RIS322974 Bijlage 1 - Verdiepend onderzoek - Met wetenschap beter bewapend
Tekst van het document
1 • Hoofdstuk 2
Met wetenschap beter bewapend Een verdiepend literatuuronderzoek naar de achtergronden en aanpak van wapens en wapengeweld onder jongeren
Frank Weerman Tamar Fischer Sjoukje van Deuren Jasmijn Groen Willemijn Stuijt
NSCR (Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving) in samenwerking met Erasmus Universiteit Rotterdam. In opdracht van de gemeente Amsterdam.
1 • Voorwoord
Voorwoord In dit rapport doen wij verslag van een literatuuronderzoek naar wapens onder jongeren. Het doel daarvan was om een systematisch en verdiepend overzicht te krijgen van wat vanuit de wetenschap bekend is over de motieven en oorzaken die zijn gerelateerd aan wapens onder jongeren, en over de effectiviteit van interventies gericht op wapens onder jongeren. Daarnaast wilden we inzicht krijgen in de toepasbaarheid in Nederland van buitenlandse interventies waarvoor er aanwijzingen bestaan dat ze effectief zijn. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Gemeente Amsterdam, onder coördinatie van het Actiecentrum Veiligheid en Zorg Amsterdam - Amstelland (AcVZ). De resultaten kunnen helpen bij de herijking van het Actieplan Wapens en Jongeren, dat wordt voorbereid door een breed netwerk van bestuurders en professionals van gemeenten en organisaties, en vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Graag bedanken we een aantal mensen die een bijdrage hebben geleverd aan dit onderzoek. Allereerst dank aan Malissa Blackman van het AcVZ voor de prettige begeleiding van dit onderzoek vanuit het AcVZ, en voor het constructief meedenken en meehelpen.
We bedanken de leden van de begeleidingscommissie voor al hun nuttige commentaren en suggesties: GeertJan Stams (voorzitter, Universiteit van Amsterdam) Kees de Rooij (Gemeente Amsterdam), Joep Hanrath (Hogeschool Utrecht), Ivoline van Erpecum (Ministerie van Veiligheid en Justitie), Marco Boudewijns (VNG), Rianne de Back (Openbaar Ministerie), Jeanine Florie (Politie), Norah van der Meer (AcVZ) en Nelleke Hilhorst (AcVZ). We hebben ook veel gehad aan het enthousiaste maar ook gedetailleerde commentaar van Geert-Jan Stams op de laatste versie van het rapport. Vanuit het AcVZ ontvingen we van verschillende medewerkers nuttige aanvullende suggesties en heeft San Yin Kan ons ook voorzien van uitgebreide suggesties bij de uiteindelijke tekst en vormgeving van het rapport. Liz van der Hoeven en Elsien van Pinxteren (Ministerie van Justitie en Veiligheid) hielpen ons bij de uitvoering van de consultatieronde. We bedanken alle professionals die hieraan hebben meegedaan; we hebben veel gehad aan hun inzichten uit de praktijk. Robby Roks van de Erasmus Universiteit bedanken we voor zijn goede suggesties tijdens verschillende fasen van het onderzoek en Tijn Ebus (student criminologie) voor zijn bijdrage in de analysefase. We hopen dat dit onderzoek bijdraagt aan de verdere ontwikkeling van een verstandige en wetenschappelijk gefundeerde aanpak van wapens en wapengeweld onder jongeren.
Frank Weerman (NSCR), Tamar Fischer (EUR), Sjoukje van Deuren (NSCR), Jasmijn Groen (NSCR) en Willemijn Stuijt (NSCR).
Inhoudsopgave • 2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Achtergrond en doel van dit onderzoek ................................................................. 4 Een toename in steekincidenten en wapens onder jongeren ............................................................... 4 Het Actieplan Wapens en Jongeren en de noodzaak van een herijking ................................................ 4 Dit onderzoek en de toegevoegde waarde daarvan ............................................................................. 5 Onderzoeksvragen .............................................................................................................................. 6 De focus van dit onderzoek ................................................................................................................. 6 Hoofdstuk 2: Basisliteratuur: wat weten we al? .......................................................................... 8 Recent verkregen inzichten over wapens en jongeren in Nederland .................................................... 8 Al veel bekend over factoren die zijn gerelateerd aan jeugdcriminaliteit in het algemeen ................. 11 Onderscheid tussen verbanden, directe en indirecte oorzaken .......................................................... 12 Al veel onderzoek naar interventies: effecten zijn niet altijd even duidelijk .......................................
13 Elementen van effectieve interventies voor daders ........................................................................... 14 Hoofdstuk 3: Opzet en methode van onderzoek........................................................................ 17 In- en exclusiecriteria ..........................................................................................................................17 Zoekstrategie en selectieprocedure bij onderzoeksvraag 1 over motieven en factoren ..................... 19 Zoekstrategie en selectieprocedure bij onderzoeksvraag 2 over interventies .................................... 19 Analyse van de gevonden studies bij onderzoeksvraag 1 en 2 ............................................................ 21 Hoofdstuk 4: Resultaten met betrekking tot motieven en factoren............................................. 23 Kenmerken van de studies................................................................................................................. 23 Analyse met behulp van cijfers en kleuren ......................................................................................... 25 Meerdere typen motieven: vooral ter verdediging, daarnaast ook voor criminaliteit, om te imponeren, uit interesse, en voor conflictbeslechting........................................................................
26 Individuele en persoonlijke kenmerken die samenhangen met bezit, dragen en gebruik van wapens: bekende verbanden maar ook relatief onbekende factoren............................................................... 28 Omgevingskenmerken die samenhangen met bezit, dragen en gebruik van wapens: het belang van gezin, school, leeftijdsgenoten, sociale media en de buurt ................................................................ 33 Vergelijking van verbanden met wapens algemeen, vuurwapens en steekwapens, en met bezit, dragen en gebruiken van wapens ...................................................................................................... 38 Specifieke factoren bij relatief jonge personen .................................................................................. 40 Onderzoek naar wapens onder jongeren in Nederland ...................................................................... 40 Concluderend: vier groepen jongeren op basis van motieven, zes specifieke clusters van factoren voor betrokkenheid bij wapens onder jongeren .........................................................................................
43 Hoofdstuk 5: Resultaten met betrekking tot interventies ..........................................................47 Kenmerken van de studies naar interventies ..................................................................................... 47 Bevindingen over de effectiviteit van primaire interventies ............................................................... 49 Bevindingen over de effectiviteit van secundaire interventies ........................................................... 56 Bevindingen over de effectiviteit van tertiaire interventies en brede programma’s ........................... 60
3 • Inhoudsopgave
Concluderend: programma’s met aanwijzingen voor effectiviteit bestaan vaak uit relatief intensieve educatieve lesprogramma’s, bieden zorg en ondersteuning voor slachtoffers, daders of risicojongeren en zijn gericht op oorzakelijke factoren ............................................................................................. 65 Hoofdstuk 6: Resultaten over de toepasbaarheid van interventies............................................. 69 De geconsulteerde professionals ....................................................................................................... 69 Toepasbaarheid in Nederland van een lesprogramma gericht op omgang met conflicten, weerbaarheid en life skills (primaire interventie) ............................................................................... 70 Toepasbaarheid in Nederland van een aanpak gericht op begeleiding van en steun aan slachtoffers van geweld en ernstige verwondingen (secundaire interventie) ........................................................ 72 Toepasbaarheid in Nederland van een interventieprogramma gericht op het ombuigen van omstandigheden van en conflicten tussen jongeren in gebieden met veel geweld (combinatie/totaalprogramma) .........................................................................................................
74 Concluderend: professionals zien mogelijkheden in buitenlandse interventies met aanwijzingen voor effectiviteit of elementen daaruit ...................................................................................................... 76 Hoofdstuk 7: Conclusies en beleidsaanbevelingen ..................................................................... 77 Antwoord op onderzoeksvraag 1 over motieven en factoren ..............................................................77 Antwoord op onderzoeksvraag 2 over effecten van interventies ....................................................... 80 Antwoord op onderzoeksvraag 3 over de bruikbaarheid van interventies .......................................... 83 Aanbevelingen voor beleid en praktijk............................................................................................... 85 Literatuurlijst........................................................................................................................ 88 Bijlagen ............................................................................................................................... 102 Bijlage 1: Overzicht bestaande reviews over motieven en factoren met betrekking tot wapens en jongeren ..........................................................................................................................................
102 Bijlage 2: Flowchart bij selectie van studies over motieven en factoren ........................................... 103 Bijlage 3: Zoektermen bij literatuursearch interventies.................................................................... 104 Bijlage 4: Flowchart bij selectie van studies over interventies .......................................................... 105 Bijlage 5: Oorspronkelijk geselecteerde factoren (normaal) en later toegevoegde factoren (cursief) ........................................................................................................................................................ 105 Bijlage 6: Aantallen / gevonden verbanden, uitgesplitst naar analysesoort.......................................107 Bijlage 7: Aantallen / gevonden verbanden, voor kinderen tot 15 jaar en in studies uitgevoerd in Nederland ....................................................................................................................................... 109
Achtergrond en doel van dit onderzoek • 4
Hoofdstuk 1: Achtergrond en doel van dit onderzoek Een toename in steekincidenten en wapens onder jongeren Sinds 2019 is er in de media en in het beleid veel aandacht voor wapens onder jongeren. Vanaf dat jaar verschenen er in toenemende mate berichten in het nieuws over steekincidenten onder jongeren, regelmatig erg jonge daders en slachtoffers. Met name een aantal zaken die in verband werden gebracht met drillrap kregen veel aandacht in de media, en er werden links gelegd met rivaliserende groepen, (online) straat- en rapcultuur en drugscriminaliteit. Burgemeesters en schoolbestuurders uitten ook hun grote zorg over de aanwezigheid van wapens onder jongeren in het publieke domein, op school en op sociale media. Uit inventarisaties van de politie (zie bijvoorbeeld NOS, 2022) komt ook een duidelijke stijging in het aantal geregistreerde steekincidenten onder jongeren naar voren. Vergeleken met de jaren ervoor was er in 2019 met name onder minderjarigen een opmerkelijke sprong in het aantal zware steekincidenten: van 135 in 2017 en 195 in 2018 naar 315 in 2019 (daarna bleven de aantallen relatief stabiel rond de 300). In de jaren daarna bleef het aantal steekincidenten onder jongeren fluctueren rond datzelfde relatief hoge niveau.
Ook het aantal geregistreerde minderjarige verdachten voor de Wet Wapens en Munitie is gestegen in deze periode, van ruim 700 voor 2019, tot ruim 1000 in de jaren daarna (cijfers verkregen via cbs.statline.nl, zie ook Van der Laan e.a., 2021, p. 216). Wat betreft het dragen en bezitten van wapens zijn er geen duidelijke cijfers beschikbaar over een eventuele toename hiervan. De periodieke Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit van het WODC (zie Van der Laan e.a., 2021, p. 204) geeft hiervoor in ieder geval geen indicatie: in 2015 antwoorde 3,4% van de ondervraagde jongeren een wapen te bezitten, in 2020 was dat 2,8% (rekening houdend met de foutmarge is dat geen significant verschil). Het Actieplan Wapens en Jongeren en de noodzaak van een herijking Naar aanleiding van de alarmerende berichten over wapens organiseerde het ministerie van Justitie en Veiligheid in de zomer van 2020 een overleg met burgemeesters van een groot aantal gemeenten. Tijdens dit ‘Beraad van Nissewaard’ werd besloten om zo snel mogelijk te komen tot een plan van aanpak (Rijksoverheid, 2020). Dit werd het Actieplan Wapens en Jongeren dat eind 2020 werd gelanceerd. Hierbij waren naast twee ministeries en 15 gemeenten ook verschillende organisaties binnen het justitiële werkveld betrokken, zoals het CCV, bureau Halt, het OM en de politie en de Raad voor de Kinderbescherming.
De analyses waarop het actieplan gebaseerd is gaan vooral over steekwapens, maar het actieplan sluit aanpakken die zijn gericht op het bezit en gebruik van andere wapens niet uit (Rijksoverheid, 2020). Het Actieplan kwam in korte tijd tot stand en was gebaseerd op een snelle scan van de onderzoeksliteratuur en gesprekken en bijeenkomsten. Het bevatte een scala aan preventieve en repressieve maatregelen, die lokaal en landelijk konden worden ingezet om wapenbezit en
5 • Hoofdstuk 1
wapengebruik onder jongeren tegen te gaan (zie Rijksoverheid, 2020). Uit een evaluatie van het Actieplan (Snippe e.a., 2023) kwam naar voren dat veel van de plannen zijn uitgevoerd, maar dat het effect hiervan nog onduidelijk is. Veel acties waren breed ingestoken, gericht op jongeren en de samenleving in het algemeen, en niet op de jongeren met wapens of een verhoogd risico om die te dragen of te gebruiken. Een belangrijke aanbeveling was daarom dat toekomstige maatregelen meer gericht zouden moeten worden op specifieke jongeren en wijken, en dat er meer oog komt voor de kwetsbare positie van veel jongeren die wapens dragen of gebruiken, in de bredere context van ouders, school, en (online) jeugdcultuur. Daarnaast werd ervoor gepleit dat er meer wetenschappelijk fundament moet komen onder de voorgenomen acties en maatregelen. Het Actieplan was zo snel tot stand gekomen dat maar oppervlakkig onderzoek kon worden gedaan naar de doelgroep en naar de effectiviteit van bestaande en mogelijk toepasbare maatregelen en interventies. In reactie op deze evaluatie werd in juni 2023 door het Ministerie van Justitie en Veiligheid aangegeven dat er een herijking nodig is van het Actieplan Jongeren en Wapens (Kamerstuk 2022-2023, 28 741, nr. 93).
Belangrijk onderdeel daarvan is het uitvoeren van verdiepend onderzoek naar de doelgroep en de achterliggende oorzaken, en naar effectieve en veelbelovende interventies in binnen- en buitenland. Daarvoor zijn inmiddels al verschillende activiteiten ondernomen, waaronder een literatuuronderzoek gericht op de oorzaken, motieven en interventies met betrekking tot steekwapens onder jongeren (Wolsink & Ferwerda, 2024) en het opstellen van een ‘barrièremodel’ door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV, 2024). Dit onderzoek en de toegevoegde waarde daarvan Dit onderzoek is een vervolgstap in de activiteiten ter voorbereiding van de herijking van het Actieplan. We bouwen voort op de hierboven genoemde studies en ook op eerdere buitenlandse literatuuroverzichten. Het doel is om een meer systematisch en een verdiepend overzicht te bieden van bestaande kennis en inzichten over oorzaken en motieven met betrekking tot wapens bij jongeren, de effectiviteit van interventies die op wapens onder jongeren zijn gericht, en de mogelijke toepasbaarheid in Nederland van nog onbenutte werkwijzen uit het buitenland.
Het onderzoek is systematisch doordat we hebben geprobeerd nu een zo compleet mogelijk overzicht te krijgen van alle onderzoeksliteratuur die relevant is, en daarnaast ook zo zorgvuldig mogelijk hebben bijgehouden wat er nu precies bekend is en met welke graad van betrouwbaarheid. Daarnaast is het onderzoek is op verschillende manieren verdiepend. We hebben ons niet alleen gericht op steekwapens maar ook onderzoek meegenomen naar vuurwapens onder jongeren of wapens in het algemeen (waaronder ook slagwapens en explosieven kunnen vallen). Er is ook gekeken naar onderscheid tussen verschillende groepen jongeren in verband met wapens, en bij het onderzoek naar interventies zijn ook eventuele problemen met de implementatie onderzocht. Tot slot staan we stil bij de
Achtergrond en doel van dit onderzoek • 6
vraag in hoeverre resultaten uit het buitenland relevant zijn voor jongeren in Nederland. Hiervoor is met behulp van praktijkdeskundigen verkend of onbenutte werkwijzen uit het buitenland relevant zijn en uitvoerbaar in de Nederlandse situatie. Onderzoeksvragen Dit onderzoek richt zich op zowel oorzakelijke factoren en motieven als op interventies. We pogen daarmee uiteindelijk input te leveren voor een verstandige en effectieve aanpak van de problemen rond wapens en jongeren in de Nederlandse situatie. Daartoe zijn de volgende drie onderzoeksvragen geformuleerd: 1. Wat is uit onderzoek bekend over de motieven en oorzakelijke (risico)factoren die zijn gerelateerd aan wapenbezit en -geweld bij jongeren? Bij deze onderzoeksvraag hebben we extra aandacht besteed aan de sociale en maatschappelijke omgeving van jongeren, eigen slachtofferschap en mogelijke online invloeden. We hebben ook gekeken of er in de resultaten onderscheid is tussen verschillende typen wapens en tussen bezit, dragen en gebruiken. Daarnaast is onderzocht of er specifieke factoren zijn gevonden voor de groep kinderen en adolescenten van 10 tot 15 jaar, en is er gekeken naar de resultaten van onderzoeken naar wapens onder jongeren die in Nederland zijn uitgevoerd. Met de antwoorden kunnen we inzicht krijgen in de relevante en veranderbare factoren waar interventies zich op zouden kunnen of moeten richten. 2.
Wat is uit onderzoek bekend over de effecten van interventies met betrekking tot wapens onder jongeren? Bij de beantwoording van deze onderzoeksvraag hielden we ook expliciet rekening met hoe robuust de aanwijzingen voor werkzaamheid waren. Ook keken we wat er in de onderzoeken was vermeld over verschillen tussen subgroepen en over eventuele implementatieproblemen. Uiteindelijk wilden we hiermee inzicht bieden in zowel de effectiviteit van maatregelen en interventies die mogelijk al worden toegepast in Nederland, als in werkzame interventies die worden toegepast in het buitenland maar in Nederland nog onbenut of onderbenut zijn. 3. Wat kan worden geconcludeerd over de zinvolheid en bruikbaarheid van onderzochte interventies in de Nederlandse situatie? Deze vraag beantwoorden we aan de hand van de bevindingen bij onderzoeksvraag 1 en 2, en met behulp van raadpleging van experts en betrokkenen uit beleid en praktijk. Er is hier aandacht besteedt aan zowel de verwachte effectiviteit als aan de uitvoerbaarheid en implementatie van interventies. De focus van dit onderzoek Dit onderzoek richt zich specifiek op wapens onder jongeren en niet op andere, aanverwante problematiek.
In veel van de overzichtsliteratuur lopen inzichten over jeugdcriminaliteit en jeugdgeweld in het algemeen en wapenproblematiek bij de jeugd door elkaar heen waardoor niet duidelijk is welke inzichten nu specifiek van toepassing zijn op wapens. In dit onderzoek zullen we ons daarom specifiek focussen op de literatuur over wapens.
7 • Hoofdstuk 1
Het is namelijk belangrijk om te achterhalen wat specifiek bekend is over de oorzaken en aanpak van wapens, en wat dit aan extra informatie oplevert bovenop wat al bekend is over jeugdcriminaliteit in het algemeen. Het begrip jongeren wordt in dit onderzoek breed geïnterpreteerd, we nemen niet alleen adolescenten/ minderjarigen mee in het onderzoek, maar ook de categorie die wordt aangeduid als jongvolwassen of ‘emerging adults’. Onder adolescenten vallen alle jongeren tussen 12 en 18 jaar. Aansluitend bij de internationale literatuur over jongvolwassenen gaan we in dit onderzoek uit van de leeftijdscategorie tussen 18 en 25 jaar (iets breder dus dan de categorie tot 23 jaar, die nog valt onder het zogeheten adolescentenstrafrecht in Nederland). Verder hebben we ook nog een leeftijdscategorie van kinderen en relatief jonge adolescenten onderscheiden (10-15 jaar oud) en een categorie van twaalfminners (10 of 11 jaar), maar van de laatste categorie kwamen we slechts een enkele publicatie tegen. Wat betreft type wapen is ook literatuur over vuurwapens en wapens in het algemeen (inclusief slagwapens) meegenomen. In Nederland stond de afgelopen jaren de problematiek rond steekwapens het meest in de belangstelling, maar daarnaast zijn er jongeren die vuurwapens of andere wapens bezitten, dragen of gebruiken (zie bijvoorbeeld het recente onderzoek in Rotterdam, Weerman e.a., 2022).
Het aantal jongeren dat door de politie wordt geregistreerd in verband met vuur- en andere wapens is ook gestegen in 2019 ten opzichte van de jaren daarvoor, gelijktijdig met de stijging in steekincidenten (zie Van der Laan e.a., 2021). Er is gezocht naar onderzoeksliteratuur over explosieven als wapens onder jongeren, maar daarover is niks gevonden (maar op het moment wordt hiernaar in Nederland wel onderzoek gedaan, onder meer een studie van het CBS dat op korte termijn zal worden gepubliceerd). Dat er nog geen onderzoek is gepubliceerd, komt waarschijnlijk omdat het een relatief recent probleem is dat zich afspeelt in Nederland en enkele andere Europese landen (zoals België en Zweden). Zoals hiervoor aangeven, is het belangrijk om onderscheid te maken naar verschillende soorten betrokkenheid bij wapens. In het literatuuroverzicht hebben we daarom zoveel mogelijk onderscheid gemaakt tussen het bezitten van wapens, het dragen van wapens en het gebruiken van wapens. Onder het bezit van wapens verstaan we dat jongeren daadwerkelijk eigenaar van een wapen zijn, niet tijdelijk het wapen bezitten in de zin van voorhanden hebben. Bij het dragen van een wapen gaat het om het meenemen van een wapen buitenshuis, dat kan op straat zijn, op school, in uitgaansgelegenheden of andere openbare plekken.
Het dragen van wapens betekent niet automatisch dat een jongere dat wapen ook bezit: vaak worden wapens namelijk geleend of uit het ouderlijk huis meegenomen (zie Weerman e.a., 2022). Bij het gebruik van een wapen kan het zowel gaan om het verwonden van een ander als het dreigen met een wapen. .
Basisliteratuur: wat weten we al? • 8
Hoofdstuk 2: Basisliteratuur: wat weten we al? Om een basis te bieden voor het kunnen waarderen van de huidige studie, wordt in dit hoofdstuk een beknopt overzicht gegeven van wat al bekend is over de onderzoeksvragen. We bespreken eerst de recente inzichten over wapens en jongeren in Nederland. Daarna geven we een globale schets van wat al bekend is uit onderzoek naar jeugdcriminaliteit en interventies in het algemeen. De inzichten daaruit zijn ook gebruikt bij het vormgeven van het huidige onderzoek. Recent verkregen inzichten over wapens en jongeren in Nederland In opdracht van de gemeente Rotterdam werd in 2020 een onderzoek uitgevoerd naar de relatie tussen drillrap, straatcultuur, sociale media en geweld (Roks en Van den Broek, 2020). Voor dit onderzoek werden politieregistraties over wapengeweld uit 2018 en 2019 onderzocht en werd online etnografisch onderzoek verricht naar de ontwikkeling van drillrap en online straatcultuur in Rotterdam. Directe aanleiding voor deze studie waren concrete incidenten met steekwapengeweld in Rotterdam en bredere zorgen over de groeiende populariteit van drill onder Rotterdamse jongeren. De bredere achtergrond was de suggestie in berichtgeving rond steekincidenten dat de toename van het messengeweld onder jongeren mogelijk verband hield met de opkomst van drillrap in Nederland.
Dit (verkennende) onderzoek liet ten eerste zien dat van geval tot geval zou moeten worden bekeken in hoeverre drillrap een rol speelt in de totstandkoming of het verloop van geweld, waarbij tevens een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen de betrokkenheid van drillers zelf en de rol van de muziek gemaakt door drillers. Van een directe oorzakelijke relatie tussen drillrap en geweld op straat leek op basis van de bestudeerde politieregistraties en social mediacontent maar zelden sprake te zijn. Ten tweede kwam naar voren dat drillrap, en andere online uitingen van jongeren over geweld en criminaliteit, vooral een uitvergroting zijn van de straatcultuur. Ten derde werd duidelijk dat de bredere online drillrap cultuur die in Rotterdam kon worden waargenomen wel risico’s met zich meebrengt voor jongeren. Gewelddadige uitingen, in muziek of op sociale media, hebben namelijk de potentie om een groot publiek van vrienden, rivalen en andere betrokkenen te bereiken. Daardoor kunnen ze ook het ontstaan en verloop van conflicten en geweld beïnvloeden. Het bovengenoemde onderzoek liet nog de nodige vragen open over wapens en geweld onder jongeren in Rotterdam. Onduidelijk bleef bijvoorbeeld welke jongeren in Rotterdam messen en andere wapens dragen en gebruiken, hoe jongeren hieraan betekenis geven en welke factoren hierbij van belang kunnen zijn.
Om die reden werd eveneens in opdracht van de gemeente Rotterdam in 2021 een uitgebreider onderzoek gedaan naar de achtergronden en oorzaken van betrokkenheid bij wapens onder jongeren, waarbij twee van de auteurs van dit rapport waren betrokken (Weerman e.a., 2022). In dit onderzoek is gebruik gemaakt van vragenlijsten, groepsgesprekken en politiedossiers. Dit onderzoek bood verschillende inzichten
9 • Hoofdstuk 2
die van belang zijn voor een herijking van het Actieplan Wapens en Jongeren. Ten eerste bleek uit dit onderzoek dat wapens, anders dan soms wordt gesuggereerd in de media, niet normaal zijn geworden onder jongeren. De grote meerderheid van de ondervraagde jongeren was in de voorgaande periode maanden niet betrokken geweest bij wapens. Ze denken wel vaak dat wapens veel voorkomen bij anderen, maar vinden het zelf niet stoer en ook moreel niet acceptabel. Ten tweede bleek uit dit onderzoek dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de groepen jongeren die wapens bezitten, wapens dragen, en wapens gebruiken, waar eerder onderzoek vaak helemaal geen onderscheid maakt tussen verschillende vormen van betrokkenheid. Een substantieel deel van de jongeren die wapens hebben gedragen, blijken die niet zelf te bezitten, maar te hebben meegenomen van thuis, of geleend/ gekregen van leeftijdsgenoten. Slechts een klein deel van de jongeren die wapens hebben gedragen, heeft die ook daadwerkelijk gebruikt. De groep jongeren die wapens gebruikt, heeft duidelijk meer problematische kenmerken en bevinden zich vaak ook in een moeilijke thuissituatie dan de jongeren die wapens dragen, en de jongeren die alleen wapens bezitten hebben nog minder problematische kenmerken.
Ten derde bleek dat gevoelens van onveiligheid en eigen slachtofferschap sterk samenhingen met alle vormen van betrokkenheid bij wapens onder jongeren. De belangrijkste motieven die jongeren onderschrijven in verband met wapens hebben te maken met veiligheid: zich kunnen verdedigen, zich in het algemeen onveilig voelen, of zich concreet bedreigd voelen door anderen. Van de jongeren die in de onderzoeksperiode een wapen heeft gedragen of gebruikt, was meer dan de helft ook slachtoffer van geweld of bedreiging. De recent verschenen literatuurstudie over steekwapens (Wolsink & Ferwerda, 2024) was bedoeld als eerste verkenning (een zogenaamde QuickScan), maar geeft al een uitgebreid en grondig beeld van de beschikbare literatuur op dit terrein. Dit onderzoek biedt enkele belangrijke algemene inzichten. Ten eerste heeft deze studie geresulteerd in een lange lijst aan risicofactoren voor betrokkenheid bij wapens onder jongeren, ingedeeld in verschillende domeinen: individuele en persoonlijke kenmerken, gezin, school, buurt en vrienden. Bij de individuele kenmerken gaat het onder meer om factoren die te maken hebben met zelfcontrole en zelfregulatie, middelengebruik en mentale problemen, en waarden en houdingen die wapens ondersteunen.
Bij de omgevingsfactoren gaat het onder meer om een slechte relatie met ouders, het opgroeien in armoede en achterstanden en het omgaan met criminele leeftijdsgenoten, met name op straat. De onderzoekers merken daarbij op dat dit voor een groot deel dezelfde risicofactoren zijn als die worden gevonden voor crimineel gedrag in het algemeen. Ten tweede laat deze literatuurstudie zien dat de motieven die in eerdere studies worden genoemd voor het bezit, dragen en gebruiken van wapens kunnen verschillen (dit is deels gebaseerd op het hiervoor genoemde onderzoek uit Rotterdam). Bij het bezit van steekwapens
Basisliteratuur: wat weten we al? • 10
speelt naast het hebben van onveiligheidsgevoelens ook mee dat sommige jongeren wapens leuk en mooi vinden. Bij het dragen lijkt het vooral te gaan om het vergroten van de veiligheid, en soms om status. Bij het gebruik van wapens worden meer instrumentele doeleinden genoemd, om een delict te plegen of iemand te verwonden. Niet-criminele jongeren lijken wapens vooral te dragen voor het vergroten van de veiligheid en zijn niet gericht op gebruik. Bij meer criminele jongeren past het dragen van een wapen vaak ook bij hun identiteit, en zij gebruiken het wapen ook vaker. Ten derde maakt dit literatuuroverzicht duidelijk dat er voor de werkzaamheid van een aantal interventies (in de zin van het voorkomen van bezit, dragen of gebruik van wapens onder jongeren) weinig ondersteuning bestaat in de literatuur. Dit betreft in de eerste plaats algemene maatregelen die zijn gericht op het opsporen van wapens (zoals preventief fouilleren en controleren), onder meer omdat deze niet zijn gericht op de onderliggende oorzaken en risicofactoren. Ook voorlichting op scholen en landelijke bewustwordingscampagnes worden als niet effectief beschouwd, met name als hiermee niet de risicogroepen worden bereikt. Daarnaast wordt weinig ondersteuning gevonden voor de effectiviteit van repressieve interventies gericht op jongeren met wapens (zoals strengere bestraffing en speciale gerechtelijke bevelen).
Deze worden zelfs verondersteld contraproductief te kunnen werken, omdat ze, via o.a. stigmatisering en criminalisering van de jongeren, de onderliggende oorzaken van bezit, dragen en gebruik van steekwapens, kunnen versterken (Wolsink en Ferwerda verwijzen hierbij naar eerdere Engelse overheidspublicaties over knife crime). Voor andere, meer preventieve, interventies is wel wetenschappelijke ondersteuning gevonden voor effectiviteit of mogelijke effectiviteit, met name voor interventies die zijn gericht op achterliggende problemen binnen het leefsysteem van de jongere, met name in het gezin en op school. De auteurs noemen hierbij schoolprogramma’s, gezinsinterventies en het inzetten van positieve rolmodellen. Het ‘barrièremodel’ dat is opgesteld door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV, 2024) is gebaseerd op twee werksessies met verschillende partijen uit de strafrechtsketen, alsmede jongeren en ouders. Tijdens deze sessies is een model opgesteld voor de manier waarop jongeren de gelegenheid hebben om aan wapens te komen en die te gebruiken, welke signalen zich daarvoor voordoen, wat de faciliterende factoren zijn voor het verkrijgen van wapens en welke ‘barrières’ kunnen worden opgeworpen. Het is dus gebaseerd op de ervaringen, interpretatie en praktijkkennis van deskundigen en betrokkenen, en niet op wetenschappelijk onderzoek.
Het opgestelde model gaat uit van een lineair verloop waarbij jongeren verschillende stappen doorlopen dat begint met het in aanraking komen met wapens, via het maken van keuzes naar verwerven, dragen en gebruiken van wapens. Voor elke stap zijn een aantal mogelijke barrières genoemd, die bestaan uit algemene aanbevelingen voor beleid, bepaalde werkwijzen voor de praktijk en een inventarisatie van bestaande interventies en werkwijzen die relevant kunnen zijn. Voorbeelden daarvan zijn interventies die gericht zijn op bewustwording, het tegengaan van normaliserende en angst verhogende online content, het
11 • Hoofdstuk 2
zorgen voor aanspreekpunten voor jongeren die onveiligheid ervaren, het vergroten van het zicht op risicosignalen bij ouders en professionals, het controleren op wapens op straat en op school, en het tegengaan van de beschikbaarheid van wapens via regelgeving (CCV, 2024). Een deel van deze voorbeelden betreft overigens aanbevelingen die in het QuickScan rapport van Wolsink en Ferwerda over steekwapens als minder of niet effectief worden benoemd. Al veel bekend over factoren die zijn gerelateerd aan jeugdcriminaliteit in het algemeen Inmiddels is al heel veel onderzoek verricht naar de factoren die zijn gerelateerd aan jeugdcriminaliteit in het algemeen. Deze zijn beschreven in allerlei artikelen, boeken en bundels (zie bijvoorbeeld Ellis e.a., 2019). Een beknopt overzicht is te vinden in een recent globaal overzicht van de factoren die zijn gerelateerd aan verschillende soorten van criminaliteit, waaronder jeugdcriminaliteit en geweld (Servaas e.a., 2021). Deze literatuur biedt al veel informatie over de factoren die mogelijk ook van belang zijn voor betrokkenheid bij wapens onder jongeren. Duidelijk wordt dat verbanden te vinden zijn met factoren in het persoonlijke domein, bij ouders en binnen het gezin, op school, bij leeftijdsgenoten en in de (buurt-) omgeving. Er kan daarbij onderscheid worden gemaakt in risicofactoren, versterkende factoren en beschermende factoren.
Risicofactoren zijn gerelateerd aan een grotere kans op betrokkenheid bij jeugdcriminaliteit, versterkende (risicoverlagende) factoren aan een kleinere kans, en beschermende factoren zorgen voor een minder sterk effect van risicofactoren (Servaas e.a. 2021). Beschermende factoren zijn dus niet het tegenovergestelde van risicofactoren, maar kunnen de werking van risicofactoren, als die aanwezig zijn, dempen. Over deze beschermende factoren wordt uit onderzoek steeds meer bekend (zie Gubbels e.a, 2024). Zo blijken persoonlijke factoren zoals een hoge mate van zelfbeheersing of omgevingsfactoren zoals een sterke band met ouders in de adolescentie jongeren weerbaarder te maken tegen criminaliteitsbevorderende invloeden van buitenaf (Hirtenlehner e.a., 2022; Janssen e.a., 2017). Veel van de studies naar jeugdcriminaliteit en jeugdgeweld in het algemeen zijn verricht in het buitenland (met name de Verenigde Staten), en de situatie en cultuur van die landen kan uiteraard verschillen met die in Nederland. Een belangrijke vraag is daarbij in hoeverre onderzoeksresultaten over de oorzaken van jeugdcriminaliteit generaliseerbaar zijn en in welke mate ze overeenkomen of verschillen tussen landen. Een belangrijk initiatief om dit te onderzoeken, is de International Self Report Delinquency studie (ISRD).
Dit is een samenwerkingsverband van onderzoekers uit een groot aantal landen (op het moment bijna 40) uit vooral Europa, Noord- en Zuid-Amerika. Uit meerdere publicaties die zijn verschenen vanuit dit samenwerkingsverband, blijkt dat er vooral overeenkomsten zijn tussen landen in de factoren die zijn gerelateerd aan delinquent gedrag (zie bijvoorbeeld Junger-Tas e.a., 1994; Enzmann e.a., 2010; Haen Marshall e.a., 2024). Voor de belangrijkste factoren uit de criminologie worden in de meeste landen verbanden gevonden met delinquent gedrag van jongeren, al zijn er verschillen in de sterkte van die verbanden. Wel zijn er verschillen in het
Basisliteratuur: wat weten we al? • 12
belang van gezins- en schoolfactoren, die mede bepaald kunnen worden door culturele verschillen tussen landen. Een ander relevant initiatief is dat van het Eurogang netwerk, waarin onderzoekers uit Europa samenwerken met wetenschappers uit de Verenigde Staten en een aantal andere landen om meer te weten te komen over de kenmerken en achtergronden van ‘street gangs’ en problematische jeugdgroepen in verschillende landen. Hoewel de uitingsvormen en organisatie van deze groepen sterk kunnen verschillen, blijken er toch ook substantiële overeenkomsten te zijn in de kenmerken van de groepen en de jongeren die hierbij zijn betrokken (zie o.a. Klein e.a., 2000). Belangrijker voor dit rapport is dat ook veel van de factoren die zijn gerelateerd aan lidmaatschap van gangs of problematische jeugdgroepen overeenkomen (zie bijvoorbeeld Esbensen & Maxson, 2011; Decker e.a., 2013). Dat komt ook naar voren uit een vergelijking tussen scholieren die lid zijn van Amerikaanse gangs en Nederlandse scholieren die deelnemen aan problematische jeugdgroepen. Ondanks de culturele verschillen blijken er opmerkelijke overeenkomsten te zijn tussen de verbanden die worden gevonden met delinquent gedrag, en met oorzakelijke factoren zoals bindingen met ouders en school, en omgang met delinquente vrienden (Esbensen & Weerman, 2005).
Dit past bij de eerdere bevindingen dat veel factoren die in onderzoek worden gevonden in het buitenland tot op zekere hoogte kunnen worden doorgetrokken naar Nederland. Onderscheid tussen verbanden, directe en indirecte oorzaken Het is cruciaal om te beseffen dat een factor niet hetzelfde als een oorzaak is. Zo kan er sprake zijn van een schijnverband, wanneer de relatie tussen twee factoren verdwijnt als er rekening wordt gehouden met iets anders. Veel risicofactoren voor jeugdcriminaliteit, zoals andere vormen van probleemgedrag en middelengebruik, kunnen ook het gevolg zijn van andere factoren. Ze zijn dan eerder te beschouwen als een signaal voor mogelijke criminaliteit dan als een oorzaak daarvan. Sommige factoren zijn ook deels het gevolg in plaats van oorzaak van crimineel gedrag, zoals het hebben van politiecontacten of het deel uitmaken van een criminele groep. Om de oorzakelijke factoren te onderscheiden van schijnverbanden en gevolgrelaties, is meer nodig dan alleen het vaststellen van verbanden. In sommige onderzoeksdesigns worden daarom meerdere factoren tegelijk geanalyseerd, waardoor kan worden nagegaan welke verbanden onafhankelijk van de andere factoren naar voren komen. In deze ‘multivariate analyses’ kunnen een reeks van controlefactoren en alternatieve verklaringen worden meegenomen.
Om ook iets te kunnen zeggen over de volgtijdelijkheid van een verband (wat komt eerst in de tijd, is een verandering in delinquent gedrag gerelateerd aan een bepaalde factor) is ook langlopend (longitudinaal) onderzoek nodig, met meerdere meetmomenten. Beide manieren van onderzoeken (multivariaat en longitudinaal) bieden een betere indicatie van oorzakelijkheid dan alleen het vaststellen van een verband. Zekerheid biedt het echter nog
13 • Hoofdstuk 2
steeds niet, omdat het verband ook zou kunnen worden verklaard door zaken die niet zijn meegenomen in het onderzoek. Experimentele methodes kunnen wel uitsluitsel geven, maar die zijn vooral geschikt voor het vaststellen van eventuele effecten van interventies en niet voor het onderzoek naar oorzakelijke factoren die voortkomen uit de persoonlijke kenmerken, achtergrond of leefomgeving van de jongeren. Het is ook van belang om te begrijpen waarom factoren een oorzakelijke verband hebben met delinquent gedrag. Binnen de criminologie bestaan daarover verschillende opvattingen, theorieën over het ontstaan van crimineel gedrag, en de mechanismen die daarbij betrokken zijn (zie bijvoorbeeld Cullen & Wilcox, 2010; Weijers, 2022). Sommige theorieën leggen de nadruk op sociale leerprocessen, andere op sociale binding of persoonlijke kenmerken, en weer anderen beschrijven hoe maatschappelijke en persoonlijke tegenslagen kunnen leiden tot wetsovertreding. Recente perspectieven proberen bestaande theorieën met elkaar te integreren en ook gebruik te maken van inzichten uit andere vakgebieden, zoals de psychologie. Een voorbeeld daarvan is de Situationele Actie Theorie (zie o.a. Wikström, 2010). Deze theorie maakt een onderscheid tussen directe oorzaken van wetsovertreding en verder gelegen, indirecte oorzaken (‘causes of the causes’).
Bij de directe oorzaken gaat het enerzijds om de persoonlijke kenmerken die ervoor zorgen dat iemand een bepaalde (illegale) beslissing neemt, zoals iemands houding over dat gedrag en iemands zelfbeheersing. Anderzijds gaat het om situationele kenmerken: directe aanleidingen, uitdagingen en gelegenheden. Deze directe oorzaken worden op hun beurt weer beïnvloed door indirecte oorzaken die zijn gelegen in de sociale omgeving van iemand (zoals ouders en leeftijdsgenoten) en nog indirecter door de maatschappelijke omstandigheden waarin iemand zich bevindt of is opgegroeid. Deze basisgedachten van de Situationele Actie Theorie zijn ook bruikbaar voor het duiden van de resultaten over wapens onder jongeren. Ook hier is het goed om onderscheid te maken in factoren (en motieven) die direct van invloed kunnen zijn en factoren die indirect van invloed zijn op de meer directe oorzaken. Bij wapens onder jongeren zal er ook sprake zijn van wisselwerking tussen de persoonlijke kenmerken van de jongere zelf en de situatie waarin die zich bevindt. Al veel onderzoek naar interventies: effecten zijn niet altijd even duidelijk Onderzoek naar preventieve interventies voor (jeugd)criminaliteit in het algemeen kent een lange geschiedenis. Sherman e.a. (1998) hebben met de introductie van de ‘What works’ gedachte veel invloed gehad op dit onderzoek.
Zij constateerden dat er vooral veel onderzoek bestond naar wat er in de interventies gebeurde (procesevaluaties) en niet welk effect interventies daadwerkelijk hadden. Zij riepen daarom op tot meer impact- of effectevaluaties. Om het wetenschappelijk fundament hiervan te vergroten, ontwikkelden zij de Maryland Scale of Scientific Methods (Sherman e.a., 1998, p.3). Deze schaal geeft een indeling van onderzoek in vijf categorieën van interne validiteit. Deze lopen op in de mate waarin uitspraken kunnen
Basisliteratuur: wat weten we al? • 14
worden gedaan over de oorzakelijke relatie tussen de interventie en de onderzochte uitspraken, ofwel het antwoord op de vraag of een gevonden uitkomst ook echt het gevolg is van de interventie of dat er andere redenen zijn dat de uitkomsten gunstig zijn (bijvoorbeeld dat de doelgroep ouder geworden is en vanzelf met het criminele gedrag gestopt is). Met behulp van deze Maryland Scale presenteerden Sherman e.a. een overzicht van bevindingen voor een grote diversiteit aan interventies. Deze interventies kunnen worden ingedeeld in primaire, secundaire en tertiaire interventies. Primaire interventies richten zich op de algemene populatie, secundaire interventies op specifieke personen die een hoger risico lopen het gedrag te gaan vertonen (in dit geval bezit, dragen of gebruik van wapens), en tertiaire interventies richten zich op individuen die al een strafbaar feit hebben gepleegd. De interventies werden uitgevoerd binnen verschillende domeinen waaronder gemeenschappen, gezinnen, scholen, de arbeidsmarkt, buurten, de politie en andere strafrechtelijke ketenpartners (na arrestatie). Zij verdeelden de (typen) interventies in drie categorieën die nu ook nog vaak worden gebruikt: ‘werkt’, ‘werkt niet’ en ‘veelbelovend’.
Hoewel er binnen deze onderzoeken vaak wel aandacht was voor wie en in welke omstandigheden de interventies effectief konden zijn, waren de gebruikte onderzoekmethoden minder goed in staat inzicht te geven in hoe en waarom interventies wel of niet werkten. Er werd vooral gebruik gemaakt van kwantitatieve gegevens uit registraties en gesystematiseerde diagnoses, maar daardoor was er minder zicht op de daadwerkelijke mechanismen die plaatsvinden tijdens de interventies. De stroming van ‘realistische evaluatie’ is daarom een belangrijke toevoeging aan het evaluatieonderzoek (Pawson & Tiley, 1997). Deze stroming onderscheidt zich door zich specifiek te richten op het waarom van de (mogelijke)effectiviteit van een interventie. Daartoe staan realistische evaluatieonderzoekers uitgebreid stil bij de programmatheorie achter de interventie en gaan zij na welke mechanismen door de interventie tot stand komen in de specifieke context waarin de interventie wordt ingezet en tot welke uitkomsten dat dan uiteindelijk leidt. Doordat onderzoek in de realistische evaluatie traditie voornamelijk kwalitatief van aard is, met gebruik van onder meer interviews en observaties, kan er beter nagegaan worden welke processen er tijdens de interventies tot stand komen en kan een beter begrip ontstaan van de wisselwerking tussen de context van de interventies en die processen.
Het is echter vaak niet mogelijk om robuuste uitspraken over oorzakelijke relaties tussen interventie en de uitkomst te doen, omdat de realistische evaluatie onderzoeken in veel gevallen geen gebruik maken van een (goed vergelijkbare) controlegroep en uitgebreide vooren nametingen. Elementen van effectieve interventies voor daders Voordat Sherman en collega’s hun Scientific Methode Scale ontwikkelden, zetten Andrews en anderen (1990) al belangrijke stappen in het onderzoek naar interventies gericht op het voorkomen van recidive bij daders. Met behulp van uitgebreide meta-analyses met grote
15 • Hoofdstuk 2
aantallen studies naar interventies in verschillende omstandigheden en met verschillende populaties konden zij belangrijke algemene uitspraken doen over de voorwaarden waaraan interventies moeten voldoen om effectief te kunnen zijn. Die voorwaarden zijn samengevat in het Risk-Needs-Responsivity (RNR) model. Dit model beschrijft ten eerste dat interventies moeten aansluiten bij het recidive-risico (waarschijnlijkheid en ernst van recidive) van de betrokken personen. Intensieve interventies zouden alleen bij hoge risico´s moeten worden ingezet (Risk principe). In de tweede plaats moeten interventies zich uitsluitend richten op risicofactoren waarvan duidelijk is dat ze directe invloed hebben op het delictgedrag (Needs principe), dit worden de criminogene behoeften genoemd. Waar in het begin vooral aandacht was voor risicofactoren kwam in latere studies binnen het model ook aandacht voor beschermende- en versterkende factoren (Vries Robbé, e.a., 2013). Ook hiervoor geldt dat het belangrijk is dat er sprake is van een oorzakelijke relatie met het delictgedrag. Een derde belangrijk principe is dat van de responsiviteit (Responsivity principe). Dit principe geeft aan dat de interventie aan moet sluiten bij de motivaties en capaciteiten van betrokken personen om gedragsverandering te bereiken.
In reactie op het sterk door risicofactoren gestuurde RNR-model ontwikkelde zich op het gebied van de dadergerichte interventies, aan het begin van de 21ste eeuw een meer holistische benadering. Deze benadering was geïnspireerd door theorieën (bijvoorbeeld die van Laub & Sampson, 1993) over het natuurlijke stopproces bij criminaliteit (‘desistance’) en richtte zich op de vraag hoe met interventies dit proces versneld kan worden. Daarbij werd ook kritiek uitgeoefend op de beperkte uitwerking van het ‘Needs’-principe uit het RNR-model, dat beschrijft dat interventies zich uitsluitend op criminogene behoeften zouden moeten richten (Ward & Steward, 2003). In plaats daarvan zou er juist ook aandacht moeten zijn voor de algemene menselijke behoeften ‘human needs’ of ‘primary human goods’ en moeten interventies zich richten op de manieren waarop die behoeften op een pro-sociale manier kunnen worden vervuld. In het Good Lives Model (Ward, 2002) is dit verder uitgewerkt met als belangrijke uitgangspunten dat daders zelf een belangrijke rol spelen bij het bepalen van de resocialisatie doelen en dat voor het bereiken van die doelen naar de mogelijkheden en talenten (‘strengths’) van de dader en de omgeving gekeken wordt en niet uitsluitend naar risicofactoren. Er zijn verschillende interventies en interventieprincipes ontwikkeld binnen het Good Lives Model (Prescott & Willies, 2022).
Het schaarse onderzoek dat tot nu toe is verricht, biedt eerste aanwijzingen voor de geldigheid van aannames onder het model en de potentiële effectiviteit van de uit het model voortgekomen interventies (Mallion e.a., 2020). Het evaluatieonderzoek naar effectieve interventies heeft in de beginjaren voor een groot deel plaatsgevonden in de Angelsaksische landen, met name de VS en Canada. De interventies die uit dat onderzoek als bewezen effectief naar voren kwamen bleken in de Europese context vaak minder grote of geen effecten op de recidive te hebben (zie o.a. Berghuis, 2018). Er zijn verschillende verklaringen mogelijk voor het uitblijven van effectiviteit. De
Basisliteratuur: wat weten we al? • 16
belangrijkste daarvan zijn de wijze waarop de interventies uitgevoerd werden en de behandeling die de controlegroepen in de onderzoeken kregen (deze zijn in de West-Europese context mogelijk minder criminogeen, dus minder criminaliteit versterkend dan in de VS). Het is belangrijk dit mee te nemen bij de vertaling van internationale resultaten naar verwachtingen in de Nederlandse context.
17 • Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 3: Opzet en methode van onderzoek De eerste onderzoeksvraag luidt: Wat is uit onderzoek bekend over de motieven en oorzakelijke (risico)factoren die zijn gerelateerd aan het bezitten, dragen en gebruiken van wapens bij jongeren? Deze vraag is onderzocht op basis van literatuur die in al bestaande overzichten bijeen is gebracht. Dit is inclusief het recent verschenen rapport over steekwapens (de QuickScan), maar daarnaast ook zes reviews over wapens en jongeren uit het buitenland. Gezien de omvang en compleetheid van de bestaande overzichten, vonden wij nog eens een aparte zoektocht in wetenschappelijke databases hiervoor minder nodig en zinvol. Een overzicht van de zeven reviews waarin is gezocht naar revelante studies om te includeren in ons onderzoek is te vinden in Bijlage 1. Een zeer recente buitenlandse review (Figuera e.a., 2024) die verscheen na afsluiting van dit onderzoek, kon niet meer worden meegenomen in de analyse. De tweede onderzoeksvraag luidt: Wat is uit onderzoek bekend over de effecten van interventies met betrekking tot wapens onder jongeren? Dit is door ons onderzocht door middel van een systematische literatuursearch volgens de methodiek van de Campbell Collaboration. Dat houdt in dat we aan de hand van zorgvuldig gekozen zoektermen hebben gezocht in meerdere databases.
Hiervoor zijn we dus primair op zoek gegaan naar afzonderlijke evaluatiestudies en hebben we niet voortgebouwd op bestaande reviews. Voor dit onderwerp was er namelijk, naast de QuickScan over steekwapens, ons nog maar één overzicht bekend (Browne e.a., 2022). Wij wilden met een uitgebreider literatuuronderzoek nog meer interventies vinden die mogelijk relevant zijn, en ook leren van interventies die zijn ingezet om andere soorten wapens tegen te gaan. De derde onderzoeksvraag luidt: Wat kan worden geconcludeerd over de zinvolheid en bruikbaarheid van onderzochte interventies in de Nederlandse situatie? Om dit te kunnen beantwoorden is, naast de resultaten met betrekking tot de eerste en tweede onderzoeksvraag, ook gebruik gemaakt van de resultaten van een consultatieronde met behulp van een verkennende vragenlijst. Deze is verzonden naar 35 professionals en beleidsmakers uit het netwerk rond het Actieplan Wapens en Jongeren. Daarbij hebben we ons gericht op een representatie van verschillende partners met overzicht en inzicht in bestaande interventies en maatregelen op het gebied van wapens onder jongeren. De deelnemers werd gevraagd om een korte vragenlijst in te vullen over een selectie van drie interventies uit het buitenland waarover positieve effecten zijn gerapporteerd maar die in Nederland nog niet zijn toegepast.
In- en exclusiecriteria Op voorhand is een aantal in- en exclusiecriteria opgesteld voor studies die in aanmerking kwamen voor analyse met betrekking tot het literatuuronderzoek ten behoeve van
Opzet en methode van onderzoek • 18
onderzoeksvraag 1 en 2. Aan de hand hiervan is een selectie gemaakt uit de gevonden studies in bestaande overzichten (deelvraag 1) en databases (deelvraag 2). De in- en exclusiecriteria zijn als volgt: 1. Het onderzoek richt zich specifiek op de motieven en oorzakelijke factoren voor betrokkenheid bij wapens, of op interventies met betrekking tot wapens onder jongeren. Dit onderzoek richt zich niet op geweld of jeugdcriminaliteit in het algemeen. 2. Het onderzoek richt zich op jongeren in brede zin, dus de leeftijdsgroep van 12 t/m 24 jaar. Waar mogelijk wordt onderscheid gemaakt tussen adolescenten/ minderjarigen (12 t/m 17 jaar) en jongvolwassenen (18 t/m 24 jaar), en wordt ook nagegaan wat bekend is over de groep van 12-minners en vroege adolescenten (12 tot 15 jaar). 3. Het onderzoek gaat over wapens in het algemeen, of specifiek steekwapens (knife crime), vuurwapens en andere wapens. Ook studies naar de betrokkenheid van jongeren bij het bezitten en plaatsen van explosieven kunnen worden meegenomen. 4. Het onderzoek richt zich primair op de ‘daderkant’ van wapens (bezit, dragen en gebruik), en interventies gericht op daderschap of aantal incidenten. Slachtofferschap wordt alleen meegenomen als een mogelijke oorzaak van betrokkenheid bij wapens onder jongeren. 5. We richten ons op studies die zijn gedaan vanaf 1980 tot en met nu.
Deze keuze is gebaseerd op de verwachting dat er in de jaren tachtig en negentig in de Verenigde Staten interessante studies beschikbaar zijn over (vuur)wapens vanwege de piek van street gang rivaliteit in die periode, en omdat in Nederland het niveau van jeugdcriminaliteit toen relatief hoog was, en er mogelijk ook aandacht was voor wapens onder jongeren. 6. Er wordt primair gefocust op studies die zijn gepubliceerd in het Engels of in het Nederlands. Het is mogelijk dat er ook studies worden geselecteerd met een Engelstalige abstract maar een anderstalige tekst. 7. Zowel onderzoek met kwantitatieve methoden als kwalitatieve studies (interviews, veldwerk) kunnen worden geïncludeerd. Kwantitatieve studies waar is gecontroleerd voor verstorende variabelen of waarbij een controlegroep is gebruikt (vanaf niveau 3 van de zogenaamde Maryland Scientific Methods Scale voor wetenschappelijke kwaliteit) kunnen enig inzicht geven in oorzakelijke factoren en/of de mate waarin interventies effect hebben. 8. Grijze literatuur (publicaties die niet in een wetenschappelijk tijdschrift verschenen of door een uitgever zijn verspreid, zoals beleidsstukken, congresbijdragen of scripties van studenten) kan worden meegenomen. Het bestuderen hiervan levert mogelijk bruikbare informatie over lokale verschillen in Nederland op. Daarbij zal wel worden gekeken naar
19 • Hoofdstuk 3
de kwaliteit van deze studies, er moet sprake zijn van onafhankelijk onderzoek en voldoende betrouwbare en valide dataverzameling. Zoekstrategie en selectieprocedure bij onderzoeksvraag 1 over motieven en factoren Om de bestaande systematische literatuuroverzichten over motieven en factoren te vinden, zijn eerst drie elektronische databanken geraadpleegd: Google Scholar, Web of Science (WoS) en de online bibliotheek van de Universiteit Leiden. Deze databases zijn in maart 2024 doorzocht aan de hand van meerdere zoektermen zoals ‘systematic review’, ‘scoping review’, ‘meta-analysis’, in combinatie met ‘youth’, ‘adolescents’, ‘children’, ‘weapons’, ‘gun’, ‘knife’, ‘risk’, ‘motives’, ‘factors’ en Nederlandse vertalingen hiervan. Deze zoekstrategie leverde ons de zeven reviews op, met in totaal 272 geïncludeerde studies. Na ontdubbelen bleven er 149 studies over. Verder is er nog een handmatige search gedaan in verschillende universitaire scriptiedatabanken naar grijze literatuur. Dit leverde zeven scripties op van zowel bachelor- als masterniveau. Daarnaast waren ons twee eerdere studies bekend uit Nederland die niet in de bestaande reviews waren opgenomen. Deze toevoegingen brengen ons op een totaal van 158 studies. Deze totstandkoming van de selectie van publicaties is schematisch weergegeven in Bijlage 2.
De tweede stap omvatte het handmatig controleren van deze 158 studies op relevantie door beoordeling van de titel en het abstract. Bij deze beoordeling door twee onderzoekers zijn tevens de in- en exclusiecriteria geraadpleegd, welke in de vorige paragraaf zijn uitgelicht. Mocht bijvoorbeeld uit het abstract al blijken dat de steekproef van een studie ook 24-plussers had meegenomen, of als duidelijk werd dat de studie zich enkel richtte op de slachtofferkant van wapengebruik, dan werd de keuze gemaakt deze studie uit te sluiten. In geval van twijfel werd de studie meegenomen naar de volgende stap. In de derde stap zijn vervolgens alle studies volledig (full-text) gescreend. Hierbij werd vooral gekeken naar de methodeparagraaf van het onderzoek en de tabellen waarin de resultaten werden gepresenteerd. Tijdens de tweede en derde stap zijn op basis van de in- en exclusiecriteria 43 studies uitgesloten, waarna er in totaal 115 studies overbleven. Zoekstrategie en selectieprocedure bij onderzoeksvraag 2 over interventies Voor de beantwoording van onderzoeksvraag 2 is er met behulp van zorgvuldig gekozen zoektermen gezocht in acht elektronische literatuurdatabases, namelijk: PSYCHINFO, Criminal Justice Abstracts, Scopus, Web of Science, International Bibliography of Social Sciences (IBSS), NJI databank en de WODC Kennisbank.
Verder is er ook gekeken naar literatuur die wordt genoemd in bestaande overzichten voor zover die nog niet uit de literatuursearch naar voren komen. Met deze werkwijze probeerden we zoveel mogelijk publicaties te vinden in zowel academische literatuur (artikelen, hoofdstukken en boeken) als in de grijze literatuur (rapporten, scripties en proefschriften). Bijlage 3 geeft een overzicht van de zoektermen die uiteindelijk zijn gebruikt. Het is van belang te benadrukken dat niet alleen naar gedragsinterventies is gezocht,
Opzet en methode van onderzoek • 20
maar in het algemeen naar interventies die gericht zijn op het terugdringen van wapens bij jongeren. In eerste instantie leidden de gebruikte zoektermen tot meer dan 20.000 treffers. Nadere beschouwing leerde ons dat dit vooral te wijten was aan de Nederlandse zoektermen, zoals ‘mes’ die mogelijk een te breed werkterrein omvatten (waaronder medische artikelen), of in Engelse woorden voorkwamen die erg algemeen zijn (zoals ‘message’). Daarom is besloten om in de internationale databases alleen Engelstalige zoektermen te gebruiken, en in de Nederlandse interventiedatabases de Nederlandstalige. Uiteindelijk leidde deze werkwijze tot 3095 resultaten, verdeeld over de volgende databases: 719 uit PSYCHINFO, 224 uit Criminal Justice Abstracts, 1191 uit Scopus, 513 uit Web of Science, 448 uit International Bibliography of Social Sciences (IBSS) en 1 uit WODC Kennisbank. Deze documenten zijn samengevoegd, waarna via EndNote is gecontroleerd op mogelijke dubbele studies. Na het ontdubbelen bleven er 2212 documenten over, die elk zijn geüpload in het softwareprogramma ASReview. Een artikel dat was gevonden in WODC Kennisbank werd niet geüpload in ASReview omdat de relevantie daarvan al duidelijk was. Op dit punt in de literatuursearch waren er dus 2213 artikelen, die moesten worden gescreend op relevantie.