RIS322968 Bijlage 13 PlanMER Binckhorst Deel C Varianten en gevoeligheidsanalyses 20250619
Tekst van het document
52
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
Locatie Binckhorst Noordwest B De uitplaatsing van de bedrijven in het afvalcluster is randvoorwaardelijk voor de realisastie van de geothermiecentrale in dit zoekgebied. Net als bij Noordwest A zijn er geen directe risico’s voor omgevingsveiligheid in zoekgebied Binckhorst Noordwest B, omdat kwetsbare functies buiten de PR-contouren en aandachtsgebieden blijven. Wel zijn er, afhankelijk van de fasering van ontwikkelingen, risico’s op het ontstaan van trillingshinder voor enkele bestaande woningen aan het Trekvlietplein en nieuw te bouwen woningen (in totaal maximaal ruim bijna 2.000) aan het Trekvlietplein en de Binckhorstlaan. Dit zijn alle woningen die binnen het totale potentiële risicogebied rondom de grenzen van het zoekgebied liggen. Op het moment dat er binnen het zoekgebied één locatie voor de geothermieputten gekozen wordt, valt slechts een deel van deze woningen binnen het risicogebied. Het risico op hinder ten gevolge van geluid is zowel in de aanleg- als de gebruiksfase aanzienlijk, met potentiële effecten op omliggende woningen en bedrijfslocaties. De geothermiecentrale heeft een neutraal effect op de ruimtelijke kwaliteit omdat in de referentiesituatie in het zoekgebied een afvalbedrijf gevestigd is. Het totaal aan effecten in dit zoekgebied is iets positiever dan dat van de locaties Vestaweg en Trekvlietplein.
Locatie Trekvlietplein Voor deze locatie geldt een belangrijke randvoorwaarde met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid. De woningen ten zuiden van het Trekvlietplein aan de overzijde van het zoekgebied komen naar alle waarschijnlijkheid binnen de PR 10-6-contour te liggen en hiermee wordt niet voldaan aan wettelijke normen. Dat betekent dat een geothermiecentrale op deze locatie alleen haalbaar is als de putten geboord worden vóórdat de woningen gerealiseerd worden. Het risico op geluidhinder is aanzienlijk tijdens de boorfase, met effecten op omliggende woningen en een bedrijfsgebouw. Ook in de gebruiksfase worden geluidgevoelige gebouwen geraakt, waaronder het wooncomplex aan de overzijde van het Trekvlietplein. Bestaande woningen uit de jaren ’20 van de 20 e eeuw aan het Trekvlietplein zijn mogelijk gevoelig voor trillingsschade. Dit moet in een latere projectfase nader onderzocht worden. De geothermiecentrale heeft op deze plek geen negatief effect op de ruimtelijke kwaliteit, omdat de locatie in de referentiesituatie gebruikt wordt voor de opslag van afvalmaterialen en geen significante visuele impact heeft op de omgeving.
26.3.1.2
Kennisleemten
Voor dit onderzoek merken we enkele kennisleemten op: 1. De uitplaatsing van de bedrijven in het afvalcluster zijn randvoorwaardelijk voor de realisatie van de geothermiecentrale in de zoekgebieden Binckhorst Noordwest A en B. Als de bedrijven niet uitgeplaatst worden, kan er in deze zoekgebieden geen geothermiecentrale aangelegd worden. Voor de uitplaatsing van het afvalcluster loopt op het moment van schrijven (juni 2025) nog een haalbaarheidsstudie waarin onderzocht wordt of alternatieve locaties voor de bedrijven voorradig en kansrijk zijn. Dit onderzoek is niet afgerond op het moment dat dit planMER ter inzage gelegd wordt. 2. In 2021 zijn voor de locatie Vestaweg geluidcontouren voor zowel de aanlegfase als de operationele fase berekend21. De toegepaste rekenmethode is sinds het ingaan van de Omgevingswet echter niet meer actueel. Dat betekent dat de berekeningen in een later stadium opnieuw uitgevoerd moeten worden. 3. In 2021 zijn voor de locatie Vestaweg risicocontouren voor zowel de aanlegfase als de operationele fase berekend22. Hierin zijn de effecten van de geothermiecentrale op de PR-contouren gemodelleerd voor de locatie Vestaweg. Uit onderzoek van de Omgevinsdienst Haaglanden 23 blijkt dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 de rekenvoorschriften voor plaatsgebonden risico aangepast zijn. De ODH merkt hierover het volgende op:
21 Royal HaskoningDHV (2021), Toets milieueffecten geothermieboring Binckhorst Locatie C 22 23
Royal HaskoningDHV (2021), Toets milieueffecten geothermieboring Binckhorst Locatie C ODH, Advies externe veiligheid, Geothermiecentrale Binckhorst te Den Haag, 5 maart 2025
53
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
“Per in januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is voor een geothermiecentrale de milieubelastende activiteit (MBA) mijnbouw uit paragraaf 3.10.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing. Dit betreft een vergunningplichtige MBA waarbij het miniserie van Economische Zaken het bevoegd gezag is. In bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de MBA’s met externe veiligheidsrisico’s gecategoriseerd in categorieën A t/m E. Een mijnbouwwerk valt onder categorie E11 van Bkl-bijlage VII. Voor exploiteren van een mijnbouwwerk waarbij sprake is van een gasscheider (E11.1) dienen afstanden voor het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden berekend te worden. Voor het aanleggen of aanpassen van een boorgat met een verplaatsbaar mijnbouwwerk (E11.2) dienen alleen de afstanden voor het plaatsgebonden risico berekend te worden. Gezien voor het berekenen van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden nieuwe rekenvoorschriften zijn voorgeschreven, bestaat de kans dat de berekende afstanden verschillen ten opzichte van de afstanden die in 2021 zijn berekend. Voor een nauwkeurige en actuele bepaling van een geschikte locatie wordt daarom geadviseerd de afstanden opnieuw te berekenen.
Op grond van artikel 8.5 en 8.7 van de Omgevingsregeling dient gebruik gemaakt te worden van modules I en II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid en Safeti-NL versie 9.2. Echter staat in module II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid aangegeven dat een rekenvoorschrift nog niet beschikbaar is.” In een later stadium dienen de berekeningen van risicocontouren voor de aanleg- en exploitatiefase uitgevoerd te worden op basis van de nieuwe rekenvoorschriften.
26.3.1.3
Conclusie
Er bestaan afhankelijkheden tussen de zoeklocaties en het Gebiedsprogramma. De zoeklocaties Binckhorst Noordwest A en B zijn namelijk afhankelijk van de uitplaatsing van de bedrijven in het afvalcluster, en deze uitplaatsing is nog onzeker. Op de locatie Vestaweg zijn in het Gebiedsprogramma in totaal 380 woningen voorzien en deze kunnen niet gerealiseerd worden als hier een geothermiecentrale wordt gebouwd. En de opslag van afvalmaterialen op locatie Trekvlietplein zal moeten wijken in het geval hier een geothermiecentrale wordt gebouwd. Uit de beoordeling van de zoekgebieden komt geen duidelijke voorkeursvariant naar voren. Voor alle zoekgebieden gelden mogelijke bezwaren tegen de plaatsing van een geothermiecentrale. Een belangrijke uitkomst van het onderzoek is dat de locatie Trekvlietplein alleen haalbaar is als de putten geboord worden vóórdat de woningen aan de overzijde van het Trekvlietplein gerealiseerd worden. Echter, er worden twee doublets voorzien voor de geothermiecentrale, en het tweede doublet zal pas op termijn geboord worden. Het is daardoor niet aannemelijk dat beide doublets geboord kunnen worden voordat de woningen aan de overzijde van het Trekvlietplein gebouwd zijn.
Risico’s op geluid- en trillingsoverlast bestaan in alle zoekgebieden, en het is voor alle zoekgebieden aan te raden om de geothermieputten te boren voordat de woningen in omliggende bouwblokken bewoond gaan worden. Effecten zijn beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie en we zien daarom alleen voor de locatie Vestaweg een negatief effect op de ruimtelijke kwaliteit. Bezien vanuit de projectsituatie zien we echter ook voor de zoekgebieden op de plek van het afvalcluster een onderscheidend effect. Het is namelijk een belangrijke afweging of het wenselijker is om vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit een geothermiecentrale in een stedelijk verdichtingsknooppunt (Vestaweg) te plaatsen, of in een stadspark (Binckhorst Noordwest A & B). Deze beoordeling draagt belangrijke informatie voor de afweging tussen de zoekgebieden aan. Echter, een zorgvuldige afweging tussen wettelijke eisen, technische haalbaarheid, draagvlak, kosten en omgevingsimpact is essentieel voor de uiteindelijke keuze.
54
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
26.3.1.4
Aanbevelingen
Op basis van bovenstaande beoordeling doen we de volgende aanbevelingen: • Realiseer de geothermiecentrale en de boorputten voordat woningen in omliggende bouwblokken betrokken worden door bewoners. • Doorloop een separate planprocedure voor de geothermiecentrale. Daarbij dient een project-MER of een meraanmeldingsnotitie opgesteld te worden die alle relevante milieueffecten beschrijft. Hierin dienen de onderstaande onderzoeken minimaal plaats te vinden: – Omgevingsveiligheid: laat de risicocontouren van de geothermiecentrale en het gasoverslagstation (bij Trekvlietplein) actualiseren volgens de nieuwste rekenvoorschriften van de Omgevingswet, om beter inzicht te krijgen in de beperkingen die dit oplegt, en voer een gedetailleerde analyse uit naar het groepsrisico rondom de voorkeurslocatie om te bepalen welke maatregelen nodig zijn om de veiligheid van omliggende gebouwen en bewoners te waarborgen. – Geluid: Bereken de geluidscontouren opnieuw met de nieuwste meetmethoden van de Omgevingswet, zowel voor de boorfase als de operationele fase, om de impact op omliggende gebouwen nauwkeuriger vast te stellen. Onderzoek de haalbaarheid van geluidsbeperkende maatregelen, zoals het plaatsen van geluidswallen, stille boortechnieken of akoestische isolatie voor omliggende gebouwen.
– Trillingen: voer een gedetailleerde trillingsstudie uit voor de boor- en operationele fases van de geothermiecentrale, inclusief de impact op personen in gebouwen (SBR B-richtlijn) en eventuele trillingsgevoelige apparatuur (SBR C-richtlijn). Stel een monitoringplan op voor trillingen tijdens de boorfase, met duidelijke protocollen om overschrijdingen van acceptabele waarden te voorkomen. Onderzoek maatregelen om trillingen te beperken, zoals alternatieve boortechnieken of funderingen die trillingen dempen. – Ruimtelijke kwaliteit: voer een visuele impactanalyse uit voor alle zoeklocaties, inclusief simulaties van de geothermiecentrale in de omgeving, om de perceptie van ruimtelijke kwaliteit beter te begrijpen. – Water en bodem: onderzoek of het boren van de geothermieput leidt tot risico’s op het doorboren van afdekkende lagen tussen watervoerende pakketten en de verspreiding van grondwaterverontreinigingen. Verzeker dat alle plannen en modellen voldoen aan de eisen van de Omgevingswet, inclusief nieuwe normen voor geluid en veiligheid.
55
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
27
Tracé Vlietlijn in Sporendriehoek
27.1
Vraagstelling
27.1.1
Inleiding en context
De Sporendriehoek vormt de verbinding tussen de Binckhorst en het Central Innovation District (CID). Het is een gebied waar veel ruimtelijke functies samenkomen: er liggen op korte afstand van elkaar verhoogde viaducten voor spoorlijnen en het Schenkviaduct voor wegverkeer en de Binckhorstlaan vlecht zich op maaiveld via een bochtig en deels verdiept tracé een weg door het gebied. In dit gebied wordt de Vlietlijn ingepast. De Gebiedsvisie Vlietlijn die in dit planMER beoordeeld is, gaat uit van een inpassing op maaiveld. Er loopt echter een haalbaarheidsonderzoek naar een verdiepte tunnelligging voor de trambaan voor het deel van het tracé dat ligt tussen de kruising van de tram met de Schenktunnel en de kruising met de Supernovaweg. De uitkomsten van dit onderzoek worden samen met onder meer dit planMER gebruikt voor een keuze tussen de twee varianten. In de effecthoofdstukken van dit planMER is de maaiveldvariant beoordeeld; in dit hoofdstuk beschouwen we naast de maaiveldvariant ook de tunnelvariant. We voeren een effectbeoordeling uit voor beide varianten voor de beoordelingscriteria uit het beoordelingskader in de effecthoofdstukken die leiden tot onderscheidende milieueffecten tussen de twee varianten. De resultaten van deze beoordeling zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Dit hoofdstuk bestaat uit vier paragrafen.
In paragraaf 27.1 beschrijven we het studiegebied en de tracés van de twee beoordeelde varianten. Paragraaf 27.2 gaat in op het beoordelingskader en de beoordelingswijze. De resultaten van de effectbeoordeling worden beschreven in paragraaf 27.3. Paragraaf 27.4 bevat een totaaloverzicht van effecten met een samenvatting en conclusie.
27.1.2
Gebiedsbeschrijving
In het studiegebied lopen meerdere spoorlijnen en grote wegen. De noordoostelijke grens van het gebied wordt gevormd door de spoorlijn tussen Den Haag CS en Voorburg. De Binckhorstlaan vormt de zuidwestelijke grens. Aangrenzend en separaat van de rijbaan ligt aan weerszijden van de weg eenrichtingsfietspaden en voetpaden. Haaks op de Binckhorstlaan kruisen drie spoorviaducten en het Schenkviaduct voor wegverkeer het gebied. Deze infrastructurele lijnen verdelen het gebied in meerdere deelgebieden: • Ten noorden van het Schenkviaduct ligt ingeklemd tussen de Lekstraat en het spoor tussen Den Haag CS en Voorburg een taps toelopend gebied waar in de huidige situatie meerdere bedrijfspanden zijn gevestigd. In de richting van het Schenkviaduct ligt de Schenktunnel. Dit is een fietstunnel die onder de sporenbundel door loopt. Fietsers nemen hun fiets aan de hand de trap af om de tunnel te betreden. • Tussen de spoorlijn Den Haag CS - Voorburg, de Binckhorstlaan en het Schenkviaduct ligt het gebied LekstraatZuid. In de huidige situatie ligt hier een straat met aan weerszijden bedrijfspanden. • Tussen de spoorlijn Den Haag CS – Voorburg, Den Haag CS – Hollands Spoor en Hollands Spoor - Laan van NOI ligt een driehoekig gebied waar in de huidige situatie enkele extensieve bedrijfspanden liggen. In de punten van de driehoek ligt verrommeld groen.
• Tussen de spoorlijn Den Haag CS – Voorburg, Hollands Spoor - Laan van NOI en Hollands Spoor – Voorburg en de Binckhorstlaan ligt het Bink36 terrein. Hier liggen het cultuurhistorische waardevolle Bink36 gebouw met daarnaast een ander bedrijfspand. Verder richting het oosten ligt in de punt tussen de spoorlijnen de Bink36 Hangar.
56
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
Tussen de Spoorlijn Hollands Spoor – Voorburg, de Binckhorstlaan, de Supernovaweg en het rangeerterrein van ProRail ligt in de huidige situatie een terrein waar in de open lucht materialen van HABO opgeslagen liggen.
Figuur 27-1 Een kaart van het studiegebied voor deze variantenbeoordeling
27.1.3
Varianten
In het plangebied voor deze variantenstudie worden twee alternatieve tracés onderzocht. In Figuur 27-2 en Figuur 27-3 zijn schetsen opgenomen van de twee varianten. We beschrijven de varianten hieronder.
27.1.3.1
Maaiveldvariant
Hieronder beschrijven we het tracé van de Vlietlijn in het plangebied voor deze variantenstudie. Een kaart met het detailontwerp is te zien in Figuur 27-2De nummers in de tracébeschrijving hieronder verwijzen naar de nummers op deze kaart. 1. De Vlietlijn rijdt op het noordelijke deel van de Lekstraat over de bestaande trambaan en splitst zich ter hoogte van de splitsing met de Merwedestraat af. De trambaan maakt hier bezien vanaf Den Haag Centraal een flauwe bocht naar links en rijdt parallel aan het spoor richting de kruising met het fietspad richting de Schenktunnel. 2. De uitgang van de fietstunnel die nu met een trap vormgegeven is, wordt vervangen door een opfietsbare helling. Direct voor de kruising met deze helling wordt een halte aangelegd. Op de plek van de halte zijn nu meerdere bedrijfspanden gevestigd, deze zullen gesloopt worden. De kruising met het fietspad vindt ongelijkvloers plaats: de trambaan rijdt op maaiveld en kruist hier het fietspad dat op deze plek nog in een tunnel ligt. 3. De trambaan loopt over het oostelijke deel van deelgebied Lekstraat-Zuid verder. Bedrijfspanden in dit deel van het deelgebied zullen gesloopt worden. Richting het Bink36 terrein kruist de trambaan in een verlaagde betonnen bak het spoorviaduct van het spoor tussen Den Haag CS en Hollands Spoor.
57
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
4. Ter plekke van het Bink36 terrein stijgt de trambaan naar maaiveld en kruist hij gelijkvloers de rijbaan en het fietspad. Dit leidt tot twee belangrijke beperkingen: er is op het Bink36-terrein vanwege de inpassing van de trambaan geen ruimte voor de aansluiting van het fietspad aan de Binckhorstlaan op de Velostrada, en er is onvoldoende ruimte om de Sporendriehoek logistiek bereikbaar te houden. 5. De trambaan wordt ingepast tussen het opnieuw vorm te geven voetpad en het Bink36 gebouw. Omdat hier onvoldoende ruimte is, zal de kop van het Bink36 gebouw gesloopt moeten worden. Ten oosten van de trambaan komt op het HABO-terrein een nieuw voetpad te liggen. De Velostrada kruist hier het plangebied in noordwestelijke richting. In de maaiveldvariant is er op het Bink36-terrein vanwege de inpassing van de trambaan onvoldoende ruimte om de Velostrada aan te sluiten op het fietspad langs de Binckhorstlaan. 6. Voor de kruising met het viaduct met het spoor tussen Hollands Spoor en Voorburg wordt weer gebruik gemaakt van een verlaagde betonnen bak. Richting de kruising met de Supernovaweg daalt de trambaan nog verder, zodanig dat de tram en het wegverkeer elkaar hier ongelijkvloers kruisen. Ten zuiden van de Supernovaweg komt de trambaan weer op maaiveld te liggen. 7. Net ten noorden van de kruising van de Binckhorstlaan met de Mercuriusweg komt een halte te liggen. 8.
Aan weerszijden van de Binckhorstlaan komt in het gehele plangebied een tweerichtings fietspad en een voetpad te liggen.
Figuur 27-2 Een detailschets van het tracé van de maaiveldvariant in de Lekstraat en Sporendriehoek. De nummers verwijzen naar de locaties die in bovenstaande tekst beschreven worden
58
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
27.1.3.2
Tunnelvariant
Figuur 27-3 geeft het ontwerp van de tunnelvariant weer. De tunnelvariant wijkt op meerdere punten af van de maaiveldvariant die in paragraaf 27.1.3.1 beschreven wordt. De nummers in de tracébeschrijving hieronder verwijzen naar de nummers op de kaart. 1. De ligging van de trambaan is gewijzigd ten opzichte van de maaiveldvariant. Gezien vanaf Den Haag Centraal zijn beide varianten op het tracé langs de Lekstraat identiek. In de tunnelvariant rijdt de tram na de kruising met de uitgang van de Schenktunnel de tunnel in en vervolgt in grofweg rechte lijn zijn weg onder de Lekstraat en Sporendriehoek door. Ten zuiden van de Supernovaweg komt de trambaan weer op maaiveld te liggen, en ten zuiden van dit punt zijn beide tracés identiek aan elkaar. In deelgebied Lekstraat-Zuid wordt een tweerichtingenfietspad aangelegd. 4. De toegangsweg tot de Sporendriehoek loopt in de tunnelvariant via de Lekstraat-Zuid in plaats van via het Bink36terrein. Vanaf deelgebied Lekstraat-Zuid wordt de bestaande weg verlengd en in een bak onder de spoorboog GvGvc gelegd. 5. In vergelijking met de maaiveldvariant moet een groter deel van de kop van het Bink36-gebouw gesloopt worden voor de aanleg van de trambaan. Op het Bink36-terrein is in de tunnelvariant wel ruimte voor een aansluiting van het fietspad aan de Binckhorstlaan op de ongelijkvloers kruisende Velostrada.
De aansluiting wordt vormgegeven door middel van een grofweg parallel aan de Velostrada lopende hellingbaan die haaks aansluit op de weg naast het Bink36-gebouw. In het haalbaarheidsonderzoek naar de tunnelvariant wordt onderzocht of er ter plekke van het Bink36-terrein een ondergrondse halte aangelegd kan worden. 6. De toegangsweg tot het HABO- en Bink36-terrein is ten opzichte van de maaiveldvariant in de tunnelvariant enkele tientallen meters richting het noorden verlegd om voertuigen meer opstelruimte te geven voor de kruising. 7. Ten noorden van de Supernovaweg is het fiets- en voetpad aan de oostkant van de Binckhorstlaan ontvlochten van de rijbaan. Dit schept de ruimte om hier een tweerichtingenfietspad aan te leggen.
Figuur 27-3 Het tracé en de inrichting van de openbare ruimte voor de tunnelvariant. Bron: Ontwerpnota Vlietlijn Tunnelvariant Schetsontwerp, concept/0.1, gedateerd 18 april 2025
59
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
27.2
Beoordelingswijze en beoordelingskader
Tabel 27-1geeft het beoordelingskader voor deze beoordeling weer. We beperken ons tot de milieuaspecten waarvoor tussen zoekgebieden onderscheidende effecten optreden. We gebruiken dezelfde beoordelingscriteria als in de effecthoofdstukken van dit planMER en passen dezelfde beoordelingsschalen toe. Deze zijn te vinden in de betreffende effecthoofdstukken. Voor sommige beoordelingscriteria wijken we af van de scores die in de effecthoofdstukken in deel B van dit planMER toegekend zijn aan het Gebiedsprogramma. Dat komt doordat we hier specifiek een deel van het grotere studiegebied beschouwen. Effecten voor de Lekstraat/Sporendriehoek kunnen daardoor afwijken van de effecten voor het gehele studiegebied. Wel beoordelen we effecten, net zoals in de effecthoofdstukken, ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 27-1 Het beoordelingskader voor de variantenstudie
Aspect
Criterium
Detailniveau
Duurzame mobiliteit
Ruimte voor fietsers en voetgangers
Kwalitatief
Verkeersveiligheid
Oversteekbaarheid hoofdwegen en Vlietlijn
Kwalitatief
Doorstroming autoverkeer
Kruispuntbelasting
Kwalitatief
Bereikbaarheid
Bereikbaarheid van deelgebieden
Kwalitatief
Tramhaltes
Positionering tramhaltes
Kwalitatief
Geluid
Geluidbelast oppervlak
Kwalitatief
Trillingen
Trillingshinder
Kwalitatief
Cultuurhistorie
Effect op cultuurhistorische waarden
Kwalitatief
Bodem
Locaties met bodem- en grondwaterverontreinigingen
Kwalitatief
Openbare ruimte
Ruimte voor gebruiksfuncties in de ondergrond
Kwalitatief
Stedelijk groen & maatschappelijke voorzieningen
Beschikbaar oppervlak stedelijk groen
Kwalitatief
Toe- en afname bomen
Kwalitatief
Water
Beïnvloeding waterberging en afvoer
Kwalitatief
Beïnvloeding oppervlaktewatersysteem
Kwalitatief
Beïnvloeding grondwatersysteem
Kwalitatief
Kwaliteit openbare ruimte
Kwalitatief
Stedenbouwkundige kwaliteit
27.3
Effectbeoordeling
Hieronder beschrijven we de effectbeoordeling per beoordelingscriterium separaat voor de beide varianten. In Tabel 27-2 in paragraaf 27.4 is een totaaloverzicht van de effecten opgenomen.
27.3.1
Ruimte voor fietsers en voetgangers
Maaiveldvariant Het fietspad naast de Binckhorstlaan wordt aan weerszijden van de weg aangepast naar een tweerichtingsfietspad met een flankerend voetpad. Ten oosten van de Vlietlijn komt op het HABO-terrein tussen de Supernovaweg en het Bink 36 terrein een voetpad te liggen, en ter plekke van de monding van de Schenktunnel wordt een fietsbare helling aangelegd. Op het Bink36-terrein komt door het ruimtegebrek dat ontstaat door de inpassing van de trambaan echter alle ruimte voor fietsers en voetgangers te vervallen. Dat betekent ook dat er vanaf de Binckhorstlaan geen aansluiting op de Velostrada kan worden aangelegd. Dit is een belangrijk negatief effect ten opzichte van de tunnelvariant; in de 60
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
referentiesituatie zou deze aansluiting echter ook niet aangelegd worden. De ruimte voor fietsers en voetgangers blijft gemiddeld ongeveer gelijk ten opzichte van de referentiesituatie. De maaiveldvariant scoort daarom neutraal (0). Tunnelvariant De tunnelvariant wijkt op dit gebied op meerdere punten af van de maaiveldvariant. Op het Bink36-terrein wordt een verbinding met de Velostrada aangelegd en is ook op maaiveld ruimte voor een fiets- en voetpad. In het deelgebied Lekstraat-Zuid wordt het eenrichtings- naar een tweerichtingsfietspad opgewaardeerd, en ten zuidoosten van het Bink36-terrein wordt het fiets- en voetpad losgekoppeld van de rijbaan van de Binckhorstlaan waardoor ook hier ruimte ontstaat voor een tweerichtingsfietspad. Ook in de tunnelvariant wordt de uitgang van de Schenktunnel heringericht in de vorm van een fietsbare hellingbaan. De ruimte voor fietsers en voetgangers neemt door bovenstaande ontwikkelingen toe ten opzichte van de referentiesituatie. Daarom scoren we de tunnelvariant positief (+).
27.3.2
Oversteekbaarheid hoofdwegen en Vlietlijn
Maaiveldvariant De gelijkvloerse kruising tussen fiets- en wegverkeer op het Bink36-terrein komt te vervallen. In plaats daarvan wordt de toegangsweg verplaatst naar het HABO-terrein. Hier kruist het wegverkeer de Vlietlijn gelijkvloers. Omdat er hier meer ruimte is en een ruimtelijk beter overzichtelijke situatie voor verkeersdeelnemers dan op het Bink36-terrein in de referentiesituatie, is dit qua oversteekbaarheid en verkeersveiligheid wel een verbetering. Daarom scoort de maaiveldvariant licht positief (0/+). Tunnelvariant De kruising van de trambaan met het fietspad en de rijbaan op het Bink36 terrein is ongelijkvloers. Ook in de tunnelvariant komt de gelijkvloerse kruising tussen fiets- en wegverkeer op het Bink36-terrein te vervallen. In plaats daarvan wordt de toegangsweg verplaatst naar het HABO-terrein. Hier kruist wegverkeer de Vlietlijn ongelijkvloers, wel vindt hier een gelijkvloerse kruising met fietsverkeer plaats. Omdat er hier meer ruimte is en een ruimtelijk beter overzichtelijke situatie voor verkeersdeelnemers dan op het Bink36-terrein in de referentiesituatie, is dit qua oversteekbaarheid en verkeersveiligheid wel een verbetering. Daarom scoort de maaiveldvariant licht positief (0/+).
27.3.3
Kruispuntbelasting
Maaiveldvariant Op plekken waar gemotoriseerd verkeer de trambaan gelijkvloers kruist, vermeldt het rapport Verkeersonderzoek de Vlietlijn (2024) dat grofweg 30% van de cyclustijd gebruikt wordt voor kruisend tramverkeer. Dit betekent dat de cyclustijd in vergelijking met de referentiesituatie naar verwachting toe zal nemen. In de maaiveldvariant is de kruising van de trambaan met autoverkeer met als bestemming het Bink36 terrein Sporendriehoekgelijkvloers. Hier is dus een negatief effect op de cyclustijd voor gemotoriseerd en fietsverkeer te verwachten. Omdat de belasting van dit kruispunt naar verwachting relatief laag is, scoort de maaiveldvariant slechts licht negatief (0/-). Tunnelvariant In de tunnelvariant is de kruising met wegverkeer op het Bink36 terrein ongelijkvloers. Hier is dus geen effect op de cyclustijd te verwachten. De tunnelvariant scoort daarom neutraal (0).
27.3.4
Bereikbaarheid
Maaiveldvariant In deze variant wordt de trambaan op maaiveld ingepast in het plangebied. Dit zorgt op meerdere punten voor beperkingen in de bereikbaarheid van deelgebieden binnen het plangebied. De grootste beperking is dat er in de zuidelijke punt van deelgebied Sporendriehoek onvoldoende ruimte is om een verbindingsweg tussen het gebied en de Binckhorstlaan aan te leggen. Deelgebied Sporendriehoek wordt hierdoor feitelijk onbereikbaar gemaakt voor wegverkeer. Met name voor logistiek verkeer van NS en ProRail is dit een sterk negatief effect omdat deze organisaties de bereikbaarheid van het gebied als harde eis zien. De inpassing van de trambaan op het Bink36-terrein leidt ertoe dat de toegangsweg vanaf de Binckhorstlaan die hier in de referentiesituatie ligt, verlegd wordt naar een 61
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
nieuwe toegangsweg via het HABO-terrein direct ten noordwesten van de Supernovaweg. Het terrein blijft wel bereikbaar voor autoverkeer. Voor fietsverkeer is echter een sterk negatief effect te verwachten omdat het plangebied niet direct aangesloten kan worden op de Velostrada. Deelgebied Lekstraat-Zuid blijft bereikbaar voor auto- en fietsverkeer vanuit de noordelijke aansluiting op de Binckhorstlaan. We beoordelen op basis van bovenstaande effecten de maaiveldvariant sterk negatief (--). Tunnelvariant In de tunnelvariant wordt de trambaan ondergronds aangelegd en levert hij daardoor geen beperkingen op de bereikbaarheid van deelgebieden op. Deelgebied Sporendriehoek is bereikbaar via een nieuwe weg die in het verlengde van de weg in deelgebied Lekstraat-Zuid onder het meest westelijk gelegen spoorviaduct aangelegd wordt. Op het Bink36-terrein ontstaat ten opzichte van de maaiveldvariant en de referentiesituatie ruimte om een fietspad aan te leggen dat aansluit op de Velostrada. De toegangsweg voor autoverkeer wordt verlegd naar het HABO-terrein en komt hier iets noordelijker te liggen dan de aansluiting in de maaiveldvariant. Omdat de bereikbaarheid van deelgebied Sporendriehoek voor autoverkeer verbetert en de bereikbaarheid van het gehele plangebied voor fietsverkeer via de Velostrada verbetert, beoordelen we de tunnelvariant licht positief (0/+).
27.3.5
Positionering tramhaltes
Maaiveldvariant Tramhaltes binnen het studiegebied betreffen de halte aan de Lekstraat en die aan de kruising Binckhorstlaan/Mercuriusweg (Figuur 27-4 boven). Hierdoor neemt in vergelijking met de referentiesituatie het aantal woningen en bedrijven dat binnen het invloedsgebied voor tramhaltes ligt sterk toe. Het Bink36 terrein en de bouwblokken aan het Trekvlietplein liggen echter niet binnen 400 m afstand van een halte en liggen daardoor voor voetgangers net buiten het invloedsgebied van tramhaltes. De maaiveldvariant scoort op basis van bovenstaande positief (+). Tunnelvariant In de tunnelvariant komt mogelijk de halte aan de Lekstraat (Figuur 27-4 boven) te vervallen en wordt onder het Bink36-terrein een ondergrondse halte aangelegd (Figuur 27-4 onder). Bouwblokken aan het Trekvlietplein en het Bink36 terrein komen daardoor binnen het invloedsgebied van de tramhalte te liggen. In deze situatie wordt vrijwel de gehele Binckhorst bediend door haltes van de Vlietlijn. De tunnelvariant scoort op basis van bovenstaande sterk positief (++). In het geval er geen ondergrondse halte aangelegd wordt, blijft het HABO-kavel, het achterste gedeelte van het Bink36-terrein, en een deel van het Parkkwartier buiten de invloedsfeer van een tramhalte liggen.
27.3.6
Geluidbelast oppervlak
Maaiveldvariant De tram die in de Lekstraat en Sporendriehoek op maaiveld rijdt, voegt een geluidbron toe aan het gebied. Het geluidbelaste oppervlak neemt daardoor toe in vergelijking met de referentiesituatie. De maaiveldvariant scoort daarom negatief (-). Tunnelvariant De tram komt binnen een groot deel van het studiegebied voor deze variantenstudie ondergrondse te liggen. Op dit deel van het tracé vindt geen toevoeging van een geluidbron en van het geluidbelast oppervlak plaats. Op de delen van het tracé waar de tunnelvariant gelijk is aan de maaiveldvariant en bij de mondingen van de tunnel geldt dit echter niet. Daarom scoort de tunnelvariant licht negatief (0/-).
62
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
Figuur 27-4 Haltes in de maaiveldvariant (boven) en de tunnelvariant (onder). De invloedsgebieden van de haltes staan in cirkels aangegeven op de kaart
27.3.7
Trillingshinder
Maaiveldvariant In het trillingsonderzoek in hoofdstuk 11 van dit planMER is bouwhinder ten gevolge van aanlegwerkzaamheden niet kwantitatief onderzocht. Wel wordt gesteld dat in de aanlegfase in een 50 tot 100 m brede zone rondom de trillingsbron rekening met trillingshinder gehouden moet worden. Dit levert een negatief effect op voor de gebouwen in de Lekstraat-Zuid en het Bink36-terrein. Uit het trillingsonderzoek blijkt dat de Vlietlijn in de Lekstraat/Sporendriehoek in de referentiesituatie niet leidt tot trillingshinder in gebouwen. In een zone van 9 m aan weerszijden van de trambaan worden streefwaarden voor trillingshinder overschreden. De maaiveldvariant scoort vanwege het risico op overlast tijdens de aanlegfase licht negatief (0/-). Tunnelvariant De trillingshinder die tijdens de aanlegfase in de tunnelvariant optreedt is substantieel omvangrijker en langduriger van aard dan in de maaiveldvariant. Het aanleggen van een tunnel kost meer tijd dan de aanleg van een trambaan op maaiveld, en bovendien is zwaarder materieel nodig wat naar verwachting tot zwaardere trillingen leidt. In de gebruiksfase leidt de tunnelvariant juist tot iets minder trillingshinder. We zien het verschil met de maaiveldvariant wat betreft tijdelijke effecten echter als zwaarwegender, daarom scoort de tunnelvariant sterk negatief (--).
63
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
27.3.8
Effect op cultuurhistorische waarden
Maaiveldvariant Voor de inpassing van de Vlietlijn ter plekke van het Bink36 terrein zal de kop van het cultuurhistorisch waardevolle Bink36 gebouw gesloopt worden. De kop van het Bink36 gebouw is een integraal onderdeel van het Centrale gebouw. In de loop van de tijd is alleen de naastgelegen dienstwoning verdwenen, het Centrale gebouw heeft zijn oorspronkelijke vorm en structuur behouden. De kop van het Bink36 gebouw aan de Binckhorstlaan is hierbij een karakteristiek onderdeel van het gebouw. Aan de andere zijde van het gebouw is sprake van een vergelijkbare kop, waardoor het gebouw symmetrisch in balans is. Een ingreep waarbij de kop van het Bink36 gebouw wordt gesloopt en vervolgens opnieuw wordt gebouwd zal een sterk negatief effect hebben op het beeldbepalende Centrale gebouw, en daarmee een sterk negatief effect op het totale Bink36 complex. Daarom scoren we de maaiveldvariant zeer negatief (--). Tunnelvariant In de tunnelvariant wordt de trambaan ter plekke van het Bink36 gebouw ondergronds aangelegd. Hiervoor dient een groter deel van de kop van het Bink36-gebouw gesloopt te worden dan in de maaiveldvariant. Het is in de tunnelvariant echter wel mogelijk om de kop van het gebouw terug te bouwen. De tunnelvariant scoort daarom negatief (-).
27.3.9
Locaties met bodem- en grondwaterverontreinigingen
In de Lekstraat-Zuid en in de zone langs de Binckhorstlaan tussen de kruispunten met de Mercuriusweg en de Supernovaweg is sprake van historische bodemverontreinigingen waarvan het niet duidelijk is of ze in het verleden al gesaneerd zijn. Maaiveldvariant De verlaagde ligging van de Vlietlijn onder de viaducten is niet ter plekke van de bodemverontreinigingen. Het is daardoor niet aannemelijk dat nog niet gesaneerde bodemverontreinigingen gesaneerd zullen worden tijdens de aanleg van de Vlietlijn. De maaiveldvariant scoort daarom neutraal (0). Tunnelvariant De tunnel raakt de bodemverontreinigingen in deelgebied Lekstraat-Zuid en langs de Binckhorstlaan mogelijk. Indien hier nog niet gesaneerd bodemverontreinigingen zijn, zullen deze mogelijk gesaneerd worden tijdens de aanleg van de Vlietlijn. De tunnelvariant scoort daarom licht positief (0/+).
27.3.10
Ruimte voor gebruiksfuncties in de ondergrond
Maaiveldvariant De maaiveldvariant komt bij de kruising van twee spoorviaducten verlaagd te liggen en kruist de Supernovaweg ongelijkvloers. De trambaan heeft daardoor ruimtebeslag in de ondergrond en kan mogelijk conflicteren met andere gebruiksfuncties zoals kabels en leidingen en boomwortels. De maaiveldvariant scoort daarom licht negatief (0/-). Tunnelvariant De tunnelvariant komt over het gehele deeltracé tussen de Schenktunnel en Supernovaweg ondergronds te liggen. Daardoor is er een groter risico op conflicterende ruimteclaims met andere gebruiksfuncties. De tunnelvariant scoort daarom negatief (-).
64
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
27.3.11
Beschikbaar oppervlak stedelijk groen
Maaiveldvariant Op maaiveld wordt een trambaan met een breedte van circa 10 m aangelegd. Deze ruimte kan niet benut worden voor andere gebruiksfuncties, waaronder stedelijk groen. Omdat er ten opzichte van de referentiesituatie in het gebied ongeveer 250 m2 stedelijk groen aangelegd wordt, scoort de maaiveldvariant toch licht positief (0/+). Tunnelvariant De tunnelvariant beslaat over een lengte van circa 400 m geen ruimte op maaiveld. Mogelijk leidt dit tot kansen voor de aanleg van meer stedelijk groen in het studiegebied. De tunnelvariant scoort daarom positief (+).
27.3.12
Toe- en afname bomen
Maaiveldvariant Meerdere bomen langs de Binckhorstlaan worden gekapt of lopen schade op ten gevolge van de aanleg van de Vlietlijn en de herinrichting van het omliggende gebied. Daarnaast is tijdens de aanleg van de maaiveldvariant bronbemaling nodig. Dit kan een effect op de beschikbaarheid van grondwater voor bomen in de omgeving hebben. De maaiveldvariant scoort daarom negatief (-). Tunnelvariant De tunnelvariant neemt weliswaar minder ruimte in op maaiveld, maar dit maakt ten opzichte van de maaiveldvariant geen verschil met het effect op de aanwezige bomen in het gebied. De tunnel komt op meerdere plekken namelijk direct in conflict met de wortelstelsels van de aanwezige bomen. Uit de Bomen Effect Analyse 24 die voor de Vlietlijn is uitgevoerd blijkt dat in het gehele plangebied circa een derde van de bomen succesvol herplant zal kunnen worden. Daarnaast dient er tijdens de aanleg van de tunnel gedurende een langere periode bronbemaling toegepast worden. Deze zal in vergelijking met de werkzaamheden voor de maaiveldvariant leiden tot een groter en langdurige effect op de grondwaterstand. Het is daardoor aannemelijk dat meer bomen hierdoor getroffen worden in hun beschikking over grondwater. De tunnelvariant scoort daarom sterk negatief (--).
27.3.13
Beïnvloeding waterberging en -afvoer
Onder de Binckhorstlaan ligt een duiker die aansluit op de watergang die langs de spoordijk van de spoorlijn Gv-Laa loopt (Figuur 27-5). De duiker ligt op een diepte van circa NAP -2,0 m en heeft een diameter van 60 cm. De peilmaat bedraagt NAP -1,34 m in de zomer en NAP -1,40 m in de wintermaanden. Hieronder beschrijven we voor beide varianten in hoeverre deze duiker geraakt zal worden door de aanleg van de trambaan. Maaiveldvariant In deze variant wordt de trambaan op maaiveld aangelegd ter plekke van de kruising met de duiker. Het maaiveld ligt hier op een hoogte van circa NAP -0,4 m en ligt circa 1,6 m boven de bovenkant van de duiker. Op basis van de beschikbare informatie is het niet duidelijk of dit leidt tot een ruimtelijk knelpunt. Dit dient in de verdere uitwerking van het tracé van de Vlietlijn verder onderzocht te worden. Tunnelvariant De tunnel kruist de duiker ter plekke van het Bink36-terrein. De onder- en bovenkant van de tunnel liggen op NAP -6,2 en NAP -0,6 m, en een conflict met de duiker (circa NAP -2,0) is niet te vermijden. Om dit knelpunt op te lossen dient een sifon aangelegd te worden onder tunnel. Uit overleg met Hoogheemraadschap Delfland blijkt dat de noodzaak voor een sifon goed moet worden onderbouw volgens de Beleidsregel Kunstwerken in Wateren, en dat de duiker in deze situatie volledig vervangen zal moeten worden.
Vanwege dit knelpunt beoordelen we de tunnelvariant negatief (-).
24 De Boomingenieur (2024), Bomen Effect Analyse Tramverbinding Binckhorst en omgeving
65
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
Figuur 27-5 De duiker op het Bink36-terrein
27.3.14
Beïnvloeding oppervlaktewater
Tussen de toegangsweg tot het Bink36-terrein en de spoorlijn tussen Den Haag HS en Laan van NOI ligt een smalle watergang. Hieronder beschrijven we effecten van de inpassing van de trambaan op deze watergang. Maaiveldvariant De toegangsweg tot het Bink36-terrein wordt verlegd in zuidelijke richting. Er is echter geen effect te verwachten op het oppervlaktewater, daarom scoort de maaiveldvariant neutraal (0). Tunnelvariant De tunnelvariant leidt ertoe dat er op het Bink36-terrein een nieuw fietspad aangelegd wordt om de aansluiting op de Velostrada te realiseren. Hiervoor zal het maaiveld verhoogd worden en wordt een deel van de watergang gedempt moeten worden. Het precieze effect van de ontwikkelingen in dit gebied op de watergang zijn echter nog onduidelijk. Eventueel verloren oppervlaktewater moet in het peilgebied proportioneel gecompenseerd worden. We beoordelen de tunnelvariant vanwege het effect op het oppervlaktewater licht negatief (0/-).
27.3.15
Beïnvloeding grondwatersysteem
Maaiveldvariant Op twee plekken komt de Vlietlijn in een verlaagde betonnen bak te liggen. Dit kan leiden tot beperkte obstructie van grondwaterstromingen. Deze betonnen bakken dienen waterdicht te zijn zodat permanente grondwateronttrekking niet nodig is25. Daarom is de maaiveldvariant licht negatief (0/-) beoordeeld. Tunnelvariant De tot ruim 6 m diepe constructies in de bodem die aangelegd worden voor de tunnel kunnen leiden tot verstoringen van de grondwaterstroming. Hierdoor kunnen grondwaterstanden permanent hoger of lager worden. Het is niet onderzocht of dit effect daadwerkelijk op zal treden. Het hangt sterk af van de samenstelling van de ondergrond en het risico dat grondwater hierdoor wordt ‘ingesloten’. De mate waarin dit optreedt zal sterk afhangen van de bodem- en grondwatersituatie en de optredende neerslaggebeurtenissen. De tunnelvariant scoort vanwege het hierboven beschreven risico negatief (-).
25 Beleid over grondwateronttrekkingen van Hoogheemraadschap Delfland (Beleidsregels Grondwateronttrekkingen en infiltraties) staat het niet toe
om permanent grondwater te onttrekken. Voor grondwateronttrekkingen is (mogelijk) een omgevingsvergunning wateractiviteit nodig
66
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
27.3.16
Kwaliteit openbare ruimte
Maaiveldvariant De inpassing van de maaiveldvariant in de Sporendriehoek leidt tot verrommeling van het gebied. Deels zijn de effecten van deze verrommeling zichtbaar in de hierboven beschreven beoordelingscriteria (waaronder ruimte voor fietsers en voetgangers, oversteekbaarheid en stedelijk groen). Maar ook los van deze effecten is er een negatief effect van de Vlietlijn op de kwaliteit van de openbare ruimte. Een extra element in dit toch al volgebouwde gebied zorgt voor een nog onrustigere beleving en een nog verder rommelig aandoend beeld. Daarom is de maaiveldvariant negatief (-) beoordeeld. Tunnelvariant Op het deeltracé tussen de kruising met de Supernovaweg en de die met de Schenktunnel zijn geen effecten van de tunnelvariant op de kwaliteit van de openbare ruimte te verwachten. Buiten deze gebieden geldt dit niet en leidt de Vlietlijn tot verrommeling van het gebied. Daarom is de tunnelvariant licht negatief (0/-) beoordeeld.
27.4
Conclusies en aanbevelingen
27.4.1
Samenvatting
Tabel 27-2 vat de effectbeoordeling van de maaiveld- en tunnelvarianten samen. Tabel 27-2 De samenvattende beoordelingstabel voor de maaiveld- en tunnelvariant
Aspect
Criterium
Duurzame mobiliteit
Ruimte voor fietsers en voetgangers
0
+
Verkeersveiligheid
Oversteekbaarheid hoofdwegen en Vlietlijn
0/+
0/+
Doorstroming autoverkeer
Kruispuntbelasting
0/-
0
Bereikbaarheid
Bereikbaarheid van deelgebieden
--
0/+
Tramhaltes
Positionering tramhaltes
+
++
Geluid
Geluidbelast oppervlak
-
0/-
Trillingen
Trillingshinder
0/-
--
Cultuurhistorie
Effect op cultuurhistorische waarden
--
-
Bodem
Locaties met bodem- en grondwaterverontreinigingen
0
0/+
Openbare ruimte
Ruimte voor gebruiksfuncties in de ondergrond
0/-
-
Stedelijk groen & maatschappelijke Beschikbaar oppervlak stedelijk groen voorzieningen Toe- en afname bomen
0/+
+
-
--
Water
Beïnvloeding waterberging en afvoer
0
-
Beïnvloeding oppervlaktewatersysteem
0
0/-
Beïnvloeding grondwatersysteem
0/-
-
Kwaliteit openbare ruimte
-
0/-
Stedenbouwkundige kwaliteit
We vatten de effectbeoordelingen van de varianten hieronder samen.
67
Datum: 19 juni 2025 - Public
Maaiveld
Tunnel
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
Maaiveldvariant De maaiveldvariant is lastiger in te passen in de omgeving en leidt daardoor tot verscheidene knelpunten. Het is niet mogelijk om een toegangsweg voor wegverkeer aan te leggen naar het deelgebied Sporendriehoek, terwijl de bereikbaarheid van dit gebied voor logistiek verkeer een harde eis vanuit ProRail en NS is. Daarnaast kan op het Bink36-terrein voor fietsverkeer de aansluiting van het plangebied op de Velostrada niet aangelegd worden. Vanuit mobiliteit bezien is de verlegde toegangsweg voor autoverkeer voor dit deelgebied in de richting van het HABO-kavel wel positief te bezien omdat het leidt tot een ruimtelijkere en overzichtelijkere kruising met de Binckhorstlaan. Een ander positief effect is dat de monding van de Schenktunnel heringericht wordt tot een fietsbare helling De tram leidt tot meer geluidoverlast en meer verrommeling in de directe omgeving, en er is minder ruimte voor andere gebruiksfuncties op maaiveld (zoals stedelijk groen). Ook moet de kop van het cultuurhistorisch waardevolle Bink36 gebouw gesloopt worden. Daarnaast neemt het aantal woningen en bedrijven binnen het invloedsgebied van tramhaltes toe, wat een positief effect heeft op de toegankelijkheid. Het Bink36 terrein en Trekvlietplein blijven echter net buiten het invloedsgebied van de tramhaltes liggen.
Tunnelvariant De tunnelvariant wordt voor een groot deel ondergronds aangelegd, waardoor minder knelpunten op maaiveld optreden. De tram kruist het wegverkeer van en naar het HABO- en Bink36-terrein ongelijkvloers waardoor hier geen effect op de oversteekbaarheid en kruispuntbelasting plaatsvindt ten opzichte van de referentiesituatie en maaiveldvariant. De ondergrondse ligging zorgt ervoor dat deelgebied Sporendriehoek via deelgebied Lekstraat-Zuid bereikbaar gemaakt kan worden voor wegverkeer, en zorgt er op het Bink36-terrein ook voor dat voor fietsverkeer het plangebied aangesloten kan worden op de Velostrada. Omdat de tram grotendeels ondergronds ligt, is vergeleken met de maaiveldvariant minder geluidproductie te verwachten, en er blijft op maaiveld mogelijk meer ruimte over voor het toevoegen van stedelijk groen dan geldt voor de maaiveldvariant. Daarnaast leidt de mogelijke ondergrondse halte onder het Bink36-terrein ertoe dat nieuwe bedrijfsruimte op het Bink36 terrein en de woningen op het Trekvlietplein binnen het invloedsgebied van de Vlietlijn komen te liggen. Aspecten waarop de tunnelvariant slechter scoort dan de maaiveldvariant zijn er echter ook. Tijdens de aanleg van de tunnel kan diepe bronbemaling voor groeischade aan bomen in de omgeving zorgen, en de tunnel kan permanent tot verstoringen van grondwaterstromingen en veranderende grondwaterpeilen leiden.
Een groter deel van de kop van het Bink36-gebouw moet gesloopt worden voor de aanleg van de tunnel. Wel kan het gebouw hersteld worden. De aanleg van de tunnel leidt tot aanzienlijk meer en langduriger trillinghinder voor de omgeving en het grotere ondergrondse ruimtebeslag verhoogt het risico op conflicten met kabels, leidingen en boomwortels. Een voorbeeld hiervan is de kruising met de duiker die de Binckhorstlaan oversteekt ter plekke van het Bink36-terrein. Hiervoor zal een sifon moeten worden aangelegd. Ook is een negatief effect op het oppervlaktewater op het Bink36-terrein te verwachten, mogelijk zal een deel hiervan gedempt moeten worden.
27.4.2
Kennisleemten
Voor dit onderzoek noteren we de volgende kennisleemten: • Het haalbaarheidsonderzoek naar de tunnelvariant loopt op het moment van schrijven (juni 2025) nog en zal niet afgerond worden voordat dit planMER ter inzage wordt gelegd. Inzichten uit dit onderzoek hebben we dus niet kunnen verwerken in dit hoofdstuk. • Onderdeel van de haalbaarheidsstudie naar de tunnelvariant is een onderzoek naar een verplaatsing van de tramhalte aan de Lekstraat naar een ondergrondse tramhalte onder het Bink36 terrein. • Het is op basis van het beschikbare ontwerp van de maaiveldvariant niet duidelijk of er een knelpunt optreedt tussen de trambaan en de duiker die aansluit op de watergang die langs de spoordijk van de spoorlijn Gv-Laa loopt (Figuur 27-5). Dit dient in de verdere uitwerking van het tracé van de Vlietlijn verder onderzocht te worden. • De tot ruim 6 m diepe constructies in de bodem die aangelegd worden voor de tunnel kunnen leiden tot verstoringen van de grondwaterstroming. Hierdoor kunnen grondwaterstanden permanent hoger of lager worden. Het is niet onderzocht of dit effect daadwerkelijk op zal treden omdat het detailniveau van een dergelijk onderzoek niet passend is bij een planMER zoals dit.
68
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
27.4.3
Conclusie
Het is op voorhand op basis van de effecten op milieu en leefomgeving niet te stellen dat één van beide varianten duidelijk de voorkeur heeft. De gemiddelde score voor de tunnelvariant is iets positiever dan voor de maaiveldvariant, maar het verschil is klein. Daarnaast scoort de maaiveldvariant op sommige beoordelingscriteria beter dan de tunnelvariant. In dit hoofdstuk hebben we ons beperkt tot een beoordeling van de effecten op milieu en leefomgeving van de twee varianten.
27.4.4
Aanbevelingen
Op basis van het onderzoek in dit hoofdstuk doen we de volgende aanbevelingen: • De tunnel- en maaiveldvarianten hangen sterk samen met mogelijkheden voor het programma op maaiveld (zie ook hoofdstuk 28 Programma Sporendriehoek). De inpassing van de trambaan op maaiveld leidt tot grote knelpunten, waaronder het onbereikbaar maken van deelgebied Sporendriehoek waar gezocht wordt naar ruimte voor circa 3 tot 9 ha aan bedrijfsruimte. De verdere uitwerking van de maaiveld- en Sporendriehoek dient plaats te vinden in samenhang met de gebiedsontwikkeling in het plangebied. • Voer een gedetailleerde kostenanalyse uit voor beide varianten, inclusief aanleg, onderhoud en eventuele mitigerende maatregelen voor negatieve effecten (zoals bronbemaling bij de tunnelvariant). • Onderzoek de technische haalbaarheid van de tunnelvariant, vooral met betrekking tot grondwaterstromingen, kabels, leidingen en boomwortels • Analyseer hoe de toegankelijkheid en veiligheid van fiets- en voetgangersroutes bij beide varianten verder verbeterd kan worden. • Voer een gedetailleerd onderzoek uit naar de effecten van bronbemaling en de mogelijke verstoring van grondwaterstromingen bij de tunnelvariant en formuleer maatregelen om negatieve effecten op bomen en ecologie te beperken.
• Onderzoek welk effect in de tunnelvariant optreedt op het oppervlaktewater op het Bink36-terrein en compenseer een eventuele demping van een deel van het water proportioneel elders in hetzelfde peilgebied. • Onderzoek de impact op het Bink36-gebouw in beide varianten te minimaliseren. • Analyseer hoe de stedenbouwkundige kwaliteit en openbare ruimte in beide varianten geoptimaliseerd kan worden.
69
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
28
Beoordeling Programma Sporendriehoek
28.1 Inleiding 28.1.1
Inleiding en context
De Sporendriehoek vormt de verbinding tussen de Binckhorst en het Central Innovation District (CID). In beide gebieden is de gemeente Den Haag op zoek naar ruimte voor verdere verstedelijking, en de Sporendriehoek en het zuidelijke uiteinde van de Lekstraat zijn in beeld als zoekgebieden voor bedrijvigheid, kantoren en (deels) woningen. In dit gebied wordt de nieuwe Vlietlijn ingepast, en aan de Lekstraat komt een nieuwe tramhalte te liggen. Vanwege de gunstige ligging van de Sporendriehoek, lokaal ten opzichte van deze halte en in brede zin ten opzichte van de treinstations in de omgeving, ziet de gemeente Den Haag dit als een kansrijk gebied voor nieuwe woningen en kantoren. De gebiedsontwikkeling die mogelijk is in het gebied, is afhankelijk van het tracé van de Vlietlijn. Er is namelijk nog sprake van twee varianten voor de tram. De eerste is een maaiveldvariant, waarbij de tram op maaiveld, maar ter hoogte van de spoorviaducten wel in een tweetal verdiepte bakken, in het gebied gevlochten wordt. Van deze variant wordt uitgegaan in de 60%-versie van het SO+ voor de Vlietlijn. Eind 2024 is daar een tunnelvariant aan toegevoegd, waarbij over de gehele lengte van het tracé een tunnel voor de Vlietlijn aangelegd wordt. Op het moment van schrijven (juni 2025) vindt een nader onderzoek naar de haalbaarheid van deze variant plaats.
Binnen het gebied wordt op vier plekken gezocht naar mogelijkheden om woningen en/of werkplekken toe te voegen. Indien locaties kansrijk lijken en de gemeente ontwikkelingen in deze gebieden door wil zetten, zullen ze onderdeel worden van de Gebiedsprogramma of worden ze meegenomen in de aanpassing van het omgevingsplan. Ontwikkelingen in het gebied bevinden zich nog in een verkennende fase en voor deze beoordeling gaan we uit van de bandbreedtes aan programma die aangeleverd zijn door de gemeente. Op basis hiervan stellen we twee varianten op: een minimale variant die uitgaat van de onderkant van de bandbreedte van het potentieel te realiseren programma, en een maximale variant die uitgaat van de bovenkant van de bandbreedte. In dit hoofdstuk beoordelen we welke milieueffecten voor het programma in de Lekstraat/Sporendriehoek optreden. We beperken de reikwijdte van deze beoordeling tot de beoordelingscriteria uit de effecthoofdstukken van het planMER die tot een onderscheidend verschil leiden tussen de varianten onderling en ten opzichte van de referentiesituatie. Dit hoofdstuk bestaat uit vier paragrafen. In paragraaf 28.2 beschrijven we het studiegebied en de bandbreedtes voor de inrichting van de Lekstraat/Sporendriehoek. Paragraaf 0 gaat in op het beoordelingskader en de beoordelingswijze. De resultaten van de effectbeoordeling worden beschreven in paragraaf 0.
Paragraaf 0 bevat een totaaloverzicht van effecten met een samenvatting en conclusie.
28.1.2
Beschrijving van de activiteit
Binnen de Lekstraat/Sporendriehoek wordt op vier plekken gezocht naar ontwikkelmogelijkheden (de nummers verwijzen naar de nummers in paragraaf 28.2: 1. Lekstraat-Zuid: Het gebied dat ingeklemd is tussen de Binckhorstlaan, de Lekstraat/het Schenkviaduct en de spoorlijn tussen Den Haag Centraal en Hollands Spoor. Dit gebied is nu ingericht als bedrijvengebied, met onder meer een autosloperij en een wasserij. Het gebied is ontsloten via de Lekstraat. 2. Sporendriehoek: Het gebied dat hier tegenover ligt en ingeklemd wordt door de spoorlijn tussen Den Haag Centraal en Hollands Spoor, de spoorlijn tussen Den Haag Centraal en Rijswijk, en de spoorlijn tussen Laan van NOI en Hollands Spoor. Ook dit gebied is in de huidige situatie ingericht als bedrijvengebied, met onder meer een autodealer en een sportvoedingswinkel. Het gebied is ontsloten via de afrit van de Binckhorstlaan ter hoogte van het Bink36 gebouw.
70
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
3. Bink36 (achterterrein): Het gebied dat wordt omsloten door de spoorlijn tussen Den Haag Centraal en Rijswijk, de spoorlijn tussen Hollands Spoor en Rijswijk, de Binckhorstlaan en het spoor tussen Hollands Spoor en Laan van NOI. Hier liggen in de huidige situatie het BINK36 gebouw met bijbehorende parkeerterrein en het Hangar 36 gebouw. Dit is een eenlaags bedrijfsgebouw waar meerdere bedrijven gevestigd zijn, het ligt in de punt van de sporen tussen Rijswijk en Den Haag Centraal/Hollands Spoor. Het programma in dit gebied is voorzien op de plek van het Hangar 36 gebouw. Het gebied is ontsloten via de weg die langs het Bink36 gebouw loopt en die uitkomt op de Binckhorstlaan. 4. HABO kavel: Het gebied dat ingeklemd wordt door de Binckhorstlaan, de Supernovaweg, de kop van het rangeerterrein, en de spoorlijn tussen Hollands Spoor en Rijswijk. In de huidige situatie is hier de Haagse Bouwmaatschappij (HABO) gevestigd die het terrein voor de opslag van bouwmaterialen gebruikt. Ook loopt de toegangsweg tot het rangeerterrein door het gebied. Het gebied is ontsloten via de Binckhorstlaan.
Figuur 28-1 De zoekgebieden voor woningen en kantoren in de Lekstraat en Sporendriehoek. Deelgebied Lekstraat-Noord komt te vervallen als bedrijventerrein
71
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
28.1.3
Varianten
In deze vier gebieden zoek de gemeente Den Haag naar mogelijkheden voor het realiseren van een programma. Dit zal bestaan uit een mix van lagere en hogere gebouwen waarin afhankelijk van het deelgebied kantoren, bedrijven, voorzieningen, woningen, cultuur en horeca geprogrammeerd wordt. In het Procesboek Sporendriehoek schetst de gemeente de omvang van het potentiële programma in ieder van de vier deelgebieden. Tabel 28-1 vat dit samen. In de tabel is het totaaloppervlak in m2 vloeroppervlak weergegeven voor de tot de categorie arbeidsplaatsen gebundelde functies kantoren, bedrijven en voorzieningen. Ook is het vloeroppervlak van woningen gebruikt om het aantal woningen te berekenen, uitgaande van een gemiddeld vloeroppervlak van 80 m2 per woning. Uit de aangeleverde informatie is niet op te maken hoeveel arbeidsplaatsen er gerealiseerd worden in het gebied. Uitgaande van een gemiddelde van 20 m2 per arbeidsplaats hebben we in Tabel 28-1 een grove inschatting gedaan. We gaan ervan uit dat de variant Minimaal programma in ieder deelgebied bestaat uit de ondergrens van de bandbreedte van het programma en de variant Maximaal programma bestaat uit de bovengrens. In totaal worden er in de variant Minimaal programma dus in de vier deelgebieden gezamenlijk ruim 83.000 m2 aan bedrijfsruimte, kantoren en horeca (grofweg 4.200 arbeidsplaatsen) en 160 woningen gerealiseerd.
In de variant Maximaal programma worden 207.000 m2 aan bedrijfsruimte, kantoren en horeca (grofweg 10.400 arbeidsplaatsen) en 310 woningen gerealiseerd. Tabel 28-1 Het m2 aan arbeidsplaatsen (categorieën kantoren, bedrijvigheid en voorzieningen) en het aantal woningen in de Lekstraat/Sporendriehoek voor de variant Minimaal programma en de variant Maximaal programma
Deelgebied
Variant Minimaal programma Arbeidsplaatsen m2
Aantal
Variant Maximaal programma
Woningen (aantal)
Arbeidsplaatsen
Woningen (aantal)
m2
Aantal 1.250
N.v.t.
Bink 36 (achterterrein)
6.000 m2
300
N.v.t.
25.000 m2
HABO kavel
33.275 m2
1.660
120 woningen
53.000 m2
2.650
210 woningen
Lekstraat Zuid
15.000 m2
750
40 woningen
35.000 m2
1.750
100 woningen
Sporendriehoek26
29.400 m2
1.470
N.v.t.
94.000 m2
4.700
N.v.t.
Totaal
83.675 m2
4.180
160 woningen
207.000 m2
10.350
310
72
Datum: 19 juni 2025 - Public
PLANMER INTERGEMEENTELIJK GEBIEDSPROGRAMMA DE VLIETLIJN EN DOORONTWIKKELING BINCKHORST
Maaiveld- en tunnelvariant Vlietlijn In de Lekstraat/Sporendriehoek wordt de Vlietlijn ingepast. Hiervoor worden twee varianten onderzocht: een maaiveldvariant waarbij de trambaan op maaiveld ingepast wordt, en een tunnelvariant waarbij de Vlietlijn vanaf de kruising met de Schenktunnel tot voorbij de kruising met de Supernovaweg in een circa 6 m diepe tunnel ligt (zie onderstaande schetsen). In deze variantenstudie gaan we ervan uit dat de tunnelvariant aangelegd wordt omdat deze in grotere mate de benodigde ruimte voor het programma op maaiveld schept. We gaan uit van de versie van 5 februari 2025 met projectnummer M0004967, versie 1.0.
Maaiveldvariant
Tunnelvariant
28.2 Beoordelingswijze en beoordelingskader Tabel geeft het beoordelingskader voor deze beoordeling weer. We beperken ons tot de milieuaspecten waarvoor tussen zoekgebieden onderscheidende effecten optreden. We gebruiken dezelfde beoordelingscriteria als in de effecthoofdstukken van dit planMER en passen dezelfde beoordelingsschalen toe. Deze zijn te vinden in de betreffende effecthoofdstukken. Voor sommige beoordelingscriteria wijken we af van de scores die in de effecthoofdstukken in deel B van dit planMER toegekend zijn aan het Gebiedsprogramma. Dat komt doordat we hier specifiek een deel van het grotere studiegebied beschouwen. Effecten voor de Lekstraat/Sporendriehoek kunnen daardoor afwijken van de effecten voor het gehele studiegebied. Wel beoordelen we effecten, net zoals in de effecthoofdstukken, ten opzichte van de referentiesituatie. We beschouwen niet ieder deelgebied afzonderlijk, maar hebben de beoordeling uitgevoerd voor het geheel van de vier deelgebieden in de Lekstraat/Sporendriehoek.