CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321779 Bijlage onderzoeksrapport Verkenning beprijzen watergebruik

Commissie Bestuur 9 april 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken39.853 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

4,3

1,4

49 Vervoer over land

1,9

1,4

50 Vervoer over water

0,4

52 Opslag en dienstverlening voor vervoer

2,3

53 Post en koeriers

0,1

55 Logiesverstrekking 56 Eet- en drinkgelegenheden

8,0 2,7 0,7 3,0

8,8

7,3

0,7 0,3

1,2

0,7

0,6

1,0

1,3

1,5

2,0

2,7

32,3

22,6

11,1

2,5

0,8

5,3

0,6

1,8

0,6

0,9

0,6

0,1

59 Productie en distributie van films en televisieprogramma´s; maken en uitgeven van geluidsopnamen 61 Telecommunicatie

0,4

0,3

0,2

0,5

62 Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie 64 Financiële instellingen (geen verzekeringen en pensioenfondsen) 65 Verzekeringen en pensioenfondsen (geen verplichte sociale verzekeringen) 66 Overige financiële dienstverlening

0,4

68 Verhuur van en handel in onroerend goed 69 Rechtskundige dienstverlening, accountancy, belastingadvisering en administratie 70 Holdings (geen financiële), concerndiensten binnen eigen concern en managementadvisering 71 Architecten, ingenieurs en technisch ontwerp en advies; keuring en controle 72 Speur- en ontwikkelingswerk

0,7

73 Reclame en marktonderzoek

0,1

74 Industrieel ontwerp en vormgeving, fotografie, vertaling en overige consultancy 75 Veterinaire dienstverlening

0,0

0,1

0,3

0,7

77 Verhuur en lease van auto's, consumentenartikelen, machines en overige roerende goederen 78 Arbeidsbemiddeling, uitzendbureaus en personeelsbeheer 79 Reisbemiddeling, reisorganisatie, toeristische informatie en reserveringsbureaus 81 Facility management, reiniging en landschapsverzorging 82 Overige zakelijke dienstverlening

0,3

0,4

0,5

0,3

84 Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen 85 Onderwijs

7,2

5,4

5,2

1,1

5,7

1,5

1,3

0,7

86 Gezondheidszorg

4,1

5,2

6,8

5,8

29,5

10,3

5,0

1,1

1,2

0,3

1,5

2,1

0,1

0,0

0,4

0,3

16,1

5,6

1,6

0,1

0,4

0,6

0,4

0,7

0,4

0,4

1,0

0,7

0,4

0,3

1,7 3,2

2,1

2,2

0,7

0,1 0,2

0,1

0,1

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage IV | Definitief

>1000

0,8

58 Uitgeverijen

87 Verpleging, verzorging en begeleiding met overnachting 88 Maatschappelijke dienstverlening zonder overnachting

75- 100 100- 200 200- 500 500- 1000

1,3

1,4

1,2 0,8

1,2

1,0

7,3 1,0

1,6

2,1

8,8

4,5

5,6

10,5

25- 50

50- 75

2- 10

10- 25

90 Kunst

1,1

0,6

91 Culturele uitleencentra, openbare archieven, musea, dieren- en plantentuinen, natuurbehoud 92 Loterijen en kansspelen

0,5

0,4

0,9

93 Sport en recreatie

14,0

8,4

4,7

94 Levensbeschouwelijke en politieke organisaties, belangen- en ideële organisaties, hobbyclubs 96 Wellness en overige dienstverlening; uitvaartbranche

19,4

10,4

3,0

2,8

3,9

1,3

97 Huishoudens als werkgever van huishoudelijk personeel 99 Extraterritoriale organisaties en lichamen

0,2

19,4

11,4

6,9

SBI grootteklasse

onbekend

75- 100 100- 200 200- 500 500- 1000

0,4 1,4

2,8

2,8 1,1

0,7 42,4

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage IV | Definitief

2,5

4,0

2,9

24,8

>1000

V BIJLAGE: GEGEVENS GRONDWATERONTTREKKINGEN De in het LGR geregistreerde gegevens behorend bij provincies en waterschappen als bevoegde gezagen, zijn weergegeven in respectievelijk de tabellen V.1 en V.2.

Tabel V.1 Grondwateronttrekkingen 2021 zoals geregistreerd in het LGR, met aantal geregistreerde onttrekkingen (#inst), het aantal registraties met data over hoeveelheden (#data) en de geregistreerde onttrekking in miljoen m³ Totalen

Tijdelijke onttrekking

Overige onttrekking

# inst

#data

miljoen m³

# inst

#data

miljoen m³

# inst

#data

miljoen m³

Drenthe

1.370

96

92,9

826

71

7,6

544

25

85,3

Flevoland

256

5

0,0

115

0

-

141

5

0,0

Fryslân

271

0

-

32

0

-

239

0

-

Gelderland

974

91

164,0

66

0

-

908

91

164,0

Groningen

149

85

30,4

8

0

-

141

85

30,4

Limburg

219

135

86,3

2

0

-

217

135

86,3

N-Brabant

674

0

-

93

0

-

581

0

-

N-Holland

4.637

388

76,1

2.997

0

-

1.640

388

76,1

Overijssel

691

113

88,1

44

0

-

647

113

88,1

Utrecht

1.042

0

-

345

0

-

697

0

-

Zeeland

31

19

8,5

-

0

-

31

19

8,5

Z-Holland

2.440

20

1,4

302

0

-

2.138

20

1,4

totaal

12.754

952

548

4.830

71

8

7.924

881

540

Tabel V.2 Grondwateronttrekkingen 2021 zoals geregistreerd in het LGR, met aantal geregistreerde onttrekkingen (#inst), het aantal registraties met data over hoeveelheden (#data) en de geregistreerde onttrekking in miljoen m³ Totalen

Tijdelijke onttrekking

Overige onttrekking

# inst

#data

miljoen m³

# inst

#data

miljoen m³

# inst

#data

miljoen m³

HH Amstel GV

361

-

-

254

-

-

107

-

-

HH St. Rijnlanden

1.781

314

15,6

1.395

275

2,9

386

39

12,8

HH Noorderkw.

818

11

0,1

410

7

0,1

408

4

0,0

HH Delfland

2.673

75

0,8

2.120

54

0,8

553

21

0,0

HH Rijnland

2.014

547

5,4

1.734

484

4,6

280

63

0,8

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage V | Definitief

Totalen # inst

#data

Tijdelijke onttrekking miljoen m³

# inst

#data

Overige onttrekking

miljoen m³

342

# inst

#data

miljoen m³

2.206

17,3

9

0,0

HH Schieland en K

408

Ws Aa en Maas

7.815

Ws Brabantse Delta

2.352

1

2.351

Ws De Dommel

2.317

335

1.982

Ws Drents OD

2.507

Ws Hollandse Delta

330

240

90

Ws Hunze en Aas

544

210

334

Ws Limburg

104

76

28

Ws Noorderzijlvest

370

73

0,5

211

25

0,4

159

48

0,2

Ws Rijn en IJssel

3.841

734

7,7

1.412

186

5,4

2.429

548

2,3

Ws Rivierenland

702

Ws Scheldestr.

2.858

1.038

0,8

Ws Vallei & Veluwe

1.097

Ws Vechtstromen

5.565

307

5,6

3.502

274

4,5

2.063

33

1,0

Ws Zuiderzeeland

1.735

138

0,7

60

2

0,0

1.675

136

0,7

Ws Fryslân

3.152

3

0,0

906

2.246

3

0,0

totaal

43.344

5.574

61

16.596

26.748

4.148

36

2.230

11

22,6

358

0,0

543

66 24

2

5,3

0,0

631 1.131

2,2

1.288

7.457

1.964

71 93

1,4

568

1.570 529

1.426

25

In de tabellen is onderscheid gemaakt tussen alle geregistreerde onttrekkingen en de onttrekkingen die door hun aard een tijdelijk of incidenteel karakter hebben. Denk daarbij aan tijdelijke bron- of sleufbemalingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden of grondwaterputten ten behoeve van sprinkler- of brandblusinstallaties. De tabellen laten zien dat het LGR niet compleet is: van veel gemelde installaties ontbreken gegevens over onttrekkingshoeveelheden. De provincies hebben slechts gegevens beschikbaar bij 7,5 % van de geregistreerde installaties (11,1 % na correctie voor tijdelijke onttrekkingen). Bij de waterschappen gaat het om respectievelijk 12,9 en 15,5 %. In totaal heeft het LGR over 2021 609 miljoen m³ vergunde grondwateronttrekking geregistreerd. Dit is 55 % van de door het CBS geregistreerde onttrekkingen. Omdat vaak niet de totale vergunningsruimte wordt benut, is het percentage onttrekkingen door geregistreerde gebruikers ten opzichte van het totale gebruik nog lager. Naast incompleetheid van de data in het LGR is er nog een verklaring voor het verschil tussen CBS en LGR: er is geen registratieplicht is voor grondwateronttrekkingen met een capaciteit kleiner dan 10 m³/uur en geen vergunningsplicht voor onttrekkingen kleiner dan 150.000 m³/jaar.

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage V | Definitief

VI BIJLAGE: ILLUSTRATIEVE BEDRIJFSTAKKEN In het kader van dit onderzoek is gekeken naar de handelingsperspectieven van 5 illustratieve bedrijfstakken ingeval van andere vormen van beprijzing van water. Daartoe zijn interviews gevoerd met bedrijfsbranches en waar nodig met individuele bedrijven. Het gaat daarbij om de volgende bedrijfstypen:

Tabel VI.1 Illustratieve bedrijfstakken Bedrijfstype

Categorie

Kenmerken

Benadering

zuivelindustrie

food, grootgebruikers

ca. 50 zuivelfabrieken, grondwater

interviews

papierindustrie

non-food, grootgebruikers

ca. 20 papierfabrieken, gronden oppervlaktewater

interviews

aardappelteelt

food, landbouw, beregenen

hoge productwaarde, beregenen, grond- en oppervlaktewater

interviews

bakkerijen (industrieel)

food, drinkwater

hoge productwaarde

interviews

chemische industrie

grootgebruikers

uiteenlopende watersoorten

interviews

Met deze bedrijfstakken zijn contacten gelegd en worden momenteel verdiepende gesprekken gevoerd.

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage VI | Definitief

VII BIJLAGE: UITWERKING VERHOGING BOL-PLAFOND In deze bijlage wordt uitgelegd hoe een verhoging van het BOL-plafond in theorie doorwerkt in het watergebruik van bedrijven (zakelijke afnemers). Dit geldt daarmee ook voor alle BOL tarieven waarvoor in deze studie scenario’s zijn doorgerekend. Een verhoging van het BOL-plafond werkt immers voor sommige bedrijven als een verhoging van de BOL. De analyse gaat uit van winstmaximaliserende ondernemingen. Aan de voorwaarde van winstmaximalisatie hoeft niet te zijn voldaan, maar dat doet niet af aan de essentie dat zakelijke afnemers bij hogere waterprijzen, voor zover mogelijk, op korte of op langere termijn naar (extra) waterbesparing zullen streven. Als waterbesparing niet lukt of niet kan, is het gevolg dat de elasticiteit voor die afnemers nul is. Uitgangspunten Een onderneming 𝑖 gebruikt een hoeveelheid water, 𝑞𝑖 , en hoeveelheden van andere inputs (weergegeven door de rijvector 𝑋𝑖 ) om een product te maken via de productiefunctie 𝑓𝑖 (𝑞𝑖 , 𝑋𝑖 ): 𝑄𝑖 = 𝑓𝑖 (𝑞𝑖 , 𝑋𝑖 )

Hierbij is 𝑄𝑖 de hoeveelheid van het product dat 𝑖 produceert.

We veronderstellen dat 𝑓𝑖 (𝑞𝑖 , 𝑋𝑖 ) ten minste twee keer differentieerbaar is naar 𝑞𝑖 , zodanig dat voor resp. de eerste en tweede afgeleide geldt:

(1) (2)

𝜕𝑓𝑖 (𝑞𝑖 , 𝑋𝑖 ) 𝜕𝑞𝑖

𝜕2 𝑓𝑖 (𝑞𝑖 , 𝑋𝑖 ) 𝜕𝑞2𝑖

= 𝑓′𝑖 > 0 = 𝑓′′𝑖 < 0

Dit betekent dat meer water meer output oplevert, maar in steeds mindere mate. Dat meer water ook meer output oplevert is op zich niet zo erg logisch: watergebruik is eerder complementair met andere inputs. In dat geval kunnen we ons een samengestelde input voorstellen waarbij de hoeveelheid water in een vaste mate wordt gekoppeld aan de andere inputs. De veronderstellingen (1) en (2) van hierboven betreffen dan het effect van de samengestelde input. Meer water alleen (of meer van de andere inputs alleen) leidt tot verspilling: meer product vereist meer van de samengestelde input. We versimpelen daarom de productiefunctie tot: 𝑄𝑖 = 𝑓𝑖 (𝑞𝑖 ) Het product wordt onder competitieve omstandigheden verkocht tegen een (niet door 𝑖) te beïnvloeden marktprijs 𝑃. De prijs van water is een gegeven en luidt (exclusief BOL 𝑏): 𝑝 en inclusief bol: 𝑝 + 𝑏. Het plafond luidt: 𝑞 ̅ ≥ 300. We nemen voor nu aan dat 𝑞𝑖 > 𝑞̅. De winstfunctie luidt: 1

𝜋𝑖 (𝑞𝑖 , 𝑝, 𝑏, 𝑃) = 𝑃. 𝑓𝑖 (𝑞𝑖 ) − (𝑝 + 𝑏). 𝑞 ̅ − 𝑝. (𝑞𝑖 − 𝑞̅) = 𝑃. 𝑓𝑖 (𝑞𝑖 ) − 𝑏. 𝑞̅ − 𝑝. 𝑞𝑖 Een winstmaximaliserende onderneming kiest de optimale hoeveelheid water (samengestelde input) op basis van:2 𝑃. 𝑓𝑖′ − 𝑝 = 0 Hieruit volgt: 𝑝 (3) 𝑓′𝑖 = 𝑃 1

NB: ‘.’ staat voor vermenigvuldiging.

2

Differentieer de winstfunctie naar 𝑞𝑖 . Aan de tweede-ordevoorwaarde is voldaan: 𝑃𝑓𝑖′′ < 0, vanwege (2).

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage VII | Definitief

Aangezien 𝑓′𝑖 zelf een functie is van 𝑞𝑖 (stel 𝑔𝑖 (𝑞𝑖 )) en deze inverteerbaar is (inverse functie 𝑔−1 ), geldt dat de 𝑖 winstmaximaliserende hoeveelheid 𝑞𝑖 wordt bepaald door: 𝑝 𝑝 (4) 𝑞𝑖 = 𝑔−1 ( ) = ℎ𝑖 ( ) 𝑖 𝑃 𝑃 Op grond van (3) geldt dat een hogere 𝑝 betekent dat 𝑓′𝑖 een hogere waarde moet krijgen en dus dat 𝑞𝑖 moet afnemen op grond van (2). Dit betekent:

𝜕ℎ𝑖 (𝑝, 𝑏, 𝑃)

<0 𝜕𝑝 We gaan uit van de veronderstelling dat 𝑖 meer water gebruikt dan het plafond van 300 kuub. Deze situatie is getekend in Afbeelding VII.1. De winstmaximaliserende hoeveelheid water is 𝑞0𝑖 .1

Afbeelding VII.1 Situatie

Effecten BOL-plafondverhoging Volume-effecten Het introduceren van een verhoging van het BOL-plafond naar 𝑞 ̅ > 300 kan ertoe leiden dat 𝑖 met de winstmaximaliserende hoeveelheid water onder het nieuwe plafond komt of erboven blijft. Stel dat 𝑖 er onder komt, en onderneming 𝑗 er boven (𝑞0𝑗 > 𝑞 ̅). Deze situatie is getekend in Afbeelding VII.2.

Afbeelding VII.2 Situatie

Het effect van de BOL-plafondverhoging is voor 𝑖 een verhoging van diens waterprijs (van 𝑝 naar 𝑝 + 𝑏) en daardoor een afname van 𝑞0𝑖 naar 𝑞1𝑖 < 𝑞0𝑖 . Voor 𝑗 betekend de BOL-plafondverhoging dat alleen de kosten 1

Superscripts zijn in deze appendix geen machten, maar indices.

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage VII | Definitief

voor de hoeveelheid water (𝑞 ̅ − 300) met 𝑏. (𝑞̅ − 300) toenemen, maar er geen aanpassing van de (winstmaximaliserende) hoeveelheid water plaatsvindt.1 Een verhoging van de BOL 𝑏 werkt op analoge wijze: 𝑝 + 𝑏 neemt dan toe en heeft in geval van Afbeelding 2 wel een volume-effect op 𝑖 maar niet op 𝑗. In geval van de situatie van Afbeelding 1 (dus wanneer het BOLplafond gelijk is aan 300 kuub) is er in geval van een stijging van de BOL ook geen volume-effect op 𝑖. In Box 1 laten we zien wat het volume-effect van de BOL-plafondverhoging is als de vraag naar water door 𝑖 volkomen inelastisch is. Waterbesparingseffecten Als maatregel om water te besparen helpt het verhogen van het BOL-plafond of de BOL alleen voor ondernemingen zoals 𝑖. Dit volgt uit voorgaande. Voor 𝑖 is de waterbesparende hoeveelheid gelijk aan (𝑞𝑖0 − 𝑞𝑖1 ). Dit is in het voorbeeld ook meteen de totale waterbesparing (in kuub). De totale hoeveelheid water was voorafgaande aan de verhoging van het BOLplafond gelijk aan (𝑞0𝑖 + 𝑞0𝑗 ). De relatieve waterbesparing is dan: (𝑞0𝑖 − 𝑞1𝑖 ) (𝑞0𝑖 + 𝑞0𝑗 ) De waterbesparingseffecten nemen toe als er meer ondernemingen door het verhoogde BOL-plafond worden getroffen en/of als de vraagrelaties een minder steile helling hebben (‘elastischer’ zijn) en/of er tevens een hoger BOL wordt geheven. Dit volgt automatisch uit de gegeven voorbeelden.

Winsteffecten Voor onderneming 𝑖 Voor 𝑖 en 𝑗 neemt de winst in alle gevallen af.2 Stel dat dit niet zo zou zijn, dan zou elke onderneming zijn winst kunnen verhogen door meer belastingen te betalen of als gevolg van hogere inkoopkosten. Voor 𝑖 is het effect van de verhoging van het BOL-plafond te zien als een stijging in 𝛼 van 0 naar een positieve waarde in de winstvergelijking die luidt: 𝑃. 𝑓𝑖 (𝑞𝑖 ) − (𝑝 + 𝛼). 𝑞𝑖 . Het effect van 𝛼 op de winst is: 𝜕𝑞 [𝑃. 𝑓′𝑖 − (𝑝 + 𝛼)]. 𝑖 − 𝑞𝑖 = −𝑞𝑖 < 0 𝜕𝛼 vanwege 𝑃. 𝑓𝑖′ − (𝑝 + 𝛼) = 0 (eerste ordevoorwaarde voor winstmaximum).3

1 2

Overigens kan 𝑗 op een heel andere outputmarkt opereren, zodat zijn eindprijs niet gelijk is aan 𝑃. Dat doet er verder niet toe. 𝑝+𝑏 Merk op dat de winstfunctie voor 𝑖 wordt 𝑃. 𝑓𝑖 (𝑞𝑖 ) − (𝑝 + 𝑏). 𝑞𝑖 . De eerste-ordevoorwaarde leidt dan tot 𝑞𝑖 = ℎ𝑖 ( ). 𝑃

3

Dat er een effect van 𝛼 op 𝑞𝑖 is volgt uit winstmaximalisatie: elke andere waarde van 𝛼 leidt tot een andere winstmaximaliserende hoeveelheid.

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage VII | Definitief

Afbeelding VII.3

Box 1: Vraag van 𝑖 volkomen inelastisch Als de functie ℎ𝑖 volkomen inelastisch is, gebeurt er ook niets met de hoeveelheid 𝑞𝑖 (zie Afbeelding VII.3)

Voor onderneming 𝑗 Voor 𝑗 wordt de winstmaximaliserende hoeveelheid bepaald door de eerste afgeleide van de winstfunctie naar 𝑞𝑗 . Die winstfunctie luidt: 𝑃. 𝑓𝑗 (𝑞𝑗 ) − (𝑝 + 𝑏). 𝑞̅ − 𝑝. (𝑞𝑗 − 𝑞̅) = 𝑃. 𝑓𝑗 (𝑞𝑗 ) − 𝑏. 𝑞̅ − 𝑝. 𝑞𝑗 Differentiëren naar 𝑞𝑗 levert op: 𝑓′𝑗 =

𝑝

𝑃 Dit is de uitkomst die ook al gold voor het plafond van 300 kuub. Er is dus geen effect op 𝑞𝑗 . De kostenverandering (en winstverandering) is voor 𝑗 gelijk aan: 𝜋𝑗 (𝑞𝑗 , 𝑝, 𝑏, 𝑞 ̅)) − 𝜋𝑗 (𝑞𝑗 , 𝑝, 𝑏, 300)) = 𝑃. 𝑓𝑗 (𝑞𝑗 ) − (𝑝 + 𝑏). 𝑞̅ − 𝑝. (𝑞𝑗 − 𝑞̅) − [𝑃. 𝑓𝑗 (𝑞𝑗 ) − (𝑝 + 𝑏). 300 − 𝑝. (𝑞𝑗 − 300)] = −𝑏. (𝑞̅ − 300)

Terzijde: elasticiteiten De elasticiteit heeft geen waarde als we de functies ℎ𝑖 en ℎ𝑗 kennen: in dat geval kunnen immers de effecten van een BOL-plafondverhoging of BOL-verhoging gewoon worden afgelezen/uitgerekend. Natuurlijk volgt dan dat een elasticiteit kan worden uitgerekend (voor bijvoorbeeld 𝑖):1 𝑞1𝑖 − 𝑞0𝑖 𝑞1𝑖 − 𝑞0𝑖 𝑞0𝑖 𝑞0𝑖 = 𝑝+𝑏−𝑝 𝑏 𝑝 𝑝 Maar deze elasticiteit heeft geen toegevoegde waarde. Omgekeerd geldt voor 𝑗 dat het uitrekenen van deze formule de waarde 0 zou opleveren. 2 Dit is evenwel geen elasticiteit. Zoals weergegeven in afbeelding VII.2 heeft ℎ𝑗 een negatieve helling en daarmee een elasticiteitswaarde die ongelijk is aan nul. Deze waarde wordt evenwel niet gevonden met de hiervoor beschreven berekeningsmethode omdat er voor 𝑗 geen sprake is van een hoeveelheidsverandering of prijsverandering (zie afbeelding VII.2) en we dus geen elasticiteit kunnen berekenen. 1

Zie afbeelding VII.2.

2

Zie afbeelding VII.2.

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage VII | Definitief

De elasticiteitswaarde van 0 (nul) bij een volkomen inelastische ℎ𝑖 zoals in afbeelding VII.3, is daarentegen wel een reguliere elasticiteit. Maar ook dan geldt dat deze geen toegevoegde waarde heeft als we ℎ𝑖 kennen.1 Als we de functies ℎ𝑖 en ℎ𝑗 niet kennen, moeten we het effect van een BOL-plafond- of BOL-verhoging zelf bepalen, bijvoorbeeld door uitgebreid empirisch onderzoek. In dat geval kunnen we bijvoorbeeld 𝑞1𝑖 bepalen (gegeven dat we 𝑞0𝑖 kennen). Vervolgens uitrekenen wat de elasticiteit is, heeft geen toegevoegde waarde. 2 Dit geldt des te meer voor 𝑗 omdat de BOL en/of plafondverhoging geen effect hebben (anders dan op de winst). Pas als we door econometrisch onderzoek elasticiteiten berekenen of als elasticiteiten eerder al zijn berekend (bijvoorbeeld op de hiervoor beschreven wijze), zijn ze bruikbaar. Overigens betekent dit laatste dat het uitrekenen van een elasticiteit voor 𝑖 op de hiervoor beschreven wijze voor een toekomstige onderzoeker wel nuttig kan zijn.3

1

Dit behoeft nuancering: zie laatste alinea.

2

Zie vorige voetnoot.

3

Voor 𝑗 blijft het zinloos omdat het effect van een verhoging van het BOL-plafond of de BOL tautologisch nul is voor 𝑞𝑗0 > 𝑞̅).

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Bijlage VII | Definitief

www.witteveenbos.com

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15349695/1