CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321403 Bijlage 2 ETFAL onderbouwing Oude Haagweg 128

Gemeenteraad 3 april 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake verzoek om bindend advies voor omgevingsvergunning Woongebouw Oude Haagweg 128 (RIS321403)28.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hierbij is geconcludeerd dat voldaan kan worden aan de eisen die in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn opgenomen. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Na het treffen van maatregelen wordt er voldaan aan het gemeentelijke geluidbeleid en hebben alle appartementen een geluidluwe gevel.

4.5

LICHT

4.5.1

Bezonning

Algemeen Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op bijvoorbeeld gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Zo draagt voldoende zon bij aan een aangenaam verblijfsklimaat, maar geldt eveneens dat men in de steeds hetere zomers ook de schaduw moet kunnen opzoeken. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 24

leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeenten kunnen door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan voorkomen dat er te veel of te weinig schaduw ontstaat. Hierbij kan gedacht worden aan: voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing, bouwhoogten, fysieke vorm van de gebouwen, ligging openbare ruimte en speelplekken ten opzichte van bebouwing en zongericht verkavelen. Naast stedenbouwkundige oplossingen kunnen gemeenten ook kiezen voor het vastleggen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan of vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan. Daarnaast kan in het omgevingsplan worden opgenomen dat bij een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling een bezonningsonderzoek op basis van de TNO-norm dan wel gemeentelijke norm dient te worden uitgevoerd

TNO-norm Voor het beoordelen of sprake is van voldoende zonlicht op de gevels van omliggende woningen, hanteren veel gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen de (niet wettelijk verplichte) TNO-norm. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam;

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 25

Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. In sommige gevallen kan het echter wenselijk zijn om ook de bezonningssituatie voor deze woningen inzichtelijk te maken. Doorgaans wordt een bezonningsstudie aanbevolen bij een bouwhoogte van meer dan 25 meter.

De bezonningsnorm van de gemeente Den Haag is eveneens gebaseerd op de lichte TNO- norm en heeft een aantal specifieke kenmerken: Toetsingsdatum 19 februari (overeenkomend met 21 oktober). Minimale zonshoogte 10°. Minimale potentiële bezonningsduur 2 uur. Hierbij gelden de volgende aanvullingen: Meetpunt op 0,75 meter hoogte in het midden van de gevel van de onderste woonlaag. Bezonningsduur ter plaatse van voor- en achtergevel bij elkaar optellen. Geen verdere verslechtering in situaties met minder dan 2 mogelijke zonuren. Bij dakopbouwen: maximale afname bezonningsduur 50% (excessenregeling). Weergave bezonningsduur en afname in tabelvorm. De norm is van toepassing bij de onderste woonlaag van bestaande woningen: de gevels van nieuwbouw behoeven niet onderzocht te worden. Voorts is de norm van toepassing op openbare en semiopenbare ruimten met een recreatieve functie alsmede bij buitenruimten bij scholen en kindercentra. Er is hier in de berekening van de bezonningsduur sprake van voldoende bezonning indien meer dan 50% van de oppervlakte in de zon ligt.

De Haagse bezonningsnorm geldt voor bouwwerken vanaf een hoogte van 25 meter of indien de nieuwbouw ten minste 1,5 maal hoger is dan de gemiddelde hoogte van de omgeving. Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. Door PEUTZ is onderzoek uitgevoerd naar de schaduweffecten van de beoogde bebouwing. Het doel van het onderzoek is het vaststellen en beoordelen van de mogelijke invloed van de schaduw van de gepande bebouwing op de bezonning van de omliggende bestaande woonbebouwing.

Binnen het vastgestelde invloedsgebied van de schaduw zijn bestaande woningen aanwezig aan de Oude Haagweg en aan de Laan van Vredestein. Uit de rekenresultaten blijkt dat binnen het toetsingskader de bezonningsduur bij de bestaande woningen voldoet aan de criteria van het gemeentelijk bezonningsbeleid. Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering.

4.6

LUCHT Algemeen Volgens artikel 1.3 van de Omgevingswet valt lucht onder de fysieke leefomgeving. Het gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen zoals luchtverontreiniging. Een goede luchtkwaliteit is belangrijk voor de gezondheid van mensen en voor het milieu. Het bevoegd gezag toetst en monitort de luchtkwaliteit op plaatsen waar representatieve blootstelling is. Alleen als de blootstelling voldoende lang of ‘significant’ is, moet het bevoegd gezag de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) toetsen. Dit uitgangspunt heet ook wel het blootstellingscriterium.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 26

Luchtkwaliteitstoets De gemeente moet de luchtkwaliteit toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. Er moet worden nagegaan of de toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor de volgende activiteiten (artikel 5.51 lid 1 van het Bkl): • activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of; • activiteiten waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Bal.

In artikel 5.50 lid 1 van het Bkl worden enkele activiteiten aangewezen waarvoor te allen tijde een luchtkwaliteitstoets moet worden uitgevoerd door de gemeente. Dit geldt ook indien er geen aandachtsgebied in de omgeving aanwezig is. Het gaat om de volgende activiteiten: • de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter; • een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt; • de aanleg van een auto(snel)weg.

Enkel op locaties waar mensen aanwezig zijn, vindt er een beoordeling van de luchtkwaliteit plaats door de overheid. Indien locaties aan één van de volgende criteria voldoen, is er geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit benodigd: • relatief korte verblijven (blootstellingscriterium); • arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl); • als mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel), bestaand uit (artikel 5.52 Bkl): o locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is; o de rijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn de volgende agglomeraties waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl): 1. Amsterdam/Haarlem (gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerck, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort) 2. Den Haag/Leiden (gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delftland, Oestgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland) 3.

Rotterdam/Dordrecht (gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de Ijssel, Dordrecht, Hendrik-ldo-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht) 4. Utrecht (gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein) 5. Eindhoven (gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven) Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: • Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen; • Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen;

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 27

Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties.

Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. Op basis van bovenstaande voorbeelden (zie Niet in betekenede mate bijdragen (NIBM) mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. In paragraaf 4.6 Mobiliteit en parkeren is de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie berekend. Hieruit blijkt een zeer beperkte toename van de verkeersgeneratie (7 verkeersbewegingen per etmaal). Zekerheidshalve is de luchtkwaliteitskaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd op 7 juni 2024. Op de luchtkwaliteitskaart is te zien dat ter plaatse van de projectlocatie (receptor wegverkeer 27370927_759) de grootschalige achtergrondconcentraties in monitoringsjaar 2022 (monitoringsronde 2023) van fijnstof PM10 17,82 ug/m3, van fijnstof PM2,5 8,99 ug/m3 en van stikstofdioxide NO2 19,27 ug/m3 zijn.

Ter plaatse van de projectlocatie (receptor wegverkeer 27370927_759) zijn de grootschalige achtergrondconcentraties in monitoringsjaar 2030 (monitoringsronde 2023) van fijnstof PM10 14,99 ug/m3, van fijnstof PM2,5 7,22 ug/m3 en van stikstofdioxide NO2 13,56 ug/m3 zijn. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer wordt opgeteld, zal de concentratie van zowel fijnstof als stikstofdioxide ruim onder de omgevingswaarden (omgevingswaarden voor NO2 en fijnstof PMw bedragen 40 ug/m3 als kalenderjaargemiddelde en voor fijnstof PM2,5 25 ug/m3 als kalenderjaargemiddelde).

Met de realisatie van woningen worden bovendien geen milieubelastende activiteiten toegelaten. Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

4.7

Ml LI EU EFFECTRAPPORTAGE Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art. 11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 28

kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen.

De voorgenomen ontwikkeling is niet aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject, categorie J.11 of andere categorie. Derhalve is het doorlopen van de m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk. Het is niet aannemelijk dat de beoogde ontwikkeling leidt tot negatieve effecten aangaande het milieu en de omgeving. Conclusie Van een stedelijk ontwikkelingsproject is geen sprake, waardoor het doorlopen van de m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.

4.8

MOBILITEIT EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak.

Nota parkeernormen Den Haag 2021 Het parkeerbeleid van de gemeente Den Haag is vastgelegd in het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren”. Dit (paraplu)bestemmingsplan bevat een verwijzing naar het geldende parkeernormenbeleid van de gemeente Den Haag. Het beleid ten aanzien van parkeren is door de gemeente vastgelegd in de Nota parkeernormen Den Haag 2021. Op 15 juli 2021 heeft de raad de Parkeerstrategie Den Haag 2021 -2030 vastgesteld. De Parkeerstrategie Den Haag 2021-2030 is de basis van het nieuwe parkeernormenbeleid van de gemeente Den Haag. Dit beleid wordt gehanteerd bij het toetsen van aanvragen van omgevingsvergunningen voor bouw- en verbouwprojecten.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 29

Relatie tot ontwikkeling Het uitgangspunt van de Nota parkeernormen Den Haag 2021-2030 is dat parkeerplaatsen in principe op eigen terrein worden gerealiseerd.

De gemeente Den Haag wordt door het CBS geclassificeerd als een zeer sterk stedelijke gemeente (meer dan 2.500 adressen per km2). Dit betekent dat voor Den Haag de laagste kencijfers gelden. De kencijfers hebben bandbreedtes. Voor Den Haag is de ondergrens van de bandbreedte aangehouden. Op basis van bijlage 2 van de Nota parkeernormen Den Haag 2021 is het projectgebied ingedeeld in het gebied: ‘naoorlogse wijken’. In bijlage 3 zijn autoparkeernormen voor wonen opgenomen. De parkeernormen die voor de beoogde ontwikkeling relevant zijn, zijn rood omkaderd. Figuur 7. Autoparkeernormen wonen (bron: gemeente Den Haag)

Zone

Vooroorlogse stadswijken

Centrummilieus

Naoorlogse buitenwijken

Huur

Koop

Bezoek

Huur

Koop

Bezoek

Huur

Koop

Bezoek

<40m2

0,10

0,20

0,05

0,20

0,20

0,10

0,33

0,33

0,15

40-70m2

0,20

0,33

0,05

0,33

0,50

0,10

0,40

0,66

0,15

0,33

0,50

0,10

0,50

0,75

0,10

0,66

0,80

0,15

100-160m2

0,40

0,75

0,10

0,50

1,00

0,10

0,75

1,00

0,15

160m2

0,50

1,00

0,10

1.00

1,00

0,10

1,00

1,00

0,15

Type woning

Appartementen

70-100m2

Het programma voorziet in 20 woningen tussen 40 m2 en 70 m2 bvo 46 woningen tussen 70 m2 en 100 m2 bvo 2 woningen tussen 100 m2 en 160 m2 bvo Onderstaande tabel toont de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. Tabel 1.

Parkeerkencijfers beoogde woonprogramma

Type woning

Maximale kencijfer per 100 m2 BVO

Totaal

Appartementen 40-70 m2 Appartementen 70-100 m2 Appartementen 100-160 m2 Totaal

0,40 0,66 0,75

20x0,40 = 8 46 x 0,66 = 30,36 2x0,75= 1,5 39,86 parkeerplaatsen

Voor bezoekers geldt tevens dat per woning 0,15 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Wanneer 68 woningen worden gerealiseerd (waarvan 66 woningen reeds zijn vergund), dienen nog 10,2 parkeerplaatsen voor bezoekers beschikbaar gesteld te worden. Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. De totale parkeerbehoefte komt gezien voorgaande neer op (39,86 + 10,2 =) 50,06 parkeerplaatsen.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 30

In de reeds verleende omgevingsvergunning was sprake van een verbouwsituatie met functiewijziging van kantoren naar wonen. De oude parkeerbehoefte (parkeerbehoefte van het voormalige Vredesteinkantoor) betreft 56,25 parkeerplaatsen op het maatgevend moment voor de aanwezigheid van het parkeren overdag. Door verschuiving van het maatgevend moment van de 100% aanwezigheid van het overdag parkeren bij een kantoorfunctie naar 5% aanwezigheid van het avond-nacht parkeren, als gevolg van de functiewijziging naar wonen, bedraagt de parkeerbehoefte van de bestaande functie (op het nieuwe maatgevend moment) 5% * 56,25 = 2,23 parkeerplaatsen en van de nieuwe functie 50,10 parkeerplaatsen. Na saldering bedraagt de parkeerbehoefte 47,87 parkeerplaatsen waarmee er sprake is van een toename op het maatgevend moment. De parkeereis is daarmee vastgesteld op 48 parkeerplaatsen.

De parkeerdruk binnen de voorgeschreven loopafstand ligt in de huidige situatie lager dan 80%. De voltallige parkeerbehoefte van deze aanvraag mag het parkeerareaal in de openbare ruimte niet belasten. Ter plaatse van het projectgebied kan (zoals reeds is vastgelegd in de verleende omgevingsvergunning) worden voorzien in 47 parkeerplaatsen op eigen terrein. Deze parkeerplaatsen zijn voldoende bereikbaar en zijn in afmetingen afgestemd op gangbare personenauto's. 1 parkeerplaats wordt in de openbare ruimte opgelost. Daarmee blijft de parkeerdruk lager dan 80%. Parkeerbehoefte fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. In de ‘Beleidsregels fietsparkeernormen Den Haag 2016’ zijn de normen vastgelegd met betrekking tot het aantal fietsparkeerplaatsen.

leder appartement heeft een eigen berging in het souterrain waar ook de fietsen gestald kunnen worden. Buiten worden zowel bij de hoofdentrees als bij de achterentree van de woonfunctie fietsnietjes gerealiseerd.

Verkeersafwikkeling Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is publicatie 381 van de CROW geraadpleegd. De gemeente Den Haag wordt zoals reeds benoemd geclassificeerd als een zeer sterk stedelijke gemeente. Aan de hand van de stedelijkheidsgraad kan de verkeersgeneratie voor de beoogde ontwikkeling worden berekend. Daarnaast maakt de projectlocatie onderdeel uit van de ‘naoorlogse buitenwijken’, een categorie die in de CROW publicatie 381 vergelijkbaar is met ‘rest bebouwde kom’. Voor deze gebiedsbepaling geldt een range van een minimale en een maximale verkeersgeneratie. Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking wordt (worst-case) uitgegaan van de maximale kengetallen. Toekomstige situatie De beoogde woningen worden conform de CROW getypeerd als ‘huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)’. De maximale verkeersgeneratie per woning in een ‘zeer sterk stedelijke’ gemeente, in de ‘rest bebouwde kom’ bedraagt: 3,6 verkeersbewegingen. De maximale verkeersgeneratie voor de beoogde ontwikkeling van 2 woningen per etmaal bedraagt (afgerond): 7 verkeersbewegingen. Huidige situatie De reeds verleende omgevingsvergunning staat 66 woningen toe ter plaatse van het projectgebied. Ook voor deze woningen geldt dat deze conform de CROW worden getypeerd als ‘huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)’.

De maximale verkeersgeneratie per woning in een ‘zeer sterk stedelijke’ gemeente, in de ‘rest bebouwde kom’ bedraagt: 3,6 verkeersbewegingen. De maximale verkeersgeneratie 66 woningen per etmaal bedraagt (afgerond): 238 verkeersbewegingen

De verkeersgeneratie zal toenemen met 7 verkeersbewegingen per etmaal. Deze toename is beperkt en kan in het huidige wegennetwerk worden opgevangen. De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de Oude Haagweg. De Oude Haagweg sluit in het noordoosten aan op de Loosduinseweg en in het zuiden op de Houtwijklaan. Vanaf de Loosduinseweg kan in

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 31

de richting van de Rijksweg A4 gereden worden. De Houtwijklaan ontsluit richting de Rijksweg A12. De rijkswegen maken onderdeel uit van het Nederlandse hoofdwegennet.

Op een loopafstand van circa 300 meter is de tramhalte Walnootstraat gelegen. Bij deze halte stopt tram 2 (DH Kraayenstein) en met deze tram is het treinstation Den Haag Centraal te bereiken. Vanaf treinstation Den Haag centraal vertrekken treinen richting onder andere Dordrecht, Amsterdam en Utrecht Centraal.

Voor langzaam verkeer is de Oude Haagweg tevens ook te bereiken, middels een fiets- en voetpad. Naar verwachting kan het verkeer op voldoende wijze worden afgewikkeld via de Oude Haagweg. Een nader verkeersonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit.

Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of-soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.

Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet).

Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 32

Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang.

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: Natura 2000-activiteiten; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) Vellen en beheren van houtopstanden Omqevinqswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden (besluit kwaliteit leefomgeving, 2018, paragraaf 2.2.1, art. 2.3 lid 1; art. 2.4 lid 2). Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen; • 20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen; • 5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken.

Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. In het kader van een beginselaanvraag bij de gemeente Den Haag heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van een sloop en nieuwbouwscenario. De ontwikkeling kan schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. De quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld dient te worden.

Ecoresult heeft een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de conclusies van de voornoemde quickscan waaruit is gebleken dat in het projectgebied potenties aanwezig zijn voor voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen) van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger). Zodoende was aanvullend onderzoek naar deze soortgroepen noodzakelijk om te vast te stellen of deze soorten inderdaad aanwezig zijn en zo ja, hoe in het kader van de Wet natuurbescherming gehandeld dient te worden. Doordat er naar aanleiding van het aanvullend onderzoek één paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis is aangetroffen binnen het projectgebied, dienen in totaal 4 tijdelijke en permanente vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. De mitigerende maatregelen dienen in samenspraak met de opdrachtgever verder uitgewerkt te worden en concreet te worden beschreven in een ecologisch werkprotocol. Dit Ecologisch werkprotocol dwergvleermuis en algemene broedvogels is samen met de Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening en het Aanvullend onderzoek vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming als bijlage bij voorliggend document toegevoegd.

In de beschikking van 1 maart 2022 heeft de omgevingsdienst Haaglanden besloten de aangevraagde ontheffing te verlenen voor de periode 1 oktober 2022 tot en met 1 juli 2025. De beschikking is als bijlage bij voorliggend document toegevoegd.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 33

Bescherming gebieden De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn ‘Westduinpark & Wapendal’ op circa 1 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied en ‘Solleveld & Kapittelduinen’ op circa 1,5 kilometer ten westen van het projectgebied. Invloeden (ook van buitenaf) mogen de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden niet in gevaar brengen.

Om te bepalen of de beoogde ontwikkeling leidt tot aanvullende verplichtingen voor Natura 2000-gebieden is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd door SPA WNP ingenieurs. De rapportage van 26 november 2024 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. Bij stikstofdeposities groter dan 0,00 mol/ha/jaar is mogelijk sprake van een vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit.

De stikstofdepositieberekeningen zijn uitgevoerd met de nieuwste versie van AERIUS Calculator. Hierin zijn de stikstofemissies voor de aanlegfase- en de gebruiksfase opgenomen. Daarbij bestaat de aanlegfase uit een sloop- en bouwfase. Resultaten Uit de AERIUS-berekening volgt dat er voor zowel de aanlegfase, als de gebruiksfase geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

Conclusie Uit de rekenresultaten blijkt dat de beoogde situatie niet kan leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Er is om die reden geen sprake van een vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit. Het onderdeel stikstofdepositie heeft geen consequenties voor de aanvraag omgevingsvergunning.

Uit de extra beoordeling op de hexagonen met een hersteldoel blijkt dat geen sprake is van een bijdrage op hexagonen met hersteldoel. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn geen andere milieuverstoringen te verwachten, zoals verstoring door trillingen, geluid en/of licht of aan bodem, grondwater.

Op basis van de afstand tot het projectgebied en de aard van de werkzaamheden valt tevens op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en belangrijke weidevogelgebieden. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Bescherming soorten Jaarrond beschermde nesten Het projectgebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen of als (essentieel) functioneel leefgebied) voor vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen en bomen.

Vogels met niet jaarrond beschermde nesten Het projectgebied en omgeving zijn potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten, te weten ekster en zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten of individuen waargenomen. Nesten van deze vogels vallen (in dit geval) alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Het betreft lokaal en regionaal algemene vogels. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart - 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 34

Algemene vogels Het projectgebied is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. In het projectgebied werd een merel nest waargenomen in de klimop. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart - 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.

Overige soorten Het projectgebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen of als (essentieel) functioneel leefgebied) voor andere soorten dan vleermuizen. Nationaal beschermde soorten In het projectgebied bestaat geen potentie voor nationaal beschermde soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Het projectgebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt als egel, (spits)muizen een incidenteel aanwezige gewone pad en bruine kikker. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals egel, (spits)muizen, gewone pad en bruine kikker zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige kraam-, (massa)winter-, paar- en zomerverblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.

Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig middels 7 bezoeken tussen 15 mei - 15 juli en 1 augustus - 1 oktober. Indien vleermuizen aanwezig zijn en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat gestart kan worden met de werkzaamheden. Doordat uit de quickscan volgt dat de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige kraam-, (massa )winter-, paar- en zomerverblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, is een aanvullend onderzoek uitgevoerd.

De veldonderzoeken zijn uitgevoerd door ecologen van Ecoresult B.V. met aantoonbare ervaring op het gebied van inventariseren van vleermuizen. Het onderzoek is uitgevoerd onder de condities en methodiek van de relevante kennisdocumenten en het Vleermuisprotocol 2017. In het projectgebied is het volgende aangetroffen: • 1 paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Er is hiermee sprake van overtreding van de volgende verbodsbepalingen: • Art 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren. • Art 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Ontheffing op de Wet natuurbescherming is noodzakelijk. Door de werkzaamheden bestaande uit sloopwerkzaamheden van de huidige bebouwing zal 1 paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis worden weggenomen. Het Ecologisch werkprotocol dwergvleermuis en algemene broedvogels en de daaruit

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 35

volgende maatregelen zijn als bijlage bij voorliggend document toegevoegd. De ontheffing als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is op 22 juli 2021 aangevraagd met betrekking op het uitvoeren van sloopwerkzaamheden. De aanvraag betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis alsmede het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. In de beschikking van 1 maart 2022 heeft de omgevingsdienst Haaglanden besloten de aangevraagde ontheffing te verlenen voor de periode 1 oktober 2022 tot en met 1 juli 2025. De beschikking is als bijlage bij voorliggend document toegevoegd.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 36

Bescherming houtopstanden In het projectgebied zijn geen beschermde houtopstanden aanwezig. De wet wordt niet overtreden, het aanvragen van een ontheffing is niet nodig. Conclusie Het aspect natuur vormt een randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. De maatregelen uit het Ecologisch werkprotocol dwergvleermuis en algemene broedvogels vormen een belangrijke randvoorwaarde voor het uitvoeren van de werkzaamheden.

4.10

OMGEVINGSVEILIGHEID Algemeen Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Omgevingsveiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het omgevingsveiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving.

Het wettelijk kader m.b.t. omgevingsveiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de omgevingsveiligheid zijn twee begrippen van belang: • Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden ofte berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). • Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 37

o

Gifwolkaandachtsgebied

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden.

Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen: • afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied • aanvullende risicocommunicatie • beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron • vlucht- en schuilmogelijkheden • omgevingsmaatregelen • aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied.

Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen.

Zeer kwetsbare gebouwen Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw.

Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Relatie tot ontwikkeling De kaartviewer Atlas Leefomgeving is een tooi die de risico-objecten van de Risicokaart op een geografische kaart laat zien.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 38

Op de Atlas Leefomgeving is te zien dat: • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een activiteit met risico’s; • Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Figuur 1. Uitsnede risicokaart (bron: https://www.atlasleefomqevinq.nl) Heesterbgurt Bohemen

(00sö®

sewe9

Vruchtenbuurt

,6,

s0g®Meer en Bos

ëGravenhage

as $ e

* X'

441)

% ",

9 S

Waldeck

Oostbroek

x•

Laakkv. Groente- en F±

Leyenburg

Ockenburgh

4,

% %

Zuiderpark

d

Loosduinen

z

tnstein

*

Spoorwijk

Juhanapark

Morgenstond

$

BouiMust

Vroondaal

8

Te Huis te Lande

Staoonskwartie

gVrederust

•n%

l

%

Arttestenbuurt

3 -

f

De Uithol

Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. Aangezien sprake is van de realisatie van woningen, kan geconcludeerd worden dat sprake is van een kwetsbaar gebouw.

Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg Ten zuiden van het projectgebied ligt op ruim 6.000 meter afstand de Rijksweg A4. Over de Rijksweg A4 worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Voor transportroutes over wegen dient een groepsrisicoberekening uitgevoerd te worden, mits het de projectlocatie binnen 200 meter van de transportroute is gelegen. In dit geval is de projectlocatie niet binnen 200 meter van de transportroute gelegen, waardoor een groepsrisicoberekening achterwege kan blijven. Voor transportroutes over de weg geldt dat diverse gevaarlijke stoffen een invloedgebied met zich meebrengen. Voor gevaarlijke stoffen over de weg geldt een maximaal invloedgebied van < 4.000 meter. Het projectgebied is op meer dan 4.000 meter afstand gelegen van de Rijksweg A4 en hiermee dus buiten het invloedgebied van de gevaarlijke stoffen. Een bepekte groepsrisicoverantwoording is niet benodigd.

Buisleidingen Ten oosten van het projectgebied ligt op circa 3.200 meter afstand de buisleiding W-509-06 van Gasunie. Het projectgebied is echter niet gelegen binnen het aandachtsgebied van de buisleiding W-509-06 van Gasunie.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 39

Inrichtingen Op meer dan 1.000 meter liggen twee aardgasstations van de Omgevingsdienst Haaglanden. Het projectgebied is echter niet gelegen binnen het aandachtsgebied van het aardgasstation van de Omgevingsdienst Haaglanden. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.11

WATERBELANG Algemeen Op grond van de Omgevingswet is het wegen van het waterbelang noodzakelijk bij het vaststellen van het omgevingsplan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl). De regeling voor weging van het waterbelang is geformuleerd als instructieregel. De betekenis van deze instructieregel moet gezien worden in het licht van de belangenafweging die plaatsvindt in het omgevingsplan. Art. 5.37 lid 1 verplicht de gemeente bij die belangenafweging om in het omgevingsplan met de relevante waterbelangen rekening te houden en daarbij de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken. Daarnaast is de weging ook noodzakelijk bij bijvoorbeeld een buitenplanse omgevingsactiviteit (paragraaf 8.1.1.2 Bkl).

De waterbeheerder brengt het waterbelang bij de totstandkoming van een ruimtelijk plan onder de aandacht van het bestuursorgaan dat bevoegd is het betreffende ruimtelijk plan vast te stellen. Daarbij vormt de toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan het kader. De waterbelangen zien met name op het voorkomen en beperken van overstromingen (waterveiligheid), wateroverlast en droogte (waterkwantiteit). Verder strekt de weging van het waterbelang zich uit over het belang van een goede waterkwaliteit. Ook de vervulling van op grond van de wet aan watersystemen toegekende maatschappelijke functies, zoals scheepvaart of zwemwater, is een van deze waterbelangen. Door ontwikkelingen als klimaatverandering, met meer extreem natte en droge periodes, en bodemdaling wegen waterbelangen steeds nadrukkelijker mee bij ruimtelijke beslissingen. Het is aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan om in het betreffende ruimtelijk plan rekening te houden met de waterbelangen. In zoverre zijn de opvattingen van de waterbeheerder dus niet doorslaggevend. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat via deze regeling de waterbelangen meer aan de voorkant van het planproces aan de orde komen (Stb. 2018, 292, p. 340). In de Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving geeft het Rijk aan welke vergunningplichten gelden voor verschillende wateractiviteiten.

Zo stelt het Rijk een vergunningplicht voor onder andere een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteiten op zee en waterontrekkingsactiviteiten. Waterschappen kunnen ook een vergunningplicht hanteren in hun waterschapsverordening.

Beleid Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is in december 2000 in werking getreden. De richtlijn heeft tot doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De richtlijn stelt daartoe eisen aan het waterbeheer in alle lidstaten. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven. De Europese Kaderrichtlijn, heeft waar het de gemeente betreft, consequentie voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid (inrichting van watergangen en oevers).

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 40

Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma is vastgesteld op 18 maart 2022. Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 worden de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen beschreven.

In het Nationaal Water Programma zijn drie hoofdambities opgenomen: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

Een veilige en klimaatbestendige delta Vanwege het feit dat Nederland kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering, zijn maatregelen vereist die verdere klimaatverandering tegengaan. Daarnaast zijn stappen nodig om ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dit wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is een opgave die vele beleidsterreinen en sectoren raakt en daar dwars doorheen loopt.

Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van het waterveiligheidsbeleid. Het Rijk bouwt voort op bestaande strategieën, zoals de overstromingsrisicobenadering en meerlaagsveiligheid. Uiterlijk in 2050 moeten de primaire waterkeringen aan de aangescherpte wettelijke normen voldoen. Ook wordt gewerkt aan het versterken van regionale keringen. Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust ingericht is.

Een concurrerende, duurzame en circulaire delta Een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Daarom moet Nederland in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Het Rijk werkt aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Het Rijk wil de internationale concurrentiekracht van de mainports en van de Nederlandse maritieme sector op een duurzame manier versterken en daarom wordt gewerkt aan een vlot, veilig, robuust en duurzaam goederenvervoersystemen over water.

Daarnaast richt Rijkswaterstaat op maatregelen voor het tegengaan van verzilting en het verkennen van mogelijke systeemingrepen voor een klimaatbestendige zoetwatervoorzieningen. Vervolgens werkt Rijkswaterstaat aan vlot, veilig, robuust en duurzaam verkeer van scheepvaart over water door de aanleg en het beheer en onderhoud van rijkswateren en vaarwegen. Hierbij wordt veel aandacht besteed aan het klimaatbestendig maken van het netwerk en aan de verduurzaming van aanleg, beheer en onderhoud. Met innovaties op het gebied van technologie, data en digitalisering wordt gewerkt aan veiliger, schoner en efficiënter vervoer over water.

Ten slotte bezuinigt Rijkswaterstaat op het eigen energieverbruik en het zet in op klimaatneutraal werken. Door het onder voorwaarden laten gebruiken van het Rijkswaterstaat-areaal voor het opwekken van duurzame energie voor en door derden kan een bijdrage geleverd worden aan de energietransitie.

Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet heef in 2021 het statiegeldsysteem uitgebreid naar kleine flesjes om de hoeveelheid plastic in het milieu te verminderen. Het Rijk neemt in de planperiode van dit NWP veel maatregelen voor een

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 41

natuurlijkere inrichting van de grote wateren om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te bereiken. Deze maatregelen zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen 20222027. In de afgelopen periode zijn daarnaast extra middelen vrijgemaakt voor de Delta aanpak Waterkwaliteit, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). Al deze maatregelen betekenen een grote stap naar het halen van de doelen voor waterkwaliteit en natuur. In 2021 heef het Rijk de Beleidsnota Drinkwater 20212027 vastgesteld om schoon, gezond en genoeg (drink)water voor iedereen veilig te blijven stellen. Het Programma Natuur en het Programma Versterken Biodiversiteit bevatten maatregelen om de waternatuur te versterken. De visie voor kringlooplandbouw draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van grond en oppervlaktewater. De aanpak van bodemdaling is ook voor het waterbeheer van groot belang. Het Programma Ontwikkeling Nationale Strategie (ONS) Landschap ondersteunt een landschapsinclusieve aanpak van de wateropgaven. Rijkswaterstaat richt zich in de planperiode van het NWP op het uitvoeren van de 3e tranche KRWmaatregelen, het opstellen en uitvoeren van Natura 2000beheerplannen en het verkennen en uitvoeren van de PAGWmaatregelen in de rijkswateren.

Daarbovenop gaat extra aandacht uit naar opkomende en zeer zorgwekkende stoffen, zowel op het gebied van vergunningverlening als kennisontwikkeling. Voor het grondwatersysteem gaat Rijkswaterstaat samen met regionale waterbeheerders de effecten op het grondwater van de rijkswateren en eigen werkzaamheden daarin verkennen. Hierbij wordt ook gekeken of de rijkswateren een positieve bijdrage kunnen leveren aan de gewenste grondwatersituatie van het regionale grondwatersysteem. Dit mede ter bestrijding van gevolgen van wateroverlast en voornamelijk verdroging.

Beleid provincie Zuid-Holland Provinciale Staten hebben het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat dat samen met de partners wordt gewerkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen rondom water. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma, naast de verplichte onderwerpen uit de richtlijnen, ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwagen en wateroverlast. In het kader van het Convenant Klimaat adaptief Bouwen Zuid-Holland, ondertekend door onder andere gemeente, hoogheemraadschap van Delfland en Heijmans, is het uitgangspunt afgesproken om op de bouwvelden minimaal 50 mm van piekbuien (70 mm in 1 uur) op privaat terrein te bergen en vertraagd af te voeren (min. 24 - max. 48 uur) middels bijvoorbeeld groene daken of waterbassins in combinatie met ondergrondse parkeerkelders. Beleid Hoogheemraadschap van Delfland Op 10 maart 2022 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap.

Het Waterbeheerprogramma van het Hoogheemraadschap van Delfland richt zich op het waarborgen van droge voeten, voldoende en schoon water en gezuiverd afvalwater, ondanks de uitdagingen van klimaatverandering, verstedelijking en energietransitie. Het programma omvat reguliere werkzaamheden zoals dijkonderhoud en waterzuivering, maar ook nieuwe initiatieven op het gebied van biodiversiteit, circulaire economie en klimaatadaptatie. Delfland streeft naar samenwerking met diverse partijen en innovatie in waterbeheer. Het 6e Waterbeheerprogramma is dynamisch, met periodieke updates om flexibel in te spelen op veranderende omstandigheden en werkt aan het circulair maken van de waterketen en het verbeteren van de waterkwaliteit in overeenstemming met de Europese Kaderrichtlijn Water. Gemeentelijk beleid De gemeente Den Haag heeft een vertaling in de ‘Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig’ gemaakt. Uitgangspunt is om de eisen vanuit de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig’ in acht te nemen.

Naast de watersleutel van het waterschap hanteert de gemeente Den Haag eisen uit de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig. Daarbij is de grootste opgave tussen de klimaateffecten van de watersleutel en de wegwijzer maatgevend.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 42

Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is het "Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025”. Het plan beschrijft voor het eerst integraal de hoofdtaken van de gemeente voor de vier watercompartimenten: afvalwater, hemelwater, grond- en oppervlaktewater waarbij de onderlinge relaties, beleid en opgaven beschreven zijn. Daarnaast is de integraliteit versterkt door de aansluiting bij en afstemming op de bouwopgave, klimaat adaptieve oplossingen bij opgaven in de openbare ruimte. Relatie tot ontwikkeling Het projectgebied is gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. In de Waterschapsverordening staan de regels om sloten, vaarten, plassen en dijken in het gebied van Delfland te beschermen. Door Mos Grondmechanica is een bemalingsadvies uitgebracht. De rapportage van 12 november 2024 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. Waterveiligheid en waterkeringen Op circa 170 m ten zuidoosten van het projectgebied is een waterkering aanwezig, deze valt binnen het invloedsgebied van de bemaling. De verwachte verlagingen, ter plaatse van de kering, zijn hier zeer beperkt (minder dan 0,2 m freatisch en minder dan 0,1 m in het watervoerend pakket).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15235231/1