CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS320525 Bijlage 1 ETFAL-motivering Madepolderweg 59H 180924

Gemeenteraad 18 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Verzoek om bindend advies voor omgevingsvergunning perceel nabij Madepolderweg 59C (RIS320525)21.572 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2. Twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen, zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties, met: 1. één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of 2. twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties. 5.4.5 Resultaten onderzoek Gelet op het beperkte aantal woningen dat met voorliggende ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt (2 woonwagens) en gelet op het bepaalde in artikel 5.54 Bkl leidt de ontwikkeling in niet betekende mate tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en PM10. Uit informatie op de Atlas Leefomgeving blijkt dat de luchtkwaliteit in de bestaande situatie, zowel voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10), voldoende is. De EU-grenswaarde van 40ug/m3 voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) worden niet overschreden.

35

\

G Gekozen kaarten

o

Kaarten Alle kaarten dichtklappen

I

o Alle kaarten aan/uit Q Stikstofdioxide 2022 (NO2) Transparantie: 51%

Legenda: N02 conc. (ug/m3)

vessngaan

pors

■< 8 8-10

% \

-WHO advieswaarde co"

10-12 12-14 14 -16

116 - 20 120 • 25

Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). 2022

) Uitleg bij kaart III Kaart verwijderen

Kaartlaag downloaden

Concentratie stikstofdioxide (NO2) in 2022 op de projectlocatie (Bron: Atlas voor de leefomgeving)

Gekozen kaarten

O

Q Fijnstof2022 (PM10)

Transparantie: 50%

I Legenda:

Fijn stof conc. (ug PM10/m3)

•10 -12 1212-13 1213 -14 114-15 ---- WHO advieswaarde 15-16 16-18

118 ■ 20

Bron: Rijksinstituut voor volksgezondheid en Milieu (RIVM). 2022

(i) Uitleg bij kaart ili Kaart verwijderen

Kaartlaag downloaden

Concentratie fijnstof (PM10) in 2022 op de projectlocatie (Bron: Atlas voor de leefomgeving)

36

5.5 Geluid 5.5.1 Algemeen In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), paragraaf 5.1.4.2. 'Geluid door activiteiten' zijn regels opgenomen over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn in het Bkl regels opgenomen over het geluid van activiteiten buiten industrieterreinen en regels voor windturbines, windparken, buitenschietbanen en militaire springterreinen op een industrieterrein. Een ander besluit, het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), bevat regels over de geluidwering van gebouwen en over het geluid van bouwactiviteiten. De regels over geluid van luchthavens worden later nog ingevoegd. 5.5.2 Regelgeving Artikel 5.55 Bkl bepaald dat paragraaf 5.1.4.2 'Geluid door activiteiten' van toepassing is op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook is paragraaf 5.1.4.2 van toepassing op het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Paragraaf 5.1.4.2 is niet van toepassing op geluid op een niet-geluidgevoelige gevel en een geluidgevoelig gebouw dat op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar. Artikel 5.65 bevat de standaard waarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen). Als toelaat geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw worden de standaardwaarden als bedoeld in tabel 5.65.1 aangehouden. Tabel 5.65.1 Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LArLTals gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van

07.00-19.00

19.00-23.00

23.00-07.00

uur

uur

uur

50 dB(A)

45 dB(A)

40dB(A)

70dB(A)

70dB(A)

65 dB(A)

65 dB(A)

transportmiddelen

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

De grenswaarden voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen worden in tabel 5.65.2 weergegeven.

37

Tabel 5.65.2 Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr.IT Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt dooraandrijfgeluid van

07.00-19.00

19.O0-Z3.0O

23.00-07.00

uur

uur

uur

35 dB(A)

30dB(A)

25 dB(A)

55 dB(A)

55 dB(A)

45 dB(A)

45 dB(A)

transportmiddelen Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

5.5.3 Onderzoek De locatie voor de twee woonwagens vallen volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder woonfuncties. Woonwagens worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen. De woonwagens zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen. Om die reden is onderzoek naar het geluid van gemeentewegen noodzakelijk.

Naast het wegverkeerlawaai is voor de woonwagenlocatie ook bedrijfsgeluid relevant. Aan de overzijde van de Madepolderweg en de Madeweg zijn bedrijven gelegen (glastuinbouw). In paragraaf 5.6 Bedrijven en milieuzonering wordt hier nader op ingegaan. In opdracht van de gemeente Den Haag heeft Cauberg Huygen akoestisch onderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf wordt een samenvatting van het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 1 bijgesloten.

Uitgangspunten onderzoek Onderstaande afbeelding geeft het onderzoeksgebied weer. De locatie in de rechter figuur is in geringe mate gewijzigd: de twee woonwagens schuiven in noordoostelijke richting één meter op, richting de parkeerplaats van het naastgelegen volkstuinencomplex.

Ivushas

»3

Gpügsegsn

!)

cerl) Sorrow 853

□ ------1

D

$

axss Afbeelding 5.1: onderzochte locatie (bron: Cauberg Huygen)

38

Bij de voorgenomen woonwagenlocatie geldt de geluidnormering niet ter plaatse van de gevels of binnen geluidgevoelige ruimten, maar ter plaatse van de begrenzing van de woonwagenlocatie. De exacte plaats van de woonwagens is namelijk nog niet bekend. In afstemming met de Omgevingsdienst Haaglanden is een berekening uitgevoerd met de invoer van twee woonwagens als gebouwen (17 meter lang, 7 meter breed en 3,5 meter hoog), waarbij het geluid op alle vier de zijden van de woonwagens is berekend.

Omdat er in onderhavige situatie sprake is van een geluidbronsoort (gemeentewegen), is geen onderzoek naar cumulatie van het geluid uitgevoerd. Berekeningsresultaten, afweging maatregelen en advies hogere geluidwaarden Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 60 Lden bedraagt en optreedt ter plaatse van de noordwestelijke begrenzing van de woonwagenlocatie. De berekende geluidbelasting op de zuidwestelijke begrenzing bedraagt 58 Lde, n. 56 Lden op de zuidoostelijke begrenzing en 59Lden op de noordoostelijke begrenzing.

60«r

h 58

57

k

56

E

Afbeelding 5.2: berekende geluidbelasting (bron: Cauberg Huygen)

39

De standaardwaarde van 53 Lden wordt overschreden. Aan de grenswaarde van 70 Lden wordt wel voldaan. Zonder toepassing van geluidbeperkende maatregelen is het nodig dat hogere geluidwaarden worden toegestaan. Afweging maatregelen ter reducering van het geluid

Maatregelen aan de bron

Geluidreducerend asfalt Overschrijdingen van de standaardwaarde tot circa 4 dB kunnen worden weggenomen door het toepassen van een geluidreducerend asfalt. Gelet op de geringe omvang van het project zal het aanbrengen en onderhouden van geluidarm asfalt tot onevenredige hoge kosten leiden. Het aanbrengen van geluidarm asfalt is daarom niet wenselijk. Snelheidsbeperking Een snelheidsbeperking op de wegen kan leiden tot een geluidreductie van ongeveer 2-3 dB. Gemeentelijke verkeersplannen voorzien echter niet in een snelheidsbeperking op de onderzochte wegen.

Terugdringen verkeersintensiteiten Het terugdringen van het verkeer leidt eveneens tot onvoldoende geluidreductie. Voor een geluidreductie van 3 dB bijvoorbeeld, zou het verkeer tot ongeveer de helft van de oorspronkelijke verkeersintensiteiten moeten worden verminderd. Verkeersplannen voorzien hier niet in. Maatregelen in het overdrachtsgebied Door het toepassen van geluidschermen langs de wegen kunnen mogelijk extra geluidreducties worden behaald. Het plaatsen van schermen is stedenbouwkundig niet gewenst. Mootregelen oon de ontvongstzijde Het toepassem van een dove gevel (een gevel zonder te openen geveldelen zoals ramen of deuren) mag alleen worden toegepast wanneer het geluid de grenswaarde overschrijdt (artikel 5.78y Bkl). Dat is hier niet aan de orde. Een niet-geluidgevoelige gevel/ dove gevel is daarom niet in dit project toegestaan. Bovendien heeft de beoordeling van het geluid niet plaatsgevonden op de gevel van de woonwagens, maar ter plaatse van de begrenzing van de woonlocaties. Onderzoek geluidluwe zijde Uit berekeningen met de invoer van twee woonwagens als gebouwen waarbij het geluid op alle vier zijden van de woonwagens is berekend, blijkt dat het geluid op de zuid- of zuidoostzijde beduidend minder is dat de standaardwaarde van 53Lden. Uit de berekening blijkt dat het geluid op de zuid- zuidoostgevel ongeveer 49Lden of lager bedraagt.

Zie ook onderstaande afbeelding. Geconcludeerd kan worden dat de woonwagens kunnen beschikken over een geluidluwe zijde.

40

5232323233323233

E8S88S8SSSSSSSSSSSSSS 32323232332323 ***•*•*♦’•*•*♦*

3333332322

333323 357 87*

32222*2*2208

3,50

%88, 49

55

ë

3- 33-

3,50

533336333343333332333 3227*222*.

34)

5233: 5353533533533533335333333

54

2

3232232352232223222322322

388888888888

2232323233233232322233232333

ooooeooesoesesssess 533333*2-

SSeSeSeSs 3333332333333333333323 33*2*2333232*23232333*23232

Afbeelding 5.3: uitkomsten onderzoek geluidluwe zijden (bron: Cauberg-Huygen)

Gemeentelijk beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder Het gemeentelijk beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder (Risl79917 en Risl79918a), hoewel van toepassing op gevallen waarbij er hogere grenswaarden onder de onlangs vervallen Wetgeluidhinder, biedt een afwegingskader onder welke voorwaarden medewerking verleend kan worden aan het toestaan van hogere geluidbelastingen dan de standaardwaarde. Als ontheffingsvoorwaarde is, met het oog op de leefkwaliteit en bescherming van de gezondheid, de geluidluwe gevel opgenomen. De belasting van de geluidluwe gevel mag voor wegverkeer niet hoger dan 53 dB zijn. Het gemeentelijk geluidbeleid biedt de mogelijkheid gelijkwaardige oplossingen voor de geluidluwe gevel te realiseren, waarbij feitelijk de aanwezigheid van directe buitenlucht aan de buitenzijde van de gevel ontbreekt). Of er sprake van een gelijkwaardige situatie is, wordt per individueel geval beoordeeld. Het beleid biedt daarnaast de mogelijkheid om in specifieke situaties een maatwerkafweging te maken. Voorwaarde daarbij is dat redelijkerwijs niet voldaan kan worden aan het beleid hogere grenswaarden en dat sprake is van grote bestuurlijke en maatschappelijke relevantie.

Afwegingen ten aanzien van hogere geluidwaarden Omdat de verschillende geluidreducerende maatregelen bezwaren met zich meebrengen, wordt geadviseerd om een hogere geluidwaarde toe te staan voor het geluid door gemeentewegen tot ten hoogste 60 Lden.

41

5.6 Bedrijven en milieuzonering 5.6.1 Algemeen Op basis van milieuregels moeten bedrijven (en andere milieubelastende activiteiten) alle redelijke maatregelen treffen om gevolgen voor het milieu te voorkomen. Ook als een bedrijf volledig voldoet aan de milieuregels, kan het enige hinder naar de omgeving veroorzaken. Teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen zal er daarom een aanvullende afweging plaatsvinden tussen de toe te laten bedrijfsactiviteiten in relatie tot gevoelige functies, zoals wonen.

Met betrekking tot het aspect milieuhinder worden de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven geregeld via de systematiek van milieuhindercategorieën, zoals die voorheen was vastgelegd in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009. Hoewel de VNG deze brochure inmiddels heeft ingetrokken, blijft Den Haag deze de systematiek als uitgangspunt gebruiken. De Brochure blijkt in de praktijk een goed werkend instrument dat in de afgelopen decennia zijn nut heeft bewezen. Bedrijven en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van de vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe?

Milieuzonering beperkt zich hierbij tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Zoals hiervoor al is aangegeven, is het ordeningsprincipe van milieuzonering bedoeld voor nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van "bestaande situaties" waarbij bestaande / gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan. Via het zogenaamde 'milieuspoor' uit het Bkl en het Bal is het functioneren van bestaande bedrijven geregeld. Omgevingstype / gebiedskarakteristiek De richtafstanden uit de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype.

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Langs de randen, in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties, is weinig verstoring door verkeer.

42

Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen, behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Tabel 6.6.1 geeft de te hanteren richtafstanden weer, zowel tot het omgevingstype rustige woonwijk als het omgevingstype gemengd gebied. milieucategorie

richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk

richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0 m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m 50 m

3.2

100 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

tabel 5.6.1 richtafstanden en omgevingstype (bron: VNG)

5.6.2. Plangebied Het projectgebied en directe omgeving wordt, vanwege de ligging langs een doorgaande weg in de directe nabijheid van glastuinbouwbedrijven en de volkstuinvereniging, beschouwd worden als 'gemengd gebied'. In de bestemmingsplannen van de gemeente Westland (Glastuinbouwgebied Boomawetering en Glastuinbouwgebied Westlandgebied) zijn afstandsregels voor bedrijfsgeluid opgenomen. Deze afstandsregels zijn onder meer gebaseerd op de zoneringswijze uit de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009). Met de gestelde afstandsmaten in de bestemmingsplannen is voor woningen nabij bedrijven een goede milieuhygiënische inpassing gewaarborgd (artikel 3.1.2. van de toelichtingen van de bestemmingsplannen Glastuinbouwgebied Westland en Glastuinbouwgebied Boomawetering). De minimum afstand tot de bestemming Agrarisch-Glastuinbouw bedraagt minimaal 12,50 meter (artikel 3.2.1. onder f, bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Boomawetering). De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) stelt een minimaal aan te houden afstand van 30 meter voor tussen geluidgevoelige objecten en kassen met gasverwarming (omgevingstype rustige woonwijk). In gemengd gebied geldt een minimaal aan te houden afstand van 10 meter.

De afstand van de zuidwestelijke begrenzing van de woonwagenlocatie tot de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' aan de westzijde bedraagt 10 meter (zie de blauwe afstandslijn in afbeelding 5.6.1).

43

Enkelbestemming Agrarisch - Glastuinbouw

•+ ++

•

* * - v:

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie

■

2"

Afbeelding 5.6.1: ligging grens bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' en afstandslijnen 10 m (blauw) en 20 m (oranje)

De Madeweg is een openbare weg die onder meer dient als ontsluitingsweg van meerdere bedrijven en woningen. Het is daarom niet aannemelijk dat de Madeweg onderdeel wordt van een agrarisch glastuinbouwbedrijf. Om die reden is de gemeten afstand van 20 meter een realistische afstand (zie ook afbeelding 5.6.1, oranje pijl). Deze afstand is groter dan de gestelde afstandsmaat van 12,5 meter uit het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Boomawetering, dan wel de aan te houden afstand van 10 meter uit de VNG-brochure. 5.6.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het bedrijfsgeluid ter plaatse van de woonwagenlocatie door glastuinbouwbedrijven aanvaardbaar zal zijn.

5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens.

Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met

44

gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden.

Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. Het is wenselijk dat de regionale brandweer in gelegenheid te wordt gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens. Afbeelding 5.7.1 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van hogedruk aardgasleiding N-509-2 van Gasunie. Deze leiding ligt op ongeveer 45 meter ten noorden van het plangebied.

Plangebied — Aardgasleiding

0 125 250 500 m 1 i _JL_ i L i I - J Esri Nederland, CommunityMap Contributors Afbeelding 5.7.1: plangebied en aardgasleiding (bron: Aviv)

In onderstaande tabel zijn de eigenschappen van deze leiding opgenomen.

45

Naam

W 509-02-KR012

Druk (bar)

Diameter

«0

15,3

(inch)

PR 10*

o

100% letaliteit 80 meter

IX letaliteit 170 meter

Geurstof toegewoegd Ja

Ligging t.o.v.

lneabled B. langenea

50 meter ten noorden van het plangebied

5.7.2 Onderzoek In opdracht van de gemeente Den Haag heeft Aviv EV-onderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf is een samenvatting van het onderzoek opgenomen. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 2. Plaatsgebonden Risico Voor kwetsbare gebouwen en locaties (zoals woningen) is de plaatsgebondenrisicocontour een grenswaarden (artikel 5.7 Bkl). Afbeelding 5.7.2 maakt inzichtelijk dat er ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een plaatsgebondenrisicocontour. Het plaatsgebondenrisico vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen plantontwikkeling.

Plangebied

— Aardgasleiding PR-contour 10-7 PR-contour 108

0 150 300 600 m L 1 i 1 1 1 _l 18 1 Esri Nederland, Community Map Contributors Afbeelding 5.7.2: PR-contouren en aardgasleiding N-509-02 (bron: Aviv) Brandaandachtsgebied Voor aardgasbuisleidingen geldt dat rekening gehouden dient te worden met een brandaandachtsgebied (het gebied waarbinnen aanwezigen mogelijk kunnen overlijden als gevolg van een incident met de aardgasbuisleiding).

46

Plangebied — Aardgasleiding

Brandaandachtsgebied

0 150 600 m 300 1 I i 1 L 1 1 I 1 Esri Nederland/Community Map Contributors Afbeelding 5.7.3: brandaandachtsgebied in relatie tot plangebied (bron: Aviv)

Om te onderbouwen of eventueel aanvullende maatregelen binnen het aandachtsgebied nodig zijn is een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. De oriëntatiewaarde is bepaald op 0.032 maal de oriëntatiewaarde. (Bij een waarde groter dan 1 wordt de oriëntatiewaarde overschreden). Het toevoegen van de twee standplaatsen heeft geen aantoonbare wijziging van het groepsrisico tot gevolg. Het treffen van aanvullende maatregelen lijkt daarom niet nodig. Belemmeringengebied Het belemmeringengebied is de strook die dient ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. Binnen deze strook mogen geen nieuwe bouwwerken worden opgericht. Voor buisleidingen met een druk van 40 bar, zoals hier het geval is, geldt een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de leiding, gemeten uit het hart van de leiding. De plangrens ligt op een afstand van circa 45 meter van de leiding en daarmee buiten de belemmeringenstrook. Voorschriftengebieden Algemeen Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen (ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied (art. 5.14 Bkl)). Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn.

De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen het brandaandachtsgebied als brandvoorschriftengebied aan in het omgevingsplan. Locaties

47

binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied aanwijzen worden (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brandvoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Artikel 4.7 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid van een gelijkwaardige oplossing.

Situatie in het plangebied Er is met voorliggende ontwikkeling sprake van bouwwerken binnen een brandaandachtsgebied. Er is sprake van een beperkt kwetsbaar gebouw. Want op de locatie zijn ten hoogste twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare voorzien. Uit de berekening van het groepsrisico blijkt dat oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. De oriëntatiewaarde is bepaald op 0.032 maal de oriëntatiewaarde. Het toevoegen van de twee standplaatsen heeft geen aantoonbare wijziging van het groepsrisico tot gevolg.

Aangezien er sprake is van het ontwikkelen van bouwwerken binnen een brandaandachtsgebied dient een besluit te worden genomen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden. Niet aanwijzen van een brandvoorschriftengebied Het aanwijzen van een brandvoorschriftengebied heeft verregaande financiële gevolgen voor het realiseren van de twee standplaatsen, aangezien er aan de vereisten uit het Besluit bouwwerken leefomgeving voldaan zou moeten worden. Dat maakt het plan onhaalbaar. Het aanwijzen van de effectafstand 100% letaliteit biedt ook geen oplossing. De woonwagens liggen hierbinnen. Het treffen van maatregelen aan de buisleiding ten behoeve van twee woonwagens is evenmin realistisch, gelet op de verregaande financiële gevolgen. Er is sprake van het realiseren van beperkt kwetsbare gebouwen onder andere vanwege de lage bebouwingsdichtheid, want op de locatie zijn ten hoogste twee woonwagens voorzien. . Mede daardoor is er ook sprake van een laag groepsrisico. Uit de berekening van het groepsrisico blijkt dat oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. De oriëntatiewaarde is bepaald op 0.032 maal de oriëntatiewaarde. Het toevoegen van de twee standplaatsen heeft geen aantoonbare wijziging van het groepsrisico tot gevolg. Door middel van het treffen van bronmaatregelen zal het risico nog verder worden beperkt.

In voorliggende situatie gaat het bij bronmaatregel vooral om het voorkomen van graafschade. De kans op bezwijken van een buisleiding wordt grotendeels bepaald door graafschade. Een grondroerder is verplicht om vooraf een zogenaamde KLIC-melding te doen.

48

Naast de KLIC-melding moet de grondroerder onderzoek verrichten naar de precieze ligging van de buisleiding (middels proefsleuven) en informatie over de graaflocatie bij het Kadaster inwinnen. Deze informatie moet op de graaflocatie beschikbaar zijn. Gelet op het bovenstaande is de kans op een calamiteit als gevolg van graafschade uiterst klein. Het toepassen van ruimtelijke overdrachtsmaatregelen, zoals het vergroten van de afstand tussen de risicobron en de standplaatsen is geen optie. Wel blijft de populatiedichtheid beperkt, doordat er niet meer dan twee standplaatsen gerealiseerd mogen worden. Hierdoor is het niet mogelijk dat de populatiedichtheid zal toenemen. In het geval van een calamiteit zijn er mogelijkheden om te vluchten, hoewel deze beperkt zijn vanwege de ligging en de ontsluiting van het perceel. De kans op een calamiteit is echter zeer gering. De VELIN voert een incidentenregistratie. De VELIN-rapportages beslaan inmiddels de jaren 1999 tot en met 2021. In deze periode vielen in Nederland geen doden of zwaargewonden bij buisleidingincidenten. Het aantal ongevallen bleef in deze 22 jaren beperkt tot acht (bron: Bouwstenennota omgevingsveiligheid Haaglanden). Het realiseren van afschermende bebouwing is niet mogelijk, niet wenselijk en financieel niet realistisch.

Advies Veiligheidsregio Haaglanden De gemeente Den Haag heeft de Veiligheidsregio Haaglanden om advies gevraagd. Het advies is hieronder weergegeven. De adviezen zijn gericht op verschillende aspecten van fysieke veiligheid. Het advies wordt gegeven in het kader van art. 10 en art. 25, lid 1, onder e van de Wet veiligheidsregio's. 1. Omschrijving ontwikkeling De gemeente wil op de Madepolderweg 59H, ter vervanging van de huidige woonwagen en bijgebouwen, twee woonwagenstandplaatsen realiseren. Samenvatting advies VRH Hieronder volgt een korte uiteenzetting van de adviezen die in deze brief zijn toegelicht. - Vluchtweg van risicobron af (verhogen zelfredzaamheid) - Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid)

Risicobronnen en maatregelen fysieke veiligheid In dit hoofdstuk volgt een omschrijving van de risicobronnen en geadviseerde maatregelen op het gebied van fysieke veiligheid voor de omgevingsvergunning Madepolderweg 59H 3.1 Externe veiligheid Het ruimtelijke plan ligt in de nabijheid van de volgende risicobronnen: - Hogedruk aardgastransportleiding W-509-02-KR-012 op circa 45 meter ten noorden van het plangebied.

Buisleiding(en) Vanwege de aanwezigheid van een hogedruk aardgastransportleiding langs het ruimtelijk plan, is het 'Besluit kwaliteit leefomgeving' (Bkl) van toepassing.

49

Worstcase hogedruk aardgasbuisleiding: fakkelbrand Het ergst denkbare scenario is een grote breuk in de aardgastransportleiding die explosief tot ontbranding komt waardoor een fakkelbrand ontstaat. Bij dit scenario is tot in de wijde omgeving de explosie merkbaar. Tot 80 meter is de verwachting dat alle aanwezige personen overlijden en kunnen er tot 170 meter (1% letaliteitgrens) personen overlijden. Ook buiten dit gebied kunnen er nog verschillende secundaire branden ontstaan door de vrijgekomen hitte en bestaat de kans dat mensen eerstegraads brandwonden oplopen. De kans op dit scenario is erg klein.

Geadviseerde maatregelen Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden de volgende maatregelen geadviseerd: Vluchtweg van risicobron af (verhogen zelfredzaamheid) Bij een incident met de hogedruk aardgastransportleiding is het van belang dat mensen veilig kunnen vluchten. Hiervoor is een vluchtweg vanuit de gebouwen richting de omgeving, in een afgekeerde zijde van deze risicobronnen van belang. Dit geldt voor gebouwen bestemd voor het verblijf van personen. Bij de (ver)bouw van gebouwen, bestemd voor het verblijf van personen wordt onafhankelijk van de locatie van het incident een vluchtwegen vanuit het gebouw geadviseerd, via de gevel(s) aan de afgekeerde zijde(n) van de risicobronnen.

Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid) Om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe zij moeten reageren bij een ongeval met de eerdergenoemde risicobronnen is het van belang dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd. Mogelijk kan de gemeente invullen voor dit ruimtelijke plan gebruik maken van de hulpmiddelen die zijn ontwikkeld of beschikbaar zijn. Geadviseerd wordt om bewoners, personeelsleden en vaste bezoekers te informeren over de verschillende risico's en gevaren van de eerdergenoemde risicobronnen. Daarbij dient men tevens geïnformeerd te worden over de wijze van alarmeren en de wenselijke manier van reageren tijdens incidenten (risicocommunicatie). Dergelijke informatie dient op gezette tijden herhaald te worden, zodat het onderwerp onder de aandacht blijft. In de regio Haaglanden is de website www.haaglandenveilig.nl beschikbaar. Via deze website worden burgers geïnformeerd over de aanwezige risico's in de regio en is informatie te vinden over wat zij zelf kunnen doen om deze risico's te beperken.

Bereikbaarheid en bluswatervoorziening De bereikbaarheid en bluswatervoorziening zijn voldoende voor dit plangebied. Restrisico Het effectgebied van de risicobronnen is groter dan dit plangebied. Het totaal aantal te verwachten slachtoffers (en daarmee de hulpbehoefte) is groot bij het ergst denkbare scenario, in dit geval fakkelbrand van de hogedruk aardgastransportleiding. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie is de beschikbare hulpverleningscapaciteit waarschijnlijk onvoldoende om direct aan de benodigde hulpvraag te voldoen. Assistentie vanuit andere regio's is hierbij noodzakelijk.

50

5.8 Waterparagraaf 5.8.1 Algemeen Het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen hebben in februari 2001 de "Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw" ondertekend. Hierin is vastgelegd dat de betrokken partijen de "watertoets" toepassen op alle relevante ruimtelijke plannen met waterhuishoudkundige consequenties. De watertoets (vanaf 1 januari 2024 'weging van het waterbelang') is een instrument om ruimtelijke plannen te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming). 5.8.2 Hoogheemraadschap Delfland Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het waterbeheerprogramma 2022-2027. In het Waterbeheerplan heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. De missie van het Hoogheemraadschap (droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater) staat centraal. Het waterbeheerprogramma schenkt aandacht aan reguliere activiteiten en kijkt tevens naar onderwerpen waar nieuwe initiatieven of innovatieve werkwijzen nodig en mogelijk zijn. Om bijvoorbeeld de biodiversiteit te bevorderen kan Delfland, maar ook gemeenten en particulieren, op een andere manier maaien en baggeren.

Ook kan Delfland dijken inrichten tot biodiverse plekken voor flora en fauna. Tegelijkertijd blijft Delfland er op alert, dat Delfland de dijken nog goed kan inspecteren op bijvoorbeeld scheuren en zwakke plekken. Ook let Delfland goed op de effecten van flora en fauna die een risico vormen voor het duurzaam gebruik en beheer van het watersysteem, zoals de muskusrat, rivierkreeften en duizendknoop. Delfland zet in op stedelijk waterbeheer en samen met gemeenten wordt gewerkt aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorziening door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om de doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners en wordt gewerkt aan het waterbewustzijn om draagvlak te vergroten.

Weging van het waterbelang Een van de instrumenten om het waterbeleid vorm te geven is de weging van het waterbelang. Het doel van de weging van het waterbelang is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Hiervoor heeft Delfland de Handreiking watertoets voor gemeenten opgesteld. De Handreiking Watertoets geeft per thema randvoorwaarden en uitgangspunten en licht toe op welke wijze deze in een plan dienen te worden verwerkt. Beleidsnota 'Beperken en voorkomen wateroverlast'

De basis van het beleid wordt gevormd door de volgende zes beginselen uit de beleidsnota 'Beperken en voorkomen wateroverlast'.

51

1

2

3

4

5

6

Norm als ijkpunt. Delfland hanteert de waterkwantiteitsnormen uit de provinciale omgevingsverordening als maatstaf om te voldoen aan haar wettelijke taak als waterkwantiteitsbeheerder. Deze normen zijn geformuleerd als overstromingskans vanuit het oppervlaktewater. Standstill-beginsel. Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat plannen hydrologisch worden getoetst op klimaatbestendigheid en hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Wanneer andere waterbelangen zwaarder wegen dan het voorkomen van wateroverlast, kan hiervan worden afgeweken. Effectgericht. Het functioneren van het gehele watersysteem staat centraal. Bij de uitwerking en afweging van maatregelen om het watersysteem op orde te brengen en te houden, staat het functioneren van het gehele watersysteem centraal. Dit betekent dat niet alleen moet worden gekeken naar de effecten voor de waterloop waar de maatregel of ingreep plaatsvindt, maar ook naar de effecten op andere plaatsen in het systeem. Gebiedsgericht. Door verwevenheid van functies en de ruimtedruk zijn een gebiedsbrede aanpak en samenwerking met gebiedspartners nodig om het watersysteem op orde te brengen en te houden.

Delfland wil in een vroegtijdig stadium van planvormingsprocessen meedenken met gemeenten over oplossingen, dit ook op het gebied van wateroverlast. Marktgericht. Hoogst maatschappelijk rendement tegen de laagste kosten. Delfland zet in op maatregelen, die leiden tot het hoogst maatschappelijk rendement (conform uitgangspunten 1 t/m 4) tegen de laagst maatschappelijke kosten. Alle oplossingen meewegend. Op voorhand worden geen oplossingen uitgesloten om het watersysteem op orde te brengen of te houden. Bij de keuze van geschikte maatregelen worden factoren waaronder effectiviteit, betrouwbaarheid, integraliteit meegewogen. Delfland wil op deze manier integrale en innovatieve oplossingen mogelijk maken, waarbij meerdere functies of belangen gecombineerd kunnen worden en een oplossing kunnen bieden in gebieden waar ruimte schaars is.

5.8.3 Peilgebied Het plangebied ligt in het peilgebied GPG2007BZM l-d met een vastgesteld waterpeil (m NAP):-0,43m.

5.8.4 Waterkeringen Het plangebied ligt in het Beheergebied Delfland en kent, volgens regels-op-de-kaart deels de aanduiding 'Buffer 10 m rondom duiker', deels de aanduiding 'Buffer 5 m rondom ondersteunend kunstwerk en deels de gebiedsaanwijzing 'Beschermingszone waterkering regionaal'. Buffer 10 m rondom duiker > Buffer 5 m rondom ondersteunend kunstwerk

>

74266, 450119,

VP

i

52

Beschermingszone waterkering regionaal

74266,450119

?

• \

De watergangen rondom het perceel hebben de aanwijzing 'oppervlaktewaterlichaam secundair'. 78

Oppervlaktewaterlichaam secundair

>

74262. 450137

O 5’

€

Artikel 4.1 van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Delfland bepaald het volgende:

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende beperkingengebiedactiviteiten te verrichten: a. waterstaatswerken aanleggen, wijzigen of verwijderen;

53

b. gebruik maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie ervan, en daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te houden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan, of te laten liggen, of de waterstand op een ander peil te brengen of houden dan het peil dat in het peilbesluit is vastgesteld; c. werken aanleggen, wijzigen of houden in het profiel van vrije ruimte. De standplaatsen worden buiten de beschermingszone 'Waterkering regionaal' gerealiseerd. Wanneer er werkzaamheden (ook kleine werkzaamheden zoals ontgravingen en ophogingen, bestratingen etc.) binnen de beschermingszone plaatsvinden, dan geldt daarvoor een vergunningplicht. De omgevingsvergunning wateractiviteit dien bij Delfland aangevraagd te worden. Voor de volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat op werken in of rondom een waterstaatswerk de 'Beleidsregel medegebruik waterkeringen' van toepassing is. Een omgevingsvergunning wateractiviteit zal aan deze beleidsregel moeten voldoen. 5.8.5 Waterkwantiteit 5.8.5.1 Algemeen Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen.

Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken of vasthouden bij de plaats waar het valt en de gemeente draagt zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent dat de gemeente in eerste instantie een inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. 5.8.5.2 Klimaatadaptatie Extreme neerslag, droogte en zeespiegelstijging zijn gevolgen van klimaatverandering waar we mee te maken krijgen. Langdurige hitte en droogte hebben daarnaast niet alleen effect op het watersysteem, maar ook op de (volks)gezondheid en de snelheid waarmee bodemdaling plaatsvindt. De watersleutel van Delfland berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De voorgenomen ontwikkeling treft dan ook de volgende maatregelen: het realiseren van waterbuffers en de groene inrichting van het plangebied (denk aan het groene parkeerdek).

Gezien de verwachte klimaatverandering waardoor steeds vaker langdurige hevige regen optreedt en hitte vaker voorkomt is het raadzaam om verharding zo mogelijk te beperken, regenwater vast te houden waar het valt en vertraagd af te voeren. Hierdoor worden hoge waterstanden verkleind en daarmee de kans op wateroverlast. Op hitte heeft het aanleggen van groen (en daarmee verharding verminderen) een verminderend effect: het versterkt verdamping wat een verkoelend effect heeft. De gemeente is ondertekenaar van het Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland, waarin is opgenomen dat deze netwerkpartijen het overeengekomene willen borgen in het

54

beleid van de betrokken overheden en het meenemen in hun bouwprojecten. Als gevolg van klimaatverandering neemt namelijk de kans op weersextremen toe. Om knelpunten te beperken en te zorgen dat Den Haag in 2050 bestand is tegen neerslag, droogte en hitte is de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig vastgesteld (RIS 308745). Het geeft de ambities en eisen aan ten behoeve van de verschillende thema's en stelt een integrale aanpak voor. Op deze ambities en eisen wordt hieronder volledigheidshalve ingegaan.

Extreme neerslag De ambitie is dat in 2050 in Den Haag bij een korte hevige bui van 70mm in 1 uur (eens in 100 jaar in 2050 volgens huidig klimaatscenario KNMI/STOWA):

•

er geen schade ontstaat vanuit de openbare ruimte aan gebouwen;

•

de vitale infrastructuur en nutsvoorzieningen blijven functioneren;

•

routes en locaties beschikbaar blijven voor hulpdiensten.

Hitte Het aantal tropische zomers neemt naar verwachting tot 2050 verder toe. Het KNMI heeft in het "warmste" klimaatscenario berekend dat de zomertemperatuur zo'n 2,5 graad toeneemt vergeleken met het huidige klimaat. In 2085 zou het zelfs bijna 4 graden warmer worden in de zomer. Hitte heeft effect op de gezondheid van mens en dier. Door hitte lopen kwetsbare groepen zoals ouderen meer risico op uitdroging, en opwarmend oppervlaktewater is schadelijk voor flora en fauna. Als ambitie wordt ernaar gestreefd dat Den Haag in 2050 beter bestand is tegen hitte en dat:

•

de gezondheidsimpact op kwetsbare groepen wordt verkleind via voorlichting en meer koele plekken;

•

de openbare ruimte en gebouwen hittebestendiger worden, in samenhang, groener en met een mix van schaduw en zon ontworpen, zodat een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving ontstaat;

•

vitale infrastructuur en hulpvoorzieningen blijven functioneren.

Droogte De ambitie is in Den Haag dat droogte in 2050 wordt beperkt door maximale sponswerking in de stad via oplossingen in groen en bodembuffers en door wateraanvoer via het (stedelijke/regionale) oppervlaktewatersysteem. Ook mag droogte niet leiden tot onomkeerbare schade aan kwetsbare gebouwen, infrastructuur, groen en ecologische waarden. Ambities:

•

Bij nieuwbouw stellen we de eis dat 50% van de jaarneerslag (her)gebruikt wordt voor watervoorziening van groen of andere voorzieningen. Infiltratie in de bodem is de tweede optie als groene maatregelen niet mogelijk zijn, mits de lokale grondwatersituatie dit toelaat.

Ontwerpprincipes: •

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten waterneutraal worden aangelegd, zodat negatieve effecten op de waterhuishouding worden voorkomen of gecompenseerd.

55

Dit is het zogeheten standstill beginsel. Kansen om het watersysteem te verbeteren worden zo mogelijk benut.

5.8.5.3 Klimaatadaptatie Als een van de eerste gemeenten in Nederland heeft Den Haag in 2012 een uitvoeringsplan Klimaatbestendig gelanceerd. In algemene zin streeft de gemeente ernaar dat in 2050 in Den Haag bij een korte hevige bui van 70 mm in 1 uur, er geen schade vanuit de openbare ruimte ontstaat aan gebouwen, vitale infrastructuur en nutsvoorzieningen blijven functioneren, routes en locaties voor hulpdiensten beschikbaar blijven.

Voor nieuwe ontwikkelingen geldt daarnaast: Bij nieuwbouw geldt de eis dat er 50 mm van een korte hevige bui van 70 mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen en dat na minimaal 24 en maximaal 48 uur de bergingscapaciteit weer beschikbaar is. Bij nieuwe ontwikkelingen is de ambitie dat er waterrobuust wordt gebouwd. Een waterrobuust ontwerp op het niveau van het gebouw voorkomt/ beperkt waterschade bij extreme neerslag (bijvoorbeeld geen vitale of kwetsbare functies in kelders). Via herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om de bekende knelpunten in de openbare ruimte bij een bui van 70mm te verhelpen. De volgorde in waterrobuust ontwerpen is eerst vasthouden, bergen en gebruiken en dan afvoeren. Het is wenselijk om dit te combineren met groene ontwikkeling van de openbare ruimte. Op basis van dit beleid dient er 70m2 waterberging te worden gerealiseerd.

Volgens het beleid van het Hoogheemraadschap dient water dat wordt gedempt minimaal 1op-1 terug te worden gebracht door het graven van nieuw oppervlaktewater. Dit dient plaats te vinden in hetzelfde peilgebied en op een redelijke afstand. Op de planlocatie is echter geen sprake van het dempen van oppervlaktewater, waardoor dit niet aan de orde is.

Wel dient als gevolg van de toename van de ontwikkeling (de toename van bebouwing door het realiseren van twee standplaatsen) 16m2 oppervlaktewater gerealiseerd te worden. 5.8.5.4 Watersleutel Op basis van de Watersleutel dient er in totaal 86m2 oppervlaktewater gerealiseerd te worden (zie ook Bijlage 3). Hiervan is 16 m2 als gevolg van de ontwikkeling (de toename van bebouwing door het realiseren van twee standplaatsen) en 70m2 als gevolg van Klimaat 2050. In m3's betekent dit totaal 25,6 m3 Waterberging.

De benodigde waterberging zal in peilgebied GPG2019BZM1 worden gerealiseerd (in het landschapspark, dan wel op de projectlocatie). Omdat er nog geen overeenstemming is over de exacte plaats van de benodigde waterberging, is hierover een voorwaarde opgenomen in de vergunning, waarbij is bepaald dat de nadere uitwerking aan Hoogheemraadschap Delfland moet worden voorgelegd en dient te voldoen aan de beleidsregels en de richtlijnen voor vasthoudmaatregelen van Delfland.

56

5.8.5.5 Waterbergingscapaciteit op basis van de Wegwijzer Den Haag klimaatbestendig Den Haag heeft in de Wegwijzer Den Haag klimaatbestendig bij nieuwbouw de eis gesteld dat er 50mm van een korte hevige bui van 70 mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen en dat na minimaal 24 en maximaal 48 uur de bergingscapaciteit weer beschikbaar is. Als gevolg van de wegwijzer Den Haag klimaatbestendig dient er 20,9 m3 waterberging gerealiseerd dient te worden (zie kolom Klimaat 2050 in de Watersleutel, bijlage 3 bij deze ETFAL).

Vanuit het Hoogheemraadschap bestaat de wens op de compensatie te laten plaatsvinden op de eigen kavel. Er zijn de volgende beperkingen waardoor dit niet mogelijk is: 1. Door de aanwezige volgroeide bomen is het niet mogelijk om de vereiste waterberging (deels) te compenseren langs de bestaande watergang. 2. Tussen het huidige maaiveld en watergang is een hoogteverschil van +/- 90cm. De drooglegging is hierdoor minimaal. Het gebruik van infiltratiekratten om aan de waterberging te voldoen is om die reden niet voldoende om aan de gestelde compensatie te voldoen. 3. Het profiel van het waterstaatswerk mag niet gekruist worden, Hierdoor blijft er zeer beperkte ruimte over om de oplossing te zoeken binnen het projectgebied. 4. Ook voor compensatie in het resterend gebied op het kavel Madepolderweg 59c dat in gebruik is bij de Volkstuinvereniging is de ruimte beperkt voor een adequate watercompensatie. De watercompensatie zal elders in de polder gerealiseerd worden en zien hier ook mogelijkheden toe. Bij de start van de bouwwerkzaamheden zal de benodigde watercompensatie zijn gerealiseerd.

5.8.6 Waterkwaliteit Algemeen Delfland heeft de zorg voor het watersysteem in zijn beheergebied. Waterkwaliteitsbeheer is een integraal onderdeel van watersysteembeheer en één van de vier kerntaken van het Hoogheemraadschap. Dit betekent dat Delfland zijn beheer richt op een goede chemische en ecologische watersysteemkwaliteit.

KRW-waterlichaam en andere gebieden met waterkwaliteitsdoelstellingen De planlocatie is niet gelegen in, of nabij, een KRW-waterlichaam, een zwemwaterlocatie, een waterparel of andere gebieden waarop hogere waterkwaliteitsdoelstellingen van toepassing zijn. Wel worden bij de totstandkoming van het project uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast op plekken waar zij in aanraking kunnen komen met schoon hemelwater. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Verder is in of in de directe nabijheid van het plangebied geen sprake van een natte ecologische zone. Het plan bevat daarnaast geen ontwikkelingen die acute risico's voor de kwaliteit van het watersysteem kunnen opleveren (zoals opslagplaatsen voor chemicaliën) en gevaar kunnen

57

opleveren voor kwetsbare gebieden, zoals grondwaterbeschermingsgebieden en drinkwaterwingebied. Het plan niet leidt tot een achteruitgang van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem (inclusief natte ecologische zones).

Afvalwater Afvalwater omvat vuil water, hemelwater en overtollig grondwater in de stad. Het vuile water komt van huishoudens en kan vermengd zijn met bijvoorbeeld bedrijfsafvalwater en hemelwater. De gemeente en Delfland zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van afvalwater. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het rioleringsstelsel op hun grondgebied. Ook dragen zij zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Delfland is verantwoordelijk voor het transport van afvalwater van eindrioolgemalen naar de zuivering, voor het zuiveren van dit afvalwater en voor de ontvangst van ingezameld hemel- en grondwater in het oppervlaktewatersysteem. Daarnaast is Delfland verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de ecologische condities daarvan. Het voorkomen van emissies, het zuiveren van afvalwater, beheer en onderhoud en de ecologische inrichting spelen daarbij een belangrijke rol. Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is het 'Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025'. Werken aan klimaatbestendigheid en duurzaamheid betekent voor de riolering dat rekening gehouden dient te worden met: •

Het voorkomen dan wel het scheiden van (afval)waterstromen aan de bron,

•

Het principe vasthouden, bergen en afvoeren van hemelwater,

•

Meer oog te hebben voor hergebruik van (hemel)water en grondstoffen,

•

Het terugdringen van energiegebruik,

•

Het voorkomen dat schoon (hemel)water vuil wordt,

•

Het voorkomen van (grond)wateroverlast,

•

Het gebruik van schadelijke stoffen voor het oppervlaktewater en het milieu is niet toegestaan.

De twee woonwagens worden aangesloten op de op het perceel aanwezige riolering. Daarnaast wordt bij de totstandkoming van het project uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden / niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Hemelwater, dat afkomstig is van het verhard oppervlak zal niet direct op het oppervlaktewater of riolering afgevoerd worden. Gebruik van voor het oppervlaktewater schadelijke stoffen zoals koper, zink en bitumineuze dakbedekking is niet toegestaan. 5.8.7 Grondwater De bebouwing wordt niet onderkelderd. Het aspect grondwater is niet aan de orde.

Het hoogheemraadschap Delfland adviseert een drooglegging van 1,2 meter aan te houden, met een minimum van 1,0 meter. 5.8.8 Onderhoud De kavel is omsloten door secundair water. De gemeente Den Haag heeft een onderhoudsplicht voor gewoon onderhoud in het watervoerend deel. Het

58

Hoogheemraadschap Delfland heeft een onderhoudsplicht voor buitengewoon onderhoud in het watervoerend deel. Volgens artikel 3.5 van de legger wordt onder gewoon onderhoud in ieder geval verstaan: a. Het verwijderen van schadelijke begroeiingen, en b. Het verwijderen van schadelijk organische en anorganisch afval. De onderhoudsplichtigen voor gewoon onderhoud van het bovenwatertalud van oppervlaktewaterlichamen en de bijbehorende beschermingszone zijn verplicht tot instandhouding van het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone overeenkomstig zijn functie, waaronder in ieder geval wordt verstaan: a. Het afsteken en ophalen van de kanten om de oeverlijn in stand te houden, b. Het in stand houden en maaien van het bovenwatertalud, c. Het in stand houden van oeverconstructies, niet zijnde waterkerende kunstwerken d. Het maaien en vrijhouden van de beschermingszone, en e. Het verwijderen van over het oppervlaktewaterlichaam hangende schadelijke begroeiing. De onderhoudsstroken voor het onderhouden van het oppervlaktewater blijven toegankelijk door ze vrij van beplanting en bebouwing te houden.

5.8.9 Bagger Indien de waterdiepte van de secundaire watergangen die het perceel omsluiten, kleiner wordt dan de minimale waterdiepte moet er worden ingegrepen, meestal door het uitvoeren van buitengewoon onderhoud (baggeren). De legger geeft aan tot welke diepte onderhoud moet worden uitgevoerd. Het hoogheemraadschap Delfland is verantwoordelijk voor buitengewoon onderhoud in het watervoerend deel. Werken in een beschermingszone van een watergang zijn vergunningplichtig. 5.8.10 Kabels- en leidingen Het bouwplan heeft geen invloed op in het plangebied aanwezige kabels en leidingen.

5.8.11 Conclusie Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water een aandachtspunt is maar geen belemmering vormt. Voor werken in de waterstaatswerken, zoals waterkeringen en beschermingszone oppervlaktewater is separaat een omgevingsvergunning wateractiviteit nodig vanuit Delfland. Hierbij dient voldaan te worden aan de beleidsregels van het waterschap.

5.9 Ecologie 5.9.1 Algemeen De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. De zogenaamde 'natuuractiviteiten' gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels uit de Omgevingswet is onder meer het beschermen van soorten en gebieden.

59

De volgende activiteiten worden onderscheiden die relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de Makerskade: o Natura 2000-activiteiten; o Flora- en fauna activiteit.

Natura 2000-activiteit Een Natura 2000-activiteit is een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Er is geen definitie van 'significant'. Verschillende factoren bepalen samen of sprake is van significant of niet. Factoren zijn bijvoorbeeld: o afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van die habitat o afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie o algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komt door de activiteit.

Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt wel eens de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben.

Flora- en fauna activiteit In de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door de brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: o er soorten aanwezig zijn o welke soorten dat zijn

Dit geldt dus voor uiteenlopende activiteiten. Bijvoorbeeld bij het realiseren van een windturbine, het plaatsen van een dakkapel of het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek naar dieren of planten. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben.

5.9.2 Onderzoek KP adviseurs heeft in opdracht van de gemeente Den Haag een ecologsiche quickscan uitgevoerd. In deze paragraaf is een samenvatting van het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 4 opgenomen. Uit het onderzoek blijkt het volgende:

60

Bescherming houtopstanden Op de onderzoekslocatie staan veel verspreide bomen. Op de onderzoekslocatie zelf is geen bomenrij aanwezig.

Soortenbescherming

Beschermde flora Tijdens het veldbezoek zijn alleen algemene plantensoorten zoals de braam, de Chinese bruidssluier en de klimop waargenomen. Beschermde soorten zijn niet waargenomen en niet te verwachten. Groeiplaatsen van beschermde soorten zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Grondgebonden zoogdieren Uit het veldonderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie geschikt is voor beschermde zoogdieren zoals verschillende muizensoorten, konijn, haas, vos, bunzing, woelrat en egel. Dit betreffen echter door de provincie Zuid-Holland vrijgestelde soorten waar geen ontheffing voor benodigd is. De enige niet-vrijgestelde soorten die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen zijn de eekhoorn en de boommarter. Deze soorten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen en maken alleen gebruik van grotere bosgebieden. De onderzoekslocatie bevat hiervoor te weinig bomen. Verblijfplaatsen of leefgebied van beschermde zoogdiersoorten zijn hierdoor uit te sluiten.

Vleermuizen

• Gebouwbewonende vleermuizen De aanwezige caravans en circuswagens zijn niet toegankelijk voor vleermuizen door overwoekering en afwezigheid van openingen. De romneyloods is in zeer vervallen staat waardoor er teveel tocht aanwezig is. Daarnaast bestaat de loods uit een metalen constructie waardoor een te sterke temperatuurwisseling ontstaat. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn hierdoor niet te verwachten. • Boombewonende vleermuizen Op de onderzoekslocatie zijn diverse bomen aanwezig. In deze bomen zijn geen gaten en holtes waargenomen. De bomen kunnen uitgesloten worden als verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen.

Hierbij wordt opgemerkt dat uit de BEA naar voren is gekomen dat er binnen het projectgebied wel bomen zijn waar holtes inzitten (boom nummer 75 en 76 uit de BEA). Deze bomen staan niet in de buurt van de standplaatsen en waar de toegangsweg komt en kunnen behouden worden. In de BEA is verder geconstateerd dat andere bomen binnen het projectgebied ingerotte snoeiwonden hebben (boomnrs. 78 en 83). Boom nr. 78 staat niet op een plek waar ontwikkelingen zijn voorzien. Boom nr. 83 staat op de plek waar parkeerplaatsen zijn voorzien. De parkeerplaatsen zullen echter meer gaan aansluiten op de standplaatsen, waardoor het verwijderen van deze boom vooralsnog niet aan de orde is. •

Vliegroutes

61

Op de onderzoekslocatie zijn geen lijnvormige structuren aanwezig. De sloten nabij het plangebied kunnen wel functioneren als vliegroute(s). Gelet op de beperkte omvang van de sloten en de aanwezigheid van alternatieven in de omgeving, wordt niet verwacht dat het om essentiële vliegroutes gaat.

• Foerageergebieden Op de onderzoekslocatie staan diverse bomen en struiken. De onderzoekslocatie kan in gebruik zijn als foerageergebied. Ten noordoosten van het plangebied is een klein natuurgebied aanwezig waardoor er betere opties in de omgeving aanwezig zijn. In verband met de aanwezigheid van voldoende alternatieven in de omgeving wordt niet verwacht dat het plangebied essentieel foerageergebied is. Vogels

• Algemeen Tijdens het veldonderzoek zijn algemeen voorkomende vogelsoorten waargenomen zoals halsbandparkiet, grote bonte specht, houtduif, meerkoet en de waterhoen. Het is niet uit te sluiten dat deze vogels broeden op of nabij de onderzoekslocatie. • Huismussen Er zijn geen huismussen waargenomen. Op de onderzoekslocatie is veel begroeiing aanwezig, maar weinig hiervan is groenblijvend. Er zijn geen gebouwen aanwezig die geschikt zijn als nestplaats voor huismussen omdat de gebouwen geen isolerende functie hebben door de metalen- en kunststof constructie. De aanwezigheid van huismussen wordt uitgesloten. • Gierzwaluwen Op de onderzoekslocatie zijn geen voor gierzwaluwen geschikte gebouwen aanwezig. De aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw wordt uitgesloten. • Roofvogels en uilen In de bomen zijn geen nesten van roofvogels of uilen waargenomen. Een conifeer begroeid met Chinese bruidsluier kan geschikt zijn voor de ransuil, maar er zijn geen sporen aangetroffen. De aanwezigheid van nesten van roofvogels of uilen kan worden uitgesloten. Reptielen Omdat het plangebied ruim een kilometer van de duinen vandaan ligt is de aanwezigheid van de zandhagedis uit te sluiten. Er zijn geen stenen muren aanwezig die geschikt zijn voor de muurhagedis. Hierdoor is de aanwezigheid van een functionerend leefgebied van beschermde reptielen uit te sluiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14830790/1