RIS321403 Bijlage 2 ETFAL onderbouwing Oude Haagweg 128
Tekst van het document
Negatieve invloed op de waterkering wordt niet verwacht. De verlagingen van de grondwaterstand zijn dermate beperkt dat geen zettingen zullen optreden. Daarnaast neemt, door het verlagen van de grondwaterstand, de korrelspanning toe, wat juist een gunstig effect heeft op de stabiliteit. In of rondom het projectgebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Figuur 2. Legger Hoogheemraadschap van Delfland (bron: Mos Grondmechanica)
%
,9
f
o
E s
PZs
30»
3
$
Qt
9
Q
ë
Gt
?
0 15%
•NI
Voorkomen van wateroverlast Bij een toename aan het verhard oppervlak kan een watervergunning en compenserende maatregelen aan de orde zijn. Delfland maakt gebruik van de watersleutel. Dit is een rekentool die helpt te bepalen hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd om bij een ontwikkeling de effecten op het watersysteem te compenseren. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen immers voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlakwater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De watersleutel berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. In Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 43
onderstaande figuur is een vergelijking gemaakt ten aanzien van het verhard oppervlak in de bestaande en in de nieuwe situatie. In de nieuwe situatie is sprake van 33,3m2 minder verhard oppervlak. Figuur 3. Verharding (bron: MOVE urban architecture, d.d. 16 december 2024).
ONVERHARD
549,3m2 18,0 m2
16,3 m2
PERCEEL 2.885,8 m2
33,0 m2
3,9 m2
I I
r
64,1 m2
PERCEEL 2.885,8 m2
ONVERHARD
582,6m2
52,7 m2 2,9 m2
271,8 m2
ocketpark
31,9 m2
482,1 m2 groen
66,2 mj 89,1 m2
BESTAANDE SITUATIE KANTOORPAND
NIEUWE SITUATIE WOONGEBOUW
Bij een afname van het aantal vierkante meters verharding kan er alsnog een wateropgave ontstaan, omdat er met klimaatverandering en daarbij behorende zwaardere neerslag rekening dient te worden gehouden. Op 9 januari 2025 is de watersleutel van Delfland ingevuld. Op grond van de watersleutel geldt een watercompensatie opgave van 24,7m3 of 87m2. De watercompensatie opgave kan op twee manieren worden uitgevoerd: het realiseren van extra waterberging (24,7m3) of door oppervlaktewater te graven (87m2). De resultaten van de watersleutel zijn opgenomen in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. Voor de beoogde ontwikkeling is gekozen voor het realiseren van extra waterberging. In totaal worden 28 infiltratiekratten gerealiseerd ter plaatste van het projectgebied (27 infiltratiekratten van 1.000 liter en 1 infiltratiekrat van 600 liter). In totaal wordt dus 27.600 water opgenomen. Uit de watersleutel van Delfland volgt een eis van 24.700 liter aan (extra) waterberging. Door middel van de infiltratiekratten wordt voldaan aan de 24,7m3 aan (extra) waterberging. In onderstaand figuur is een tekening van de infiltratiekratten opgenomen. De volledige tekening is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing.
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 44
Figuur 4. Infiltratiekratten (bron: MOVE urban architecture, d.d. 10 januari 2025).
rletsen
J
o5 o O
5
Vk
S
ZV put
infiltratiekratten inclusief zandvangput
8) 87 2190
n8
#
n7
n6
n3
ha.lg-SK
5
SCO
8
v ( va* 920
Q
• ^Söo
n4
“g 8 9
plantsoen
VK:
o
8/
8
5
5"/
©
#
¥
ƒ
8
Grondwater a. Ter voorkoming van grondwateroverlast adviseert Delfland een drooglegging van 1,2 m met een minimum van 1,0 m. b. Het aanlegniveau van de fundering van de te slopen kelder bedraagt NAP -1,95 m. Ten behoeve van een goed begaanbare bodem van de bouwkuip dient de grondwaterstand circa 0,5 m onder de bouwputbodem te worden verlaagd (tot NAP -2,4 m). Uitgaande van een maatgevend hoogste grondwaterstand van NAP -0,3 m bedraagt de benodigde verlaging circa 2,1 m. Het algemeen ontgravingsniveau voor de aanleg van de kelder bedraagt NAP -2,3 m. Ten behoeve van een goed begaanbare bodem van de bouwkuip dient de grondwaterstand circa 0,5 m onder de bouwputbodem te worden verlaagd (tot NAP -2,8 m). Uitgaande van een maatgevend hoogste grondwaterstand van NAP -0,3 m bedraagt de benodigde verlaging circa 2,5 m. Tijdens de aanleg van de diepe liftput wordt geadviseerd de grondwaterstand lokaal te verlagen tot NAP -3,8 m (onderkant liftput komt op NAP -3,5 m). Uitgaande van een maatgevend hoogste grondwaterstand van NAP -0,3 m bedraagt de benodigde verlaging circa 4,1 m.
Onderhoud en bagger Ten noorden van het projectgebied is secundair boezemwater gelegen. Het plan heeft geen invloed op dit water.
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 45
Watersysteemkwaliteit, ecologie en biodiversiteit Van de effecten op de waterkwaliteit en waterkwantiteit is geen sprake. Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoonhemelwater hier niet mee in aanraking kan komen.
Afvalwaterketen Voor het onderdeel afvalwater en hemelwater wordt aangesloten bij de reeds verleende omgevingsvergunning. Het richtlijnenbestek beschrijft dat afvalwater en hemelwater op het bestaande riool wordt aangesloten, alwaar voldoende capaciteit is. Klimaatadaptatie De gemeente heeft in de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig vastgelegd hoe de stad klimaatbestendig gemaakt kan worden. Bij gebiedsontwikkelingen staat voorop dat de openbare ruimte klimaatadaptief is. Het klimaat wereldwijd en in Nederland is de afgelopen decennia al merkbaar veranderd. Door extreme neerslag, hitte en droogte kan veel overlast en financiële schade ontstaan. Ook kan hitte leiden tot een toename van sterfte bij kwetsbare groepen zoals ouderen. Vanwege deze redenen wordt er hard gewerkt om de stad klimaatbestendiger en leefbaarder te maken. Klimaatverandering zal niet in alle gebieden van Den Haag dezelfde effecten hebben. Op basis van kenmerken, zoals ondergrond, nabijheid van sloten, bebouwingsdichtheid, aanwezigheid van groen en gebruikte materialen zijn er veel verschillen in de stad. Zo zal de kuststrook direct te maken krijgen met de effecten van een stijgende zeespiegel, terwijl in de dichtbebouwde wijken de gevolgen van extreme neerslag en opwarming meer zichtbaar zijn.
Op grond van de monitorkaart Stresstesten kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het projectgebied thema’s als droogte, hitte, wateroverlast en overstroming aan de orde zijn.
Voor het aspect natuurinclusief bouwen wordt aangesloten bij de reeds verleende omgevingsvergunning, waarin is beschreven dat naast het ‘pocketpark’ en de vereiste verblijfplaats voor de vleermuizen geen extra onderdelen in het ontwerp zitten die vallen onder het puntensysteem voor groen- en natuurinclusief bouwen. De beoogde bebouwing voldoet aan de nieuwbouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving, waardoor de eisen voor energiegebruik: de Bijna Energieneutrale Gebouw Eisen (BENG-eisen) van toepassing zijn. Conclusie Het waterbelang vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het projectgebied.
4.12
WINDHINDER Algemeen Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving, zoals bedoeld in artikel 2.1 Omgevingswet. Hiermee is windhinder ook een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. De gemeente heeft hier wel een ruime mate van beleidsvrijheid in, nu voor het aspect windhinder instructieregels van het Rijk ontbreken.
Beoordelingskader NEN-norm voor windhinder De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren perjaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: • gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 46
De NEN 8100 is vanuit de wet niet verplicht, maar wordt wel algemeen gebruikt om te beoordelen of de ontwikkeling in overeenstemming is met een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (voorheen: een goede ruimtelijke ordening). Borging windhinder in het omgevingsplan In het omgevingsplan kan de gemeente regels opstellen over de wijze waarop windhinder in de planvorming betrokken dient te worden. Dit kan bijvoorbeeld door het opnemen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan, door het opnemen van maatregelen in het omgevingsplan (wanneer de maatregelen voor het beperken van windhinder reeds bekend zijn) of door het vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan.
In onderstaand kader is een voorbeeld van een omgevingsvergunningplicht opgenomen. Voorbeeld omgevingsvergunningplicht De gemeente neemt een vergunningplicht op voor bebouwing hoger dan 30 meter. Hieraan koppelt de gemeente een beoordelingsregel. De beoordelingsregel stelt als voorwaarde dat de initiatiefnemer aantoont dat er een aanvaardbaar windklimaat ontstaat. Eventueel kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat de initiatiefnemer dit aantoont met een windonderzoek dat voldoet aan de NEN norm 8100 voor windhinder en windgevaar.
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 47
Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. Ten behoeve van het sloopnieuwbouwscenario is door PEUTZ een theoretische beoordeling windklimaat gemaakt. De rapportage van 7 juni 2024 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. Hieronder worden de belangrijkste resultaten van de beoordeling toegelicht.
Het bouwplan heeft een maximale bouwhoogte van 25,1 meter. De huidige situatie omvat een kantoorgebouw met een hoogte van 15 meter. Op basis van de windstatistiek en de oriëntatie van de geplande nieuwbouw is vastgesteld dat ten gevolge van de geplande nieuwbouw naar verwachting slechts een geringe verslechtering van het windklimaat zal optreden. Met name op het fietspad langs de Oude Haagweg zal het windklimaat naar verwachting plaatselijk verslechteren, waarbij een matig windklimaat voor de functiecategorie doorlopen wordt verwacht.
Een exacte duiding van de hinderkans kan alleen worden vastgesteld met een aanvullend onderzoek op basis van windtunnel- of CFD simulaties. Voor deze situatie wordt dit niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect windhinder vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 48
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID
5.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.
5.2
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
5.2.1
Participatie
Hoewel de voorliggende aanvraag in technische zin een nieuwe aanvraag tot het realiseren van woningen betreft, kan het vanuit het perspectief van belanghebbenden worden bezien als een beperkte wijziging/aanpassing van het vergunde project met 66 woningen. In de aanloop naar de vergunningaanvraag in 2019-2020 heeft initiatiefnemer, door middel van een daartoe opgerichte tijdelijk opengestelde website, ruimte geboden voor vragen van omwonenden en geïnteresseerden. De vragen zijn in daarop volgende presentaties beantwoord en suggesties zijn meegenomen in de uitwerking van het plan.
Volgend op dit participatieproces in de periode 2019 - 2020 (voorafgaand en de verstrekte vergunning) vindt er in de bouwvoorbereidingsfase een maandelijkse aftstemming tussen initiatiefnemer, de gemeente Den Haag en de wijkbewoners (als verlengstuk van het wijkberaad) plaats. In deze afstemming wordt hoofdzakelijk gesproken voorbereidend gesproken over de impact van de bouwwerkzaamheden op de leefbaarheid van het gebied rondom de locatie. Daar waar nodig schakelt initiatiefnemer door naar de wijkraad voor bredere informatieverschaffing.
De bewoners zijn meegenomen in de planaanpassing naar 68 woningen en staan nog steeds achter de komst van het voorgenomen project van initiatiefnemer. Op het moment van aanvragen van deze vergunning zijn de gesprekken met de omgeving gestart over de impact van het bouwverkeer. De bewoners koppelen de informatie terug aan hun achterban (de wijkraad) en van de met initiatiefnemer gevoerde gesprekken wordt (publiek toegankelijk) verslag gedaan. Op 5 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Van Herk Groep samen met Averesch Bouw en bewoners en geïnteresseerden tijdens de vergadering van de Commissie Loosduinen, werkgroep Ruimtelijke Ordening en Verkeer. Het gesprek is gevoerd aan de hand van een door van Herk Groep en Averesch voorbereidde presentatie over de sloop- en nieuwbouwontwikkeling aan de Oude Haagweg 128. Het nam ongeveer 45 minuten in beslag. Gedurende de presentatie over de plannen is de gelegenheid geboden om vragen te stellen. De gespreksleidraad, de presentatie ‘241105 Presentatie Oude Haagweg Commissie RO Buurt’, wordt apart ingediend. Ook wordt deze nagezonden aan de aanwezigen. Hieronder zijn de belangrijkste punten uit de presentatie en de daaruit volgende vragen samengevat.
Aan de Oude Haagweg 128 zijn reeds uitvoeringswerkzaamheden gestart. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd door de netbeheerder ter plaatse (Stedin) en zien op het trafohuisje dat ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt verplaatst. In ieder geval is er een nood-trafohuisje en zal de definitieve plaatsing van het trafohuisje in mei/juni 2025 plaatsvinden.
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 49
In het vervolg is Van Herk Groep het aanspreekpunt als er vragen zijn over de werkzaamheden vanuit de buurt. Averesch heeft aangegeven dat zij in de bouwfase per mail, telefonisch als op de bouwplaats een aanspreekpunt zal hebben. Daarnaast zet Van Herk haar maandelijks contact met de buren / de wijkraad en ) voort.
De bouwperiode van ongeveer 1,5 jaar is opgedeeld in de volgende perioden (betreft een indicatie): Zes weken sloopwerkzaamheden (inclusief sloop van de bestaande kelder); Twee weken bodemonderzoek onder de gesloopte kelder; Tot en met september 2025 om de bouwkuip en kelder te realiseren, waarbij geen heiwerkzaamheden worden verwacht; Halfjaar werkzaamheden bovengronds (project wind- en waterdicht); Start verhuur in 4e kwartaal van 2025; Halfjaar afbouw van het project (oplevering aan nieuwe bewoners). Voor de verslaglegging zijn de vragen die tijdens het gesprek zijn gesteld en de beantwoording door van Herk en Averesch hieronder opgesomd.
Hoeveel overlast kan worden verwacht? o Antwoord: overlast kan niet worden voorkomen, wel worden beperkt. Zeker gezien de verwachte sloopperiode in februari zal overlast door stof mee kunnen vallen (regen). Er worden zoveel mogelijk voorzieningen getroffen om overlast te voorkomen en de sloopwerkzaamheden vinden plaats op tijden die geaccepteerd zijn in een woonbuurt. Overlast door verkeer zal voorkomen, maar bij de totstandkoming van de bouwroutering is rekening gehouden met laden en lossen op eigen terrein (huidig parkeerterrein). Zo wordt getracht te voorkomen dat vrachtwagens achteruitrijden op de openbare weg en/of moeten wachten op de openbare weg. Mocht het toch voorkomen dat vrachtwagen moeten wachten, wordt er gezocht naar een geschikte plek in de omgeving. Zo kan de veiligheid en doorstroming ter plaatse worden gewaarborgd. Wat wordt de nieuwe locatie van het trafohuisje: o Antwoord: Het bestaande trafohuisje wordt verplaatst (definitief per mei/juni 2025). Het onderhoud in de toekomstige situatie zal plaatsvinden vanaf de Schifflaan. Hoe is het mogelijk gebleken om meer woningen in hetzelfde volume te maken? o Antwoord: Het huidige ontwerp verschilt in beperkte mate van het voormalige transformatieplan. Het volume van het gebouw blijft hetzelfde, in ieder geval bovengronds.
De kelder wordt iets uitgebreid en hierdoor is het mogelijk om een extra verdieping te realiseren binnen hetzelfde (bovengrondse) volume. ‘ Hoe is de aanrijdroute van de parkeerplaats achter het gebouw bedacht? o Antwoord: Voor het uitrijden vanaf het projectgebied richting de openbare weg wordt aangesloten op de reeds verleende omgevingsvergunning. Deze situatie wijkt dus niet af van het reeds vergunde transformatieplan. Hoe zit het met duurzaamheid? o Antwoord: De nieuwbouw wordt voorzien van zonnepanelen. Deze zonnepanelen leiden niet tot een zelfvoorzienend gebouw. Voor het overige wordt aangesloten op stadsverwarming en het electranet. Natuurinclusief bouwen is niet meegenomen in het ontwerp. Is er overlast te verwachten van de fietsen van de nieuwe bewoners? o Antwoord: Om het gebouw komen fietsnietjes die bedoeld zijn voor de gasten/bezoekers van het woongebouw. Iedere woning beschikt over een eigen berging. De fietsen van de bewoners kunnen in een (gemeenschappelijke) kelder geparkeerd worden of in de priveberging van de nieuwe bewoners. Het opladen van elektrische fietsen zal in de eigen berging worden gedaan. De gemeenschappelijke fietsen berging wordt niet voorzien van
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 50
oplaadpunten. De kelder biedt ook ruimte voor het parkeren van scootmobiel en eventueel bakfietsen. De bewoners maken zich zorgen over de parkeerdruk in de omgeving. Hoe kan gebruik gemaakt worden van het achterliggende parkeerterrein? o Antwoord: Het auto parkeren vindt plaats op eigen terrein. In totaal worden er 46 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het parkeerterrein wordt afgesloten met een slagboom. De bewoners van de omliggende woningen komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning. Hoe wordt het parkeerterrein afgesloten wanneer nog niet alle auto’s van het terrein zijn verwijderd? o Antwoord: 11 november sluiten de hekken volledig op het terrein. De auto’s die na die tijd nog geparkeerd zijn worden voorzien van een telefoonnummer zodat de auto’s bij oproep het terrein kunnen verlaten. Wordt er nog en 0-meting uitgevoerd voorafgaand aan de sloop en de nieuwbouw? o Antwoord: De 0-meting wordt conform regelgeving uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf. Wanneer er tijdens de bouw klachten zijn, wordt gevraagd om dit altijd te melden. Dit kan via AvereschA/an Herk. Van Herk Groep is bereikbaar voor opmerkingen, klachten en alle vragen omtrent de werkzaamheden ter plaatse van de Oude Haagweg 128.
Ter afsluiting zijn Van Herk Groep en Averesch Bouw uitgenodigd voor de volgende vergadering. Na verkrijgen van de omgevingsvergunning zal een informatieavond worden georganiseerd waarin initiatiefnemer en haar aannemer zich samen aan de buurt presenteren.
5.2.2
Planologische procedure
Voor deze ontwikkeling wordt de Omgevingsplanactiviteit (OPA) procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor eenieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open.
Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 51
6
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel om twee extra woningen te realiseren ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 52
BIJLAGE 1
Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO
Pagina | 52
Quickscan
In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening
Plangebied: Oude Haagweg 128, Den Haag
Opstel ler(s):
Quickscan
In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening Ondertitel
Plangebied: Oude Haagweg 128, Den Haag
Opstel ler(s)
Datum
26-04-2019
Versienummer
01
Rapportkenmerk
ER20190408v01
Aantal pagina's
39
Opdrachtgever
Van Herkgroep
Contactpersoon
Collegiale toets Wijze van citeren
2019. Quickscan. In het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte.
Plangebied: Oude Haagweg 128, Den Haag.
Rapportkenmerk ER20190320v01. Ecoresult B.V.,
Dordrecht.
Ecoresult B.V.
Van Ravesteyn-erf 156 3315 DK Dordrecht
078 75 184 12 info@ecoresult.nl
www.ecoresult.nl
© copyright Ecoresult B.V. 2019
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding......................................................... 1.1 Aanleiding................................................ 1.2 Doel.......................................................... 1.3 Leeswijzer..................................................
.5 .5 .5 .5
2 Toelichting onderzoekskader.......................... 2.1 Wet natuurbescherming........................... 2.2 Omgevingsverordening............................
.7 .7 .9
3 Omschrijving plangebied............................... 3.1 Algemeen................................................. 3.2 Beschrijving.............................................. 3.3 Voorgenomen ontwikkelingen................. 3.4 Planning....................................................
11 11 11 13 13
4 Onderzoeksresultaten beschermde gebieden 4.1 Wet natuurbescherming........................... 4.2 Omgevingsverordening............................
15 15 18
5 Onderzoeksresultaten beschermde soorten... 5.1 Algemeen................................................. 5.2 Soorten Vogelrichtlijn................................ 5.3 Soorten Habitatrichtlijn............................. 5.4 Nationaal beschermde soorten.................
.21 .21 .22 .26 .30
6 Conclusies en aanbevelingen......................... 6.1 Aanleiding................................................ 6.2 Beschermde gebieden.............................. 6.3 Beschermde soorten................................
.33 .33 .33 .34
7 Geraadpleegde bronnen................................ 7.1 Internet.....................................................
.37 .37
1
Inleiding
7.7
Aanleiding
In opdracht van van Herkgroep heeft Ecoresult B.V. een guickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Oude Haagweg 128, Den Haag. De aanleiding voor dit verzoek betreft een beginselaanvraag
bij de gemeente Den Haag. De exacte plannen zijn nog niet bekend, derhalve wordt in deze guickscan uitgegaan van een worst case scenario (sloop en nieuwbouw). Deze ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor
flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze guickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld dient te worden.
1.2
Doei
Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de
voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot: •
Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het
kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). •
Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). •
Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het
Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of een negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau (o.a. bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere
provinciale landschappen, belangrijke weidevogel gebieden). In het kader van de Verordening
ruimte.
1.3
Leeswijzer
In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waar aan getoetst wordt. Vervolgens wordt het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per beschermingsregime de
voor het plangebied relevante beschermde gebieden en beschermde soorten beschreven en 5
beoordeeld. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samengevat en wordt (indien van toepassing) geadviseerd welk aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met
een bronvermelding en een fotobijlage van het plangebied ten tijde van het oriënterend veldbezoek.
6
2
Toelichting onderzoekskader
2.1
Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze nieuwe wet is een vervanging
en samenbundeling van drie voorgaande wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet'.Tevens heeft er een decentralisatie van het bevoegd gezag plaatsgevonden: per 1 januari 2017 zijn de provincies verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Wnb is op
te delen in grofweg drie delen:
2.1.1
Bescherming van gebieden
De Wnb richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op Natura 2000-gebieden.
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden
worden bepaalde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Invloeden (ook van buitenaf) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen
niet in gevaar brengen.
2.1.2
Bescherming van soorten
De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen
(zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten
die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde
soorten (in de wet aangeduid als "andere soorten"). Als bevoegd gezag heeft iedere afzonderlijke
provincie (een aantal) algemene soorten uit deze derde categorie vrijgesteld van ontheffingsplicht. Wel geldt altijd voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij
werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen
(binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren
te voorkomen2. 1 2
www.rvo.nl Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen
7
Beschermingsregime Nationaal beschermde soorten (andere soorten) § 3.3 Wnb____________ Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden ofte vangen.
Beschermingsregime soorten Vogel richtlijn § 3.1 Wnb
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijkte doden ofte vangen.
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijkte doden ofte vangen.
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen ofte beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen ofte vernielen.
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijkte vernielen of te rapen.
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijkte beschadigen ofte vernielen.
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Art 3.5 lid 2 Niet van toepassing Het is verboden vogels opzettelijkte Het is verboden dieren opzettelijkte storen, tenzij de storing niet van verstoren. wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetrefénde vogelsoort.
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijkte plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijkte plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen ofte vernielen.
Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb
2.1.3
Bescherming van houtopstanden
De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van de Boswet en richt zich
op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van
een kapverbod. In deze guickscan blijft de bescherming van houtopstanden buiten beschouwing.
8
2.2
Omgevingsverordening
In de verordening ruimte is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vastgelegd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van groene gebieden, voorheen bekend als de Ecologische
Hoofdstructuur (EHS). Het NNN wordt beschermd via het planologisch kader. Het NNN is verankerd in
de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Verordening ruimte zijn verwerkt. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het"nee, tenzij" principe en is gericht op'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken'van het NNN.
Naast het NNN kan de provincie planologische bescherming aan gebieden toekennen door hen aan te wijzen als "bijzondere provinciale natuurgebieden" onbijzondere provinciale landschappen". Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden. Het NNN kent geen uniform beschermingsregime. Iedere provincie kan een eigen invulling geven aan bijvoorbeeld
compensatie. Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan
sterk verschillen tussen provincies.
9
3
Omschrijving plangebied
3.1
Algemeen
Het plangebied voor deze quickscan betreft een leegstaand kantoorpand gelegen op de hoek Oude Haagweg/ Laan van Vredestein in Den Haag, gemeente Den Haag, provincie Zuid-Holland (zie Afbeelding 1 voorde ligging).
*,
9
+
75
2
AAG
•,
I
0
S
*
3
2
2
O
{ - ■
Ek
\ 15
■
\
-w
<■
50
a-
7, I
226
126
\
\Y
v
Ê 0 -2-
E 225
\
.3
o *
\
-
-
\
Legenda I I Plangebied
(©)) ecoresult
advies 77125. 77150 .77175 __ . Afbeelding 1: Ligging plangebied (rood omiijnd), zie voor regionale ligging kaartinzet rechtsboven. Bron: PDOK
77075 X
3.2
ecologisch
en onderzoek
Beschrijving Het plangebied betreft een leegstaand kantoorgebouw en bestaat uit een souterrain, begane grond en drie verdiepingen. Bouwjaar 1 9283. Naast het pand staat ook een overdekte schuur
(fietsensta11ing/berging) en een elektriciteitshuisje. Aan de noordzijde grenst de Oude Haagweg aan de oostzijde Laan van Vredestein en aan de westzijde Schifflaan.Ten zuiden van
3
https://bagviewer.kadaster.nl/lvbag/bag-viewer/#?searchQuery=vijzelstraat %201 E&resultOffset=0&objectld=0518200000513114&geometry.x=79101.407&geometry.y=457998.813&zoo mlevel=6&detailsObjectld=0518010000513115 11
©) ecoreSult het pand ligt een klein parkeerterrein. (Afbeelding 2 en 3). De bebouwing bestaat uit:
°
Kantoorpand, opgebouwd uit baksteen met aan de noord en zuidkant houten
gevel(pui)platen. Het pand heeft een dak strip, boeiboord, zonnewering, dilatatievoegen, een ventilatiebuis langs de westgevel, een plat dak met bitumineuze dakbedekking en een
golfplaten loods opbouw. Ruimte is aanwezig tussen dak strip en boeiboord, tussen
boeiboord en gevel, achter de gevelplaten, onder de zonnewering en open dilatatievoegen.
°
Opbergschuur/stalling gemaakt van hout en een golfplaten dak. Ruimte tussen de houten
planken is aanwezig (semi open schuur).
°
Elektriciteitshuisje, met ruimte onder dakrand. Geen bijzonderheden gezien.
Beplanting in het plangebied is rondom het pand aanwezig. Het gaat om o.a. klimop tegen de
oost/zuid gevel, hulst, liguster, fijnspar, taxus, grauwe abeel, esdoorn, moseik, zomereik, Spaanse aak en sneeuwbes. Grenzend aan de zuidkant van het plangebied ligt een grotendeels verhard parkeerterrein, met
een aantal bomen waaronder grauwe abeel, prunus spec en robina.
Open water is in en in de directe omgeving van het plangebied afwezig.
•
Ondergrondse ruimten zijn voorzover bekend afwezig in het plangebied.
•
Verlichting bestaat uit gevelverlichting en straatverlichting in de directe omgeving (langs openbare weg en woonwijk) van het plangebied. • r
■
8,
NaB
*5.2 V:
-
5,736
,9
i—k
I
K,
m
III IIII I II
wdiri
- ■ 33
a . ■ •
Afbeelding 2: Plangebied, vanuit zuidoosten gezien. Met daarvoor het parkeerterrein. Foto: V Stuit / Ecoresult B. V
Afbeelding 3: Elektriciteitshuisje met schuur ten zuidoosten van het kantoorpand. Foto: V Stuit / Ecoresult B.V.
Zie bijlage 1 voor een foto-impressie van het plangebied.
12
3.3
Voorgenomen ontwikkelingen
De voorgenomen ontwikkeling is nog niet bekend. Uitgaande van worstcase- scenario zal bebouwing
gesloopt worden en direct aangrenzende beplanting worden verwijderd. Vervolgens zal nieuwbouw gerealiseerd gaan worden.
3.4
Planning
De exacte planning van de voorgenomen ontwikkelingen is Ecoresult B.V. op dit moment nog niet
bekend.
13
4
Onderzoeksresultaten beschermde gebieden
4.1
Wet natuurbescherming
4.1.1
Natura 2000
De dichtstbijzijnde Natura 2000 - gebieden zijn: Westduinpark& Wapendal op circa 1,2 kilometer ten
zuidwesten van het plangebied en Solleveld & Kapittelduinen op circa 2,5 kilometer ten westen van het
plangebied4. (Afbeelding 4). Invloeden (ook van buitenaf) mogen de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen.Ter ondersteuning van de effectbeoordeling is de
Effectenindicator5 geraadpleegd (zie Afbeelding 5 en 6). Op basis hiervan en de aard van de activiteiten die in het plangebied zullen plaatsvinden valt op voorhand uitte sluiten dat er sprake is van (tijdelijke)
negatieve impact (trilling, licht, geluid, optische verstoring, stikstofdepositie, etc.) op de wezenlijke waarden en kenmerken van bovengenoemd gebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk.
Er hoeft geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7 van de Wnb te worden aangevraagd.
4 5
https://calculator.aerius.nl/calculator/ https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorappl.aspx ? selectGebied=97&selectActiviteit=Woningbouw&submit=Toon+effecten&subj=effectenmatrix 15
-LILEIIKVELILIET
% iindor
Zorgvliet
\
/ *
Wesduinpark
Duinoord igehwik
8
/
Bioemenbuurt
duin
Zeet
Bomen buurt
7 Wapendal-
Regentessekwa
Valkenboskwartier Heesterbuurt
Bohei
Vruchtenbuurt
Meer én Bos
Oostbroek Waldeck
O
Ockenburgh
/ Solleveld & Kapittelduine
Leyepburg
C
Zuiderpark
©
,&
Kraayenstein
Vroondaal
c <
Morgenstond
Bouwlust
Afbeelding 4: Plangebied (globaal rood omcirkeld) ten opzichten van natura 2000gebieden (geei). Bron: https://calculator.aerius.nl/calculator/
16
(D
UI
O
Duindoornstruwelen Duinbossen Vochtige duinvalleien Groenknolorchis
1 2 7 8 13 14 15 16 17
Witte duinen
*='Grijze duinen
■ ■■ •MMM• ■ H X X 0 • •
••IHMZZII •••ERE ■ ■ ••EZE•• .x.•EEEMm
Nauwe korfslak
• zeer gevoelig
gevoelig I niet gevoelig El n.v.t.
...
Verstoring door mechanische effecten Optische verstoring Verstoring door trilling Verstoring door licht Verstoring door geluid Verdroging Verontreiniging Versnippering
*Duinheiden met struikhei
Storingsfactor
1 2 7 8 13 14 15 16 17
Witte duinen
*Grijze duinen
Oppervlakteverlies
Verstoring door mechanische effecten Optische verstoring Verstoring door trilling Verstoring door licht Verstoring door geluid Verdroging Verontreiniging Versnippering Oppervlakteverlies
Storingsfactor
Embryonale duinen
onbekend
Afbeelding 5: Effectenindicator Soiieveid & Kapittelduinen met activiteit 'woningbouw' Bron:https://www.synbiosys.alterra.nl/natura 2000/effectenindicatorappLaspx? selectGebied=99&selectActiviteit=Woningb ouw&submit=Toon+effecten&subj=effecten matrix
“Duinheiden met struikhei
••••ZEE ••••••
Duindoornstruwelen Duinbossen • — • El
zeer gevoelig gevoelig niet gevoelig n.v.t. onbekend
Afbeelding 6: Effectenindicator Westduinpark & Wapendal met activiteit 'woningbouw'. Bron: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ effectenindicatorappLaspx? selectGebied=98&selectActiviteit=Woningbo uw&submit=Toon+effecten&subj=effectenm atrix
17
4.2
Omgevingsverordening
4.2.1
Natuurnetwerk Nederland
Het dichtstbijzijnde onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn Westduinpark &
Wapendal ten noordwesten op circa 1,2 kilometer afstand van het plangebied en Park Meer en Bos op circa 1,4 kilometer ten noordwesten van het plangebied. De meest dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone ligt op circa 2 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. (Zie Afbeelding 7) Welke
het N2000 gebied en een belangrijk weidevogelgebied met elkaar verbindt. Op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt
op voorhand uitte sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact op de wezenlijke waarden en kenmerken van bovengenoemde gebieden. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk.
4.2.2
Belangrijk weidevogelgebied
Het meest dichtbijgelegen bestemde belangrijk weidevogelgebied betreft de Woudse polder gelegen
op een afstand van circa 6,5 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Op basis van de afstand en de aard van de activiteiten die in het plangebied zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke) negatieve impact (trilling, licht, geluid, optische verstoring, etc.) op de
wezenlijke waarden en kenmerken van bovengenoemd gebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet
noodzakelijk.
18
©) ecoreSult belgsEn Gebieden Natura 2000
II
eveningen
Natuurnetwerk Nederland • Bestaande en nieuwe natuur
Benoord
• Ecologische verbinding
rchipelbuurt
Blijvend agrarisch gebied binnen Natura2000_ Waternatuurgebied
Mariah
• Grote wateren en Noordzee
Bezuidenhout
Zeeheldenkwartier
Belangrijk weidevogelgebied PV
Vaikenboskwartier
Stationsbuurt
Vo
oheman
‘S-Gravenhage Waldeck
Kr
stein
O-eyenburg
Manster
*
Spoorwijk .. Moerwijk Morgenstond
Vrederust
eide
Laakkwartier
Rijswijk
Weteringsc Veld
Poeldijk
Afbeelding 7: Natura 2000, NNN-gebieden, belangrijk weidevogeigebieden (vallen net buiten de afbeelding) en Ecologische verbindingen ten opzichte van het plangebied (globaal rood omcirkeld). Bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN
4.2.3
Ecozones Den Haag
Het plangebied is niet gelegen in de stedelijke ecologische hoofdstructuur. De bomen langs de Oude Haagweg in het plangebied vormen een Hoofdboomstructuur. De bomen aan de Oude Haagweg zijn
geen onderdeel van het plangebied. De begraafplaats in de Vruchtenbuurt is een groengebied op een afstand van circa 300 meter. Op basis van de afstand van deze ecozones tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt uit te sluiten dat er sprake is van (tijdelijke)
negatieve impact op bovengenoemd gebied. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk.
19
= Natuurnetwerk - Groengebieden en ecologische verbindingszones Oude Haagweg, 's-Gravenhage X Toon zoekresultaten voor Oude Haa...
Legenda
Vruchtenl
L
Hoofd boomstructuur
K\ Com p on i si enb u ur t
Gemeentegrens
V R osenburg
Natura 2000-gebied
Wal deck
Groengebied
Nieuw -Waldeck
Waldeck
Leven burg
I
Ecologische verbindingszone
Erasmuszone
P
Groene Assen Zuidwestzone
Haagse Beekzone
H ou tw । j k I 0o idjinen 0.3km
e
Houtzone Laakzone
A / Afbeelding 8. Ecozones Den Haag tav plangebied (zwarte stip). Bron: http://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.htmi? id=O93893b9dO654c599/8b26655d1d3d4b&extent=68998.2/1/%2C44962969O3%2C92988.619/%2 C460259.6115%2C28992 •E
20
Leidschenveenzone
5
Onderzoeksresultaten beschermde soorten
5.1
Algemeen
Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 08-04-2019 door ecologisch deskundige6
Het
complete plangebied is - daar waar nodig met hulp van een verrekijker - onderzocht.
De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF)7 is geraadpleegd om een indrukte krijgen over de
aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied. Op Afbeelding 8 is het zoekgebied
weergegeven. De tabellen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF database van
de afgelopen 5 jaar.
Voorzover bekend zijn andere bronnen met relevante informatie afwezig. Op basis van het bronnenonderzoek en de aanwezige habitats was een goede inschatting van de potenties en aan- of
afwezigheid van de beschermde soorten te maken.
De resultaten uit voorliggend rapport hebben een geldigheid van 3 jaar.
6 7
Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar https://mijn.rvo.nl/ecologisch deskundige?inheritRedirect=true https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal
21
© ecoreSult
Afbeelding 9: Grid waarbinnen is gekeken naar waarnemingen van beschermde soorten in de NDFF. Het plangebied is gelegen op de witte stip. Bron: NDFF - https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal.
5.2
Soorten Vogelrichtlijn
5.2.1
Bronnenonderzoek
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Slechtvalk Sperwer Wespendief
Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten
Tabel 2: Waargenomen vogels metjaarrond beschermde nesten binnen een afstand van 5 km van het plangebied in de afgelopen vijfjaar. Bron: NDFF - https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal, geraadpleegd op 08-04-2019.
22
5.2.2
Verkennend veldonderzoek
5.2.2.1
Vogels metjaarrond beschermde nesten
Het plangebied is ongeschikt voorvaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde
nesten in gebouwen. Bebouwing is ongeschikt voor huismus en gierzwaluw. Openingen in het gebouw zijn te smal om door deze soorten gebruikt te worden. Buiten het plangebied staan wel
woningen die potentieel geschikt kunnen zijn voor huismus en gierzwaluw. Huismus is tijdens het veldbezoek niet gezien en gehoord in en in de buurt van het plangebied. De schuur/stalling is ongeschikt voor nest- en rustgelegenheid voor kerkuil. Het ligt in druk stedelijk gebied. De slechtvalk
broed in stedelijke omgeving in nestkasten op hoge bebouwing, nestkast(en) zijn op de bebouwing
niet aanwezig. Slechtvalk is in 2015 jagend waargenomen nabij het plangebied (bron: NDFF). Vaste rust
en verblijfplaats van slechtvalk wordt niet verwacht in het plangebied. Ook voor ooievaar zijn er geen geschikte plekken in en rondom het plangebied, zoals een kunstnest op het dak, telefoonpalen en
hoge bomen. Grote gele kwikstaart heeft zijn broedgebied langs beken en rivieren in het zuiden van Nederland en kan redelijkwijs worden uitgesloten op basis van het ontbreken van dergelijke plaatsen in
en rond het plangebied.
Het plangebied is ongeschikt voorvaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde
nesten in bomen. Dit mede gezien door de ligging van het plangebied en de afstand tussen de
aanwezige bomen. De bomen in en nabij het plangebied zijn geïnspecteerd, sporen als prooiresten, ontlastingsstrepen en braakballen werden niet waargenomen. Ook in de omgeving van het plangebied
zijn tijdens het veldbezoek geen jaarrond beschermde nesten van boombewonende broedvogels waargenomen. Op basis hiervan kunnen soorten als boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en wespendief worden uitgesloten van aanwezigheid.
Het plangebied is potentieel geschikt als niet essentieel functioneel leefgebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Tijdens het verkennend veldonderzoek zijn geen jaarrond beschermde
vogels waargenomen. In de omgeving zijn voldoende (geschiktere) structuren aanwezig die blijvend gebruikt kunnen worden.
52.2.2
Vogels met nietjaarrond beschermde nesten
Het plangebied en directe omgeving is potentieel geschikt voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten. In de bomen in het plangebied kunnen ekster en zwarte kraai zich potentieel vestigen. Ekster
en zwarte kraai zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen, evenals boomnesten. Geschikte holten
23
in gebouwen of nestkasten zijn niet aanwezig voor koolmees, pimpelmees of spreeuw.
5.2.23
Algemene vogels
Het plangebied en directe omgeving is geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels (struik en boombroeders). Houtduif en merel zijn waargenomen tijdens het veldbezoek. In de klimop tegen
de zuidoost gevel is een bezet nest aanwezig van merel, verder zijn er geen boomnesten en holten waargenomen.
5.2.3
Effectbeoordeling en toetsing
5.2.3.1
Vogels metjaarrond beschermde nesten
Het plangebied is ongeschikt voor jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en
voortplantingsplaatsen van gebouw- en boombewonende vogels. Geschikte bebouwing en bomen ontbreken. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een essentieel functioneel leefgebied van vogels met jaarrond beschermde nesten. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Er hoeft geen ontheffing
als bedoeld in artikel 3.1 van de Wnb te worden aangevraagd.
5.23.2
Vogels met nietjaarrond beschermde nesten
Het plangebied is potentieel geschikt voor vogels uit categorie 5 zoals ekster en zwarte kraai. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen omstandigheden die jaarronde bescherming van deze nesten rechtvaardigen. Het betreft lokaal en regionaal algemene vogels. In gebruik zijnde nesten mogen in principe nooit worden verstoord. Door onder andere buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart - 15
augustus) te werken zijn schadelijke effecten op nesten van algemene vogels te voorkomen. Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien het plangebied regelmatig wordt gecontroleerd op
bezette nesten van vogels en deze afwezig zijn. De werkzaamheden dienen dan uitgevoerd te worden
op aanwijzing van een ecologisch deskundige.
5.2.33
Algemene vogels
Het plangebied en directe omgeving is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels, zoals merel en houtduif. Een merel nest is waargenomen aan de zuidoost zijde van het pand in
de klimop. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming
24
van de wet.Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode
15 maart - 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien het plangebied regelmatig wordt gecontroleerd op bezette nesten van vogels en deze afwezig zijn. De werkzaamheden dienen dan uitgevoerd te worden op aanwijzing van een ecologisch deskundige.
25
5.3
Soorten Habitatrichtlijn
5.3.1
Bronnenonderzoek
Soort Soortgroep Baardvleermuis Zoogdieren Gewone dwergvleermuis Zoogdieren Gewone grootoorvleermuis Zoogdieren Laatvlieger___________ Zoogdieren Rosse vleermuis________ Zoogdieren Ruige dwergvleermuis Zoogdieren Kleine dwergvleermuis Zoogdieren Watervleermuis Zoogdieren Meervleermuis Zoogdieren Bruinvis Zoogdieren Bultrug Zoogdieren Potvis Zoogdieren Griend Zoogdieren Witsnuitdolfijn Zoogdieren Boomkikker Amfibieën Rugstreeppad Amfibieën Vroedmeesterpad Amfibieën Muurhagedis Reptielen Zandhagedis Reptielen Gevlekte witsnuitlibel Libellen Tabel3: Waargenomen habitatrichtlijnsoorten binnen een afstand van 5 km van het plangebied in de afgelopen vijfjaar. Bron: NDFF -https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal, geraadpleegd op 08-04-2019.
5.3.2
Verkennend veldonderzoek
5.3.2.1
Vleermuizen
Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust-en verblijfplaatsen van gebouwenbewonende vleermuizen. Het gaat daarbij om de potenties voor zomerverblijfplaatsen, kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en (massa-) winterverblijfplaatsen. De te verwachten soorten zijn gewone
dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger.Tijdens het verkennend veldonderzoek werden geen uitwerpselen of vraatsporen aangetroffen. Andere soorten vleermuizen worden op basis van de
geografische ligging en de ligging in de bebouwdekom niet verwacht. Geschikte locaties voor
26
verblijfplaatsen zijn aanwezig tussen dak strip en boeiboord, tussen boeiboord en gevel, achter de gevelplaten, onder de zonnewering en in de open dilatatievoegen welke toegang kunnen bieden tot
de luchtspouw, (zie Afbeelding 9). In de omgeving van het plangebied zijn paarverblijfplaatsen van
gewone dwergvleermuis bekend en op ongeveer 1 kilometer ten oosten van het plangebied zijn massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis bekend® (zie Afbeelding 10).
Het plangebied is ongeschikt voor boombewonende vleermuizen als watervleermuis, gewone
grootoorvleermuis en rosse vleermuis vanwege afwezigheid van bomen in en in de directe omgeving van het plangebied en verlichting om het plangebied. Meervleermuis is in en nabij het plangebied niet
waargenomen, de waarnemingen die zijn gedaan betreffen overwinterende dieren langs de kust in bunkers (bron: NDFF).
Het plangebied is potentieel geschikt als niet essentieel functioneel leefgebied (vliegroute en foerageergebied) voor vleermuizen. Het gebouw vormt samen met de naastgelegen gebouwen een
lijnvormig element. Het plangebied ligt niet in een foerageergebied en is ook geen onderdeel van een bekende vliegroute. Er zijn voldoende alternatieven aanwezig die als leidend element gebruikt kunnen worden. Vliegroutes nabij het plangebied zijn niet bekend van vleermuizen, wel ligt er een
foerageergebied ten noorden op circa 60 meter en ten zuidoosten op circa 250 meter van het plangebied. De werkzaamheden zullen echter op voorhand geen negatief effect hebben op de
aanwezige foerageergebieden gezien de afstand. fa
Q
Ibl 7
-
-Im w P
II ■«
•I I
1,
Afbeelding 10: Zuidkant plangebied. Ruimte onder dakrand en ruimte onder zonnewering/puiplaten (rood omcirkeld). Foto: / Ecoresult J,, J55bfb496682128977cb79b692 •
I IL-•-./ /
C • I 1.1 I IUN-.uI
-VI--•I I 1/
• • • •/
vV-N-NN . I _ I •
—/ II IM- /.I I • I I II.
27
0985 104 R os e
I
Wil
-k
0L
,20800 cMa 5e" —
■
T
— 3
p38,
-cm OU
5
N
MU.
jjk
i
P
6 Ns-, b-
a
g
) NN
NX A)
Afbeelding 10: Bekende verblijfplaatsen gewone dwergvleermuis (massawinterverblijf = rood vierkantje; paarverblijfplaats= rood rondje) en foerageergebieden in de directe omgeving van het plangebied (rood omlijnd). Bron: https://ddh.maps.arcgis.com/
53.2.2
Overige soorten
Voor andere Ha bitatrichtlij nsoorten (bruinvis, bultrug, potvis, griend, witsnuitdolfijn, boomkikker,
rugstreeppad, vroedmeesterpad, muurhagedis, zandhagedis en gevlekte witsnuitlibel) is het
plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikt habitat. Bruinvis, bultrug, potvis griend en witsnuitdolfijn komen enkel voor in kustwateren. Geschikte voortplantingswateren en
ondiepe poelen voor boomkikker, rugstreeppad en vroedmeesterpad ontbreken in het plangebied. Ook geschikt overwinterhabitat als vergraafbare bodem en hout/stenenstapels ontbreken in het
plangebied. Geschikte muren, rotsachtig substraat ontbreekt in het plangebied, ze komen met name
voor in Zuid-Limburg, muurhagedis wordt niet verwacht in het plangebied. Zandhagedissen komen
met name voor in het open struweelduin van kalkrijke duinen langs de kust of in droge struikheideterreinen in het binnenland, dit habitat komt niet voor binnen het plangebied. Gevlekte
witsnuitlibel planten zich enkel voor in voedselarme vennen, deze zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
28
5.3.3
Effectbeoordeling en toetsing
In deze effectbeoordeling worden uitsluitend de habitatrichtlijnsoorten behandeld waarvoor het plangebied - op basis van dit oriënterende onderzoek - potentie biedt. In dit geval betreft dit potentie
voor verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van vleermuizen. Aanwezigheid van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) in het plangebied is niet uitte sluiten. De werkzaamheden uitgaande van worst case scenario of grootschalige renovatie van de buitenschil
kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zieTabel 1) van de Wnb worden overtreden. Aanvullend
onderzoek is nodig in de periode 15 mei
15 juli middels 3 bezoeken voor kraam- en
zomerverblijfplaatsen. In het najaar tussen 15 augustus - 1 oktober dienen 2 ronden uitgevoerd te
worden voor paarverblijfplaatsen. Voor de functie (massa) winterzwermen dient er tussen 1 augustus 10 september 2 bezoeken plaats te vinden na middernacht. Het onderzoek is nodig om te bepalen of: •
Zomer-, (massa-) winter-, kraam- en paarverblijfplaatsen aanwezig zijn. De tijd tussen de
veldonderzoeken is minimaal 20 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is
conform de eisen9 die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vleermuizen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan
worden gestart. Bij aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen wordt er van uitgegaan dat
de bebouwing ook geschikt is als winterverblijfplaats voor enkele dieren tijdens milde winters.
9
Vleermuisprotocol 2017 29
5.4
Nationaal beschermde soorten
5.4.1
Bronnenonderzoek NDFF
Soort Boommarter Edelhert Eekhoorn Grijze zeehond Gewone zeehond Alpenwatersalamander Meerkikker Vuursalamander____ Kommavlinder Grote vos Bokkenorchis Glad biggenkruid Karthuizer anjer Muurbloem Schubvaren Wilde ridderspoor
Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Amfibieën Amfibieën Dagvlinders Dagvlinders Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten
Tabel 4: Waargenomen Nationaal beschermde soorten Andere soorten § 33 Wnb) welke niet zijn vrijgesteld in Gelderland binnen een afstand van 5 km van het plangebied in de afgelopen vijfjaar. Bron: NDFF https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal, geraadpleegd op 08-04-2019.
5.4.2
Verkennend veldonderzoek
5.4.2.1
Vaatplanten
Beschermde plantensoorten zijn tijdens het verkennend veldonderzoek niet aangetroffen en worden tevens niet verwacht in het plangebied aanwezig te zijn.Veel plantensoorten zijn uitte sluiten op basis
van druk stedelijk gebied en afwezigheid van zandgebieden en ecologisch beheerde natuurterreinen.
Er is geen geschikt substraat of muur aanwezig waar muurplanten als muurbloem en schubvaren kunnen groeien. De ligging van het plangebied in stedelijke omgeving sluit de aanwezigheid van een zeldzame soorten als bokkenorchis, karthuizer anjer, glad biggenkruid en wilde ridderspoor uit.
5.4.2.2
Zoogdieren
Het plangebied is ongeschikt voor Nationaal beschermde soorten zoogdieren waarvoor in Zuid Holland geen provinciale vrijstelling geldt. Het ontbreken van bosgebieden, grotere houtopstanden en
30
structuurrijke elementen sluiten boommarter, eekhoorn en edelhert uit. Een incidenteel passerend dier
is echter niet uitgesloten. Gewone zeehond en grijze zeehond komen uitsluitend voor in kustwateren.
Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten zoogdieren waarvoor in ZuidHolland een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. egel en verschillende soorten muizen.
5.4.23
Amfibieën
Volgens het bronnenonderzoek is in de omgeving alpenwatersalamander en vuursalamander
aangetoond. De aanwezigheid van deze soorten binnen en grenzend aan het plangebied is echter uitgesloten op basis van de afwezigheid van geschikt habitat. Kleinschalig landschap met poelen, bos of heideterreinen zijn afwezig. Daarnaast betreft de waarneming van vuursalamander geen
levensvatbare populatie, het gaat om twee waarnemingen volgens NDFF. Hoogstwaarschijnlijk door de
mens vrijgelaten of waarneming uit een terrarium. Het plangebied is tevens nagenoeg ongeschikt voor
Nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor in Zuid-Holland een provinciale vrijstelling geldt. Het plangebied en directe omgeving bestaat voornamelijk uit verharding. Een incidenteel passerend dier is niet volledig uit te sluiten. Het gaat hier om bruine kikker, en gewone pad.
54.2.4
Dagvlinders
Het plangebied is ongeschikt voor grote vos en kommavlinder. Grote vos is een zwervende soort in Nederland zonder vaste voortplantingsgebieden. Deze soort wordt vooral gezien op vochtige, open
bossen/bosranden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Dit habitat is niet aanwezig in het
plangebied. De kommavlinder leeft in droge, schrale open graslanden, duinen en gevarieerde heide. De
soort komt vooral voor langs de kust van Noord-Holland en op de Waddeneilanden. Het plangebied
voldoet niet geschikt habitat, derhalve is aanwezigheid uitgesloten.
5.4.3
Effectbeoordeling en toetsing
In het plangebied bestaat geen potentie voor nationaal beschermde soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten
waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt als egel, (spits)muizen en een incidenteel
gewone pad en bruine kikker. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals egel,
(spits)muizen, gewone pad en bruine kikker zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken
31
valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen
worden tijdens de werkzaamheden.
32
6
Conclusies en aanbevelingen
6.1
Aanleiding
In opdracht van van Herkgroep heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Oude Haagweg 128, Den Haag. De aanleiding voor dit verzoek betreft een beginselaanvraag
bij de gemeente Den Haag. De exacte plannen zijn nog niet bekend, derhalve wordt in deze quickscan uitgegaan van een worst case scenario (sloop en nieuwbouw). Deze ontwikkelingen kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor
flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld dient te worden.
6.2
6.2.1
Beschermde gebieden
Wet natuurbescherming
Negatief effect (door emissie, geluid, trilling, verlichting of stikstofdepositie) op Natura 2000 - gebieden valt uit te sluiten op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden. Aanvullend (veld)onderzoek is niet noodzakelijk. Daarmee hoeft geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7 van de Wnb te worden aangevraagd.
6.2.2
Omgevingsverordening
Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en
belangrijke weidevogelgebieden. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een
vergunning is niet nodig.
33
ecoreSult 6.3
Beschermde soorten
6.3.1
Soorten Vogelrichtlijn
6.3.1.1
Jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen of als (essentieel) functioneel leefgebied) voor vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen en bomen. Negatieve effecten
zijn uitgesloten. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Daarmee hoeft geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.1 van de Wnb te worden aangevraagd.
6.3.1.2
Vogels met nietjaarrond beschermde nesten
Het plangebied en omgeving zijn potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten, te weten ekster en zwarte kraai. Tijdens het veld bezoek zijn geen nesten