders in konden worden ondergebracht zijn als ‘overig’ gecategoriseerd (zie Bijlage 5 voor een complete lijst met oorspronkelijke en nieuwe factoren) Voor onderzoeksvraag 2 werd door drie onderzoekers voor de 29 studies gecodeerd wat de methodologische kwaliteit van de gevonden evaluatiestudies was (aan de hand van de Maryland Scientific Methods Scale), welke uitkomstmaat was gebruikt om de effectiviteit te onderzoeken, wat de conclusie was van de onderzoekers over de effectiviteit van de studie, en ook of er implementatieproblemen waren geconstateerd en welke. Daarnaast is beschreven op welke factoren de interventie zich richtte aan de hand van de tabel met motieven en factoren die opgesteld was voor onderzoeksvraag 1. Bij twijfel werd onderling overlegd om tot uiteindelijke consensus te komen.
In de uiteindelijke analyse is met behulp van Excel per type interventie geteld hoeveel studies zijn verricht, hoeveel daarvan op een kwalitatief acceptabel niveau (van 3 of meer op de Maryland schaal), hoeveel daarvan concluderen dat een interventie effectiviteit, veelbelovend, niet effectief of contra-effectief zijn, of er verschillen zijn gevonden tussen subgroepen en of er implementatieproblemen zijn gesignaleerd.
23 • Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 4: Resultaten met betrekking tot motieven en factoren Dit hoofdstuk beschrijft de resultaten met betrekking tot de eerste onderzoeksvraag, die luidt: Wat is uit onderzoek bekend over de motieven en oorzakelijke (risico)factoren die zijn gerelateerd aan het bezitten, dragen en gebruiken van wapens bij jongeren? De gevonden factoren zijn ingedeeld in verschillende domeinen: individueel, gezinsomgeving, functioneren op school, offline en online omgang met leeftijdsgenoten, buurtomstandigheden en maatschappelijke positie. Naar voren komt wat is onderzocht, hoe vaak een verband is gevonden en hoe sterk de aanwijzingen zijn dat dit een oorzakelijk verband is. In dit hoofdstuk wordt ook aangegeven welke verbanden zijn gevonden voor verschillende soorten wapens en verschillende soorten betrokkenheid daarbij. Verder is beschreven of er verschillen zijn gevonden in de resultaten tussen verschillende leeftijdsgroepen. Tot slot wordt in dit hoofdstuk aangegeven welke resultaten betrekking hebben op de Nederlandse situatie en wat bekend is over lokale verschillen daarbinnen. Kenmerken van de studies In Tabel 1 staan de belangrijkste kenmerken van de onderzochte studies vermeld.
Van de 115 onderzochte studies waren de meeste op basis van kwantitatieve gegevens (cijfermatig), meestal op basis van vragenlijstonderzoek onder jongeren, in enkele gevallen op basis van geregistreerde gegevens. De omvang van de vragenlijstonderzoeken varieert van enkele tientallen deelnemers tot meer dan 100.000 jongeren die deelnamen aan een gezondheidsmonitor. Hiernaast zijn er ook enkele kwalitatieve studies op basis van interviews met jongeren of experts, en in een enkel geval op basis van jarenlang veldwerk. Sommige studies combineren beide vormen van onderzoek. In iets meer dan helft van de onderzoeken is alleen gekeken naar het verband tussen bepaalde factoren en het bezit, dragen en gebruik van wapens op een eenvoudige manier, zonder te controleren voor verstorende factoren (bivariate analyse). Daarnaast is er ook een flink aantal studies gebruikt gemaakt van meer geavanceerde analyses, waarbij is gecontroleerd voor andere factoren (multivariate analyse) of waarbij jongeren zijn gevolgd over de tijd (longitudinaal). In de meeste studies zijn wapens in het algemeen onderzocht (zonder specificatie) of is gevraagd naar verschillende typen wapens zonder dit apart te bekijken. Verder zijn er veel studies verricht (vooral uit de Verenigde Staten) naar vuurwapens onder jongeren.
Er zijn maar 11 studies die specifiek hebben gekeken naar steekwapens, en slechts 2 studies hebben apart geanalyseerd welke factoren verband houden met steekwapens of vuurwapens. Wat betreft het soort betrokkenheid bij wapens heeft de grote meerderheid van de studies vooral gekeken naar het dragen van wapens. Slechts een kleine aantal studies onderzochten specifiek het bezitten of gebruiken van wapens, en slechts drie studies deden aparte analyses voor bezit, dragen en/of gebruik.
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 24
Tabel 1: Kenmerken van de onderzochte studies naar motieven en factoren Kenmerk
Aantal
Totaal aantal studies
115
Type onderzoek Kwantitatief (vragenlijsten of registraties) Kwalitatief (interviews of veldwerk) Mixed methods
94 11 10
Type analyse Bivariaat of ongespecificeerd (enkelvoudige verbanden) Multivariaat (voor andere factoren gecontroleerd) Longitudinaal (verandering of volgtijdelijke relatie bekeken)
65 28 22
Soort wapen onderzocht Wapens algemeen of combinatie Alleen steekwapens Alleen vuurwapens Alleen overige wapens Steekwapens en vuurwapens afzonderlijk bekeken
61 11 41 0 2
Soort betrokkenheid Geen onderscheid of combinatie bezit/dragen en gebruik Alleen bezit Alleen dragen (of bezit en dragen) Alleen gebruik Bezit, dragen en/of gebruik afzonderlijk bekeken
8 4 91 9 3
Land waar studie is verricht Verenigde Staten of ongespecificeerd Verenigd Koninkrijk Ander land elders Nederland
90 6 8 11
Leeftijdscategorie Twaalfminners (10-12) Kinderen en vroege adolescenten (10-15) Vooral adolescenten (12-18) Jongvolwassen of vooral jongvolwassen (18-25) Bredere groep of ongespecificeerd
1 28 72 4 10
Onderzoekspopulatie Geen speciale groep, scholieren of jeugd algemeen Wel een speciale onderzoeksgroep
89 26
25 • Hoofdstuk 4
Verreweg de meeste studies zijn verricht in de Verenigde Staten of werden gepubliceerd in tijdschriften uit de V.S. zonder dat werd gespecificeerd waar het was verricht maar waaruit de context was af te leiden dat het in dat land was uitgevoerd. Daarnaast zijn uit het Verenigd Koninkrijk zes onderzoeken gevonden, en acht uit verschillende andere landen. Voor Nederland hebben we 11 studies meegenomen, waarvan zeven scripties. Het overgrote deel van de onderzoeken is dus uitgevoerd in landen met een andere cultuur en context dan in Nederland, waarbij met name in de V.S. de situatie en regelgeving met betrekking tot vuurwapens sterk verschilt van die in Europa. Dat betekent niet dat de resultaten van die onderzoek irrelevant zijn. We bespraken in hoofdstuk 2 dat er juist veel overeenkomsten zijn tussen landen in welke factoren samenhangen met delinquent gedrag van jongeren, en dat zal tot op zekere hoogte ook gelden voor de resultaten met betrekking tot wapens onder jongeren. Maar de conclusies die getrokken kunnen worden zijn daardoor wel omgeven met onzekerheden en beperkingen, die verder worden besproken in het slothoofdstuk van dit rapport. Verder blijkt uit Tabel 1 dat de meeste studies zijn verricht onder adolescenten (in of rond de leeftijdsrange van 12-18 jaar).
Daarnaast zijn er ook een behoorlijk aantal onderzoeken gedaan bij een relatief jonge groep (kinderen en adolescenten tussen (10 en 15 jaar), en er is een studie bij kinderen tussen 10 en 12 jaar verricht. De verschillen tussen deze leeftijdsgroepen worden verderop in dit hoofdstuk behandeld. Tot slot kan worden vermeld dat de meeste studies mikten op een brede steekproef van jongeren of scholieren, maar er zijn ook onderzoeken verricht bij specifieke groepen, zoals meisjes, bepaalde bevolkingsgroepen (zoals Hispanics in de VS), of veroordeelde jongeren. Analyse met behulp van cijfers en kleuren In de paragrafen hieronder worden de resultaten weergegeven met betrekking tot motieven en factoren. Dat doen we aan de hand van tabellen waarin is aangegeven hoe vaak iets is onderzocht binnen de door ons verzamelde publicaties, in welk deel daarvan een motief of verband is aangetroffen, bij welk soort wapen dat is aangetroffen (algemeen en/of specifiek vuur- of steekwapen) en bij wat voor type betrokkenheid (bezit, dragen en/of gebruik). Bij de tabellen over de factoren bespreken we ook hoe vaak een verband is onderzocht met behulp van methoden die aanwijzingen geven dat het gaat om een oorzakelijk verband (methoden waarbij wordt gecontroleerd voor verstorende factoren en/of het verband over de tijd wordt onderzocht).
Met kleuren is aangegeven hoe sterk de aanwijzingen zijn dat een bepaald motief of een bepaalde factor van belang is. Bij ‘aantal studies’ beschouwen we tien of meer als veel: die heeft de kleur rood. Daaronder onderscheiden we de categorieën 5 tot 10 (oranje), 1 tot 5 (geel) en 0 (wit). Bij ‘aangetroffen’ (deel van de studies waar een motief of een verband is aangetroffen) beschouwen we 90% of meer (dus in alle of bijna alle studies) als veel (aangegeven met rood), en onderscheiden we daarnaast de categorieën 75-90% (oranje), 50-75% (geel) en minder dan
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 26
50% (wit). Bij de laatste categorie is een verband of motief in de minderheid van de studies waarin het is onderzocht aangetroffen, dat wordt gezien we als onvoldoende ondersteuning. Het kan bij wit overigens ook gaan om het ontbreken van onderzoek, in dat geval is er automatisch ook geen ondersteuning voor het verband. De grenzen tussen de categorieën zijn niet gebaseerd op een bepaalde standaard, maar enigszins willekeurig gekozen. Ze zijn bedoeld als globaal hulpmiddel om de verschillende motieven en factoren te vergelijken: hoe meer kleuren te zien zijn richting rood, hoe meer aanwijzingen er zijn dat een motief of factor van belang is. Voor de verschillende ‘soorten wapen’ en ‘types betrokkenheid’ hebben we alleen met groen aangegeven of een motief of verband daar is aangetroffen. Wel maken we daarbij een onderscheid tussen enkele keren (1 tot 5 keer) aangetroffen (lichtgroen) en meermaals (meer dan 5 keer) aangetroffen (donkergroen). Meerdere typen motieven: vooral ter verdediging, daarnaast ook voor criminaliteit, om te imponeren, uit interesse, en voor conflictbeslechting Relatief weinig studies (acht) hebben onderzocht welke motieven jongeren aangeven voor het bezit, dragen of gebruik van wapens. De uitkomsten hiervan zijn weergegeven in Tabel 2.
De tabel bevestigt dat overwegingen die te maken hebben met veiligheid de belangrijkste reden zijn voor jongeren om een wapen te bezitten of te dragen. In vrijwel alle studies die naar motieven hebben gekeken, komt dit naar voren als een belangrijk motief. Het sluit ook aan bij de bevindingen uit het recente rapport over Rotterdamse jongeren (Weerman e.a., 2022), waarbij deze overwegingen veruit het vaakst werden onderschreven. Binnen deze groep zijn twee varianten te onderscheiden: jongeren met een wapen vanuit algemene gevoelens van onveiligheid en jongeren die zich concreet bedreigd voelen en zich daartegen willen beschermen. Ook in andere onderzoeken kwam naar voren dat overwegingen met betrekking tot veiligheid en verdediging relatief vaak worden genoemd door jongeren die een wapen dragen of bezitten, zelfs onder jongeren die betrokken waren bij het plegen van ernstige delicten (Sheley e.a. 1993). Hiernaast worden regelmatig verschillende instrumentele motieven aangetroffen, waarvan het gebruiken bij een beroving het meest is vermeld. Letsel toebrengen en het gebruiken van een wapen bij een conflict worden relatief weinig gerapporteerd, maar vormen wellicht een belangrijke afzonderlijke categorie die met name van belang zal zijn bij het gebruik van wapens.
Het motief dat te maken heeft met het beslechten van een conflict is ook het enige motief dat is gerelateerd aan daadwerkelijk gebruik van wapens (zie bijvoorbeeld Carter e.a., 2017). Conflicten komen naar voren als centraal element in de politieregistraties van steekincidenten die zijn bestudeerd binnen het onderzoek onder Rotterdamse jongeren (Weerman e.a., 2022).
27 • Hoofdstuk 4
Minder vaak vermeld in de literatuur zijn de meer symbolische en intrinsieke motieven voor wapens. In twee onderzoeken werd gevonden dat vuurwapens gedragen worden om te imponeren (Beke & Schreuder, 2002; Williams e.a., 2002), en in één studie kwam naar voren dat jongeren ook wapens hebben omdat ze die interessant vinden of verzamelen (Weerman e.a., 2022). Status verhogen als motief is in drie studies onderzocht en komt in één studie van die studies daadwerkelijk naar voren als motief. Het motief om wapens te hebben of te dragen om een straatidentiteit te laten zien of te tonen dat je bij een gang of andere groep hoort, wordt wel gesuggereerd in de literatuur hierover (zie Wolsink & Ferwerda, 2024), maar is in onderzoek niet expliciet onderzocht. Tabel 2: Motieven voor wapens die worden aangetroffen in de onderzochte studies Aantal studies
Aangetroffen
8 8
7/8 8/8
Hulpmiddel bij beroving Intimideren Iemand dwingen Letsel toebrengen
5 2 1 3
5/5 2/2 1/1 3/3
Conflict als motief
2
2/2
2 0 3
2/2 1/3
1 1
1/1 1/1
Soort wapen?
Hoe betrokken?
W
B
V
S
Motieven i.v.m. veiligheid Onveiligheid verminderen Bescherming / verdedigen Motieven instrumenteel
Motieven symbolisch Imponeren / stoer doen Straatidentiteit / groepslid Status verhogen Motieven intrinsiek Wapens leuk / interessant Verzamelen Kleuren Aantal studies:
wit = 0 geel = 1 tot 5 oranje = 5 tot 10 rood = 10 of meer
Type wapen:
Kleuren Aangetroffen:
wit = niet/onder de 50 % geel = 50 tot 75 % oranje = bij 75 tot 90% rood = bij meer dan 90%
Type betrokken: B = Bezit D = Dragen G = Gebruik
= aangetroffen
W = Wapen algemeen V = Vuurwapen S = Steekwapen
D
G
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 28
Omdat er zo weinig naar motieven is gekeken, is ook nauwelijks specifiek gekeken naar verschillen in motief bij bezit of gebruik, of naar vuurwapens of steekwapens. De meeste studies gaan over het dragen van wapens in het algemeen. Wel valt op dat de instrumentele motieven vooral naar voren komen in studies die specifiek hebben gekeken naar vuurwapens. Bij de studies die alleen naar steekwapens hebben gevraagd, komen vooral de veiligheidsmotieven naar voren. Individuele en persoonlijke kenmerken die samenhangen met bezit, dragen en gebruik van wapens: bekende verbanden maar ook relatief onbekende factoren Tabel 3 geeft een overzicht van een deel van de onderzochte individuele factoren: demografische basiskenmerken, ervaringen met slachtofferschap en geweld, en individuele gedragingen. Daarbij is steeds vermeld het aantal studies, het aantal studies waarin een verband is aangetroffen, het aantal studies waarin met verdergaande analyses is onderzocht of er aanwijzingen zijn voor een oorzakelijk verband en het aandeel studies waarin daarbij een verband is aangetroffen. Ook hier is aangegeven bij welk type wapen en betrokkenheid een verband is gevonden.
In Bijlage 6 is nog verder uitgesplitst hoe vaak een verband is gevonden in studies die hebben gecontroleerd voor andere factoren (multivariate analyses) en in studies die naar veranderingen over de tijd hebben gekeken (longitudinale analyses). Uit de tabel blijkt ten eerste dat in het merendeel van de onderzoeken is nagegaan wat de demografische basiskenmerken zijn van jongeren die betrokken zijn bij wapens. In de meeste van deze studies (maar niet alle) wordt gevonden dat jongens vaker wapens bezitten, dragen of gebruiken dan meisjes. De bevindingen met betrekking tot etniciteit zijn minder eenduidig: in iets meer dan de helft van de studies wordt een verband gevonden met afkomst of etnische groep, maar in iets minder dan de helft van de studies ook niet, ook in de studies die gebruik hebben gemaakt van relatief goede analysemethoden. Zo bleek in een onderzoek uit Frankrijk het (al zwakke) verband tussen nationaliteit van ouders en het dragen van een wapen niet meer significant als andere factoren werden meegenomen (Bégue e.a., 2016). Ook in het recente onderzoek in Rotterdam (Weerman e.a., 2022) werd geen duidelijk verband gevonden tussen betrokkenheid bij wapens en de eigen etnische identiteit (in hoeverre jongeren zich rekenden tot de groep Nederlanders of niet of deels).
Verder blijkt in meerdere studies dat het dragen van wapens het meest voorkomt in de leeftijdsgroep tussen 15 en 18 jaar en daarna weer lijkt te dalen. Dit past overigens goed bij de algemene relatie tussen leeftijd en delinquent gedrag, ook hier is een toename te zien tot het eind van de adolescentie en daarna weer een afname, de zogenaamde ‘age-crime curve’ (zie bijvoorbeeld Van der Laan e.a., 2021).
29 • Hoofdstuk 4
Tabel 3: Demografische kenmerken, onveiligheidservaringen, individueel gedrag en het verband met wapens onder jongeren Verbanden
Indicaties oorzakelijk Aantal Aangestudies troffen
Aantal studies
Aangetroffen
58 41 35
50/58 24/41 17/35
29 20 17
24/29 12/20 6/17
13 10 35 5 16 32
6/13 6/10 27/35 5/5 13/16 27/32
8 5 17 1 11 12
2/8 1/5 11/17 1/1 9/11 11/12
23 8 21 2 19 7 35 5
16/23 8/8 19/21 2/2 17/19 7/7 32/35 3/5
15 4 8 0 5 1 17 2
9/15 4/4 7/8 0/0 5/5 1/1 14/17 1/2
Soort wapen? W
V
Hoe betrokken? S
B
D
G
Demografische factoren Geslacht Etniciteit Leeftijd Onveilig/slachtofferschap Onveiligheidsgevoelens Bedreigd worden Slachtofferschap geweld Slachtoffer seks. geweld Getuige van geweld Gepest zijn Individueel gedrag Delinquent gedrag Betrokken bij drugshandel Gevochten Conflicten op straat Pestgedrag vertonen Pesten en gepest worden Alcohol / drugsgebruik Vroeg ‘daten’ Kleuren Aantal studies:
wit = 0 geel = 1 tot 5 oranje = 5 tot 10 rood = 10 of meer
Type wapen:
W = Wapen algemeen V = Vuurwapen S = Steekwapen
Kleuren Aangetroffen:
wit = niet/onder de 50 % geel = 50 tot 75 % oranje = bij 75 tot 90% rood = bij meer dan 90%
Type betrokken: B = Bezit D = Dragen G = Gebruik
= 1 tot 5 keer aangetroffen = meer dan 5 keer aangetroffen
Wat betreft onveiligheidsgevoelens en slachtofferschap komt een aantal interessante bevindingen naar voren. Voor algemene gevoelens van onveiligheid en bedreiging wordt niet in alle studies een verband gevonden, en ook de aanwijzingen voor een oorzakelijke rol zijn erg zwak. Dit sluit aan bij de studie onder Rotterdamse jongeren (Weerman e.a., 2022), waar ook
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 30
geen sterk verband werd gevonden voor deze factoren, hoewel een gevoel van onveiligheid daarin wel naar voren kwam als belangrijk motief voor het dragen van wapens en ook groepsgesprekken onder jongeren naar voren kwam. Het lijkt er echter op dat een gevoel van onveiligheid vaak niet doorslaggevend is voor het gaan aanschaffen of dragen van een wapen. Het onderzoek bevestigt wel duidelijk de belangrijke rol van slachtofferschap, en voegt hier nog een aantal belangrijke elementen aan toe. In veel studies is het verband van slachtofferschap van geweld in het algemeen onderzocht en in enkele studies ook van seksueel geweld (het ging daarbij vooral over de aanwezigheid van slachtofferschap, er is niet specifiek naar herhaald slachtofferschap gekeken). In het merendeel van die onderzoeken is een verband gevonden, met name met wapens in het algemeen en vuurwapens, en met het dragen en ook het gebruik. Ook zijn er behoorlijk sterke aanwijzingen voor een oorzakelijke rol als rekening wordt gehouden met andere factoren of gekeken wordt naar veranderingen in de tijd. Zo vond een grote Amerikaanse studie dat slachtofferschap van wapengeweld daadwerkelijk de kans verhoogt dat iemand een jaar later zelf een wapen (in het algemeen) had gebruikt, ook als wordt gecontroleerd voor eerder wapengebruik (Henrich e.a., 2005).
In een deel van de studies die jongeren hebben gevolgd over de tijd werd geen relatie gevonden met slachtofferschap van geweld, hierbij ging het deels om speciale subgroepen jongeren. Het overall beeld is echter dat slachtofferschap een belangrijke factor is dat kan bijdragen aan het gaan dragen van een wapen, meer dan een algemeen gevoel van onveiligheid. Verder komen uit de literatuurstudie twee belangrijke factoren naar voren die nog niet zo duidelijk waren benoemd in de recente literatuurstudie over steekwapens. Zo blijken er veel aanwijzingen te zijn dat het getuige zijn van geweld (in de zin van aanwezig zijn wanneer het bij anderen gebeurt) een belangrijke samenhang kent met alle vormen van betrokkenheid bij wapens in het algemeen, en specifiek ook bij vuurwapens. De aanwijzingen voor een oorzakelijke rol van deze factor zijn ook sterk. Zo vond een studie dat het getuige zijn van geweld de kansen op het dragen van een(vuur(wapen) verhoogde in de twee jaren daarna, ook als rekening werd gehouden met eigen slachtofferschap van geweld en andere factoren (Reid e.a., 2017).
Daarnaast zijn er veel studies verricht (met name in de Verenigde Staten) waarin een verband wordt gevonden tussen gepest zijn en het bezit en dragen van een wapen (het verband met gebruik is niet onderzocht), en ook hier zijn weer sterke aanwijzingen voor een oorzakelijke rol (zie bijvoorbeeld de reviews daarover van Van Geel e.a, 2014 en Valdebenito e.a., 2017). Ook dit is een factor waarvoor in Nederland nog weinig aandacht is geweest in verband met wapens. Veel factoren die te maken hebben met individueel wetsovertredend of afwijkend gedrag hangen samen met betrokkenheid bij wapens, met name het dragen ervan. Dat geldt in de eerste plaats voor delinquent gedrag, dat in de meeste studies samenhangt met het dragen van (alle soorten) wapens. Hier zijn ook aanwijzingen voor een oorzakelijke rol (bijvoorbeeld Spano & Bolland, 2011), maar in een deel van de onderzoeken wordt dit ook niet of deels gevonden (bijvoorbeeld wel voor het dragen maar niet voor het bezit van vuurwapens, Sheley & Brewer,
31 • Hoofdstuk 4
1995) Verder zijn er meerdere studies die een verband leggen tussen betrokkenheid bij drugshandel en het dragen van een wapen (alleen wapens in het algemeen en vuurwapens). Hier vonden de paar studies die het onderzochten wel aanwijzingen voor een oorzakelijke rol (bijvoorbeeld Lizotte e.a., 2000). Daarnaast wordt voor vechten (of geweld / mishandeling zonder wapens) in veel studies een verband gevonden met het dragen van wapens en ook worden hiervoor relatief veel aanwijzingen gevonden voor een oorzakelijke rol (bijvoorbeeld Steinman & Zimmermann, 2003). Twee studies onderzochten en vonden ook een verband tussen conflicten op straat en wapens. Verder zijn er opmerkelijk veel studies die een verband vinden tussen het uitvoeren van pestgedrag (al dan niet samen met slachtofferschap van pesten) en het dragen van een wapen, en een paar studies vonden ook aanwijzingen voor een oorzakelijke rol (zie bijvoorbeeld Hemphill e.a., 2011, en de overzichten van Valdebenito e.a., 2017 en Van Geel, 2014). Er zijn opvallend veel studies die een verband rapporteren tussen alcohol / drugsgebruik en zowel dragen als bezit en gebruik van een wapen. Studies die hebben gecontroleerd voor andere factoren of hebben gekeken over de tijd bevestigen dit verband (bijvoorbeeld Stayton e.a., 2011). Dit geldt voor zowel overmatig alcoholgebruik, drugsgebruik als vroegtijdig alcoholgebruik.
Ook is bij een hoog-risicogroep jongeren gevonden dat op dagen dat er middelen werden gebruikt, de kans op het gebruik van (vuur)wapens ook aanmerkelijk groter was (Carter e.a., 2017). Verder leggen enkele Amerikaanse studies een verband tussen vroeg ‘daten’ (in de V.S. de term voor het hebben van romantische afspraken en het beginnen van een relatie) en het dragen van een wapen. In Tabel 4 zijn verbanden weergegeven voor de rest van de onderzochte persoonlijke factoren: houdingen en attitudes, persoonlijkheidskenmerken, en (psychosociale) problemen. Houdingen en attitudes zijn relatief weinig onderzocht in relatie tot wapens. Zowel een positieve houding ten opzichte van wapens, ten opzichte van criminaliteit en ten opzichte van geweld in het algemeen hangen in de meeste van die studies samen met wapens, niet alleen dragen maar ook bezit en gebruik, en ook steekwapens (zie bijvoorbeeld Webster e.a., 1993). Een negatieve houding ten opzichte van wapens hangt weer samen met minder dragen van wapens. Twee studies vonden een verband met het hebben van ‘straatwaarden’ zoals lef tonen, voor jezelf zorgen en hard reageren op beledigingen, en er is ook een studie die een verband legt tussen het dragen van een wapen en interesses in het leger. Verschillende persoonlijkheidskenmerken hangen ook samen met wapens.
Dat geldt niet zozeer voor impulsiviteit maar wel duidelijk voor risicogeneigdheid en het hebben van een agressief temperament. Wanneer deze kenmerken zijn onderzocht, hangen ze steeds samen met wapens onder jongeren (ook met gebruik), en hierbij zijn er ook duidelijke aanwijzingen voor een oorzakelijk verband (zie bijvoorbeeld Simon e.a., 1998). Opmerkelijk is dat twee belangrijke factoren met betrekking tot jeugdcriminaliteit, zelfcontrole en IQ niet zijn onderzocht in verband
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 32
met wapens. Wel is in twee studies een verband vastgesteld tussen LVB (het hebben van een Licht Verstandelijke Beperking) en het bezit of dragen van een wapen. Tot slot blijkt gevoeligheid voor groepsdruk maar in de helft van de onderzochte gevallen een verband te hebben met bezit of dragen van een wapen, en is ook nog niet onderzocht welke aanwijzingen er zijn voor een oorzakelijk verband. Tabel 4: Andere persoonlijke kenmerken en het verband met wapens onder jongeren Verbanden
Indicaties oorzakelijk Aantal Aangestudies troffen
Aantal studies
Aangetroffen
7 2 7 5 2 1 2
5/7 2/3 5/7 5/5 1/2 1/1 2/2
4 2 3 1 2 0 0
3/4 1/2 1/3 1/1 1/2 0/0 0/0
0 5 6 9 0 2 6
2/5 6/6 9/9 2/2 3/6
1 3 4 0 0
0/0 3/3 4/4 0/0 0/0
23 5 2
16/23 5/5 1/2
13 4 2
7/13 4/4 1/2
Soort wapen? W
V
Houdingen en opvattingen Attitude wapens Attitude geen wapens Attitude geweld Attitudes criminaliteit Kennis over wapens Interesse leger Straatidentiteit / waarden Persoonlijkheid Zelfcontrole algemeen Impulsiviteit Risicogeneigdheid Agressiviteit IQ LVB Gevoeligheid groepsdruk Persoonlijke problemen Mentale gezondheid Gedragsproblemen Trauma / ACE’s Kleuren Aantal studies:
wit = 0 geel = 1 tot 5 oranje = 5 tot 10 rood = 10 of meer
Type wapen:
Kleuren Aangetroffen:
wit = niet/onder de 50 % geel = 50 tot 75 % oranje = bij 75 tot 90% rood = bij meer dan 90%
Type betrokken: B = Bezit D = Dragen G = Gebruik
= 1 tot 5 keer aangetroffen = meer dan 5 keer aangetroffen
W = Wapen algemeen V = Vuurwapen S = Steekwapen
Hoe betrokken? S
B
D
G
33 • Hoofdstuk 4
Tot slot zijn er ook studies die wijzen op het belang van persoonlijke problemen. Zo zijn er veel studies verricht waarbij het verband is bekeken tussen de mentale gezondheid van jongeren en betrokkenheid bij wapens, met name het dragen van vuurwapens. Dit verband wordt niet altijd gevonden, in ongeveer twee derde van de studies wordt het gerapporteerd. In meerdere onderzoeken, ook longitudinaal, zijn er ook aanwijzingen dat het hier gaat om een oorzakelijk verband (bijvoorbeeld Reid e.a., 2007), maar er zijn ook een aantal studies waarin het effect verdwijnt wanneer voor andere factoren wordt gecontroleerd. Deze variatie heeft deels te maken met de verschillende aspecten van mentale gezondheidsproblemen (van licht tot ernstig, inclusief suïcidaliteit) die zijn onderzocht. Verder blijkt dat gedragsproblemen (anders dan delinquentie) in alle onderzochte gevallen samenhangen met wapens en zijn er ook aanwijzingen dat het gaat om een oorzakelijk verband (bijvoorbeeld Loeber e.a., 2004). Het hebben van een trauma in relatie tot wapens is nog slechts twee keer onderzocht, waarvan in een geval een verband werd gevonden (gecontroleerd voor andere factoren). Hoe belangrijk deze factor is, valt daarom moeilijk te zeggen. Al met al worden veel van de individuele kenmerken die eerder zijn gerapporteerd in het rapport van de QuickScan bevestigd.
Dat gaat met name om het mannelijk geslacht, slachtoffer of getuige zijn geweest van geweld of pestgedrag en alcohol en drugsgebruik. Voor een aantal elementen is minder sterke evidentie gevonden waarvan de belangrijkste etniciteit, hogere leeftijd, onveiligheidsgevoelens en impulsiviteit zijn. Daarnaast is voor een aantal relatief nieuwe factoren duidelijk geworden dat ze van groot belang lijken voor wapens onder jongeren. Daarbij gaat het om zelf gevochten hebben en pestgedrag vertonen of vertoond hebben. Omgevingskenmerken die samenhangen met bezit, dragen en gebruik van wapens: het belang van gezin, school, leeftijdsgenoten, sociale media en de buurt Tabel 5 geeft een overzicht van een deel van de onderzochte omgevingskenmerken: kenmerken die te maken hebben met het gezin en school. In veel studies zijn gezinsfactoren onderzocht in relatie tot wapens onder jongeren. Voor een deel daarvan wordt een verband gevonden met het bezit, dragen of gebruik van de verschillende soorten wapens, maar voor sommige factoren niet. Zo blijkt de sociaaleconomische status (SES) van het gezin in de meerderheid van de studies niet gerelateerd aan betrokkenheid bij wapens onder jongeren. Dat geldt ook voor de samenstelling van het gezin (aantal kinderen) en voor het (niet) opgroeien in een huishouden met twee ouders.
Voor de relatie tussen ouder en kind wordt in de meerderheid van de studies wel een verband gevonden met betrokkenheid bij wapens onder jongeren, en ook is er behoorlijk wat ondersteuning gevonden voor een oorzakelijke rol van deze gezinsfactor. Een goede band met ouders kan de kans op later gebruik van wapens verkleinen (Henrich e.a., 2005), maar er zijn nog geen aanwijzingen dat het ook beschermt tegen andere risicofactoren. Er wordt verder in een kleine meerderheid van de studies een verband gevonden tussen ouderlijke supervisie (toezicht
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 34
en monitoring door ouders) en betrokkenheid bij wapens, ook in de meer geavanceerde onderzoeken. Tabel 5: Gezinskenmerken, schoolomgeving en het verband met wapens onder jongeren Verbanden
Indicaties oorzakelijk
Aantal studies
Aangetroffen
Aantal Studies
Aangetroffen
23 9 6 14 13 13 5 2 5 8 6 3
8/23 5/9 3/6 10/14 6/13 9/13 5/5 2/2 4/5 4/8 3/6 0/3
13 4 5 9 5 8 4 0 4 4 4 3
3/13 1/4 2/5 7/9 2/5 5/8 4/4 0/0 3/4 2/4 1/4 0/3
6 10 5 8 5 9 3 2 5
4/5 5/10 3/5 5/8 5/5 9/9 2/3 0/2 4/5
1 5 2 3 2 2 1 0 1
0/1 1/5 0/2 1/3 2/2 2/2 0/1 0/0 1/1
Soort wapen? W
V
Gezinsfactoren SES gezin Laag inkomen / armoede Gezinssamenstelling Relatie ouders en kind Huishouden twee ouders Ouderlijke supervisie Criminele ouders/familie Steun ouders wapen (Vuur)wapens in huis Thuis geweld / conflicten Opvoedingstekorten Gezin overig Schoolfactoren Opleidingsniveau Schoolprestaties Inzet voor school Band met school Probleemgedrag school Spijbelen Vroegtijdig schoolverlaten Hebben van werk Overig school Kleuren Aantal studies:
wit = 0 geel = 1 tot 5 oranje = 5 tot 10 rood = 10 of meer
Type wapen:
Kleuren Aangetroffen:
wit = niet/onder de 50 % geel = 50 tot 75 % oranje = bij 75 tot 90% rood = bij meer dan 90%
Type betrokken: B = Bezit D = Dragen G = Gebruik
= 1 tot 5 keer aangetroffen = meer dan 5 keer aangetroffen
W = Wapen algemeen V = Vuurwapen S = Steekwapen
Hoe betrokken? S
B
D
G
35 • Hoofdstuk 4
Laag inkomen / armoede in het gezin, conflicten thuis en andere opvoedingstekorten zijn in ongeveer de helft van de studies wel en in de ander helft niet gerelateerd aan wapens onder jongeren. Bij de meer geavanceerde studies waarmee iets over oorzakelijkheid kan worden gezegd wordt ook slechts in een deel van de studies aanwijzingen gevonden voor zo’n oorzakelijk verband. Mogelijk gaat het hier om meer indirecte factoren, die op zichzelf niet voldoende zijn voor een effect maar die wel andere processen in gang kunnen zetten of versterken. Het hangt er dan vanaf welke andere factoren in de analyses zijn meegenomen of er al dan ook nog een verband voor deze gezinsfactoren gevonden wordt. Van belang is ook om te vermelden dat er nog geen geavanceerde studies zijn geweest die armoede hebben onderzocht aan de hand van concrete indicatoren voor armoede, zoals het niet kunnen verzorgen van basale levensbehoeften. Verder valt op dat er weliswaar niet veel studies zijn verricht naar criminele ouders of gezinsleden en steun van ouders voor vechten of wapens, maar dat deze wel alle een verband constateren met bezit, dragen of gebruik van wapens on de jongeren. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van een (vuur)wapen in het huishouden. Hierbij worden in enkele studies ook aanwijzingen gevonden voor een oorzakelijk verband (bijvoorbeeld Stevens e.a., 2001).
Er zijn ook meer geavanceerde studies die suggereren dat criminaliteit binnen het gezin en wapens in huis factoren zijn die zelfstandig bijdragen aan dragen als gebruik van wapens. Er zijn ook verschillende schoolgerelateerde factoren onderzocht. Opleidingsniveau is in de meeste studies gerelateerd aan betrokkenheid bij wapens, maar of dit als oorzakelijke factor kan worden gezien is niet goed onderzocht. Het ligt meer voor de hand dat het een kenmerk is dat samenhangt met een scala aan andere factoren die als oorzaak zijn te beschouwen. Opmerkelijk is verder dat voor een verband en oorzakelijke rol van schoolprestaties en de inzet voor school geen sterke ondersteuning wordt gevonden. Dat geldt ook voor het hebben van werk. Iets vaker wordt een verband gevonden voor de band tussen leerling en school, in een van de studies ook met een lagere kans op later wapengebruik. De meeste aanwijzingen voor verbanden met betrekking tot school zijn geconstateerd voor probleemgedrag op school, spijbelen en voortijdig schoolverlaten. Daarbij zijn er ook enkele studies die een onafhankelijk of volgtijdelijk verband hebben vastgesteld (bijvoorbeeld Simon e.a., 1998).
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 36
Tabel 6: Leeftijdsgenoten, buurt, maatschappij en het verband met wapens onder jongeren Verbanden
Indicaties oorzakelijk Aantal Aangestudies troffen
Aantal studies
Aangetroffen
21 19 4 3 5 3
21/21 18/19 3/4 3/3 2/5 1/3
13 8 4 0 1 2
13/13 7/8 3/4 0/0 1/1 0/2
5 2 4 1 3
2/5 2/2 3/4 1/1 2/3
2 0 2 1 0
2/2 0/0 2/2 1/1 0/0
Soort wapen? W
V
Hoe betrokken? S
B
D
G
Factoren leeftijdsgenoten Delinquente vrienden In gang / probl jeugdgroep Peer victimisatie Hoeveelheid vrienden Tijd met peers Overig peers Online / sociale media Tijd beeldscherm Conflicten op sociale media Online observatie wapens Online observatie geweld Drillrap Kleuren Aantal studies:
wit = 0 geel = 1 tot 5 oranje = 5 tot 10 rood = 10 of meer
Type wapen:
Kleuren Aangetroffen:
wit = niet/onder de 50 % geel = 50 tot 75 % oranje = bij 75 tot 90% rood = bij meer dan 90%
Type betrokken: B = Bezit D = Dragen G = Gebruik
W = Wapen algemeen V = Vuurwapen S = Steekwapen
= 1 tot 5 keer aangetroffen = meer dan 5 keer aangetroffen
In Tabel 6 zijn de resultaten weergegeven met betrekking tot leeftijdsgenoten en sociale media. Bij factoren binnen de categorie leeftijdsgenoten valt vooral op dat er veel ondersteuning is voor een verband en een oorzakelijke rol van zowel het hebben van delinquente vrienden als voor het onderdeel uitmaken van een street gang of problematische jeugdgroep. Beide factoren zijn veelvuldig onderzocht, en daarbij is bijna altijd een verband gevonden met zowel bezit, dragen als gebruik van alle soorten wapens. Belangrijk daarbij is dat er ook veel aanwijzingen zijn dat dit geen schijnverband is en dat veranderingen in deze factoren ook gerelateerd zijn aan individuele veranderingen met betrekking tot wapens. Zo vonden Dijkstra e.a. (2010) dat scholieren vaker een wapen gingen dragen als hun vrienden dat ook deden, en vonden Spano & Bolland (2011) dat lid worden van een gang de kans op het gaan dragen van een vuurwapen vergrootte, vooral in combinatie met eerdere betrokkenheid en blootstelling aan geweld.
37 • Hoofdstuk 4
Hiernaast zijn ook verbanden gevonden met slachtofferschap bij vrienden van geweld, met het aantal vrienden, en soms met de hoeveelheid tijd die wordt doorgebracht met vrienden. De rol van online interacties en sociale media is wereldwijd nog weinig onderzocht in relatie tot wapens onder jongeren. Voor de hoeveelheid tijd op een beeldscherm of op sociale media wordt in de meerderheid van de studies geen verband gevonden met wapens, maar in twee longitudinale studies wel (bijvoorbeeld Ybarra e.a., 2014). Voor conflicten op sociale media, het veel zien van wapens of geweld op sociale media, en voor drillrap worden wel verbanden gevonden met vooral het dragen van wapens, maar onduidelijk is vooralsnog in hoeverre hier sprake is van een oorzakelijk verband. Kwalitatief onderzoek naar drillrap interpreteert het tonen van wapens op sociale media vooral als symbolisch (zie bijvoorbeeld Douwes, 2023), maar in enkele onderzoeken zijn er ook aanwijzingen dat online uitingen van geweld de kans op betrokkenheid bij wapens kan vergroten (o.a. Huesmann e.a., 2021). Tabel 7: Buurt, maatschappijbeleving en het verband met wapens onder jongeren Verbanden
Indicaties oorzakelijk AangeAantal troffen
Aantal
Aangetroffen
7 8 7 13 1 1 1
5/7 5/8 3/7 7/13 1/1 1/1 0/1
2 5 3 7 0 1 1
0/2 3/5 3/3 3/7 0/0 1/1 0/1
1 0
0/1 -
0 -
0/0 -
Soort wapen? W
V
Factoren buurt SES buurt Stedelijkheid omgeving Sociale cohesie buurt Criminele buurt / geweld Straatcultuur in de buurt Gangs/groepen in de buurt Buurt anders Maatschappijbeleving Ervaren achterstelling Vertrouwen in instanties Kleuren Aantal studies:
wit = 0 geel = 1 tot 5 oranje = 5 tot 10 rood = 10 of meer
Type wapen:
Kleuren Aangetroffen:
wit = niet/onder de 50 % geel = 50 tot 75 % oranje = bij 75 tot 90% rood = bij meer dan 90%
Type betrokken: B = Bezit D = Dragen G = Gebruik
= 1 tot 5 keer aangetroffen = meer dan 5 keer aangetroffen
W = Wapen algemeen V = Vuurwapen S = Steekwapen
Hoe betrokken? S
B
D
G
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 38
Tabel 7 bevat de resultaten met betrekking tot de bredere leefomgeving van de buurt en de maatschappij in de beleving van jongeren. In een aantal studies worden verbanden gevonden met buurtkenmerken. Er is meestal een verband met de sociaaleconomische status van de buurt, maar onduidelijk is in hoeverre dit ook een onafhankelijk effect heeft op betrokkenheid bij wapens. Er is vaak ook een verband gevonden met de stedelijkheid van de omgeving en hierbij zijn er meer aanwijzingen voor een oorzakelijk verband. Een klein aantal studies vindt een verband tussen de sociale cohesie (onderlinge banden en controle) binnen de buurt en wapens onder jongeren, maar die studies suggereren wel dat het gaat om een onafhankelijk effect (bijvoorbeeld Molnar e.a., 2004). Verder zijn er verschillende studies gedaan naar het verband tussen wapens en het wonen in een criminele of gewelddadige buurt: daarvan wordt in ongeveer de helft van de studies een verband gevonden, ook wat betreft de aanwijzingen dat dit een oorzakelijke rol kan spelen (bijvoorbeeld Beardslee e.a., 2018). Naar bredere maatschappelijke factoren die zich zouden kunnen uiten in ervaringen van achterstelling (waaronder discriminatie of stigmatisering), of een gebrek aan vertrouwen in overheidsinstanties, is nog nauwelijks onderzoek gedaan.
De enige studie die we vonden is een onderzoek onder jongeren uit Turkije, waarin geen verband werd gevonden met ‘feelings of neglect’ (Güney, 2018). Vergelijking van verbanden met wapens algemeen, vuurwapens en steekwapens, en met bezit, dragen en gebruiken van wapens In Tabel 3 t/m 7 is al weergeven welke verbanden zijn gevonden bij de verschillende soorten wapens en typen betrokkenheid. Over het geheel genomen blijken de meeste verbanden te worden gevonden bij meerdere soorten wapens en betrokkenheid. Als we kijken naar verschillen tussen soorten wapens, dan blijken de meeste verbanden te worden gerapporteerd in onderzoek dat geen onderscheid heeft gemaakt naar soort wapen. Voor een aantal factoren wordt wel een verband gevonden in onderzoek naar alleen vuurwapens, maar niet in onderzoek naar alleen steekwapens. Dat zijn deels ernstige zaken, zoals slachtofferschap van seksueel geweld, getuige zijn van geweld, betrokkenheid bij drugshandel en wapenhandel, en het hebben van een criminele familie. Verder valt op dat de toegang tot wapens alleen een factor is die onderzocht is voor vuurwapens, wat wellicht begrijpelijk is omdat dat daar eerder een beperking zal zijn dan voor steekwapens.
Factoren die in het bijzonder naar voren komen in onderzoek dat zich specifiek richt op steekwapens zijn: houdingen die te maken hebben met wapens, interesse in drillrap, LVB, laag opleidingsniveau en vroegtijdig schoolverlaten. Voor een deel van deze onderwerpen is de relatie met vuurwapens niet of nauwelijks onderzocht. In twee studies is expliciet een vergelijking gemaakt tussen factoren die verband houden met het vuurwapens en factoren gerelateerd aan steekwapens, een studie die gaat over het
39 • Hoofdstuk 4
dragen van steek- en vuurwapens (Webster e.a., 2011) en een over het gebruik bij jonge daders van geweld tegen hun ouders (Walsh & Krienert, 2007). In de eerste studie met vragenlijsten onder scholieren viel vooral op dat het ooit gearresteerd zijn wel samenhing met het dragen van een vuurwapen maar niet met het dragen van een mes. Uit de tweede studie kwam alleen naar voren dat vuurwapens wel vaker door jongens worden gebruikt dan door meisjes, maar dat er bij steekwapens geen significant verschil is onder de groep van daders. Al met al wordt duidelijk dat de factoren die verband houden met de verschillende soorten wapens voor een belangrijk deel overeenkomen, maar dat de factoren die specifiek voor vuurwapens gelden deels ernstiger zijn van aard. Wat betreft de verschillen in uitkomsten tussen typen betrokkenheid, valt op dat de meeste verbanden zijn vastgesteld in onderzoek naar het dragen van wapens. Dat komt omdat studies die specifiek zijn gericht op bezit en gebruik relatief zeldzaam zijn (zie Tabel 1).
Binnen de studies die specifiek naar gebruik hebben gekeken, valt op dat er met name factoren zijn gevonden die te maken hebben met direct of indirect slachtofferschap, online blootstelling aan geweld en interesse in drillrap, verschillende zaken die te maken hebben met persoonlijke eigenschappen en mentale gezondheidsproblemen (dat geldt vooral voor bezit van vuurwapens), verschillende omgevingsfactoren op het gebied van gezin en school, delinquente vrienden en groepslidmaatschap, en een lage SES van de buurt. Bij het dragen van wapens worden ook verbanden gevonden met direct slachtofferschap en attitudes over wapens, impulsiviteit en straatidentiteit en met name meer gezins- en buurtfactoren, waaronder het hebben van criminele ouders en een criminele buurtomgeving. Er zijn drie studies verricht waarin direct een vergelijking is gemaakt tussen bezit, dragen en/of gebruik van wapens. In een van de studies was zowel bezit als dragen van een vuurwapen gerelateerd aan ander probleemgedrag (Sheley & Brewer, 1995). In deze studie bleek delinquent gedrag en middelengebruik wel samen te hangen met het dragen van een vuurwapen maar niet met alleen het (thuis) in bezit hebben daarvan.
In een recentere studie (Huesmann e.a., 2021) is in een langlopende ‘multi-method’ studie bekeken in hoeverre vroege blootstelling aan wapens en geweld verband hield met dragen en gebruik van wapens tien jaar later. Hierbij viel vooral op dat blootstelling aan wapengeweld in het gezin en in de buurt samenhangt met later gebruik maar niet met het dragen van wapens. Tot slot zijn in de reeds genoemde studie onder jongeren in Rotterdam verschillen bekeken tussen de kenmerken van bezitters, dragers en gebruikers van wapens (Weerman e.a., 2022). Hieruit kwam met name naar voren dat jongeren die wapens gebruiken zich kenmerken door meer ernstiger factoren, of door sterkere verbanden met die factoren, waaronder een hogere impulsiviteit, opvattingen die het gebruik van wapens en geweld goedkeuren, online observatie van geweld, en conflicten in de thuissituatie. Al met al wordt in de literatuur dus bevestigt dat het gebruik van wapens eerder gerelateerd is aan meer ernstige factoren dan het dragen en nog meer het bezit van wapens. Dit sluit aan bij de conclusies van de eerdere QuickScan over steekwapens.
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 40
Specifieke factoren bij relatief jonge personen In Bijlage 7 is weergegeven hoe vaak de verschillende factoren zijn onderzocht in steekproeven met alleen kinderen of adolescenten tussen de 9 en 15 jaar oud, en welke verbanden daarvoor gevonden zijn. Voor deze jonge groep valt op dat het bij kinderen ook vaak om jongens gaat maar dat er meestal geen verband is met leeftijd, etniciteit, SES van het gezin, of gezinssamenstelling. In de studies die het hebben onderzocht wordt steeds een verband gevonden met slachtofferschap of getuige zijn van geweld, en vooral is vaak gevonden dat kinderen tot 15 jaar die betrokken zijn bij wapens relatief vaak zijn gepest. Er wordt vaak geen verband gevonden met delinquent gedrag, maar wel met andere gedragsproblemen, alcoholgebruik en vooral het zelf zijn van een pester. Andere schoolfactoren laten geen verband zien, maar ouderfactoren wel, met name de relatiekwaliteit. Verder valt op dat vaak een verband wordt gevonden met een delinquente of criminele omgeving, zowel wat betreft vrienden/jeugdgroep, als ouders en de buurt. Kortom, het gaat bij kinderen tot 15 jaar niet zozeer om heel algemene kenmerken, maar vooral zaken die zijn gerelateerd aan geweldservaringen, de relatie met ouders en het zich bevinden in een criminogene omgeving.
Onderzoek naar wapens onder jongeren in Nederland Van de hierboven behandelde studies zijn er aan beperkt aantal in Nederland verricht, waaronder zeven in het kader van een universitaire scriptie. De gegevens hierover zijn weergegeven in Bijlage 7. In de Nederlandse studies is meestal wel een verband gevonden met basisgegevens zoals geslacht, etniciteit, leeftijd, opleidingsniveau en SES van gezin en buurt. Verder rapporteren enkele studies ook weer verbanden met direct en indirect slachtofferschap, delinquent gedrag (waaronder drugshandel) en middelengebruik. Drie studies in Nederland rapporteren ook een verband met mentale gezondheidsfactoren. Ook komen verbanden naar voren met schoolfactoren (o.a. band met school en spijbelen) en risicofactoren in het gezin, zoals armoede, geweld en opvoedingstekorten. In een van de studies (de eerder beschreven studie onder jongeren in Rotterdam) is ook een relatie gevonden met houdingen die positief staan tegenover wapens en geweld en meerdere studies vinden een verband met online gedragingen. Daaronder ook twee studies die een verband vinden met drillrap, al wordt dit verband wel genuanceerd. Aansluitend bij de eerder beschreven studie van Roks en Van den Broek (2020) over drillrap en geweld, wordt drillrap eerder gezien als een uitingsvorm van jongeren met een straatidentiteit en niet als een directe oorzaak.
De studies in Nederland zijn in verschillende steden en regio’s verricht. Het meest uitgebreide onderzoek was dat onder Rotterdamse jongeren (Weerman e.a., 2022). Dit onderzoek werd al uitgebreider besproken in hoofdstuk 2. Belangrijke conclusies hieruit waren dat wapens niet normaal zijn onder jongeren in Rotterdam; dat jongeren die wapens bezitten, dragen en gebruiken van elkaar verschillen, met de meeste problematische kenmerken voor de
41 • Hoofdstuk 4
laatste categorie, en dat gevoelens van onveiligheid en slachtofferschap sterk verband hield met vooral dragen en gebruiken van wapens. In een scriptieonderzoek in Nijmegen onder 168 jongeren die zijn bereikt via het jongerenwerk werd een deel van dezelfde factoren als de studie in Rotterdam onderzocht, aangevuld met informatie over ervaren achterstelling en de gelegenheid om aan wapens te komen (Braakhekke, 2023). In Nijmegen waren wapens nog minder ‘normaal’ dan in Rotterdam, zelfs onder de relatief kwetsbare jongeren die meededen aan deze studie. In deze studie werden grotendeels dezelfde verbanden gevonden als in Rotterdam, dus wat dat betreft lijken er geen grote verschillen te zijn. Een aantal van de bekende verbanden verdwenen echter in een verdergaande analyse waarbij werd gecontroleerd voor andere factoren. Uiteindelijk bleken de volgende factoren onafhankelijke gerelateerd aan betrokkenheid bij wapens in Nijmegen: de houding ten opzichte van wapens, het hebben van delinquente vrienden, de relatie met ouders, en het hebben van kennis over wapens. School-gerelateerde factoren en ervaren achterstelling bleken daar niet iets extra’s aan toe te voegen. Een al wat ouder onderzoek in Groningen onder ruim 150 scholieren en 450 jongeren die in het uitgaansleven waren bevraagd (Nijboer & Timmerman, 1992) was vooral beschrijvend van aard.
Een interessante bevinding uit dit onderzoek was dat een relatief groot deel van de scholieren een steekwapen bezat (29%), maar mogelijk gaat het hier ook vaak om een zakmes. Bij de uitgaanders gaf rond de 6% aan een wapen mee te nemen bij het uitgaan om zichzelf te kunnen verdedigen, een percentage dat niet sterk afwijkt van wat onder jongeren in Rotterdam werd gevonden met betrekking tot het dragen van wapens. Verder kwam uit dit onderzoek ook weer een duidelijk verband naar voren tussen eerdere slachtofferervaringen en het bezit van wapens, ook als werd gecontroleerd voor een aantal andere factoren. Daarbij kon het ook gaan om eigen ervaringen met bedreiging of geweld, of om ervaringen van anderen in de directe omgeving. Dit past goed bij wat is gevonden in andere onderzoeken in Nederland en elders. In een publicatie uit 2002 (Beke & Schreuder, 2002) wordt gesproken over een onderzoek onder 1500 leerlingen, zonder te specificeren uit welke plaats. Bij deze steekproef was het percentage jongeren dat wel een wapen meeneemt hoog in vergelijking met wat in de andere onderzoeken werd gevonden (20%), maar ook hier ging het vooral om zich te kunnen verdedigen. Wat verder interessant is, is dat ongeveer een derde van de jongeren met wapens in bezit, dat ook wel eens zou hebben gebuikt om te dreigen of te verwonden.
Ook dit lijkt relatief hoog in vergelijking tot wat wordt gerapporteerd in huidig onderzoek. Verbanden worden in deze publicatie niet gerapporteerd. In een recent scriptieonderzoek over Nederland in het algemeen (Smallegange, 2022) werd gekeken naar de kenmerken van jongeren die voor een delict met steekwapens voor de rechter kwamen in de periode tussen 2013 en 2022. Dit onderzoek bevestigt de stijging in steekincidenten vanaf ongeveer 2019, maar er blijkt uit de onderzochte zaken geen relatie met drillrap. De achtergronden van de bestudeerde zaken liggen meer in mentale
Resultaten met betrekking tot motieven en factoren • 42
gezondheidsproblemen, de omgang met delinquente leeftijdsgenoten. Messen werden ook gebruikt om een beroving mogelijk te maken bij reeds delinquente jongeren. In een ander scriptieonderzoek (Van Noordenburg, 2022) werden 15 incidenten met steekwapens uit NoordHolland geanalyseerd, met 18 jonge verdachten. Hier werd gevonden dat relatief vaak sprake was van overmatig middelengebruik en mentale gezondheidsproblemen, probleemgedrag op school en opvoedingstekorten. In Gouda is een scriptieonderzoek verricht met behulp van interviews onder professionals en enkele jongeren (Boskamp, 2023). Hierbij viel ten eerste op dat de geïnterviewden in Gouda op dit moment weinig problemen zagen met steekincidenten en wapens onder jongeren, al zien ze wel mogelijke risico’s. Een interessante bevinding was verder dat veel geïnterviewden wezen op de relatief hoge sociale controle door stad- en buurtgenoten als verklaring voor de afwezigheid van problemen. Doordat veel jongeren en Goudenaren elkaar kennen, kunnen problemen worden voorkomen. Een andere interessante waarneming was dat onder jongeren in Gouda de opvatting bestaat dat het gebruik van wapens bij een gevecht juist zwak of laf is, een echte vent vecht met zijn vuisten.
In een publicatie van een kennisplatform (Van Loon-Dikkers, 2021) en twee scriptieonderzoeken (Dam, 2021; Meulen, 2023) werd gebruik gemaakt van interviews met professionals en experts, waarvan in een van de onderzoeken specifiek uit de stad Schiedam (Meulen, 2023). De experts benoemen veel van de factoren die ook in het buitenland worden gevonden in onderzoek (en baseren zich ook deels op het schaarse Nederlandse onderzoek). Daarnaast bespreken ze ook relatief vaak factoren die te maken hebben met leeftijdsgenoten en sociale media. Zij zien bijvoorbeeld een verband tussen jeugdgroepen en straatcultuur in de buurt, en met drillrap, maar verschillen wel van mening over het oorzakelijke belang daarvan. Minder vaak wordt door professionals slachtofferschap benoemd (maar wel van pesten), terwijl LVB (Licht Verstandelijke Beperking) juist wel als relevant kenmerk wordt aangewezen. Verder valt voor de geïnterviewden uit Schiedam op dat zij de situatie in Schiedam met betrekking tot wapens onder jongeren als minder extreem inschatten dan in Rotterdam. Schiedamse jongeren zouden minder gehard zijn, minder doorgroeien naar ernstige criminaliteit en minder snel naar vuurwapens grijpen.
Tot slot zijn in een scriptieonderzoek de onlineactiviteiten op Instagram bestudeerd (gedurende enkele dagen) van 150 drillrap ‘fans’, aangevuld met 15 Instagram profielen en 10 YouTube video’s die zijn gewijd aan drillrap (Douwes, 2023). In dit onderzoek is vooral aandacht besteed aan de rol van online blootstelling aan steekwapens bij het zelf dragen of gebruiken daarvan. De auteur concludeert na bestudering van het onlinemateriaal dat het hier vooral gaat om de ‘performance van straatidentiteit’ en niet zozeer om daadwerkelijke betrokkenheid bij wapengeweld. Tegelijkertijd kan de competitie en rivaliteit die verbonden is aan drillrap wel een rol spelen in de escalatie van conflicten naar wapengeweld onder jongeren. Daarmee sluit dit
43 • Hoofdstuk 4
onderzoek aan bij het in hoofdstuk 2 genoemde onderzoek naar het veronderstelde verband tussen drillrap en steekwapengeweld in Rotterdam. Kortom, het Nederlandse onderzoek (inclusief de scripties) bevestigt veel van de relaties die ook in internationale studies worden gerapporteerd, met een eigen nadruk op houdingen ten opzichte van geweld, online activiteiten, en ook een mogelijk belangrijke rol van mentale problemen en slachtofferschap. Over de rol van drillrap bij wapens onder jongeren zijn de meeste studies genuanceerd: het is deels een expressie van een bepaalde identiteit en interesses maar het heeft wel een mogelijk versterkend effect op conflicten. Tegelijkertijd lijkt het maar een ondergeschikte rol te spelen bij daadwerkelijke zaken van wapengeweld. Wat betreft lokale verschillen lijken er weinig verschillen te bestaan in de achterliggende factoren die worden gesignaleerd. Wel lijkt de situatie in kleinere steden als minder ernstig te worden beoordeeld dan in grotere steden zoals Rotterdam. Mogelijke verklaringen daarvoor worden gezocht in de sociale controle binnen kleinere plaatsen, de minder sterk ontwikkelde aanwas bij de georganiseerde misdaad, en de aanwezigheid van informele normen onder jongeren die wapengebruik juist tegengaan.
Concluderend: vier groepen jongeren op basis van motieven, zes specifieke clusters van factoren voor betrokkenheid bij wapens onder jongeren Er zijn inmiddels al veel studies verschenen over wapenbezit, dragen en/of gebruik van wapens onder jongeren, vooral over de factoren die hieraan gerelateerd zijn. Over de achterliggende motieven is nog niet zo veel gepubliceerd, en er is ook nog maar een klein aantal studies dat een vergelijking maakt tussen subcategorieën wapens en type betrokkenheid. Ook het aantal studies dat is verricht in Nederland (en andere Europese landen) is nog gering. Wat dat betreft ligt er nog een flink terrein braak voor toekomstig onderzoek. Maar uit de studies die wij hebben bestudeerd zijn al verschillende interessante conclusies te trekken over de motieven en factoren die zijn gerelateerd aan betrokkenheid bij wapens onder jongeren. Uit de studies die hebben gekeken naar motieven lijken er globaal vier groepen te kunnen worden onderscheiden. De grootste groep omvat de jongeren bij wie betrokkenheid bij wapens te maken heeft met de eigen veiligheid en het zichzelf kunnen verdedigen.