CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS322018 Notulen van de raad van 13 maart 2025

Gemeenteraad 8 mei 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Vaststelling van de notulen van 13 maart 2025 (RIS322018), 3 april 2025 (RIS322019) en geheim woordelijk verslag van de raad van 13 februari 2025 (RIS321587)61.658 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 7

79

De voorzitter. We gaan aan het einde van de avond stemmen. Ik zie dat het vijf voor half zeven is. Laten we agendapunt Q, Voorstel van het college inzake Haags beleidskader Jeugd, ook nog even doen. Er staan vier sprekers voor op de lijst. Ik denk dat dit redelijk vlot kan gaan. Dan gaan we daarna over naar de dinerpauze.

Aan de orde is: Q.

Voorstel van het college inzake Haags beleidskader Jeugd 2025 2028 (RIS320888).

De beraadslaging wordt geopend. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). Voorzitter. Er zijn twee zaken die ik onder de aandacht wil brengen. Ten eerste dat er nog steeds grote financiële tekorten zijn op het jeugdhulpbudget. Ten tweede dat er inmiddels alweer een jaar wordt gewerkt met het Haags Toekomstperspectief. Met vallen en opstaan wordt er door rondomJou en Kracht in samenspraak met de gemeente invulling gegeven aan het jeugd- en gezinsbeleid in onze stad. We zien dat veel activiteiten gefinancierd worden uit het jeugdhulpbudget, waarbij langzamerhand steeds meer de vraag rijst of het altijd wel de meest logische keuze is geweest om die activiteiten uit dat budget te financieren. Denk bijvoorbeeld aan de financiering van de kinderdagcentra en de begeleiding en coaching in het kader van de jeugdreclassering. Daarom het verzoek aan het college om een inventarisatie of een onderzoek te doen naar besteding van jeugdzorgmiddelen. Wat is nou eigenlijk jeugdzorg en wie betaalt ervoor? Die prangende vraag is dan ook meteen de titel van mijn motie, met als dictum: verzoekt het college een inventarisatie te maken van de financiering van de grensgebieden van de jeugdwet; over de hele linie, dat wil zeggen van basis- tot hoogspecialistische hulp en de raad daarover te informeren. Deze motie is medeondertekend door Judith Klokkenburg van de ChristenUnie/SGP en Anthony Uduba van de VVD.

De voorzitter. Door mevrouw Verdonk, daartoe gesteund door mevrouw Klokkenburg en de heer Uduba, wordt de volgende motie (Q.1 HvDH) ingediend:

Motie Q.1 HvDH Wat is jeugdhulp en wie betaalt ervoor? De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 13 maart 2025, ter bespreking van het Voorstel van het college inzake Haags beleidskader Jeugd 2025 2028 (RIS320888). Constaterende dat: ▪ er grote financiële tekorten zijn op het beleidsterrein Jeugd. Overwegende dat: ▪ er nu een jaar gewerkt wordt met het Haags Toekomst Perspectief; ▪ er veel activiteiten gefinancierd worden uit het Jeugdhulpbudget; ▪ de vraag kan worden gesteld of het altijd de meest logische keuze is geweest om deze activiteiten uit het jeugdbudget te financieren. Van mening dat: ▪ een inventarisatie/onderzoek naar besteding van jeugdzorgmiddelen daar duidelijkheid over kan geven. Verzoekt het college: ▪ een inventarisatie te maken van de financiering van de grensgebieden van de jeugdwet; over de hele linie dat wil zeggen van basis-, tot hoog specialistische hulp en de raad daarover te informeren. 80

En gaat over tot de orde van de dag. De motie maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Janneke Holman (PvdA). Voorzitter. Mede namens mijn collega Suzanne Piet nogmaals dank aan het college voor dit stuk. Zoals de wethouder in de commissie al aangaf, is het een mooie samenvatting van alles wat we in Den Haag al doen om ervoor te zorgen dat ieder kind in Den Haag een fijne jeugd heeft en fijn kan opgroeien, ongeacht de wijk waarin kinderen geboren worden of de portemonnee van hun ouders. Mijn fractie kijkt dan ook uit naar de concrete uitwerking en uitbreiding van bijvoorbeeld de gezinsgerichte aanpak en de Haagse Proeftuin. Hetzelfde geldt voor de afbouw van de gesloten jeugdzorg, die hand in hand gaat met de zoektocht naar kleinschalige alternatieven met minder vrijheidsbeperking voor kinderen en jongeren. Daarnaast delen we de mening van GroenLinks dat sporten en cultuur een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Daarom heb ik ook meegetekend met de motie Gun de Haagse jeugd cultuur van collega Baboeram, die nu geloof ik aan de beurt is. Lenne Baboeram (GroenLinks). Voorzitter. Sport wordt vaak genoemd als mogelijkheid om veerkrachtigheid bij de jeugd te versterken. Sommige jongeren hebben wellicht een sneller kloppend hart voor culturele dan voor sportieve activiteiten.

Iedereen herkent wellicht nog wel het gevoel als laatste gekozen te worden bij gym. Daarom dien ik een motie in met de titel Gun de Haagse jeugd cultuur, samen met de Partij voor de Dieren en de Partij van de Arbeid. Het dictum is: verzoekt het college in het kader van jeugdpreventie naast sport ook kunst- en culturele initiatieven te betrekken bij het Haags beleidskader Jeugd 2025-2028. De voorzitter. Door mevrouw Baboeram, daartoe gesteund door de heer Smit en mevrouw Holman, wordt de volgende motie (Q.2 GL) ingediend:

Motie Q.2 GL Gun de Haagse jeugd cultuur De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 13 maart 2025, ter bespreking van Haags beleidskader Jeugd 2025-2028. Overwegende, dat: ▪ in 2023, 55% van de Nederlandse bevolking (ruim 9,2 miljoen Nederlanders) van zes jaar en ouder kunstzinnig, creatief of muzikaal actief is, waarvan 85% van 6-11 jarigen, 62% van de 12-19 jarigen en 60% van de 20-34 jarigen (Kunstzinnig en creatief in de vrije tijd. Monitor Amateurkunst 2023, p. 1 & p. 5); ▪ het ‘Haags beleidskader Jeugd 2025-2028’ (RIS320888) naast een gezonde leefstijl, de mentale weerbaarheid en veerkracht wil vergroten door scholen, sportclubs en jongerenwerkers actief te betrekken; ▪ het ‘Uitvoeringsplan Haagse Preventieaanpak’ (RIS318620) kunst- en cultuuractiviteiten biedt zoals voorschoolse cultuureducatie, cultuurparticipatie voor jonge kinderen juist ook i.r.t. hun mentale gezondheid. Constaterende, dat ▪ bij kunst- en culturele activiteiten in het kader van preventie juist de mogelijkheden van jongeren centraal staan, niet hun problemen; ▪ het ‘Haags beleidskader Jeugd 2025-2028’ (RIS320888) in het kader van jeugdpreventie de rol mits van kunst- en cultuur activiteiten mist om de mentale weerbaarheid onder jongeren te vergroten.

81

Verzoekt het college: ▪ in het kader van jeugdpreventie naast sport ook kunst- en culturele initiatieven te betrekken bij het ‘Haags beleidskader Jeugd 2025-2028’ (RIS320888). En gaat over tot de orde van de dag. De motie maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Wethouder Bredemeijer (CDA). Voorzitter. Het is hard werken voor iedereen in de jeugdhulp, jeugdzorg om kwetsbare kinderen in onze stad, in onze samenleving en in ons land de hulp te geven waar ze recht op hebben. Dat is hard werken en dat is onder een gesternte van best ook ingewikkelde tijden, en zeker ook financieel ingewikkelde tijden. Mevrouw Verdonk benoemde dat. We zitten inderdaad op dit moment in een periode waarin we met het Rijk samen ook heel expliciet zoeken naar oplossingen voor dat vraagstuk. Vanuit het Rijk is de Hervormingsagenda opgesteld, waarvan wij als gemeenten ook steeds zeggen: dan moet er ook boter bij de vis en dan moet er ook wel echt aan wat knoppen gedraaid worden, zodat we dit werk kunnen blijven doen binnen de middelen die wij tot onze beschikking hebben gekregen. Dat is op dit moment onmogelijk en daar zijn we hard mee aan de slag. Dagelijks dus al die mensen in de jeugdhulp, in de jeugdzorg, maar ook wij, de beleidsmakers met elkaar, u als gemeenteraad, wij als college, en onze ambtelijke organisatie. Het stuk dat voorligt geeft aan op welke manier we dat willen doen.

En inderdaad, het gaat om kwetsbare kinderen in heel kwetsbare posities, met verblijf en dergelijke. Dat gaat om jeugdhulpPlus, dat gaat om jeugdbescherming, maar dat gaat ook om jeugdhulp, het hele ambulante deel waar we natuurlijk in Den Haag al heel veel stappen op hebben gezet. Kracht en rondomJou doen dat voor ons. Gaat dat met vallen en opstaan? Ik ben het ermee eens dat dit inderdaad zo is. Tegelijkertijd zijn we nu ruim een jaar bezig vanuit die visie die we met elkaar delen om ook voor de zaken die oppoppen, steeds een oplossing te zoeken in het belang van die kinderen. Ook regionaal zijn we nu bezig om voor het verblijf en het hoogspecialistische deel oplossingen te zoeken voor de problemen die we ervaren. Mevrouw Verdonk en daarmee Hart voor Den Haag dient een motie in die vraagt om een inventarisatie te maken van de financiering van de grensgebieden van de Jeugdwet. Ik ben, als de raad deze motie aanneemt, graag bereid dat te doen en kritisch te kijken naar wat jeugdhulp is, wat daar net buiten valt en wat op het grensgebied plaatsvindt. Uiteraard zou zo'n inventarisatie goed aan de orde kunnen zijn. Want mevrouw Verdonk noemde een paar voorbeelden. Ik denk dat je zo een aantal voorbeelden kunt noemen waar dat aan de orde zou kunnen zijn. We moeten goed met elkaar kijken naar welke middelen we tot onze beschikking hebben en of die op de goede plek terechtkomen.

Zo'n inventarisatie kan ons daar goed bij helpen, kan de raad daar straks goed bij helpen en kan ons dus in gezamenlijkheid goed helpen bij het zetten van de vervolgstappen. Ik ben graag bereid dat te doen als deze motie wordt aangenomen. Aan het oordeel van de raad zou ik deze dus willen laten. Janneke Holman (PvdA). Ik had deze vraag eigenlijk ook aan mevrouw Verdonk kunnen stellen, maar ik stel die in ieder geval ook even aan de wethouder. Ik kan me voorstellen dat er dingen uitkomen die strikt genomen niet onder de Jeugdwet vallen, maar die we wel met zijn allen bedacht hebben vanuit het principe 'preventief' of inzetten op lichte hulp om zwaardere hulp, wat dan wel onder de Jeugdwet valt, te voorkomen. Kan dat ook geduid worden in zo'n inventarisatie, van: misschien valt het niet onder de Jeugdwet, maar we doen het wel met een reden? Is dat iets wat daaronder zou kunnen vallen? Wethouder Bredemeijer (CDA). Dat zal ik zeker meenemen daarin op het moment dat dit aan de orde komt. Daarnaast hecht ik eraan om te zeggen dat we in onze eigen manier van werken in het ambulante deel, dus het deel waar het Haags Toekomstperspectief op ziet, in onze verordening heel duidelijk hebben aangegeven wat wij verstaan onder de opdracht die we hebben.

Daar waar de Jeugdwet die nog vrij ruim interpreteert, nog heel open heeft - daar is waar die inperking ook op zou moeten zien, wat mij betreft - is onze verordening vrij duidelijk. Dat is, denk ik, al een heel deel van het antwoord. Maar ik zal ook in de inventarisatie, als dit aan de orde komt, dat duidelijk zichtbaar maken.

82

Als ik dan door mag met de appreciatie van de motie van GroenLinks? Ik begrijp dat in ieder geval ook de Partij van de Arbeid eronder staat. Ook deze zou ik graag aan het oordeel van de raad willen laten. We hebben daarover in het debat wat van gedachten gewisseld. Toen heb ik ook aangegeven dat mijn focus misschien inderdaad net iets vaker op het gebied van sport ligt, maar dat dat niets wil zeggen over de focus die je op het gebied van cultuur zou moeten leggen. We hebben toen met elkaar gewisseld: moeten we daar een aanpassing van het stuk voor doen of volstaan we met een uitspraak van de raad? Ik zie aan deze motie dat het laatste is gekozen. Ik zou die dus graag aan het oordeel van de raad willen laten. De voorzitter. Ik constateer dat er geen behoefte is aan een tweede termijn. De beraadslaging wordt gesloten. De voorzitter. Ik ga even overleggen. Dit ging toch wel weer ietsje sneller dan ik gedacht had. Ik schiet er ook bijna van vol, hoor. Ik weet even niet wat ik meemaak. Zullen we vast beginnen met agendapunt R? Wat mij betreft kunnen we beginnen en gaan we echt om kwart voor zeven de dinerpauze doen. Dan hebben we toch weer tien minuten gewonnen. Iedere spreker die we gehad hebben, hebben we dan ook maar gehad. Meneer Assad, ik kan u ook iets later op de lijst plaatsen als u het prettiger vindt om het na de dinerpauze te doen. Dat mag. Dat is helemaal geen probleem.

Ik ben als was in uw handen. Dan gaan we gewoon beginnen met dit agendapunt.

Aan de orde is: R. Voorstel van het college inzake Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 20252027 (RIS321267). De beraadslaging wordt geopend. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). Voorzitter. De wethouder vraagt de raad om de Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025-2027 vast te stellen. Hiermee wordt Versterken & verbinden, het huidige beleidsplan professioneel welzijnswerk 2021-2024, verlengd tot en met 2027. Hart voor Den Haag begrijpt niet dat de wethouder dat überhaupt durft te vragen. In de actualisatie worden namelijk de resultaten aangegeven van het huidige beleidsplan. Een paar voorbeelden. Het aantal mensen met problematische schulden is toegenomen. Het aantal eenzame mensen is toegenomen. Het aantal kinderen dat opgroeit in een huishouden met een inkomen tot 130% is hoger dan in de rest van Nederland. De rapportcijfers voor sociale cohesie en leefbaarheid, juist in de meest kwetsbare wijken, zijn gedaald tot onder de 5. Dat is een dikke onvoldoende. Tot slot. Er is een toename van het aantal minderjarigen in de criminaliteitscijfers, meer betrokkenheid bij winkeldiefstal, geweldsdelicten en jeugdcriminaliteit. Het gaat dus niet goed met het welzijnswerk in onze stad, en dan wil de wethouder het huidige beleidsplan verlengen? Mijn fractie begrijpt hier niets van.

Kan de wethouder hierop een reflectie geven? Hart voor Den Haag wil dat het welzijnswerk het leven van mensen in onze stad verbetert en niet verslechtert. We roepen de wethouder dus ook op om een nieuw plan te maken en stemmen tegen dit voorstel. Janneke Holman (PvdA). In de commissievergadering heb ik een uitgebreid pleidooi gehouden voor het belang van meidenwerk, want het is slecht gesteld met de mentale gezondheid van meiden. Ze hebben steeds vaker last van depressieve gevoelens en neerslachtigheid en ervaren prestatiedruk. Meisjes uiten dit vaak door zich terug te trekken en te piekeren. Dank daarom voor de toezegging van de wethouder dat hij voor de zomer met een brief over het meidenwerk komt in de stad. Wel wil ik vragen of hij daarin in kan gaan op de vraag of, met alle inzet die we in de stad hebben, van jongerenwerkers tot straatcoaches, de aandacht tussen jongens en meisjes nu in balans is. De aanstaande tender voor de welzijnssubsidies is ontzettend spannend voor de organisaties in de stad en hun medewerkers. We kunnen in een scenario komen waarin welzijnswerk straks wordt 83

overgenomen door een nieuwe, zelfs voor ons nog onbekende organisatie. Ondanks het uitgangspunt 'werknemer volgt werk' weten we uit ervaringen uit andere steden dat nieuwe organisaties soms toch welzijnswerkers op straat zetten door bijvoorbeeld te rommelen met functietitels. Dit moeten we in Den Haag echt voorkomen, voor de zekerheid van de medewerkers zelf, maar ook omdat welzijnswerkers die een vertrouwd gezicht zijn in de wijk, goud waard zijn. Daarom heb ik de motie Voorkom dat welzijnswerkers op straat komen te staan: verzoekt het college in de subsidievoorwaarden stevig te verankeren dat personeel moet worden overgenomen, zodat er bij een eventuele wisseling van welzijnsorganisaties voorkomen wordt dat er personeel op straat komt te staan. Deze is mede ingediend namens Lesley Arp van de SP, Lenne Baboeram van GroenLinks en Judith Klokkenburg van de ChristenUnie/SGP. Minke Hofstra (VVD). Waarom stelt de PvdA een baangarantie voor welzijnsmedewerkers voor, terwijl het ook zo kan zijn dat er minder welzijn is? Janneke Holman (PvdA). Ik vind dit een beetje een rare vraag. We hebben die tender. Die gaat ervan uit dat het welzijn dat er in de stad is, gewoon blijft. Er is alleen een andere perceelindeling. Dat moet ook met hetzelfde aantal personeel gebeuren.

Nu is het gelukkig zo, zelfs vanuit de wet, maar ook in heel veel tenders in andere steden, dat het principe is 'werknemer volgt werk'. Welzijnswerkers moeten gewoon overgenomen worden door nieuwe organisaties. Maar wat hier dus het punt is, is dat sommige welzijnsorganisaties in andere steden dat hebben ontdoken door bijvoorbeeld functietitels aan te passen en daardoor toch mensen op straat te zetten. Ik kan me voorstellen om bijvoorbeeld goedkopere, jongere arbeidskrachten aan te trekken. Dat lijkt me niet de bedoeling. Minke Hofstra (VVD). Wat de VVD bedoelt is dit. Stel dat er minder welzijnsactiviteiten nodig zijn, omdat organisaties samen gaan werken. Dan kan het dus zo zijn dat er werk wegvalt voor de medewerker. Dan is het toch niet gek dat die medewerker zijn baan verliest? Die medewerker kan zo aan de slag in andere banen in Den Haag. Janneke Holman (PvdA). De uitdagingen in de stad zijn zo ontzettend groot dat ik me in geen enkel scenario kan voorstellen dat er behoefte is aan minder welzijnswerkers in Den Haag. De voorzitter. Door mevrouw Holman, daartoe gesteund door mevrouw Arp en mevrouw Klokkenburg, wordt de volgende motie (R.5 PvdA) ingediend:

Motie R.5 PvdA Voorkom dat welzijnswerkers op straat komen te staan De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 13 maart 2025, ter bespreking van de Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025 - 2027. Overwegende, dat: ▪ in de brief over de aanstaande tenderprocedure voor de Subsidieregeling Professioneel Welzijn 2026-2027 het uitgangspunt ‘werknemer volgt werk’ is opgenomen, met de bedoeling dat bij eventuele wisselingen van organisaties na de tenderprocedure er geen welzijnswerkers op straat komen te staan; ▪ welzijnswerkers in wijken vaak een vast en vertrouwd gezicht zijn in de wijk en binding hebben met bewoners, wat van onschatbare waarde is en behouden moet blijven, en er eveneens sprake zou moeten zijn van werkzekerheid voor welzijnswerkers; ▪ ervaringen uit andere steden laten zien dat enkel het opnemen in de voorwaarden dat personeel bij een wisseling van organisaties moet worden overgenomen niet volstaat, en er voorbeelden zijn waar alsnog welzijnswerkers op straat kwamen te staan doordat bijvoorbeeld functietitels werden aangepast.

84

Verzoekt het college: ▪ in de subsidievoorwaarden stevig te verankeren dat personeel moet worden overgenomen, zodat er bij een eventuele wisseling van welzijnsorganisaties voorkomen wordt dat er personeel op straat komt te staan. En gaat over tot de orde van de dag. De motie maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Lenne Baboeram (GroenLinks). Voorzitter. Een gezonde sociale basis is niet alleen afhankelijk van grote en professionele welzijnsorganisaties, maar ook juist van lokale, kleinschalige initiatieven die dicht bij de bewoners staan. Een structurele plek en financiële zekerheid voor de kleine organisaties en bewonersinitiatieven zijn noodzakelijk om een bijdrage te leveren aan preventie, welzijn en verbinding in de wijk en om duurzaam te kunnen blijven leveren. Daarom dien ik samen met de Partij van de Arbeid de motie in met de titel Haagse lokaliteit in het welzijnsbeleid, met het volgende dictum: verzoekt het college in bestaande en toekomstige subsidieregelingen voor de sociale basis, waaronder het welzijnswerk, conform het vastgestelde kader meerjarig financieren expliciet aandacht te besteden aan voldoende ruimte voor kleine, lokale welzijnsorganisaties en bewonersinitiatieven, naast de grote welzijnsorganisaties, zodat zij op een gelijkwaardige manier kunnen bijdragen aan de sociale basis.

Daarnaast mist het welzijnsbeleidskader culturele en queersensitiviteit. Hoewel de wethouder heeft aangegeven hiervoor open te staan, was dit nog niet actief opgenomen, net zoals het doorgaan met het Roze Loper Keurmerk. Daarom dien ik samen met de Partij van de Arbeid de motie in met de titel Culturele en queersensitiviteit in het welzijnsbeleid, met het volgende dictum: verzoekt het college om de raad te informeren over hoe culturele en queersensitiviteit opgenomen wordt in de subsidietender van de Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025-2027. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Ik was even benieuwd wat er volgens indiener gebeurt als deze motie wordt aangenomen, wat nu niet gebeurt. Lenne Baboeram (GroenLinks). We hebben dit in de commissie behandeld. Wat mij opviel, is dat ik geen officiële toezegging heb gekregen. Ik heb het gecheckt en het staat ook niet in het toezeggingenregister. Daarom is het voor ons heel belangrijk dat dit wel wordt opgenomen. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Maar het dictum luidt conform de toezegging van de wethouder. De wethouder heeft aangegeven dat hij dit gaat doen. Dus wat verandert er als deze motie wordt aangenomen? Lenne Baboeram (GroenLinks). De toezegging staat niet in het toezeggingenregister. Het is niet toegezegd formeel. De voorzitter. Mevrouw Klokkenburg, derde keer. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP).

Dat het niet in het toezeggingenregister staat, betekent niet dat de wethouder niet heeft gezegd dat hij dit gaat doen. Het is niet een apart product. Het wordt meegenomen in de tenderprocedure. Dus kan ik dan concluderen dat mevrouw Baboeram de woorden van de wethouder niet vertrouwd? Lenne Baboeram (GroenLinks). Dat zeg ik helemaal niet, absoluut niet. Ik wil hier expliciet aandacht aan besteden, omdat het nog niet is opgenomen. Het wordt niet meegenomen nog, dus vandaar. De voorzitter. Mevrouw Baboeram, ik wil u erop wijzen dat u slechts het eerste bullet van het dictum heeft voorgelezen. Ik mis dus twee bullets. We hebben een motie aangeleverd gekregen. In het eerste dictum gaat het over de toezegging waar u net over sprak. Daar komen nog twee bullets achteraan. Die heeft u niet voorgelezen. Het is wel de bedoeling dat de dicta altijd voorgelezen worden. Mocht de

85

motie gewijzigd zijn, dan heeft u de gelegenheid om dat toe te lichten. Maar dat kunnen wij natuurlijk niet ruiken vanaf deze plek. Lenne Baboeram (GroenLinks). De dicta luiden: conform de afdoening motie Ontwikkel intersectionele training met experts de intersectionele training over uitsluiting en inclusiviteit voor scholen en welzijnswerk op te nemen in de Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025 2027; conform de nota Inclusief Samenleven: allemaal anders, iedereen Haags en de toezegging van de wethouder de subsidie waarmee zorg- en welzijnsinstellingen een tegemoetkoming kunnen aanvragen voor het Roze Loper Keurmerk of deskundigheidsbevordering op te nemen in de Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025-2027. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Zeker over deze twee extra bullets bij het dictum ben ik een beetje verbaasd. Want we gaan een raadsvoorstel vaststellen en dan wordt er een motie ingediend om dat raadsvoorstel aan te passen. Dan moet u toch een amendement indienen? Lenne Baboeram (GroenLinks). Ik denk niet dat we het helemaal moeten aanpassen. Dit is een aanvulling. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Als je als raadslid een aanvulling of wijziging op een raadsvoorstel hebt, dan moet je volgens mij een amendement indienen.

Je kunt niet vanavond een raadsvoorstel vaststellen en vervolgens een motie afdoen die vraagt om een wijziging van dat raadsvoorstel. Is mevrouw Baboeram dat met mij eens? Lenne Baboeram (GroenLinks). Voor GroenLinks is het belangrijk dat dit wordt opgenomen. In welke vorm, of het nou een motie is of een amendement, maakt niet uit. De voorzitter. Mevrouw Klokkenburg, voor de derde maal. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Ik snap dat het heel belangrijk is voor de fractie van mevrouw Baboeram, maar volgens mij hebben we hier spelregels voor vastgesteld. Die zou je moeten volgen. Als je iets wil wijzigen, dan dien je een amendement in. Lenne Baboeram (GroenLinks). Ik zie dit niet als een wijziging. Dit is een aanvulling. Daar hoeft niet het hele beleidsplan voor te veranderen. De voorzitter. Door mevrouw Baboeram, daartoe gesteund door mevrouw Holman, worden de volgende moties (R.2 GL en R.3 GL) ingediend:

Motie R.2 GL Haagse lokaliteit in het welzijnsbeleid De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 13 maart 2025, ter bespreking van ‘Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025 – 2027’ (RIS321267) Constaterende, dat: • binnen het huidige subsidiekader ontvangen zes grote welzijnsorganisaties structureel € 38,3 miljoen; • kleinere, lokale organisaties met aantoonbare waarde in hun wijken hierdoor onder financiële druk staan; • kleine organisaties die (grotendeels) leunen op vrijwilligers er vaak tegenaan lopen dat zij jaarlijks subsidies moeten aanvragen en dit leidt tot minder tijd voor het daadwerkelijke welzijnswerk, meer onzekerheid en minder planbaarheid.

86

Overwegende, dat: ▪ een gezonde sociale basis niet alleen afhankelijk is van grote professionele welzijnsorganisaties, maar ook van lokale kleinschalige initiatieven die dicht bij bewoners staan; ▪ een structurele plek en financiële zekerheid voor deze kleinere organisaties en bewonersinitiatieven noodzakelijk is om hun bijdrage aan preventie, welzijn en verbinding in de wijken duurzaam te kunnen blijven leveren. Verzoekt het college: • in bestaande en toekomstige subsidieregelingen voor de sociale basis, waaronder het welzijnswerk, conform het vastgestelde kader meerjarig financieren (RIS315194), expliciet aandacht te besteden aan voldoende ruimte voor kleine, lokale welzijnsorganisaties en bewonersinitiatieven, naast de grote welzijnsorganisaties, zodat zij op een gelijkwaardige manier kunnen bijdragen aan de sociale basis. En gaat over tot de orde van de dag.

Motie R.3 GL Culturele- en queer sensitiviteit in het welzijnsbeleid De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 13 maart 2025, ter bespreking van ‘Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025 – 2027’ (RIS321267) Constaterende, dat: • de ‘Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025 – 2027’ (RIS321267) geen verwijzing bevat naar de ‘Nota Inclusief Samenleven: allemaal anders, iedereen Haags’ (RIS318932), noch naar culturele- en queer sensitiviteit; • in de Afdoening motie: ‘Laagdrempelige zorg voor biculturele jongeren’ (RIS320131), noch de ‘Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025 – 2027’ (RIS321267) een richtlijn bevat over hoe drempels worden weggenomen voor bi-culturele queer jongeren om tijdig professionele hulp en een vangnet te krijgen bij zorg- en welzijnsinstellingen. Overwegende, dat: ▪ het college aangeeft dat het belangrijk is “dat ook externe organisaties queersensitief handelen blijvend agenderen en actief oppakken. Jongeren moeten kunnen rekenen op veilige, toegankelijke en inclusieve begeleiding” n.a.v.

het ‘Onderzoeksrapport en handreiking Queer Sensitief Handelen’ (RIS316343); ▪ de ‘Nota Inclusief Samenleven: allemaal anders, iedereen Haags’ (RIS318932) voor queeremancipatie in 2024 subsidie beschikbaar stelt waarmee zorg- en welzijnsinstellingen een tegemoetkoming kunnen aanvragen voor het Roze Loper-keurmerk of deskundigheidsbevordering; ▪ wethouder Martijn Balster heeft toegezegd in de vergadering op 6 maart 2025, ter bespreking van ‘Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025 – 2027’ (RIS321267) door te gaan met de subsidie voor het Roze Loper-keurmerk of deskundigheidsbevordering en om culturele- en queer sensitiviteit op te nemen in de subsidietender. Verzoekt het college: ▪ om de raad te informeren over hoe culturele- en queer sensitiviteit opgenomen wordt in de subsidietender van de ‘Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025 – 2027’ (RIS321267). En gaat over tot de orde van de dag. De moties maken onderdeel uit van de verdere beraadslaging. 87

De beraadslaging wordt geschorst. De voorzitter. Het is bijna tien voor zeven. Wij gaan schorsen voor de dinerpauze. Om tien voor acht gaan we verder. Eet smakelijk en tot straks. De vergadering wordt van 18.48 uur tot 19.51 uur geschorst. Voorzitter: de heer Van Zanen.

Aan de orde is: B. Verslag van de commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven nieuw benoemde fractievertegenwoordiger. De voorzitter. D66 draagt de heer Swan voor als fractievertegenwoordiger. Ik geef het woord aan de voorzitter van de commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven, de heer Martinez van Andel, voor het verslag van hun bevindingen. Gaat uw gang. Carlos Martinez van Andel (Hart voor Den Haag). Voorzitter. De commissie tot onderzoek bescheiden fractievertegenwoordigers deelt de gemeenteraad mee dat, gebruikmakend van artikel 4 van de Verordening raadscommissies, als fractievertegenwoordiger is voorgedragen de heer M. Swan, D66. De commissie verklaart dat betrokkene aan de gestelde eisen voldoet en mitsdien op grond van artikel 4 van de Verordening raadscommissies kan worden toegelaten als fractievertegenwoordiger.

Aan de orde is: C.

Beëdiging van de nieuw benoemde fractievertegenwoordiger.

De voorzitter. Ik verzoek u allen te gaan staan en nodig de heer Swan uit voor de beëdiging. De tekst van de verklaring en belofte luidt als volgt: 'Ik verklaar dat ik, om tot fractievertegenwoordiger benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik verklaar en beloof dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik beloof dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als fractievertegenwoordiger naar eer en geweten zal vervullen.' De heer Swan (D66). Dat verklaar en beloof ik! De voorzitter. Van harte gefeliciteerd en veel succes! (Applaus)

Aan de orde is: D. Voorstel van het presidium inzake benoeming Jeugdombudsman/plaatsvervangend Ombudsman. De voorzitter. Mevrouw Nas is gestopt als Jeugdombudsman/plaatsvervangend Ombudsman. Het presidium stelt de raad voor, mevrouw Van der Kooi als Jeugdombudsman/plaatsvervangend Ombudsman te benoemen per 1 mei 2025. Kan de raad hiermee instemmen?

88

(Applaus) De voorzitter. Ik constateer dat de raad instemt met dit voorstel waarmee mevrouw Van der Kooi bij acclamatie kan worden benoemd.

Aan de orde is: E.

Beëdiging van de nieuw benoemde Jeugdombudsman/plaatsvervangend Ombudsman.

De voorzitter. Ik nodig mevrouw Van der Kooi uit voor de beëdiging. De tekst van de eed luidt als volgt: 'Ik zweer dat ik, om tot Jeugdombudsman benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als jeugdombudsman naar eer en geweten zal vervullen.' Mevrouw Van der Kooi: Zo waarlijk helpe mij God almachtig! De voorzitter. Van harte gefeliciteerd en heel veel succes! De vergadering wordt van 19.57 uur tot 20.08 uur geschorst.

Aan de orde is: R. Voorstel van het college inzake Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 20252027 (RIS321267). De voorzitter. We zijn ongeveer halverwege de eerste termijn van de gemeenteraad. Ik geef nu het woord aan meneer Assad van de fractie van D66. De beraadslaging wordt hervat. Yousef Assad (D66). Voorzitter. Groot, groter, grootst, klein, kleiner, kleinst; dit is hoe het speelveld in de Haagse welzijnssector eruitziet. De grote welzijnsorganisaties staan stevig als een huis. Gelukkig maar, zeg ik erbij. Ze kunnen hun organisatiekosten dragen, hun werkzaamheden uitvoeren en leveren heel goed werk. Maar hoe groter je bent, hoe steviger je staat, en hoe kleiner je bent, hoe kwetsbaarder. Kleinschalige welzijnsinitiatieven werken van jaar tot jaar, zonder zekerheid. Ze zijn constant op zoek naar manieren om te overleven, terwijl hun maatschappelijke waarde onbetwist is. Deze initiatieven, vaak ontstaan in de haarvaten van onze stad, zijn diep geworteld in de wijken. Ze bereiken mensen die anders buiten beeld blijven, bieden maatwerk en zijn aanwezig waar de gemeente en grotere organisaties niet altijd komen. Denk aan Stichting Moeder & Dochter, het Stagehuis in de Schilderswijk en Lichtpuntjes. Zij doen onmisbaar werk, maar hun voortbestaan is onzeker, want in de huidige subsidieregeling geldt: hoe groter, hoe zekerder en hoe kleiner, hoe moeilijker.

Als we echt geloven in gelijke kansen, dan moeten we ook zorgen voor eerlijke kansen in welzijn. D66 vindt dat professionele welzijnsorganisaties verplicht moeten samenwerken met deze lokale initiatieven. De subsidies die we verstrekken, mogen niet alleen de gevestigde organisaties versterken, maar moeten ook deze sociale initiatieven structureel ondersteunen, zodat niet alleen de grotere organisaties standhouden, maar ook de kleinere wijkgerichte initiatieven de ruimte krijgen om te groeien en hun impact te bestendigen. Daarom dient mijn fractie de motie in 'Samen sterk: klein versterkt groot in welzijnsaanpak': verzoekt het college in de subsidieregeling expliciet op te nemen dat professionele welzijnsorganisaties verplicht samenwerkingen aangaan met kleine welzijnsinitiatieven uit de wijken; deze samenwerking vorm te geven via deelopdrachten, partnerschappen of andere constructies, 89

waarbij de activiteiten en werkzaamheden van deze initiatieven worden opgenomen in de begroting van de professionele welzijnsorganisaties. Deze motie wordt mede ingediend door de heer Mahmood van DENK. Kavish Partiman (CDA). Het idee erachter snap ik en het is ook een hartstikke goed idee. Maar dit wel is vormgegeven vanuit de overheid gekeken, een beetje top-down denken. Maakt de heer Assad zich geen zorgen erover dat we hier juist meer bureaucreatie gaan creëren en het veel ingewikkelder gaan maken voor zowel de grote als de kleine organisaties door dit op deze manier in beleid te verankeren? Is dit niet juist iets wat zich zou moeten vormen in de samenleving en niet vanuit de overheid? Yousef Assad (D66). Het liefst heb je natuurlijk dat dit onderling, automatisch wordt geregeld. Wij hebben als fractie de afgelopen jaren hier ook vaak op gehamerd en naar gekeken, en ons niet gewend tot een dergelijke motie. Maar we zien gewoon - die noodkreet hebben we ook vandaag gehoord van die organisaties en die horen we al jaren - dat ze in onzekerheid zitten. Als dat door blijft gaan en er geen perspectief is, vind ik dat je als politiek moet ingrijpen. Dan vind ik dat als je een subsidieregeling gaat optuigen, waar ook andere uitgangspunten in staan - wat logisch is, want je geeft subsidies - je dit ook mag meenemen. Dus ik denk dat we op het juiste moment een interventie plegen.

Dat vind ik gezien de situatie gerechtvaardigd. Kavish Partiman (CDA). Maar zoals ik het lees - het kan dat ik het verkeerd begrijp - wordt gezegd dat er al afspraken gemaakt moeten worden terwijl je een tender nog aan het vormgeven bent. Kleinere initiatieven moeten dan al meegenomen worden in de begroting, want die plannen moeten daar op die manier gepresenteerd worden. Dat is namelijk wat wij hier opleggen met elkaar. Dat maakt het heel erg ingewikkeld voor zowel die kleine organisaties als die grote om zich al twee jaar te committeren aan elkaar, terwijl dit eigenlijk werk is dat zich gaandeweg vormt. Juist die kleine initiatieven zijn erbij gebaat dat ze gaandeweg ergens kunnen aansluiten. Ik mis toch wel een beetje de borging daarvan, want dit wordt wel heel erg afgekaderd in een bureaucratisch systeem. Ik vraag me af of we hier ons doel niet mee voorbijschieten. Yousef Assad (D66). Ik denk dat niet. Ik denk dat dit juist het moment is om dit op deze manier te gaan doen. Let wel, we gaan nu twee jaar een experiment doen. Laten we het uitproberen. Daarna gaan we evalueren. Dat vind ik het moment om dit vraagstuk te bekijken. De voorzitter. Meneer Partiman, laatste keer. Kavish Partiman (CDA). Dat is eigenlijk helemaal geen reactie op de zorgen die ik hier heb geponeerd. Dat vind ik ook wel jammer.

Het gaat hier om kleine initiatieven die geforceerd worden om in een bepaald stramien te gaan zitten. Daar zitten stevige risico's aan. Ik zou het jammer vinden als we dit op deze manier vormgeven en dat over twee jaar blijkt dat we heel mooie initiatieven kwijt zijn of dat grote organisaties achter het net hebben gevist, omdat ze niet hebben voldaan aan eisen die wij hebben opgelegd. Dit zou niet de manier zijn waarop je samen met elkaar vanuit die samenleving dit werk met elkaar zou moeten gaan doen. Yousef Assad (D66). Ik deel deze analyse ook echt niet. Dit is ook niet de analyse van het werkveld. Ik bedoel, spreek met die kleine initiatieven en luister naar wat zij ervaren. Laat de professionele welzijnsorganisaties de verantwoordelijkheid nemen om die samenwerking aan te gaan. Niet alleen puur om die activiteiten, maar ook om ervoor te zorgen dat die kleine initiatieven kunnen voortbestaan. Dat is heel belangrijk. Want die samenwerking wordt nu al aangegaan, maar niet op structurele basis en vanuit gelijkwaardige posities. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). De heer Assad zet professionele, grote organisaties af tegen lokale initiatieven. Maar daar stellen we toch ook wel professionele eisen aan?

90

Yousef Assad (D66). In deze subsidieregeling worden andere eisen gesteld aan kwalificaties, keurmerken, manier van werken, de structuren. Dat is wat je vraagt van een professionele welzijnsorganisatie en waar kleine organisaties niet aan kunnen voldoen. Dat is het grote verschil. Dat maakt juist dat er geen gelijkwaardige positie is. Dat willen we repareren. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). Dat klinkt aardig, maar het kan toch niet zo zijn dat kleine organisaties subsidie krijgen zonder enige eisen? Dat die eisen niet hetzelfde zijn als die aan de grote, oké, dat kan. Maar er zijn toch wel professionaliteitseisen? We geven toch niet iedereen zomaar subsidie? Yousef Assad (D66). Nee, absoluut, daar ben ik het mee eens. Je hebt heel veel kleine welzijnsorganisaties die bijvoorbeeld jaarlijks meer dan honderdduizend euro op hun begroting hebben en die een accountantsverklaring moeten afgeven. Dat is een andere eis. Dat soort dingen bedoelt u. De voorzitter. Laatste keer, mevrouw Verdonk. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). Dat geldt dus voor alle organisaties. Aan alle organisaties, klein of groot, worden professionaliteitseisen gesteld. Yousef Assad (D66). Ik ga niet van tevoren volledig afkaderen wie nou wel of niet valt onder 'kleine' welzijnsorganisatie. Laat dat nou ook vooral bij de professionele welzijnsorganisaties.

Laat het werkveld, waarin bekend is en waar iedereen van weet welke organisaties zich de afgelopen jaren hebben bewezen, dat samen doen. Ik ga niet vanuit hier alles afkaderen. Dat lijkt me weer geen goed idee. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Ik begrijp de wens van D66 dat welzijnsinitiatieven ook met elkaar samenwerken, ook de grotere organisaties met kleinere initiatieven. Maar volgens mij is dit volkomen onwerkbaar, want als je je inschrijft voor een tender en een subsidie, dan weet je helemaal nog niet welke welzijnsinitiatieven er allemaal zijn, hoe je ze dan op moet nemen in je begroting en wat dat dan gaat betekenen voor de subsidie die je aanvraagt. We gaan hier dan toch iets optuigen wat in de praktijk helemaal niet werkbaar is? Yousef Assad (D66). Dat deel ik niet. In deze subsidieregeling gaan al dingen gevraagd worden waarvan je al van tevoren niet alles zeker weet. Het gaat erom dat je als professionele welzijnsorganisatie in kaart brengt met welke mogelijke organisaties je kunt samenwerken, op grond waarvan, op wat voor gebied. Dat dien je in. Dat gebeurt al op die manier. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP).

Maar het vanuit de raad afdwingen van samenwerkingen, van partnerschappen, noem maar op, dat gaat toch veel verder dan wat de heer Assad nu zegt? Is het niet veel verstandig om na een jaar te evalueren of er door de subsidieaanvrager samenwerkingen zijn aangegaan in plaats van die dwingend op te leggen? Na dat jaar kan je dat evalueren en het gevolgen laten hebben voor het tweede subsidiejaar. Yousef Assad (D66). Twee dingen. We hebben de afgelopen jaren echt het werkveld het werk laten doen om te kijken of dit lukt. Het gebeurt niet. Dus dit komt niet uit de lucht vallen. Dan moet je een interventie plegen. Het tweede. We gaan nu twee jaar experimenteren. Laten we het proberen. Want hierna volgt een evaluatie. Het zou de omgekeerde wereld zijn om het pas na twee jaar in te zetten en niet meer te kunnen evalueren. Het is nu een experiment. Laten we het nu doen. De voorzitter. Door de heer Assad, daartoe gesteund door de heer Mahmood, wordt de volgende motie (R.1 D66) ingediend:

91

Motie R.1 D66 Samen sterk: klein versterkt groot in welzijnsaanpak De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 13 maart 2025, ter bespreking van Voorstel van het college inzake Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025-2027 (RIS321267). Constaterende dat: • het college kiest voor een tweejarige subsidietender (2026-2027) voor professioneel welzijnswerk; • vanaf 2028 een overstap wordt gemaakt naar langdurig partnerschap, hetzij via een subsidietender, hetzij via inkoop. Van mening dat: • de samenwerking tussen professionele welzijnsorganisaties en kleine welzijnsinitiatieven in de uitgangspunten van de tenderprocedure onvoldoende is gewaarborgd; • het van groot belang is dat de grotere welzijnsorganisaties binnen de tweejarige subsidietender (2026-2027) voor bewezen en succesvolle activiteiten, uitgevoerd door kleinere welzijnsinitiatieven in de wijken gebruik maken van/samenwerkingen aangaan met deze kleinere organisaties; • het van groot belang is dat kleine welzijnsinitiatieven in de wijken financiële continuïteit en zekerheid behouden, inclusief de dekking van hun overheadkosten.

Overwegende dat: • kleine welzijnsinitiatieven niet zo georganiseerd zijn dat zij, al dan niet binnen een consortium, mee kunnen doen aan deze tweejarige subsidietender; • zonder deze verplichte samenwerking er teveel nieuwe koninkrijkjes ontstaan die dezelfde activiteiten ontplooien, die al naar tevredenheid worden uitgevoerd; • samenwerking tussen grote en kleinere welzijnsorganisaties een van de belangrijke aanbevelingen was van de rekenkamer in haar rapport Werk aan Welzijn. Verzoekt het college: • in de subsidieregeling expliciet op te nemen dat professionele welzijnsorganisaties verplicht samenwerkingen aangaan met kleine welzijnsinitiatieven uit de wijken; • deze samenwerking vorm te geven via deelopdrachten, partnerschappen of andere constructies, waarbij de activiteiten en werkzaamheden van deze initiatieven worden opgenomen in de begroting van de professionele welzijnsorganisaties. En gaat over tot de orde van de dag. De motie maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Minke Hofstra (VVD). Voorzitter. Vorige week bespraken we in de commissievergadering het raadsvoorstel Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025-2027. Voor de VVD-fractie is het van belang dat we als gemeenteraad goed grip hebben op het welzijnswerk en dat de wijze van subsidieverstrekking overzichtelijk is en transparant.

De Rekenkamer heeft eerder in 2017 maar ook in 2023 heel concrete aanbevelingen gedaan om het huidige beleid aan te passen, omdat het niet voldoet aan geldende wet- en regelgeving, omdat niet alle partijen dezelfde kans krijgen om subsidie aan te vragen en ook omdat de gemeenteraad onvoldoende grip heeft op het welzijnswerk. Het college heeft eerder aangegeven de aanbevelingen van de Rekenkamer over te nemen. Nu zien we dat in dit raadsvoorstel het huidige beleid wordt geactualiseerd, maar niet geëvalueerd. De wethouder heeft in het debat vorige week aangegeven dat de Rekenkamer niet om advies is gevraagd. Het is voor ons nu niet duidelijk of de eerdere aanbevelingen van de Haagse Rekenkamer goed zijn 92

verwerkt. We hebben daarom de motie Meer grip op welzijn: verzoekt het presidium de Haagse Rekenkamer te verzoeken een opvolgingsonderzoek te doen, waarin minimaal wordt vastgesteld in hoeverre het college aan de eerdere aanbevelingen heeft voldaan; de raad hierover uiterlijk voor de zomer te informeren. De voorzitter. Door mevrouw Hofstra wordt de volgende motie (R.4 VVD) ingediend:

Motie R.4 VVD Meer grip op welzijn De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 13 maart 2025, ter bespreking van “Actualisatie beleidsplan professioneel welzijnswerk 2025-2027”. Constaterende dat: - de Haagse Rekenkamer in 2017 en 2023 heeft geconstateerd dat de wijze van het verstrekken van subsidies in Den Haag niet voldoet aan geldende wet- en regelgeving , dat niet alle partijen dezelfde kans krijgen om subsidie aan te vragen en dat de gemeenteraad onvoldoende grip heeft op het welzijnswerk; - de Haagse Rekenkamer concrete aanbevelingen heeft gedaan om het huidige beleid aan te passen; - het college heeft aangegeven de aanbevelingen van de Haagse Rekenkamer over te nemen. Overwegende dat: - in de actualisatie van het beleidsplan het huidige beleid niet wordt geëvalueerd; - het college bij de actualisatie van het beleidsplan de Haagse Rekenkamer niet om advies heeft gevraagd; - het hierdoor niet duidelijk is of de aanbevelingen van de Haagse Rekenkamer nu goed zijn verwerkt. Verzoekt het presidium: - de Haagse Rekenkamer te verzoeken een opvolgingsonderzoek te doen, waarin minimaal wordt vastgesteld in hoeverre het college aan de eerdere aanbevelingen heeft voldaan; - de raad hierover uiterlijk voor de zomer te informeren. En gaat over tot de orde van de dag. De motie maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Kavish Partiman (CDA). Voorzitter.

Professioneel welzijnswerk is volgens de CDA-fractie een belangrijke aanjager en facilitator van activiteiten die sociale samenhang in de wijk versterken. Tegelijkertijd mag dit niet ten koste gaan van het initiatief vanuit de samenleving. Denk aan het waardevolle werk dat vele maatschappelijke organisaties verrichten op het gebied van welzijn. Wat het CDA betreft moet professioneel welzijnswerk aanvullend zijn en ruimte laten voor wat mensen zelf kunnen organiseren en ontwikkelen. In de actualisatie wordt als leidend principe gesteld dat welzijnswerk moet aansluiten bij wat er leeft en speelt in de wijk, dat het inspeelt op de behoefte van inwoners en dat de samenwerking centraal staat. Dat zijn voor de CDA-fractie essentiële uitgangspunten. Wij pleiten al langer voor meerjarensubsidies en zijn blij dat de wethouder dit nu grondig oppakt voor de welzijnsorganisaties. De nieuwe subsidieregeling is een goede stap, waarbij gelukkig ook afstemming heeft plaatsgevonden met de betrokken organisaties. Wel vinden wij het belangrijk dat welzijnsorganisaties voldoende tijd krijgen om hun aanvraag zorgvuldig in te dienen, zonder dat dit leidt tot onnodige bureaucratie en complexe procedures. Er is echter onrust onder welzijnsorganisaties, met name over hoe het uitgangspunt van samenwerking in de nieuwe regeling vorm krijgt.

Daarom zijn wij tevreden met de toezegging van de wethouder in de commissie Samenleving dat hij ons voor de zomer informeert over de haalbaarheid van de 93

indieningstermijn. Mocht blijken dat extra tijd nodig is, dan moet er wat ons betreft ruimte zijn om een noodknop in te drukken, zodat er meer duidelijkheid en flexibiliteit ontstaat. De voorzitter. Ik geef mevrouw Baboeram nog even het woord om iets te verduidelijken. Lenne Baboeram (GroenLinks). Voorzitter. Ik had in eerste instantie wel de juiste motie met het juiste dictum ingediend, maar ik kreeg van de voorzitter de oude. Dat is per abuis. Die is niet van toepassing. In principe geldt de motie die ik heb ingediend. De voorzitter. Als ik het nu goed begrijp, is wat op het RIS staat goed? Lenne Baboeram (GroenLinks). Ja. Wethouder Balster (PvdA). Voorzitter. Dank aan de raad en de commissie Samenleving voor het prettige debat afgelopen week, dat we vandaag afronden, over de actualisatie van het beleidsplan en de aanstaande tenderprocedure voor de subsidies voor het volgend jaar. Daarmee, zeg ik ook richting mevrouw Hofstra, voldoen we aan een van de belangrijkste aanbevelingen van de Rekenkamer uit de afgelopen periode. Ik ga de moties die zijn ingediend, appreciëren. Ik begin bij de motie Haagse lokaliteit in het welzijnsbeleid van GroenLinks. Het college erkent de meerwaarde van de kleine maatschappelijke organisaties.

Wij zijn nadrukkelijk een kans in het nadenken over de sociale basis, en niet alleen een kans, maar ook echt een opdracht - daar helpt de motie ook bij - om de samenwerking verder te versterken en de meerjarigheid van de samenwerking, ook met de kleine initiatieven, verder te versterken. Dus deze motie kan het college aan de raad laten. Dat geldt ook voor de motie Culturele en queersensitiviteit in het welzijnsbeleid, met in het dictum dus nu één element, hè. Dat is de goede motie. Zo had ik die ook gekregen. Ook deze motie kan het college aan de raad laten. Dank ook aan GroenLinks om dit nog expliciet vastgelegd te hebben, want het is ook belangrijk dat we daarop kunnen sturen, zowel in de tender als in het beleidsplan. Mevrouw Holman heeft in het debat het punt gemaakt over de continuïteit van de welzijnswerkers in de stad wanneer er onverhoopt nieuwe partijen intreden of overnemen van andere partijen. Dank voor deze motie. Die herbevestigt het uitgangspunt dat het college ook heeft om te voorkomen dat er toch situaties ontstaan waarin partijen personeel niet overnemen. Ook deze motie kan het college dus aan de raad laten. In het dictum van de motie van de VVD wordt niet helemaal duidelijk wat de Haagse Rekenkamer wordt gevraagd in het kader van het opvolgingsonderzoek. Ik denk dat u doelt op het laatste onderzoek naar de welzijnssubsidies.

Ik laat uiteraard deze motie aan de raad, maar ik wijs u er nog op dat we elk halfjaar hebben gerapporteerd over hoe we de aanbevelingen van de Rekenkamer recht doen. Dat geef ik u in overweging mee. Als het aan het college ligt, is dat ook een goede manier om u op de hoogte te houden van de aanbevelingen. Maar het is een motie die aan het presidium gericht is en aan de raad, dus ik laat het aan uw oordeel. Minke Hofstra (VVD). Mocht de Rekenkamer een opvolgingsonderzoek doen en tot de conclusie komen dat er toch nog aanpassingen moeten plaatsvinden, is de wethouder dan bereid om die ook daadwerkelijk door te voeren? Wethouder Balster (PvdA). Met enige serieuze ondertoon zeg ik richting uw fractie: de beste manier om aan de aanbevelingen van de Rekenkamer te voldoen, is om in te stemmen met het beleidsplan dat vandaag voorligt, want daarmee hebben we de basis voor een nieuwe financieringssystematiek en voor het gelijke speelveld voor partijen waarom de Rekenkamer heeft gevraagd. Uiteraard zullen we als de Rekenkamer ons nog meer aanbevelingen doet, kijken hoe we die kunnen oppakken, maar het is van belang dat we vandaag het geactualiseerde beleidskader vaststellen, waarmee we ook recht kunnen doen aan de al gedane aanbevelingen.

94

Minke Hofstra (VVD). Kan ik van de wethouder de toezegging krijgen dat als de Rekenkamer tot de conclusie komt dat de aanbevelingen die eerder zijn gedaan niet goed zijn uitgewerkt, die aanpassingen doorgevoerd worden in het huidige beleid? Wethouder Balster (PvdA). Ik kan natuurlijk niet vooruitlopen op eventuele aanbevelingen van de Rekenkamer. Zoals gebruikelijk, kijken we dan heel zorgvuldig naar wat die aanbevelingen behelzen en hoe we daarmee kunnen omgaan. U weet dat we bij het laatste onderzoek alle aanbevelingen van de Rekenkamer hebben overgenomen en we daarmee ook voortvarend aan de slag gaan. Zo kent u het college ook. Daar kijken wij buitengewoon serieus naar. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). Ja, voortvarendheid van het college. Zijn alle aanbevelingen nu dan ook uitgevoerd? Wethouder Balster (PvdA). Zoals u in de bijlage van de actualisatie van het beleidsplan heeft kunnen lezen, is op dit moment een aantal aanbevelingen reeds uitgevoerd en afgerond en is van een aantal de uitvoering gaande, onder andere waar het gaat om de nieuwe financieringssystematiek die per 1 januari 2026 moet worden ingevoerd. Daarom hebben we vandaag ook het voorstel zoals het er ligt en komt er binnenkort ook een regeling voor de tender die we gaan starten. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). Dus aanbeveling 3 wordt ook uitgevoerd? Wethouder Balster (PvdA).

Ik heb een goed geheugen maar u moet mij even helpen met wat aanbeveling 3 is, want ik heb nu niet alle aanbevelingen voor mij liggen. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). Dat de wethouder concreet rapporteert over resultaten en dergelijke. Ik kom het namelijk nog steeds niet tegen in de stukken. Dus ik vraag mij af wat er met deze aanbeveling gebeurd is. Wethouder Balster (PvdA). Ik verwijs hiervoor naar de voortgangsrapportage die we een halfjaar geleden hebben besproken, waarbij u over een halfjaar overigens opnieuw een rapportage zal krijgen. Daarin hebben we verantwoord conform opdracht van de Rekenkamer en hebben we ook aangegeven hoe we de veranderingen de komende jaren verder gaan versterken, ook in samenwerking met de welzijnspartijen. Dus in dat opzicht voeren wij de aanbeveling gewoon uit. De voorzitter. Laatste keer, mevrouw Verdonk. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). Dus dat betekent dat we eindelijk van deze wethouder concrete stukken gaan krijgen met concrete resultaten en concrete maatregelen die er zijn genomen en met concrete doelgroepen, dus dat er dan op zo'n concreet mogelijke manier gerapporteerd wordt? Wethouder Balster (PvdA). Het college voert de aanbevelingen van de Rekenkamer uit, zoals we dat ook hebben beschreven in de bijlage van het beleidsplan. We zetten elke voortgangsrapportage weer stappen in het verbeteren van de verantwoording.

Een halfjaar geleden heeft u die verantwoording ook al gehad en we blijven dat verder verbeteren. Voorzitter. Dan kom ik bij het punt dat ook vorige week veel ter sprake kwam en dat is de samenwerking met alle additionele partners in de stad die - dat zeg ik ook richting de heer Assad - van onschatbare waarde zijn en waarbij het ook cruciaal is dat de professionele partijen met deze partijen samenwerken. Ik vond uw schets in uw bijdrage wel een beetje kort door de bocht. Het leek een beetje alsof er nu alleen maar grote welzijnspartijen zijn. Er zijn enkele grote welzijnspartijen maar we hebben met de De Mussen, Welzijn Scheveningen, Kommunika en Stichting Jeugdwerk op dit moment al een aantal professionele partijen die veel kleiner zijn en die ook van onderop zijn ontstaan, sommige zelfs al heel oud. Dus het speelveld is wat dat betreft dus al behoorlijk gemengd. Dat wil niet zeggen dat we daar niet stappen in kunnen zetten, want die worteling in de wijken en het aansluiten bij de opgaves in de wijken is ontzettend belangrijk. In het beleidskader zit dan ook dat wij met tien gebieden en twee percelen gaan werken voor het individueel welzijnswerk en voor het gebiedsgericht 95

welzijnswerk, wat in theorie tien verschillende situaties in tien gebieden kan opleveren. Dat bevordert de kleinschaligheid. Ik zeg u ook toe - dat betreft ook het eerste deel van uw motie - dat wij de samenwerking ook vastleggen in de subsidietender, dus dat de professionele partijen ook samen moeten werken met de organisaties in de wijk. In de commissie heb ik aangegeven dat ik ook zie dat veel organisaties die vaak op het snijvlak van welzijn en andere activiteiten werken, te vaak in een onzekere situatie zitten omdat ze tijdelijk en incidenteel gefinancierd worden. Daarom is het beleid inmiddels - daartoe heeft collega Bruines recent een voorstel gedaan - dat we zo veel mogelijk meerjarigheid toepassen en daarmee continuïteit. Daar ligt ook echt nog wel een opgave. In uw motie sorteert u echter ook voor op het opnemen in de begrotingen van de professionele welzijnsorganisaties dat er activiteiten en werkzaamheden zullen worden uitgevoerd door andere organisaties zonder deze ook te definiëren. De aard van een tender - daar zal de Rekenkamer straks ook nadrukkelijk op letten moet zijn dat bij de toelating van partijen alle partijen - mevrouw Verdonk zei dat net ook terecht in een interruptie - aan de standaarden moeten voldoen van een professionele welzijnspartij, waarmee ook een gelijk speelveld ontstaat voor toetreding.

Dat wil niet zeggen dat kleine partijen niet ook kunnen toetreden; dat kunnen ze bijvoorbeeld doen in een consortium of dat kunnen ze doen door voor een bepaald gebied te gaan, en dat mag ook. Als ik het tweede deel van de motie letterlijk moet nemen, dan moet ik u echt wijzen op een aantal zaken die niet uitvoerbaar zullen blijken in een tendersystematiek, maar de geest van de motie onderschrijft het college helemaal. Ik onderschrijf ook dat er echt stappen te zetten zijn om de samenwerking tussen de professionele partijen en de additionele partijen te verstevigen en om daar ook eisen voor te stellen in de subsidietender en de continuïteit van de kleine organisaties beter te borgen. Samen met collega Vavier waar het gaat om de sociale basis, zal ik daar de komende periode ook echt stappen in gaan zetten. Daarmee moet ik de motie ontraden. Mocht de raad de motie toch aannemen, dan heb ik daarbij een winstwaarschuwing afgegeven over wat ik kan, wat juridisch kan en wat ik niet kan in een aanstaande tender. Yousef Assad (D66). Wat is niet uitvoerbaar? Waarom is het niet uitvoerbaar? Wethouder Balster (PvdA). In generieke zin - de ene kleine organisatie is de andere kleine organisatie niet - hebben we als we een tender uitschrijven een aantal spelregels te hanteren, waarbij elke partij die toetreedt aan gelijke voorwaarden en spelregels moet voldoen.

Het zijn middelen die bedoeld zijn voor het professioneel welzijnswerk. Dus als een organisatie niet aan die kwaliteitseisen die we met elkaar stellen, voldoet, dan komt die organisatie daar niet voor in aanmerking. Dat betekent niet dat zo'n organisatie niet meer de activiteiten kan blijven doen die ze deed. Daarmee is de nieuwe regeling ook geen bedreiging voor de partijen die in de stad aan het werk zijn. De regeling verlangt echter wel dat er dan samenwerking plaatsvindt tussen de professionele partijen en de additionele partijen. Yousef Assad (D66). Dit argument gaat dus niet op. De wethouder zegt de samenwerking wel te willen verplichten. Het argument is vervolgens dat ze niet dezelfde instapeisen hebben. Het enige verschil is dat het budget ook ten goede komt van die kleine sociale initiatieven door een samenwerking aan te gaan die door de wethouder, door het college wordt verplicht. Dus die samenwerking wórdt al verplicht. Alleen, in die samenwerking moet er ook voor worden gezorgd dat die professionele welzijnsorganisaties en de kleine welzijnsorganisaties qua financiën ook die bijdrage kunnen leveren. Dus dat bezwaar, dat argument van de wethouder gaat gewoon niet op. Ik vraag hem dan ook om dit nog meer te verhelderen. Wethouder Balster (PvdA). Nogmaals, met 95% van de motie kan het college heel goed uit de voeten.

Ik wijs evenwel op dat ene element aan het einde van de motie waar we op ingewikkeldheden stuiten. Dat gaat erover dat er financiële middelen die bedoeld zijn voor professionele welzijnsorganisaties, in het theoretische geval dat u hier beschrijft, ingezet worden voor organisaties die niet voldoen aan de eisen die we stellen aan professionele organisaties in de tender. Dat kan niet. Dan is het speelveld voor een tender niet gelijk voor alle organisaties. Daar hebben we ons namelijk wel aan te committeren. Dat is ook waar de Rekenkamer naar kijkt. Het speelveld moet gelijk zijn voor alle partijen die toetreden. Dat wil overigens niet zeggen dat kleine organisaties niet mee kunnen doen. Ze kunnen zich met andere partijen inschrijven voor een gebied en kunnen de samenwerking aangaan. Als ze denken dat ze dat aankunnen, kunnen ze zich ook voor een geheel gebied inschrijven. En als dat geen optie is, 96

kunnen ze, ook omdat we dat verlangen, samenwerking zoeken met de professionele partijen en dan verwachten we ook dat die professionele partijen die samenwerking met hen aangaan. De voorzitter. Laatste keer, meneer Assad. Yousef Assad (D66). Ik breng het even terug naar de kern. De samenwerking wordt al verplicht. Dus dat welzijnsbudget komt al ten goede aan de kleine initiatieven. Het enige verschil is dat het college niet wil dat die kleine initiatieven op structurele basis mee kunnen doen in het welzijnswerk, terwijl deze motie dat wel vraagt. Het verplichten tot samenwerking zorgt er al voor dat de middelen daar ook terechtkomen. Dus dat klopt niet. Ik vraag de wethouder dan ook om daarop te reflecteren. Ik heb daarbij nog een andere vraag. Hoe garandeert de wethouder dat, gelet op wat de Rekenkamer in het rapport heeft geschreven, met deze regeling de kleine welzijnsinitiatieven structureel mee kunnen doen? Want die waarborging ontbreekt nu. Wethouder Balster (PvdA). Ik denk dat ik één antwoord heb op beide gestelde vragen. Elke organisatie, klein of groot, die voldoet aan de kwaliteitscriteria die we in de tender stellen aan professionele organisaties, kan meedoen, alleen dan wel in samenwerking met anderen. Rita Verdonk (Hart voor Den Haag). Is dat dan een soort hoofdaannemer-onderaannemerconstructie? Hoe ziet die samenwerking dan in elkaar? Wethouder Balster (PvdA).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15439289/1