CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321779 Bijlage onderzoeksrapport Verkenning beprijzen watergebruik

Commissie Bestuur 9 april 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken39.853 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Interventies die rekening houden met deze factoren en uitgaan van een realistisch mensbeeld vergroten de effectiviteit van deze maatregelen en de actieve medewerking en het draagvlak hiervoor. Met specifieke gedragskennis kan ‘drinkwaterbesparend’ gedrag aantrekkelijker worden gemaakt voor burgers. Daarvoor is vooral inzicht in situatie specifieke motieven en weerstanden nodig. Dat vraagt om zorgvuldig onderzoek onder Nederlanders. Naast het besparen van drinkwater, kan ook worden overgestapt op het gebruik van andere waterbronnen voor laagwaardige toepassingen in het huishouden. Denk daarbij aan grondwaterbronnen op eigen grond, het opvangen en gebruiken van hemelwater, of het hergebruiken van grijswater in woningen. Deze alternatieven zullen meer worden gebruikt naarmate de prijs voor drinkwater hoger wordt, maar in dat geval niet bijdragen aan het verlagen van het totale watergebruik. Het overstappen op deze alternatieven heeft de nodige voeten in aarde, omdat het ruimte vraagt voor een bron of voor de opslag van hemelwater en grijswater en omdat het ingrepen vraagt in de woning, waaronder dubbele leidingnetten. Daarmee is deze overstap in de praktijk complex en vooral uitvoerbaar bij nieuw- of verbouw.

De mogelijkheden voor het toepassen van hemelwater en grijswater in de woning zijn in 2023 in beeld gebracht voor het ministerie van BZK.2 Daaruit blijkt dat met deze systemen het gemiddelde drinkwatergebruik kan worden teruggebracht tot 100 lpppd. Tegelijkertijd wordt gewezen op mogelijke gezondheidsrisico’s en op de relatief hoge integrale kosten voor dergelijke systemen (EUR 10 tot 14 per m³). Daarbij ligt de overstap op dergelijke systemen alleen voor de hand bij nieuwbouw of grootschalige verbouwing.

1

Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing, april 2024.

2

https://open.overheid.nl/documenten/fdd63490-0688-4caf-b9e1-d9c83d29c68a/file.

69 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Het toepassen van een bronpomp behoort tot de mogelijkheden bij woningen met eigen grond. Naar verwachting wordt deze stap alleen gezet als er sprake is van relatief veel watergebruik buiten (tuin, zwembad) of bij verbouwingen (toiletspoeling). Voorwaarden zijn dan de beschikbaarheid van grondwater van voldoende goede kwaliteit voor direct gebruik. Er is geen meldings- of vergunningsplicht voor het slaan van een bron, als de capaciteit kleiner is dan 10 m³ per uur.

6.2

Handelingsperspectieven bedrijven

Het is in de praktijk niet mogelijk om sluitende uitspraken te doen over het handelen van ‘het bedrijfsleven’ als gevolg van het anders beprijzen van water. Hiervoor zijn de verschillen tussen en binnen de (zeer) uiteenlopende bedrijfstakken simpelweg te groot. Denk hierbij aan de rol van het water binnen bedrijfs- en productieprocessen, aan de consequenties van waterbesparing (bijvoorbeeld uitwisseling tussen waterkoeling of elektrische koeling), aan regionale aspecten die alternatieve mogelijkheden bieden, aan wettelijke randvoorwaarden, aan (internationale) concurrentiepositie enzovoorts. Kortom, ‘het’ handelingsperspectief van ‘het’ bedrijfsleven bestaat niet. In de regel is het wel zo dat bedrijven vanuit kostenoogpunt, meer dan huishoudens, scherper kijken naar watergebruik en (technische) mogelijkheden om dit te verminderen. Vanuit economisch oogpunt en ook vanuit risicomanagement (afhankelijkheid van water).

6.2.1

Illustratieve bedrijfstakken

In de wetenschap dat lang niet alle bedrijven dezelfde handelingsperspectieven hebben om water te besparen en dat ook niet alle bedrijven hetzelfde zullen of kunnen reageren op verhoogde kosten voor water, is er in deze verkenning voor gekozen om met vijf uiteenlopende bedrijfstakken gesprekken te voeren. Deze gesprekken richtten zich op het watergebruik in de bedrijfstakken, specifieke karakteristieken daarvan, de handelingsperspectieven en de mogelijkheden om kosten door te belasten. Er is voor gekozen om in te zoomen op de teelt van aardappels (landbouw), industriële bakkerijen en de zuivelindustrie (levensmiddelen), papierindustrie en chemische industrie (non-food productie). Daarnaast worden kort zorginstellingen en sportaccommodaties belicht. Aardappelteelt In Nederland is in 2022 in totaal op 163.000 ha aardappelen geteeld, met een opbrengst van ruim 6,9 miljoen ton bruto opbrengst. Per hectare is de opbrengst gemiddeld 46,5 ton. 1 De opbrengst van consumptieaardappelen wordt geraamd op bijna EUR 12.000 per hectare, inclusief 15 % marge voor de teler. Dit is exclusief kosten voor beregening.2 Aardappeltelers besproeien hun land als het vochtgehalte te laag wordt (weinig neerslag, te veel verdamping). Via sensors en regenmeters wordt vaak het vochtgehalte bijgehouden.

Bij aardappelteelt wordt meestal gebruik gemaakt van beregening, en niet van dripirrigatie, omdat dit een gemakkelijker systeem is. Per beregening wordt 25 tot 30 mm water opgebracht. Uiteraard wordt alleen beregend als daar aanleiding voor is (droogte), waardoor het feitelijk watergebruik van jaar tot jaar verschilt. Rekenkundig: bij 2 beregeningen per jaar over het hele areaal is het watergebruik voor aardappelteelt 81,5 miljoen m³ water. Daarbij wordt aangetekend dat in de praktijk op zandgrond meer zal worden beregend dan op kleigrond.

1

https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/7100oogs

2

https://www.nieuweoogst.nl/nieuws/2022/11/17/aardappelteelt-kost-al-meer-dan-10-000-euro-per-hectare

70 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

De huidige kosten voor beregening bestaan uit de afschrijving van het irrigatiesysteem en de energiekosten (elektriciteit, diesel) voor het verpompen van water. In 2015 is gerekend aan de kosten voor irrigatie, die toen EUR 100 tot EUR 120 per ha per beregening bedroegen.1 In Zeeland wordt ook een heffing van ongeveer EUR 50 per hectare betaald voor het mogen gebruiken van oppervlaktewater. Voor akkerbouwers is de beregening een verzekeringspremie tegen droogteschade. Hiermee wordt verlies in opbrengst of in het ergste geval verlies van het volledige gewas voorkomen. De belangrijkste voordelen van beregening zijn opbrengststabiliteit en kwaliteitsverbetering. De beregening vermindert de afhankelijkheid van het weer voor de gewasopbrengst en -kwaliteit. Hiermee wordt een financieel risico afgedekt. 2 Aardappeltelers geven in gesprekken aan niet minder water te gaan gebruiken als dit (hoger) beprijsd wordt. Het is namelijk cruciaal is voor de oogst om planten vitaal te houden. Zij kunnen het zich niet permitteren in het voorjaar te besparen op irrigatie met het oog op een onzekere oogst. De overgang op een dripsysteem vraagt zeer hoge kosten, en wordt daarom niet vaak overwogen. Er zijn ontwikkelingen met sprinklers waarmee met kleinere hoeveelheden (5 mm in plaats van 25 mm) water wordt gegeven en waarbij de watergift wordt bepaald op basis van bodemvochtsensoren.

Deze methode van precisieberegening zorgt ervoor dat per kilo eindproduct 10 procent minder water wordt gebruikt. Dat efficiëntievoordeel geldt ook voor mineralen en door de gelijkmatige groei de kans op doorwas veel kleiner. 3 Industriële bakkerijen Nederland telt 45 grote en middelgrote industriële bakkerijen met ca. 90 productielocaties. Daarvan is ca. 95 % in omzetvolume vertegenwoordigd in de Nederlandse Vereniging voor de Bakkerij (nedverbak.nl). Enkele grote bakkerijen produceren ca. 50 % van het totale brood en banket. Industriële bakkerijen vertegenwoordigen in de totale broodmarkt van Nederland een waarde van 85 % en een volumeaandeel van 89 %. De afzetmarkt is gefocust op nationaal en op export. Toch zijn grondstoffen(prijzen) veel afhankelijker van de wereldmarkt. Het merendeel van het graan voor de broodproductie komt uit Frankrijk en Duitsland. De klimaatinvloed op deze grondstoffen neemt toe. In Nederland neemt het areaal voor baktarwe licht toe. Veel bedrijven vinden het lastig om kostenverhogingen door te berekenen aan hun afnemers. Inmiddels zijn de hoge energie- en grondstofprijzen en andere inputkosten wel terug te zien in het schap. De voedselprijzen van onder meer brood zijn fors gestegen.4 Het watergebruik van bakkerijen is primair de deegbereiding (ca. 60 % van brood bestaat uit water) gevolgd door platenwassen, schoonmaken en stomen.

Alle bevraagde bakkerijen maken enkel gebruik van drinkwater, dat zorgenvrij kan worden ingenomen: de kwaliteit van het leidingwater is goed in Nederland, de prijs is laag en de levering is goed geregeld. Daardoor is er geen directe reden om over te stappen op een andere waterbron. Eén enkel bedrijf meldt dat het interessant kan zijn om over te stappen op een andere bron afhankelijk van de grondwaterkwaliteit en investeringen. Waterbesparing is op dit moment geen (groot) issue in de bakkerswereld. De aandacht gaat veel meer uit naar energiegebruik en -besparing. Het directe kostenaandeel van water in brood is ook zeer gering: als voor een brood van 800 gram overall 1.000 gram water wordt gebruikt (= 1 liter), dan zijn de kosten hiervoor ongeveer EUR 0,0015 per brood. De mogelijkheden om water te besparing zijn beperkt, en worden voornamelijk gezocht in de processen schoonmaken. Het invoeren van waterbesparende processen gaat samen met (andere) investeringen in productieprocessen, waarbij energiebesparing meer aandacht zal krijgen.

1

Spruijt, J en H.J. Russchen, Duurzaam elektrisch beregenen, Wageningen UR juni 2015, PPO-rapport 649.

2

https://www.stowa.nl/deltafacts/zoetwatervoorziening/droogte/beregening#Kosten

3

https://www.nieuweoogst.nl/nieuws/2021/08/09/veertig-sprinklers-op-1-hectare-aardappelen

4

https://www.ing.nl/zakelijk/sector/food-agri/facts--figures-food-industriële-bakkerijen

71 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

De sector geeft aan dat een kostprijsstijgingen van leidingwater met EUR 0,3/m3 en zelfs met EUR 3/m³ geen reden is om het waterverbruik aan te passen: investeringen waarmee eventueel besparingen kunnen worden bereikt, kunnen niet worden terugverdiend. Deze extra kosten worden door de bakkerijen aan de klant doorberekend zonder aanpassing aan de bedrijfsvoering. Zuivelindustrie Nederland telt 26 zuivelondernemingen met 53 productielocaties. Dit biedt werkgelegenheid voor 45.000 FTE arbeidsplaatsen (in industrie en melkveehouderij). Vijf ondernemingen zijn coöperaties met 25 fabrieken. Toeleveranciers zijn ca. 14.300 (- 3 % t.o.v. 2022) melkleverende bedrijven met ca. 36.000 FTE’s. Grote zuivelconcerns domineren de markt. Zo verwerkt Friesland Campina 70 % van de Nederlandse melkproductie. Kaas, melkpoeder, gecondenseerde melk en boter zijn de belangrijkste producten die de Nederlandse zuivelindustrie voortbrengt. Daarnaast worden dagverse zuivelproducten geproduceerd zoals (karne)melk, yoghurt en vla. De sector is internationaal georiënteerd: ruim 70 % van de Nederlandse melkproductie/producten wordt geëxporteerd. De EU is met 45 % de belangrijkste afzetregio voor Nederlandse zuivelproducten, met name Duitsland, België en Frankrijk. Circa 25 % van de export is bestemd voor markten buiten de EU, met als grootste afnemers: China, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

Nederland is de vijfde zuivelexporteur van de wereld. Nieuw Zeeland, de Verenigde Staten en Australië zijn de top 3 zuivelexporteurs. In Nederland wordt driekwart van de zuivelproducten via de Retail verkocht en een kwart via de horeca en andere kanalen. Water is been belangrijke grondstof of hulpstof binnen de zuivelfabrieken. Het wordt gebruikt bij onder meer het bereiden van zuiveldranken door toevoegen van drinkwater, bij kaasbereiding (wassen van wrongel) en bij het bereiden van ‘poederachtige producten’, zoals melkpoeders en weipoeders. De inzet als hulpstof omvat het reinigen van de installaties en het koelen van melkstromen. Dit kan directe koeling zijn, maar ook indirect (elektrisch) via ijswater. Voor koelen wordt in de regel oppervlaktewater gebruikt, als dat lokaal beschikbaar is (bijvoorbeeld kanaalwater). Grondwater wordt in de regel hiervoor gebruikt als oppervlaktewater te warm is. In een enkel geval wordt drinkwater gebruikt voor koeling. Koelwater wordt in de regel als schoon (maar opgewarmd) water geloosd op oppervlaktewater. Bij gebruik van indampers wordt koelwater (oppervlakte- of grondwater) gebruikt om dampen te condenseren. De hoeveelheden water varieert sterk tussen locaties. Bij een gemiddeld bedrijf, als het hergebruik goed op orde is, wordt 200.000 tot 300.000 m³/jaar gebruikt.

Bij bedrijven die minder ‘state of the art’ werken kan het watergebruik 3 tot 4 maal hoger zijn. Zuivelbedrijven nemen hoe dan ook een ‘baseload’ water in, die gebruikt wordt voor het reinigen van apparatuur die elke 8, 16 of 24 uur uitgebreid gereinigd moet worden. Hiervoor wordt circa 80 % van het ingenomen water (exclusief koelwater) gebruikt. De andere 20 % belandt in de producten. Bij de productie van melkpoeders is de verhouding productwater/reinigen 50-50. Zuivelbedrijven geven aan dat er focus ligt op waterbesparing rond de reinigingsprocessen (CIP). Door deze te optimaliseren, vooral door het beperken van de doorspoeltijd, kan winst worden geboekt. Daarbij geldt ook dat het verkorten van de reinigingsprocedures de productietijd vergroot. Het kostenaandeel van water in de zuivelproductie wordt ingeschat op enkele tienden van procenten tot max 1,5 % voor alle watergerelateerde aspecten, inclusief afvalwaterzuivering (verwerkingskosten, exclusief melk). Investeringen in het hergebruik van water zijn zeer hoog, waardoor de terugverdientijden lang zijn. Volgens de NZO geeft het verdubbelen van waterkosten niet een prikkel die op korte termijn tot besparingen leidt gebeurt er niet veel. Dat is anders als er sprake is van substantiële verhogingen met een factor 4 tot 6. In die gevallen kan geïnvesteerd worden in alternatieven voor bijvoorbeeld koelen.

72 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Wel ontstaat dan druk op het energiegebruik. Bij grote prijsverhogingen ontstaat investeringsruimte om grondwater op te werken tot de vereiste drinkwaterkwaliteit en komt substitutie in beeld. Daarvoor benodigde technieken zijn bekend en voorhanden, maar aangetekend wordt dat grondwater niet overal beschikbaar is in kwaliteit of kwantiteit. Bovendien wordt verwacht dat grondwatergebruik verder gereguleerd gaat worden, waardoor dit minder beschikbaar zal zijn. Alternatief voor het opwaarderen van (grond)water is het opwaarderen van condensaat. Ook dat is technisch mogelijk maar de hierbij behorende businesscases laten zien dat het financieel niet haalbaar is. Bij investeringen in nieuwe productielijnen neemt de sector mogelijkheden voor waterbesparing in de regel mee in de afweging. In de praktijk staat waterbesparing achteraan in de prioriteitenlijst komen te staan door de lange terugverdientijden. De waterkosten zelf zijn immers niet substantieel in het productieproces. In de zuivelindustrie hebben energie en CO2 momenteel meer aandacht bij de bedrijfsvoering dan water. Naast besparing van water binnen het bedrijf wordt gekeken naar de nuttige inzet van het restwater buiten het bedrijf.

Binnen het onderzoeksprogramma Water in de Circulaire Economie (WiCE) hebben KWR, FrieslandCampina en andere partners de mogelijkheden onderzocht om restwater uit twee productielocaties in te zetten voor landbouwdoeleinden, hergebruik binnen de zuivelfabriek of aanvulling van het regionale watersysteem. De twee onderzochte zuivelfabrieken in Veghel en Borculo liggen op de hoge zandgronden, een regio die de laatste jaren te maken heeft gehad met droge zomers. Uit het project ‘Hergebruik van restwater uit de zuivelindustrie voor landbouw en watersysteem’ blijkt dat de twee fabrieken in theorie voldoende restwater produceren om in de zomermaanden te voldoen aan de irrigatievraag van de landbouw in de nabije omgeving. Indien het restwater zoveel mogelijk wordt hergebruikt binnen het fabrieksproces, kan dit het gehele jaar door een positief effect hebben op het watersysteem. Daarnaast zou een deel van het restwater kunnen worden gebruikt als aanvulling van het watersysteem (indirect hergebruik). 1 De zuivelsector geeft aan dat een verhoging van de waterprijs niet zal leiden tot prijsstijgingen van de eindproducten. De zuivelmarkt is een concurrerende internationale markt, waarbij die markt de verkoopprijs van de producten bepaalt.

In coöperaties, zoals veel voorkomt in de zuivel, resulteert een kostenverhoging (door een hogere prijs voor water) bij eenzelfde verkoopprijs in een lagere prijs voor de boeren die melk aanleveren. De zuivelindustrie is lokaal gebonden, omdat het basisproduct (melk) lokaal beschikbaar komt. Daarom is vertrek van de industrie naar het buitenland, als gevolg van hogere kosten voor water niet aan de orde. Bovendien is speelt in de omringende landen een soortgelijke problematiek rond waterbesparing als in Nederland. In dat kader geeft de sector aan dat waterbeschikbaarheid cruciaal is. Als die in het gedrang komt, komt de hele productie in het gedrang. Bij beperkingen van beschikbaarheid zullen investeringen in waterbesparing (=vergroten van beschikbaarheid) toenemen, omdat risicobeperking voor het verminderen van productie dan meeweegt in het bepalen van de business case. Papierindustrie De Nederlandse papierindustrie heeft in 2023 53,3 miljoen m³ water gebruikt. Per ton geproduceerd papier is het gebruik daarmee ongeveer 10 % lager dan 10 jaar geleden. 2 Het watergebruik in de Nederlandse papierindustrie ligt met 18,9 m³ per ton iets onder de norm die de Europese Unie beschouwt als best beschikbare techniek (20 m³/ton). 3 Water is een essentiële drager voor papierpulp in de papiermachines. Een deel van het water blijft achter in het papier en wordt als zodanig afgevoerd.

1

https://www.kwrwater.nl/actueel/hergebruik-van-restwater-uit-de-zuivelindustrie-kan-bijdragen-aan-watertransitie/ 7 juni 2024

2

VNP, jaarverslag 2023/2024 https://www.calameo.com/read/006336446a0a858761c46.

3

Commerciële prijs voor 1 ton Testliner bruin II karton mei 2024 is EUR 640. 19 m³ water a EUR 0,42 (BOL) = EUR 8, ofwel 1,3 %. https://www.ebc-golfkarton.nl/papierprijzen/.

73 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Daarnaast wordt water gebruikt voor stoomproductie, reinigingsdoeleinden et cetera. De verdeling van het watergebruik over proces en koelen is ongeveer 40 % - 60 %. Elektrisch koelen, ter vervanging van waterkoeling, is volgens de VNP (Koninklijke Vereniging van Nederlandse Papier- en kartonfabrieken) niet aan de orde, onder meer vanwege de grote energievraag die dit oplevert en het overvolle stroomnet (netcongestie). Water kan in theorie worden bespaard door papier te maken met bindmiddelen, waardoor minder of zelfs geen water nodig is voor dit deel van het productieproces. Deze nieuwe manier van papier maken is nog niet op grote schaal toegepast en wordt gekenschetst als ‘experimenteel’. Water kan wel worden bespaard door het te recirculeren. Dit wordt al veelvuldig toegepast. Naast waterbesparing draagt recirculatie positief bij aan het gebruik van biociden en de papierproductie zelf. De sector geeft aan dat een belangrijke beperkende factor voor recirculatie het ‘indikken’ van het water is. Naarmate meer wordt gerecirculeerd, nemen de concentraties van stoffen in het water toe. Dit heeft effect op de waterzuivering en voor de lozing van gezuiverd water naar het oppervlaktewater. In de praktijk zullen ook de concentraties in dit gezuiverde water toenemen, waardoor de vergunningseisen voor het lozen sneller worden overschreven.

Ook als het totaal aantal kilo’s (of grammen) van deze stoffen niet toenemen (=vrachten blijven gelijk). Omdat vergunningen in de regel worden afgegeven op basis van concentraties, kunnen hierdoor knelpunten ontstaan en wordt waterbesparing geremd. Een andere vorm van waterbesparing is het extern doorleveren van water voor gebruik elders. Een goed voorbeeld hiervan is het initiatief Waterrotonde, dat genomen is door de papierindustrie in Eerbeek en Loenen. Met dit initiatief wordt uiteindelijk jaarlijks 3,6 miljoen m³ grondwater bespaard.1 Papierfabrieken wisselen niet snel van waterbron. Continue kwaliteit van het water is essentieel voor de continuïteit van het productieproces. De kosten van stilstand van een papiermachine, die in de regel 24/7 en 51 weken per jaar draait (1 week stilstand voor onderhoud), zijn veel hoger dan de kosten van water. Dit betekent ook dat de kosten voor water van minder direct belang zijn dan de continuïteit van het proces. De beschikbaarheid van water momenteel veel belangrijker gevonden dan de prijs van water. De VNP stelt dat beprijzen van water de concurrentiepositie aantast, omdat papier een Europese markt is waarbij productielocaties werken als cost centers. Door deze concurrentie kunnen extra kosten (voor water) niet worden doorbelast. Van de Nederlandse papierproductie wordt ongeveer 80 % geëxporteerd.

De exportafstand wordt onder meer bepaald door gewicht en de vraag of er sprake is van ‘specialties’. Bulkproducten als golfkarton worden tot 500 km vervoerd, ‘specialties’ als massief karton worden over de hele wereld geëxporteerd. De transportafstand hangt direct samen met de energieprijzen. Chemische industrie Deze bedrijfstak gebruikte in 2020 ongeveer 2.173,5 miljoen m³ water, waarvan 0,6 % grondwater, 96,4 % oppervlaktewater (74,2 % zoet en 22,2 % zout) en 2,9 % leidingwater (drinkwater en industriewater). Circa 85 – 90 % van (met name) het oppervlaktewater wordt gebruikt als koelwater. Het drinkwatergebruik in deze sector is grotendeels voor ‘huishoudelijk gebruik’ in het kader van persoonlijke hygiëne en veiligheid zoals (nood)douches, toiletspoeling en cateringgerelateerde activiteiten. Drinkwater wordt ook gebruikt in productieprocessen die water van drinkwaterkwaliteit vereisen. De grote chemieclusters in Nederland hebben veelal hun eigen utilities waarbij industrieel water wordt geleverd. Voorbeelden hiervan zijn de bedrijventerreinen in Delfzijl in Groningen en op het Chemelotterrein in Limburg. Deze ‘waterclustering’ is vaak in de praktijk historisch ontstaan, met als voordeel dat daar al veel geïntegreerd wordt gewerkt tussen chemiebedrijven en andere procesindustrieën. Daarbij hoort ook dat, zij het nog in mondjesmaat, water wordt doorgeleverd tussen bedrijven.

Deze doorlevering van water is de facto een vorm van waterbesparing. Naast waterlevering door drinkwaterbedrijven en eigen winningen, wordt op uiteenlopende locaties ook door derden industriewater geleverd. 1

https://waterrotonde.nl/

74 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Een voorbeeld hiervan is Evides Industriewater. Dit water is soms van lagere kwaliteit dan drinkwater, en soms van hogere kwaliteit. Over dit water wordt, tot het plafond van 300 m³/jaar, BOL geheven. De Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) geeft aan dat binnen deze sector (enkele) ontwikkelingen gericht zijn op het circulair maken van water. Daaronder valt het hergebruiken van waterstromen na behandeling in een zuiveringsinstallatie en op de genoemde doorlevering van water tussen bedrijven. De VNCI benadrukt dat het voor de sector belangrijk is om waterbesparing regionaal te bekijken, zoals ook is aangegeven in het Nationaal Plan van Aanpak Waterbesparing. Daarbij wordt bepleit e inzet van het instrument beprijzing in samenhang te zien met de voorgestelde acties in dat plan en (andere) wettelijke instrumenten, die gericht zijn op het terugdringen van waterverbruik (denk aan de Industrial Emission Directive1). Deze samenhang wordt vooral gezien als randvoorwaardelijk om afwenteleffecten, als overstappen op andere waterbronnen, effectief te voorkomen. Prijsprikkels op het gebruik van water zijn voor de chemische industrie niet de belangrijkste aspecten om bedrijfsvoering aan te passen. Belangrijker prikkels zijn reputatie, verduurzaming, grondstoffen, prijs voor het lozen van (afval)water en de druk dat anders (meer) regelgeving gaat komen.

Er is niet één dominante factor. Vooral clustering en doorleveren van water wordt gezien als belangrijk ecosysteem om mogelijkheden voor anders omgaan met water verder van de grond te krijgen. Ook voor de chemische industrie geldt dat de beschikbaarheid van water belangrijker is dan de prijs en dat dreigende schaarste een prikkel is om watergebruik en -besparing onder de loep te nemen. Verwijzend naar het PvAW is de sector zich ervan bewust dat als er geen vooruitgang wordt geboekt op waterbesparing het verplichtende karakter mogelijk zal toenemen. Op dit moment wordt nog niet aangegeven waar die waterbesparing geboekt zal gaan worden. De chemische industrie heeft een Integraal Watergebruik Assessment tool waarmee de sector bezig is bezig om het waterverbruik in beeld te brengen (conform de afspraken uit het PvAW). Binnen de sector formuleren vooral de grote waterafhankelijke bedrijven ambities en doelen, en staat waterbesparing in de belangstelling. Tegelijkertijd heeft een aanzienlijke groep middelgrote en kleinere bedrijven hier geen aandacht voor. Prijsprikkels zullen niet direct resulteren in waterbesparing. De diversiteit binnen de sector is zeer groot. Bij sommige toepassingen is verdere waterbesparing niet mogelijk vanwege de productie of vanuit veiligheidsoverwegingen. In die gevallen zal beprijzing het watergebruik niet verminderen.

Daar waar beprijzing resulteert in kostenverhogingen, worden mogelijke investeringen voor waterbesparing via business cases geanalyseerd. Chemie is een internationale sector met hoofdkantoren overal op de wereld. Besluiten over investeringen in de boardrooms wordt telkens afgewogen wat de kosten en baten zijn van de uiteenlopende productielocaties en waar geïnvesteerd gaat worden. Per saldo wordt geconcludeerd dat de chemische industrie besparingsmogelijkheden heeft, maar dat deze nu niet altijd op het netvlies staan. Prijsprikkels kunnen leiden tot waterbesparing, maar besluiten hierover worden in de regel genomen op basis van businesscases en op basis van de technische mogelijkheden binnen productieprocessen. Zorginstellingen en sport De gezondheids- en welzijnszorg gebruikte in 2021 19,1 miljoen m³ drinkwater en de cultuur, sport en recreatie 16 miljoen m³. Daarmee behoren deze gebruikstakken bij de (relatieve) grootgebruikers van water. Veel van dit watergebruik is gekoppeld aan hygiënische doelen, waaronder toiletten en douches.

1

In de gereviseerde Industrial Emissive Directives (IED) worden nu ook ‘environmental performance levels (EPL’s)’ afgesproken die zich richten op watergebruik. Naar verwachting worden dergelijke EPL’s opgenomen in de BREF’s (Best Available Techniques Reference Documents).

75 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Bij grotere instellingen wordt ook (veel) water gebruikt voor verwarmen en koelen, wassen van textiel, reinigen en steriliseren en voor medische behandelingen, bijvoorbeeld dialyse. In ziekenhuizen en zorginstellingen verblijven in de regel kwetsbare mensen, waardoor een hoge en betrouwbare waterkwaliteit een vereiste is. Dat laat onverlet dat met relatief eenvoudige maatregelen het watergebruik bij douches, toiletten en kranen kan worden beperkt. In december 2023 zijn Vitens, ziekenhuis Gelderse Vallei en Medisch Centrum Leeuwarden een koplopersgroep gestart om kennis en ervaring over duurzaam watergebruik binnen ziekenhuizen te delen. Het doel is dat deelnemers van elkaar kunnen leren rond praktische toepassingen voor waterbesparing. Daarbij wordt de breedte van het watergebruik onder de loep genomen, waaronder stoominstallaties, koelwater, luchtbevochtiging, sanitair gebruik, processen binnen laboratorium, apotheek en CSA, catering en schoonmaak. Daarbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar water in relatie tot energiegebruik en als onderdeel van hygiënische risicobeheersing. Uit deze koplopersgroep kan bruikbare informatie ontstaan die gericht kan worden ingezet om waterbesparing breder in zorginstellingen door te voeren. Hoewel veel sportaccommodaties al waterbesparende maatregelen hebben getroffen, blijft hier ruimte voor verbetering.

Het Coördinatie- en informatiepunt Topsportevenementen (CIT) 1 stelt dat bij sportevenementen nog veel winst te behalen is, onder meer door het tegengaan van waterverspilling (meer tappunten), wateropvang onder sportvelden om waterverbruik voor het sproeien van grasvelden terug te brengen, waterhergebruik in douches en waterzuivering op locatie. Rode draad Uit de analyse van de illustratieve bedrijfstakken volgt: - het kostenaandeel van water in de productie is beperkt, en heeft weinig gewicht bij het maken van investeringsbeslissingen. Dit in tegenstelling tot kosten voor energie en CO 2; - watergebruik wordt wel meegenomen in besluiten over (nieuwe) investeringen, als deze om andere redenen aan de orde zijn. Bij investeringen zijn veel factoren relevant, waarbij water niet als hoogste in de prioriteitenrangorde staat; - voor de doorgelichte sectoren is het gebruik van water essentieel voor het productieproces. Zodra de beschikbaarheid van water in het gedrang komt wordt vanuit risicoperceptie gehandeld richting besparing of andere bronnen; - voor sterk internationaal gerichte bedrijfstakken als papier en chemische industrie tellen hogere kosten van water of schaarste daaraan mee in investeringsbesluiten en eventueel verplaatsing van activiteiten; - bij (grote) prijsstijgingen kan substitutie van waterbronnen aan de orde zijn.

Daarbij is het relevant of alternatieve bronnen voorhanden zijn; - de prijselasticiteit voor bedrijfsmatig watergebruik in de illustratieve bedrijfstakken is zeer laag.

6.2.2

Andere bedrijven

In tabel 3.5 is de distributie van drinkwater over de grootteklassen van bedrijven weergegeven. Daaruit blijkt dat ruim 45 % van het drinkwatergebruik wordt gebruikt door 94 % van het aantal bedrijven, met een gemiddeld watergebruik van bijna 5.500 m³/jaar. Bij het invoeren van een BOL van EUR 0,42/m³ stijgen de kosten voor deze bedrijven met gemiddeld EUR 2.180 per jaar. Voor een aantal bedrijven zal dit een prikkel zijn om zuiniger om te gaan met water. Tegelijkertijd is het bedrag niet zo groot dat daarvoor ingrijpende investeringen gedaan kunnen worden met beperkte terugverdientijden. Het ligt meer in de verwachting dat waterbesparing wordt gerealiseerd op natuurlijke investeringsmomenten in productieprocessen.

1

Initiatief van NOC*NSF, Vereniging Sport en Gemeenten en het ministerie van VWS.

76 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

6.3

Substitutie

Bij het beprijzen/belasten van water kan substitutie naar andere bronnen plaatsvinden: van drinkwater naar grondwater of van grondwater naar oppervlaktewater. De financiële prikkel om te zoeken naar alternatieve waterbronnen wordt groter naarmate het verschil in kosten tussen de verschillende bronnen groter wordt. Het ongecontroleerd verschuiven van drinkwatergebruik naar (eigen) winningen kan onwenselijk zijn vanuit het perspectief van waterkwantiteit en -kwaliteit en dan met name op het goede beheer van grondwatervoorraden. Daarentegen kan het overstappen van drinkwater naar ondiep grondwater of oppervlaktewater in voorkomende gevallen ook positief uitpakken voor het watersysteem in zijn geheel. Een financiële prikkel alleen betekent nog niet dat ook daadwerkelijk sprake zal zijn van substitutie. Daarvan kan alleen sprake zijn als een alternatieve waterbron beschikbaar is, wateronttrekking uit die andere bron technisch haalbaar is en de kwaliteit van dat water zodanig is dat het effectief en efficiënt gezuiverd kan worden. Voor bedrijven geldt dat bij overstap van drinkwater naar grondwater of van grondwater naar oppervlaktewater onzekerheden toenemen over continuïteit van kwantiteit en kwaliteit van de watervoorziening.

Naarmate een bedrijf water van hoogwaardiger kwaliteit nodig heeft of sterk afhankelijk is van een hoge mate van leveringszekerheid, treedt een overstap op andere bronnen minder snel op. Risico’s voor verstoring van het productieproces door overstap naar andere bronnen kunnen (deels) worden gemitigeerd door te investeren in robuuste alternatieve bronnen met een goede waterbehandeling. Dit vraagt in de regel aanzienlijke investeringen die alleen zijn weggelegd voor de grotere watergebruikers. In de praktijk zijn er bedrijven die zelf het ingenomen water opwerken tot hoge kwaliteit. De beschikbaarheid van alternatieve bronnen hangt samen met geografische omstandigheden en met regelgeving. Grondwater en oppervlaktewater van voldoende goede kwaliteit is niet overal beschikbaar. Het afwezig zijn van lokale alternatieven sluit substitutie voor individuele bedrijven uit. Alternatieven op regionale schaal vraagt samenwerking tussen bedrijven en daarmee ook grootschaliger infrastructuur. In deze gevallen is in de regel dan ook sprake van grootschaliger watergebruik. De mate waarin daadwerkelijk sprake zal zijn van substitutie door bedrijven, als de waterprijs verhoogd wordt, is niet aan te geven. Het al dan niet beschikbaar zijn of stellen van alternatieve waterbronnen kan ook gereguleerd worden via VTH-kaders.

Op dit moment is de onttrekking van grondwater geregeld via meldingsplicht en vergunningsplicht, maar deze kent veel vrijstellingen voor kleine onttrekkingen. In december 2023 heeft Sterk Consulting aanbevolen om alle onttrekkingen van grondwater, ook de kleinere en tijdelijke, te meten en te registreren, en dit vorm te geven via een instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving. 1 In het verlengde hiervan heeft RHDHV in opdracht van het ministerie van IenW het rapport ‘Melding- en vergunningplicht (kleine) grondwateronttrekkingen, bouwstenen voor mogelijke uitwerking’ opgesteld. Hierin is een aantal aspecten die samenhangen met (nieuwe) VTH-kaders rond kleine onttrekkingen uitgewerkt.2 De beleidsduiding van de aanbevelingen uit dit rapport volgen in 2024. Bij een sterke stijging van de drinkwaterprijzen bestaat de mogelijkheid dat huishoudens overschakelen op het gebruik van hemelwater, grijswater of grondwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling, tuinbesproeiing en/of wasmachine. In alle gevallen is dan sprake van besparing op het gebruik van drinkwater. Bij eigen grondwateronttrekkingen daarentegen wordt niet bespaard op grondwateronttrekkingen maar is er sprake van uitruil: eigen winning vervangt drinkwater. In gebieden waar drinkwater geleverd wordt uit oppervlaktewater zal sprake zijn van extra grondwateronttrekkingen.

Het voorgaande laat zien dat er een scala aan factoren is die samen bepalend zijn voor de vraag of substitutie voor bedrijven en huishoudens een reële optie is. Daarom is het niet mogelijk om een indicatie te geven van de mate waarin substitutie zal optreden.

1

Sterk Consulting, Regulering van en nieuw bereid voor onttrekkingen van grondwater door waterschappen, december 2023.

2

Dit rapport wordt in juni 2024 opgeleverd aan het ministerie.

77 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

6.4

Aandachtspunten bij uitvoering van de scenario’s

Zoals eerder aangegeven zijn de scenario’s voor het beprijzen van water opgesteld met het oog op het verkrijgen van inzicht in de bandbreedte van effecten. Het opstellen van deze scenario’s is daarbij bewust niet op voorhand beperkt door overwegingen van praktische of juridische aard. De achterliggende gedachte is dat, mochten de scenario’s veel perspectief bieden, deze uitwerking later moet volgen. Het toetsen van de scenario’s op deze aspecten maakt daarom geen onderdeel uit van deze verkenning. Niettemin worden op voorhand aandachtspunten gedeeld die meegenomen kunnen worden naar een mogelijke verdere uitwerking van een of meerdere scenario’s. Deze aandachtspunten beogen uitdrukkelijk niet volledig te zijn.

6.4.1

Belasting op leidingwater

De belasting op leidingwater vormt momenteel ruim 28 % van de kosten voor drinkwater voor huishoudens en kleingebruikers. De belasting wordt alleen geheven over de eerste 300 m³ per jaar en telt daarom voor grootgebruikers slechts zeer beperkt mee in de totale kosten. Het uitoefenen van een prijsprikkel via de BOL heeft als voordeel dat hiervoor geen ingrepen nodig zijn in de tariefstructuur van de drinkwaterbedrijven. Varianten op de huidige systematiek van de BOL vragen een wetswijziging. Uitvoerbaarheid Technisch Veranderingen in de BOL vragen aanpassingen bij de Belastingdienst, bij de drinkwaterbedrijven en bij leveranciers van leidingwater anders dan drinkwater. Technisch zijn wijzigingen in het BOL-plafond of de hoogte van de BOL uitvoerbaar. Bij de wijzigingen van de BOL-systematiek moet de nodige aandacht worden besteed aan de uitvoering van de wijzigingen. Juridisch Ingrepen in de BOL vragen wijzigingen in de belastingwetgeving. Maatschappelijk Met verhogingen van de BOL of het BOL-plafond stijgen de lasten voor de watergebruikers. Verwacht wordt dat het effect van de verhoging van de lasten, als losstaande maatregel, geen of slechts heel weinig effect heeft op waterbesparing. De mate waarin deze maatregel draagvlak geniet, verdient nader onderzoek.

Met enige regelmaat klinkt in de Tweede Kamer de roep om de BOL ook toe te passen op watergebruiken >300 m³ per jaar, om (ook) bij bedrijven waterbesparing te stimuleren. 1 Zakelijke gebruikers Het verhogen van de BOL en/of plafond zal in wisselende mate resulteren waterbesparende maatregelen bij bedrijven. Uit een onderzoek van het ministerie van financiën in 2013-2014 is geconcludeerd dat het laten vervallen van een plafond voor de BOL en het invoeren van een gestaffeld systeem voor de hoogte van de BOL veel negatieve gevolgen heeft en de uitvoering voor drinkwaterbedrijven en de Belastingdienst zeer complex is. Op basis daarvan is indertijd geadviseerd om het heffingsplafond te handhaven. Belastingplan 2014 In het oorspronkelijke belastingplan 2014 zou het plafond op de BOL komen te vervallen. Op 4 juni 2014 schrijft Staatssecretaris Wiebes (financiën) dat, na onderzoek, hier om uiteenlopende redenen van wordt afgezien (kamerstuk 2013-14 33752 nr. 95). 1

Motie lid Bromet - https://open.overheid.nl/documenten/oep-01d7edc35396723ae62f8a2b51e372af5933aff4/pdf

78 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

6.4.2

Bloktarieven

Bij bloktarieven worden de kosten voor drinkwater herverdeeld naar een laagtarief en een hoogtarief. Het bloktarief wordt onder meer gehanteerd in Vlaanderen, waar per huishouden een hoeveelheid water wordt afgerekend tegen een basistarief (30 m³ per huishouden + 30 m³ per geregistreerde bewoner1) en het verdere gebruik tegen een ‘comforttarief’. Het comforttarief is in Vlaanderen in de regel tweemaal hoger dan het basistarief. Omdat in Vlaanderen waterketenkosten begrepen zijn in het watertarief, zijn de eenheidsprijzen, in vergelijking met de Nederlandse drinkwaterprijzen, hoog. In dit onderzoek is gerekend met een basistarief van EUR 1/m³ over de eerste 80 m³ en EUR 4 over het meerdere, met een vastrecht van EUR 80 per jaar. Voor zakelijk watergebruik worden in Vlaanderen in de regel geen bloktarieven gehanteerd maar een vlaktarief, en in sommige gevallen een degressief tarief voor grootgebruikers. In deze verkenning wordt voor het zakelijk gebruik niettemin gerekend met het bloktarief van EUR 4/m³ voor gebruik boven 80 m³/jaar. In het Berenschot/Arcadis onderzoek is ook gekeken naar het verhogen van het vastrecht en verlagen van het variabele tarief: ‘Uit onderzoek blijkt wel dat er verschillen zijn in effectiviteit tussen alternatieven binnen deze maatregel. Het verhogen van het variabel tarief lijkt effectiever dan het verhogen van het vastrecht.

Dit blijkt uit onderzoek in Frankrijk en Spanje. (European Environment Agency, 2017).’ Ook stelt Berenschot: ‘Uit onderzoek blijkt dat [tariefdifferentiatie] effectiever is bij het invoeren van ‘tariefblokken’ dan bij lineaire prijstoenames. Voorbeelden in Canada en de Verenigde Staten laten zien dat de prijselasticiteit bij ‘bloktarieven’ op kan lopen tot -0,64 (TwynstraGudde, 2020).’ Opgemerkt wordt dat deze elasticiteit veel hoger is dan in Vlaanderen (-0,17) en elders in Europa, en van toepassing is op een veel hoger basiswatergebruik (VS: 310 lpppd2; Canada 223: lpppd3) dan in Nederland gebruikelijk is (128 lpppd). Bij een hoger basiswatergebruik zijn er meer mogelijkheden om te besparen dan bij een lager basiswatergebruik. Het is daarom de vraag of ervaringen in de VS en Canada kunnen worden doorvertaald naar de Nederlandse context. Financieel economische effecten De effecten voor waterleidingbedrijven zijn neutraal (uitgangspunt bij de differentiatie). De kosten voor de administratie nemen toe, wegens toegenomen complexiteit. Mogelijk is dit eenmalig bij een goede inrichting van het SAP-systeem, maar dit is een grote operatie. Uitvoerbaarheid Technisch De omschakeling naar bloktarieven is complex en vraagt grote ingrepen in de inrichting van administratieve systemen van drinkwaterbedrijven.

Daarnaast moeten koppelingen worden gemaakt tussen deze systemen en de benodigde data die bijvoorbeeld zijn geregistreerd in de BRP. Drinkwatertarieven moeten kostendekkend zijn. Bij de introductie van bloktarieven moet veel aandacht worden besteed aan juiste tariefstelling (hoogte lage en het hoge tarief) in combinatie met de verwachte inkomsten uit elk tariefblok. 1

Registratie jaarlijks op 1 januari op basis van gemeentelijke administratie. Voor een huishouden van 4 personen is de hoeveelheid tegen basistarief ca. 103 liter per persoon per dag).

2

https://www.epa.gov/watersense/statistics-and-facts

3

https://www150.statcan.gc.ca/t1/tbl1/en/tv.action?pid=3810027101&cubeTimeFrame.startYear=2019&cubeTimeFrame.end Year=2021&referencePeriods=20190101%2C20210101

79 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Juridisch Volgens Berenschot/Arcadis moet de wet- en regelgeving worden aangepast als tariefstelsel wordt omgezet naar een vorm waarbij het vastrecht en variabel tarief deels flexibel zijn. Dit omdat het drinkwatertarief de kosten voor productie moet weerspiegelen. 1 Elders stelt hetzelfde rapport: ‘Met de Drinkwaterwet is de primaire verantwoordelijkheid voor de voorziening van drinkwater belegd bij de drinkwaterbedrijven. De rol van de Rijksoverheid is hierbij toezichthoudend, voorwaardenscheppend en kaderstellend (ACM, 2021). Nader onderzoek moet uitwijzen of de Rijksoverheid ook kaders [kan] stellen voor de hoogte en eventuele tariefdifferentiatie van het variabel tarief en vastrecht.’ De regelgeving bepaalt hoe het kostprijsmodel er uitziet als basis voor de tariefstelling, maar legt geen directe koppeling met, of geeft voorschriften voor, de manier waarop de kosten verdeeld moeten worden naar een verdeling tussen vaste en variabele kosten. De aandeelhouders nemen hierover besluiten. De opbouw van tarieven in vaste en variabele delen vindt zijn oorsprong in de wens om kostenveroorzaking zoveel mogelijk eerlijk toe te rekenen.

Bij het toepassen van bloktarieven kan het voorkomen dat wisselende financiële resultaten worden geboekt, met name als grootgebruikers (zakelijke afnemers in het hoge tarief) meer of minder water in enig jaar afnemen: dit kan immers resulteren in overschotten of tekorten. Dit kan conflicteren met de bepalingen rond WACC die bij drinkwaterbedrijven een belangrijke rol bij de financiële huishouding. Het invoeren van een bloktarief waarin per inwoner een hoeveelheid water gratis of tegen laag tarief wordt geleverd, vraagt inzicht in de omvang van huishoudens achter de meter. Deze informatie moet worden verkregen uit de Basisregistratie Personen (BRP). Het aanleveren van deze informatie stuit mogelijk op bezwaren vanuit de AVG. Daarnaast moet een oplossing worden gevonden voor mutaties gedurende het jaar binnen een huishouden, voor de verdeling van water achter blokmeters en voor gebruikers met meerdere meters. Maatschappelijk Met name grote huishoudens en de grotere watergebruikers ondervinden negatieve financiële effecten als het niet lukt om effectief water te besparen. Dit treedt met name op als het vastrecht variabel wordt gemaakt. 2 In Vlaanderen worden dergelijke ongewenste effecten gecompenseerd door het toekennen van een volume water per adres, naast het aantal bewoners, en door het toepassen van een zogeheten sociaal tarief. Dit vraagt aanvullende administratie.

Gegevens over bijvoorbeeld inkomens of vermogens kunnen niet actief met het waterleidingbedrijf gedeeld worden door gemeenten. Daardoor is de uitvoering van dergelijke regelingen complex. Een aantal waterschappen kent kwijtscheldingsregelingen van belastingen, die dan actief moeten worden aangevraagd door de belastingplichtigen. Vaak zijn deze regelingen gekoppeld aan gemeentelijke loketten, waar ook vrijstelling van gemeentelijke belastingen kan worden aangevraagd. Zakelijke gebruikers Bloktarieven hebben in het doorgerekende scenario aanzienlijke invloed op de kosten voor zakelijke gebruikers. Zij vallen immers grotendeels in het ‘comforttarief’ tenzij een aanvullende categorie gebruikers wordt gedefinieerd. 1

Het volledig variabel maken van het vastrecht heeft slechts een beperkte invloed op de hoogte van het daaruit resulterende variabele tarief en geeft zodoende nauwelijks een prijsprikkel. Invoeren van een bloktarief heeft een groter effect op de gevoelde prikkel.

2

Grote huishoudens hebben nu hetzelfde vastrecht als kleine huishoudens. Bij het variabel maken van vastrecht zullen zij een groter aandeel in de totale lasten gaan betalen.

80 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

In Vlaanderen geldt voor zakelijke gebruikers een ander tarief dan voor inwoners: het zogeheten vlaktarief (Antwerpen) of in sommige gemeenten een degressief tarief (Leuven). Bij het toepassen van speciale tarieven voor zakelijke gebruikers moet de tariefstelling goed onderbouwd worden. Vanuit mededinging moet duidelijk zijn dat zakelijke klanten niet ‘gesubsidieerd’ worden door gebonden klanten. Dit kan ontstaan als het zakelijk tarief lager is dan de feitelijke integrale kostprijs voor drinkwater.

6.4.3

Waterketentarief

Drinkwater maakt, naast riolering en afvalwaterzuivering, deel uit van de waterketen. In veel landen worden de waterketenkosten op één nota in rekening gebracht en soms ook allemaal gekoppeld aan het drinkwatergebruik (variabilisatie: bijvoorbeeld in België, Duitsland en Denemarken). Door deze gekoppelde kosten is het eenheidstarief voor drinkwater veel hoger en werkt de prijsprikkel beter. Wettelijk is het nu al mogelijk om rioolrecht en zuiveringsheffing te verrekenen op basis van het drinkwatergebruik. In een aantal gemeenten wordt het rioolrecht ook daadwerkelijk (deels) gekoppeld aan de hoeveelheid ingenomen drinkwater. Voor zover bekend wordt de zuiveringsheffing nog nergens verrekend aan de hand van de hoeveelheid gebruikt drinkwater. Enkele waterschappen onderzoeken momenteel de mogelijkheden hiertoe. Uitvoerbaarheid Technisch Technisch is de koppeling van rioolheffing en zuiveringsheffing aan het drinkwatergebruik mogelijk. Het vraagt wel aanzienlijke aanpassingen van de diverse automatiseringssystemen van drinkwaterbedrijven, waterschappen en gemeenten. Omdat de begrenzingen van de gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven niet overal gelijk zijn, is dit een complexe operatie. Omdat bij het waterketentarief de inkomsten voor gemeenten en waterschappen variëren met de afzet van drinkwater, variëren ook de inkomsten over de jaren.

Hierop moeten begrotingssystematieken worden aangepast Juridisch Juridisch staat niets het waterketentarief in de weg. Wel moeten gemeenten en waterschappen hun belastingverordeningen aanpassen en koppelingen tussen belastingsystemen en het klantensysteem van het drinkwaterbedrijf tot stand brengen. Maatschappelijk De maatschappelijke afweging over deze vorm van beprijzing is onderdeel van de beleidsafweging. Belangrijke argumenten ‘tegen’ zijn dat de kosten van riolering en afvalwaterzuivering slechts in beperkte mate veroorzaakt worden door de variabele hoeveelheden drinkwatergebruik. Een groot deel van de kosten zijn ‘vastrecht’ belastingen. Met het variabel maken van de vaste kosten vindt een lastenverschuiving plaats naar de grotere gebruikers. Dat zijn niet alleen ‘veelgebruikers’ in liters per persoon per dag, maar ook grotere huishoudens. Overigens geldt ook voor drinkwaterbedrijven dat een belangrijk deel van de kosten voor drinkwater worden bepaald door kapitaallasten op de productie- en distributiemiddelen. Zakelijke gebruikers Voor zakelijke gebruikers is het effect van een waterketentarief in het algemeen beperkt, omdat voor deze gebruikers in veel gemeenten het rioolrecht reeds gekoppeld is aan het drinkwatergebruik.

Voor veel productiebedrijven geldt dat de zuiveringsheffing eveneens is gekoppeld aan het drinkwatergebruik en wordt afgerekend aan de hand van tabellen. Bij de grotere bedrijven wordt de hoogte van de zuiveringsheffing bepaald door metingen van de afvalwatersamenstelling en de hoeveelheden hiervan.

81 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

6.4.4

Belasting op grondwater en oppervlaktewater

Het belasten van het innemen van grondwater of oppervlaktewater vraagt een sluitend systeem van bemetering, toezicht en handhaving en het opzetten van een daaraan gekoppeld systeem voor het innen van de belastingen/heffingen. Dergelijke systemen bestaan op dit moment alleen voor de grote onttrekkers (enkele tientallen). In het voorjaar van 2024 rondt RHDHV een onderzoek af voor het ministerie van IenW, waarin bouwstenen voor een mogelijke melding- en vergunningplicht voor (kleine) grondwateronttrekkingen in beeld zijn gebracht. Op basis van deze bouwstenen zullen besluiten worden genomen of en zo ja hoe meld- en vergunningsplicht kan worden uitgerold. Daaraan gekoppeld kan worden onderzocht of dit combineerbaar is met het invoeren van een heffingssysteem.

82 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Bijlage(n)

I BIJLAGE: SAMENSTELLING KLANKBORDGROEP Deze verkenning is uitgevoegd onder begeleiding van vertegenwoordigers van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Financiën. In de klankbordgroep hebben deskundigen geparticipeerd afgevaardigd voor - IPO; - Rijkswaterstaat; - Unie van Waterschappen; - VEMW; - Vewin; - VNG; - VNO/NCW. Geïnterviewde bedrijfstakken: - Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie; - Koninklijke Vereniging van Nederlandse Papier- en kartonfabrieken; - Nederlandse Zuivel Organisatie; - Nederlandse Vereniging voor de Bakkerij; - LTO Akkerbouw en Vollegrondsgroente.

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage I | Definitief

II BIJLAGE: ZAKELIJK LEIDINGWATERGEBRUIK PER GROOTTEKLASSE Het leidingwatergebruik voor zakelijke klanten is weergegeven in onderstaande. De verdeling van de bedrijven over grootteklassen is berekend op basis van gegevens van een aantal drinkwaterbedrijven (zie hoofdstuk ‘Water in Beeld’) en geëxtrapoleerd naar het totale zakelijk watergebruik in Nederland. Het gebruik van industriewater is gebaseerd op CBS-gegevens. De onderverdeling van dit industriewater over grootteklassen en over aantallen bedrijven is niet bekend. Aangenomen wordt dat het leeuwendeel wordt gebruikt door grote watergebruikers.

Tabel II.1 Zakelijk leidingwatergebruik, onderverdeeld naar grootteklassen watergebruiker - huidige situatie Klasse watergebruiker

Watergebruik miljoen m³/jaar

Bedrijven aantal

Gebruik per bedrijf 1.000 m³/j

kleiner 10.000 m³/j

92,3

21.413

4,3

10.000 - 15.000 m³/j

23,7

1.946

12,2

15.000-25.000 m³/j

27,0

1.420

19,0

25.000 - 120.000 m³/j

65,6

1.397

46,9

>120.000 m³/j

103,4

276

374,4

subtotaal drinkwater subtotaal industriewater totaal leidingwater

311,9 76,6 388,5

26.453

11,8

Huidige belastinginkomsten uit leidingwater Momenteel wordt belasting op leidingwater geheven over de eerste 300 m³ water per jaar, en wel EUR 0,42 per m³ (exclusief btw). Aangenomen is dat alle bedrijven tenminste 300 m³/jaar innemen. Dit watergebruik genereert EUR 3,3 miljoen per jaar aan belastinginkomsten uit de BOL.

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage II | Definitief

III BIJLAGE: RIOOLHEFFINGEN Tabel III.1 Indicatie rioolheffingen provinciehoofdsteden (2024) Hoofdstad

Tarief EUR/m³

Opmerking

Arnhem

flat fee

o.b.v. WOZ-waarde

Assen

0,98

tot 40.000 m³/j

Den Bosch

1,35

gemiddeld tot 50.000 m³/j, daarboven 1,10 / m³

Den Haag

0,51

Groningen

vlak tarief

Haarlem

vlak tarief

Leeuwarden

0,88

tot 375.000 m³/j, daarboven geen extra kosten

Lelystad

vlak tarief

o.b.v. WOZ-waarde

Maastricht

1,73-1,15

aflopend, 0,57 boven 500.000 ³/j

Middelburg

0,59

tot 4.000 m³/j

Utrecht

1,88

tot 50.000 m³/j, daarboven aflopend naar 1,50

Zwolle

0,32

tot 50.000 m³/j gemiddeld

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage III | Definitief

IV BIJLAGE: VERDELING BEDRIJVEN EN WATERGEBRUIK PER SBI-CODE

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage IV | Definitief

Tabel IV.1 Verdeling van de aantallen bedrijven in promille over SBI-codes en grootteklassen (in 1.000 m³/jaar) SBI grootteklasse 1 Landbouw, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht 3 Visserij en kweken van vis en schaaldieren

2- 10

10- 25

25- 50

130,1

10,5

0,5

0,2

50- 75

75- 100 100- 200 200- 500 500- 1000

0,2

8 Winning van delfstoffen (geen olie en gas)

2,5

0,1

0,1

10 Vervaardiging van voedingsmiddelen

21,1

10,5

5,8

2,0

11 Vervaardiging van dranken

4,0

0,5

0,2

0,1

12 Vervaardiging van tabaksproducten

0,5

13 Vervaardiging van textiel

2,0

0,2

0,4

14 Vervaardiging van kleding

0,8

0,0

16 Primaire houtbewerking en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet en vlechtwerk ( geen meubels)

0,8

0,1

17 Vervaardiging van papier, karton en papier- en kartonwaren 18 Drukkerijen, reproductie van opgenomen media

1,7

0,4

0,2

1,8

0,1

0,0

19 Vervaardiging van cokesovenproducten en aardolieverwerking 20 Vervaardiging van chemische producten

0,4 3,7

2,0

1,4

0,2

21 Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten 22 Vervaardiging van producten van rubber en kunststof

1,1

0,4

0,5

0,1

3,7

1,7

0,2

23 Vervaardiging van overige niet- metaalhoudende minerale producten 24 Vervaardiging van metalen in primaire vorm

4,6

0,8

0,2

1,4

0,4

0,2

25 Vervaardiging van producten van metaal (geen machines en apparaten) 26 Vervaardiging van computers en van elektronische en optische apparatuur 27 Vervaardiging van elektrische apparatuur

5,6

1,5

0,2

0,6

0,2

0,5

0,2

0,1

28 Vervaardiging van overige machines en apparaten

1,3

0,1

0,1

29 Vervaardiging van auto's, aanhangwagens en opleggers 30 Vervaardiging van overige transportmiddelen

0,7

0,1

0,1

0,1

0,9

0,1

31 Vervaardiging van meubels

2,5

0,2

32 Vervaardiging van overige goederen

0,5

0,2

33 Reparatie en installatie van machines en apparaten

1,8

0,6

0,1

0,1

35 Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht 36 Winning en distributie van water

9,4

4,9

0,4

0,5

0,1

0,0

0,1

37 Afvalwaterinzameling en - behandeling

38,4

0,5

0,1

0,1

38 Afvalinzameling en - behandeling; voorbereiding tot recycling 41 Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw en projectontwikkeling 42 Grond- , water- en wegenbouw (geen grondverzet)

3,2

1,1

0,4

0,1

0,2

5,6

0,4

0,1

0,1

0,5

0,4

43 Gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw

1,7

0,0

45 Handel in en reparatie van auto’s, motorfietsen en aanhangers 46 Groothandel en handelsbemiddeling (niet in auto's en motorfietsen) 47 Detailhandel (niet in auto's)

17,0

0,9

0,1

15,9

3,8

2,0

0,7

0,4

12,1

1,2

49 Vervoer over land

5,1

0,9

0,1

0,2

50 Vervoer over water

1,2

0,2

0,1

0,1

52 Opslag en dienstverlening voor vervoer

5,6

0,9

0,5

0,4

0,4

53 Post en koeriers

0,1

55 Logiesverstrekking

80,0

16,9

4,0

0,5

0,1

56 Eet- en drinkgelegenheden

18,5

0,6

58 Uitgeverijen

0,2

59 Productie en distributie van films en televisieprogramma´s; maken en uitgeven van geluidsopnamen 61 Telecommunicatie

1,5

0,2

0,6

0,4

0,6

0,1

0,1

62 Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie 64 Financiële instellingen (geen verzekeringen en pensioenfondsen) 65 Verzekeringen en pensioenfondsen (geen verplichte sociale verzekeringen)

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage IV | Definitief

0,9

1,9

1,9

0,2

0,6

1,3

0,6

0,2

0,1

0,1 0,4

1,1

0,4

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1 0,2

0,2

0,1

0,7

0,2

0,1 0,1 0,2

1,1 4,4

>1000

0,2

0,1

0,1

0,1

SBI grootteklasse

2- 10

10- 25

66 Overige financiële dienstverlening

0,7

0,2

68 Verhuur van en handel in onroerend goed

42,9

69 Rechtskundige dienstverlening, accountancy, belastingadvisering en administratie 70 Holdings (geen financiële), concerndiensten binnen eigen concern en managementadvisering 71 Architecten, ingenieurs en technisch ontwerp en advies; keuring en controle 72 Speur- en ontwikkelingswerk

2,0

73 Reclame en marktonderzoek

0,5

74 Industrieel ontwerp en vormgeving, fotografie, vertaling en overige consultancy 75 Veterinaire dienstverlening

25- 50

50- 75

4,4

0,5

0,1

0,1

0,1

1,7

0,2

0,2

2,1

0,2

0,2

1,5

0,4

0,1

75- 100 100- 200 200- 500 500- 1000

0,1

0,1 0,7

0,5

77 Verhuur en lease van auto's, consumentenartikelen, machines en overige roerende goederen 78 Arbeidsbemiddeling, uitzendbureaus en personeelsbeheer 79 Reisbemiddeling, reisorganisatie, toeristische informatie en reserveringsbureaus 81 Facility management, reiniging en landschapsverzorging 82 Overige zakelijke dienstverlening

0,7

0,9

0,4

0,1

0,1

0,1

84 Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen 85 Onderwijs

18,6

3,8

1,9

0,2

0,1

18,3

1,2

0,5

0,1

86 Gezondheidszorg

10,1

7,3

2,0

1,1

87 Verpleging, verzorging en begeleiding met overnachting 88 Maatschappelijke dienstverlening zonder overnachting 90 Kunst

73,5

7,2

1,5

3,3

0,8

0,1

3,1

0,5

0,0

1,5

0,4

0,2

0,2 0,6

0,1

0,4

0,5

0,2

0,1

0,9

0,1

0,1

0,1

0,8

0,1

0,1

91 Culturele uitleencentra, openbare archieven, musea, dieren- en plantentuinen, natuurbehoud 92 Loterijen en kansspelen

0,9

93 Sport en recreatie

34,6

6,3

1,5

94 Levensbeschouwelijke en politieke organisaties, belangen- en ideële organisaties, hobbyclubs 96 Wellness en overige dienstverlening; uitvaartbranche

52,6

8,9

0,0

7,2

2,0

1,1

0,2

97 Huishoudens als werkgever van huishoudelijk personeel 99 Extraterritoriale organisaties en lichamen

0,5

14,8

4,0

1,3

onbekend

>1000

0,5

0,1 0,1 0,1

2,2 115,6

0,2

0,4

0,2

0,4

Tabel IV.2 Verdeling van drinkwatergebruik in promille over SBI-codes en grootteklassen (in 1.000 m³/jaar) SBI grootteklasse

2- 10

10- 25

25- 50

1 Landbouw, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht 3 Visserij en kweken van vis en schaaldieren

49,4

13,1

1,4

8 Winning van delfstoffen (geen olie en gas)

0,9

0,1

0,3

10 Vervaardiging van voedingsmiddelen

9,6

15,2

18,5

11,7

11 Vervaardiging van dranken

1,5

0,5

0,8

0,5

12 Vervaardiging van tabaksproducten

0,2

13 Vervaardiging van textiel

0,8

0,4

1,1

14 Vervaardiging van kleding

0,3

16 Primaire houtbewerking en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet en vlechtwerk ( geen meubels)

0,2

0,1

17 Vervaardiging van papier, karton en papier- en kartonwaren 18 Drukkerijen, reproductie van opgenomen media

0,8

0,5

0,7

0,2

19 Vervaardiging van cokesovenproducten en aardolieverwerking 20 Vervaardiging van chemische producten

0,1 1,5

2,7

4,1

1,3

21 Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten 22 Vervaardiging van producten van rubber en kunststof

0,4

0,4

1,6

0,7

1,1

2,4

0,8

23 Vervaardiging van overige niet- metaalhoudende minerale producten 24 Vervaardiging van metalen in primaire vorm

1,8

1,1

0,8

0,5

0,5

0,8

2,6

2,0

0,6

25 Vervaardiging van producten van metaal (geen machines en apparaten)

0,1

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage IV | Definitief

50- 75

75- 100 100- 200 200- 500 500- 1000

>1000

0,6 7,4

25,3

53,9

37,0

24,8

7,2

0,8

0,6

6,9 2,9

12,4 2,0

1,1

11,1

8,4

16,6 0,0 29,1

SBI grootteklasse

2- 10

10- 25

26 Vervaardiging van computers en van elektronische en optische apparatuur 27 Vervaardiging van elektrische apparatuur

0,2

0,3

25- 50

50- 75

0,4

0,4

0,6

0,2

0,3

0,1

0,5

0,2

28 Vervaardiging van overige machines en apparaten

0,5

29 Vervaardiging van auto's, aanhangwagens en opleggers 30 Vervaardiging van overige transportmiddelen

0,3 0,5

0,1

31 Vervaardiging van meubels

0,8

0,3

32 Vervaardiging van overige goederen

0,1

0,2

33 Reparatie en installatie van machines en apparaten

0,7

0,8

0,4

35 Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht 36 Winning en distributie van water

5,2

6,9

1,2

0,2

0,5

37 Afvalwaterinzameling en - behandeling

1,2

0,7

0,4

0,6

38 Afvalinzameling en - behandeling; voorbereiding tot recycling 41 Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw en projectontwikkeling 42 Grond- , water- en wegenbouw (geen grondverzet)

1,2

1,3

1,1

0,6

1,7

2,1

0,5

0,7

1,0

0,2

0,5

0,5

43 Gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw

0,5

45 Handel in en reparatie van auto’s, motorfietsen en aanhangers 46 Groothandel en handelsbemiddeling (niet in auto's en motorfietsen) 47 Detailhandel (niet in auto's)

5,9

1,1

0,3

6,1

5,7

6,3

4,0

2,8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15349695/1