CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS321403 Bijlage 2 ETFAL onderbouwing Oude Haagweg 128

Gemeenteraad 3 april 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake verzoek om bindend advies voor omgevingsvergunning Woongebouw Oude Haagweg 128 (RIS321403)28.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

MEES IV RUIMTE & MILIEU

(Beknopte) Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Oude Haagweg 128 Den Haag Definitief 24095 24095.GoFio 14 januari 2025

Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur

LLB

A-A

ag

N

*

L

Ti

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer

info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

é

€

COLOFON

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer

085 - 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1

Aanleiding en doel

5

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Projectgebied Geldend omgevingsplan Leeswijzer

5 5 6 6

2

Project en toetsing omgevingsplan

7

2.1 2.2

Projectbeschrijving Toetsing omgevingsplan

7 9

3

Omgevingskwaliteit

11

3.1 3.2 3.3 3.4

Landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing Cultuurhistorie, monumenten en archeologie Duurzaamheid en natuurinclusief bouwen Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking

11 12 14 14

4

Aspecten fysieke leefomgeving

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

Activiteiten en milieuzonering Asbest Bodem Geluid Licht Lucht Milieueffectrapportage Mobiliteit en parkeren Natuur Omgevingsveiligheid Waterbelang Windhinder

17 18 20 23 24 26 28 29 32 37 40 46

5

Beschrijving uitvoerbaarheid

49

5.1 5.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49 49

6

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid

52

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 3

Bijlagen

1 2

3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Omgevingsverordening (Ecoresult, d.d. 26-04-2019) Aanvullend onderzoek vleermuizen In het kader van de Wet natuurbescherming (Ecoresult, d.d. 22-11-2019) Ecologisch werkprotocol gewone dwergvleermuis en algemene broedvogels In het kader van de Wet natuurbescherming (Ecoresult, d.d. 27-05-2022) Beschikking Wet natuurbescherming - Soortenbescherming (Omgevingsdienst Haaglanden, d.d. 01-03-2022) Onderzoek stikstofdepositie (SPA WNP ingenieurs, d.d. 26-11-2024) Theoretische beoordeling windklimaat (Peutz, d.d. 07-06-2024) Akoestisch onderzoek geluid voor gemeentewegen (TAUW, d.d. 12-12-2024) Brief status (aanvullend) verkennend bodem- en asbestonderzoek (Econsultancy, d.d. 26-062024) Rapportage Asbestinventarisatie (Van Santen Advies, d.d. 23-05-2024) Bezonningsonderzoek Oude Haagweg 128 te Den Haag (Peutz, d.d. 21 juni 2024) Bemalingsadvies (Mos Grondmechanica, d.d. 12 november 2024) Techniplan/herbestemming Oude Haagweg Den Haag (DGMR, d.d. 16 december 2024) Watersleutel Delfland (d.d. 9 januari 2025) Tekening infiltratiekratten (d.d. 10 januari 2025)

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 4

AANLEIDING EN DOEL 1.1

AANLEIDING In opdracht van Oude Haagweg Ontwikkeling B.V. heeft Mees Ruimte & Milieu een (beknopte) goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving opgesteld voor de gewenste sloop en nieuwbouw ontwikkeling van 68 woningen ter plaatse van de Oude Haagweg 128 te Den Haag.

Omdat de ontwikkeling sloop en nieuwbouw betreft en twee extra woningen zijn beoogd dan reeds is vergund/planologisch toegestaan, wordt een planologische procedure doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning. Als onderdeel van deze omgevingsvergunning wordt gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, in voorliggende (beknopte) Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GoFlo).

1.2

PROJECTGEBIED Het projectgebied betreft de Oude Haagweg 128 in Den Haag en is kadastraal bekend als perceelnummer 3348, sectie M van de kadastrale gemeente Loosduinen (gemeentecode: LDN03). In het noorden wordt de begrenzing van het projectgebied gevormd door de Oude Haagweg. Via deze weg wordt het projectgebied ontsloten. In het oosten en westen wordt de begrenzing van het projectgebied gevormd door ontsluitingspaden vanuit de wijk in de richting van de Oude Haagweg. In het zuiden wordt de begrenzing van het projectgebied gevormd door (bedrijfs)bebouwing. Figuur 1. Luchtfoto projectgebied (bron: MOVE urban architecture)

.3 -2

192 I 1

Het projectgebied is in de huidige situatie grotendeels verhard en voor een deel bebouwd. Het bestaande kantoorgebouw staat al enige tijd leeg. Het voormalige Vredesteinkantoor is na de sloop van de fabriekshallen

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 5

en de herinrichting van het Vredesteinterrein, medio jaren '80, geïsoleerd komen te liggen van haar originele context. Het ligt nu ingeklemd tussen twee woongebieden aan de Oude Haagweg.

1.3

GELDEND OMGEVINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied geldt het “Omgevingsplan gemeente Den Haag”, zoals gepubliceerd op 30 april 2024 en inwerking per 1 mei 2024. Het projectgebied valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet in een definitief omgevingsplan. Op basis van het tijdelijke deel van het geldende “Omgevingsplan gemeente Den Haag” (o.a. bestaande uit het bestemmingsplan “Houtwijk”, vastgesteld op 27 juni 2013 en geheel onherroepelijk in werking) heeft het projectgebied een kantoorbestemming. Daarnaast geldt gedeeltelijk een bouwvlak met een maximale bouwhoogte van 15 meter. Op 22 december 2020 is door Burgemeester en wethouders het besluit genomen om de aangevraagde activiteiten ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘Bouwen’ te verlenen, waardoor het bestaande kantoorgebouw veranderd en vergroot kan worden tot een woongebouw met 66 woningen.

1.4

LEESWIJZER Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Het betreft de onderbouwing waarom sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. De hiernavolgende hoofdstukken zijn als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 2: In dit hoofdstuk wordt het project (de beoogde ontwikkeling) beschreven en vindt toetsing aan het geldende omgevingsplan plaats. • Hoofdstuk 3: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de omgevingskwaliteit, waarbij onder meer de stedenbouwkundige inpassing, archeologie en cultuurhistorie aan bod komen. • Hoofdstuk 4: Dit hoofdstuk betreft een beschrijving van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waar omgevingsaspecten zoals bodem, geluid en gezondheid aan bod komen. • Hoofdstuk 5: In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het project beschreven. • Hoofdstuk 6: Dit hoofdstuk betreft de conclusie ten aanzien van de ruimtelijke en functionele inpasbaarheid.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 6

2

PROJECT EN TOETSING OMGEVINGSPLAN

2.1

PROJECTBESCHRIJVING Huidige situatie

2.1.1

Zoals reeds benoemd is het projectgebied in de huidige situatie grotendeels verhard en voor een deel bebouwd. Het projectgebied ligt aan de Oude Haagweg in de wijk Houtwijk, stadsdeel Loosduinen. Vanaf halverwege de 20ste eeuw is de tuinbouwfunctie van Houtwijk verdwenen en zijn haar woonbuurten ontstaan waarvan Vredestein er een is. De locatie ligt op de route Loosduinen centrum en Den Haag centrum.

Binnen de wijk zijn er recreatie- en groenvoorzieningen, scholen, winkels en goede openbaar vervoer voorzieningen. Centrum, strand en boulevard Kijkduin zijn in 20 minuten bereikbaar. De snelwegen A4, A12 en A13 zijn met de auto in 10 minuten bereikbaar. Aan de noordwestzijde (overzijde van de Oude Haagweg) ligt landgoed Rosenburg bestaande uit vrijstaande gebouwen in groene, parkachtige setting. Aan de zuidwestzijde liggen grondgebonden woningen van vier lagen met een plat dak. Aan de noordoostzijde liggen grondgebonden woningen van drie lagen aan de Oude Haagweg en daarachter van één laag met een kap van twee lagen. Aan de zuidoostzijde wordt het perceel begrensd door stalen bedrijfshallen van circa zeven meter hoog. Figuur 2. Huidige situatie (bron: MOVE urban architecture) [=

Q %,

» $i *

29

9 3

,só

3% %

O

A >

A*

e2,

W seong *,

V

€

%

N*K

d

94, %

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

35

8

I

,°

•o 1

2 ,4

^0

Pagina | 7

Op de terreinen van tuinderij Vredestein aan de Loosduinse Vaart werd in 1909 een rubberfabriek gevestigd die naar de tuinderij is vernoemd. In 1966 heeft de fabriek ruim 1000 werknemers (veelal uit Loosduinen). In 1976 wordt de fabriek gesloten, in 1982 de laatste restanten van de fabriek gesloopt. De Vaart was in 1974 al gedempt. Alleen het kantoorgebouw aan de Oude Haagweg, dat in 1956 is gebouwd, staat er nog en was tot 2011 in gebruik door zorgverzekering Azivo. Op het resterende terrein zijn in 1982 direct achter het parkeerterrein van het kantoor 5 bedrijfsunits gebouwd en in 1984 direct daarachter het hallencomplex voor Connexxion (met entree aan de Houtwijklaan). In 1988 worden de grondgebonden woningen aan de Laan van Vredestein gebouwd en in 1994 de grondgebonden woningen rond het plantsoen aan de Laan van der Kroft. Vanaf 2011 staat het kantoorgebouw leeg en wordt nu door een kunstenaar tijdelijk gebruikt ten behoeve van anti-kraak. Het parkeerterrein wordt door de buurtbewoners beperkt gebruikt voor parkeren. Sinds de hekken rondom het terrein zijn verwijderd, maken fietsers en voetgangers uit de buurt gebruik van de vrije doorgang van de Schifflaan naar de Laan van Vredestein.

Het bestaande schijfvormige gebouw heeft een footprint van 639,3 m2 (47,97 m lang en 14,3 m breed). De hoogte is 15,64 m met een dakopbouwtot 18,33 m. Het perceel heeft een oppervlak van 2885,8 m2 en is vrijwel geheel verhard.

2.1.2

Toekomstige situatie

De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een woongebouw met 68 midden huur en vrije sector huur woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. Figuur 3. Footprint bestaande situatie (grijs) in relatie tot toekomstige situatie (geel) (bron: MOVE urban architecture)

fietspad

1

-4

* . F

—+i

ff? I 9

1 LJJI I

+

footprint bestaand kantoor 6J9.5 m2

#/ bostnnd4223

□ Schifflaan L

□

/ / / /

4

I

&

totjfe footprint nj mewbow 1 003,41

/ / / 0 Q /‘ 58

percre 2885.8 m2 kadn 3368scctie M

/ S

/ § /. sC

/

C o

Het terrein rond het pand krijgt een nieuwe inrichting die de verblijfskwaliteit moet vergroten en de verbinding tussen de twee naastgelegen woonbuurten moet versterken. Hiertoe worden nieuwe doorgaande looproutes geïntroduceerd. Een levendige gevel waaraan gewoond wordt, is een welkome verbetering.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 8

Figuur 4. Nieuwbouw Oude Haagweg 128, datum: 3 mei 2024 (bron: MOVE urban architecture)

1 I

■

SSS-'

■

k.

1 ■ :s

72 3

il

so I[ k

lïl JU* /u Hl

5

K

IUE ID•32 2 i4

lll

-28

r

s 37 Mi Ml ecst j 323-' lllll' III

. -04.Asg2 ■

■

’Ü'!

FK2

2.2

TOETSING OMGEVINGSPLAN In deze paragraaf wordt het initiatief getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege, bestaande uit: • Bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen; • Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (indien aanwezig: Erfgoedverordening, Geurverordening en/of Verordening afvoer van hemelwater); • Bruidsschat.

2.2.1

Bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden

Ter plaatse van het projectgebied geldt het “Omgevingsplan gemeente Den Haag”, zoals gepubliceerd op 30 april 2024 en inwerking per 1 mei 2024. Het projectgebied valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet in een definitief omgevingsplan. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de bestemmingsplannen: • “Houtwijk” (vastgesteld op 27 juni 2013, geheel onherroepelijk in werking); • “Parapluherziening (fiets)parkeren” (vastgesteld op 20 september 2018, geheel onherroepelijk in werking); • “Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten” (vastgesteld op 20 december 2018, geheel onherroepelijk in werking); • “Parapluherziening Flitsbezorging” (vastgesteld op 1 december 2022, geheel onherroepelijk in werking). Het bestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” wordt nader beschouwd in paragraaf 4.7 van voorliggend document. Het bestemmingsplan “Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten” wordt nader beschouwd in paragraaf 4.1 van voorliggend document.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 9

Het bestemmingsplan “Parapluherziening Flitsbezorging” is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling en wordt derhalve niet nader beschouwd.

Bestemmingsplan “Houtwijk” Op basis van het tijdelijke deel van het geldende “Omgevingsplan gemeente Den Haag” (o.a. bestaande uit het bestemmingsplan “Houtwijk”) heeft het projectgebied een kantoorbestemming. Daarnaast geldt gedeeltelijk een bouwvlak met een maximale bouwhoogte van 15 meter.

Besluit omgevingsvergunning Oude Haagweg Op 22 december 2020 is door Burgemeester en wethouders het besluit genomen om de aangevraagde activiteiten ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en ‘Bouwen’ te verlenen, waardoor het bestaande kantoorgebouw veranderd en vergroot kan worden tot een woongebouw met 66 woningen (hierna: reeds verleende omgevingsvergunning).

2.2.2

Bestaande milieunormen bij een milieubelastende activiteit

Met de beoogde ontwikkeling worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt, waardoor artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing is en verdere toetsing aan dit besluit niet noodzakelijk is.

2.2.3

Strijdigheden met het omgevingsplan

Op grond van het (tijdelijk deel van het) “Omgevingsplan Den Haag”, onder andere bestaande uit het bestemmingsplan “Houtwijk” is de realisatie van 68 woningen middels sloop en nieuwbouw van de bestaande bebouwing niet toegestaan. De verleende omgevingsvergunning maakt de verandering en het vergroten (transformeren) van de bestaande bebouwing mogelijk, ten behoeve van 66 woningen.

De beoogde ontwikkeling betreft echter het realiseren van een woongebouw met 68 midden huur en vrije sector huur woningen en stoop en nieuwbouwwerkzaamheden, waardoor de reeds verleende omgevingsvergunning niet toereikend is.

2.2.4

Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, luchthavens (bijvoorbeeld Luchthavenindelingsbesluit), waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een beperkingengebied zoals hiervoor benoemd.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 10

3

OMGEVINGSKWALITEIT In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.

3.1

LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE INPASSING In de Omgevingswet is een goede omgevingskwaliteit opgenomen als een centrale doelstelling (artikel 1.3 Omgevingswet). Dit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving. Bij het toedelen van functies aan locaties in het Omgevingsplan moet de landschappelijke kwaliteit worden meegenomen (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet). Op Rijksniveau zijn er een beperkt aantal instructieregels opgesteld voor landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De provincie en gemeente hebben hierdoor vrijheid om de aspecten landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit in te vullen in bijvoorbeeld de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Eén van de instructieregels waaraan de provincies en gemeenten moeten voldoen betreft het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 van het Bkl).

Daarnaast is het van nationaal belang om de kernkwaliteiten van stad en land te borgen. Op provinciaal niveau betreft de stedenbouwkundige kwaliteit bijvoorbeeld de grens tussen het open landschap en de verstedelijking. Met beleid voor ruimtelijke kwaliteit kan dit worden beschermd. Op gemeentelijk niveau gaat stedenbouwkundige kwaliteit over bijvoorbeeld de hoofdstructuur van een stad. Stedenbouwkundige kwaliteit wordt afgewogen bij de keuze voor een ontwikkellocatie en de stedenbouwkundige invulling. Relatie tot de ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Voor de stedenbouwkundige inpassing kan worden aangesloten bij de reeds verleende omgevingsvergunning, behalve voor de transformatie. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt in de beoogde situatie gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen binnen de ruimtelijke contouren zoals vastgelegd in de reeds verleende omgevingsvergunning. Conclusie Voor het onderdeel landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit wordt aangesloten bij de reeds verleende omgevingsvergunning.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 11

3.2

CULTUURHISTORIE, MONUMENTEN EN ARCHEOLOGIE Algemeen Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten (dit kunnen gebouwde monumenten zijn maar bijvoorbeeld ook tuinen en parken), archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed (dit kan bijvoorbeeld een haven met historische schepen zijn). Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed.

Monumenten De aanwijzing van rijksmonumenten is opgenomen in de Erfgoedwet en deze monumenten zijn daarmee wettelijk beschermd. In een Omgevingsplan kan een rijksmonument worden opgenomen, maar dit is door de bescherming op grond van de Erfgoedwet niet verplicht. In een Omgevingsplan dienen voor alle beschermde monumenten regels te zijn opgenomen om de omgeving van het beschermde monument te beschermen. In de periode tot eind 2029 geldt een overgangsfase voor gemeentelijke monumenten. Na de overgangsfase worden alle gemeentelijke monumenten beschermd in een Omgevingsplan. Tot die tijd kunnen gemeentelijke monumenten ook beschermd worden via een erfgoedverordening. Archeologische monumenten In een Omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de (te verwachten) archeologische waarden. Een archeologische onderzoeksplicht in het Omgevingsplan regelt bijvoorbeeld wanneer archeologisch onderzoek moet plaatsvinden en aan welke eisen dit moet voldoen. In beginsel is een project kleiner dan 100 m2 vrijgesteld, maar in een Omgevingsplan kan een andere vrijstellingsgrens worden vastgelegd.

Stads- en dorpsgezichten & cultuurlandschappen Zowel het Rijk, de provincie als een gemeente kan een stads- of dorpsgezicht met een bijzonder cultuurhistorisch karakter aanwijzen voor bescherming. In een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht zijn de rechtsgevolgen niet gelijk aan die van een gemeentelijk beschermd gezicht. Vergunningsvrij bouwen is in een Rijksbeschermd stadsgezicht bijvoorbeeld ingeperkt. Een landschappelijk waardevol gebied kan beschermd zijn als cultuurlandschap.

Roerend of immaterieel erfgoed In de Omgevingswet is bepaald dat in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld aan roerend of immaterieel erfgoed als dit erfgoed direct of indirect voorwerp kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan regels voor een haven met historische schepen. Of het toedelen van een functie aan een locatie die samenhangt met een (lokaal) volksgebruik dat wordt aangemerkt als immaterieel cultureel erfgoed. Werelderfgoed Naast de bescherming van erfgoed via de regels in artikel 5.130, is in artikel 5.131 voorzien in een specifieke regel voor het werelderfgoed. Een Omgevingsplan dient regels te bevatten voor het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed.

Daarbij geldt dat een ontwikkeling in een betreffende gemeente invloed kan hebben (bijv, hoogbouw) op de universele waarde van werelderfgoed in een omliggende gemeente.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 12

Relatie tot ontwikkeling Monumenten Op de terreinen van tuinderij Vredestein aan de Loosduinsevaart werd in 1909 een rubberfabriek gevestigd. Er wordt gestart met de productie van hakken voor schoenen en veen, later met rijwielbanden en autobanden (de autobandproductie stopt in 1925). In 1966 heeft de fabriek ruim 1000 werknemers (veelal uit Loosduinen) en maakt dan transportbanden, vloeren, containers, persartikelen, walsbekleding en slangen. In 1976 wordt de fabriek gesloten en in 1982 worden de laatste restanten van de fabriek gesloopt. De Vaart was in 1974 al gedempt. Alleen het kantoorgebouw aan de Oude Haagweg, dat in 1956 is gebouwd, staat er nog en was tot 2011 in gebruik.

Ter plaatse van het projectgebied is geen sprake van rijks- of gemeentelijk beschermde monumenten. Archeologische monumenten In het (tijdelijk deel van het) “Omgevingsplan gemeente Den Haag” is geen dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden aanwezig ter plaatse van het projectgebied. Ook op de kaart ‘Archeologische waarden- en verwachtingen van Den Haag” is te zien dat het projectgebied in een zone valt zonder archeologische verwachting. Figuur 5. Archeologische verwachting locatie in rode cirkel (bron: gemeente Den Haag)

ArcheologlscheWaardenVerwachtlngenDH

Zone met archeologische verwachting (Waarde 2) Zone met archeologische waarde (Waarde 1) Zone met archeologische waarde Statenkwartier (Waarde 1) Zone zonder archeologische verwachting

Stads- en dorpsgezichten & cultuurlandschappen Het projectgebied ligt niet in of nabij een beschermd stadsgezicht/ dorpsgezicht/ cultuurlandschap.

Roerend of immaterieel erfgoed In het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan zijn op dit moment geen gevallen opgenomen waarvoor rekening dient te worden gehouden met het roerend erfgoed/ immaterieel erfgoed . Werelderfgoed Het projectgebied ligt niet in of nabij werelderfgoed. Ontwikkelingen in het projectgebied kunnen hierdoor geen invloed hebben op de universele waarde van het werelderfgoed.

Conclusie Het aspect cultuurhistorie, monumenten en archeologie vormt geen randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 13

3.3

DUURZAAMHEID EN NATUURINCLUSIEF BOUWEN Algemeen Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, zie paragraaf 3.1.1.1 van deze GoFlo) zijn de ambities van het Rijk opgenomen die onder andere betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in Nederland. Onderdeel hiervan is het beleidsdoel om ruimte te bieden voor klimaatadaptatie en energietransitie. Hiervoor heeft het Rijk de volgende beleidsdoelen:

Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen is ervoor gekozen dat het grootste gedeelte van de energieproductie wordt gerealiseerd door middel van windparken op de Noordzee. Ook de ruimte op zee is schaars: naast de vraag om ruimte voor energie, is er ruimte nodig voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. De opgave is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Dit is uitgewerkt in het Programma Noordzee 2022-2027. De energie-infrastructuur wordt geschikt gemaakt voor duurzame energiebronnen. De opgave van duurzame energie wordt gerealiseerd met het oog voor de kwaliteit van de omgeving en zo veel mogelijk gecombineerd met een andere functie.

In de Nationale Omgevingsvisie is opgenomen dat naast het realiseren van meer natuurgebieden van een goede kwaliteit, de opgave is dat de natuurlijke hulpbronnen op een duurzame manier worden benut en dat andere gebruikers niet langer afwentelen op de natuur, maar zelfs een bijdrage leveren aan natuur en biodiversiteit. Zo zal bij belangrijke ontwikkelingen als de veranderingen in de landbouw, de energietransitie en de uitbreiding van woongebieden en infrastructuur rekening worden gehouden met natuur (natuurinclusief ontwikkelen). Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. Voor het aspect duurzaamheid en natuurinclusief bouwen wordt aangesloten bij de reeds verleende omgevingsvergunning, waarin maatregelen zijn voorgesteld om energiegebruik te beperken. De maatregelen die zijn voorgesteld omtrent hergebruik komen door de sloop en nieuwbouw te vervallen. De beoogde bebouwing dient echter te voldoen aan de nieuwbouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving, waardoor de strengere eisen voor energiegebruik: de Bijna Energieneutrale Gebouw Eisen (BENG-eisen) van toepassing zijn.

Conclusie Natuurinclusief bouwen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.4

ZORGVULDIG RUIMTEGEBRUIK / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 14

Wettelijk kader Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stede- lijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4.

Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. de regels van hoofdstuk 5;

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De stedelijke ontwikkeling kan niet gekwalificeerd worden als ‘voldoende substantieel’. Hierdoor is het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Om te beoordelen of de stedelijke ontwikkeling als ‘voldoende substantieel’ gekwalificeerd kan worden, moet de jurisprudentie geanalyseerd worden. Zie hiervoor de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). Zo ligt bijvoorbeeld bij wonen de grens op het op het toevoegen van 11 woningen of meer. Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen.

De maatschappelijke behoefte aan de beoogde ontwikkeling, het realiseren van een woongebouw met 68 midden huur en vrije sector huur woningen en de sloop van het voormalige Vredesteinkantoor, kan worden aangetoond aan de hand van de toets aan het (woon)beleid van de gemeente Den Haag. Tabel 1. Toets aan (woon)beleid gemeente Den Haag Woonvisie Den Haag 2027-2030 De Woonvisie Den Haag 2017-2030 is nadrukkelijk sectoraal beleid en sluit aan op het integrale ruimtelijk kader van de Agenda Ruimte voor de stad. Een stedelijke, attractieve en inclusieve woonstad Den Haag heeft een goede uitgangspositie als aantrekkelijke woonstad: een unieke ligging aan zee, een levendig centrumgebied en prettige woonwijken. De bevolking van Den Haag groeit. De ruimte om te groeien is op het eerste gezicht beperkt. Den Haag zal zich voor groei moeten richten op binnenstedelijke locaties (de zogenaamde inbreidingslocaties), transformatie van bestaande gebouwen en gemengde woonwerkgebieden. Het is van belang om hierbij zorgvuldig om te gaan met bestaand groen en bestaande wijken.

Drie centrale thema's tot 2030 Thema 1: Sociaal-inclusieve stad

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 15

De aanwezigheid en spreiding van voldoende betaalbare woningen voor minder financieel draagkrachtige huishoudens is hierbij een belangrijke opgave. Thema 2: Aantrekkelijke en gastvrije woonstad Groepen die bijdragen aan het internationale, gastvrije, levendige en economische profiel van de stad. Denk hierbij aan studenten, young professionals, stedelijke gezinnen en mensen van wie de kinderen het huis uit zijn (empty nesters). Thema 3: Toekomstbestendige woningvoorraad Den Haag gaat zorgvuldig om met de kwaliteiten van bestaande woningen en wijken en zorgt waar nodig voor kleine of grote verbeteringen.

Woonagenda 2020-2023 Om te zorgen dat iedereen prettig kan wonen, zijn flinke maatregelen nodig voor de Haagse woningmarkt. In de Woonagenda 2020-2023 staan deze maatregelen. De Woonagenda 2020-2023 is een nieuwe versie van de vorige Woonagenda 2019-2023, aangevuld met maatregelen uit het coalitieakkoord ‘Samen voor de stad’. Uitgangspunt is dat iedere inwoner van Den Haag fatsoenlijk en betaalbaar kan wonen. Betaalbaar wonen moet haalbaar zijn voor starters, ouderen, studenten én gezonnen. De woningbouwambitie is opgeschroefd van 2.500 naar 4.000 woningen per jaar. Ook wordt onder andere € 50 miljoen uitgetrokken voor betaalbare woningen. In de Woonagenda is beschreven dat het toegankelijk houden van de Haagse woningmarkt voor (lage) middeninkomens één van de grootste uitdagingen is voor de komende jaren. Het aanbod in het middensegment in Den Haag is te klein én de voorraad krimpt op sommige onderdelen sneller dan het door nieuwbouw groeit. Het is daarom belangrijk dat een substantieel deel van de nieuwbouw gericht is op het middensegment en dat de woningen ook over langere termijn in het middensegment blijven. De gemeente zet de komende jaren in op een productie van minimaal 20% middeldure huur.

De gemeente kan een uitgifteovereenkomst of erfpachtvoorwaarden inzetten om het aandeel betaalbare woningbouw formeel af te dwingen. De 30% sociaal en 20% middenhuur regels gelden in principe per nieuwbouwproject. Bij plannen met meergezinswoningen geldt de verplichting vanaf 80 woningen (totale plan). De beoogde (midden huur en vrije sector huur) woningen komen voor een groot deel in het gereguleerde segment vrij (circa 40 woningen), waardoor de betaalbaarheid van de huurwoningen kan worden gegarandeerd. De maatschappelijke behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling kan gezien voorgaande worden aangetoond. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. Op basis van beleid blijkt dat er behoefte is aan de ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 16

4

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GoFlo) wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze aspecten omvatten in ieder de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

4.1

ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daartoe integreert de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. De Omgevingswet beoogt maatwerk te bieden op basis van de specifieke kenmerken van de locatie én van het type activiteit. Dit gebeurt door gebruik te maken van milieuwaarden. Milieuwaarden zijn milieuaspecten of hinderaspecten waarvoor in het door de gemeente op te stellen omgevingsplan normen worden gesteld. Deze normen zien toe op geluid, geur en licht. De milieuthema’s stof en gevaar worden op andere wijze gereguleerd. Het inzichtelijk maken van milieuwaarden komt aan de orde wanneer een nieuwe functie wordt gestart, een bestaande functie wordt veranderd of een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering plaatsvindt.

In 2019 heeft de VNG de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl gepubliceerd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van de eerder genoemde milieuwaarden. Op het moment van opstellen van deze GoFlo is de nieuwe uitgave van de VNG Activiteiten en Milieuzonering Omgevingswet 2024 nog niet beschikbaar (naar verwachting in het eerste kwartaal van 2024 beschikbaar). In 2022 heeft de VNG een (concept) ‘servicedocument’ en een tabel (bijlage 1 van het servicedocument) als hulpmiddel voor gebruikers van het omgevingsplan beschikbaar gesteld. Met dit hulpmiddel kan beter worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In het servicedocument zijn drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of bijvoorbeeld geschikt is voor functiemenging. De opties luiden als volgt: 1. Het maken van een inschatting aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur. 2. Het in aanvulling op optie 1 verkrijgen van een indicatie aan de hand van de getransponeerde VNG tabel 2009. 3. Het verkrijgen van duidelijkheid door het uitvoeren van gericht geluid- of geuronderzoek.

Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. De ontwikkeling is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het omgevingsplan niet aangewezen als een milieubelastende activiteit. Om te beoordelen of de voorgenomen ontwikkeling inpasbaar is, wordt gebruik gemaakt van de bestaande VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering. Op basis van de bestemmingsplankaart bij het bestemmingsplan “Houtwijk” (onderdeel van het tijdelijk deel van het “Omgevingsplan gemeente Den Haag”) is het projectgebied nabij gronden met de bestemming

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 17

‘Bedrijf - 2’ gelegen. De voor ‘Bedrijf - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven in de categorieën A en B van de staat van bedrijfsactiviteiten voor functiemenging. Daarnaast maakt het bestemmingsplan “Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten” onderdeel uit van het tijdelijk deel van het “Omgevingsplan gemeente Den Haag”. Doel van het bestemmingsplan Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten is het voorkomen van verwarring binnen een bedrijfsfunctie of ook niet-bedrijfsfuncties die wel in de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen, al dan niet zijn toegestaan. Daarom wordt met deze parapluherziening de Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging en op bedrijventerreinen vervangen door twee versies waarin geen 'niet-bedrijfsfuncties' zoals supermarkten, scholen en bioscopen zijn opgenomen. Bedrijven van categorie A zijn op basis van de VNG-brochure toelaatbaar aanpandig aan woningen. Bedrijven van categorie B zijn toelaatbaar als ze bouwkundig zijn afgescheiden van woningen. De meest nabij gelegen gronden met de bestemming ‘Bedrijf - 2’ grenzen in het zuiden aan het projectgebied. De bestaande bebouwing bevindt zich echter aan de zijde van de Oude Haagweg, de noordkant van het (kadastraal)perceel, waardoor sprake is van een feitelijke afstand van circa 23 meter ten opzichte van de bedrijfshallen.

In de toekomstige situatie op en afstand van circa 2,5 meter na gelijk blijven. Figuur 6. Werkelijke afstand bedrijfshallen en nieuwe woonfunctie (bron: MOVE urban architecture)

nieuwe woonfunctie

/ C

‘üfshan.’«n ! R

Het maken van een specifieke afweging c.q. het uitvoeren van gericht geluidonderzoek/ geuronderzoek is gezien voorgaande niet noodzakelijk. Dit vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect Activiteiten en Milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2

ASBEST Algemeen Asbest is een verzamelnaam voor zes in de natuur gevormde mineralen met een vezelstructuur, namelijk: actinoliet, amosiet, anthofylliet, chrysotiel, tremoliet en crocidoliet. Asbest is in het verleden veel toegepast in onder andere isolatieplaten, dakbedekking en afvoerbuizen. Als de microscopisch kleine vezels worden ingeademd, kan asbest kanker veroorzaken. Vanaf 1 januari 1994 geldt er een verbod op de toepassing van asbest. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn de relevante regels rondom asbest in bouwwerken opgenomen. Voor objecten geldt het Bbl niet. De bepalingen voor objecten (bijvoorbeeld personenauto’s of vaartuigen) zijn terug te vinden in het Asbestverwijderingsbesluit 2005.

Voor bouwwerken die gebouwd zijn voor 1 januari 1994 dient op basis van artikel 7.9 Bbl een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld, zodat bekend is of redelijkerwijs vermoed kan worden dat in het bouwwerk zich asbest of een asbesthoudend product bevindt. Voor het slopen van (een gedeelte van) een bouwwerk waarbij ook asbest wordt verwijderd, is het doen van een sloopmelding noodzakelijk (artikel

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 18

7.10 Bbl). De sloopmelding dient tenminste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te worden gedaan. In uitzonderingsgevallen bedraagt deze termijn tenminste een week, zie hiervoor artikel 7.10 lid 2 Bbl.

Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. Er worden (sloop)werkzaamheden verricht in of aan een bouwwerk dat vóór 1 januari 1994 is gebouwd. Op 23 mei 2024 is door onderzoeksbureau Van Santen Advies een asbestinventarisatierapport opgesteld. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze GoFlo. Hieronder worden de resultaten weergegeven.

De geschiktheid en reikwijdte van het onderzoek voldoen aan het gewenste doel en hiermee is de rapportage volledig. Locatie specifieke aandachtspunten: • Het pand is destructief onderzocht met het oog op renovatie. • Onder en/of achter het tegelwerk in alle ruimtes heeft inspectie plaatsgevonden. • Onder het alle vloerafwerkingen heeft inspectie plaatsgevonden, op de onderzochte locaties zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. • De beglazingskit van de ramen van alle verdiepingen is niet asbestverdacht. Achter de niet asbestverdachte beglazingskit is foamband aangetroffen direct op het houten kozijn. • De afvoerbuizen bestaan uit pvc en gietijzer. • De afdichtingskit langs de betonnen staanders (m.u.v. degene naar het trappenhuis op de zijgevel) is niet asbestverdacht. Achter deze niet asbestverdachte kit zijn geen asbestverdachte toepassingen aangetroffen. • Achter de Trespa beplating aan de gevels heeft inspectie plaatsgevonden. • De aangetroffen leidingisolatie is niet asbestverdacht. Op 21-05-2024 heeft er een aanvullend onderzoek plaatsgevonden. • Bronnen 3, 4, 5, 9, 11, 13, 15, 16, 18, 19 zijn aangetroffen in de staat waarop deze zijn onderzocht in voorgaande versie van dit rapport. • Op alle verdiepingen is een asbesthoudende pakking in de brandhaspel aangetroffen, zie bron 21.

• De beperkingen van de niet toegankelijke ruimtes op de beletage en souterrain uit versie 1 zijn onderzocht. • In het toilet op de beletage is een asbesthoudend luchtkanaal aangetroffen, zie bron 22. • In het gashok is onderzoek verricht, hierbij zijn er flenspakkingen aangetroffen waaronder ook 1 asbesthoudende beschadigde losliggende pakking. Naar aanleiding van de beschadiging van de pakking zijn er indicatief 2 kleefmonsters genomen in het gashok om uit te sluiten dat er asbesthoudend stof ligt. • In het souterrain is beschadigde asbesthoudende vezelbeplating aangetroffen, naar aanleiding van de beschadiging zijn er indicatief 3 kleefmonsters genomen om uit te sluiten dat er asbesthoudend stof ligt. • In de mof van de gietijzeren leidingen is inspectie geweest hier is geen asbestverdachte toepassing waargenomen. • In de liftschacht en het trafo-huis is geen onderzoek verricht daar deze niet toegankelijk is zonder bevoegd personeel. • De luchtbehandelingskasten op het dak zijn CF. bouwjaar niet asbestverdacht. • Geadviseerd wordt om de asbesthoudende restanten (bronnen 23, 24 en 25) op korte termijn te verwijderen. • Geadviseerd wordt om de overige asbesthoudende bronnen voorafgaand aan renovatie/sloop te verwijderen

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 19

Indien men voornemens is om werkzaamheden te gaan uitvoeren in het gebouw of aan een object waarin asbest is vastgesteld, dan dienen de betrokken werknemers eerst op de hoogte te worden gesteld van het voornoemde inventarisatierapport.

Daarnaast dienen deze werkzaamheden tenminste vier weken voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld. Conclusie Het milieuaspect asbest vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden dienen de betrokken werknemers op de hoogte gesteld te worden van het inventarisatierapport en dienen de werkzaamheden ten minste vier weken voor aanvang te worden gemeld.

4.3

BODEM Algemeen De chemische bodemkwaliteit heeft gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Verontreinigingen kunnen het gebruik van een locatie beperken of tot hoge saneringskosten leiden. Het Aanvullingsspoor bodem (bestaande uit de Aanvullingswet bodem, het Aanvullingsbesluit bodem en de Aanvullingsregeling bodem) voegt het thema ‘bodem en ondergrond’ toe aan de Omgevingswet. De instrumenten van de Omgevingswet zijn daarmee toepasbaar op het thema bodem en ondergrond. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Bodemkwaliteit wordt een onderdeel bij een afweging van aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan. Toelaten van een bouwactiviteit (bestaande uit een bodemqevoeliq gebouw) op een bodemqevoeliqe locatie Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit, bestaande uit een bodemgevoelig gebouw, op een bodemgevoelige locatie. De gemeente is daarom verplicht om in het omgevingsplan regels op te nemen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.

Bodemgevoelige locatie Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c. een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein. Bodemgevoelig gebouw Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen. Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 20

Het omgevingsplan dient regels te bevatten over: de waarde waarboven maatregelen nodig zijn bij de realisatie van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties (artikel 5.89i en artikel 5.89j van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)); welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de hiervoor bedoelde waarde (artikel 5.89k Bkl); een meldingsplicht voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn (artikel 5.89I Bkl); de ingebruikname van de bodemgevoelige locatie (artikel 5.89m Bkl). Indien in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, dan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde (waarboven maatregelen nodig zijn voor het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties) alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89ka Bkl).

Bij een dergelijke omgevingsvergunningaanvraag dient tevens een bodemonderzoek te worden overhandigd, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van de desbetreffende waarde redelijkerwijs is uit te sluiten.

Milieubelastende activiteit waarbij bodemverontreiniging kan ontstaan Bij een aantal milieubelastende activiteiten is voorafgaand aan de activiteit bodemonderzoek van de landbodem nodig. Het doel van het voorafgaand bodemonderzoek is om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. De voorschriften voor het voorafgaand bodemonderzoek staan in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Paragraaf 5.2.2 stelt regels over het type onderzoek, de normen waaraan het onderzoek moet voldoen en over lozingen van vrijkomend afvalwater. Het voorafgaand bodemonderzoek naar de chemische kwaliteit van de landbodem is verplicht bij de volgende milieubelastende activiteiten: Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal); Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal); Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal); Bouwen op een bodemgevoelige locatie (paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Uit het voorafgaand onderzoek blijkt of de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt overschreden. Ook volgt uit het voorgaand onderzoek wat de verwachte hergebruiks- of verwerkingsmogelijkheden voor de te ontgraven grond zijn en op welke manier de partijindeling tot stand komt.

Voor de activiteit saneren geeft het onderzoek inzicht in de ontgravingscontour en -diepte om de beoogde terugsaneerwaarde te kunnen bereiken. Bij het bouwen op een bodemgevoelige locatie bepaalt het onderzoek of sanerende maatregelen nodig zijn om op de locatie te mogen bouwen.

Het voorafgaand bodemonderzoek bestaat uit drie mogelijke fasen: het vooronderzoek, het verkennend bodemonderzoek en het nader bodemonderzoek. Gestart wordt in fase 1, het vooronderzoek. De volgende fase (het verkennend bodemonderzoek) is alleen van toepassing, als de noodzaak daartoe blijkt uit het eerdere onderzoek. Doel hiervan is dat de onderzoekslast voor de initiatiefnemer hiermee beperkt blijft.

Geldigheid van bodemonderzoek De beoordeling van de geldigheid van een onderzoek is maatwerk. Het bevoegd gezag mag bij het nemen van besluiten op grond van de Omgevingswet in ieder geval gebruik maken van rapporten en onderzoeken die niet ouder zijn dan 2 jaar. Bevoegd gezag mag ook gebruik maken van oudere rapporten en onderzoeken als voldoende onderbouwd is dat de gegevens nog voldoende actueel en representatief zijn. Of hiervan sprake is, is onder meer afhankelijk van hetgeen in de tussenliggende periode is gebeurd met een locatie en het type verontreiniging die eventueel in de bodem is gevonden.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 21

Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Er is immers sprake van de realisatie van woningen. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarmee verplicht.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In het verkennend bodemonderzoek is geadviseerd om een nader onderzoek uit te voeren, met aanvullend onderzoek naar de opslag van inkt en verf en naar de parameter asbest.

Door Econsultancy is een verkennend- en nader bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem en puin uitgevoerd op 1 juli 2021. In dit onderzoek wordt gedefinieerd dat er geen sprake is van een geval van bodemverontreiniging onder de destijds vigerende Wet bodembescherming. Geadviseerd is om, wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden, de verontreiniging te verwijderen conform een goedgekeurd Plan van Aanpak.

Ter plaatse van de deellocatie voor de opslag van inkt en verf zijn geen verontreinigingen aangetoond met de onderzochte parameters (metalen, PCB, methanol, trichlooretheen en vinylchloride). In verband met het aantreffen van puin in de bovengrond is een verkennend onderzoek asbest in bodem en puin uitgevoerd. Hierbij is ten hoogste 0,3 mg/kg d.s. asbest aangetoond. Er is geconcludeerd dat er geen reden bestaat een nader onderzoek asbest uit te voeren op de onderzoekslocatie.

Het leek erop dat het enige nog uit te voeren onderzoek bestond uit het onderzoeken onder de bestaande bebouwing. Hiermee is in april 2024 begonnen.

De gehele bebouwing is onderkelderd. De grondwaterspiegel ter plaatse bevindt zich op circa 0,9 m -mv. Derhalve bevindt de keldervloer zich op circa 1,0 m -grondwaterspiegel. Doorboren van de keldervloer heeft geresulteerd in het binnenvloeien van grondwater. Het is derhalve technisch niet mogelijk om bodemonderzoek uit te voeren onder de bebouwing totdat de huidige bebouwing gesloopt is en de grondwaterspiegel kunstmatig verlaagd is. Er bestaat een (kleine) mogelijkheid dat onder de vloer van de bebouwing (gerealiseerd in omstreeks 1950) sprake is van verhoogde gehaltes. Er zijn echter geen duidelijke bodembedreigende activiteiten binnen het huidige kantoorgebouw bekend. Voorgesteld wordt om, alvorens gestart wordt met de sloop, een melding te doen voor de milieubelastende activiteit graven in sterk verontreinigde grond (op basis van de aangetoonde verontreiniging). Direct na de sloop wordt dan een bodemonderzoek onder de bebouwing uitgevoerd. Mochten hier sterke verontreinigingen worden aangetroffen kan het uitgraven tot de gewenste ontgravingsdiepte onder de eerder gedane melding en onder milieukundige begeleiding uitgevoerd worden. De sterk verontreinigde grond kan dan worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Indien er geen sprake is van sterke verontreinigingen onder het pand is het niet nodig om de ontgraving onder milieukundige begeleiding te laten uitvoeren.

Voor de afvoer van grond dienen verschillende hergebruiksklassen wel gescheiden te worden ontgraven en afgevoerd.

Voorgesteld wordt een opzet van het verkennend bodemonderzoek onder de bebouwing, waarbij het aantreffen van sterk verhoogde gehaltes, geen nader onderzoek zal worden uitgevoerd. Ten behoeve van de bouw (milieubelastende activiteit graven) kan worden volstaan met het bepalen van de hergebruikskwaliteit. Voor het oprichten van bodemgevoelige bouwwerken op een bodemgevoelige locatie geldt, conform het door de gemeente Den Haag vastgestelde Omgevingsplan, de Interventiewaarde bodemkwaliteit (en een omvang van < 25 m3) als toetsingswaarde. Eventuele, diepzittende restverontreinigingen kunnen volgens Econsultancy achterblijven, omdat er sprake zal zijn van een duurzame afdeklaag in de vorm van een vloer en/of een laag grond.

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 22

De brief met de projectstatus van het verkennend bodemonderzoek van 21 juli 2020 en het aanvullend verkennend- en nader bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem en puin van 1 juli 2021 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Alvorens de sloopwerkzaamheden wordt een melding gedaan voor de milieubelastende activiteit graven in sterk verontreinigde grond (op basis van de aangetoonde verontreiniging).

4.4

GELUID Algemeen De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten: • Woonfunctie • Onderwijsfunctie • Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang • Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer.

Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen Industrieterreinen

Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl) 50 Ldlen

Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl) 60 Ldlen

53 Ldlen

70 Ldlen

55 Ldlen

65 Ldlen

50 Lden

55 Ldlen

40 Lnight

45 Lnight

Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden.

De praktijk wijst uit dat een goede

Mees Ruimte & Milieu | 24095.GOFLO

Pagina | 23

locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau.

De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien van het aantal kinderen dat tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden. Relatie tot ontwikkeling Voorliggend document maakt de realisatie van twee extra woningen mogelijk ten opzichte van de reeds verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen. Het voormalige Vredesteinkantoor wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de bouw van 68 woningen. Aangezien woningen geluidgevoelige gebouwen zijn, is de geluidbelasting ten gevolge van de omliggende geluidbronnen inzichtelijk gemaakt in door Tauw.

De rapportage van 12 december 2024 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd.

De nieuw te realiseren appartementen zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen Oude Haagweg (inclusief tram), Laan van Vredestein, Groen van Prinstererlaan en Houtwijkstraat. Daarnaast is er een groot aantal andere gemeentelijke wegen rondom het projectgebied gelegen met een etmaalintensiteit lager dan 1000 motorvoertuigen per etmaal en die formeel geen geluidaandachtsgebied hebben. Omdat een deel van deze wegen echter een klinkerverharding hebben en relatief dicht bij het plangebied gelegen zijn, is het geluid van deze gemeentewegen wel betrokken bij het onderzoek. Uit de resultaten volgt dat het geluid door gemeentewegen en door lokale spoorwegen op de gevels van de toekomstige appartementen respectievelijk ten hoogste 64 dB en 57 dB Lden bedraagt. Hiermee worden de standaardwaarden van 53 dB (weg) en 55 dB (lokale spoor) overschreden, de grenswaarden van 70 dB (gemeentewegen) en 65 dB (lokale spoor) niet. Het treffen van maatregelen aan de bron of in de overdracht bieden weinig soelaas. Na het treffen van maatregelen in de vorm van een scherm op de balkons van een aantal appartementen wordt er wel voldaan aan het gemeentelijke geluidbeleid en hebben alle appartementen een geluidluwe gevel. Aanvullend is door DGMR onderzoek gedaan naar de te treffen gevelmaatregelen (Techniplan/herbestemming Oude Haagweg Den Haag, d.d. 16 december 2024 (bijlage 12)).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15235231/1