CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321779 Bijlage onderzoeksrapport Verkenning beprijzen watergebruik

Commissie Bestuur 9 april 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken39.853 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Het saldo aan uitgaven kan ook dan hoger of lager zijn dan voor de prijsverandering. Voor alle andere huishoudens (die bij het uniforme tarief meer dan het basisvolume consumeren) zijn de uitgaven aan het basisvolume met zekerheid lager, maar de uitgaven aan het restvolume worden bepaald door het hogere resttarief en corresponderende volume en kunnen hoger of lager zijn dan zonder de prijsaanpassing. Het geaggregeerde effect over alle huishoudens is daarmee onbepaald. In geval van het gedifferentieerde systeem met een hogere BOL voor het restvolume, geldt ook dat per saldo de uitgaven van een huishouden kunnen toe- of afnemen, afhankelijk van hoeveel minder restvolume er wordt geconsumeerd als gevolg van een hogere BOL voor het restvolume. De algemene conclusie is dat de richting van het uitgaven-effect voor huishoudens op basis van de theorie (individueel of geaggregeerd) niet is vast te stellen en alleen empirisch kan worden bepaald.

1

Er zijn naar alle waarschijnlijkheid wel (grote) uitvoeringsproblemen voor de belastingdienst. Dit kan een kostenpost opleveren die de mogelijke voordelen (in de vorm van een mogelijk klein waterbesparingseffect) teniet doet.

2

Voor oppervlakte- en grondwater geldt hetzelfde.

3

Voor kleine procentuele prijsstijgingen geldt als vuistregel dat de uitgaven toenemen (resp. afnemen) als de procentuele prijsstijging groter (resp. kleiner) is dan de procentuele hoeveelheidsafname.

21 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Gevolgen van doorberekende waterkostenstijgingen door zakelijke gebruikers Zakelijke gebruikers die met een stijging van hun waterkosten te maken krijgen, kunnen deze afhankelijk van de omstandigheden doorberekenen in de prijs van hun product.1 In dat geval is er een effect voor de huishoudens in de vorm van inflatie (een daling van het reëel besteedbaar inkomen van huishoudens). Huishoudens kunnen hier op reageren door minder van de betrokken producten te consumeren. Of dit tot meer of minder uitgaven aan die producten leidt, hangt ervan of de prijsstijgingen van de producten relatief sterker (of minder sterk) zijn dan de hoeveelheidsafnames en of de uitgaven aan water verminderen (of toenemen) en naar andere producten gaan (van andere producten afkomstig zijn).2

2.4.3

Prijselasticiteit huishoudens

In het voorliggende onderzoek gaan we in op de effecten van beprijzing van (drink)water op het drinkwatergebruik van huishoudens en bedrijven. Die effecten zijn te meten via prijselasticiteiten (indien bekend). Er zijn diverse onderzoeken waarin prijselasticiteiten voor drinkwatergebruik door huishoudens worden gemeten. In ‘Bewust en zuinig drinkwatergebruik, verkenning effectief instrumentarium’ wordt nader ingegaan op prijselasticiteit en wordt gerapporteerd dat drinkwater relatief inelastisch is, met een range van -0,1 tot -0,6. Uit een onderzoek in Vlaanderen blijkt een prijselasticiteit van -0,17. 3 Een metastudie naar onderzoeken over prijselasticiteit levert een mediane prijselasticiteit op van -0,291. 4 Deze en andere studies rechtvaardigen de conclusie dat de (drink)watervraag door huishoudens inelastisch is. 5 Dit betekent dat prijsverhogingen van drinkwater zeer beperkte invloed hebben op het gebruik ervan. Of de hoogte van de drinkwaterprijs op dit moment een (duidelijk) effect heeft op het watergebruik, kan mogelijk getoetst worden door na te gaan of er verschillen zijn tussen het watergebruik in regio’s met hogere en lagere drinkwatertarieven. Daarvoor wordt gekeken naar verschillen in de Achterhoek, waar in een aantal plaatsen een waterketentarief wordt berekend en naar verschillen tussen drinkwaterbedrijven.

Waterketentarief Achterhoek In een aantal gemeenten in de Achterhoek wordt het rioolrecht (deels) verrekend per m³ gebruikt drinkwater. Hierdoor is in deze gemeenten de gevoelde waterprijs hoger dan in andere gemeenten waar het reguliere Vitens-tarief wordt gehanteerd. De prijsverschillen zijn aanzienlijk. Waar het reguliere variabele tarief EUR 1,18 bedroeg (inclusief BOL en btw) loopt dit op tot EUR 3,79 per m³ in Winterswijk (2021) Om vast te stellen of dit hogere tarief effect heeft op het hoofdelijk watergebruik, heeft Vitens dit onderzocht. De resultaten van dat onderzoek zijn weergegeven in afbeelding 2.1.

1

Hierover meer in de sectie over Zakelijke gebruikers.

2

Bij gegeven inkomsten van een huishouden, moeten de totale uitgaven constant zijn (sparen kan als een uitgavencategorie worden gezien). Een en ander kan gedurende een bepaalde periode iets anders zijn als er met ontsparingen of leningen rekening wordt gehouden.

3

Maasland E. et. al. Prijselasticiteit van de vraag naar leidingwater in Vlaanderen, SEOR Erasmus School of Economics, oktober 2018.

4

Sebri, M, A meta-analysis of residential water demand studies. Environ. Dev. Sustain., 2014, 16, 499-520.

5

Andere studies zijn onder meer Espey, M., J. Espey en W.D. Shaw, Price elasticity of residential demand for water: A metaanalysis, Water Resources Research, vol. 33, no. 6, 1369-1374, 1997 (Espey ea, 1997); Dalhuisen, J.M., R.J.G.M.Florax, H.L.F. de Groot, P.Nijkamp, Price and Income Elasticities of Residential Water Demand, VU Research Portal, 2003 (Dalhuisen ea, 2003); Wichman, C.J., Perceived price in residential water demand: Evidence from a natural experiment, Journal of Economic Behavior & Organization, 107, 2014 (Wichman, 2014); Garrone, P., L. Grilli en R. Marzano, Price elasticity of water demand considering scarcity and attitudes, Utilities Policy, vol. 59, August 2019 (Garrone ea, 2019); Lu, L., D. Deller en M. Hviid, Price and Behavioural Signals to Encourage Household Water Conservation: Implications for the UK, Water Resources Management 33, 2019 (Lu ea, 2019).

22 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Afbeelding 2.1 Verklaard hoofdelijk watergebruik tegen het werkelijk hoofdelijk gebruik voor gemeenten in de Achterhoek (2021)

Vitens concludeert dat weliswaar ogenschijnlijk gemeenten met een hoger tarief een lager waterverbruik hebben, maar dat deze verschillen volledig te verklaren zijn door verschillen in verstedelijking en gezinssamenstelling. De overall conclusie is dan ook dat er geen significant aantoonbaar effect is van een hoger tarief op waterverbruik en de prijselasticiteit hier nihil is. Vergelijking drinkwaterbedrijven Op basis van Vewin-publicaties1,2 is per drinkwaterbedrijf afgeleid hoeveel drinkwater is geleverd aan inwoners en tegen welk variabel tarief. De resultaten hiervan zijn weergegeven in tabel 2.1. Aangetekend wordt dat verschillen tussen de bedrijven deels verklaard zouden kunnen worden aan de hand van demografische gegevens, dichtheid van bebouwing, gebruikte bron voor drinkwater en dergelijke. Deze detailanalyse is in het kader van dit onderzoek niet gemaakt.

Tabel 2.1 Waterlevering aan inwoners per drinkwaterbedrijf Variabel tarief EUR/m³ incl. BOL en BTW 2022

Inwoners x 1.000 per 31-12-2020

Drinkwaterlevering miljoen m³ in 2020

Watergebruik lpppd

Brabant Water

0,91

2.563

116

124

Vitens

1,11

5.807

283

134

Waterbedrijf Groningen

1,18

600

26

119

WMD Drinkwater

1,18

438

25

156

Oasen

1,21

790

37

128

WML

1,26

1.116

55

135

Evides

1,33

2.056

111

148

Waternet

1,34

1.058

48

124

Dunea

1,56

1.342

66

135

PWN

1,73

1.749

89

139

1

Vewin, Tarievenoverzicht Drinkwater 2022.

2

Vewin, Drinkwaterstatistieken 2022, van bron tot kraan.

23 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

De gegevens uit tabel 2.1 zijn weergegeven in Afbeelding 2.2. Er is geen statistische relatie tussen het (variabel) tarief voor drinkwater en het gebruik in liters per persoon per dag en zeker geen lager gebruik bij hogere tarieven.

Afbeelding 2.2 Relatie watergebruik en variabel tarief voor de Nederlandse drinkwaterbedrijven cf tabel 2.1

Er wordt op gewezen dat de verschillen in tarieven tussen de drinkwaterbedrijven veroorzaakt worden door de verschillen in kosten die de bedrijven moeten maken om drinkwater te produceren en distribueren. Zo is het bereiden van drinkwater uit oppervlaktewater nu eenmaal duurder dan het bereiden van drinkwater uit grondwater. Kanttekeningen elasticiteitsonderzoeken Uit het voorgaande volgt dat in de Nederlandse praktijk geen relatie wordt waargenomen tussen de prijs van drinkwater en het gebruik ervan. Dat suggereert een prijselasticiteit van 0. Bekend is dat veel Nederlanders geen idee hebben van de prijs van (drink)water die zij betalen, en daarmee in de praktijk dan ook geen rekening houden. Daar komt bij dat de kosten van water slechts deels in het drinkwatertarief tot uitdrukking komen: andere kosten worden door het waterschap (zuiveringsheffing) en de gemeente (rioolheffing) in rekening gebracht. Zowel het gebruik van en de kosten voor (drink)water worden slechts eenmaal per jaar met klanten actief gecommuniceerd via de jaarafrekening. Daardoor valt een prijsverhoging, en het effect daarvan ten opzichte van het jaar daarvoor, nauwelijks op. Niet bekend is of het intensiveren van informatie aan gebruikers, eventueel gekoppeld aan prijsprikkels, resulteert in waterbesparing. Uit de literatuur volgt dat de actiebereidheid van Nederlanders van veel factoren afhankelijk is.

Geconcludeerd wordt dan ook dat (citaat): ‘de huidige set van stimuleringsregelingen, subsidies, en wetgeving zoals het bouwbesluit, salderingsregeling, en informatievoorziening op het gebied van water- en energiegebruik zou veel rijker geschakeerd moeten zijn dan het nu is, en beter afgestemd op de verschillen in drijfveren van groepen van burgers. Dit betekent dat meer aandacht nodig is voor mogelijkheden voor gedragsbeïnvloeding via maatwerk en nieuwe en onconventionele instrumenten’.1 In het Nationaal Plan van aanpak Drinkwaterbesparing is opgenomen dat de drinkwaterbedrijven pilots gaan uitvoeren met slimme meters waarmee het persoonlijk drinkwatergebruik inzichtelijk wordt gemaakt (combinatie slimme meters en bijvoorbeeld apps, analoog aan energieapps). Het is denkbaar dat een hogere informatiedichtheid, ook gekoppeld aan de kosten van watergebruik, leidt tot waterbesparend gedrag.

1

Brouwer et al, Energie- en waterbesparing: hoe zit het met de actiebereidheid van Nederlanders? Water Governance - 02/2019.

24 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Rekenen met prijselasticiteit Hiervoor is beschreven dat de prijselasticiteit voor drinkwatergebruik door huishoudens nu feitelijk 0 is. Tegelijkertijd zien we in de literatuur uiteenlopende elasticiteiten, zoals uit Vlaams onderzoek (-0,17) en uit de meta-studie van Sebri (2014) (-0,29). In dit onderzoek wordt doorgerekend wat de mogelijke effecten zijn op waterbesparing bij een prijselasticiteit 0 (= geen effecten, feitelijk huidige situatie) en bij een aangenomen elasticiteit van -0,15 (parallel aan Vlaamse waarnemingen). De doorrekening resulteert in een bandbreedte aan effecten op drinkwatergebruik, waarbij het aannemelijk is dat deze dicht bij 0 liggen. Daarnaast is als uitgangspunt genomen dat de prijselasticiteit lineair is tot 100 liter per persoon per dag en tevens dat dit de ondergrens is voor het gemiddelde watergebruik per persoon per dag. Daardoor is de maximale (gemiddelde) besparing 22 % (van 128 naar 100 lpppd).

2.5

Zakelijke gebruikers

Zakelijke gebruikers gebruiken water als productiefactor wat een kostenpost oplevert. Hogere belasting- of watertarieven leiden in principe tot hogere kosten en daarmee tot lagere winst. Afhankelijk van de competitieve omstandigheden kunnen zakelijke gebruikers de kostenstijging geheel, gedeeltelijk of niet in de prijzen van hun eindproduct doorgeven aan hun eigen afnemers. Ook bestaat de mogelijkheid voor (sommige) zakelijke gebruikers om op alternatieve waterbronnen over te stappen, water te recyclen, hun productie te verminderen of water door een ander productiemiddel te vervangen (waterbesparingsopties), of om hun productie naar het (relatief goedkopere) buitenland te verplaatsen. In een aantal gevallen zullen zakelijke gebruikers moeten stoppen. Zakelijke gebruikers zullen die optie kiezen die het minste winstverlies oplevert, waarbij de eventuele benodigde investeringskosten van opties een rol in de afweging spelen.

De geaggregeerde effecten van hogere belastingtarieven of waterprijzen op de gedragingen van zakelijke gebruikers zijn divers: - ze kunnen leiden tot een afname in het binnenlands product als zakelijke gebruikers moeten stoppen, hun productie naar het buitenland verplaatsen of minder gaan produceren (met verlies van productie en werkgelegenheid in Nederland tot gevolg); - terugdringing van gebruik van de ene soort water kan leiden tot een (mogelijk ongewenste) toename van een andere soort water; - voor zover de kostenstijgingen kunnen worden doorberekend in de prijzen van de producten, gaan zakelijke gebruikers en huishoudens die de betreffende producten afnemen meer betalen. Dit leidt tot inflatie en het effect dat steeds meer zakelijke gebruikers direct of indirect met hogere kosten te maken krijgen met een verdere afname in het binnenlands product en een verdere toename van inflatie tot gevolg. In het volgende beschrijven we eerst de substitutiemogelijkheden die zakelijke gebruikers hebben en daarna de effecten op watervolumes en winst als gevolg van: - een verhoging van het volumeplafond voor de BOL; - een stijging van de BOL of een stijging van de prijzen van oppervlakte- en/of grondwater. Daarna gaan we in op de geaggregeerde effecten.

2.5.1

Substitutiemogelijkheden

Mogelijkheid tot kostendoorrekening Of zakelijke gebruikers hun waterkostenstijging kunnen doorberekenen in de prijzen van hun producten is afhankelijk van de concurrentiesituatie. Wanneer alle concurrenten worden geconfronteerd met dezelfde kostenstijging zal de kostenstijging naar verwachting door ieder zakelijke gebruiker worden doorberekend.

25 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Het verhogen van de verkoopprijzen leidt in dat geval niet tot een verlies aan marktaandeel omdat consumenten niet profiteren van een overstap naar een concurrent. 1 Maar in andere gevallen is doorberekening niet of slechts gedeeltelijk mogelijk. Bijvoorbeeld: - wanneer een zakelijke gebruiker internationaal concurreert zal een stijging van bijvoorbeeld de BOL of het toepassen van tarieven voor grond- en/of oppervlaktewater in Nederland leiden tot een relatieve verslechtering van de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland; - als er concurrenten zijn met een lagere waterintensiteit zullen concurrenten met een hogere waterintensiteit waterkosten beperkt kunnen doorberekenen of, indien mogelijk, overstappen op een andere productietechniek met lagere waterintensiteit;2 - als afnemers inkoopmacht hebben, is doorberekening van kosten niet of beperkt mogelijk. Mogelijkheid om over te stappen op alternatieve waterbronnen In sommige gevallen kunnen zakelijke gebruikers op een andere waterbron overstappen, bijvoorbeeld van leidingwater op oppervlakte- of grondwater (eventueel na extra zuivering).

Maar dit geldt niet voor alle zakelijke gebruikers.3 Zo kunnen er lokaal en regionaal beperkingen zijn en eisen/vergunningen worden gesteld aan grondwateronttrekkingen (bijvoorbeeld in beschermingszones of omdat extra onttrekkingen andere doelen schaden - hogere zandgronden) en geldt een vergunningsplicht. Ook kan er sprake zijn van zout of zilt grondwater (kustgebieden). In grote delen van Nederland is geen of onvoldoende oppervlaktewater beschikbaar voor grote onttrekkingen als alternatief voor leiding- of grondwater. Waterbesparingsopties Een zakelijke gebruiker heeft meerdere manieren om water te besparen. Ten eerste geldt het principe dat bewust wordt omgegaan met watergebruik (ook wel ‘good housekeeping’), dus geen onnodig watergebruik. Ten tweede kan (in sommige gevallen) gebruik worden gemaakt van processen die minder water gebruiken. Bijvoorbeeld door efficiënter om te gaan met water of in het geheel geen water te gebruiken. Een voorbeeld hiervan is elektrisch koelen in plaats van koelen met water (maar dan moet netcongestie geen probleem zijn). Ten derde kan worden nagedacht over het hergebruiken van water, al dan niet na opwerking, of cascadering van waterstromen. En tot slot kan minder water worden gebruikt door de productie te verlagen. Waterbesparing door bewust gebruik wordt gezien als laaghangend fruit dat geoogst moet worden.

In de regel heeft dit al aandacht van bedrijven. Investeringen in waterzuinige processen of alternatieven worden in de regel overwogen op momenten dat investeringen aan de orde zijn. Watergebruik is dan onderdeel van een integrale businesscase, waarbij onder meer ook gebruik van energie, grondstoffen en terugverdientijden aan de orde komen. Mogelijkheid om productie te verplaatsen naar het buitenland Verplaatsing van productie naar het buitenland kan interessant zijn als productiekosten in Nederland door een waterprijsstijging relatief hoger komen te liggen en door een internationale concurrentiepositie doorberekening in de eindprijzen van het product niet mogelijk is. Nederland verliest dan een deel van het binnenlands product en werkgelegenheid en internationaal gezien levert het netto geen waterbesparing op. Hoewel hiermee Nederlandse waterschaarste wordt verminderd is dit vanuit internationaal milieuoogpunt mogelijk onwenselijk.

1

Consumenten zullen wel minder gaan kopen van de betrokken producten, zodat de verkochte hoeveelheden afnemen.

2

Waterintensiteit is het percentage waterkosten van de totale kosten en geeft weer in welke mate het totale kostenplaatje van een zakelijke gebruiker wordt beïnvloed door de prijs van water ten opzichte van andere kostenposten. Bijvoorbeeld, wanneer een zakelijke gebruiker een waterintensiteit heeft van 0,5 %, zal een 10 % toename in de waterprijs hun totale kosten doen toenemen met 0,05 %.

3

Uiteraard kunnen ook zakelijke gebruikers die drinkwaterkwaliteit nodig hebben overstappen van drinkwater naar water van drinkwaterkwaliteit uit andere bronnen (bijvoorbeeld door zelf ander water tot het gewenste niveau te zuiveren).

26 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

2.5.2

Volume-effecten bij andere beprijzing

Stijging van het volumeplafond voor zakelijke gebruikers Verhoging van het plafond waarover BOL betaald zou moeten gaan worden naar meer dan 300 m³/jaar maakt de kosten voor de zakelijke gebruikers die meer dan 300 m³/jaar gebruiken hoger 1. Een zakelijke gebruiker die voorafgaand aan de BOL-plafondverhoging meer dan 300 m³/jaar gebruikt, maar daarna onder het nieuwe plafond blijft, krijgt effectief met een prijsstijging te maken, waarop hij reageert met een afname in het watergebruik (onder de voorwaarde dat de vraag niet geheel inelastisch is). Voor zover zakelijke gebruikers een alternatief hebben in de vorm van ander soort water zal het gebruik van alternatieve waterbronnen toenemen. Voor zakelijke afnemers die voor en na de BOL-plafondverhoging meer dan het plafond gebruiken, ervaren geen prijsstijging, maar wel een kostenstijging. Deze afnemers zullen hun gebruik niet aanpassen, ook niet als hun vraag naar water niet volledig inelastisch is. We mogen theoretisch verwachten dat, afhankelijk van de mogelijkheden om dit te doen, een deel van de zakelijke gebruikers zal overschakelen op eigen waterwinning, hergebruik van water of op een alternatief voor het watergebruik, maar dit zal niet voor alle zakelijke gebruikers gelden. Het ligt daarom in de rede dat het watergebruik (geaggregeerd) zal verminderen en er deels zal worden doorberekend 2.

Doorberekening zal in het algemeen tot gevolg hebben dat consumenten minder gaan consumeren van de betrokken producten, waardoor het watergebruik verder zal afnemen. Theoretisch mogen we dus verwachten dat een hoger plafond tot minder leidingwatergebruik zal leiden en dat gebruik van oppervlakte- of grondwater kan toenemen. Op voorhand kunnen we op basis van theorie niet vaststellen wat het saldo zal zijn. Stijging van het belastingtarief voor zakelijke gebruikers In geval de BOL wordt verhoogd voor alle afnemers van leidingwater met behoud van het plafond van 300 m³/jaar, gaan alle zakelijke gebruikers over het volume onder de 300 m³/jaar de hogere BOL betalen. In de regel kopen zakelijke gebruikers meer dan 300 m³ water per jaar in. Deze gebruikers betalen wel meer voor water (300 m³ maal de tariefsverhoging), hun gebruik zal niet verminderen. Immers, iedere m³ water die bespaard wordt vermindert het gebruik dat hoger is dan het plafond. En op dat watergebruik wordt (vanwege het plafond) geen BOL geheven. Stijging van tarieven op grond- en oppervlaktewater Het effect van een stijging van tarieven op grond- en oppervlaktewater zal ook zijn dat er minder water zal worden gebruikt door op alternatieve productiemethoden of alternatieve waterbronnen over te stappen en/of de kosten door te berekenen3.

Voor zover stijgingen van de tarieven van grond- en oppervlaktewater en voor leidingwater van elkaar verschillen, wordt de goedkopere optie aantrekkelijker en dat kan leiden tot substitutie. Van het relatief duurder geworden water wordt minder gebruikt, maar van de alternatieven meer. Gedifferentieerd tariefsysteem voor zakelijke gebruikers Bij het gedifferentieerd tariefsysteem wordt alle watergebruik boven 80 m³ per aansluiting per jaar fors duurder beprijsd. De prijsprikkel is hoger dan bij de voorgaande opties, waarbij dezelfde handelingsperspectieven bestaan.

2.5.3

Winsteffecten

De uitgaven (kosten) voor zakelijke gebruikers kunnen toe- of afnemen als gevolg van hogere tarieven, afhankelijk van de relatieve daling van het volume en de relatieve stijging van de BOL.4 Hogere of lagere kosten aan water door minder water in te zetten, betekent immers dat er minder van het eindproduct van de zakelijke gebruiker wordt geproduceerd en minder omgezet: per saldo neemt de winst af.

1

Het bedrag aan BOL vermenigvuldigd met extra volume boven de 300 kuub dat een zakelijke gebruiker gebruikt (voor zover getroffen door de BOL). Zie bijlage VII met een nadere uitwerking van de verhoging van het BOL-plafond en/of de BOL.

2

Deels kan er vertrek naar het buitenland zijn. Dit leidt ook tot een vermindering van het watergebruik in Nederland.

3

Een overstap naar een alternatief is afhankelijk van alle praktische, economische en juridische mogelijkheden daartoe.

4

Eventuele winst zal altijd afnemen.

27 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

2.5.4

Geaggregeerde effecten

Binnenlands product Hogere waterkosten leiden in theorie tot minder watergebruik. Dit betekent minder economische bedrijvigheid en daarmee een afname van het binnenlands product. Dit wordt versterkt door de effecten van inflatie (zie hierna) en door het feit dat de productie van alle zakelijke gebruikers in de productieketen direct en indirect worden geraakt: direct door de eigen stijging in de waterkosten en indirect in geval van doorberekeningen (inclusief het effect dat consumenten uiteindelijk minder van de producten gaan kopen). Inflatie Hogere waterkosten zullen in elk geval voor sommige zakelijke gebruikers in de prijzen van hun producten worden doorberekend. De afnemers verderop in de productieketen krijgen naast hun eigen waterkostenstijging daarom ook te maken met hogere inkoopkosten van de door hen ingekochte producten. Dit kan tot substitutie naar andere producten leiden, 1 maar die verhoogde vraag leidt ook tot prijsstijgingen. Uiteindelijk nemen de eindprijzen voor consumenten ook toe, wat zich uit als inflatie.

2.5.5

Prijselasticiteit zakelijke gebruikers

Voor het doorrekenen van de scenario’s moet worden vastgesteld wat de prijselasticiteit is voor bedrijven. Hiervoor is besproken dat bedrijven water gebruiken als productiefactor (grondstof, huishoudelijk gebruik, als onderdeel van hun processen en als koelwater), wat een kostenpost oplevert. Verschillende typen water (grondwater, oppervlaktewater, leidingwater, zoet of zout water) kunnen voor dezelfde of voor verschillende doelen worden gebruikt: mogelijkheden daartoe verschillen van bedrijf tot bedrijf. De effecten van hogere belasting- of watertarieven zijn in voorgaande paragrafen beschreven. Voor de korte termijn betekent een verhoging van de belastingen voornamelijk dat de kosten stijgen. Voor de langere termijn kunnen bepaalde alternatieven voor water aantrekkelijker worden (hergebruik, vertrek naar het buitenland), wat tot vermindering van het watergebruik in Nederland leidt, maar niet altijd gewenst hoeft te zijn (bijvoorbeeld in geval van vertrek naar het buitenland). Samengevat betekent dit dat een waterprijsstijging op de langere termijn tot afname van het waterverbruik in Nederland zal leiden. Dit kan tijd kosten en onwenselijke neveneffecten voor de economie opleveren.

Omdat uit de interviews met 5 sectoren is gebleken dat de effecten divers zijn, verschillend in de tijd optreden en er geen data over voorhanden zijn, is het niet mogelijk om de effecten te kwantificeren en daadwerkelijk prijselasticiteiten te berekenen. We beperken ons daarom tot een illustratieve rekenkundige exercitie die weergeeft dat de handelingsperspectieven van bedrijven tot een bepaalde elasticiteitswaarde leiden en hoe dit doorwerkt op de waterbesparingen. Er is beperkt informatie beschikbaar over de prijselasticiteit bij bedrijven uit studies. Door het IVM en door Sterk Consulting wordt aangegeven dat de prijselasticiteit groter is dan bij huishoudens, maar nog steeds in de categorie ‘inelastisch’ valt. 2,3 Daarbij gaat het primair om de prijselasticiteit van drinkwater. In het navolgende worden de belangrijkste beschouwingen in het rapport van Sterk Consulting overgenomen. Industrie In het rapport Belasting op Leidingwater wordt ingegaan op de prijselasticiteit bij bedrijven (inclusief landbouw).

1

Ook innovatie is mogelijk, wat uiteindelijk tot een ander competitief speelveld leidt. De effecten hiervan laten zich theoretisch niet voorspellen.

2

IVM Instituut voor Milieuvraagstukken, Economische instrumenten voor de zoetwatervoorziening in Nederland IVM rapport R11/10, November 2011.

3

Sterk Consulting, Belasting op leidingwater - Verkenning van facts and figures in relatie tot het mogelijk afschaffen van het heffingsplafond, Leiden, november 2022.

28 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Geconstateerd wordt dat industrieel watergebruik minder inelastisch is dan watergebruik door huishoudens 1. Toch reageert ook de industrie in het algemeen nog altijd minder dan evenredig op procentuele prijsveranderingen, onder andere vanwege de beperkte substitueerbaarheid van water in industriële productieprocessen, met name in de levensmiddelen-, chemische, papier-, textiel- en metaalindustrie. Voor de minder inelastische waarden (van de industrie in vergelijking tot die voor huishoudens) worden de volgende aspecten aangedragen: - beschikbaarheid substituten: er zijn voor industrie – afhankelijk van de kenmerken van de sectorsubstituten voor drinkwater. In de praktijk is bij industrie een mix van watergebruik (bijvoorbeeld grondwater, oppervlaktewater en drinkwater) geen uitzondering; - marktstructuur: juist wanneer er substituten beschikbaar zijn, is men niet volledig afhankelijk van het regionale drinkwaterbedrijf; - prijs en prijsbewustzijn: deze zullen - ook hier afhankelijk per sector - bij de industrie gemiddeld genomen hoger zijn dan bij huishoudens.

Bedrijven zoeken continu naar een meer doelmatige productie en daarin zullen ook de kosten voor watergebruik een plaats hebben; - relatieve bijdrage in productiekosten: Om toch een indicatie te kunnen schetsen van de productiekosten van water is in onderstaande tabel de bruto toegevoegde waarde per sector afgezet tegen de kosten voor de inkoop van drinkwater. De bruto toegevoegde waarde betreft de marktwaarde van de productie (= omzet) minus de kosten van de grond- en hulpstoffen en de diensten van derden. Deze indicator helpt bij het beoordelen van de impact van een wijziging op het bedrijf. Per sector geldt dat hoe hoger het percentage bruto toegevoegde waarde is, hoe groter de impact van een belastingverhoging is op die sector. De bruto toegevoegde waarde van de industrie als geheel was in 2018 EUR 85,5 miljard, de kosten van drinkwater waren in 2018 circa EUR 198 miljoen. Het aandeel van drinkwater in de bruto toegevoegde waarde was dus gemiddeld 0,23 %. Dezelfde berekening is door Sterk Consulting ook gemaakt met de waterkosten zonder plafond voor de BOL. In dat geval wordt het aandeel van drinkwater in de bruto toegevoegde waarde gemiddeld 0,28 %. Sterk Consulting noemt dit verschil van 0,05 procentpunten beperkt maar merkt ook op dat het voor specifieke segmenten en bedrijven anders kan liggen, wat aan de orde zou kunnen komen in vervolgonderzoek.

1

Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt in typen water of toepassing.

29 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Afbeelding 2.3 Overzicht toegevoegde waarde drinkwater voor de zakelijke markt

Landbouw Sterk Consulting rapporteert dat ook de prijselasticiteit van de vraag naar water in de landbouw over het algemeen inelastisch is. Het effect is ook afhankelijk van de relatieve bijdrage van de waterkosten in de totale productiekosten en die verschilt per type landbouw. Sterk Consulting schetst het volgende beeld: - beschikbaarheid van een substituut: afhankelijk van het type landbouw kunnen er substituten zijn voor het drinkwater en is men daarmee niet volledig afhankelijk van het regionale drinkwaterbedrijf: · voor akkerbouw wordt in de regel beregend met grond- en/of oppervlaktewater, nauwelijks met leidingwater. Eén en ander is afhankelijk van de lokale kwaliteit van het water; · voor de glastuinbouw zijn de eisen die aan het water gesteld worden gemiddeld genomen hoger en liggen substituten misschien minder voor de hand. Per regio en per teelt moet bepaald worden of het grondwater een geschikt alternatief is. In de praktijk kan men tegen problemen als verzilting en ontijzering aanlopen; - marktstructuur: juist wanneer er substituten beschikbaar zijn, is men niet volledig afhankelijk van het regionale drinkwaterbedrijf. Kwaliteitseisen kunnen een beperking zijn voor substituten; - prijs en prijsbewustzijn: deze zullen bij de landbouw- en zeker bij akkerbouw en melkveehouderijsignificant zijn.

De marges in deze sectoren zijn laag en het prijsbewustzijn is hoog; - relatieve bijdrage in productiekosten: ook voor de landbouw is weinig bekend over productiekosten van water. De bruto toegevoegde waarde van de landbouw is door Sterk Consulting afgezet tegen de kosten die zij maken voor de inkoop van drinkwater (zie afbeelding 2.3). Dit geeft een eerste beeld van het belang van de kosten voor drinkwater. De kosten voor drinkwater binnen de bruto toegevoegde waarde blijken met 0,57 % beperkt. Als dezelfde berekening wordt gemaakt zonder plafond voor de BOL is het aandeel van drinkwater in de bruto toegevoegde waarde van 0,7 %. Op voorhand lijkt dit effect beperkt,

30 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

maar is wel groter dan in de industrie. Om daadwerkelijk tot een goed inzicht te komen, in de sturende werking van beprijzing op het watergebruik van deze sector, is een diepgravender onderzoek nodig naar substitutiemogelijkheden per sector, bedrijfstype en regio en de relatieve bijdrage van waterkosten in productiekosten van de verschillende vormen van landbouw per bedrijfstype en regio. Uitgangspunten verkenning Er is geen goede informatie beschikbaar over de prijselasticiteit van water voor zakelijk gebruik. De verschillen in watergebruik tussen en ook binnen bedrijfstakken is enorm groot, en hetzelfde geldt voor de handelingsperspectieven. Wel geldt dat de prijselasticiteit niet nul zal zijn. Het is daarom ook niet mogelijk om stevig onderbouwde uitspraken te doen over de effecten van prijsprikkels op waterbesparing. Dat laat onverlet dat het nuttig is om een doorkijk te genereren op de effecten bij een aangenomen bandbreedte voor een prijselasticiteit van 0 tot -0,30. Met de keuze voor -0,30 wordt aangesloten bij de conclusie dat zakelijke afnemers relatief een grotere prijselasticiteit kennen dan huishoudens. Daarbij moet in acht worden genomen dat uit de data voor grondwatergebruik en oppervlaktewatergebruik blijkt dat deze zijn afgenomen respectievelijk gelijk gebleven over de afgelopen decennia, ondanks economische groei.

Dit duidt op waterbesparing per eenheid product. Ook is de veronderstelling dat waterbesparing bij nagenoeg alle categorieën watergebruikers vooral moet komen uit investeringen in waterbesparende apparatuur omdat resultaten uit ‘good housekeeping’ al goeddeels zijn gerealiseerd. Bij de landbouw zien we deze afnames niet. Voor koelwatergebruik geldt dat het overgrote deel wordt gebruikt voor doorstroomkoeling. Bij deze vorm van koeling wordt nagenoeg alle ingenomen water weer teruggevoerd naar het waterlichaam. Met de nieuwe bepalingen dat in de toekomst oppervlaktewater via koeling tot niet meer dat 25 graden Celsius mag worden opgewarmd, zal in de praktijk van besparingen nauwelijks sprake zijn. Voor deze toepassing wordt de elasticiteit 0 gehanteerd. Bij het zakelijk watergebruik is het de veronderstelling dat waterbesparing bij nagenoeg alle categorieën watergebruikers vooral moet komen uit ‘good housekeeping’ en uit investeringen in waterbesparende apparatuur. Watergebruikers die water toepassen in productieprocessen zullen periodiek (her)investeren in nieuwe productieapparatuur. Prijsprikkels op leidingwater kunnen bijdragen aan de keuze in meer waterbesparende apparatuur bij toekomstige investeringsbeslissingen. Ook kunnen prijsprikkels bijdragen aan het circulair inrichten van watergebruik in productieprocessen.

Uit de interviews met de illustratieve bedrijfstakken blijkt dat men zich bewust is van de kosten voor water, maar ook dat deze in de regel slechts een zeer beperkt aandeel vormen in de productiekosten. Daarnaast ligt de aandacht in deze sectoren momenteel veel meer op maatregelen in het kader van CO2-emissies en energiegebruik. Door het verhogen van het BOL-plafond of de BOL nemen de kosten per m³ toe. De prijsverhoging die hierdoor ontstaat is gebaseerd op de nominale kosten voor leidingwater (gewogen gemiddeld in Nederland, exclusief vastrecht, BOL)1 en de kosten voor rioolheffing (gemiddeld EUR 0,70/m³).2 Daarnaast zijn er voor veel bedrijven ook nog de volgende kosten van watergebruik: - kosten voor het lozen van afvalwater; - kosten voor het verwarmen van water. Deze kosten zijn niet in de berekening opgenomen (maar als PM post opgenomen in tabel 2.2). De PMposten betekenen dat het percentage van de leidingwatertariefstijging overschat is. Zeker bij grootverbruikers van water is al veel langer aandacht voor waterbesparing. Daardoor kan worden aangenomen dat gemakkelijke en snelle maatregelen daartoe al zijn genomen, 3 Het kan daarom realistisch zijn om een grens te stellen aan de mate waarin er (uiteindelijk) op water bespaard kan worden. 1

BOL over 300 m³/j wordt hierbij verwaarloosd.

2

Gemeenten kennen uiteenlopende tarieven voor het lozen van afvalwater, uiteenlopend van 0 tot EUR 1,90/m³ in de Nederlandse provinciehoofdsteden. Zie bijlage III.

3

Hergebruik bijvoorbeeld of bij (her)investeringen meteen waterbesparende opties meenemen.

31 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Uit onderzoek naar mogelijkheden voor waterbesparing bij grootverbruikers, uitgevoerd in opdracht van Vewin, blijkt een besparingspotentieel van 16 %.1 Dit ligt in dezelfde orde van grootte als de 20 % waterbesparing per eenheid product waarop de zakelijke markt zich richt, te bereiken in 2035. 2 In het nationaal plan van aanpak waterbesparing wordt voor het bedrijfsleven een besparing op drinkwater van 20 % als doel gehanteerd. Op basis hiervan wordt aangehouden dat 20 % waterbesparing realistisch is. Het percentage wordt tevens aangehouden als maximaal te bereiken via prijsprikkels. Per zakelijke sector en regio zullen de mogelijkheden in de praktijk verschillen. Tabel 2.2 toont de geschatte waterbesparing door bedrijven bij een prijselasticiteit van -0,3. Daarbij wordt als ‘basisprijs’ gehanteerd de gemiddelde kosten voor leidingwater en riolering. Vervolgens wordt de procentuele verhoging van de kosten berekend als gevolg van nieuwe BOL-tarieven over het hele watergebruik danwel een nieuw watertarief bij tariefdifferentiatie. De tabel geeft aan dat bedrijven daarnaast andere watergerelateerde kosten hebben, waaronder afvalwaterzuivering en energie. Deze kosten zijn als PM opgenomen. Naarmate deze PM post hoger wordt, is de procentuele kostenstijging lager en daarmee ook de waterbesparing als gevolg van de prijsprikkels.

Tabel 2.2 Geschatte procentuele waterbesparing bij een bandbreedte voor prijselasticiteit 0 tot -0,30 Kostenpost

EUR/m³

EUR/m³

EUR/m³

EUR/m³

leidingwater exclusief vastrecht en BOL

0,86

0,86

0,86

0,86

rioolheffing (gemiddeld)

0,70

0,70

0,70

0,70

afvalwaterzuivering en watergerelateerde energie

PM

PM

PM

PM

1,56+PM

1,56+PM

1,56+PM

1,56+PM

BOL / nieuw tarief

0,42

0,63

0,84

4,00

nieuwe kosten

1,98

2,19

2,40

4,70

procentuele verhoging exclusief PM waterbesparing bij elasticiteit -0,3

27 % 8%

40 % 12 %

54 % 16 %

201 % 20 %*

huidige kosten

* 20 % is veronderstelde maximum

2.6

Overheid

2.6.1

Volumedoel

Huishoudens In geval van hogere drinkwatertarieven en van een hogere BOL, ook als de BOL alleen stijgt voor het restvolume in geval van een gedifferentieerd tariefsysteem, zullen huishoudens bij een negatieve prijselasticiteit minder water gaan consumeren als gevolg van hogere waterprijzen. We kunnen er in die situaties van uitgaan dat er altijd huishoudens zijn die minder gaan consumeren. Als de vraag inelastisch is zal er geen volume-effect optreden.

1

https://www.vewin.nl/Waterspiegelartikelen/Vewin-Waterspiegel-03-2021.pdf, Achterliggend rapport is niet voor publicatie vrijgegeven

2

https://www.h2owaternetwerk.nl/h2o-actueel/industrie-mikt-op-flinke-vermindering-van-watergebruik

32 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

In geval van een gedifferentieerd drinkwatertariefsysteem met kostengeoriënteerde drinkwatertarieven is de richting van de geaggregeerde volume-effecten op voorhand op basis van theorie niet vast te stellen en dus alleen empirisch te bepalen.1 Zakelijke gebruikers Zakelijke gebruikers zullen gezamenlijk minder water gaan gebruiken als mogelijk gevolg van hogere waterprijzen: door minder water te gebruiken (good housekeeping waar nog mogelijk) of investeringen in waterzuiniger processen), sommige zakelijke gebruikers zullen overschakelen op gebruik van ander water (waardoor dat watervolume niet afneemt) en sommige gebruikers wijken mogelijk uit naar het buitenland (verplaatsing van het watergebruik). Voor andere zakelijke gebruikers geldt dat niet of in mindere mate. Per saldo zal minder water worden gebruikt.

2.6.2

Belastingopbrengsten

Huishoudens In geval van een stijging in de drinkwatertarieven met een (geaggregeerde) volumedaling tot gevolg en een gelijkblijvende BOL, nemen de belastingopbrengsten eenduidig af. Dit geldt ook voor een gedifferentieerd kostengeoriënteerd systeem waarbij het basisvolume laag is: voor het basisvolume nemen de belastingopbrengsten iets af (bij gelijkblijvende BOL) als gevolg van lagere btw-inkomsten, terwijl de afname in het restvolume tot lagere belastingopbrengsten leidt.2 In geval van een stijging van de BOL (uniform of voor een restvolume bij een gedifferentieerd systeem), zullen totale volumes economisch-theoretisch naar verwachting afnemen (zij het naar verwachting empirisch met relatief lage percentages), maar het saldo van de belastingopbrengsten is ook dan onbepaald, want afhankelijk van de grootte van de relatieve effecten. Als de procentuele BOL-stijging relatief groter (kleiner) is dan de procentuele afname van het volume, nemen de belastingopbrengsten toe (af).3 Huishoudens betalen over de BOL ook 9 % btw.

Zakelijke gebruikers In geval van een stijging van het volumeplafond en/of de BOL (uniform of voor een restvolume bij een gedifferentieerd systeem), zullen totale volumes afnemen, maar het saldo van de belastingopbrengsten is onbepaald, want afhankelijk van de grootte van de relatieve effecten (het procentuele effect van de BOLstijging op de waterprijs en het procentuele effect van dit laatste op het volume). Naast deze effecten zijn er nog andere effecten die ook een rol spelen: zie hierover voorgaande paragrafen. Zakelijke (eind)gebruikers die geen btw kunnen verrekenen ervaren naast de hogere kosten voor BOL ook het effect van 9 % btw die daarover betaald moet worden.

2.6.3

Andere kosten en baten

Naast effecten op volume en belastingen zijn er ook nog effecten op de btw door hogere drinkwaterprijzen en indirecte effecten zoals bijvoorbeeld minder winstbelasting door lagere winst.

1

Behoudens in het geval van een zeer laag basisvolume. Door een lager basistarief kan er door individuele huishoudens niet meer water worden geconsumeerd.

2

Maar als het basisvolume zodanig hoog is dat sommige huishoudens door het lagere basistarief meer kunnen gaan consumeren, kunnen de belastingopbrengsten uit hoofde van het basisvolume per saldo toe- of afnemen. Als ze toenemen, kunnen de totale belastingopbrengsten (inclusief die uit hoofde van het restvolume) ook toenemen. In dat geval is het effect op de belastingopbrengsten onbepaald.

3

De stijging in de BOL leidt tot hogere drinkwaterprijzen, maar deze stijging is procentueel minder sterk, waardoor het volumeeffect ook minder sterk kan zijn.

33 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Andere indirecte effecten zijn: (1) eventuele doorberekende hogere kosten maken de eindproducten duurder waardoor er meer btw via de eindproducten binnenkomt, (2) als beprijzing (of andere maatregelen) daadwerkelijk leidt tot minder watergebruik dan is dat goed voor natuur en biodiversiteit, vergrote beschikbaarheid van water in tijden van droogte en gebruiksmogelijkheden in de toekomst, (3) innovatie kan worden gestimuleerd wat in de toekomst tot welvaartsvoordelen kan leiden, (4) uitvoeringskosten van de maatregelen.1,2

1

Meer in het algemeen geldt dat de overheid de bredere welvaart (dus meer dan alleen het binnenlands product) wenst te dienen. Daaronder vallen het reduceren van negatieve externe effecten en het stimuleren/doen realiseren van positieve externe effecten en de herverdelingsgevolgen van overheidsmaatregelen, waaronder we ook de betaalbaarheid verstaan. De herverdelingseffecten gelden naar tijd (nu en in de toekomst) en plaats (binnen Nederlandse regio’s, Nederland als geheel en regio’s daarbuiten). Voor water is sprake van vele componenten die aan die verdelingseffecten raken (ook in internationaal verband). Voor dit project is de scope beperkt, maar de overheid kan natuurlijk de bredere gevolgen zelf in de beoordeling van maatregelen betrekken.

2

Dit was een argument van de toenmalige Staatssecretaris van Financiën om geen wijzigingen in de leidingwaterbelasting per juli 2014 door te voeren (zoals het voornemen was): Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014), 4 juni 2014.

34 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

3 WATER IN BEELD 3.1

Watergebruik in Nederland

Het CBS rapporteert geregeld over het watergebruik in Nederland. Het watergebruik, gemiddeld over de periode 2019-2021 is weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 3.1 Watergebruik in Nederland in miljoen m³, gemiddeld 2019-2021, (voorlopige cijfers wijzigingsdatum 22 maart 2023, Watergebruik bedrijven en particuliere huishoudens; nationale rekeningen (cbs.nl)) Leidingwater

Grondwater

Oppervlaktewater

drinkwater

industriewater

koeling

overig

zoet

zout

Nederlandse economie totaal

1.137

77

54

1.048

7.117

6.260

particuliere huishoudens

828

-

-

-

-

-

alle economische activiteiten

309

77

54

1.048

7.117

6.260

De tabel laat zien dat: - ongeveer 73 % van het drinkwater door huishoudens wordt gebruikt; - het gebruik van grondwater door bedrijven bijna driemaal meer is dan het gebruik van leidingwater; - het totale oppervlaktewatergebruik bijna 35 maal hoger is dan het gebruik van leidingwater. Daarbij wordt opgemerkt dat het koelwater voor het overgrote deel wordt teruggevoerd naar het waterlichaam. Dit geldt voor een groot deel van het oppervlaktewater. Een nadere onderverdeling van het zakelijk watergebruik is weergegeven in tabel 3.2.

Tabel 3.2 Watergebruik bedrijven in Nederland in 2021, in miljoen m³ (voorlopige cijfers wijzigingsdatum 22 maart 2023, Watergebruik bedrijven en particuliere huishoudens; nationale rekeningen (cbs.nl)) Leidingwater drinkwater A Landbouw, bosbouw en visserij B Delfstoffenwinning C Industrie D Energievoorziening E Waterbedrijven en afvalbeheer F Bouwnijverheid

35 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

41 2 150 4 7 3

Grondwater

industrie water

68 8 0

koeling

Oppervlaktewater

overig

zoet

zout

63

21 3 2.506 3.179 1.246

30 760 5.821 2

46

63

1

814

Leidingwater G Handel H Vervoer en opslag I Horeca

14 4 21

J Informatie en communicatie K Financiële dienstverlening L Verhuur en handel van onroerend goed M Specialistische zakelijke diensten N Verhuur en overige zakelijke diensten O Openbaar bestuur en overheidsdiensten P Onderwijs Q Gezondheids- en welzijnszorg R Cultuur, sport en recreatie S Overige dienstverlening

1 2 4 4 1 6

Grondwater

Oppervlaktewater

6 19 16 9

Tabel 3.2 toont dat drinkwater voor zakelijke doeleinden voor veruit het grootste deel wordt gebruikt bij de industrie, gevolgd door landbouw, horeca, gezondheids- en welzijnszorg, en cultuur sport en recreatie. Het grondwatergebruik komt - naast drinkwaterbedrijven - vooral op het conto van landbouw en industrie. Oppervlaktewater wordt voor het grootste deel gebruikt voor energievoorziening in de vorm van koelwater voor energievoorziening en industrie. Dit wordt voor het overgrote deel weer teruggevoerd naar het waterlichaam. Een stroomschema met de waterbronnen en watergebruiken is weergegeven in Afbeelding 3.1.

36 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Afbeelding 3.1 Verdeling watergebruik over bronnen en gebruiken 2021 in miljoen m³ (bron: CBS)

Landbouw Het CBS rapporteert dat de landbouwsector in 2021 124,4 miljoen kubieke meter water gebruikte. Het watergebruik in 2021 was daarmee weer op het niveau van 2017 en eerder. De jaren 2018, 2019 en 2020 hadden relatief droge lentes en zomers. Dit zorgde ervoor dat er meer grondwater en zoet oppervlaktewater is onttrokken voor het irrigeren van de gewassen. Het gebruik van drinkwater bleef in de periode van 2003 tot en met 2021 vrijwel gelijk (40-45 miljoen m³/jaar). Drinkwater wordt vooral ingezet als drinkwater voor vee en voor het schoonmaken van stallen.

37 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Afbeelding 3.2 Watergebruik Landbouwsector in miljoen m³/jaar (bron: CBS)

Tabel 3.3 Watergebruik landbouw (Watergebruik in de land- en tuinbouw, 2021, Berekeningen op basis van het Bedrijveninformatienet, Wageningen University & Research) Water 2021

Miljoen m³/jaar

leidingwater

40,6

w.v. drenking vee

22,0

w.v. overig

18,6

gietwater

0,2

grondwater (irrigatie)

31,2

oppervlaktewater (irrigatie)

13,4

oppervlakte- of grondwater (drenking)

39,1

totaal

124,5

In 2021 is in totaal 276.030 hectare areaal minimaal 1 maal beregend. Het gemiddelde watergebruik bedroeg 2.400 m³ per bedrijf, waarvan 800 m³ leidingwater.1 Daarbij gaat het om ongeveer 52.000 bedrijven. Het totaal aantal grondwateronttrekkingen voor beregening bedraagt ongeveer 15.500 (peildatum 2019). Het aantal grondwateronttrekkingen voor beregening verschilt per regio/waterschap variërend van enkele honderden tot enkele duizenden.2

1

https://edepot.wur.nl/630351

2

https://open.overheid.nl/documenten/ronl-50bd0112-74f0-4a63-855a-cec5a39efcaf/pdf

38 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

3.2

Drinkwater

3.2.1

Zakelijk gebruik

Om zicht te krijgen op de verdeling van het drinkwatergebruik, is via de Vewin aan de drinkwaterbedrijven gevraagd om (geanonimiseerde) gegevens beschikbaar te stellen over het zakelijk watergebruik (hoeveelheden) samen met de geregistreerde SBI-codes. Door enkele drinkwaterbedrijven is deze informatie beschikbaar gesteld, op voorwaarde van niet-herleidbaarheid. Op basis hiervan is de drinkwaterverkoop in 2021 weergegeven in tabel 3.4. De door Vewin aangeleverde gegevens komen goed overeen met de door het CBS gerapporteerde gegevens.

Tabel 3.4 Verkoop drinkwater door Nederlandse drinkwaterbedrijven in 2021. De gewogen gemiddelde afzet is op de landelijke totalen berekend. De hoogste en laagste in de range zijn berekend per drinkwaterbedrijf (x 1.000 m³). Afzet in 2021

Kleinzakelijk <10.000 m³

Grootzakelijk >10.000

Totaal zakelijk

Huishoudens

Totaal

totaal afzet (1.000 m³)

144.154

167.751

311.906

810.777

1.122.683

administratieve aansluitingen (#)

239.070

23.323

262.393

8.280.054

8.542.447

992

55.359

98

hoogste in range (m³/aansluiting)

2.429

141.593

120

laagste in range (m³/aansluiting)

290

1.880

84

gewogen gemiddelde afzet (m³/aansluiting)

De CBS data en de door Vewin aangeleverde gegevens betreffen geaggregeerd gebruik. Om meer zicht te krijgen in een onderverdeling van het watergebruik over individuele bedrijven, in aantallen en omvang van het jaarlijks watergebruik, is gekeken naar de onderverdeling van zakelijke klanten bij Nederlandse drinkwaterbedrijven. Omdat niet alle drinkwaterbedrijven deze gegevens hebben aangeleverd zijn de beschikbare gegevens geaggregeerd en herrekend naar de door Vewin aangeleverde totalen. Het resultaat is daarom een indicatie van de verdeling van waterafzet over categorieën bedrijven en van de verdeling van het aantal klanten over de grootteklassen qua afzethoeveelheden. Dit is weergegeven in tabel 3.5. De verdeling van water en bedrijven over grootteklassen is weergegeven in tabel 3.5.

Tabel 3.5 Verdeling van zakelijk watergebruik in uiteenlopende grootteklassen Grootteklasse (x1.000 m³/j)

Watergebruik (%)

Bedrijven (%)

Gemiddeld watergebruik per bedrijf (x1.000 m³/j)

≤10

29,2

81,5

4

10-25

16,3

12,5

15

25-50

10,4

3,4

34

50-75

5,0

0,9

62

75-100

3,7

0,9

90

100-200

8,2

0,7

137

200-500

8,7

0,3

307

500-1.000

9,8

0,2

718

>1.000

8,1

0,1

1.544

39 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Afbeelding 3.3 Procentuele verdeling bedrijven (in aantal) over grootteklasse watergebruik (in 1.000 m³/jaar; links) en de procentuele verdeling van het watergebruik over de grootteklassen (rechts)

Veruit het grootste aantal bedrijven zit in de kleinste grootteklasse zakelijke gebruikers. Deze klasse gebruikt met ruim 81 % van de bedrijven bijna 30 % van het zakelijk drinkwater. Bij de grootste klasse neemt 0,1 % van de bedrijven ruim 8 % van het drinkwatergebruik voor haar rekening. In afbeelding 3.4 is het gemiddeld watergebruik per bedrijf per grootteklasse weergegeven.

Afbeelding 3.4 Gemiddeld watergebruik per bedrijf per grootteklasse (beide assen x 1.000 m³/jaar)

Een verdere verdeling van de aantallen bedrijven over de grootteklassen per SBI-code is opgenomen in bijlage IV.

3.2.2

Huishoudelijk gebruik

Van 2003 tot en met 2014 daalde het huishoudelijk drinkwatergebruik per inwoner, met bijna 8 procent van 138 tot 127,5 liter per persoon per dag. Deze daling van het watergebruik kwam deels door het zuiniger worden van huishoudelijke apparaten. Daarna nam het gebruik weer wat toe. In 2018 en 2019 werd meer water gebruikt dan de jaren ervoor omdat het relatief droog was. De laatste jaren is het waterverbruik grillig door wisselende weersomstandigheden. In relatief droge zomers gebruikten huishoudens meer drinkwater voor het sproeien van de tuin of het vullen van zwembadjes.

40 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Afbeelding 3.5 Drinkwatergebruik als gemiddelde per dag in liter per persoon

Een gedetailleerd overzicht van het watergebruik door huishoudens is in 2022 gepubliceerd door het CBS.1 Hieruit volgt een gemiddeld drinkwatergebruik van 129 liter per persoon per dag. Mannen en vrouwen gebruiken gemiddeld evenveel liter water per dag. Het hoofdelijk watergebruik per dag verschilt naar leeftijd: deze is het laagste in de leeftijdsgroep 0 tot 15 jaar (102 liter) en het hoogste onder de 65-plussers (143 liter). Degenen in een eenpersoonshuishouden hebben een hoger gemiddeld watergebruik per dag dan degenen die in een huishouden met meer personen wonen. Dit is ook logisch omdat een deel van het watergebruik gezamenlijk is. Voor burgerlijke staat geldt dat het watergebruik onder de verweduwden het hoogste is. Dit zijn personen die gemiddeld iets ouder zijn en relatief vaak in een eenpersoonshuishouden wonen. Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond gebruiken gemiddeld iets meer liter water per dag dan degenen met een Nederlandse achtergrond. Net als de middelbaar opgeleiden vergeleken met de laag- en hoogopgeleiden, en de laagste inkomens vergeleken met de hoogste inkomens. In aanvulling op het gemiddelde watergebruik per persoon per dag is ook het gemiddelde watergebruik per huishouden per dag geschat. Dit was in 2021 275 liter.

Dit watergebruik loopt op naarmate het gestandaardiseerde huishoudensinkomen hoger is en een huishouden bestaat uit meer personen. Ook geldt dat het watergebruik per huishouden in de matig tot niet stedelijke gebieden hoger is dan in de (zeer) sterk stedelijke gebieden. De belangrijkste deelgebruiken zijn de douche en het toilet. In 2021 ging dat gemiddeld per persoon per dag om respectievelijk 46,2 liter en 30,2 liter. Bij de douche gaat het om een frequentie van 0,82 per dag en een gemiddelde doucheduur van 7,7 minuten per keer. Bijna de helft van de personen beschikt over een gewone douchekop, gevolgd door bijna 39 procent die over een waterbesparende douchekop en 24 procent die over een regendouche beschikt. Voor de verdere verdeling van het watergebruik, zie onderstaande afbeelding 3.6.

1

Watergebruik Thuis (WGT) 2021 Schattingen van het watergebruik per dag door personen en huishoudens, gepubliceerd 12-9-2022.

41 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Afbeelding 3.6 Drinkwatergebruik huishoudens in liter per persoon per dag (2021)1

Het Nederlandse drinkwatergebruik is door EurEau2 in een breder perspectief gezet. Afbeelding 3.7 toont het gemiddelde watergebruik per inwoner in liters per dag (gegevens 2019-2021). Daaruit blijkt dat Nederland iets boven de Europese mediaan zit (125,5 lpppd), ongeveer gelijk aan Duitsland (126 lpppd) maar ook aanmerkelijk hoger dan in verondersteld cultureel vergelijkbare landen als België (85 lpppd) en Denemarken (109 lpppd).

Afbeelding 3.7 Gemiddeld huishoudelijk drinkwatergebruik in liter per persoon per dag in Europa (EurEau, 2021)

3.3

Industriewater

Industriewater is water dat bedrijven gebruiken voor andere doeleinden dan als drinken of water voor ‘huishoudelijke toepassingen’. Industriewater kan uit dezelfde bron als drinkwater komen. Steeds meer bedrijven proberen hun waterverbruik te verminderen door bijvoorbeeld water te hergebruiken. Drinkwaterbedrijven zetten in op ‘het juiste water voor het juiste gebruik’, dus geen drinkwater waarvoor geen drinkwater nodig is.3 1

Vewin-Kerngegevens-drinkwater-2022.

2

EurEau, Europe’s Water in Figures, An overview of the European drinking water and waste water sectors, 2021 edition. ISBN 978-2-9602226-3-0.

3

https://www.drinkwaterplatform.nl/industriewater-voor-elke-toepassing-het-juiste-water/

42 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Het CBS rapporteert over 2021 een industriewatergebruik van 77 miljoen m³/jaar. Dit water wordt geleverd door aan drinkwater gelieerde entiteiten of door andere bedrijven. Er zijn geen openbare (jaar)verslagen beschikbaar over de levering van industriewater. Het gerapporteerde industriewatergebruik is ongeveer 20 % van het zakelijk leidingwatergebruik. Omdat industriewater in de regel geleverd wordt als leidingwater, is ook over deze levering belasting op leidingwater (BOL) verschuldigd tot het geldende plafond en tegen de geldende BOL. Voor het voorliggende onderzoek beprijzing wordt in de scenario’s gerekend met de aanname dat industriewaterleveringen in de regel grote leveringen zijn (>100.000 m³/jaar).

3.4

Grondwater

In de Omgevingswet zijn de bevoegdheden van de overheden ten aanzien van grondwater vastgelegd. Het Rijk heeft een systeemverantwoordelijkheid: het wijst taken en bevoegdheden toe en stelt (landelijke) kaders en normen vast. Provincies zijn verantwoordelijk voor het strategisch grondwaterbeleid. Ze zijn bevoegd gezag voor grondwateronttrekkingen voor drinkwater en voor andere onttrekkingen ten behoeve van: - industriële toepassingen, als meer dan 150.000 m³ per jaar wordt onttrokken; - de openbare drinkwatervoorziening; - bodemenergiesystemen. Provincies maken daarbij gebruik van het instrument van vergunningen. Ook zijn ze verantwoordelijk voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, waar het grondwater betreft. Waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van handelingen in het regionale watersysteem, waaronder grondwater. Ze zijn daarmee bevoegd gezag voor de meest voorkomende en kleinere grondwateronttrekkingen: - industrie tot 150.000 m3 per jaar; - landbouw (beregening en bevloeiing grasland, bouwland, fruitteelt, veedrenking); - overige onttrekkingen (sportvelden, particulier gebruik); - bouwactiviteiten, bodemsaneringen (veelal tijdelijk en met retourbemaling).

3.4.1

Zakelijk gebruik

Het grondwatergebruik is sinds de jaren zeventig met ongeveer 75 % afgenomen. Halverwege de jaren negentig is een grondwaterbelasting ingevoerd om algemene middelen te verwerven en om de lastendruk te verschuiven van de arbeid naar consumptie. Het milieuaspect was secundair. In 2007 is een rapport over de grondwaterbelasting naar de Tweede Kamer verstuurd. Daarin is onder meer geconcludeerd dat de gevolgen van afschaffing van deze belasting voor het milieu naar verwachting beperkt zouden zijn (ofwel: weinig effect op watergebruik).1 De grondwaterbelasting werd opgebracht door circa 4.000 belastingplichtigen, waarbij een tiental waterleidingbedrijven verantwoordelijk was voor ruim 80 % van de opbrengst. De rest werd opgebracht door enkele tientallen bedrijven die grondwater gebruiken (circa 15 %) en ongeveer 4.000 bronbemalers (circa 5 %). In de Europese Kaderrichtlijn Water wordt het prijsbeleid wel als een van de instrumenten genoemd voor een duurzaam waterbeheer.

1

Grondwaterbelasting nader bezien. Aspecten verbonden aan overheveling van de grondwaterbelasting naar een provinciale bestemmingsheffing en aan afschaffing van de grondwaterbelasting. Interdepartementale werkgroep grondwaterbelasting, April 2007.

43 | 82

Witteveen+Bos | 139291/24-009.842 | Definitief

Omdat verondersteld werd dat het provinciale vergunningenstelsel voldoende waarborgen biedt voor een efficiënte en verantwoorde benutting van de voorraad grondwater, heeft het kabinet de grondwaterbelasting per 1 januari 2012 afgeschaft. Afbeelding 3.8 toont de ontwikkeling van het industrieel grondwatergebruik over de periode 1975 - 2021. De daling bedraagt 75 %. Met name in de beginjaren was dit een indirect gevolg van de invoering van de Wet verontreiniging oppervlaktewater in 1970. Tevens is vanaf 1980 een stringenter grondwaterbeleid gevoerd om verdroging tegen te gaan. Vanaf 1995 werd er bovendien een (rijks) grondwaterbelasting (Wet belastingen op milieugrondslag) geheven door het Rijk, die, zoals hiervoor beschreven, in 2012 is opgeheven. Daarnaast zijn er provinciale grondwaterheffingen opgelegd, die doorgaans beperkt zijn tot de grotere onttrekkingen1. Beide regelingen hebben vanaf 1995 geleid tot een geleidelijke afname van de onttrekkingen. Van 2009 op 2010 is de daling sterker dan voorheen. Ten dele lijkt dit te zijn veroorzaakt door de economische crisis die in 2009 is begonnen. Sinds 2010 is de grondwateronttrekking tamelijk stabiel op een lager niveau. De data geven geen inzicht in de mate waarin het watergebruik per eenheid product is gedaald.

Afbeelding 3.8 Ontwikkeling industrieel grondwatergebruik in miljard m³ periode 1975-2021

industrieel grondwatergebruik miljard m³ 0,500 0,400 0,300 0,200 0,100 0,000 1970

1980

1990

2000

2010

2020

2030

Het totale grondwatergebruik zoals door het CBS gerapporteerd2 is weergegeven in tabel 3.6. De gebruikscijfers voor het meest actuele jaar 2021, tonen een totaalgebruik van 990,3 miljoen m³.

Tabel 3.6 grondwatergebruik bedrijven in Nederland in 2021, in miljoen m³ (voorlopige cijfers, gegevens 22 maart 2023) Activiteit

Totaal

Koeling

Overig

A-U Alle economische activiteiten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15349695/1