RIS322500 Bijlage Eindrapport effect- en procesevaluatie Trias Pedagogica
Tekst van het document
16
3. Procesevaluatie
Vanuit een evaluatieperspectief zou het wenselijk zijn om eerst een Theory of Change op te stellen met een bijbehorende langetermijnvisie. Op basis daarvan zouden vervolgens vier tot acht doelstellingen geformuleerd kunnen worden voor de basisdebatten, elk voorzien van bijbehorende indicatoren. Hierbij is het belangrijk dat de zowel de doelen als de indicatoren SMART (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden) geformuleerd worden. Voor de verdiepingsdebatten kunnen aanvullende, specifieke doelstellingen worden opgesteld. Daarnaast is het aan te raden om de doelstellingen voor de basis- en verdiepingsdebatten algemeen te formuleren zodat ze voor alle doelgroepen gelden, maar tegelijkertijd specifieke doelstellingen op te stellen voor vaders en moeders. Dit is met name relevant omdat hun rollen in de opvoeding verschillen, wat leidt tot uiteenlopende behoeften en leerdoelen. Vervolgens zou het nuttig zijn om deze geactualiseerde doelstellingen te bespreken met de gemeenten. Dit biedt de gemeenten de mogelijkheid om haar eigen beleidsdoelen naast die van Trias te leggen en te beoordelen in hoeverre deze overeenkomen.
Het is niet ongebruikelijk dat er enige spanning bestaat tussen de beleidsmatige focus van de gemeente en de praktijkgerichte aanpak van Trias, net zoals tussen de nadruk van de gemeente op veiligheid en de meer sociaal-maatschappelijke benadering van Trias. Dit hoeft geen belemmering te zijn, zolang er periodiek gesprekken plaatsvinden waarin mogelijke veranderende prioriteiten van de gemeenten besproken kunnen worden. Dit zorgt ervoor dat deze prioriteiten weerspiegeld worden in de offerte, uitvoering en terugkoppeling van Trias, en dat beide partijen betrokken blijven bij de ontwikkeling van het project. Tot slot is het belangrijk om te benadrukken dat doelstellingen noodzakelijk zijn om richting te geven aan projecten, maar dat hun waarde pas echt zichtbaar wordt wanneer aannemelijk gemaakt kan worden dat ze daadwerkelijk worden behaald. Daarom is het essentieel om (laagdrempelige) monitoring en evaluatie te integreren in de methodiek van Trias. Dit helpt niet alleen bij het onderbouwen van de impact, maar maakt het ook mogelijk om tijdig bij te sturen en de effectiviteit van de opvoeddebatten te optimaliseren.
17
4. Effectevaluatie
4. Effectevaluatie Dit hoofdstuk begint met een overzicht van de belangrijkste opbrengsten van de opvoeddebatten volgens de deelnemers. Vervolgens worden de resultaten besproken aan de hand van de vooraf opgestelde doelstellingen. Daarna wordt ingegaan op hoe deelnemers de opgedane kennis en vaardigheden hebben toegepast in de praktijk. Tot slot wordt aandacht besteed aan de werkzame elementen die hebben bijgedragen aan het behalen van deze resultaten.
4.1 Opbrengsten van de opvoeddebatten De deelnemers konden in de vragenlijsten antwoord geven op de open vraag wat het belangrijkste is dat de cursus hen gebracht heeft. De antwoorden zijn gecodeerd in 5 categorieën (zie onderstaande cirkeldiagram).12 Deze inzichten komen overeen met de bevindingen uit de interviews en observaties van terugkomdagen.
Kennis en inzichten over opvoeding: De opvoeddebatten gaven veel ouders een beter begrip van opvoeding en hielp hen nieuwe inzichten te verkrijgen. Ouders gaven aan dat het een leerzame cursus was en dat het een aanvulling vormde op hun huidige kennis. Voorbeelden van antwoorden zijn: “Meer kennis over opvoeding”, “Nieuwe inzichten met betrekking tot opvoedkundige zaken” en “Ik heb nieuwe manieren geleerd omtrent kinderopvoeding zowel thuis als buitenhuis.” Er werden ook specifieke onderwerpen genoemd waar deelnemers meer over geleerd hebben, waaronder het belang van afstemming tussen ouders, opvoeden tussen twee culturen, opvoedstijlen en de rol van de vader. Een aantal inzichten zijn ook specifiek belangrijk voor het voorkomen van ontsporing en vervreemding: “Ik heb geleerd hoe kan ik vertrouwen opbouwen met mijn kinderen”, “Als we als strenge ouders optreden, kunnen kinderen het verkeerde pad opgaan” en “Ik heb belangrijke dingen over de adolescentie geleerd.” Praktische toepassing en vaardigheden: Ouders leerden praktische vaardigheden die ze direct konden toepassen in hun dagelijks leven.
Dit omvatte met name onderwerpen zoals communicatie en omgang met kinderen: “Blijf praten om probleem op te lossen”, “Communiceren; zoeken naar de juiste oplossingen”, “Een dialoog met mijn kinderen structureel opbouwen”, en “Omgaan met kinderen.” Bewustwording en zelfontwikkeling als ouder: De opvoeddebatten boden ouders de kans om te reflecteren op hun rol en zichzelf verder te ontwikkelen als ouder. Deelnemers gaven 12 Deze vraag is 83 keer beantwoord in de tussen- en nameting. Sommige individuele antwoorden zijn opgesplitst in meerdere categorieën. N=94 verwijst naar het totaal aantal gecategoriseerde antwoorden.
18
4. Effectevaluatie
aan bewuster bezig te zijn met opvoeden en dit met meer aandacht te doen. Ze waren ook bewuster geworden van hun voorbeeldfunctie: “Beter voorbeeld geven aan de kinderen” en “Ik wil graag een mooi voorbeeld zijn waar mijn kinderen trots op kunnen zijn.” De zelfontwikkeling en bewustwording hadden ook betrekking op meer en beter contact maken met hun kinderen, zoals: “Altijd contact met uw kinderen maken met liefde en begrip” en “Meer met mijn kinderen omgaan.” Ten slotte benoemden enkele moeders ook bewuster te zijn geworden van het feit dat dat zij niet de enige zijn die worstelen met bepaalde opvoedvraagstukken: “Het gevoel dat elke moeder tegen dingen aanloopt” en “Dat iedere moeder struggelt.” Sociale verbinding en uitwisseling: Het samenkomen en delen van ervaringen was vooral voor moeders het belangrijkste aspect van de opvoeddebatten. Zij benadrukten het gevoel van saamhorigheid en het leren van elkaar: “Verbinding met andere moeders doordat je ervaringen deelt en elkaar tips kan geven”, “Inzicht, saamhorigheid, veilig gevoel om gevoelens te uiten”, en “Mogelijkheid om te leren van elkaar!” De opvoeddebatten versterkten dus niet alleen hun opvoedingskennis en -vaardigheden, maar ook hun sociale netwerk. Dit werd bevestigd tijdens de terugkomdag, waarbij een moeder aangaf dat het “verbindend en verdiepend” was.
De sessies waren voor haar een klankbord, waarin ze ervaringen konden delen en elkaar tips konden geven. Vooral moeders gaven aan zich daardoor minder eenzaam te voelen. Positieve beoordeling: Er was ook een groep deelnemers die op de vraag reageerde met een positieve beoordeling van de opvoeddebatten en aangaf dat de sessies waardevol voor hen waren: “Ik vond dat goed”, “Dat was erg belangrijk voor ons” en “Heeft mij geholpen.”
4.2 Resultaten ten opzichte van de doelstellingen Doel 1: Er is een vertrouwensband en een sociaal netwerk ontstaan waarop de ouders kunnen terugvallen. In de meeste groepen kenden de deelnemers al een aantal of veel anderen bij de aanvang van de opvoeddebatten. In de voormeting gaf slechts drie van de 32 deelnemers aan niemand of minder dan vijf mensen te kennen. Uit de interviews met deelnemers en betrokkenen van Trias blijkt eveneens dat de meeste deelnemers al een aantal of veel anderen kenden, omdat tijdens de wervingsfase vaak gebruik werd gemaakt van bestaande netwerken en structuren. Het grootste deel van de groepen kende elkaar dus al oppervlakkig of ontmoette elkaar regelmatig in het buurthuis of de ouderkamer. In sommige gevallen vormden de deelnemers al hechte groepen waarin men elkaar als familie beschouwde. In één groep kende zeer weinig deelnemers elkaar bij aanvang. Deelnemers gaven aan dat er gedurende het traject een diepere vertrouwensband is ontstaan binnen de groep. Waar het in het begin soms moeilijk was om zich kwetsbaar op te stellen, durfden ouders na verloop van tijd open te praten over gevoelige onderwerpen. Er werden taboes doorbroken, zoals het praten over radicalisering, communicatie met partners en andere persoonlijke uitdagingen. Ouders deelden actief advies, ervaringen en opvoedmethodes met elkaar.
Dit werd als zeer waardevol ervaren, vooral bij het bespreken van complexe thema’s zoals opvoeden in twee culturen, generatieverschillen in de opvoeding en het gebruik van sociale media en telefoons door kinderen. Dit geeft aan dat er een veilige omgeving is gecreëerd. De nameting toont aan dat bijna 60% van de ouders opvoedingsvraagstukken durft te bespreken met mensen buiten hun gezin, terwijl 33% neutraal staat tegenover deze stelling en 10% het er niet mee eens is. De vergelijkende analyse laat een lichte daling zien in het percentage deelnemers dat opvoedingsvraagstukken met anderen durft te bespreken. Het is
19
4. Effectevaluatie
een bekend fenomeen dat deelnemers in het begin van leertrajecten vaak positiever zijn over hun eigen capaciteiten en houdingen, maar later ontdekken dat het moeilijker is dan verwacht. Een positieve ontwikkeling is dat de groep die (zeer) oneens is, kleiner is geworden. Dit wijst erop dat de deelnemers positiever of neutraler zijn geworden ten opzichte van de stelling.
Na afloop hebben we deelnemers gevraagd met wie zij opvoedingsvraagstukken bespreken, waarbij ze meerdere opties aan konden kruisen. Bijna alle deelnemers gaven aan dit soort onderwerpen met anderen te bespreken, vooral met hun partner en vrienden. Opvoedingsvraagstukken werden in mindere mate ook besproken met andere ouders, op school of met gemeentelijke instellingen/professionals. De vergelijkende analyse toont aan dat de partner een grotere rol is gaan spelen bij het bespreken van opvoedingsvraagstukken. De analyse laat ook zien dat vrienden een belangrijkere gesprekspartner zijn geworden, terwijl andere ouders juist minder vaak worden genoemd. Dit is opvallend, aangezien de opvoeddebatten juist gericht waren op het bevorderen van gesprekken tussen ouders. De verwachting is dat deelnemers elkaar door de opvoeddebatten als vrienden zijn gaan beschouwen. Buiten de debatseries om hebben zij mogelijk minder of geen opvoedingsvraagstukken met andere ouders besproken.
Hoewel het sociale netwerk in veel gevallen al bestond, hebben de opvoeddebatten deze band verdiept. Vooral de deelnemende vaders gaven aan vaker buiten de sessies om over opvoeding te praten. Volgens een deelnemer spraken ze elkaar nu soms aan: “Wat heeft
20
4.4.Effectevaluatie Effectevaluatie
[trainer] gezegd? Zo en zo.” Dit wordt bevestigd in de nameting, waarin 77% van de deelnemers aangeeft tussentijds contact te hebben gehad met elkaar. Hiervan gaf 84% aan dat ze opvoedingsvraagstukken bespraken. Moeders voelden zich door de opvoeddebatten vooral minder eenzaam door het regelmatige contact en het delen van onderwerpen die zij als lastig ervaarden tijdens de opvoeddebatten. Een moeder uit de gemixte groep gaf aan dat er zeer respectvolle communicatie was tussen mannen en vrouwen en dat de mannen meer deelden dan ze verwacht had. Tot slot is 76% van de deelnemers van plan om contact te houden met een aantal ouders van de cursus, 16% weet dit niet zeker en slechts 9% van de deelnemers zegt dit niet van plan te zijn.
In één groep in Zoetermeer viel op dat de moeders elkaar bij aanvang nog niet kenden, maar dat hier desondanks een zeer sterke vertrouwensband is ontstaan. De debatleider speelde een sleutelrol in het bevorderen van openheid en een vertrouwelijke sfeer door zelf persoonlijke ervaringen te delen. Dit zorgde ervoor dat anderen zich ook kwetsbaar durfden op te stellen. Dit blijkt ook uit een reactie op de vragenlijst: “De trainer heeft ons echt een vertrouwd gevoel gegeven. Zonder haar had ik de cursus niet af kunnen maken.” Daarnaast was het bevorderlijk dat de moeders en hun partners hadden afgesproken om persoonlijke verhalen van anderen niet verder te delen. Deze vrouwen hechtten veel waarde aan continuïteit en gaven aan liever geen nieuwe deelnemers halverwege de sessies te willen, omdat het vertrouwen dan opnieuw opgebouwd zou moeten worden. Hierdoor bleef de groep gedurende de gehele opvoeddebatserie hetzelfde, terwijl de samenstelling in andere groepen relatief fluïde was. Uiteindelijk is hier een zeer hechte groep vrouwen ontstaan, die van plan zijn om ook na afloop van de debatserie contact met elkaar te onderhouden. Toch hebben enkele moeders aangegeven moeite te hebben gehad om zich open te stellen en anderen te vertrouwen.
Opvallend is dat een moeder uit de Soedanese groep – waar iedereen elkaar kende en al wekelijks samenkwam – aangaf liever in een diverse groep met onbekende mensen te hebben gezeten. Hoewel deze groep heel dierbaar voor haar was en als familie voelde, ervaarde ze schaamte en vond ze het lastig om vragen te stellen in groep waar iedereen elkaar, elkaars partner en kinderen kent. Een andere moeder gaf ook aan moeite te hebben om andere mensen te vertrouwen vanwege ervaringen in het verleden. Op basis van deze data kan worden geconcludeerd dat het doel over opbouwen van een vertrouwensband en sociaal netwerk volledig behaald is. Er is een sterke vertrouwensband ontstaan binnen de groepen, die ouders een sociaal netwerk biedt of het bestaande netwerk versterkt, en waar ze op kunnen terugvallen. Dit wordt ook bevestigd door de debatleiders, die aangaven mooie resultaten te hebben behaald met de groepen op dit gebied.
21
4.4.Effectevaluatie Effectevaluatie
Doel 2: Er is draagvlak voor het thema ontsporing en vervreemding gecreëerd binnen gezinnen en hun omgeving. Op basis van de data kan worden gesteld dat er substantiële stappen zijn gezet om draagvlak te creëren voor het thema ontsporing en vervreemding, waaronder radicalisering, binnen gezinnen en hun omgeving. De nameting toont aan dat 54% van de ouders zorgen over ontsporing en vervreemding durft te bespreken met mensen buiten hun gezin, terwijl 33% neutraal staat tegenover deze stelling en 13% het er niet mee eens is. Deze cijfers zijn vergelijkbaar met de antwoorden op de soortgelijke vraag over opvoedingsvraagstukken in het algemeen (zie doel 1), wat erop wijst dat ontsporing en vervreemding bijna net zo bespreekbaar zijn als andere opvoedthema’s. De vergelijkende analyse beperkt zich tot de tussen- en nameting, omdat het stellen van vragen over ontsporing en vervreemding in de voormeting ongepast werd geacht voordat er een vertrouwensband was opgebouwd. De vergelijkende analyse laat een lichte daling zien in het percentage deelnemers dat zorgen over ontsporing en vervreemding met anderen durft te bespreken. Dit kan verklaard worden door het bekende fenomeen dat interventies over tijd aan effect verliezen. Positief is dat de groep die (zeer) oneens is met de stelling kleiner is geworden, wat duidt op een verschuiving naar neutralere of positievere percepties.
Na afloop geven bijna alle deelnemers aan zorgen over ontsporing en vervreemding met anderen te kunnen bespreken, vooral met hun partner (56%) en vrienden (20%). Deze zorgen werden in mindere mate ook besproken met andere ouders en op school. Er werd zeer weinig gerefereerd naar gemeentelijke instellingen, organisaties of professionals om deze zorgen te delen. Een opvallende trend in de vergelijkende analyse is dat de partner en vrienden een grotere rol zijn gaan spelen, terwijl andere ouders juist minder vaak worden genoemd. Dit is interessant, aangezien de opvoeddebatten gericht waren op het stimuleren van gesprekken tussen ouders. Dit is vergelijkbaar met de antwoorden op de vraag ‘met wie bespreekt u opvoedingsvraagstukken?’ behandeld in doel 1. Het is mogelijk dat deelnemers door de debatserie hechtere banden hebben opgebouwd en elkaar meer als vrienden zijn gaan beschouwen. Buiten de bijeenkomsten om lijkt de behoefte om met andere ouders over dit soort onderwerpen te praten af te nemen. De
22
4.4.Effectevaluatie Effectevaluatie
verklaring zit misschien ook in het feit dat ze al weken met elkaar in opvoeddebatten hebben gezeten en dat deze behoefte tijdens de laatste sessie en de terugkomdag grotendeels vervuld is.
Na afloop gaf 73% van de deelnemers aan dat zij de inhoud van de cursus met anderen hadden besproken, 22% bleef neutraal en 6% gaf aan dit niet te doen. De kennis werd gedeeld binnen zowel het gezin als het bredere sociale netwerk, waaronder met vrienden, andere ouders, collega’s, buren of stichtingen. Genoemde voorbeelden zijn: “De inzicht en wijsheden die ik heb meegekregen deel ik met mijn vriendin/partner” en “met vrienden over de opvoeding met 2 culturen.” Deelnemers noemden verschillende inzichten die ze hebben geleerd en gedeeld, zoals communicatietechnieken en het belang van betrokkenheid bij de opvoeding. Voorbeelden van antwoorden zijn: “Om meer te praten en te luisteren naar de kinderen”, “Hoe kunnen kinderen vertrouwen op hun ouders; Hoe kan de ouders samen bespreken over opvoeding; Hoe wordt betrokken ouders” en “Tips en goede raad; Herkenning en bemoedigen om te leren juiste te doen.” Opvallend is dat slechts één voorbeeld expliciet naar ontsporing verwijst – “Ontsporing van kinderen de oorzaak van” – terwijl de andere voorbeelden hier niet direct naar refereerden. Hoewel de geïnterviewden aangaven de inhoud van de cursus met hun partner of anderen in hun omgeving te hebben gedeeld, lijken onderwerpen rondom ontsporing en vervreemding hierbij weinig aan bod te komen.
Sommige Haagse geïnterviewden deelden dat radicalisering in het verleden een belangrijkere rol speelde, omdat veel ouders toen zorgen hadden over hun kinderen. De geïnterviewden gaven aan dat zij en mensen in hun omgeving op dit moment geen zorgen hebben over ontsporing en vervreemding. Hoewel de geïnterviewden in Den Haag zelf al bekend waren met het thema, zagen ze het als relevant voor andere deelnemers. Iemand benadrukte dat het goed is om radicalisering, ontsporing en vervreemding te praten, omdat veel mensen zulke problemen hebben, maar er niet over kunnen spreken. Een andere geïnterviewde noemde ook een mooi leermoment, die als “eye-opener” fungeerde voor de andere vaders. Dit inzicht ging over het belang van empathie en het verplaatsen in de belevingswereld van kinderen als cruciaal element om hun gedrag te begrijpen en daarmee om te kunnen gaan. Op basis van de interviews en observaties leek de kennis en bewustzijn over de thema’s ontsporing en vervreemding aanvankelijk lager te liggen bij de moedergroepen in Zoetermeer. Tijdens de sessies toonden de deelnemers echter veel interesse, bijvoorbeeld door foto’s te maken van de PowerPoint-slides. Een betrokkene merkte op dat het goed is om een “zaadje te planten” bij moeders en een opening te bieden voor verdere gesprekken over deze thema’s.
23
4.4.Effectevaluatie Effectevaluatie
Ze merkte dat moeders het spannend vinden als hun kinderen naar de middelbare school gaan. De opvoeddebatten boden dus een waardevolle kans om al in een eerdere fase bij mogelijke toekomstige uitdagingen stil te staan. Tijdens observaties en interviews werd duidelijk uitdagingen met betrekking tot sociale media en telefoongebruik veel leven onder de deelnemers. Deze onderwerpen komen uitgebreid aan bod tijdens het derde verdiepingsdebat. Dit onderdeel van de verdiepingsdebatten lijkt ook meer thuis besproken te worden. Eén vader deelde bijvoorbeeld dat hij thema’s als het digitale tijdperk, telefoongebruik en schermtijd met zijn gezin had besproken. De relevantie van dit thema blijkt ook uit de interesse in en behoefte aan verdere verdiepingssessies hierover. Het doel om draagvlak te creëren voor het thema ontsporing en vervreemding binnen gezinnen en hun omgeving is grotendeels behaald. De opvoeddebatten hebben ouders bewuster gemaakt van deze thema’s en nieuwe inzichten geboden. Hoewel ouders mogelijk nog geen directe aanleiding hebben om deze thema’s actief op te pakken, zijn de opvoeddebatten erin geslaagd zijn om thema’s gerelateerd aan opvoeding en communicatie met kinderen bespreekbaar te maken binnen gezinnen en bredere sociale netwerken. Hiermee is een solide basis gelegd voor verdere gesprekken, ook over ontsporing en vervreemding.
Doel 3: Ouders zijn zich bewust van de rol van vaders in de opvoeding. Na afloop gaven bijna alle deelnemers, waarvan de meerderheid vaders waren, aan dat zij hun rol in de opvoeding van hun kinderen als groot of zeer groot zien. Slechts drie deelnemers, allen vaders uit dezelfde groep in Den Haag, beoordeelden hun rol als middelmatig. De Soedanese groep in Den Haag heeft deze vraag op drie momenten ingevuld, waarbij de meerderheid van de respondenten vrouwen waren. Er werden geen significante verschillen waargenomen tussen de antwoorden van mannen en vrouwen. Uit de vergelijkende analyse blijkt dat ouders hun rol steeds groter inschatten naarmate de opvoeddebatten vorderden. Dit kan wijzen op een positief effect van de opvoeddebatten.
24
4. Effectevaluatie
Na afloop gaven bijna alle deelnemers, gelijk verdeeld tussen mannen als vrouwen, aan dat zij bewust zijn van de effecten van hun gedrag op hun kinderen. Slechts twee deelnemers, één man en één vrouw uit verschillende groepen, waren hier neutraal over. De Soedanese groep in Den Haag en de basisschool in Zoetermeer hebben deze vraag op drie
momenten ingevuld, waarbij de meerderheid van de respondenten vrouwen waren. Er werden geen significante verschillen waargenomen tussen de antwoorden van mannen en vrouwen. De vergelijkende analyse toont een opvallende verschuiving. Aanvankelijk gaf de helft van de deelnemers aan het zeer eens te zijn met de stelling, terwijl er ook een relatief grote groep van bijna 20% neutraal bleef. In de tussentijdse meting nam het aantal deelnemers dat het zeer eens was af, en gaf één persoon zelfs aan geen bewustzijn hierover te hebben. In de nameting daarentegen groeide de groep die het zeer eens was tot 65%, gevolgd door 30% die het eens was en een kleine neutrale groep van 5%. Deze resultaten suggereren dat de opvoeddebatten deelnemers mogelijk hebben begeleid door een leerproces: van onbewust onbekwaam, naar bewust onbekwaam, en uiteindelijk naar bewust bekwaam. De geïnterviewde vaders voelden zich voor de opvoeddebatten al bewust van hun rol als ouder en rapporteerden daar geen verandering in. Een deelnemer benadrukte bijvoorbeeld dat opvoeden vergelijkbaar is met lopen; met twee benen gaat het beter dan met één been. Zijn opvatting dat het de opvoeding ten goede komt als mannen en vrouwen een goede verstandhouding hebben is door de opvoeddebatten niet veranderd, maar hij zag “het kwartje” wel vallen bij andere vaders.
Hij merkte dat de besproken thema’s meer gingen leven in de groep en dat er bij andere vaders nieuwe inzichten ontstonden.
25
4.4.Effectevaluatie Effectevaluatie
De geïnterviewde moeders deelden bewuster te zijn geworden van de rol van vaders in de opvoeding. Een moeder vertelde voor het eerst gehoord te hebben hoe belangrijk de vader en zijn liefde is voor kinderen en dat het ontbreken van een vaderfiguur kan leiden tot problemen. Andere moeders deelden het gevoel te hebben gekregen dat ze “niet de enige” zijn, waardoor ze soms tijd nemen om andere dingen te doen en taken te verdelen met hun partner. Een andere moeder merkte op dat ze opener is gaan communiceren en nu ook aan haar partner vraagt wat hij ergens van vindt. De geïnterviewde moeders rapporteerden dat hun partners door de cursus bewuster waren geworden van hun rol als vader, met name door samen het kaartspel van Trias te spelen, door de inhoud thuis te bespreken en door gerichte huiswerkopdrachten. Hoewel de partners dit soms confronterend vonden, leidde het uiteindelijk wel tot verbeterde communicatie en meer gedeelde verantwoordelijkheid. Een moeder uit de gemixte groep benoemde dat haar man ook mee had kunnen doen aan de opvoeddebatten, maar dat hij hier niet voor open stond. Via haar verhalen en het kaartspel raakte hij alsnog betrokken bij het onderwerp en had hij uiteindelijk het gevoel iets gemist te hebben. Dit onderstreept de indirecte invloed van de cursus op vaders via de moeders.
Dit indirecte effect kwam andersom, op moeders via vaders, minder duidelijk naar voren. Het doel om ouders bewust te maken van de rol van vaders in de opvoeding is grotendeels behaald. De meeste vaders gaven aan hun rol in de opvoeding als groot of zeer groot te zien aan het eind van de opvoeddebatten. De geïnterviewde vaders gaven aan al bewust te zijn van hun rol, maar dat andere vaders zich wel bewuster van hun rol leken te worden. Bij moeders was sprake van een indirect effect: vaders die niet deelnamen, werden via hun partners alsnog betrokken bij de inhoud en bewuster van hun rol.
Doel 4: Ouders zijn in staat om beschermende factoren en risicofactoren van radicalisering en extremisme te benoemen. Na afloop konden alle deelnemers drie juiste beschermende factoren selecteren uit vijf opties. De juiste antwoorden, zoals besproken tijdens de opvoeddebatten, waren: “betrokken ouders”, “communicatie over positieve en negatieve gevoelens”, en “kind(eren) aanzetten tot zelf nadenken”. Tijdens de debatten is ook benadrukt dat een autoritaire opvoedingsstijl en het bestraffen van radicale gedachten kinderen niet beschermen en zelfs averechts kunnen werken. Van de in totaal 142 antwoorden die deelnemers aankruisten, was een ruime meerderheid correct. Slechts 12% van de antwoorden was onjuist, wat erop wijst dat veel deelnemers tegen het einde van de debatten goed inzicht hadden ontwikkeld in de beschermende factoren tegen radicalisering en extremisme.
26
4. Effectevaluatie
Na afloop konden de deelnemers ook drie juiste risicofactoren selecteren uit vijf opties. De correcte antwoorden, zoals besproken tijdens de opvoeddebatten, waren: “verkeerde vrienden,” “gepest of vernederd worden,” en “slechte schoolresultaten.” Tijdens de debatten is benadrukt dat praten over negatieve gevoelens juist positief kan zijn en dat enkel het hebben van een telefoon op zichzelf geen risicofactor vormt. Van de 144 antwoorden die deelnemers aankruisten, was een ruime meerderheid correct (81%). Deze resultaten laten zien dat veel deelnemers tegen het einde van de debatten een goed begrip hadden ontwikkeld van de risicofactoren voor radicalisering en extremisme. Dit inzicht was echter iets minder sterk dan bij de beschermende factoren. Vooral het onterecht beschouwen van praten over negatieve gevoelens als risicofactor wijst erop dat dit onderwerp tijdens de sessies extra aandacht kan krijgen.
Tijdens een observatie werden de beschermende en risicofactoren uitgebreid besproken in de groep. Na een centrale uitleg kregen de deelnemers de gelegenheid om deze factoren in kleinere subgroepen verder te bespreken. De subgroepen benadrukten het belang van ouderlijke betrokkenheid, het goed afstemmen en samenwerken tussen ouders, en het eensgezind handelen in de opvoeding. Daarnaast werd benadrukt dat ouders niet alleen goed moeten communiceren, maar ook het juiste voorbeeld moeten geven. Er werd bovendien stilgestaan bij welke opvoedstijl het beste helpt om ontsporing en vervreemding te voorkomen. De ouders vonden het onderwerp interessant en veel deelnemers maakten foto’s van de slides. Geïnterviewden gaven aan de sessies over ontsporing en vervreemding leerzaam te vinden. Onderwerpen zoals het omgaan met afwijkend gedrag of verkeerde vrienden van een kind, en hoe je daarop kunt anticiperen zonder conflicten te veroorzaken, werden als waardevol gezien. Er werd behandeld hoe ouders zaken bespreekbaar kunnen maken zonder verwijtend over te komen. “Praten, praten, praten” werd door een geïnterviewde als de kernboodschap genoemd. Hoewel er op dit moment geen zorgen spelen bij de vaders, werd aangegeven dat dit onderwerp in het verleden wel een rol heeft gespeeld in de wijk.
Tijdens de interviews grepen sommige deelnemers terug naar één of meerdere risicofactoren of beschermende factoren die besproken waren. Zo reflecteerden meerdere vaders op het nieuwe inzicht dat een autoritaire opvoedstijl en snel boos worden niet wenselijk is. In plaats daarvan werd benadrukt dat je kinderen moet helpen, stimuleren om te stoppen met onwenselijk gedrag en aansporen om zelfstandig te worden. Moeders benadrukten ook dat je liefdevol en geduldig met kinderen om moet gaan en niet te streng moet zijn. Uit de interviews bleek dat iedereen begreep dat betrokkenheid van ouders een belangrijke beschermende factor is. Het doel om ouders in staat te stellen beschermende factoren en risicofactoren van radicalisering en extremisme te benoemen, is grotendeels behaald. Na afloop konden de meeste deelnemers
27
4. Effectevaluatie
de juiste beschermende factoren (88%) en risicofactoren (81%) herkennen. Hoewel het inzicht over beschermende factoren iets sterker was, bleek uit de observaties en interviews dat ouders waardevolle kennis hebben opgedaan over beide factoren en geleerd hebben hoe ze deze kunnen beïnvloeden.
Doel 5: Ouders weten hoe zij in gesprek kunnen gaan met hun kinderen over gevoelige onderwerpen zoals zorgen over aanslagen en oorlogen, wereldbeeld, identiteit en discriminatie. De geïnterviewde ouders gaven aan dat zij over het algemeen gemakkelijk met hun kinderen kunnen praten, ook over gevoelige of moeilijke onderwerpen, waarbij hun vertrouwen in communicatievaardigheden vaak samenhangt met hun bestaande opvoedstijl en de relatie met hun kinderen. Ouders die al een open en toegankelijke relatie met hun kinderen hebben, gaven aan dat zij of hun kinderen moeilijke onderwerpen al bespreekbaar maakten. Voor deelnemers met oudere kinderen, die al volwassen of bijna volwassen zijn, waren sommige onderdelen van de cursus minder relevant, zoals opvoedregels of gesprekken over schermtijd. Desondanks vonden zij de groepssessies waardevol, vooral vanwege de mogelijkheid om kennis en ervaringen te delen en nieuwe perspectieven te krijgen van andere ouders.
Dit komt overeen met de nameting, waaruit blijkt dat meer dan 90% van de deelnemers met hun kinderen praat over hun ervaringen, vragen en problemen. Tweederde van de deelnemers (67%) is het zelfs zeer eens met de stelling. Slechts een klein percentage (7%) blijft neutraal over de stelling en niemand is het oneens. In de vergelijkende analyse wordt het verloop over tijd zichtbaar. De tussenmeting laat een piek zien in het percentage deelnemers dat het zeer eens is met de stelling (85%), wat een sterke indicatie is dat de opvoeddebatten op dat moment effect hadden op het bewustzijn of gedrag van de deelnemers. In de nameting is er een lichte terugval zichtbaar, waarbij het aandeel zeer eens afneemt naar 60%, terwijl eens en neutraal iets toenemen. Hoewel een zeer ruime meerderheid positief blijft, suggereren deze resultaten dat het effect van de interventie op lange termijn iets kan afnemen. Na afloop voelt bijna 80% van de deelnemers zich zeker om met hun kinderen te praten over gevoelige onderwerpen. Dit is een zeer positief resultaat, maar het valt op dat men iets minder positief is over deze stelling dan de voorgaande. Dit blijkt vooral uit een groter percentage deelnemers dat neutraal is (11%) en een gelijke groep (11%) die zich onzeker voelt.
Dit geeft aan dat algemene communicatie als minder uitdagend wordt ervaren dan het bespreken van complexere en mogelijk emotioneel beladen onderwerpen.
28
4. Effectevaluatie
De vergelijkende analyse toont een vergelijkbare trend als bij de voorgaande stelling. Er is wederom een duidelijke piek te zien in tussenmeting, waar zeer eens en eens de hoogste waarden bereikten. In de nameting neemt de positiviteit af, terwijl neutrale en negatieve antwoorden toenemen. De resultaten laten zien dat de interventie succesvol was in het versterken van het vertrouwen van deelnemers bij beide stellingen, vooral tijdens de tussenmeting. Echter, de daling in positiviteit bij de nameting suggereert dat de impact van de opvoeddebatten niet volledig duurzaam is. Dit geeft aanleiding om na te denken over aanvullende ondersteuning. Door regelmatig opvolging te bieden, kan het positieve effect van de interventie mogelijk beter behouden blijven over langere tijd.
De opvoeddebatten hebben grotendeels bijgedragen aan het behalen van het doel dat ouders weten hoe zij in gesprek kunnen gaan met hun kinderen over gevoelige onderwerpen. Ouders zijn zich over het algemeen zekerder gaan voelen over hun communicatievaardigheden en de meeste deelnemers ervaarden het als haalbaar om gesprekken met hun kinderen over gevoelige thema’s te voeren. Hoewel de interventie een sterk korte termijneffect had, blijkt uit de nameting dat dit effect niet volledig duurzaam is.
Doel 6: Ouders zijn in staat om hun kinderen beter te begeleiden en te stimuleren zodat zij de aansluiting met school, werk, gezin en de samenleving niet verliezen en zich verder kunnen ontwikkelen naar zelfredzaamheid. Na afloop geeft 90% van de deelnemers aan betrokken te zijn bij de school, het werk en de sociale omgeving van hun kinderen, terwijl slechts 10% een neutrale houding heeft. Van deze neutrale groep bestaat een ruime meerderheid (83%) uit vaders met een Marokkaanse migratieachtergrond in Den Haag. Uit de observaties en interviews bleek dat een aanzienlijk deel van deze vaders al volwassen kinderen heeft, wat mogelijk de lagere betrokkenheid verklaart. De vergelijkende analyse toont een positieve stijging in ouderbetrokkenheid: tijdens de voormeting gaf 21% een neutrale reactie en was 7% het oneens met de stelling. In de nameting is niemand het nog oneens en is het aandeel neutrale reacties gedaald naar slechts 5%.
29
4. Effectevaluatie
Na afloop blijkt dat meer dan 70% van de ouders altijd naar oudergesprekken gaat, 20% regelmatig, en slechts een kleine meerderheid soms of nooit. De groep die nooit deelneemt, bestaat uit vaders met een Marokkaanse migratieachtergrond in Den Haag. De vergelijkende analyse toont een stijgende lijn, waarbij een groter percentage ouders aangeeft altijd aanwezig te zijn bij oudergesprekken in vergelijking met de voormeting.
Na afloop blijkt dat 90% van de ouders weet hoe alle of sommige vrienden van hun kinderen heten, terwijl 10% dit niet weet. Ook in deze laatste groep vormt een ruime meerderheid (83%) vaders met een Marokkaanse migratieachtergrond in Den Haag. De vergelijkende analyse laat zien dat een groter percentage deelnemers tijdens de nameting overtuigend aangeeft de namen van alle vrienden van hun kinderen te kennen. Waar tijdens de voor- en tussenmeting nog enkele deelnemers aangaven dit niet te weten, blijkt dit in de nameting bij alle deelnemers bekend te zijn. Dit wijst op een positieve trend.
30
4. Effectevaluatie
De geïnterviewden gaven allen aan zeer betrokken ouders te zijn. Bij hen was de betrokkenheid al groot vóór de opvoeddebatten, waardoor zij weinig verandering merkten. Tijdens de terugkomdag in Den Haag benoemden echter meerdere vaders dat ze meer betrokken zijn geworden. Zo deelde een vader dat hij nu elk half uur bij zijn zoon komt kijken als hij huiswerk aan het maken is. Hij houdt zich ook meer bezig met wat er op straat gebeurt en vraagt aan zijn zoon met wie hij omgaat. Andere deelnemers gaven aan dat ze op school langsgaan om te vragen hoe het gaat met hun kind – maakt hij geen ruzie? Komt hij niet te laat? Blijft hij wakker? Deze realisatie, dat ouderlijke betrokkenheid en oplettendheid essentieel zijn, kwam sterk naar voren in deze groep. Tegelijkertijd werd opgemerkt dat, hoewel veel vaders wel betrokken willen zijn bij school en huiswerk, dit door taalbarrières niet altijd mogelijk is. Een sleutelfiguur uit Den Haag gaf aan dat hij meer betrokkenheid van vaders zag, vooral op scholen, waar vaak problemen spelen. Volgens hem anticiperen vaders hier nu meer op in. Ze bespreken deze onderwerpen in kleinere groepen en ondernemen stappen om problemen aan te pakken. Ook benoemde hij dat er een groeiende aanwezigheid van vaders is bij rapportavonden, wat hij interpreteerde als signaal dat het onderwerp meer leeft onder hen.
Een opvallend voorbeeld van het bevorderen van zelfredzaamheid werd gedeeld door een vader tijdens de terugkomdag in Den Haag. Hij liet zijn kind tijdens de zomer volledig vrij in het gebruik van de telefoon, maar nam die vrijheid weer af toen het nieuwe schooljaar begon. Hij vroeg zijn kind om zelf op te zoeken hoeveel schermtijd gezond is voor een tiener en toen kwamen ze samen uit bij adviezen van experts die volgens hen een goede norm aangaven. Deze aanpak paste hij ook toe voor het bepalen van zijn zakgeld. Door zijn kind zelf antwoorden te laten zoeken en deze met hem te bespreken, stimuleerde hij zelfredzaamheid en gedeelde verantwoordelijkheid voor regels. Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat doel 6 – waarbij ouders in staat zijn om hun kinderen beter te begeleiden en te stimuleren zodat zij de aansluiting met school, werk, gezin en de samenleving niet verliezen en zich verder kunnen ontwikkelen naar zelfredzaamheid – grotendeels is behaald. Na afloop geeft 90% van de ouders aan actief betrokken te zijn bij de school, het werk en de sociale omgeving van hun kinderen. Uit de data blijkt dat vooral vaders meer betrokken zijn geraakt bij school en de sociale omgeving van hun kinderen. Desondanks is er ook een kleine minderheid vaders die relatief weinig betrokken bleef bij de opvoeding, maar dit kan ook komen doordat ze al volwassen kinderen hebben.
31
4. Effectevaluatie
Doel 7: Ouders weten hoe ze signalen van ontsporing en vervreemding kunnen herkennen. De geïnterviewden gaven aan nieuwe informatie te hebben opgedaan over radicalisering, ontsporing en vervreemding, waaronder hoe signalen te melden en wat te doen als dit thuis voorkomt. Zo benoemde een geïnterviewde dat tijdens de training werd benadrukt om hulp te zoeken en het probleem niet alleen op te lossen als een kind “zover gaat.” In de groep zijn tevens herkenbare signalen besproken, zoals teruggetrokken zijn, verkeerde vrienden hebben of afwijkende gedragingen vertonen. Hoewel meerdere geïnterviewden al bewust waren van signalen, merkten sommigen een verschil bij anderen. Zij hadden de indruk dat hun mededeelnemers signalen nu beter konden herkennen. Door het onderwerp gezamenlijk te bespreken, is de bewustwording vergroot en zijn deelnemers alerter geworden. Na afloop geeft 76% van de deelnemers aan signalen van ontsporing en vervreemding te kunnen herkennen, terwijl een kwart hier neutraal over is of aangeeft dit niet te kunnen. Uit de vergelijkende analyse blijkt dat deelnemers zich direct na het laatste verdiepingsdebat zekerder voelden over hun vermogen om deze signalen te herkennen dan enkele weken later.
Dit wijst erop dat het effect van de interventie op langere termijn enigszins kan afnemen, wat suggereert dat aanvullende ondersteuning nuttig kan zijn om de impact te behouden.
Op basis van de resultaten lijkt doel 7 grotendeels behaald. Ouders hebben nieuwe kennis opgedaan over het herkennen en melden van signalen van ontsporing en vervreemding, en de bewustwording en alertheid lijken toegenomen te zijn. Wel blijkt uit de vergelijkende analyse dat het effect van de opvoeddebatten na verloop van tijd kan afnemen.
4.3 Toepassing in de praktijk Tijdens de tussen- en nameting rapporteerde ongeveer 80% van de deelnemers praktische tips te hebben gekregen die ze konden toepassen in hun dagelijks leven. De rest van de deelnemers gaf aan geen tips ontvangen te hebben die direct toepasbaar waren of dit niet meer te weten. Van de groep die positief reageerde op de vraag, kon ruim de helft een concreet voorbeeld van toepassing geven. Deze antwoorden zijn gecategoriseerd in zeven hoofdthema’s (zie cirkeldiagram hieronder). Verder gaf 89% van de deelnemers aan van plan te zijn de opgedane kennis en vaardigheden in de toekomst toe te (blijven) passen in hun dagelijks leven, terwijl de overige 11% aangaf dit misschien te doen.
32
4. Effectevaluatie
Communicatie en praten met kinderen was het grootste thema. Deelnemers benadrukten dat ze meer zijn gaan praten met en luisteren naar hun kinderen. Ze zijn ook opener gaan communiceren en gevoelens en zorgen meer gaan bespreken binnen het gezin. Voorbeelden zijn: “Meer praten met kinderen”, “Vaker open communiceren met mijn kinderen”, “Luisteren naar kinderen” en “Ik leer mijn kinderen om met elkaar alles te delen.” Tijdens een terugkomdag gaf een deelnemer ook aan dat ze haar communicatiestijl aangepast had: “Vroeger zei ik altijd gewoon nee, maar nu geef ik uitleg. Als ik een voorbeeld geef of uitleg, dan begrijpen zij het beter.” Bij het thema betrokkenheid en tijd met kinderen gaven deelnemers aan dat ze meer tijd doorbrengen met hun kinderen en actiever betrokken zijn bij hun dagelijkse leven. Ze gaven voorbeelden zoals: “Meer tijd voor mijn kinderen te geven”, “Meer met mijn kinderen te doen” en “Ik moet meer een betrokken ouder zijn.” Het thema opvoedvraagstukken bespreken met partner of netwerk kwam ook regelmatig naar voren. Veel deelnemers spraken over het belang van het delen van opvoedvraagstukken met hun partner of het netwerk: “Samen dragen met mijn man en samen praten over onze kinderen met hun problemen”, “Op school of ouders gesproken” en “met goede vrienden omgaan.” De opvoeddebatten hebben ook geleid tot bewustwording en het aanpassen van eigen gedrag.
Ouders reflecteerden op hun eigen aanpak en leerden deze aan te passen om effectiever te zijn. Ze deelden inzichten zoals: “Meer bewust worden van de acties en reacties”, “Ik verwacht altijd dat mijn kinderen hoge cijfers halen, maar nu heb ik me toegepast [aangepast]”, en “een stijl toepassen waar ik kinderen mijn mening geef en hen laat beslissen.” Er was echter ook een enkele deelnemer die een minder gewenste gedragsaanpassing benoemde: “Radicale gedachten bestraffen.” Daarnaast leerden veel deelnemers het belang van complimenten en een positieve benadering. Ze ontdekten dat positieve feedback effectief kan zijn in het stimuleren van gewenst gedrag. Ouders zeiden bijvoorbeeld: “Je kind meer complimenten geven”, “Met kinderen moet positief praten” en “Positief denken en praten met anderen.” Bij geduld en omgaan met stressvolle situaties noemden deelnemers hoe ze rustiger en geduldiger konden blijven in uitdagende opvoedsituaties. Bijvoorbeeld: “Sommige tips toepassen in stress situaties met mijn pubers; rustig blijven en time out nemen.” Tijdens een terugkomdag werd benadrukt hoe ouders door het toepassen van concrete tips, zoals minder multitasken en meer tijd voor zichzelf nemen, meer rust in het gezin creëerden.
33
4. Effectevaluatie
Mediagebruik was een specifiek onderwerp waar sommige deelnemers actief mee aan de slag zijn gegaan. Voorbeelden hiervan zijn: “Tijd afspreken om media te gebruiken” en “Samen kranten en tv en radio luisteren en lezen.” Uit de interviews kwam een opvallend verschil naar voren tussen vaders en moeders. Meerdere vaders deelden dat ze geleerd hebben om minder in discussie te gaan met hun kinderen. Ze benadrukten dat meebewegen met de tijdgeest en het (gedeeltelijk) loslaten van traditionele normen en waarden effectief bleken om conflicten te voorkomen, vooral bij kinderen in de puberteit. Moeders legden daarentegen vaker de nadruk op het nemen van meer tijd voor zichzelf en hun partner, wat leidde tot een positieve verandering in de gezinsdynamiek. Zowel de moeders als hun partners merkten deze verandering op gedurende de opvoeddebatten. Door meer tijd voor zichzelf te nemen, ervoeren de moeders meer rust en werd de partner actiever betrokken. Daarnaast gaven moeders aan dat ze hun man meer aandacht gaven, waardoor ze samen gelukkiger waren en het gezin soepeler liep. Uit de interviews en observaties blijkt dat huiswerkopdrachten een belangrijke rol spelen bij het stimuleren van gedragsverandering. Hoewel kennis en bewustwording relatief eenvoudig te vergroten zijn, vormt gedragsverandering een grotere uitdaging.
Opdrachten die deelnemers stimuleren om iets concreets te doen – en daarmee gedrag te veranderen – blijken daarbij het meest effectief. Hoe specifieker en gerichter een opdracht is, hoe groter de kans dat deelnemers deze uitvoeren en dat het gedrag daadwerkelijk verandert. Een algemene opdracht zoals “bespreek dit met je partner” of “weet wat er speelt” heeft bijvoorbeeld minder effect dan een concrete opdracht als “ga iets leuks doen met je partner”, “neem een momentje voor jezelf” of “schrijf een kaart met een compliment aan je kind.” Het is daarbij ook belangrijk om de huiswerkopdrachten af te stemmen op de specifieke doelgroep. Hoewel de inhoud van de opvoeddebatten voor vaders en moeders gelijk is, kunnen verschillende opdrachten beter aansluiten bij hun leefwereld. Zo is “Neem een momentje voor jezelf” vaak relevanter voor moeders dan voor vaders. Het wekelijks inbouwen van een incheckmoment helpt daarnaast om de voortgang te monitoren en gedragsverandering verder te stimuleren.
4.4 Werkzame Elementen Op basis van de methodiekbeschrijving en -onderbouwing van Trias13, zijn de tien belangrijkste werkzame elementen geïdentificeerd. Na afloop hebben we deelnemers gevraagd wat voor hun de belangrijkste werkzame elementen waren, waarbij ze meerdere opties aan konden kruisen. Het overzicht hieronder laat zien welke werkzame elementen het vaakst benoemd werden door de deelnemers. In de rest van het deelhoofdstuk worden deze werkzame elementen verder uitgewerkt met behulp van de interview- en observatiebevindingen.
13 “Methodieken: interventies,” Trias Pedagogica.
34
4. Effectevaluatie
De mogelijkheid om te leren van elkaar werd het meest aangekruist door de deelnemers en kwam ook veelvuldig naar voren in de interviews. De opvoeddebatten waren interactief, met ruimte voor discussies, uitwisseling en het delen van persoonlijke ervaringen. De trainers zorgden ervoor dat iedereen de kans kreeg om aan het woord te komen en leidde de gesprekken in goede banen. Deelnemers leerden niet alleen van de trainer, maar juist ook van elkaar. Een moeder deelde bijvoorbeeld dat iedereen tips aan elkaar gaf en dat ze die vervolgens thuis uitprobeerden. Door het delen van verschillende opvoedstijlen, voorbeelden en ervaringen konden ouders hun eigen aanpak vergelijken en nieuwe inzichten opdoen. Het creëren van een positieve en vertrouwde sfeer in de groep werd gezien als essentieel voor het succes van de opvoeddebatten. De trainer had een belangrijke rol in het faciliteren van een positieve sfeer en het bevorderen van vertrouwelijkheid door zelf ook open te communiceren en voorbeelden te delen. Verder is het bevorderlijk als er duidelijke afspraken gemaakt worden dat persoonlijke verhalen niet buiten de groep gedeeld worden. Tot slot viel het op dat sommige groepen een meer fluïde samenstelling hadden dan andere groepen.
Voor sommige groepen kan het prettig zijn als de groep gelijk blijft, zodat het vertrouwen versterkt kan worden en niet telkens opnieuw opgebouwd hoeft te worden. De vertrouwensband zorgde ervoor dat deelnemers open waren over hun ervaringen en zich kwetsbaar durfden op te stellen, wat de uitwisseling ten goede kwam. Een ander bepalend werkzaam element was het makkelijke taalgebruik en feit dat de opvoeddebatten (deels) in het Arabisch plaats konden vinden als dat nodig was. Dit zorgde ervoor dat deelnemers de inhoud goed konden begrijpen en actief konden deelnemen. Voor veel deelnemers, met name bij de groepen in Den Haag, zou Nederlandse gespreksvoering een belemmering zijn, en door het gebruik van Arabisch werd die drempel weggenomen. Ook bij de groepen in Zoetermeer, die in het Nederlands gegeven werden, was het belangrijk dat de trainer Arabisch kon, zodat sommige deelnemers ingewikkelde onderwerpen of persoonlijke ervaringen in hun moedertaal konden delen. Dit droeg bij aan rijkere discussies en betere uitwisseling onder de deelnemers. Als er deelnemers zijn die zowel het Nederlands als Arabisch niet machtig zijn, is het lastiger voor hen om aan te haken en is het belangrijk om goede vertaling te verzorgen. De deskundigheid en positieve houding van de trainer kwamen allebei veel naar voren. De trainers speelden een cruciale rol in het succes van de interventie.
Ze werden als deskundig en empathisch ervaren, luisterden goed naar de deelnemers en gaven ruimte aan hun verhalen. Hun eigen achtergrond en ervaring als ouder in twee culturen maakten hen herkenbaar voor de groep en zorgden ervoor dat ze praktische voorbeelden en tips konden geven. Daarnaast zorgde hun laagdrempelige en interactieve manier van communiceren voor een goede groepsdynamiek.
35
4. Effectevaluatie
De trainers stonden ook open voor feedback en probeerden hun benadering zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de doelgroep. De feedback op de trainer was het positiefst in groepen waar de trainer hetzelfde geslacht had als de deelnemers. Hoewel moeders het geen probleem vinden als de trainer een man is, wordt opgemerkt dat ze niet alle onderwerpen zouden durven bespreken – met name rondom seksualiteit en andere taboe onderwerpen. Daarnaast is een trainer van het eigen geslacht herkenbaarder en kan deze mogelijk beter aansluiten bij de leefwereld van de deelnemers met eigen voorbeelden. Aandacht voor de migratieachtergrond werd ook benoemd door de deelnemers. De cursus hield expliciet rekening met de migratieachtergrond van deelnemers, wat bijdroeg aan het succes van de interventie. Veel deelnemers vonden het waardevol om de uitdagingen van opvoeden in twee culturen te bespreken en opvoedingspraktijken uit het land van herkomst te vergelijken met die in Nederland. Er was aandacht voor de balans tussen normen en waarden uit beide contexten, waardoor ouders inzicht kregen in hoe zij een opvoedstijl konden ontwikkelen die zowel bij henzelf als bij de Nederlandse samenleving paste, zonder hun culturele identiteit te verliezen.
In de cultureel gemixte groepen in Zoetermeer zorgde de diversiteit voor een brede uitwisseling van ervaringen en perspectieven, wat de gesprekken verrijkte en ouders hielp bij het reflecteren op hun eigen opvoedpraktijken. Goede aansluiting bij de behoeften van de deelnemers kwam ook naar voren. De opvoeddebatten volgden de vooraf opgestelde structuur en onderwerpen, die veelal aan leken te sluiten bij de behoeften en/of interesses van de deelnemers. De debatten waren tegelijkertijd ook flexibel en reactief op de onderwerpen die leefden bij de ouders. Hierdoor was de inhoud relevant en toepasbaar, wat de betrokkenheid en uitwisseling verhoogde. Het leek er wel op dat de thema’s radicalisering, ontsporing en vervreemding verder weg stonden van de ouders. Hoewel radicalisering een aantal jaar geleden meer speelde in de wijken, leken de ouders zelf weinig urgentie te voelen om dit te bespreken. Echter, het onderdeel over sociale media en telefoongebruik, riep veel interesse op, wat laat zien dat ouders hier waarschijnlijk de meeste zorgen over ervaren in relatie tot het verdiepingsdebat. Daarnaast waren er bij de groepen in Den Haag ook ouders betrokken van volwassen kinderen, mogelijk waren niet alle onderwerpen direct relevant voor hen.
Laagdrempelige deelname, rustige opbouw van de cursus en afwisseling en verschillende werkvormen werden, weliswaar in mindere mate, ook erkend door de deelnemers als werkzame elementen. De cursus werd als laagdrempelig ervaren, zowel qua inhoud als opzet. De trainer sprak in begrijpelijke taal en sloot aan bij het niveau van de doelgroep. De opvoeddebatten werden aangeboden op tijden die goed uitkwamen voor de doelgroep of, in sommige gevallen, op tijden en plaatsen dat de groep sowieso al bij elkaar kwam. Dit bleek effectief om een hoge opkomst te behouden gedurende de looptijd van het project. De geïnterviewde deelnemers waren positief over de verschillende werkvormen, waaronder de uitleg van de trainer, de groepsgesprekken en het gebruik van het kaartspel van Trias. Er zijn ook drie aanvullende werkzame elementen naar voren gekomen in de interviews. Ten eerste de inzet, betrokkenheid en interesse van de deelnemers zelf. In Zoetermeer zijn bijvoorbeeld zeer goede resultaten behaald bij een groep moeders die zich sterk committeerden aan de sessies. Zij deden actief mee en zorgden ervoor dat ze, waar mogelijk, altijd aanwezig waren. Een moeder woonde zelfs een week na haar bevalling de sessies weer bij en bleef de rest van het traject volgen met haar baby.
Bij een vadergroep in Den Haag bleek het maken van duidelijke afspraken vooraf een belangrijke factor in de deelnemersbetrokkenheid. Hier had de sleutelfiguur vooraf afspraken gemaakt met alle deelnemers, wat er volgens hem aan bijdroeg dat de meeste vaders het traject bleven volgen en uiteindelijk allemaal hun certificaat hadden verdiend. 36
4. Effectevaluatie
Het tweede aanvullende element is de aanwezigheid van een sleutelfiguur die een brugfunctie kan vervullen tussen de deelnemers en de trainer. De sleutelfiguur is vaak een bekende of vertrouwenspersoon van de deelnemers, die kan helpen om het ijs te breken tijdens de eerste sessie en een brug te slaan tussen de uitleg van de trainer en de ervaringen van de deelnemers. De sleutelfiguren konden in sommige groepen ook aanvullingen of voorbeelden bieden of in subgroepjes helpen met vertaling of gespreksfacilitatie. De deelnemers konden ook op een laagdrempelige manier bij de sleutelfiguren terecht om feedback te bespreken, waardoor de opvoeddebatten zo goed mogelijk bij de doelgroep aansloten. Dit vergrootte het effect van de opvoeddebatten en versterkte de betrokkenheid van de deelnemers. Het laatste aanvullende werkzame element is het kleine budget dat groepen zelf konden inzetten voor eten of drinken. Een groep gebruikte dit bijvoorbeeld om samen mee te koken en een andere gebruikte dit voor een gezamenlijk ontbijt aan het begin van het opvoeddebat. Dit bracht de deelnemers dichter bij elkaar, stimuleerde de onderlinge verbinding en was een extra motivatie om langdurig deel te nemen.
37
5. Conclusie
5. Conclusie In de conclusie worden de onderzoeksvragen van de proces- en effectevaluatie beantwoord.
5.1 Procesevaluatie 1. Hoe verloopt de werving van deelnemers, wat zijn de succes- en faalfactoren hierbij? Trias heeft een effectieve wervingsstrategie om ouders met een migratieachtergrond te bereiken voor de opvoeddebatten. In de beginfase investeert Trias intensief in netwerkopbouw met sleutelfiguren, die een centrale rol spelen binnen gemeenschappen en vaak al een vertrouwensband met de doelgroep hebben. Sleutelfiguren kunnen vervolgens de brug vormen tussen Trias en bestaande netwerken. Sleutelfiguren peilen de interesse binnen de doelgroep en, bij voldoende animo, helpen met de organisatie van de opvoeddebatten. De gemeente heeft in deze fase vooral een faciliterende rol, waarbij ze Trias aan eerste contacten kan helpen. Hoewel het proces aanvankelijk tijdrovend en complex is, wordt de werving steeds gemakkelijker zodra de eerste opvoeddebatten zijn gehouden en positief zijn ontvangen. Trias profiteert hierbij van mond-tot-mondreclame en positieve referenties. In Den Haag, waar Trias al langer actief is, is de bereidheid tot deelname inmiddels hoog en staan groepen zelfs op de wachtlijst. Voor de werving van ouders zonder migratieachtergrond is een start gemaakt, mogelijk is hier een aparte wervingsstrategie voor nodig.
In Zoetermeer bevindt Trias zich nog in de opstartfase en hier bleek samenwerking met basisscholen uiteindelijk een effectieve methode om voet aan de grond te krijgen. Via basisscholen was het ook gelukt om ouders zonder migratiegrond te bereiken. De succesfactoren van de werving van deelnemers zijn: 1. Goede sleutelfiguren met ingang tot de juiste doelgroep 2. Inspelen op bestaand netwerk 3. Flexibiliteit, proactiviteit en duurzame relaties van Trias 4. Sterke eerste sessie die zorgt voor behoud van deelnemers 5. Praktische factoren zoals bekende locatie en tijdstip De faalfactoren (of uitdagingen) van de werving van deelnemers 1. Niet iedereen valt binnen de doelgroep 2. Het vrijblijvende karakter van deelname 3. Moeilijkheden bij het betrekken van vaders 4. Wantrouwen vanuit moskeeën en deelnemers naar gemeente 5. Strategische werving en evenwichtige spreiding van opvoeddebatten
2. Hoe zijn de activiteiten tot dusver verlopen? Wat werkt goed, wat werkt minder goed? Over het algemeen verlopen de opvoeddebatten succesvol volgens betrokkenen. Hieronder worden enkele kernaspecten van de implementatie besproken, met daarbij wat goed werkt en wat minder goed. Door deze punten mee te nemen, kan de implementatie en samenwerking verder worden versterkt, wat de impact en duurzaamheid van het project mogelijk vergroot.
38
5. Conclusie
Tijdsduur van de opvoeddebatten •
Wat werkt goed: De flexibiliteit van Trias om de duur van de trajecten aan te passen aan de behoefte van de deelnemers wordt gewaardeerd. De mogelijkheid om maatwerk te leveren en snel te schakelen met de gemeente draagt bij aan het succes van de trajecten.
•
Wat werkt minder goed: Taalbarrières en vertaling nemen veel tijd in beslag, vooral in gemengde groepen met nieuwkomers. Hierdoor blijft er minder tijd over voor de inhoud.
Continuïteit van deelname •
Wat werkt goed: In sommige groepen is een sterke betrokkenheid zichtbaar, waardoor deelnemers regelmatig terugkomen en optimaal profiteren van de trajecten. Dit leidt tot een grotere impact en gedragsverandering.
•
Wat werkt minder goed: De opkomst in andere groepen was wisselend. Een onregelmatige opkomst kan invloed hebben op de groepsdynamiek en ervoor zorgen dat bepaalde deelnemers essentiële onderdelen missen, wat ten koste kan gaan van de effectiviteit.
Taal en culturele sensitiviteit •
Wat werkt goed: Trias houdt rekening met taal en culturele achtergrond bij de samenstelling van groepen en de keuze van trainers. Dit draagt bij aan een effectieve en vertrouwde leeromgeving.
•
Wat werkt minder goed: In sommige gemengde groepen kan de trainer niet zelf de taalbarrière wegnemen, waardoor er een afhankelijkheid ontstaat van andere deelnemers om te vertalen.
Werkvormen en didactische aanpak •
Wat werkt goed: Door de ervaring van de trainers en hun vermogen om in te spelen op de behoeften van de groep, kunnen ze schakelen tussen verschillende werkvormen en zo een passende leeromgeving creëren.
•
Wat werkt minder goed: In sommige groepen is het in het begin zoeken naar de juiste aanpak, vooral bij nieuwe culturen of taalbarrières.
Trainers •
Wat werkt goed: De trainers worden zorgvuldig geselecteerd op basis van taalvaardigheid, culturele achtergrond, ervaring, geslacht en beschikbaarheid. Dit draagt bij aan een goede aansluiting bij de doelgroep.
•
Wat werkt minder goed: Door maatschappelijke en politieke ontwikkelingen, zoals polarisatie en wantrouwen tussen bevolkingsgroepen, ziet Trias dat sommige sleutelfiguren en deelnemers afhaken of een onverschillige houding aannemen. Dit kan trainers demotiveren en maakt het werk van Trias lastiger.
Rol van professionals •
Wat werkt goed: Het idee dat een professional van de gemeente, politie of hulpverleningsinstantie aansluit bij één debat per serie, om aanvullende informatie te delen en de drempel naar
39
5. Conclusie
gemeente instanties te verlagen, was in het verleden gebruikelijk en werd als positief gezien door betrokkenen. •
Wat werkt minder goed: Het structureel betrekken van professionals is in de praktijk lastig, vooral bij debatten die in de avond of in het weekend georganiseerd worden. Daarnaast kan het tot teleurstelling in de groep leiden als gecommuniceerd wordt dat een gast aansluit en dit later niet blijkt te lukken.
Terugkoppeling en evaluatie •
Wat werkt goed: De gemeenten vertrouwen op de expertise en aanpak van Trias, waardoor er geen belastende eisen worden gesteld aan terugkoppeling en evaluatie.
•
Wat werkt minder goed: Structurele terugkoppeling en evaluatie kan verbeterd worden. Er is behoefte aan regelmatige check-in momenten tussen de gemeenten en Trias om inzichten uit de opvoeddebatten te bespreken. Het zou ook nuttig zijn om de voortgang en effecten op een laagdrempelige manier beter te monitoren, evalueren en communiceren aan de gemeenten.
Continuïteit en financiering •
Wat werkt goed: De opvoeddebatten worden gewaardeerd door de gemeenten en er is interesse om deze verder uit te bouwen, nieuwe doelgroepen te bedienen en bestaande groepen meer verdieping te bieden.
•
Wat werkt minder goed: De jaarlijkse onzekerheid over financiering bemoeilijkt langetermijnplanning en uitbreiding van het project. Meerjarige financiële toezeggingen zouden zorgen voor meer stabiliteit en groeimogelijkheden.