RIS321779 Bijlage onderzoeksrapport Verkenning beprijzen watergebruik
Tekst van het document
990,3
47,6
942,8
A Landbouw, bosbouw en visserij
62,6
-
62,6
0,1
-
0,1
108,5
46,2
62,4
B Delfstoffenwinning C Industrie - voedingsmiddelenindustrie
25,0
6,8
18,1
- basismetaalindustrie
16,0
11,0
5,0
1
Gemiddeld tarief in 2022 EUR 0,015 per m³. Daarnaast zijn er vrijgestelde hoeveelheden water, uiteenlopend van 0 (Drenthe) tot 150.000 m³/jaar (Noord-Brabant) https://www.coelo.nl/images/rapporten/Bekostiging_grondwater.pdf. Naast de wettelijke vrijstellingen kunnen in de provinciale grondwateronttrekkingsheffingsverordening ook nog andere vrijstellingen voorkomen, zoals een vrijstelling voor een gesloten systeem (Overijssel), een vrijstelling als de pompcapaciteit beperkt is (Noord-Brabant).
2
https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/82883NED
44 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Activiteit
Totaal
Koeling
Overig
- drankenindustrie
14,6
1,1
13,5
- rubber- en kunststofproductindustrie
12,0
12,0
-
- papierindustrie
11,5
-
11,5
- chemische industrie
7,2
2,6
4,6
- overige bedrijfstakken
22,2
12,7
9,7
4
-
4
815,2
1,3
813,8
D Energievoorziening E Waterbedrijven en afvalbeheer - waterleidingbedrijven
812
-
812
- overige bedrijfstakken
3,2
1,3
1,8
3.4.2
Uiteenlopende data
Ten behoeve van dit onderzoek zijn uiteenlopende bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de bestaande grondwateronttrekkingen: locatie, gebruiksdoelen en hoeveelheden. Geconstateerd is dat er geen eenduidig en compleet beeld is. In de navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op: - het Landelijk Grondwaterregister; - Centraal Bureau voor de Statistiek; - data provincies en waterschappen. Landelijk Grondwater Register Provincies en waterschappen registreren idealiter gegevens over grondwater onttrekkingen in het Landelijk Grondwaterregister, dat in beheer is bij BIJ12 (samenwerkingsverband voor en van provincies). Bij 12 heeft haar database beschikbaar gesteld voor het voorliggende onderzoek. Landelijk Grondwater Register (LGR) Het Landelijk Grondwater Register (LGR) wordt beheerd door BIJ12, een onderdeel van de vereniging Interprovinciaal Overleg (IPO). Het LGR wordt gebruikt voor de ondersteuning van de processen vergunningverlening, handhaving en heffingen door provincies, waterschappen, gemeenten en Rijkswaterstaat. Daarnaast is het LGR een bron voor het samenstellen van beleidsinformatie en publieke informatie. Het LGR is goed te vergelijken met een grote kaartenbak waarin de toestand van het grondwatervoorraadbeheer van de provincie of het waterschap, op enig moment is vast te stellen.
De gegevens in het LGR geven inzicht in de individuele vergunning of melding. De vergunning (het feitelijke besluit) zelf is niet opgenomen in het systeem. De gegevens over de daadwerkelijk onttrokken hoeveelheid geven inzicht in de omvang van de onttrekkingen in een bepaald gebied. Ook zijn deze gegevens de wettelijke en noodzakelijke basis voor het opleggen van de provinciale grondwaterheffing. De gegevens zijn dus voor diverse doeleinden te gebruiken. Onder andere per inrichting, per gebied, te provincie, per doel kunnen gegevens worden verzameld en gebruikt voor onderzoek naar het grondwaterbeheer. Het is mogelijk dat ook de historische gegevens van onttrekkingen kunnen worden opgenomen. Het betreft onttrekkingen die gestopt zijn en voorgaande vergunningen en/of meldingen. -
alle onttrekkingen waarvoor registratie dan wel meldingsplicht geldt;
-
alle verstrekte vergunningen voor het onttrekken van grondwater en/of infiltreren van water;
-
alle vanaf 2013 gemelde gesloten bodemenergiesystemen;
-
de administratieve gegevens zoals naam, adres en woonplaatsgegevens, vergunde hoeveelheden, kadastrale gegevens, doel waarvoor wordt onttrokken e.d.;
45 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
-
technische informatie over de onttrekking zoals aantal bronnen, x- en y- coördinaten van de bronnen, pompcapaciteiten, daadwerkelijk onttrokken hoeveelheden, diepte van de onttrekking e.d.;
-
geografische informatie zoals: bestuurlijke gemeente, waterschap, provincie, stroomgebied, beregeningsgebied, speciale gebieden waarvoor speciale vergunningsvereisten gelden.
De in het LGR geregistreerde gegevens behorend bij provincies en waterschappen als bevoegde gezagen, zijn opgenomen in bijlage V. Daarin is onderscheid gemaakt tussen alle geregistreerde onttrekkingen en de onttrekkingen die door hun aard een tijdelijk of incidenteel karakter hebben. Denk daarbij aan tijdelijke bron- of sleufbemalingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden of grondwaterputten ten behoeve van sprinkler- of brandblusinstallaties. De tabellen laten zien dat het LGR niet compleet is: van veel gemelde installaties ontbreken gegevens over onttrekkingshoeveelheden. De provincies hebben slechts gegevens beschikbaar bij 7,5 % van de geregistreerde installaties (11,1 % na correctie voor tijdelijke onttrekkingen). Bij de waterschappen gaat het om respectievelijk 12,9 en 15,5 %. In totaal heeft het LGR over 2021 609 miljoen m³ vergunde grondwateronttrekking geregistreerd. Dit is 55 % van de door het CBS gemelde onttrekkingen. Omdat vaak niet de totale vergunningsruimte wordt benut, is het percentage onttrekkingen door geregistreerde gebruikers ten opzichte van het totale gebruik in werkelijkheid lager. Naast incompleetheid van de data in het LGR, moet rekenschap worden gegeven van het feit dat er geen registratieplicht is voor grondwateronttrekkingen met een capaciteit kleiner dan 10 m³/uur en geen vergunningsplicht voor onttrekkingen kleiner dan 150.000 m³/jaar.
Centraal Bureau voor de Statistiek Gegevens voor het gebruik van grondwater in 2021 zijn gepubliceerd in het Compendium voor de Leefomgeving, op basis van gegevens van het CBS. Volgens het CLO1 bedraagt de totale grondwateronttrekking door de industrie in 2021 1,013 miljoen m³ waarvan 5 % voor koeling. Daarnaast is het gebruik door landbouw, bosbouw en visserij 158 miljoen m³.
Tabel 3.7 Gebruik van grondwater in 2021 Koeling A Landbouw, bosbouw en visserij C Industrie
Overig 158
53
64
- voedings- en genotmiddelenindustrie
39,6
- hout, papier- en grafische industrie
11,9
- chemische en farmaceutische industrie
13,2
- basismetaalindustrie
16
- overige industrie
27,7
D Energievoorziening
3
E Waterbedrijven en afvalbeheer
1
838
totaal
54
1.171
1
https://www.clo.nl/indicatoren/nl001817-winning-en-gebruik-van-water-door-de-industrie-1976-2021
46 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Werkwijze CBS De CBS-waterrekeningen worden opgesteld aan de hand van een aantal statistische bronnen en normen. Voor het samenstellen van de waterrekeningen wordt gebruik gemaakt van internationale standaarden en handboeken voor waterrekeningen en waterstatistieken. De registers van de Vewin zijn een belangrijke bron voor de cijfers over leidingwater, d.w.z. voor huishoudelijk gebruik. Ook voor grond- en oppervlaktewateronttrekkingen door drinkwaterbedrijven is Vewin de belangrijkste bron. De waterbedrijven nemen een bijzondere positie in, omdat ze tegelijkertijd leverancier en gebruiker van het water zijn. Voor de land- en tuinbouw en visserij zijn de cijfers over het gebruik van leidingwater, grondwater en oppervlaktewater afgeleid van de gegevens op microniveau in het WEcR-FADN (Farm Accountancy Data Network) (Meer, van der, 2020. De cijfers over het gebruik van leiding-, grond- en oppervlaktewater door de industrie en voor milieudiensten zijn gebaseerd op de Milieu Jaarverslagen (AER's) van grote bedrijven samen met historische gegevens in de speciale vragenlijst over de watervoorziening van grote bedrijven (industrie en elektriciteitsproductie). Aangezien de AER's alleen betrekking hebben op de grootste bedrijven, zijn de cijfers voor de kleinere bedrijven gebaseerd op productiegegevens.
Voor de industrieën die niet onder de AER's vallen, worden de cijfers geëxtrapoleerd op basis van de gegevens van het herzieningsjaar 2015. De groeicijfers van het productievolume worden gebruikt om de waarden voor de respectieve jaren te berekenen. Het watergebruik door de dienstensectoren is gebaseerd op watergebruikscoëfficiënten per werknemer (voltijdsequivalent baan) per industrie die zijn afgeleid van de waterleveringen door de waterbedrijven (klantenbestanden). Het leidingwatergebruik in de industrie (productie) wordt gesaldeerd met het totale leidingwatergebruik en het gebruik door andere sectoren. De cijfers in de waterrekeningen zijn vergelijkbaar via tijdreeksen en consistent met de economische gegevens in de nationale rekeningen. De afstemming tussen de milieurekeningen en de nationale rekeningen vindt echter plaats via verschillende bronnen. Dit betekent dat, hoewel het systeem van de berekeningen elk jaar hetzelfde is, er variatie kan optreden als gevolg van veranderingen die in bepaalde bronnen worden waargenomen. Om consistente tijdreeksen te verkrijgen, wordt daarom elk jaar de hele tijdreeks (opnieuw) berekend, zodat de meest recente inzichten worden meegenomen. Meer informatie over de methodologie is te vinden in de korte onderzoeksbeschrijving van de Milieurekeningen.
Onderzoek grondwateronttrekkingen provincies en waterschappen In 2021 hebben de Unie van Waterschappen en het IPO een gezamenlijk onderzoek gepresenteerd naar grondwateronttrekkingen.1 Hierin wordt het volgende beeld geschetst: Onttrekking voor beregening landbouw2 Beregening door de landbouw vanuit grondwater speelt met name in de zandgrondgebieden in het zuiden en oosten van Nederland en in Zeeland, omdat in deze gebieden niet of maar beperkt vanuit oppervlaktewater kan worden beregend. Globaal komt hier 1/3e deel van de beregening uit oppervlaktewater en 2/3e deel uit grondwater. Het grondwatersysteem fungeert in feite als een grote voorraad, waarbij het water ‘s zomers wordt benut voor de gebruiksfuncties en in de winter wordt aangevuld met het neerslagoverschot. Het totaal aantal grondwateronttrekkingen voor beregening bedraagt ongeveer 15.500 (peildatum 2019). Het aantal grondwateronttrekkingen voor beregening verschilt per regio/waterschap variërend van enkele honderden tot enkele duizenden. Die verschillen in aantallen en hoeveelheden komen hoofdzakelijk door verschillen in het economisch grondgebruik en eigenschappen van het bodem- en watersysteem (waterbeschikbaarheid). De totale hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken voor beregening in de landbouw wordt geraamd op ca. 100 miljoen m³ in een gemiddeld jaar en op ca.
200 miljoen m³ in een extreem droog jaar zoals 2018.
1
Overzicht grondwateronttrekkingen provincies en waterschappen, januari 2021.
2
Unie van Waterschappen en IPO, Overzicht grondwateronttrekkingen, januari 2021.
47 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
De onttrekkingen voor beregening voor de landbouw vallen veelal onder de meldingsplicht. Sommige waterschappen vragen daarbij om een jaarlijkse registratie van de onttrokken hoeveelheid grondwater, bij andere waterschappen is zo’n registratie niet opgenomen in de voorwaarden vanuit de waterschapsverordening en beleidsregels voor beregening. Kleine onttrekkingen Kleine grondwateronttrekkingen (< 10 m³/uur) zijn veelal bedoeld voor veedrenking en particuliere tuinen. Deze onttrekkingen omvatten relatief een geringe hoeveelheid water en hebben in het algemeen een gering effect op de grondwaterstanden en aanwezige natuurwaarden. Daarom hebben waterschappen in hun verordeningen voor deze kleine onttrekkingen meestal geen vergunnings- of meldingsplicht opgenomen. De Waterwet en de provinciale verordeningen bieden daarvoor de ruimte. Vanwege de vrijstelling worden kleine grondwateronttrekkingen niet geregistreerd, waardoor het totale aantal niet bekend is. Waarschijnlijk gaat het in totaal om enkele tienduizenden. De totale hoeveelheid grondwater dat wordt onttrokken is eveneens onbekend. Een schatting op basis van regionaal onderzoek in Brabant (Deltares 2010) is dat die landelijk in de ordegrootte ligt van 25 tot 50 miljoen m³ per jaar.
Onttrekking voor drinkwater en industrie Het totaalbeeld van deze onttrekkingen uitgesplitst per provincie en de categorieën openbare drinkwatervoorziening en industrie is opgenomen in tabel 3.8 met als peiljaar 2019. Ter vergelijking: CBS rapporteert over 2019 een totaal grondwatergebruik van 1.143,7 miljoen m³ waarvan 62,4 miljoen m³ voor koeling.
Tabel 3.8 Provinciale grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie in 2019 (in miljoen m³) zoals gerapporteerd door Unie van Waterschappen en IPO * Prov. onttrekking miljoen m³
Drinkwater* miljoen m³
Industrie miljoen m³
70,3 32,3 57,0 165,0 23,2 89,5 229,2 34,7 77,6 88,4 0 139,7
63,1 32,3 53,0 138,4 19,4 76,56 211,3 22,6 74,3 85,3 0 103,9
7,2 0 4,0 26,6 3,4 12,9 17,9 12,1 3,4 3,1 0 35,8
1,006,9
880,2
126,3
Drenthe Flevoland Fryslân Gelderland Groningen Limburg N-Brabant N-Holland Overijssel Utrecht Zeeland Z-Holland totaal
* Volgens Vewin is de drinkwateronttrekking in Zuid-Holland niet 103,9 maar circa 35 miljoen m³. In de gerapporteerde 103,9 miljoen zit de in de duinen geïnfiltreerde hoeveelheid, en die zou eigenlijk buiten beschouwing moeten blijven. Met deze correctie is de totale drinkwateronttrekking niet 880,2 miljoen m³ maar 811,3 miljoen m³.
3.5
Oppervlaktewater
Voor het innemen van oppervlaktewater uit Rijkswateren is onder voorwaarden een vergunning nodig 1. Een vergunning is niet nodig bij het onttrekken van water aan de Noordzee. Het onttrekken van water uit regionale wateren is niet in rijksregels geregeld, maar hier kunnen wel decentrale regels voor gelden. Die variëren per waterschap. 1
Zie https://iplo.nl/thema/water/wateractiviteiten/wateronttrekkingsactiviteiten/vergunningplicht.
48 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Zo geldt bij waterschap Brabantse Delta een vergunningsplicht bij onttrekkingen van meer dan 100 m³/uur, en bij waterschap Vechtstromen een meldplicht bij onttrekkingen tussen 10 en 60 m³/uur (en daarboven vergunningplicht). Oppervlaktewater is de belangrijkste waterbron voor de industrie en energiebedrijven. Het overgrote deel van het oppervlaktewatergebruik wordt toegepast als koelwater. De schommelingen in de onttrekking van oppervlaktewater worden voornamelijk veroorzaakt door de fluctuerende koelwaterhoeveelheden. Elektriciteitsbedrijven zijn veruit de grootste onttrekkers van oppervlaktewater. In 2021 nam deze sector 69 procent van de totale wateronttrekking voor haar rekening, dat vrijwel geheel is gebruikt voor koeling. Sinds 2003 wordt geleidelijk aan steeds meer zout oppervlaktewater gebruikt voor koeling. In recente jaren is die trend versterkt doorgezet. Vanaf 2018 komt ongeveer de helft van het ingenomen oppervlaktewater uit zoute wateren; in 2003 tot en met 2009 was dat nog ongeveer een derde. De toename is het gevolg van gericht beleid waardoor sinds 2010 stapsgewijs nieuwe elektriciteitscentrales in bedrijf zijn genomen op locaties aan de kust en bij zeehavens. Dat is ten koste gegaan van andere centrales meer landinwaarts die doorgaans koelen met zoetwater en waarvan er een aantal in de laatste jaren zijn gesloten.
In 2021 daalt het zoet oppervlaktewatergebruik weer. Het zout oppervlaktewater neemt daarentegen weer toe. De data geven geen inzicht in de mate waarin het watergebruik per eenheid product is toe- of afgenomen.
Afbeelding 3.9 Gebruik oppervlaktewater in Nederland (https://www.clo.nl/indicatoren/nl005717-waterwinning-en-watergebruikin-Nederland-1976-2021)
Zoals aangegeven komt het grootste deel van het oppervlaktewatergebruik voor rekening van elektriciteitscentrales. De ontwikkeling van het watergebruik door deze centrales is weergegeven in de afbeelding hieronder.
49 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Afbeelding 3.10 Watergebruik door elektriciteitscentrales (https://www.clo.nl/indicatoren/nl002119-koelwatergebruik-enwarmtelozing-door-elektriciteitscentrales-1981-2021)
Vrijwel al het ingenomen koelwater is oppervlaktewater dat wordt toegepast in een doorstroomkoelvoorziening1. Het opgewarmde water wordt daarna geloosd op het oppervlaktewater in de binnenwateren of op open water van de Noordzee, Eems of Westerschelde. Het koelwatergebruik fluctueert van jaar tot jaar. Dit hangt zowel samen met de elektriciteitsproductie in Nederland, als ook met de lokale watertemperatuur van het oppervlaktewater. Is deze hoger, dan is meer water nodig voor koeling omdat de temperatuur van het te lozen water niet te veel mag oplopen. Dit resulteert dan in een hoger gemiddeld koelwaterverbruik. Tabel 3.9 toont het gebruik van oppervlaktewater in het jaar 2021. De grootste gebruiker van oppervlaktewater is de energievoorziening. Het belangrijkste gebruiksdoel is koeling. Bij het industriële gebruik is de chemische industrie de grootste watergebruiker, gevolgd door de aardolie-industrie. De inname van oppervlaktewater door waterbedrijven is gerelateerd aan de productie van drinkwater. Tabel 3.9 Gebruik van oppervlaktewater in 2021 (CBS) Watergebruikers
Oppervlaktewater Totaal (miljoen m³)
Zoet oppervlaktewater (miljoen m³)
Zout oppervlaktewater (miljoen m³)
0 13.568 21,2 32,3 3.267 2.327 498 199 180 47,6 15,5 9.000 1.248 483 0,5 764
0 6.956 21,2 2,7 2.507 1.777 487 11,2 168 47,6 15,4 3.179 1.246 483 0,5 763
0. 6.612
Particuliere huishoudens Alle economische activiteiten A Landbouw, bosbouw en visserij B Delfstoffenwinning C Industrie - chemische industrie - aardolie-industrie - basismetaalindustrie - voedingsmiddelenindustrie - papierindustrie - overige industrie D Energievoorziening E Waterbedrijven en afvalbeheer - waterleidingbedrijven - afvalwaterinzameling en -behandeling - afvalbehandeling en recycling
1
https://www.clo.nl/indicatoren/nl002119-koelwatergebruik-en-warmtelozing-door-elektriciteitscentrales-1981-2021
50 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
29,6 760 550 10,9 188 11,2 0,0 5.821 1,6
1,6
4 BEPRIJZING EN HUISHOUDENS 4.1
Scenario’s
In hoofdstuk 2 is vastgesteld dat de prijselasticiteit van drinkwater voor huishoudens zeer laag is (inelastisch). Er is geen verband vast te stellen tussen drinkwaterprijzen en het watergebruik van inwoners in de leveringsgebieden van drinkwaterbedrijven. Tegelijkertijd is bekend dat ‘de Nederlander’ weinig kennis heeft van de uitgaven voor drinkwater en het eigen gebruik. Dit is mede het gevolg van de zeer lage informatiedichtheid over de hoogte van het gebruik en de kosten: eenmaal per jaar een eindafrekening. Niettemin wordt in deze verkenning een aantal beprijzingsscenario’s doorgerekend en het mogelijke effect daarvan op het watergebruik. Daarvoor wordt een prijselasticiteit aangenomen met een bandbreedte van 0 (nul) tot - 0,15. De doorgerekende scenario’s zijn weergegeven in onderstaande tabel (genummerd 2 tot 4).
Tabel 4.1 Scenario’s leidingwater (dus ook: industriewater) Scenario
Maatregel
Doelgroep
2. BOL
verhogen BOL naar EUR 0,63 en 0,84 per m³ ex btw
zakelijke gebruikers en huishoudens
3. Staffel drinkwater
EUR 1/m³ tot 80 m³/aansluiting per jaar en, EUR 4 voor het meerdere bij een vastrecht van 80 euro per jaar (inclusief belastingen)
zakelijke gebruikers en huishoudens
4. Waterketen
waterketentarief zonder staffel of ingreep BOL, EUR 7,00 per m³
huishoudens
Bij deze scenario’s worden de volgende opmerkingen geplaatst: Ad 2: De hogere BOL komt overeen met 50 % en 100 % verhoging ten opzichte van het in 2024 geldende tarief, dat EUR 0,42 bedraagt exclusief 9 % btw. Ad 3: Een hoog en een laag tarief met een grens bij 100 lpppd (80 m³/j per aansluiting komt overeen met de gemiddelde woningbezetting van 2,21 personen per aansluiting en een gebruik van 100 liter per persoon per dag (= doel waterbesparing). Naast het tarief wordt een vastrecht van 80 euro per jaar gehanteerd. Daarbij wordt aangetekend dat, naarmate meer water wordt bespaard, de opbrengsten voor drinkwater lager kunnen worden dan de kosten. Dit zal er toe leiden dat bij het vorderen van de waterbesparing verschuivingen optreden in de richting van hogere variabele tarieven en/of een hoger vastrecht: per saldo moeten de kosten van het drinkwaterbedrijf door inkomsten worden gedekt. Toename van het watergebruik door huishoudens vanwege verlaging van het tarief wordt verwaarloosbaar geacht. Ad 4: Gerekend wordt met een gemiddeld waterketentarief waarbij alle vastrecht (drinkwater, riolering, afvalwaterzuivering) gevariabiliseerd is naar een prijs per m³. De prijs is opgebouwd op basis van een gebruik van 100 m³ per huishouden: drinkwater EUR 220, Rioolheffing EUR 250, Zuiveringsheffing EUR 230; totaal EUR 700 / huishouden per jaar ofwel afgerond EUR 7,00 per m³.
Ook hier geldt dat het tarief zal stijgen naarmate meer water wordt bespaard.
51 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Rekenvoorbeeld: als in het tarief van EUR 7 per m³ 75 % van de kosten wordt veroorzaakt door vaste lasten en 25 % door variabele kosten, dan stijgt bij 20 % waterbesparing het tarief met 19 % naar EUR 8,31/m³.1 Tabel 4.2 toont de berekende waterbesparing bij de aangenomen prijselasticiteiten.
Tabel 4.2 Waterbesparing (in procenten) bij een range voor prijselasticiteit van 0 tot -0, 15 en bij drie prijsscenario’s Scenario
Tarief EUR/m³
Verschil tarief
in %
Waterbesparing in miljoen m³/jaar
referentie situatie
2,20
0%
0%
0
2a
BOL 0,63+btw
2,43
10 %
0 tot 1,6 %
0 - 13
2b
BOL 0,84+btw
2,66
21 %
0 tot 3,1 %
0 - 25
3
EUR 4 > 100 lpppd, vastrecht EUR 80/j
4,00
82 %
0 tot 12,3 %
0 - 100
4
EUR 7 incl. BOL+BTW, geen vastrecht
7,00
218 %
0 tot 22 %*
0 - 178
Bij scenario 3 geldt het variabele tarief van EUR 4voor het watergebruik > 100 lpppd en een tarief van EUR 1 voor watergebruik <100 lpppd. Daarbij wordt een vastrecht van EUR 80/aansluiting gehanteerd. * De theoretische besparing is 218 % * -0,15 = 33 %, maar praktisch gelimiteerd tot 22 % (gebruik niet lager dan 100 lpppd).
Tabel 4.3 toont het resulterende drinkwatergebruik bij de verschillende scenario’s en prijselasticiteiten. Bij scenario 4 daalt het watergebruik naar 100 liter per persoon per dag bij de aangenomen prijselasticiteit van -0,15.
Tabel 4.3 Watergebruik in liters per persoon per en bij een nominaal watergebruik van 128 lpppd bij een range voor prijselasticiteit met bandbreedte van 0 tot -0, 15 en bij drie prijsscenario’s Scenario
Tarief EUR/m³
Watergebruik lpppd
referentie situatie
2,20
128
2a
BOL 0,63+btw
2,43
126 tot 128
2b
BOL 0,84+btw
2,66
124 tot 128
3
EUR 4 > 100 lpppd, vastrecht EUR 80/j
4,00
112 tot 128
4
EUR 7 incl. BOL+BTW, geen vastrecht
7,00
100 tot 128
*Aangenomen wordt dat het watergebruik niet lager wordt dan 100 lpppd.
4.2
Effect op belastinginkomsten
Alleen bij scenario’s 2a en 2b wordt de prijsprikkel veroorzaakt door het verhogen van de belasting op leidingwater, waardoor alleen dit scenario leidt tot mogelijk extra belastinginkomsten via de Belasting op leidingwater (BOL) en btw. Inkomsten worden immers bepaald door een hoger tarief enerzijds, maar een lager volume anderzijds.
1
Aandeel vaste kosten is 0,75 x EUR 7 = EUR 5,25. Nieuw aandeel variabele kosten is 0,25 x 80 % x EUR 7 = EUR 1,40. De som (EUR 6,65) moet worden opgebracht door 80 % van het oorspronkelijke volume, waardoor EUR 6,65 / 80 % = EUR 8,31 resulteert.
52 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Voor scenario’s 3 en 4 geldt dat de BOL en btw gelijk blijven, maar dat de variabele kosten voor water zelf stijgen. Doordat de afgezette volumes water afnemen door waterbesparing, nemen ook de belastinginkomsten af. Tabel 4.4 toont de berekende extra inkomsten uit BOL en btw door het anders beprijzen van drinkwater voor huishoudens. Daarbij is als uitgangspunt genomen het huidige drinkwatergebruik van 810,8 miljoen m³/jaar en een besparing wordt bereikt als weergegeven in tabel 4.2.
Tabel 4.4 Extra inkomsten uit BOL en btw uit huishoudens in miljoen euro per jaar voor vier prijsscenario’s Scenario
Elasticiteit 0
Elasticiteit -0,15
2a
BOL 0,63+btw
186
177
2b
BOL 0,84+btw
371
348
3
EUR 4 > 100 lpppd, vastrecht EUR 80/j
0
-46
4
EUR 7 incl. BOL+BTW, geen vastrecht
0
-82
*Voor de berekening van belastinginkomsten wordt een ondergrens van 100 lpppd aangehouden.
Bij de scenario’s 2a en 2b is er sprake van extra inkomsten uit BOL en btw: de toename aan inkomsten door hogere BOL-tarieven en btw-inkomsten is groter dan de afname aan inkomsten door waterbesparing. Bij de scenario’s 3 en 4 nemen de belastinginkomsten met 45 tot 82 miljoen euro per jaar af omdat minder water wordt geleverd.
4.3
Effect op uitgaven huishoudens
Het anders beprijzen van drinkwater heeft niet alleen effect op watergebruik, ook de uitgaven in de huishoudens wijzigen. Tabel 4.5 toont de extra uitgaven voor huishoudens die bestaan uit respectievelijk 1, 2 en 4 personen in euro per jaar.1 De effecten zijn weergegeven voor de effecten bij een prijselasticiteit -0,15 en een aangenomen vlak huidig watergebruik van 128 lpppd. 2 De tabel toont dat het verhogen van de belastingen resulteert in hogere kosten voor alle huishoudens, naar rato van drinkwatergebruik. Bij de prijsstaffel nemen de kosten voor de huishoudens af als gevolg van waterbesparing. Bij scenario 4 zijn de veranderingen voor kleine en grote huishoudens aanmerkelijk groter. Dit komt door het variabiliseren van het vastrecht voor drinkwater, van de rioolheffing en van de zuiveringsheffing. Dit is financieel gunstig voor huishoudens met een laag gebruik per aansluiting, maar ongunstig voor huishoudens met een groter gebruik per aansluiting.
1
Uitgangspunt is dat 35 % van de drinkwaterkosten bestaan uit vastrecht. Bij 20 % waterbesparing dalen de uitgaven daardoor met 13 % bij gelijkblijvend tarief.
2
Bij kleine huishoudens zal het watergebruik per persoon hoger liggen, omdat water voor schoonmaak en (af)wassen per persoon hoger is. Daardoor is in scenario 3 en 4 de besparing voor 1-persoons huishoudens waarschijnlijk lager en voor grote huishoudens hoger.
53 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Tabel 4.5 Effecten op huishouduitgaven in euro per jaar bij prijselasticiteit -0,15 en drie prijsscenario’s Scenario referentie situatie
1 persoon
2,15 personen
4 personen
0
0
0
2a
BOL 0,63+btw
+11
+23
+42
2b
BOL 0,84+btw
+22
+47
+85
3
EUR 4 > 100 lpppd, vastrecht EUR 80/j
-24
-52
-99
4
EUR 7 incl. BOL+BTW, geen vastrecht
-162
-34
+418
*Voor de berekening van belastinginkomsten wordt een ondergrens van 100 lpppd aangehouden.
54 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
5 BEPRIJZING EN BEDRIJVEN 5.1
Scenario’s
Het onderzoek heeft ten doel om de effecten van verschillende scenario’s van beprijzen/belasten in beeld te brengen, gericht op een lager waterverbruik bij alle bronnen. Hiervoor zijn in overleg met het ministerie van IenW en de klankbordgroep (zie bijlage I) tien scenario’s vastgesteld voor leidingwater, grondwater en oppervlaktewater. Het doel van de scenario’s is om de breedte van de mogelijkheden en de effecten te verkennen. De scenario’s worden in de volgende paragrafen toegelicht.
5.1.1
Leidingwater en drinkwater
Tabel 5.1 Scenario’s leidingwater (dus ook: industriewater) Scenario
Maatregel
Doelgroep
L1. BOL
verhogen plafond tot 10.000 - 15.000 - 25.000 - 120.000 geen plafond
zakelijke gebruikers en huishoudens
L2. BOL
verhogen BOL naar EUR 0,63 en 0,84 per m³ ex btw én verhogen plafond cf scenario 1
zakelijke gebruikers en huishoudens
L3. Staffel drinkwater
EUR 1/m³ tot 80 m³/aansluiting per jaar en, EUR 4 voor het meerdere bij een vastrecht van 80 euro per jaar
zakelijke gebruikers en huishoudens
Ad L1: Bestaand plafond (300 m³/j) voor BOL wordt verhoogd naar 5 verschillende plafondhoogtes. Ad L2: BOL wordt verhoogd naar EUR 0,63 (=+50 %) en EUR 0,84 (=+1--%) ex btw en het plafond wordt verhoogd. Veel zakelijke gebruikers, maar niet alle, kunnen btw verrekenen Ad L3: Voor zakelijke gebruikers betekent dit de facto EUR 4 over verreweg het grootste deel van het watergebruik.
De grootteklassen voor de vijf verschillende plafonds voor de BOL zijn gebaseerd op de verdeling van zakelijke drinkwatergebruikers naar grootte (zie ook tabel 3.5). Daarbij zijn de gemiddelde grootten van de vier kwartielen genomen en een scenario met alle watergebruik boven 120.000 m³/jaar. De uitwerking daarvan is weergegeven in tabel 5.2.
Tabel 5.2 Verdeling watergebruik en bedrijven over grootteklassen Grootteklasse (x 1.000 m³/j)
Watergebruik (x 1.000 m³/j)
Aantal bedrijven
Gemiddeld watergebruik per bedrijf (x1.000 m³/j)
<=10
92.267
21.400
4
10-15
23.654
1.900
15
15-25
26.993
1.400
34
25-120
65.575
1.400
61
55 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Grootteklasse (x 1.000 m³/j)
Watergebruik (x 1.000 m³/j)
Aantal bedrijven
Gemiddeld watergebruik per bedrijf (x1.000 m³/j)
103.417
300
88
>120
5.1.2
Grondwater
Tabel 5.3 Scenario’s grondwater voor onttrekkingen met een capaciteit > 10 m³/h Scenario
Maatregel
G1. heffing
heffing op onttrekkingen >10 m³/h tot 150.000 m³/j tarief EUR 0,21/m³ (= 50 % huidige BOL)
G2. heffing
heffing op alle onttrekkingen (variant a) of met uitzondering van drinkwaterbedrijven (variant b) tarief EUR 0,42/m3 (=100 % huidige BOL)
G3. heffing
progressief: tot 150.000 m³/j tarief EUR 0,21, daarboven tarief EUR 0,42/ m³
Toelichting: -
uitgangspunt: grondwater moet goedkoper blijven dan drinkwater;
-
bij de afschaffing van de grondwaterbelasting per 2012 gold dat besparingen op watergebruik al waren bereikt, en dat de belasting op zichzelf geen milieudoel (meer) diende.1 Onbekend is of deze beweegreden nog steeds geldt;
-
de scenario’s voor grondwaterheffing gelden voor onttrekkers met een capaciteit >10 m³/h. In de praktijk zijn dit de onttrekkingen waarvoor meldingsplicht of vergunningsplicht bestaat;
-
scenario G3: De reden voor een progressief tarief is dat deze onttrekkers de grootste impact hebben en omdat een hoger tarief meer investeringsruimte oplevert om waterbesparing door te voeren. Bij onttrekkingen groter dan 150.000 m³/jaar zijn provincies bevoegd gezag, daaronder de waterschappen.
5.1.3
Oppervlaktewater
Tabel 5.4 Voorgestelde scenario’s oppervlaktewater voor vergunde innamen Scenario
Maatregel
O1. heffing
heffing op vergunde innamen tot 150.000 m³/j tarief EUR 0,105/m³ (=25 % huidige BOL)
O2. heffing
heffing op alle innamen, met en zonder drinkwaterbedrijven (variant a resp. b) tarief EUR 0,21/m³ (= 50 % huidige BOL)
O3. heffing
als 2, maar alleen heffing op netto inname water. De netto inname op koelwater wordt gesteld op 5 % (95 % vloeit terug)
Toelichting: -
uitgangspunt: oppervlaktewater moet goedkoper blijven dan grondwater.
5.2
Uitwerking scenario’s leidingwater
De door te rekenen beprijzingsscenario’s voor bedrijven zijn weergegeven in onderstaande tabel. Deze scenario’s komen overeen met die voor huishoudens met uitzondering van het waterketentarief dat alleen voor huishoudens geacht wordt te gelden en daarom niet wordt vermeld.
1
Grondwaterbelasting nader bezien, aspecten verbonden aan overheveling van de grondwaterbelasting naar een provinciale bestemmingsheffing en aan afschaffing van de grondwaterbelasting. Interdepartementale werkgroep, april 2007.
56 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
De door te rekenen scenario’s zijn weergegeven in onderstaande tabel:
Tabel 5.5 Scenario’s leidingwater (dus ook: industriewater) voor zakelijke gebruikers Scenario
Maatregel
L1. BOL
verhogen plafond tot 10.000 - 15.000 - 25.000 - 120.000 geen plafond
L2. BOL
verhogen BOL naar EUR 0,63 en 0,84 per m³ ex btw én verhogen plafond cf scenario 1
L3. Staffel drinkwater
EUR 1/m³ tot 80 m³/aansluiting per jaar en, EUR 4 voor het meerdere bij een vastrecht van 80 euro per jaar
5.2.1
Scenario L1. BOL: verhogen plafond vrijstelling
In dit scenario wordt het plafond voor belasting op leidingwater stapsgewijze verhoogd. Het belastingtarief is EUR 0,42 per m³ ingenomen water. Voor huishoudens is dit tarief al van toepassing: deze groep ondervindt geen gevolgen van de wijziging. Het effect van de plafondverhoging is afhankelijk van de hoeveelheden afgenomen water door bedrijven en de verhoging van het plafond. We illustreren dit aan de hand van de plafondverhoging tot 10.000 m³. Plafondverhoging van 300 m³ tot 10.000 m³ Bedrijven die tussen 300 m³ en 10.000 m³ afnemen per jaar, gaan in plaats van een tarief van EUR 1,98 over 300 m³ en EUR 1,56 over hun restantvolume nu EUR 1,98 over hun totale volume betalen (bedragen zijn inkoop water plus riolering, gemiddelde waarden, zie tabel 2.2). Volgens tabel 5.2 is in die klasse het gemiddeld afgenomen volume 4.300 m³ per bedrijf, dus 4.000 m³ meer dan het oorspronkelijke plafond van 300 m³.1 De drinkwaterkosten stijgen voor deze klasse dus vanaf 300 m³ met 27 %. Op basis van een prijselasticiteit van -0,3 is de procentuele hoeveelheidsafname voor deze klasse derhalve 8 %. Naar hoeveelheden per bedrijf omgezet en vermenigvuldigd met het aantal bedrijven in de klasse (21.400 bedrijven: zie tabel 5.2), is de waterbesparing voor die klasse te berekenen.
Voor de elasticiteitswaarde van -0,3 is de besparing bij bedrijven in deze gebruiksklasse ongeveer 7,3 miljoen m³.2 De gemiddelde belastinginkomsten per bedrijf uit deze klasse nemen toe met EUR 1.680 (van EUR 0,42 × 300 m³ = EUR 126 naar EUR 0,42 × 4.300 m³ = EUR 1.806). Vermenigvuldigd met het aantal bedrijven in de klasse (21.400), zijn de extra belastinginkomsten voor deze klasse gelijk aan bijna EUR 36 miljoen. 3 Bedrijven die meer dan 10.000 m³ afnemen, betalen tot dit nieuwe plafond het tarief van EUR 1,98 en voor hogere volumes het tarief van EUR 1,56. Voorheen betaalden zij over het meerdere van 300 m³ het tarief van EUR 1,56. Ze betalen dus over het volumeverschil van 9.700 m³ (10.000 m³-300 m³) EUR 0,42 per m³ meer, ofwel EUR 4.074. Voor de groep bedrijven die meer dan 10.000 m³ gebruiken, betekent dat iedere m³ waterbesparing ‘slechts’ een besparing oplevert van de oorspronkelijke kostprijs van EUR 1,56 (zolang door waterbesparing het watergebruik niet tot onder 10.000 m³/jaar zakt).
1
Hun kosten nemen daarom toe van 300 m³ × EUR 1,98 + (4.000-300) × EUR 1,56 = EUR 6.834 naar 4.300 × EUR 1,98 = EUR 8.514.
2
Ook: totaal volume in die klasse is 92,3 miljoen kuub, zodat de besparing gelijk is aan dit volume maal de elasticiteitswaarde (bijvoorbeeld 0,1 in absolute waarde) maal de procentuele prijsstijging (27 %=0,27), ofwel 92,3×0,1×0,27 ≃ 2,5 miljoen.
3
Als de prijselasticiteit in de praktijk 0 zou zijn, treedt geen waterbesparing op maar stijgen wel de belastinginkomsten.
57 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
De verhoging van het BOL-plafond leidt derhalve wel tot hogere kosten, maar de prijsprikkel (die tot waterbesparing moet leiden) is niet anders dan zonder verhoging van het BOL-plafond1. In de berekeningen is daarom de prijselasticiteit van 0 gehanteerd voor watergebruik boven het plafond. Aldus berekend zijn de waterbesparingen en belastingopbrengsten als volgt (tabel 5.6)2
Tabel 5.6 Waterbesparing door bedrijven en extra belastinginkomsten uit bedrijven bij verhogen van het voor BOL in vijf stappen, tarief EUR 0,42/m² ex btw en bij een elasticiteit met een bandbreedte van 0 tot - 0,3 Waterbesparing miljoen m³/jaar
Extra inkomsten BOL miljoen euro /jaar*
BOL plafond 10.000 m³/j
0-8
60 - 53
BOL plafond 15.000 m³/j
0-9
68 -61
BOL plafond 25.000 m³/j
0 -12
94- 69
BOL plafond 120.000 m³/j
0 -17
101 - 91
geen BOL-plafond
0 -25
131 - 117
Industriewater
0 -6
32 - 30
Totaal bedrijven
0 - 31
163 - 147
* Bij een grotere waterbesparing zijn de inkomsten BOL lager
5.2.2
Scenario L2a. BOL: verhogen plafond vrijstelling en tarief + 50 %
In dit scenario wordt het plafond voor belasting op leidingwater stapsgewijze verhoogd. Het belastingtarief wordt tegelijkertijd verhoogd naar EUR 0,63 per m³ ingenomen water. Voor huishoudens en bedrijven is dit tarief hoger dan voorheen, waardoor er (mogelijk) extra effecten zijn op waterbesparing en op belastinginkomsten. Deze prijsprikkel leidt bij een elasticiteit van -0,3 tot een besparingspotentieel van 12 % als het totale watergebruik onder het BOL plafond ligt. Deze besparing wordt als volgt berekend: kosten per m³ zonder BOL = EUR 1,56 en met BOL 2,19. De stijging bedraagt 40 %, waarbij een elasticiteit van -0,3 resulteert in een besparing van 40 % x -0,3 = 12 %. De resultaten zijn weergegeven in tabel 5.7.
Tabel 5.7 Waterbesparing door bedrijven en extra belastinginkomsten uit bedrijven bij verhogen van het voor BOL in vijf stappen, tarief EUR 0,63/m² ex btw en bij een elasticiteit met een bandbreedte van 0 tot - 0,3 Waterbesparing miljoen m³/jaar
Extra inkomsten BOL miljoen euro /jaar*
BOL plafond 10.000 m³/j
0 - 11
90 - 78
BOL plafond 15.000 m³/j
0 - 14
102 - 88
BOL plafond 25.000 m³/j
0 -17
141 - 101
BOL plafond 120.000 m³/j
0 -25
152 - 131
1
Als waterbesparingsmogelijkheden (financieel) lonend zijn bij een kostprijs van EUR 1,56, is een extra prijsprikkel in feite niet nodig om maatregelen te treffen.
2
Voor huishoudens zijn er ook nog extra btw-inkomsten voor de overheid.
58 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Waterbesparing miljoen m³/jaar
Extra inkomsten BOL miljoen euro /jaar*
geen BOL-plafond
0 -37
197 - 168
Industriewater
0-9
49 - - 43
Totaal bedrijven
0 - 47
245 - 211
* Bij een grotere waterbesparing zijn de inkomsten BOL lager.
5.2.3
Scenario L2b. BOL: verhogen plafond vrijstelling en tarief + 100 %
In dit scenario wordt het plafond voor belasting op leidingwater stapsgewijze verhoogd. Het belastingtarief wordt tegelijkertijd verhoogd naar EUR 0,84 per m³ ingenomen water. Voor huishoudens en bedrijven is dit tarief hoger dan voorheen, waardoor er (mogelijk) extra effecten zijn op waterbesparing en op belastinginkomsten. Deze prijsprikkel leidt bij een elasticiteit van -0,3 tot een besparingspotentieel van 16 % als het totale watergebruik onder het BOL plafond ligt. Deze besparing wordt als volgt berekend: kosten per m³ zonder BOL = EUR 1,56 en met BOL 2,40. De stijging bedraagt 54 %, waarbij een elasticiteit van -0,3 resulteert in een besparing van 54 % x -0,3 = 16 %. De resultaten zijn weergegeven in tabel 5.8.
Tabel 5.8 Waterbesparing door bedrijven en extra belastinginkomsten uit bedrijven bij verhogen van het voor BOL in vijf stappen, tarief EUR 0,84/m² ex btw en bij een elasticiteit met een bandbreedte van 0 tot - 0,3. Waterbesparing miljoen m³/jaar
Extra inkomsten BOL miljoen euro /jaar*
BOL plafond 10.000 m³/j
0 - 15
120 - 101
BOL plafond 15.000 m³/j
0 - 19
136 - 114
BOL plafond 25.000 m³/j
0 -23
188 - 129
BOL plafond 120.000 m³/j
0 -34
203 - 168
geen BOL-plafond
0 -51
262 - 213
Industriewater
0 - 13
65 - 54
max. totaal bedrijven
0 - 64
327 - 267
* Bij een grotere waterbesparing zijn de inkomsten BOL lager.
5.2.4
Scenario L3. Gestaffelde drinkwaterprijs
In dit scenario wordt het variabele deel van de drinkwaterprijs gestaffeld1. De eerste staffel loopt tot een watergebruik tot 80 m³/jaar met een tarief van EUR 1/m³. Voor het meergebruik geldt een tarief van EUR 4/m³. Deze tarieven zijn inclusief belastingen. Dit scenario is primair ‘ontworpen’ om huishoudens een sterke(re) prijsprikkel te geven voor doelmatig watergebruik. In dit scenario nemen voor de zakelijke gebruikers de kosten voor water zeer sterk toe. Het scenario is doorgerekend om een indruk te krijgen van de mogelijke waterbesparing, zonder rekening te houden met het effect dat de tarieven mogelijk niet meer kostengeoriënteerd zijn.
1
Basis is een aangenomen vastrecht van EUR 80 per (huishoudelijke) aansluiting.
59 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Een tarief van EUR 1 voor het drinkwaterbedrijf over de eerste 80 m³, betekent bij een BOL van EUR 0,42 en rioolheffing van EUR 0,70 dat het tarief voor de afnemers gelijk is aan EUR 2,12 voor de eerste 80 m³. Het tarief voor het volume van 81 tot en met 300 m³/jaar bedraagt dan EUR 4 + EUR 0,42 + EUR 0,70 = EUR 5,12 en boven 300 m³/jaar EUR 4 + EUR 0,70 = EUR 4,70. De prijs stijgt voor alle bedrijven afgerond van EUR 1,98 naar EUR 4,70 voor het restvolume, dus een prijsstijging van 137 %. In geval van een elasticiteit van -0,30 zou per bedrijf per grootteklasse onder deze voorwaarden een procentuele besparing bereiken van 0,3 × 137 % = 41 %. Dit percentage ligt boven de hiervoor beredeneerde grens van 20 %, zodat we van dit laatste percentage uitgaan. De beprijzing van industriewater staat los van prijsdifferentiatie van drinkwater. Daarom zijn er geen veranderingen in prijsprikkel voor deze afzet en is de besparing als gevolg van beprijzing nihil. De verschilopbrengsten vanuit BOL voor de fiscus zijn nihil. Er zijn geen extra inkomsten doordat de prijsprikkel in dit scenario niet wordt veroorzaakt door een belastingmaatregel maar door een kostenverschuiving binnen het tariefsysteem. Tegelijkertijd is de verwachting dat weinig bedrijven door de prijsprikkel het leidingwatergebruik reduceren tot minder dan het nu geldende plafond voor de BOL van 300 m³/jaar.
De resultaten zijn weergegeven in tabel 5.9.
Tabel 5.9 Waterbesparing door bedrijven en extra belastinginkomsten uit bedrijven bij het toepassen van een gestaffeld tarief bij een bandbreedte voor de prijselasticiteit van 0 tot -0,3 Waterbesparing miljoen m³/jaar
Extra inkomsten BOL miljoen euro /jaar
alle bedrijven
0 - 62
0
industriewater
0
0
5.3
Uitwerking scenario’s grondwater
Voor grondwater worden de volgende scenario’s uitgewerkt zoals weergegeven in onderstaande tabel 5.10.
Tabel 5.10 Scenario’s grondwater voor onttrekkingen met een capaciteit > 10 m³/h Scenario
Maatregel
Doelgroep
G1. heffing
heffing op onttrekkingen >10 m³/h tot 150.000 m³/j tarief EUR 0,21/m³
bedrijven
G2. heffing
heffing op alle onttrekkingen (variant a) of met uitzondering van drinkwaterbedrijven (variant b) tarief EUR 0,42/m3
bedrijven
G3. heffing
progressief: tot 150.000 m³/j tarief EUR 0,21., daarboven tarief EUR 0,42/ m³
bedrijven
De kosten die bedrijven momenteel maken voor het onttrekken van grondwater, bestaan uit de kosten voor het inrichten en onderhouden van de onttrekkingsinstallatie, energiekosten en eventueel kosten voor het opwerken van het grondwater tot de gewenste kwaliteit. Daarnaast is een provinciale grondwaterheffing van toepassing, die vaak in de ordegrootte van EUR 0,01 tot EUR 0,02 per m³ ligt. Daarbij wordt aangetekend dat er vaak een heffingsvrije voet wordt gehanteerd voor onttrekkingen kleiner dan 150.000 m³/jaar - dit varieert tussen provincies.
60 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Omdat de integrale kosten van grondwater niet bekend zijn, is het ook niet mogelijk om op basis van een prijsstijging (invoeren heffingen) en een aangenomen prijselasticiteit de waterbesparing te berekenen. Bij de evaluatie van de grondwaterbelasting1 werd beschreven dat moeilijk is vast te stellen in hoeverre de grondwaterbelasting eerder deze eeuw heeft bijgedragen aan de reductie van grondwateronttrekkingen door de industrie. Er werd een afname (van 15 %) geconstateerd in het gebruik van water door de industrie. Deze afname werd toegeschreven aan een overschakeling door de industrie op industriewater (water met een lagere kwaliteit – minder grondig gezuiverd – dan drinkwater) en in mindere mate aan een zuiniger watergebruik. Het bedrijfsleven zei er zeker van te zijn dat de grondwaterbelasting geen verdere bijdrage kan leveren aan het beperken van grondwateronttrekkingen. Volgens organisaties die de belangen van het waterverbruikende bedrijfsleven behartigden (VNO-NCW, VEMW e.a.), was verantwoord watergebruik in 2007 al in de praktijk afgedwongen. Zij wezen erop dat de doelstelling voor waterbesparing ruimschoots was gehaald en dat grondwateronttrekkingen gereguleerd worden door het systeem van vergunningverlening door provincies.
Daarnaast beargumenteerden VNO-NCW en VEMW dat bedrijven uit bedrijfseconomische redenen streven naar een duurzaam en doelmatig watergebruik en daarom zoeken naar mogelijkheden om water te hergebruiken. Verdere grondwaterbesparingen door het bedrijfsleven zouden niet meer mogelijk zijn.2 Op basis van deze gegevens worden de scenario’s doorgerekend met een aangenomen waterbesparing van 0 tot 10 % bij heffingen van EUR 0,21 en 0 tot 20 % bij heffingen van EUR 0,423. Daarbij wordt aangetekend dat de recente interviews met de aardappelbranche, papier en zuivelindustrie hebben aangegeven dat de handelingsperspectieven bij beprijzen van grondwater beperkt zijn. Door het gebrek aan voldoende gedetailleerde data voor grondwatergebruik is ervoor gekozen om voor de doorrekening van de scenario’s aan te sluiten bij de rapportage ‘Overzicht grondwateronttrekkingen provincies en waterschappen’ van het IPO en de Unie van Waterschappen. Daarin is de volgende onderverdeling gegeven:
Afbeelding 5.1 Verdeling watergebruik over categorieën grondwateronttrekkers
Op grond van afbeelding 5.1 kan de volgende grootteverdeling worden afgeleid in grondwateronttrekkingen. Deze verdeling wordt gehanteerd bij het doorrekenen van de grondwatergerelateerde scenario’s.
1
Grondwaterbelasting nader bezien Aspecten verbonden aan overheveling van de grondwaterbelasting naar een provinciale bestemmingsheffing en aan afschaffing van de grondwaterbelasting. Interdepartementale werkgroep grondwaterbelasting. April 2007.
2
Dit is niet in lijn met de afspraken die nu worden gemaakt in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing.
3
De effecten die optreden via drinkwateronttrekkingen worden doorgerekend met behulp van elasticiteiten.
61 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Tabel 5.11 Onderverdeling grondwateronttrekkingen naar grootteklassen Onttrekking
Miljoen m³/jaar
kleiner dan 10 m³/uur
25
10 m³/uur -150.000 m³/jaar - landbouw - bouw, sanering, industrie etc.
100 50
>150.000 m³/jaar industrie drinkwater
126 880
totaal
1.100
5.3.1
Scenario G1. Heffing bij onttrekkingen >10 m³/h tot 150.000 m³/j
Dit scenario betreft de onttrekkingen van meer dan 10 m³/uur en minder dan 150.000 m³/jaar. Tabel 5.10 laat zien dat het dan gaat om 150 miljoen m³/jaar: 100 miljoen voor landbouw en 50 miljoen voor uiteenlopende activiteiten als bouw, sanering en industrie. Bevoegd gezag voor deze onttrekkingen zijn de waterschappen. In dit scenario wordt gerekend met een heffing van EUR 0,21 per m³.
Tabel 5.12 Effecten invoeren heffing EUR 0,21/m³ op onttrekkingen >10 m³/h tot 150.000 m³/j Waterbesparing %
Waterbesparing miljoen m³/jaar
Heffing miljoen euro /jaar
landbouw
0 - 10
0 - 10
21 - 19
bouw, sanering, industrie etc.
0 - 10
0-5
11 - 9
5.3.2
Scenario G2a. Heffing bij alle onttrekkingen
Dit scenario heeft betrekking op alle onttrekkingen. Voor de onderverdeling van de onttrekkingsdoelen, zie afbeelding 5.1. Van deze onttrekkingen komt 880 miljoen m³ voor rekening van drinkwater. CBS rapporteert dat (landelijk gezien) 68 % van het drinkwatergebruik voor rekening komt van huishoudens en 32 % voor bedrijven. In deze verkenning wordt aangenomen dat deze verdeling ook geldt voor drinkwater uit grondwater. De waterbesparing die bereikt wordt via drinkwater, is berekend op basis van de elasticiteiten die in eerdere hoofdstukken zijn toegelicht. Voor bedrijven die rechtstreeks grondwater onttrekken wordt de potentiële besparing gezet op 0 tot 20 %. Dit geldt eveneens voor landbouw en kleine onttrekkingen. Voor de overige onttrekkingen wordt de besparing gesteld op 0 - 10 %, omdat voor aspecten als (bron)bemaling en bodemsanering veelal doelgericht onttrokken wordt.
62 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Tabel 5.13 Effecten invoeren heffing van EUR 0,42/m³ op alle onttrekkingen. Bandbreedte prijselasticiteit huishoudens 0 tot -0,15 en voor bedrijven 0 tot -0,3 (gebruik drinkwater) en besparingen van 0 tot 20 % voor andere groepen onttrekkers Waterbesparing %
Waterbesparing miljoen m³/jaar
Inkomsten uit heffing miljoen euro /jaar
- huishoudens
0-3
0 - 18
259 - 251*
- bedrijven
0-8
0 - 21
111 - 102
industrie
0 - 20
0 - 26
53 - 42
landbouw**
0 - 20
0 - 20
42 - 34
kleine onttrekkingen**
0 - 20
0- 5
10 - 8
bouw, sanering, industrie etc.
0 - 10
0-5
21 - 19
0 - 95
496 - 456
drinkwater
totaal * Inclusief BTW. ** Normaal jaar.
5.3.3
Scenario G2b. Heffing bij alle onttrekkingen excl. drinkwaterwinning
Dit scenario heeft betrekking op alle grondwateronttrekkingen behalve de drinkwaterwinningen. Het gaat dan om 220 miljoen m³ per jaar. De hoogte van de heffing betreft EUR 0,42 per m³. Voor de omvang van de besparingen geldt hetzelfde als voor G1.
Tabel 5.14 Effecten invoeren heffing van EUR 0,42/m³ op alle onttrekkingen en besparingen van 0 tot 20 % of 0 tot 10 % Waterbesparing %
Waterbesparing miljoen m³/jaar
Inkomsten uit heffing miljoen euro /jaar
industrie
0 - 20
0 - 26
53 - 42
landbouw**
0 - 20
0 - 20
42 - 34
kleine onttrekkingen**
0 - 20
0- 5
10 - 8
bouw, sanering, industrie etc.
0 - 10
0-5
21 - 19
0 - 56
126 - 103
totaal * Inclusief BTW. ** Normaal jaar.
5.3.4
Scenario G3. Progressieve heffing bij alle onttrekkingen excl. t.b.v. drinkwaterproductie
Dit scenario heeft betrekking op alle grondwateronttrekkingen behalve de drinkwaterwinningen . Het gaat dan om 220 miljoen m³ per jaar. De hoogte van de heffing betreft EUR 0,21 per m³ voor de onttrekkingen kleiner dan 150.000 m³ per jaar (totaal 93,5 miljoen m³/j) en EUR 0,42 voor grotere onttrekkingen (126,3 miljoen m³/j).
63 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Tabel 5.15 Effecten invoeren heffing van EUR 0,42/m³ op alle onttrekkingen en besparingen van 0 tot 20 % of 0 tot 10 % Waterbesparing %
Waterbesparing miljoen m³/jaar
Inkomsten uit heffing miljoen euro /jaar
industrie
0 - 20
0 - 26
53 - 42
landbouw
0 - 10
0 - 10
21 - 19
kleine onttrekkingen**
0 - 20
0- 5
10 - 8
bouw, sanering, industrie etc.
0 - 10
0-5
11 - 9
0 - 46
95 - 78
totaal * Inclusief BTW. ** Normaal jaar.
5.4
Uitwerking scenario’s oppervlaktewater
De kosten die bedrijven momenteel maken voor het onttrekken van oppervlaktewater, bestaan uit de kosten voor het inrichten en onderhouden van de onttrekkingsinstallatie, energiekosten en eventueel kosten voor het opwerken van het water tot de gewenste kwaliteit. Er zijn in de regel geen heffingen gekoppeld aan het innemen van oppervlaktewater. Omdat de integrale kosten van oppervlaktewater niet bekend zijn, is het ook niet mogelijk om op basis van een prijsstijging (invoeren heffingen) en een aangenomen prijselasticiteit de waterbesparing te berekenen. Het overgrote deel van het ingenomen oppervlaktewater wordt gebruikt voor koeldoeleinden. De hoeveelheid in te nemen water wordt dan bepaald door de temperatuur en door de hoeveelheid warmte die mag worden teruggevoerd naar het oppervlaktewater. Alternatieven voor koeling met oppervlaktewater zijn elektrisch koelen of het gebruik van koeltorens. Het overgrote deel van het koelwater wordt ingenomen voor energieproductie en door de grote industrie. Daarbij vormt doorstroomkoeling veruit het grootste deel van het koelwater, dat vrijwel zonder volumeverlies weer wordt teruggevoerd naar het waterlichaam. Van water dat via koeltorens koelt, verdampt ongeveer 25 %. Voor deze verkenning is het relevant om aan te tekenen dat het beleid rond warmtelozingen wordt veranderd.
Toegewerkt wordt naar bepalingen waarbij de maximumtemperatuur van het ontvangende water 25 °C bedraagt. Door het aanpassen van de temperatuurnorm neemt de ruimte om warmte te lozen af. Deze is de laatste jaren al kleiner geworden door de effecten van klimaatverandering. De gemiddelde watertemperatuur van de grote rivieren is met bijna drie graden toegenomen in de afgelopen honderd jaar. Ook het aantal dagen met een temperatuur boven de 20°C neemt sterk toe, van ongeveer 25 in 1910 naar bijna 85 dagen nu.1 Een en ander betekent dat de ruimte om te besparen op koelwater afneemt. Op basis daarvan wordt de potentiële waterbesparing op het totale oppervlaktewatergebruik klein geacht en gesteld op 0 - 5 %.
1
https://www.vemw.nl/nieuwsbericht/2022/12/05/Koelwaterbeleid-zet-industrie-en-energiesector-klem
64 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Tabel 5.16 Voorgestelde scenario’s oppervlaktewater voor vergunde innamen Scenario
Maatregel
Doelgroep
O1. heffing
heffing op vergunde innamen tot 150.000 m³/j tarief EUR 0,105/m³
bedrijven
O2. heffing
heffing op alle innamen, (variant a) of met uitzondering van drinkwaterbedrijven (variant b) tarief EUR 0,21/m3
bedrijven
O3. heffing
als 2, geen heffing op koelwater dat weer direct geloosd wordt1
bedrijven
5.4.1
Scenario O1. Heffing op alle innamen tot 150.000 m³/j
Het onderzoek heeft geen gegevens opgeleverd over vergunde innames tot 150.000 m³/jaar. In de praktijk zijn er veel kleinere onttrekkingen van oppervlaktewater, onder meer voor irrigatiedoeleinden. Hiervoor is in de regel geen vergunning nodig. Daarom kan dit scenario niet worden doorgerekend.
5.4.2
Scenario O2a. Heffing op alle innamen
Dit scenario heeft betrekking op alle innamen van oppervlaktewater. Het betreft 13.568 miljoen m³ water, waarvan 6.956 miljoen m³ zoet water en 6.612 miljoen m³ zout water. Hiervan wordt 483 miljoen m 3 zoetwater ingenomen door de drinkwaterbedrijven en 21 miljoen m³ door landbouw. Aangenomen wordt dat de belangrijkste toepassing koelen is, behalve daar waar het duidelijk drinkwaterbereiding en landbouw betreft. Tabel 5.17 laat zien wat de mogelijke effecten zijn van dit scenario, met een onderverdeling naar de belangrijkste gebruikersgroepen. De hoogte van de nieuwe heffing is EUR 0,21 per m³.
1
Bij doorstroomkoeling is het verlies nihil. Bij circulatiesystemen is het verlies ca. 75 %. De warmtelozing naar oppervlaktewater is bij een doorstroomsysteem grofweg 60 à 70 keer hoger dan bij een circulatiesysteem. Doorstroomsystemen worden het meest toegepast voor grote koelcapaciteiten. Zie https://iplo.nl/thema/water/afvalwater-activiteiten/afvalwater-vanuittechnische-processen/koelwater/ontstaan-afvalwater-koelwater/. En: https://www.rvo.nl/files/file/2015/09/Best%20Practice%20Waterkoeling%20def.pdf
65 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Tabel 5.17 Effecten invoering heffing EUR 0,21 met m³ oppervlaktewater Waterbesparing miljoen m³/jaar
Heffing miljoen euro /jaar
besparing
0%
2,5 %
5%
0%
2,5 %
5%
landbouw
0
0
0
4
4
4
chemische industrie
0
58
116
489
476
464
energievoorziening
0
225
450
1.890
1.843
1.795
waterleidingbedrijven
0
0
0
101
101
101
overig
0
43
87
365
356
347
totaal
0
326
653
2.849
2.781
2.712
5.4.3
Scenario O2b. Heffing op alle innamen excl. t.b.v. drinkwaterproductie
Dit scenario heeft betrekking op alle inname van oppervlaktewater exclusief de inname door drinkwaterbedrijven. Van alle water, behalve voor drinkwaterbereiding, landbouw en visserij wordt aangenomen dat de belangrijkste toepassing koelen is. Tabel 5.18 laat zien wat de mogelijke effecten zijn van dit scenario, met een onderverdeling naar de belangrijkste gebruikersgroepen. De hoogte van de nieuwe heffing is EUR 0,21 per m³.
Tabel 5.18 Effecten invoering heffing EUR 0,21 met m³ oppervlaktewater, exclusief drinkwaterbedrijven Waterbesparing miljoen m³/jaar
Heffing miljoen euro /jaar
besparing
0%
2,5 %
5%
0%
2,5 %
5%
landbouw
0
0
0
4
4
4
chemische industrie
0
58
116
489
476
464
energievoorziening
0
225
450
1.890
1.843
1.795
overig
0
43
87
365
356
347
totaal
0
326
653
2.748
2.679
2.610
5.4.4
Scenario O3. Netto heffing op alle innamen excl. t.b.v. drinkwaterproductie
Dit scenario heeft betrekking op alle inname van oppervlaktewater exclusief de inname door drinkwaterbedrijven. Van alle water, behalve voor drinkwaterbereiding, landbouw en visserij wordt aangenomen dat de belangrijkste toepassing koelen is. De heffing is gebaseerd op de inname van koelwater minus de teruglevering ervan. De teruglevering wordt gesteld op 90lijkt % van het ingenomen water. Nu de heffing over een kleiner aandeel wordt opgelegd, wordt een besparing aangenomen van 0 tot 2,5 %. Tabel 5.19 laat zien wat de mogelijke effecten zijn van dit scenario, met een onderverdeling naar de belangrijkste gebruikersgroepen. De hoogte van de nieuwe heffing is EUR 0,21 per m³.
66 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Tabel 5.19 Effecten invoering heffing EUR 0,21 met m³ oppervlaktewater, exclusief drinkwaterbedrijven Waterbesparing miljoen m³/jaar
Heffing miljoen euro /jaar
besparing
0%
2,5 %
0%
2,5 %
landbouw
0
0
4
4
chemische industrie
0
58
489
476
energievoorziening
0
225
1.890
1.843
overig
0
43
365
356
totaal
0
326
416
406
5.5
Economische gevolgen
De mogelijke gevolgen op macro-economisch niveau bespreken we aan de hand van CBS gegevens. De (leiding)waterintensiteit definiëren we als de hoeveelheid leidingwater (bestaande uit drinkwater en industriewater) in m³ per euro aan toegevoegde waarde.1 De toegevoegde waarde is de waarde in basisprijzen (over 2021), berekend als de waarde van alle geproduceerde goederen en diensten (de productiewaarde of output) minus de waarde van goederen en diensten die tijdens deze productie zijn opgebruikt (het intermediair verbruik).2 De output is gewaardeerd tegen basisprijzen.3 Het intermediair verbruik is gewaardeerd tegen aankoopwaarde exclusief niet-aftrekbare btw. In tabel 5.20 staan in de tweede kolom de waterleidingintensiteit voor de zes meest leidingwaterintensieve subsectoren en voor de drie meest leidingwaterintensieve bedrijfstakken. Als we om illustratieve redenen uitgaan van een (leiding)waterbesparing van 20 % (het gebruikte maximum voor zakelijke gebruikers in hoofdstuk 4), resulteert de derde kolom. We zien dat de hoeveelheid leidingwater in de aardolie-industrie per euro toegevoegde waarde 15,6 liter bedraagt en voor de voedingsmiddelenindustrie 4,6 liter.
Dit is echter het gevolg van (1) een relatief veel hogere toegevoegde waarde in de voedingsmiddelenindustrie dan in aardolie-industrie (13,2 miljoen euro tegen 1,3 miljoen euro), ondanks (2) het drie keer zo hoge waterleidinggebruik in de voedingsmiddelenindustrie (60,4 miljoen m³ tegenover 20,1 m³).
Tabel 5.20 Leidingwaterintensiteit (kuub per euro toegevoegde waarde) voor en na een besparing van 15 % Waterintensiteit (m³/euro toegevoegde waarde)
Waterintensiteit na waterbesparing van 20 %
aardolie-industrie
0,0156
0,0125
basismetaalindustrie
0,0128
0,0102
chemische industrie
0,0047
0,0038
voedingsmiddelenindustrie
0,0046
0,0037
1
Het is ook mogelijk om bijvoorbeeld het totale waterverbruik per eenheid toegevoegde waarde te berekenen. In navolgende beperken we ons tot de leidingwaterintensiteit.
2
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/47/omzetgroei-bouw-kleiner-tekort-aan-personeel-groter/bruto-toegevoegde-waardebasisprijzen.De toegevoegde waarde kan voor de hele economie, maar ook per bedrijfstak of willekeurig onderdeel van een bedrijfstak, tot op individueel bedrijfsniveau, worden berekend. Inbegrepen is de toegevoegde waarde van alle in Nederland opererende bedrijfseenheden, dus ook degene die in buitenlandse handen zijn.
3
Dit is de verkoopprijs exclusief de handels- en vervoersmarge en exclusief de afgedragen productgebonden belastingen en de ontvangen productgebonden subsidies.
67 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
Waterintensiteit (m³/euro toegevoegde waarde)
Waterintensiteit na waterbesparing van 20 %
drankenindustrie
0,0044
0,0035
papierindustrie
0,0040
0,0032
cultuur, sport en recreatie
0,0032
0,0026
landbouw, bosbouw en visserij
0,0031
0,0025
industrie
0,0023
0,0018
Zoals eerder besproken zijn de mogelijke gevolgen van de diverse beprijzingsopties voor het leidingwatergebruik en voor de prijzen en hoeveelheden van zakelijke gebruikers kwantitatief met behulp van aannames over de elasticiteiten geïllustreerd. De macro-economische effecten bestaan daarom uit een mogelijk geaggregeerd prijseffect (inflatie), een mogelijk geaggregeerd hoeveelheidseffect (verandering in het nationaal inkomen), uit een totaal waterbesparingseffect en dus uit mogelijk verschillende combinaties. Hierbij moet worden bedacht dat er onderlinge effecten tussen bedrijfstakken bestaan. Zo zal een hogere prijs voor het product van bijvoorbeeld een toeleverancier, leiden tot een hogere inputprijs voor de afnemer, zodat in principe diens toegevoegde waarde afneemt. Mogelijk kan de afnemer zelf een hogere prijs vragen, maar in dat geval zal zijn output afnemen. Dit heeft weer tot gevolg dat zijn toegevoegde waarde kan stijgen, dalen of gelijk blijven. Tevens leidt een afname in de hoeveelheid product bij zowel leverancier als afnemer tot een afname in input en output. Idealiter zou een uitgebreider onderzoek de benodigde kwantitatieve gegevens op macro-economisch niveau met de onderlinge effecten kunnen doorrekenen.
68 | 82
Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief
6 HANDELINGSPERSPECTIEVEN EN UITVOERBAARHEID 6.1
Handelingsperspectieven huishoudens
Als huishoudens worden geconfronteerd met hogere kosten voor water, kunnen ze deze mitigeren door water te besparen of door andere bronnen voor water te gebruiken. De vraag blijft natuurlijk wel of en in welke mate ook daadwerkelijk gereageerd zal worden op een prijsprikkel. Zoals beschreven in hoofdstuk 4 is er nu vrijwel geen relatie te leggen tussen het hoofdelijk watergebruik en de kosten per m³ ingenomen drinkwater. In het Nationaal Plan van Aanpak Waterbesparing1 wordt onderkend dat meer nodig is dan een prijsprikkel om daadwerkelijk waterbesparing te bereiken. In dit Plan van Aanpak wordt ervoor gekozen om niet enkel in te zetten op bewustwording (informeren), maar ook aan te zetten tot een daadwerkelijke verandering in gedrag. Voor de inzet van effectieve gedragsmaatregelen is het enerzijds nodig om in te spelen op de diepere drijfveren en motivaties van mensen en anderzijds om de (praktische) barrières en weerstanden weg te nemen. Meer drinkwaterbewust gedrag hangt af van zowel rationele beslissingen als zaken als competenties, (sociale) omstandigheden en motieven (denk o.a. aan persoonlijke normen of sociale waarden). Ook komt veel gedrag op een onbewuste manier of uit gewoonte tot stand.