CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS322877 Bijlage Onderzoek De inschatting van de kansen op werk van nieuwe bijstandsgerechtigden in Den Haag

Commissie Samenleving 2 oktober 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken23.802 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3. Alleenstaande ouders die PPS invullen — de kansrijkere groep — worden vaker onderschat

terecht. Hetzelfde geldt voor mensen die bijvoorbeeld nog recht hebben op WW en aanvullend bijstand krijgen.

Voor een deel lijken de achtergrondkenmerken van de over-, onderen juist ingeschatte mensen die de PPS invulden op die van de totale

Figuur 2.2 Uitkeringsduur en parttime werk voor verschillende inschattingen door de dienst

instroom, zij het soms wat uitgesprokener. Van jonge vrouwen,

(percentages)

alleenstaande ouders (moeders) met jonge kinderen wordt de

Uitkeringsduur

arbeidsmarktkans vaker onderschat (zie tabel B2.2 in bijlage 2). Bij de overschatte groep zien we vooral dat zij vaker jonge kinderen hebben, wat overeenkomt met het beeld in de totale instroom. In hoofdstuk 3

Overschat 5%

95%

Overschat

Goed: Participatie 1%

99%

Goed: Participatie

Onderschat

komen de verschillen tussen de onder- en overschatte groepen verder

49%

Goed: Werk

aan bod aan de hand van extra informatie uit de PPS, zoals het recente

51% 82%

0%

arbeidsverleden.

Inkomsten uit werk

20%

40%

< 2 jaar

18%

60%

> 2jaar

80% 100%

56% 28%

44% 72%

Onderschat

58%

42%

Goed: Werk

57%

43%

0%

20% 40% 6 0% 80% 100%

parttime werk

geen parttime

Bron: Socrates, Raak 2016-2023

Er lijkt dus wel sprake van een zeker automatisme in het routeren van

In figuur 2.2 is gekeken naar indicatoren voor een aantal van de afspraken

groepen bijstandsgerechtigden, zoals de vrouwen en 40-plussers die vaker

over welke dienstverlening voor wie ingezet wordt, te weten de uitkerings-

correct naar Participatie gaan, en alleenstaande mannen vaker via re-inte-

duur (of vast te kunnen stellen of men binnen 18 maanden aan het werk

gratie werk vinden. Alleenstaande ouders (vooral moeders) lijken vooral te

ging) en of men parttime werk heeft op het moment van instroom.

worden overschat en gaan via DHW naar Participatie. Deze “overschatting”,

Een belangrijk instroomcriterium voor DHW is dat een bijstandsgerechtigde

kan zowel wijzen op te hoge verwachtingen van het arbeidspotentieel als

binnen 18 maanden aan het werk moet kunnen. Omdat in de praktijk blijkt

21

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

dat dit vaak toch wat langer duurt — zo stelde Berenschot (2022) vast dat

tie zitten, heeft een parttimebaan. Er is met deze gegevens dus geen

dat ongeveer voor een derde van de re-integratietrajecten gold — wordt in

duidelijk patroon te ontdekken, waarom de ene bijstandsgerechtigde met

de figuur gekeken naar 24 maanden.7 Te zien is dat ongeveer de helft van de

parttime werk in de ene dan wel de andere categorie valt. Ook specifiek bij

groep wiens potentieel werd onderschat binnen twee jaar toch werk vond

de parttimers blijkt de over- en onderschatting voor de meerderheid vanaf

(figuur 2.2, links). De andere helft deed daar langer dan twee jaar over, maar

het begin van de dienstverlening plaats te vinden. 77 procent van de

ook zij vonden tegen de verwachtingen in uiteindelijk een baan. 18 procent

onderschatte parttimers werd namelijk rechtstreeks naar Participatie

van de groep waarvan de kansen wel op waarde geschat werd, deed er even-

gerouteerd. Voor zij uitstromen naar werk, gaat van de onderschatte

eens langer dan twee jaar over. Als inschatting van de uitkeringsduur een

parttimers bijna de helft in tweede instantie toch naar DHW. Een kleiner

criterium is, roepen deze cijfers de vraag op wat de redenen zijn waarom

aandeel blijft bij Participatie of komt uiteindelijk via DHW bij Participatie.

deze 18 procent wel, en de meerderheid van de onderschatte groep hele-

Voor de overschatte parttimers geldt dat 83 procent bij instroom direct naar

maal geen of in eerste instantie geen re-integratiedienstverlening aangebo-

DHW ging: een derde van hen verblijft eind 2023 nog steeds daar, de rest

den kreeg, zoals in de vorige paragraaf bleek. De groep van wie het potenti-

ging naar Participatie.8

eel overschat werd, heeft daarentegen juist overwegend een langere uitkeringsduur, die overeenkomt met die van de (correct ingeschatte)

We zagen dat bij de totale instroom de arbeidsmarktkans van alleenstaan-

participatiedoelgroep.

de ouders vaker overschat wordt, en die van de kansrijkere alleenstaande ouders juist onderschat (zie gele kader 3). Een andere afspraak heeft

Zoals gezegd, is de afspraak dat mensen met parttime werk en aanvullende

betrekking op het aantal (jonge) kinderen op het moment van instroom in

bijstand voor wie urenuitbreiding en daarmee uitstroom (nog) niet

de bijstand. Alleenstaande ouders kunnen ervoor kiezen, als zij kind(eren)

mogelijk is, bij de afdeling Participatie terechtkomen. Recent onderzoek

hebben tot 5 jaar, om hun re-integratieplicht in te vullen met een scho-

naar bijstandsgerechtigden die werk vonden vanuit deze afdeling, toonde

lingsplicht. Ouders worden hier niet actief op gewezen en moeten zelf

aan dat een deel van de uitstroom naar werk op hun conto te schrijven is

aangeven scholing te willen volgen. In de praktijk betekent dit zeer waar-

(Bos en Otte 2023). Op basis van deze afspraak zou je verwachten dat

schijnlijk dat er weinig ouders zullen zijn die scholing volgen en dat zij de

parttimers vooral in de categorieën goed ingeschat naar werk (degenen die

facto vrijgesteld worden van de re-integratieverplichting, naar Participatie

uitstromen) en overschat (i.e. via DWH naar Participatie) te vinden zijn.

gaan en daar ook vaak zullen blijven. Er is geen duidelijk patroon te zien in

Kijken we naar de verdeling over de verschillende categorieën in figuur 2.2

de inschatting van kansen van alleenstaande ouders van wie het jongste

(rechts), dan blijkt dat tegen de 60 procent van zowel de over- als de

kind jonger dan 5 jaar is (figuur 2.3, links). De onderschatte alleenstaande

onderschatte groep parttime werk heeft en dat dit overeenkomt met het percentage van de groep van wie de kansen op werk op waarde werden

8 Een andere afspraak is dat mensen die nog recht hebben op een WW-uitkering (nog) geen re-integratiedienstverlening vanuit de gemeente krijgen. Om dit na te gaan is per categorie gekeken of de nieuwe

geschat. Bijna een derde van de mensen die correct bij de afdeling Participa-

instroom van 2016-2020 inkomsten uit andere uitkeringen heeft. Als de afspraak nageleefd wordt, zou je verwachten dat deze mensen vooral in de categorieën “goed ingeschat: Participatie” en “onderschat”

7 Ook voor dit onderzoek geldt dat zelfs voor de bijstandsgerechtigden wiens kansen op werk goed

vallen. Dit is niet het geval: rond de 20 procent van de categorieën waar de inschatting niet helemaal

ingeschat werden, een kwart langer dan 18 maanden nodig had om uit te stromen naar werk en 73

goed gaat, heeft inkomsten i.v.m. werk. Dit geldt voor 15 procent van de categorie “goed ingeschat:

procent van de mensen die binnen twee jaar uitstroomden bij DHW vandaan kwamen.

Participatie” en 12 procent van “goed ingeschat: DHW”.

22

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

ouders vinden werk en doen daar gemiddeld 20 maanden over. Zij voldoen

kansen voor iedereen even makkelijk of moeilijk zzijn, zouden we daarin

dus min of meer aan het instroomcriterium van DHW om binnen 18

geen verschillen in moeten vinden. Uit figuur 2.4 blijkt dat dit ook tot op

maanden werk te vinden. Een kwart van hen heeft op het moment van

zekere hoogte waar is. De inschatting van de kansen is in 61 procent van de

uitstroom nog steeds kinderen van 5 jaar. Ongeveer even grote aandelen

gevallen correct. Hiervan gaat meer dan de helft naar DHW en de rest naar

zien we terug bij alle inschattingscategorieën. De leeftijd van kinderen lijkt

Participatie. Mensen met partner én kind worden ongeveer net zo vaak

dus maar een beperkte rol te spelen in wat de dienst verwacht van alleen-

correct ingeschat, al gaan zij vaker, vooral de vrouwen, richting Participatie.

staande ouders, en of zij daadwerkelijk aan het werk kunnen of niet. Het

Het hebben van kinderen bemoeilijkt de inschatting niet meer of minder

feit dat zij alleenstaande ouder zijn doet dat wel. In de volgende paragraaf

dan voor andere bijstandsgerechtigden. De voorspelling blijkt lastiger voor

zoomen we daarom verder in op mensen met kinderen. Voor alle ouders,

alleenstaande ouders, en dan vooral de alleenstaande moeders. Bij hen is de

zowel alleenstaand als met partner, is het aantal kinderen niet van invloed

kans dat hun potentieel goed wordt voorspeld (bijna) fifty-fifty (55 procent).

op de verwachting van hun arbeidspotentieel (figuur 2.3, rechts).

Hun potentieel wordt zowel onder- als overschat (figuur B2.3, bijlage 2).

Figuur 2.3 Jonge kinderen (tot 5 jaar) bij instroom (alleenstaande ouders, links); aantal kinderen

Figuur 2.4 Juiste Inschatting van de kansen van mannen en vrouwen per gezinssituatie

bij instroom (alle ouders, rechts)

(percentages)

Aantal kinderen Overschat

Overschat

48%

52%

Onderschat

53%

47%

Onderschat

90%

10%

Goed: Participatie

55%

45%

Goed: Participatie

88%

12%

44%

Goed: Werk

92%

8%

Goed: Werk

56% 0%

20%

Geen jonge kinderen

40%

60%

80% 100%

Wel jonge kinderen

89%

0%

80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 1 0% 0%

11%

20% 40% 60% 80% 100%

2 of minder k inderen

3 of meer k inderen

67%

58%

55%

59%

60%

64%

68%

Al le en s

ta an Al de le (M Al e n le ) st en a an st de aa nd (V Al eo ) le en u de st aa r( nd M ) eo Ge ud er z in (V m ) et k Ge in d z in (M m ) Ge et z in kin zo d (V nd ) er Ge kin z in d zo (M nd ) er kin d (V )

Bron: Socrates, Raak 2016-2023

61%

2.3.3 Inschatting van kans op werk met (jonge) kinderen Het hebben van kinderen zonder dat er een partner is lijkt de voorspelling van de kans op werk dus te bemoeilijken. In deze paragraaf kijken we naar

Werk

de inschatting van de dienst bij het wel of niet hebben van kinderen, per gezinssituatie en voor mannen en voor vrouwen. Als het inschatten van de

Bron: Socrates, Raak 2016-2023

23

Participatie

Goed ingeschat

61%

To ta al

Kind(eren) < 5 jaar

Juiste inschatting

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

2.4 Het PPS-advies

4. Inschatting van (alleenstaande) moeders uit de PPSgroep

Voor de vervolgdienstverlening zijn de instroomcriteria en de inschattingen van medewerkers leidend. De PPS en het advies dat daaruit volgt zijn vooral

Als we weer inzoomen op de kansrijkere helft van de nieuwe instroom

ondersteunend hieraan. In figuur 2.5 zien we hoe vaak de voorspelling van de

— de groep met PPS — zien we de dat de inschatting vooral bij

dienst voor de totale instroom correct is, hoe vaak het goed gaat voor de

(alleenstaande) moeders lastig is. Zij worden zowel vaker onder- als

bijstandsgerechtigden die de PPS invulden en hoe vaak het PPS-advies juist is.

overschat. In tegenstelling tot de totale instroom, waar alleenstaande

De inschatting van de dienst is voor 61 procent van de totale instroom juist

moeders met name worden overschat (zie bijlage 2, figuur B2.3),

en voor 63 procent van de mensen met een PPS. Het PPS-advies blijkt het iets

worden moeders met partner hier eveneens vaker onderschat. Het

vaker bij het juiste eind te hebben, namelijk in 69 procent van de gevallen. In

lijkt er dus op dat de taxatie van het potentieel van de kansrijkere

absolute aantallen gaat het om ruim 400 mensen uit de kansrijke helft van

moeders ongeacht de aanwezigheid van een partner, lastiger is.

de nieuwe instroom van wie in de onderzoeksperiode het PPS-advies

Mensen zonder kinderen, zowel alleenstaand als met partner, worden

mogelijk een beter uitgangspunt was dan de voorspelling door de dienst.

vaker goed ingeschat.

Voor de totale nieuwe instroom geldt dit zelfs voor bijna 1.100 mensen.

Over- en onderschatting van mannen en vrouwen per gezinssituatie Onderschat

Figuur 2.5 PPS-advies en inschattingen dienst vergeleken

I n s c h a tt i n g P P S e n d i e n s t 80%

Overschat

70%

10% 5% 0% -5%

69% 61%

60% 1% 1% -3%

-3%

1% -2%

5%

4%

2% 1% 4% 1%

-6%

48%

50%

1%

36%

40%

0% -2%

30%

26%

63% 46%

2 0%

-10% Al lee ns ta an de Al (M lee ) ns Al t lee aa nd ns e( ta an V) de Al ou lee de ns r( ta M an ) de ou de Ge r( zin V) m et kin d Ge (M zin ) m e tk Ge ind zin zo (V ) nd er kin Ge d zin (M zo ) nd er kin d (V )

10%

19%

15%

17%

22% 20%

17%

16%

20%

0% Goed ingeschat

Goed: Werk Onderschat

Dienst (totale instroom) Bron: Socrates, Raak 2016-2023 en PPS 2016-2020

24

Goed: Overschat Participatie

Dienst (PPS)

PPS

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

2.5 Samenvatting

en de mensen die naar Participatie gaan en daar blijven. Voor de bijstands-

Voor de meerderheid van de nieuwe instroom worden de kansen op de

gerechtigden voor wie deze inschatting lastiger blijkt, is het beeld diffuser.

arbeidsmarkt goed voorspeld. Toch blijkt dit voor 4 van de 10 nieuwe

Zowel de onder- als de overschatting start vaak bij instroom in de bijstand

bijstandsgerechtigden lastig. Zo’n 2.600 mensen die instroomden in de

en wordt voor een groot deel van de onderschatte groep niet meer bijge-

periode 2016-2020 werden onderschat door de dienst. De onderschatting

steld. Bijna de helft van de onderschatte groep lukt het binnen 2 jaar uit te

start bij de instroom en zet zich deels voort in de verdere dienstverlening.

stromen naar werk, terwijl dit de overgrote meerderheid van de overschatte

Het potentieel ongeveer evenveel mensen (ruim 2.600) lijkt op enig mo-

groep na (meer dan) 2 jaar re-integratiedienstverlening niet lukte. Het roept

ment te worden overschat. Deze overschatting speelt vanaf het begin van de

de vraag op of het de andere helft van de onderschatte groep ook niet gelukt

dienstverlening, maar wordt later vaak gecorrigeerd doordat deze bij-

was binnen (en niet ná) 2 jaar werk te vinden als ze de juiste dienstverlening

standsgebruikers uiteindelijk toch naar Participatie gaan. Hoewel het

op het juiste moment hadden ontvangen. Voorspellen wie wel en wie niet

aanbieden van ondersteuning bij re-integratie aan een brede doelgroep

binnen 18 maanden aan het werk kan, blijkt lastig voor een aanzienlijk deel

met de daarbij behorende overschatting minder problematisch is dan het

van de instroom. De onder- en overschatte groepen werken ongeveer even

onderschatten van het potentieel, is overschatten minder onschuldig dan

vaak parttime en hebben dus aanvullend bijstand: de reden waarom de één

het op het eerste oog lijkt. Waar de bijstandsgerechtigden die onderschat

bij DHW terechtkomt en de ander direct naar Participatie gaat is op basis

worden helemaal geen ondersteuning bij re-integratie kregen, is de vraag

van deze cijfers onduidelijk. Ook vindt een kwart van de alleenstaande

bij de overschatte groep of zij wel de juiste ondersteuning kregen. Dat

ouders die direct naar Participatie gaan uiteindelijk werk en doet dat met

vooral (alleenstaande) ouders overschat worden zou hierop kunnen duiden.

kinderen jonger dan 5 jaar. Deze bevindingen roepen de eerste voorzichtige vraagtekens op bij de afweging van de instroomcriteria voor re-integratie-

Bij zowel over- als onderschatting spelen de afgesproken criteria voor de

dienstverlening, en in hoeverre deze strikt gehandhaafd dienen te worden.

instroom bij DHW een rol, maar deze zijn niet eenduidig terug te zien in de resultaten. Zo stromen mensen wiens kansen op de arbeidsmarkt onder-

We zagen eerste aanzetten voor de redenen waarom de inschatting van de

schat worden binnen 2 jaar uit naar werk en blijven parttimers die dat niet

kans op werk soms lastiger is. Het is voor alleenstaande ouders, vooral voor

lukt tegen deze afspraken in (langer) bij DHW. Het roept de eerste voorzichti-

alleenstaande moeders, het lastigst: bijna de helft wordt over- of onder-

ge vraag op of de criteria niet te lastig dan wel te afhankelijk zijn van de

schat. Natuurlijk spelen er nog meer afwegingen een rol, zoals de persoon-

individuele medewerkers. In de onderzoeksperiode was de dienstverlening

lijke situatie, houding en motivatie van de betreffende personen. Voor de

voor ruim 400 mensen uit de kansrijkere groep mogelijk passender geweest

totale instroom hebben we maar beperkte gegevens met betrekking tot

als de PPS leidend was geweest. Die voorspelling van de kansen op de

kans op werk. Om een beter beeld te krijgen van de overeenkomsten en

arbeidsmarkt blijkt dus iets, zij het niet heel veel, beter. Zoals gezegd kunnen

verschillen tussen onder-, over- en goed ingeschatte groepen, willen we

zowel de mogelijke onder- als overschatting mede veroorzaakt worden door

meer weten over de invloed van de persoonlijke situatie van mensen. Voor

veranderingen in de persoonlijke situatie, maar spelen automatisme bij het

degenen die een PPS hebben ingevuld, is op dit gebied meer informatie

kiezen voor het soort dienstverlening waarschijnlijk ook een rol.

beschikbaar: hun gezondheid, psychisch welbevinden en arbeidsverleden, en hun houdingen ten opzichte van werk. In de volgende twee hoofdstuk-

Er zijn duidelijke verschillen tussen de mensen van wie correct wordt

ken kijken we daarom verder naar de persoonlijke situatie van de nieuwe

aangenomen dat zij met re-integratiedienstverlening aan het werk kunnen

instroom en welke invloed die heeft.

25

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

26

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

3 ARBEIDSMARKTKANSEN EN HOUDINGEN TEN OPZICHTE VAN WERK

Tabel 3.1 Opleidingsniveau, Leerbaarheid en taalbeheersing van de juist, in- en overschatte groepen (percentages) met PPS

Waar onze eigen registratiedata inzicht geven in de hierboven

Goed ingeschat

Onderschat

besproken achtergrondkenmerken, geeft de PPS inzicht in facto-

Werk Participatie

Overschat

Totaal %

n

ren die iemands arbeidsmarktkansen beïnvloeden, zoals oplei-

Opleidingsniveau:

dingsniveau, leerbaarheid, taalbeheersing en eerdere werkerva-

laag

24

42

35

37

30

1.360

ring (paragraaf 3.1). De persoonlijke omstandigheden en

midden

48

46

51

46

48

2.154

houdingen ten opzichte van werk die ook invloed hebben op

hoog

28

12

14

16

22

962

< gemiddeld

48

70

51

62

55

3.769

gemiddeld

14

11

14

12

13

892

> gemiddeld

38

19

34

25

32

2.154

Leerbaarheid:

iemands kans op werk, zoals gezondheid, schulden, arbeidsmotivatie, zoekgedrag en psychisch welbevinden worden eveneens met de PPS gemeten (paragraaf 3.2). We kijken hoe deze factoren relateren aan de inschatting van de dienst.

Taalbeheersing:

3.1 Opleidingsniveau, leerbaarheid, taalbeheersing en werkervaring

Onder 1F

4

15

7

9

7

512

1F

10

16

11

15

12

830

De cijfers in tabel 3.1 bevestigen dat de PPS vooral wordt ingevuld door

2F

15

17

16

20

16

1.116

bijstandsgerechtigden met grotere kansen op de arbeidsmarkt. Het

3F

18

17

19

19

18

1.255

opleidingsniveau, de leerbaarheid en het taalniveau zijn beter dan die van

4F

53

36

47

37

46

3.137

de gehele Haagse bijstandspopulatie (zie o.a. Nas en van der Vet 2013 en CBS 2023). Er zijn duidelijke verschillen tussen de vier inschattingsgroepen die we hier onderscheiden. Het opleidingsniveau van groep die naar Participatie gaat en daar blijft is, evenals de leerbaarheid, laag. De taalbeheersing van een derde voldoet net (niet) aan de (laagste) taaleis. De bijstandsgerechtigden die werk vinden hebben een hoger opleidingsniveau, een betere leerbaarheid en een hoger taalniveau. De onder- én overschatte groepen zitten ertussenin, al zijn tussen deze twee groepen wel enkele verschillen te ontdekken. De leerbaarheid van de onderschatte groep is bijna net zo goed als de groep die correct naar werk wordt begeleid en beter dan die van de overschatte groep (de helft van de onderschatte groep scoort bovengemiddeld tegen 40 procent van de overschatte groep). Ook het niveau van taalbeheersing is bij de onderschatte groep beter (47 procent op het hoogste niveau tegen 37 procent van de overschatte groep).

27

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

Met de PPS kunnen we ook kijken naar werkervaring (figuur 3.1). De goed

Figuur 3.1 Werkervaring van de goed ingeschatte, onder- en overschatte groepen (percentages)

ingeschatte groep die via DHW werk vindt, heeft het vaakst (recente)

Werkervaring

werkervaring. 86 procent van degenen met werkervaring uit deze groep was voor instroom in de bijstand tot 2 jaar terug nog aan het werk. De juist ingeschatte groep die naar Participatie gaat, heeft het minst vaak werkervaring. Eerder zagen we dat de onderschatte groep in bijna 60 procent van de gevallen parttime werkt (paragraaf 2.3.2), nu zien we dat zij bijna net zoveel werkervaring hebben als de bijstandsgerechtigden die wel via re-integratie-

Totaal

30%

13%

Overschat

32%

15%

Onderschat

29%

13%

44%

13%

40%

dienstverlening aan het werk gingen. De werkervaring is bovendien recent: ruim 80 procent had recent nog betaald werk. De werkervaring van de

12%

13%

46%

7% 9%

41%

14%

46%

overschatte groep is daarentegen juist minder groot en minder recent dan Goed: Participatie

die van de onder- en goed ingeschatte bijstandsgerechtigden.

44%

Goed: Werk

5. PPS en corona

25% 0%

De PPS werd in 2020, door de toen beginnende coronapandemie, minder vaak werd afgenomen dan in de andere jaren. Over de jaren

14%

20%

40%

60%

80%

geen werk ervaring

<1 jaar

1-3 jaar

>3 jaar

100%

2016-2019 vulde iets meer dan de helft van de nieuw instromende bijstandsgerechtigden de PPS in, in 2020 was dat nog geen kwart

Bron: Socrates, Raak 2016-2023 en PPS 2016-2020

(23 procent). Dat werpt de vraag op of de PPS in het jaar 2020 onder een andere (nog selectievere) groep is afgenomen dan in

Samenvattend zijn de grootste verschillen te vinden in de leerbaarheid en

de jaren daarvoor. Dit zou een probleem kunnen vormen voor dit

taalbeheersing, maar anders dan je zou verwachten scoren de bijstandsge-

representativiteit van dit onderzoek. Uit een hier niet gepresenteerde

rechtigden wiens potentieel onderschat wordt hierop beter dan de over-

analyse blijkt dat in 2020 relatief veel alleenstaanden zonder

schatte mensen en hebben zij dus een betere uitgangpositie. Hebben zij

kinderen, in de leeftijd van 27-39 jaar de PPS invulden. Op andere

misschien een andere houding ten opzichte van werk of misschien vaker

punten verschilt 2020 niet van de andere jaren, al werd er in dat jaar

met (meerdere) problemen op de verschillende leefgebieden te kampen en

wel vaker het advies A ‘Direct naar werk’ gegeven en minder vaak het

zorgt dat voor een lagere verwachting?

advies C ‘Participatie’. Het lijkt er dus op dat in 2020, nog meer dan in de andere jaren, vooral de meest kansrijke groep instromers de PPS

3.2 Zelfredzaamheid op verschillende leefgebieden

invulden. De verschillen zij niet zo groot dat de periode 2016-2020

De PPS biedt de mogelijkheid om te kijken op welke leefgebieden deze

niet als geheel kan worden bekeken.

bijstandsgerechtigden problemen ervaren. In tabel 3.2 zijn deze geordend van meest voorkomend naar minst voorkomend probleem. Het betreft het

28

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

Tabel 3.2 Problemen op 8 leefgebieden van de juist in-, onder- en overschatte groepen

percentage mensen voor wie het betreffende gebied aandacht behoeft dan

(percentages)*

wel een urgent probleem vormt. We weten van deze belemmeringen hoe

Goed ingeschat

ernstig ze zijn. Daar waar de problemen opvallend urgent zijn, wordt dat in

Werk

de tekst aangegeven. Zo heeft meer dan driekwart van de instromers financiële problemen en voor meer dan de helft van hen is dat zelfs een urgent probleem. Ook het welbevinden laat te wensen over. Daarentegen heeft “slechts” 5 procent problemen met de woonsituatie. • De correct ingeschatte groep die werk vindt, is op alle gebieden zelfredzamer dan de bijstandsgerechtigden in de andere drie categorieën, al is het welbevinden voor bijna de helft van hen een aandachtspunt en heeft

%

n

78

78

84

79

79

5.440

Algeheel welbevinden

45

76

67

58

57

3.881

Psychische gezondheid

23

72

56

38

40

2.751

Lichamelijke gezondheid

22

69

40

40

37

2.528

Zelfverzorging

24

51

39

36

34

2.316

Contact met justitie

19

27

25

28

23

1.605

Verslavingsproblemen

4

12

13

7

7

505

Totaal n

• De correct ingeschatte groep die bij Participatie terechtkwam en daar

Participatie

Totaal

Financiële problemen

Woonsituatie

79 procent ten minste één probleem (zie figuur 3.2).

Onderschat Overschat

4

6

5

6

5

326

3.121

1.170

1.161

1.399

-

6.851

Bron: Socrates en Raak 2016-2023, PPS 2016-2020

bleef, hebben vaker problemen op alle leefgebieden. Van driekwart is

*Percentage voor wie het betreffende leefgebied een aandachtpunt dan wel een urgent probleem vormt.

het welbevinden slecht en maar liefst 72 procent heeft psychische en 69 procent lichamelijke problemen. 12 procent is verslaafd. De helft heeft

Figuur 3.2 Aantal problemen van juist in-, onder- en overschatte groepen (percentages)

problemen met zelfzorg en een kwart had contact met justitie. Bij maar

Aantal problemen

liefst 92 procent is sprake van multiproblematiek. • De onderschatte groep heeft minder vaak problemen, maar wel pakweg twee keer zo vaak als die mensen die via DHW uitstroomden naar werk: meer dan helft kampt met psychische problemen. Voor 44 procent zijn die problemen zelfs urgent. 13 procent heeft te maken met verslaving.

Totaal 6% 19%

75%

Overschat 4% 17%

78%

Onderschat 3% 1…

86%

86 procent heeft twee of meer problemen op verschillende leefgebieden. • De overschatte groep verschilt van de bijstandsgerechtigden in de onderschatte groep door een minder slechte psychische gezondheid (voor een kwart is het nog steeds een urgent probleem) en een minder slecht welbevinden, maar deze mensen zijn op de andere gebieden net zo (verminderd) zelfredzaam. Het aandeel met multiproblematiek is welis-

Goed ingeschat: Participatie

7%

Goed ingeschat: Werk

9%

27%

0%

20%

waar iets minder groot dan bij de onderschatte groep, maar nog steeds ruim driekwart heeft problemen op twee of meer leefgebieden.

geen probleem

92%

4 0%

1 probleem

Bron: Socrates, Raak 2016-2023 en PPS 2016-2020

29

63% 60%

80%

100% 120%

2 of meer problemen

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

Tot nu toe zagen we steeds dat de onder- en overschatte bijstandsgerechtig-

schatten de kans op het vinden werk positief in (55 procent), hebben de

den op de meeste aspecten veel op elkaar en vaak op de doelgroep van

intentie om werk te zoeken (84 procent) en zoeken actief naar werk (76

re-integratie lijken. De slechtere psychische gezondheid en meer voorko-

procent). Hoewel zij het meeste zelfvertrouwen hebben dat het vinden van

mende verslavingsproblematiek bij de onderschatte groep, lijkt een reden

werk hen gaat lukken, valt dit met 47 procent wel enigszins tegen. De

voor het pessimisme over hun kansen op de arbeidsmarkt en het optimisme

arbeidsmotivatie en zoekintenties van de groep die naar Participatie ging

over de kansen van de overschatte groep.

en daar bleef zijn het spiegelbeeld hiervan. Slechts 13 procent vindt werk belangrijk en 8 procent heeft zelfvertrouwen. Net als in het geval van de

3.3 Houding ten aanzien van werk

achtergrond, werkervaring en de meeste leefgebieden, lijken de onder- en

In hoeverre speelt de houding ten aanzien van (betaald) werk een rol in het

overschatte bijstandsgerechtigden grotendeels op elkaar en scoren zij op

bepalen van iemands kansen op de arbeidsmarkt? En is deze houding van

alle aspecten (een stuk) lager dan de mensen wiens kansen op het vinden

de hier beschreven groepen vergelijkbaar? In figuur 3.3 wordt de mate van

van werk goed werden ingeschat. Ongeveer een derde hecht belang aan

zelfvertrouwen (in eigen vaardigheden om een baan te vinden), de werkzoe-

werk en schat in een goede kans op werk te hebben. Beiden hebben niet

kintentie (is van plan om de komende drie maanden werk te zoeken), het

veel vertrouwen in eigen kunnen (nog geen kwart en net een kwart scoort

werkzoekgedrag (heeft de afgelopen drie maanden naar werk gezocht), de

bovengemiddeld hierop). De overschatte groep heeft wel iets vaker de

inschatting van kansen op werk en het belang dat men hecht aan werk,

intentie om werk te vinden (72% versus 63%) en zegt iets vaker actief op

weergegeven. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat al deze houdingen

zoek te zijn naar werk dan de onderschatte groep (60% versus 51%).

9

en gedragingen samenhangen met het uiteindelijk vinden van werk, maar dat vooral de intentie om werk te zoeken een belangrijke voorspeller blijkt (o.a. Blonk 2018).10 Recent Haags onderzoek naar uitstroom naar werk vanuit de afdeling Participatie bevestigt dat motivatie een van de belangrijkste factoren is in het vinden van werk (Bos en Otte 2023). Figuur 3.4 laat duidelijk zien dat de groep wiens kansen op werk goed zijn ingeschat en zijn uitgestroomd naar werk het meest positief staat tegenover betaald werk: werk is relatief belangrijk voor hen (51 procent), ze 9 Deze aspecten zijn door middel van meerdere vragen gemeten en omgezet in een schaal van 1 tot 9 (zogenoemde stanine), waarbij vijf de gemiddelde score (van de referentie- of normgroep) is. Deze scores zijn (ook in volgende paragrafen) gebaseerd op de verdeling van scores van (verschillende) referentiegroepen. 10 Iedere houding of gedrag wordt samengesteld op basis van meerdere vragen of stellingen. Zoekintentie en -gedrag zijn bijvoorbeeld gebaseerd op de stellingen “Ik weet precies hoe ik naar werk ga zoeken”, “Ik weet precies wanneer ik ga beginnen met solliciteren”, “Ik heb nog geen plannen om met werk zoeken te gaan beginnen” en “Ik heb alleen vage ideeën over hoe ik werk ga zoeken”.

30

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

Figuur 3.4 Positieve houdingen ten aanzien van werk van juist in-, onder- en overschatte

3.4 Persoonlijkheid

groepen (percentages)*

Het doel van de persoonlijkheidstest is een beeld te vormen van persoonlijkheidskenmerken van bijstandsgerechtigden aan de hand van zes dimensies:

Zelfvertrouwen

Belang van werk

emotionele stabiliteit, extraversie, hoe consciëntieus zij zijn, hun vriende-

80,0%

lijkheid, openheid en integriteit. Figuur 3.5 laat de scores op deze aspecten

60,0%

zien voor de vier groepen. Opnieuw zien we dat de mensen die via DHW

40,0%

uitstroomden naar werk op alle punten het beste scoren, terwijl de mensen

Inschatting k ans op werk

20,0%

die bij de afdeling Participatie werden ingedeeld en daar eind 2023 nog steeds zaten de slechtste scores laten zien. Ook hier is er weer veel gelijkenis

0,0%

tussen de onder- en overschatte groep. Zowel de onder- als de overschatte mensen scoren slechter dan de goed inschatte werkenden op de meeste dimensies. Meest in het oog springend zijn daarbij het uit balans zijn, de openheid voor nieuwe ervaringen en gerichtheid op andere mensen.

Zoek intentie

Zoek gedrag Figuur 3.5 Persoonlijkheidskenmerken van juist in-, onder- en overschatte groepen (percentages)*

Goed ingeschat: Werk

Goed ingeschat: Participatie

Onderschat

Overschat Zorgvuldig werken

Bron: Socrates, Raak 2016-2023 en PPS 2016-2020

*Percentage bovengemiddeld op de 9-punts schaal, i.e. boven de norm-score

Ondanks de slechtere motivatie bij instroom, vinden de onderschatte

Eerlijk en betrouwbaar 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

In balans

Op andere mensen gericht

Vriendelijk

bijstandsgerechtigden uiteindelijk wel werk, terwijl het de meer gemotiveerde overschatte bijstandsgerechtigden niet lukte werk te vinden of vast te houden. Met de beschikbare gegevens kunnen we niet nagaan of de

Open voor nieuwe ervaringen

motivatie van deze mensen in de loop van de tijd verbeterde of juist verslechterde. Eerder onderzoek (Bos en Otte 2023) geeft wel aanleiding om

Goed ingeschat: Werk

Goed ingeschat: Participatie

aan te nemen dat veranderingen in de persoonlijke situatie hierin een rol

Onderschat

Overschat

zullen spelen. In hoofdstuk 4 zal blijken dat arbeidsmotivatie belangrijk is bij het inschatten van de kansen, maar dat dit voor de ene groep bijstands-

Bron: Socrates, Raak 2016-2023 en PPS 2016-2020

gerechtigden anders uitpakt dan voor de andere.

*Percentage bovengemiddeld op de 9-punts schaal, i.e. boven de normscore

31

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

3.5 Samenvatting De onder- en overschatte groepen hebben, ten opzichte van de mensen van wie verwacht werd dat zij werk vonden en die dat daadwerkelijk vonden, vaker problemen op de verschillende leefgebieden. Hoewel zij in veel opzichten op elkaar lijken, hebben de onderschatte bijstandsgerechtigden een (objectief) betere uitgangspositie: hun leerbaarheid en taalbeheersing zijn beter en hun werkervaring is ruimer en recenter. Op het moment van instroom is hun arbeidsmotivatie slechter, evenals hun psychische gezondheid. Een gebrek aan arbeidsmotivatie en zelfvertrouwen, een verslechterde psychische gezondheid en — vooral in het geval van vrouwen zonder partner — de aanwezigheid van kinderen lijken de inschatting van de kansen te bemoeilijken. Tussen de momentopname bij instroom tot aan de uitstroom naar werk kan van alles veranderen in de persoonlijke situatie en (daarmee) de motivatie van mensen. Bijna 40 procent wiens potentieel onderschat wordt, is echter zowel bij instroom als in de latere dienstverlening bij Participatie ingedeeld. Door te kijken naar welke combinaties van factoren de inschatting voor de ene bijstandsgerechtigde vergemakkelijkt en voor de andere juist bemoeilijkt, krijgen we een genuanceerder beeld.

Om dit vast te stellen kijken we in het volgende hoofdstuk door middel van een clusteranalyse eerst of we in de instroom herkenbare groepen (of: clusters) bijstandsgerechtigden kunnen vinden die bepaalde kenmerken en/of persoonlijke omstandigheden die leiden tot het al dan niet vinden van werk, met elkaar delen. Op deze manier kunnen we vaststellen of vergelijkbare mensen in vergelijkbare persoonlijke omstandigheden met vergelijkbare houdingen ten aanzien van werk ook vergelijkbaar worden ingeschat en daarmee ook al dan niet vergelijkbare dienstverlening krijgen.

32

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

4 N IEUWE INSTROOM GECLUSTERD:

gericht op het vinden van werk, vinden zij uiteindelijk toch een betaalde baan. In dit hoofdstuk kijken we vanuit een ander perspectief naar groepen

HOE IS DE INSCHATTING?

in de nieuwe instroom. Welke mensen delen dezelfde achtergrond, zitten in dezelfde persoonlijk situatie, hebben dezelfde houding ten aanzien van

In het vorige hoofdstuk beschreven we hoe de inschatting van de

werk en vinden uiteindelijk werk of blijven van de bijstand afhankelijk? En

dienst zich verhoudt tot verschillende kenmerken, belemmerin-

hoe schat de dienst de kans op uitstroom van deze groepen in?

gen en houdingen ten opzichte van werk. Dit zegt nog niks over

4.1 Welke groepen en hoe worden zij ingeschat?

de onderlinge samenhang van deze kenmerken, belemmeringen

Clusteranalyse11 is een statistische techniek waarmee we de nieuw instro-

en houdingen, en de kans op het vinden van werk. Welke

mende bijstandsgerechtigden kunnen groeperen op basis van een combina-

combinaties hiervan leiden tot uitstroom naar werk? En in

tie van kenmerken. Het doel is om groepen (clusters) te vormen die zich van

hoeverre schat de dienst dit goed in? Om een beter beeld te

elkaar onderscheiden en die eenvoudig te interpreteren zijn. De analyse groepeert mensen die op elkaar lijken zoveel mogelijk in één cluster, terwijl

krijgen van deze samenhang hebben we door middel van een

mensen in verschillende clusters juist zo veel mogelijk van elkaar

clusteranalyse groepen gevormd voor het deel van de nieuwe

verschillen. Met andere woorden: de analyse deelt bijstandsgerechtigden

instroom waarbij de PPS is afgenomen. Nogmaals, het gaat hier

met gelijke (combinaties van) kenmerken zoveel mogelijk in hetzelfde cluster. Hiermee is het dus mogelijk om de verschillende (persoons)

dus om het kansrijkere deel van de nieuwe instroom. De ver-

kenmerken, en houdingen en belemmeringen in samenhang te zien, en

schillende combinaties van kenmerken, houdingen en belem-

vast te stellen hoe deze relateren aan de uitstroom naar werk. Het geeft zo

meringen die uit de clusters komen kunnen – afgezet tegen de

een samenhangend eenvoudiger te duiden beeld van de nieuwe instroom.

inschatting van kans op werk door de dienst – aanknopingspun-

Belangrijke kanttekening hierbij is wel dat niet alle personen in dezelfde

ten bieden voor de dienstverlening aan de verschillende groe-

groep exact op elkaar hoeven te lijken. Mensen die op bepaalde punten van

pen bijstandsgerechtigden.

elkaar verschillen, kunnen toch in eenzelfde cluster terecht komen. Dat

De onder- en juist ingeschatte mensen hebben – los van de inschatting van

ons achterhoofd houden. Een voorbeeld: niet álle personen binnen cluster

de dienst – met elkaar gemeen dat het hen uiteindelijk is gelukt om werk te

3 (Kansrijkere alleenstaande moeders met jonge kinderen, maar uit balans)

vinden. Beide groepen hebben dan ook een gunstige uitgangspositie wat

zijn vrouw en/of hebben kinderen, er kunnen ook bijvoorbeeld

betreft leerbaarheid, taal en (recente) werkervaring. De onderschatte groep

alleenstaande vaders of vrouwen zonder kinderen tussen zitten. Ze hebben

moeten we bij het interpreteren van de hieronder beschreven clusters in

heeft op korte(re) termijn op andere vlakken wel belemmeringen voor het vinden van werk. Zij hebben vaker (urgente) klachten op het psychische vlak

11

Clusteranalyse is binnen de dienst al eens eerder ingezet voor het beschrijven van groepen

bijstandsgerechtigden. Zo zijn er klantgroepen gemaakt binnen de gehele Haagse bijstandspopulatie

en problemen met betrekking tot algeheel welbevinden en zelfvertrouwen,

(Nas & Van der Vet 2013), binnen de participatiedoelgroep (Nas & Van der Vet 2013) en recentelijk om

zijn vaker uit balans, en zijn minder gemotiveerd om werk te vinden.

de bijstandspopulatie en veranderingen daarin in de periode 2015- 2022 te beschrijven (Nas 2024). Bij

Ondanks deze belemmeringen en het ontbreken van dienstverlening

de interpretatie van de huidige clusters worden deze onderzoeken zo veel mogelijk meegenomen.

33

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

dan andere combinaties van kenmerken wel gemeen met de mensen in dit

6. Persoonlijkheidskenmerken

cluster, en lijken hierin meer op hun clustergenoten dan op de

• In balans zijn

bijstandsgerechtigden in andere clusters.

• Zorgvuldig werken 7. Zelfredzaamheid

Er is gekeken met welke kenmerken het beste onderscheidende en interpre-

• Psychische gezondheid

teerbare clusters te vormen zijn. We zijn begonnen met een lange lijst aan

• Lichamelijke gezondheid

kenmerken en hebben steeds per clusteroplossingen gekeken welke

• Verslaving

kenmerken bijdragen aan een begrijpelijke indeling in groepen. Kenmerken

• Contact met justitie

die weinig onderscheiden, omdat bijvoorbeeld de ruime meerderheid dit

• Algeheel welbevinden

kenmerk heeft – denk aan financiële problemen – zijn op voorhand uit de

• Heeft wel of niet in detentie gezeten

analyse gelaten. De volgende kenmerken zijn gebruikt in de uiteindelijke

8. Uitstroom naar werk (tot peildatum 31-12-2023)

indeling van de instroom in de bijstand (zie bijlage 3 en 4 voor de details): Enkele kenmerken uit het vorige hoofdstuk zijn dus niet meegenomen in de 1. Achtergrondkenmerken:

clusteranalyse. Zo zijn het opleidingsniveau en problematiek op het vlak

• Geslacht

van zelfverzorging en woonsituatie niet meegenomen in verband met te

• Leeftijd

veel missende waarden. Gezinssamenstelling is afgevallen, omdat de

• Thuiswonende kinderen

gebruikte methode alleen kenmerken met twee categorieën als input kan

• Partner

hebben.12 Diverse andere kenmerken discrimineerden onvoldoende tussen

2. Uitkering:

de verschillende clusters en vielen daarom buiten de analyse (voor details

• Indicatie voor herhaalde instroom

zie bijlage 3). Waar deze gegevens wel interessant zijn, worden ze meegeno-

• Uitkeringsduur

men in de beschrijving van de verschillende clusters.

3. Taalbeheersing 4. Leerbaarheid

4.1.1 Zeven clusters nieuw instromende bijstandsgerechtigden

5. Motivatie en werkzoekgedrag

De analyse resulteert in zeven clusters van nieuw instromende bijstandsge-

• Belang dat aan werk wordt gehecht

rechtigden. Tabel 4.1 laat per cluster de gegevens zien die zijn gebruikt als

• De inschatting van de kans op het vinden van werk

input voor de analyse. In tabel 4.2 en 4.3 staan achtergrondgegevens die

• Werkzoekgedrag (heeft de afgelopen drie maanden naar werk gezocht)

niet meegenomen zijn in de clustering zelf. We beschrijven de zeven

• Werkzoekintentie (is van plan om de komende drie maanden werk te

clusters op volgorde van bemiddelbaarheid op de arbeidsmarkt, beginnend

zoeken)

met de meest kansrijke groep.

• Mate van zelfvertrouwen in eigen vaardigheden en kennis om werk te vinden

12

De clustering is gedaan met behulp van een hiërarchische clusteranalyse (Ward’s method,

gekwadrateerde euclidische afstanden).

34

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

Tabel 4.1 De in de clusteranalyse gebruikte kenmerken per cluster (percentages)

Cluster 1

Cluster 2

Cluster 3

Cluster 4

Cluster 5

Cluster 6

Cluster 7

Totaal

man

53

53

50+ jaar oud

13

12

39

28

7

15

92

88

43

51

7

17

46

18

kinderen bij instroom

9

partner bij instroom

5

37

33

23

12

43

12

9

28

26

22

14

9

23

16

> 2 jaar in de bijstand

6

41

47

62

51

68

76

47

uitgestroomd naar werk

79

meerdere keren bijstand

16

59

51

28

34

23

16

45

32

20

12

41

22

15

21

goede taalbeheersing

96

35

83

56

68

73

41

64

goede leerbaarheid

70

31

62

37

41

52

20

45

zoekintentie goed

97

95

94

15

94

55

89

80

zoekgedrag goed

94

95

84

10

93

44

86

76

heeft zelfvertrouwen

94

77

66

20

77

19

32

58

acht kans op werk goed

72

57

34

15

64

8

13

39

vindt werk belangrijk

88

81

67

27

79

27

44

61

contact met justitie

13

10

19

18

98

76

14

25

psychische klachten

16

12

65

66

30

85

42

41

slecht alg. welbevinden

28

38

83

69

64

93

62

59

verslavingsproblemen

2

2

10

9

11

39

4

8

lichamelijke klachten

16

20

39

57

22

60

58

38

Persoonskenmerken

Uitkering

Leerbaarheid en taal

Motivatie & werkzoekgedrag

Zelfredzaamheid

Andere kenmerken detentie gehad

1

1

2

2

67

43

1

9

is niet in balans

29

52

75

80

50

87

76

63

werkt zorgvuldig Totaal n %

88

82

65

55

82

33

53

67

1.400

1.476

1.201

802

332

562

1.041

6.814

21

22

18

12

5

8

15

100

Bron: Socrates en Raak 2016-2023, PPS 2016-2020

35

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

1. Kansrijkere alleenstaanden (21 procent, 1.400 personen)

slechtere uitgangspositie: ze scoren beneden de norm op leerbaarheid en

Deze groep alleenstaanden zonder kinderen stroomt in de meeste gevallen

taalbeheersing, en hebben iets minder vaak dan cluster 1 een startkwalifi-

binnen twee jaar uit naar werk. Ongeveer evenveel vrouwen als mannen

catie. Ook heeft cluster 1 veel minder vaak kinderen bij instroom. Deze

behoren tot deze groep die net iets jonger is dan de gemiddelde leeftijd van

bijstandsgerechtigden hechten veel belang aan en werk en zijn sterk

de hele instroom. Ze hebben vaak recente werkervaring en werken net iets

gemotiveerd. Daarnaast geven ze aan veel zelfvertrouwen te hebben. Ze

vaker parttime tijdens de bijstand. Verder ontvangt deze groep voor het

hebben weinig tot geen problemen op de verschillende leefgebieden. Net

eerst bijstand en is daar kort afhankelijk van. Deze mensen hebben een

als alle andere mensen die instroomden, kampen zij vaak met financiële

goede uitgangspositie: bijna iedereen heeft een startkwalificatie, een goede

problemen. Hun welbevinden is overigens wel iets slechter dan die van de

taalbeheersing en een goede score op leerbaarheid. Ze hechten veel belang

mensen in het eerste cluster.

aan werk en zijn sterk gemotiveerd om werk te zoeken. Verder heeft deze milde) problemen op de verschillende leefgebieden. Alleen op het financiële

3. Kansrijkere alleenstaande moeders met jonge kinderen, maar uit balans (18 procent, 1.201 personen)

vlak zijn er vaak (urgente) problemen. Heeft iemand in dit cluster al

In dit cluster vinden we veel jonge alleenstaande moeders met een relatief

problemen op een van de leefgebieden, dan is er zelden sprake van multi-

goede uitgangspositie, die (mogelijk tijdelijk) uit balans zijn. Vooral op

problematiek. Deze groep lijkt in alle opzichten veel op de relatief kansrijke

psychisch vlak en met betrekking tot het algeheel welbevinden zijn er

groepen uit eerder onderzoek naar de instroom en de bijstandspopulatie

(urgente) klachten. Ze zijn wel gemotiveerd om werk te vinden, maar

(o.a. Van der Vet 2008, Nas 2011, 2012, 2015, Nas en van der Vet 2013a,

schatten de kans dat dit lukt relatief laag in. 60 procent van hen werkt

2013b) en op de groep alleenstaanden met een recent arbeidsverleden uit

parttime en ongeveer de helft stroomt uiteindelijk uit naar werk. De

het recente onderzoek naar de veranderende doelgroep in Den Haag (Nas

bijstandsgerechtigden in dit cluster hebben relatief vaak (recente) werker-

2024). Van hen en deels van de volgende twee clusters weten we uit dat

varing. De kinderen zijn over het algemeen vrij jong: van 53 procent is het

onderzoek dat zij sinds 2015 een steeds kleiner aandeel hebben in de

jongste kind bij instroom jonger dan 5 en van 36 procent tussen de 5 en de

instroom en in de totale bijstandspopulatie.

12 jaar oud. Deze groep en de moeders uit het volgende cluster waren ook

groep veel zelfvertrouwen en is emotioneel in balans. Ze kennen geen (of

terug te zien in de eerdere profilering van bijstandsgerechtigden in Den

2. Gemotiveerde mannen en vrouwen met kinderen (22 procent, 1.476 personen)

Haag en in het bijzonder die van alleenstaande ouders (o.a. Nas en van der Vet 2013b, Nas 2015, 2017).

Dit cluster bestaat relatief vaak uit jonge ouders, zowel met als zonder uitkering en hebben ook vaker dan gemiddeld vóór de onderzoeksperiode al

4. Moeders met of zonder partner met multiproblematiek en zonder arbeidsmotivatie (12 procent, 802 personen)

eens een uitkering gehad: een indicatie dat ze herhaald in de bijstand in- en

Dit cluster heeft het grootste aandeel mensen met kinderen en het grootste

uitstromen. Ze hebben vaak parttime werk en eerdere werkervaring, al is

aandeel vrouwen. De meeste van hen zijn moeder, al dan niet met een

die werkervaring niet altijd even recent. Uiteindelijk vindt ook deze groep

partner, met (jonge) kinderen. Meer dan de helft van hen heeft kinderen

vaak werk en stroomt uit, zij het minder vaak dan cluster 1. Het grote

jonger dan 5 jaar. Deze gezinnen zijn vaak ook wat groter (meer kinderen)

verschil met de eerste groep (relatief kansrijke) bijstandsgebruikers is de

dan de gezinnen uit cluster 3. Deze moeders doen relatief lang een beroep

partner. Ze zitten in de onderzoeksperiode vaak meerdere keren in de

36

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

op de bijstand. Hen ontbreekt het aan werkervaring of de ervaring is niet

psychische en lichamelijke vlak, financieel en met betrekking tot zelfverzor-

recent. Zij werken niet vaak parttime tijdens de bijstand en vinden zelden

ging en algeheel welbevinden. De groep lijkt in alle opzichten veel op de

werk. Als ze zijn uitgestroomd tegen het einde van de onderzoeksperiode,

(alleenstaande) moeders met een migratieachtergrond uit het onderzoek

doen zij dat om andere redenen, zoals verhuizing, vanwege de partner die

naar de veranderende doelgroep in Den Haag (Nas 2024). Van deze (vooral)

inkomsten heeft. Wat betreft hun leerbaarheid en taalbeheersing scoren zij

vrouwen weten we dat zij grote gezinnen hebben en dat zij de grootste

beneden gemiddeld en dus ook een stuk lager dan de moeders uit cluster 3.

groep vormen binnen de hele Haagse bijstandspopulatie. Het is een groep

Werk is voor de vrouwen uit dit cluster niet belangrijk en ze zoeken er dan

die nauwelijks uitstroomt, langer dan drie jaar in de bijstand blijft en

ook niet naar. Wat betreft zelfredzaamheid zijn er problemen op het

waarvan het aandeel sinds 2015 groeit.

Tabel 4.2 Overige (achtergrond)kenmerken per cluster (percentages)

Cluster 1

Cluster 2

Cluster 3

Cluster 4

Cluster 5

Cluster 6

Cluster 7

Totaal

alleenstaand

87

56

63

49

79

85

61

67

alleenstaande ouder

7

21

26

29

7

7

16

17

gezin

5

23

12

22

14

9

23

16

jonger dan 27 jaar

40

27

39

28

39

30

16

31

27 t/m 34 jaar

30

27

30

25

26

26

15

26

35 t/m 49 jaar

17

33

24

32

27

27

23

26

50 jaar en ouder

13

12

7

15

7

17

46

18

parttime werk

55

64

57

38

57

39

43

57

startkwalificatie

89

76

80

71

63

59

66

75

73

56

62

42

59

43

37

54

financiële problemen

77

78

86

79

92

89

74

81

problemen met zelfzorg

19

31

44

55

37

65

49

41

slechte woonsituatie

2

6

6

8

7

8

8

6

problemen op meerdere leefgebieden

26

33

81

79

80

99

69

61

nog in bijstand

2

21

22

38

28

43

43

26

uitgestroomd naar werk

79

59

51

28

34

23

16

45

Gezinssamenstelling

Leeftijd

Werk en opleiding

Werkervaring < 2 jaar geleden werkervaring Zelfredzaamheid

Eindsituatie

uitgestroomd elders Totaal n %

19

20

27

34

37

35

40

29

1.400

1.476

1.201

802

332

562

1.041

6.814

21

22

18

12

5

8

15

100

Bron: Socrates, Raak 2016-2023 en PPS 2016-2020

37

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

5. Alleenstaande jonge mannen met (dreigende) multiproblematiek (5 procent, 332 personen)

6. Alleenstaande mannen met multiproblematiek, ongemotiveerd (8 procent, 562 personen)

Dit kleinste cluster bestaat uit alleenstaande jonge(re) mannen zonder

Dit cluster bestaat net als het vorige grotendeels uit alleenstaande mannen

kinderen. Ze stromen vaak meerdere keren in en uit de bijstand en hadden

en lijkt daar in veel opzichten op. Ook zij hebben in detentie gezeten en

vóór de onderzoeksperiode ook al eens bijstand. Hoewel zij wel uitstromen

hebben contact met justitie. Dit cluster heeft het hoogste percentage

is dat meestal niet naar werk: zij gaan in detentie (6 op de 10), verhuizen of

verslaafden (39 procent). In tegenstelling tot de jongere mannen uit cluster

gaven onvoldoende inlichtingen. Bijna al deze jonge mannen hebben dan

5 zijn deze mannen wat ouder, langer van de bijstand afhankelijk en

ook contact met justitie en behoren (grotendeels) om deze reden tot de

hebben vaker geen of geen recente werkervaring. Hun motivatie, werkzoe-

groep draaideurklanten. 63 procent heeft een startkwalificatie (iets minder

kintentie en zelfvertrouwen is laag en ze zijn het meest pessimistisch over

dan de meer kansrijkere clusters 1, 2 en 3) en ze scoren gemiddeld op

hun eigen kansen op een baan. Hoewel ze een relatief hoge score op

leerbaarheid en taalbeheersing. Wat dat betreft is de uitgangspositie dus

leerbaarheid en taalbeheersing hebben, hebben veel van hen psychische

relatief goed. De groep heeft veel zelfvertrouwen en is gemotiveerd om aan

problemen. Bij nagenoeg iedereen in het cluster is er sprake van multipro-

het werk te gaan. Er speelt echter wel het een en ander: naast justitieel

blematiek: naast psychische, spelen lichamelijke, financiële- en verslaving

contact en financiële problemen, is er sprake van verslavingsproblematiek.

en problemen met zelfverzorging een rol. Over de gehele linie gaat het met

Op psychisch en lichamelijk vlak rapporteren deze mannen relatief weinig

deze groep niet goed en zij blijven grotendeels van de bijstand afhankelijk.

problemen. Deze jonge mannen en de wat oudere mannen uit het volgende

In het onderzoek naar de veranderende doelgroep behoren deze mannen

cluster kwamen we in de eerdere Haagse onderzoeken tegen, waarbij

tot de alleenstaanden met GGZ-problematiek, waarvan we onder meer

duidelijk werd dat een deel van de vooral jonge bijstandsgerechtigden met

weten dat 40 procent verdacht is geweest van een misdrijf (Nas 2024).

multiproblematiek nog kansen op de arbeidsmarkt heeft. Voor een deel van deze groep lijkt de situatie van het volgende cluster alleenstaande mannen een voorbode te zijn. Tabel 4.3 Leeftijd jongste kind per cluster (percentages)

Cluster 1 Cluster 2 Cluster 3 Cluster 4 Cluster 5 Cluster 6 Cluster 7 Totaal Leeftijd kinderen 0-4 jaar

44

50

53

54

44

48

51

51

5-12 jaar

37

39

36

35

44

41

36

37

13+ jaar

19

11

12

11

12

11

14

12

Totaal n

121

544

402

362

43

63

320 1.855

7

29

22

20

2

3

17

%

100

Bron: Socrates, Raak 2016-2023 en PPS 2016-2020

38

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

7. Oudere niet werkfitte alleenstaanden en gezinnen met weinig kans op werk (15 procent, 1.041 personen)

duurzaamheid en verhoudingen van de clusters. Het relatief kansrijke

Dit cluster stroomt het minst vaak uit naar werk en zit gedurende de

mannen’ cluster 6, en het oudere cluster 7 zonder recente werkervaring dat

onderzoeksperiode ook het langst in de bijstand. Het gaat in de helft van de

nauwelijks werk vindt, komen in enige vorm terug in klantgroepenonder-

gevallen over 50-plussers, net iets vaker vrouw dan man al dan niet met

zoeken tot meer dan tien jaar terug (o.a. Nas en van der Vet 2013a, Nas en

partner. De mensen in dit cluster hebben noch recente werkervaring noch

van der Vet 2013b, Nas 2017) en recent in 2022 (Nas 2024). Dit toont aan dat

parttime werk. Hun leerbaarheid en taalbeheersing is beneden de norm. Ze

de samenstelling van de bijstandspopulatie over tijd niet verandert; alleen

zeggen de intentie te hebben om werk te vinden en zeggen naar werk te

de verhoudingen en aandelen van de verschillende groepen met ieder hun

zoeken, maar tegelijkertijd hechten ze weinig belang aan werk en schatten

eigen belemmeringen en mogelijkheden veranderen. Nu we weten hoe de

ze hun eigen kansen op werk laag in. Bovendien is hun zelfvertrouwen laag.

instroom is samengesteld gaan we in de volgende paragraaf in op wat de

Net als in het vorige cluster is er sprake van multiproblematiek. Naast

dienst SZW van hen verwacht.

cluster 1, cluster 3 met jonge alleenstaande moeders, de ‘multiprobleem-

financiële problemen heeft men vooral lichamelijke klachten en problemen van de AOW-leeftijd, verhuizing of omdat zij geen of onvoldoende inlichtin-

4.2 Hoe worden de zeven clusters door de dienst ingeschat?

gen geven. Maar weinigen vinden werk. Deze groep is te vergelijken met

Nu we een beeld hebben van de zeven clusters met PPS die we kunnen

een groep die in eerder Haags onderzoek naar de bijstandspopulatie

onderscheiden in de instroom tussen 2016 en 2020, willen we weten hoe de

aangeduid is als verminderd arbeidsfit en minder kansrijk (Nas en van der

dienst deze groepen inschat. In hoeverre maakt de dienst hierin de juiste

Vet 2013a, 2013b). Uit die onderzoeken, gebaseerd op dossiers, bleek dat

inschatting? Wie worden er onder- of overschat?

met zelfverzorging. Als zij al uitstromen, is dat vaak vanwege het bereiken

deze groepen vaak langere tijd werkloos zijn en deels vanuit de WW de bijstand in komen. Zij stromen zelden uit naar werk, maar stromen vooral

Figuur 4.1 laat zien in hoeverre de verschillende clusters goed worden

uit omdat zij emigreerden of de pensioengerechtigde leeftijd bereikten.

ingeschat. Hierbij betekent goed ingeschat: zowel doorverwezen naar

Hoewel de basis van de twee onderzoeken verschilt (voor de eerdere

re-integratiedienstverlening en uiteindelijk werk gevonden, als doorverwe-

onderzoeken ging het om de totale bijstandspopulatie en voor dit onder-

zen naar Participatie en uiteindelijk nog in de bijstand. Als we de inschat-

zoek de nieuwe instroom), zijn de overeenkomsten wel te zien. In het

ting van de dienst bekijken voor de zeven clusters apart, zien we min of

recente doelgroepenonderzoek zouden de meeste van deze bijstandsge-

meer dat dat het voorspellen van kansen lastiger wordt naarmate de

rechtigden het label langdurig bijstandsgerechtigden krijgen (Nas 2024).

afstand tot de arbeidsmarkt groter wordt. De kansrijkere alleenstaanden (cluster 1) en gemotiveerde gezinnen met kinderen (cluster 2) worden vaak

Samenvattend zien we dus zeven clusters die verschillen in hun kansen op

goed ingeschat. In de meeste gevallen gaat het hierbij om een doorverwij-

de arbeidsmarkt. De clusters komen (deels) overeen met groepen die zijn

zing naar werk, zoals in figuur 4.2 te zien is. Daarentegen blijkt het veel

gevonden in eerder en recent onderzoek. Hoewel deze onderzoeken niet

lastiger om de kansen van mannen met multiproblematiek (cluster 6) en

altijd dezelfde basis hebben (de gehele bijstandspopulatie, de instroom in

oudere alleenstaanden en gezinnen (cluster 7) goed te voorspellen: in nog

de bijstand of specifiek de participatiedoelgroep), geeft dit wel inzicht in de

net niet de helft van de gevallen heeft de dienst het bij het rechte eind.

39

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

Figuur 4.1 Goede inschatting van de dienst per cluster (percentages)

Figuur 4.2 Inschatting van de dienst per cluster: PPS-groep (percentages)

Inschatting van de dienst 100%

Cluster 1

90%

Cluster 2

80%

Cluster 3

70%

Cluster 4

60%

Cluster 5

50% 40%

Cluster 6

87%

Cluster 7

64%

30%

57%

58%

20%

54%

48%

48%

16% 10% 14%

63%

46%

Totaal 0%

10% 0%

87% 11%2% 59% 5% 15% 22% 45% 12% 24% 19% 42% 25% 17% 45% 9% 12% 34% 38% 25% 27% 34% 12% 39% 17%

20%

10% 20% 30% 40% 50% 6 0% 70% 80% 90% 100%

goed ingeschat: Werk

Cluster 1Cluster 2Cluster 3Cluster 4Cluster 5Cluster 6Cluster 7 Totaal

17% goed ingeschat: Part.

onderschat

overschat

Bron: Socrates, Raak 2016-2023 en PPS 2016-2020

Bron: Socrates, Raak 2016-2023 en PPS 2016-2020

In figuur 4.2 is te zien dat onderschatting van het potentieel verhoudings-

In hoofdstuk 3 constateerden we al dat bijstandsgerechtigden die worden

gewijs vaak voorkomt bij kansrijkere alleenstaande moeders met jonge

onderschat, vaker psychische problemen, een slechter welbevinden en

kinderen (cluster 3), ongemotiveerde moeders met multiproblematiek

minder arbeidsmotivatie hebben. Ze hebben vaker een goede uitgangsposi-

(cluster 4) en ongemotiveerde alleenstaande mannen met multiproblema-

tie wat betreft leerbaarheid, taalbeheersing en werkervaring. Bijstandsge-

tiek (cluster 6).

rechtigden die worden overschat hebben net als de onderschatte groep vaak problemen op meerdere leefgebieden, zowel psychisch als lichamelijk. Zij

Overschatting gebeurt juist vaker bij alleenstaande jonge mannen met

geven aan een hogere intentie te hebben om werk te vinden dan de

(dreigende) multiproblematiek (cluster 5), alleenstaande mannen met

onderschatte groep.

multiproblematiek die geen zelfvertrouwen en motivatie hebben om aan het werk te gaan (cluster 6) en bij oudere alleenstaanden en gezinnen met weinig kans op werk (cluster 7). Ook beide clusters met alleenstaande moeders (cluster 3 en 4) worden in bijna een vijfde van de gevallen overschat.

40

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

De combinatie alleenstaande moeder met psychische problemen, terwijl er wel een kansrijke onderliggende basis is, lijkt een recept voor onderschatting. In hoofdstuk 2 beschreven we dat alleenstaande ouders, en dan met name (kansrijkere) alleenstaande moeders, lastiger te beoordelen zijn. Zij worden zowel onder- als overschat. Dat zien we bij de alleenstaande moeders van clusters 3 en 4 terug. Beide clusters hebben psychische problemen. De kansrijkere alleenstaande moeders met jonge kinderen van cluster 3 hebben, in tegenstelling tot de moeders uit cluster 4, een sterke taalbeheersing, een goede leerbaarheid en beter opleidingsniveau, en een hoge intentie om werk te vinden. Psychische problemen lijken iets urgenter bij degenen die worden onderschat dan bij de moeders die worden over- of goed ingeschat. Hoewel de vrouwen uit cluster 4 een slechtere uitgangspositie hebben en ongemotiveerder zijn, vindt een kwart toch werk. Dat onderschatte kwart heeft in verhouding tot de andere vrouwen uit hetzelfde cluster juist een iets minder slechte uitgangspositie, recentere werkervaring in combinatie

mannen met (dreigende) multiproblematiek (cluster 5), de alleenstaande

met psychische problemen. Zij lijken daarin dus wat meer op de overschatte

mannen met multiproblematiek (cluster 6) en de oudere niet werkfitte

moeders uit cluster 3. Het lijkt raadzaam om bij alleenstaande moeders met

bijstandsgerechtigden (cluster 7). Voor bijstandsgerechtigden met een

(recente) werkervaring en een relatief goede uitgangspositie, zelfs als er

sterke motivatie om aan het werk te gaan, terwijl er sprake is van onderlig-

sprake is van psychische problematiek te kijken naar wat er wel mogelijk is.

gende problemen in combinatie met een minder goede uitgangspositie,

Als de stap naar werk nog te groot lijkt, is het zaak om vinger aan de pols te

volstaat het duidelijk niet om alleen te focussen op toeleiding naar werk.

houden. Deze laatste aanbeveling voor geldt in bredere zin ook voor bijstandsgerechtigden met multiproblematiek. De ongemotiveerde

4.3 Samenvatting

alleenstaande mannen met multiproblematiek uit cluster 6 hebben vaak

Om een beter beeld te krijgen van de nieuwe instroom de bijstand in

naast hun psychische problemen een relatief goede uitgangspositie. Ook zij

2016-2020 en hoe de dienst deze bijstandsgerechtigden inschat hebben we

worden in een kwart van de gevallen onderschat (figuur 4.2). Er zou verder

een clusteranalyse gedaan op (voornamelijk) de PPS-gegevens van deze

gekeken moeten worden wat de oorzaak is van de slechte motivatie,

nieuwe instroom. De zeven clusters die uit de analyse komen geven een

aangezien bekend is dat dit ook een houding kan zijn om onzekerheid en

beeld van de samenhang van kenmerken, belemmeringen en houdingen

een gebrek aan zelfvertrouwen te maskeren.

die van invloed zijn op het wel of niet vinden van werk, hoe zich dat verhoudt tot het daadwerkelijk vinden van werk en de inschatting van de

Overschatting gebeurt sneller wanneer er naast multiproblematiek sprake

dienst op dat vlak.

is een grote arbeidsmotivatie. Dit geldt voor de alleenstaande jonge

41

TERUG NAAR INHOUDSOPGAVE

De clusters variëren in bemiddelbaarheid, of kansrijkheid, op de arbeids-

niet lukt, maar het geeft aanleiding om te denken dat deze groep gebaat

markt en in de inschatting van de dienst. Niet geheel verrassend blijkt de

zou zijn bij bredere dienstverlening waarbij ook gekeken wordt naar

inschatting van de meest kansrijke bijstandsgerechtigden het makkelijkst.

problematiek op meerdere leefgebieden. Zonder deze gemotiveerde

Dit zijn vooral alleenstaanden en gemotiveerde ouders met kinderen met

mensen af te remmen, is het juist bij hen van belang om breder naar

een goede uitgangspositie en geen of weinig problemen op de verschillende

individuele behoeften te kijken (Van Echtelt et al. 2024,2023, Nas 2024). Het

leefgebieden. Wanneer er sprake is van een of meerdere problemen blijkt

lijkt erop dat er (soms kostbare) re-integratie instrumenten worden ingezet

het een stuk lastiger om te voorspellen wie er uiteindelijk werk vindt.

die niet aansluiten bij de problematiek van deze groepen. Die zijn daardoor

Groepen die worden onderschat, zijn de kansrijkere alleenstaande moeders

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16017629/1