CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS320525 Bijlage 1 ETFAL-motivering Madepolderweg 59H 180924

Gemeenteraad 18 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake Verzoek om bindend advies voor omgevingsvergunning perceel nabij Madepolderweg 59C (RIS320525)21.572 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Den Haag

P VREDE

EN

RECHT

Woonwagens Madepolderweg 59H/I ETFAL motivering

Versie 1.15 18 september 2024

1.1. 1.2. 1.3.

Inleiding Aanleiding Ligging van het project Regels tijdelijk omgevingsplan gemeente Den Haag

2.

Beschrijving huidige situatie

3.

Beschrijving nieuwe situatie/ planvoornemen

1.

4. Beleidskader 4.1. Rijksbeleid Provinciaal beleid 4.2. 4.3. Regionaal beleid 4.4. Gemeentelijk beleid 5. Omgevingsaspecten 5.1. Ladder duurzame verstedelijking 5.2. Cultuurhistorie en archeologie 5.3. Bodem 5.4. Luchtkwaliteit Geluid 5.5. Bedrijven en milieuzonering 5.6. Externe veiligheid 5.7. Waterhuishouding 5.8. Ecologie 5.9. 5.10. Verkeer en parkeren Besluit milieueffectrapportage 5.11. Duurzaamheid 5.12.

6.

Participatie

Bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8.

Bijlage 9. Bijlage 10.

Akoestisch onderzoek Cauberg Huygen 27 februari 2024 Externe veiligheid/ Madepolderweg 59H 15 december 2023 Watersleutel 26 juni 2024 Ecologische quickscan 2 november 2023 Onderzoek stikstofdepositie 28 augustus 2024 Boom Effect Analyse: Madepolderweg in Den Haag 28 februari 2024 Verkennend Bodemonderzoek Madepolderweg 59h 020424 Bureau onderzoek Archeologische Waarden en Inventariserend Veldonderzoek Rapportage 2405 Verslag overleg Volkstuinvereniging 12 januari 2024 Bewonersbrief 15 februari 2024

2

Bijlage 11.

Inrichting toekomstige situatie 1 juli 2024

3

1. Inleiding 1.1.

Aanleiding Madepolderweg 59h, gelegen naast de Amateurtuindersvereniging Madestein (ATV

Madestein) op de hoek van de Madeweg (zie hiervoor ook afbeelding 1) is in eigendom van

de gemeente Den Haag en is tot en met 2022 op basis van persoonsgebonden overgangsrecht in gebruik geweest als woonwagenlocatie. Door het overlijden van de

bewoner van de woonwagen, is de woonwagen die hier staat niet meer bewoond. De locatie aan de Madepolderweg 59h staat sinds 1999 op de lijst van de zogenoemde 'artikel 10-locaties'; dit betekent dat deze locatie is aangewezen als solitaire woonwagenlocatie, los van een woonwagencentrum.

De gemeente wil op de Madepolderweg 59h, ter vervanging van de huidige woonwagen en bijgebouwen, twee woonwagenstandplaatsen realiseren.

Het gebruik van de locatie als (permanente) woonwagenlocatie, het bouwen (plaatsen) van de twee woonwagens en gebruik van het perceel voor wonen past niet in het Omgevingsplan gemeente Den Haag. Om het gewenste gebruik en het bouwen mogelijk te

maken dienen er omgevingsvergunningen verleend te worden.

Voorliggende aanvraag omgevingsvergunning voorziet in een aanvraag voor de activiteit 'afwijken regels in het omgevingsplan'. De aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' wordt op een later moment ingediend.

Om vergunningverlening mogelijk te maken moet een zogenoemde BOPA-procedure (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) worden gevolgd. De BOPA dient te zijn voorzien van

een motivering waarmee aangetoond wordt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Voorliggend document voorziet hier in.

1.2.

Ligging van het project

De woonwagenlocatie Madepolderweg 59h is gelegen naast de Amateurtuindersvereniging

Madestein (ATV Madestein) op de hoek van de Madeweg. Op onderstaande afbeeldingen is

de ligging van het projectgebied weergegeven.

4

d 8

c

1

2Nederlnd.beelomtecalnLGementeDenHn9Geoinformstieenstfesghtbeoo19z-

Afbeelding 1: situering Madepolderweg 59h (bron: gemeente Den Haag)

1.3.

Regels (tijdelijk) omgevingsplan gemeente Den Haag

Het perceel waarop het project wordt gerealiseerd maakt onderdeel uit van het tijdelijk Omgevingsplan gemeente Den Haag. Op basis van de overgangsbepalingen, artikel 4.6 lid 1, onder g, Invoeringswet Omgevingswet gelden voor de gronden de bepalingen uit het bestemmingsplan MadesteinVroondaal. De gronden hebben hierin de enkelbestemming Recreatie - Volkstuin, de dubbelbestemming Waarde - Archeologie en deels de gebiedsaanduiding overige zone waterstaat beschermingszone evenals op een deel van het perceel de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht'.

5

oD

E)

Madestein - Vroondaal

gemeente ‘s-Gravenhage bestemmingsplan

\

e ë

onherroepelijk (vastgesteld 2015-05-21) PLEKINFO

DOCUMENTEN

KENI

74233.9,450093.6 Enkelbestemming Recreatie - Volkstuin

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie

ï

NHe

Functieaanduiding specifieke vorm van wonen persoonsgebonden overgangsrecht

*

21:3

ie

N\R: t V

Afbeelding 2: uitsnede tijdelijk omgevingsplan gemeente Den Haag, onderdeel bestemmingsplan Madestein - Vroondaal (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

De voor Recreatie - Volkstuin aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor volkstuinen, school-, kinder- en hobbytuinen, groenvoorzieningen, ontsluitingswegen met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen, water en overige voorzieningen. Per (tuin)perceel mag de oppervlakte van gebouwen niet meer bedragen dan 20m2, de hoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter. De maximale hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt 2 meter voor erf- en/of terreinafscheidingen en voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, 3 meter. Het bouwen van overkappingen is niet toegestaan evenals het gebruik van gronden en opstallen voor het houden van nachtverblijf. Gronden aangewezen voor 'Waarde - Archeologie' zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van gebieden met een hoge archeologische verwachting. Voor het bouwen op deze gronden geldt dat, indien er sprake is van het bouwen van bouwwerken met grondroering met een totaal oppervlak van meer dan 50 m2 en een diepte van meer dan 0,5 meter, er een vergunning vereist is. In hoeverre wel of niet een vergunning is vereist dient vooraf schriftelijk advies ingewonnen te worden ingewonnen bij de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag. De afdeling Archeologie kan een archeologisch onderzoeksrapport verlangen.

6

Ter plaatse van de aanduiding 'waterstaat - beschermingszone' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de waterstaatkundige werken. Voor het bouwen binnen de aanduiding 'waterstaat - beschermingszone' geldt dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan die ten dienste staan van de waterkering. Het is mogelijk om met een omgevingsvergunning hiervan af te wijken, onder de voorwaarde dat het bouwen van bouwwerken geen afbreuk doet aan het behoud en de bescherming van de waterstaatkundige belangen.

Strijdigheden met het omgevingsplan gemeente Den Haag Met voorliggende ontwikkeling ontstaan de volgende strijdigheden met het Omgevingsplan gemeente Den Haag: op de gronden met de bestemming Recreatie - Volkstuin is het gebruik van de gronden voor wonen en het plaatsen van twee woonwagens met bijbehorende bouwwerken niet toegestaan (wonen is uitsluitend toegestaan voor zover er sprake is van het persoonsgebonden overgangsrecht). Indien er sprake is van een grondroering groter dan 50m2 en dieper dat 0,5 meter ontstaat er eveneens strijd met de regels uit het (tijdelijk) omgevingsplan. Mochten er bouwwerken geplaatst worden binnen de aanduiding 'waterstaat-waterkering' dan is dat eveneens in strijd met de regels uit het (tijdelijk) omgevingsplan gemeente Den Haag.

7

2. Beschrijving huidige situatie De locatie is decennia lang op basis van persoonsgebonden overgangsrecht bewoond geweest, maar matig tot slecht onderhouden. Er is, zoals op onderstaande luchtfoto is te zien, sprake is van veel begroeiing/overwoekering. De begroeiing bestaat vooral uit onder begroeiing en spontaan opgeschoten groen als gevolg van het niet onderhouden van de locatie. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van het plangebied. De aangegeven begrenzing betreft een indicatie.

3

Afbeelding 3: luchtfoto bestaande situatie (bron: gemeente Den Haag)

De locatie maakt onderdeel uit van het kadastrale perceel Loosduinen K 1458, en is in eigendom van de gemeente Den Haag.

Het perceel ligt op de grens met de gemeente Westland, nabij verschillende glastuinbouwbedrijven en aan de rand van de nieuwbouwwoonwijk Vroondaal. De locatie is veraf gelegen van stedelijke voorzieningen. De dichtst bij zijnde winkel in Den Haag ligt op ongeveer 3 km in Kraayenstein. In de zomer van 2024 wordt er een voorzieningencluster geopend op de hoek Boomaweg/Thomas Mannsingel.

8

In Vroondaal ligt op ruim 2 km afstand een basisschool. De kern Poeldijk ligt op ongeveer 1 kilometer afstand.

9

3. Beschrijving toekomstige situatie Onderstaande concept inrichtingsschets geeft inzicht in de toekomstige situatie.

Er worden op het perceel twee woonwagens geplaatst (afmeting 7 x 17 meter). De ontsluiting van de standplaatsen loopt via de parkeerplaats van de volkstuinvereniging. Op het perceel is ruimte voor 4 parkeerplaatsen. De exacte ligging van de parkeerplaatsen kan nog wijzigen.

F Afbeelding 4: inrichting toekomstige situatie (bron: gemeente Den Haag)

Voor een meer gedetailleerde tekening van de beoogde toekomstige situatie wordt verwezen naar de bijlagen (Bijlage 11).

10

4. Beleidskader 4.1.

Rijksbeleid

4.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. In de NOVI geeft

het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke

leefomgeving en gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe

het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. Aangezien de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking is getreden, geldt deze structuurvisie als een omgevingsvisie. De NOVI benoemt de volgende nationale belangen:

1.

Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.

2.

Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit.

3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties.

4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7.

In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit.

8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten.

10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur.

12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen.

13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit).

15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en

voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch

vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke

kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.

11

De eerste drie nationale belangen zijn van een ander, meer overkoepelend karakter, dan de

overige. De nationale belangen staan in willekeurige volgorde. De nationale belangen gelden daar waar nodig onverkort in de ondergrond.

Er zijn vier prioriteiten:

1.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.

2.

Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel.

3. Sterke en gezonde steden en regio's.

4.

Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier bovengenoemde NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Conclusie Er is geen sprake van strijd met de NOVI. 4.1.2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is op 3 juli 2018 vastgesteld en op 1 januari 2024 in werking getreden. In het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies,

waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en

het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Rijk geeft in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee

door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels (afdeling 5.1 Bkl) gelden ook voor de omgevingsverordening, het projectbesluit en de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

(In artikel 8.0b lid 1 sub a is bepaald dat 'voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de

regels uit hoofdstuk 5 Bkl overeenkomstig van toepassing zijn.) In het Bkl zijn instructieregels opgenomen over de volgende thema's:

Veiligheid •

Risicobronnen in het omgevingsplan

•

Belemmeringengebied buisleidingen met gevaarlijke stoffen

•

Vuurwerk

•

Explosieven

•

Seveso-inrichtingen

Waterbelangen

•

Primaire waterkeringen

•

Waterveiligheid kust

•

Waterveiligheid grote rivieren

12

•

IJsselmeergebied

Gezondheid en milieu

•

Luchtkwaliteit en omgevingsplan

•

Geluid en omgevingsplan

•

Trillingen en omgevingsplan

•

Slagschaduw windturbines

•

Geur en omgevingsplan

•

Bodemkwaliteit en omgevingsplan

Ruimte toekomstige functies

•

Autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen

•

Buisleidingen van nationaal belang

•

Mainportontwikkeling Rotterdam

•

Parallelle Kaagbaan

Landschappelijke en stedenbouwkundige waarde en erfgoed •

Vrije horizon kust

•

Waddenzee en Waddengebied

•

Ladder voor duurzame verstedelijking

•

Erfgoed in het omgevingsplan

Behoeden staat en werking infrastructuur en voorzieningen

•

Landsverdediging

•

Elektriciteitsvoorziening

•

Doorvaart rijksvaarwegen

•

Burgerluchtvaart

•

Landelijke fiets- en wandelroutes

Andere onderwerpen fysieke leefomgeving •

Dienstenrichtlijn

•

Toegankelijkheid openbare buitenruimte

•

Aanwijzing categorieën woningbouw

Op de ontwikkeling van de woonwagenlocatie is, vanwege de nabijheid van een

hoofdtransportleiding gas het thema 'Veiligheid'onderdeel Risicobronnen, het thema 'Gezondheid en milieu' onderdelen luchtkwaliteit, geluid en bodemkwaliteit en het thema 'Landschappelijke en stedenbouwkundige waarde en erfgoed' onderdeel 'ladder voor duurzame verstedelijking' van toepassing.

In hoofdstuk 5 'Omgevingsaspecten' wordt nader op de verschillende onderdelen uit de thema's ingegaan.

13

4.2.

Provinciaal beleid

4.2.1. Omgevingsvisie Zuid-Holland

Met het oog op de invoering van de Omgevingswet heeft de provincie Zuid-Holland al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving gebundeld in een Omgevingsvisie,

Omgevingsverordening en bijbehorende programma's. De Omgevingsvisie is op 1 april 2019 in werking getreden en geldt als structuurvisie. Naast

de beleidskeuzes bevat de visie een beschrijving van de ruimtelijke hoofdstructuur van de

provincie Zuid-Holland en de omgevingskwaliteit. De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen:

•

de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening

(Wro); •

het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm);

•

het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww);

•

het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer;

•

de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

De provincie wil met haar omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De

provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze zijn: •

naar een klimaatbestendige delta

•

naar een nieuwe economie: the next level

•

naar een levendige meerkernige metropool

•

energievernieuwing

•

best bereikbare provincie

•

gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

•

Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met het provinciale beleid zoals

verwoord in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Conclusie

Het voorgenomen bouwplan is in overeenstemming met de kaders uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland. 4.2.2. TAM-omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV)

De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) is op 15 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld.

De ZHOV bevat de provinciale regels over de fysieke leefomgeving. Er staat aangegeven wat wel en niet is toegestaan. De regels uit de ZHOV zijn gaan gelden vanaf de inwerkintreding

van de Omgevingswet (1 januari 2024).

14

TAM-omgevingsverordening ZuidHollandse Omgevingsverordening

+

Provinciale verordening Provincie Zuid-Holland

oo

% 6 %

80

78A

meer kenmerken V

vastgesteld 15-12-2021 - geheel onherroepelijk in werking

♦

2

Plekinfo Inleiding Toelichting Bijlagen Gerelateerd Overig Plankaart

(

Kaarten 78

| Kaart 1 Zuid-Holland 76A

Verwijzing 1 76B

Kaart 1 peilbesluitgebied

$96 74226,450096 49

%

Verwijzing!

> <

Kaart 1 glastuinbouwgebied Verwijzing 1

11

Kaart 1 glastuinbouwgebied Westland-Oostland Verwijzing 1

51

Kaart 1 gebied met beschermingscategorie 2

Verwijzing1 // Kaart 1 (cat.2) recreatiegebied

Verwijzing!

7 Kaart 1 Hoogheemraadschap van Delfland

Verwijzing 1

Kaart 1 regionale wateren Verwijzing! Versie 172.0

74344.450286 (RD)

Afbeelding 5: uitsnede TAM-omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (bron: regels-op-de-kaart)

Toets aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV)

Het projectgebied kent in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) de aanwijzingen

'Kaart 1 Zuid-Holland', 'Kaart 1 peilbesluit', 'Kaart 1 gebied met beschermingscategorie 2', 'Kaart 1 (cat.2) recreatiegebied', 'Kaart 1 Hoogheemraadschap van Delfland', 'Kaart 1 regionale wateren'.

Kaart 1 Zuid-Holland Op regels-op-de-kaart verwijst Kaart 1 Zuid-Holland naar Artikel 1.5 (toepassing in Zuid-

Holland)

Artikel 1.5 stelt het volgende: Deze verordening is van toepassing in Zuid-Holland, waarvan

de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II, voor zover er geen andere locatie is aangewezen of geometrische begrensd.

Kaart 1 peilbesluit Op regels-op-de-kaart verwijst Kaart 1 peilbesluit naar artikel 7.5 (aanwijzing regionale

wateren peilbesluit).

15

Artikel 7.5 stelt het volgende: Het waterschapsbestuur stelt één of meer peilbesluiten als

bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de Omgevingswet vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de peilbesluitgebieden waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Kaart 1 gebied met beschermingscategorie 2 Op-regels-op-de-kaart verwijst Kaart 1 gebied met beschermingscategorie 2 naar artikel 7.42, vierde lid. Dit lijkt een foutieve verwijzing.

Artikel 7.42 lid 5 stelt het volgende: Het gebied met beschermingscategorie 2, bedoeld in het

tweede lid, bestaat uit de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en

recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit)

Een omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid (Gebieden met beschermingscategorie 2) zijn de locaties waarvan de

geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II., kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming

zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k Artikel 7.43i (gebiedstype: beschermingscategorie 2 recreatiegebied)

Een omgevingsplan voor een recreatiegebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan

voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover: a. de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het

gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied; b. de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het

recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken; c. de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied;

d. de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren;

e. de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed. Artikel 7.43j ziet op belangrijk weidevogelgebied en 7.43k op groene buffers. Beide gebiedstypen zijn niet op het plangebied van toepassing.

Kaart 1 regionale wateren Op regels-op-de-kaart- verwijst Kaart 1 regionale wateren naar artikel 2.12 eerste lid. In

artikel 2.12 eerste lid is het volgende opgenomen: De indicatieve geometrische begrenzing van regionale wateren, die voor het beheer zijn toegedeeld aan waterschappen en

16

aangewezen in provinciale verordeningen op grond van artikel 2 van de Waterschapswet, is vastgelegd in bijlage II.

Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn met name de regels uit artikel 7.43i relevant: Een omgevingsplan voor een recreatiegebied kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover:

a. de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het

gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied; b. de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het

recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken; c. de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied;

d. de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren;

e. de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed.

Aangezien het recreatiegebied een groot gebied beslaat (zie ook onderstaande uitsnede van

regels-op-de-kaart, kaart 1 (cat.2) recreatiegebied) zal de ontwikkeling van de twee stacaravans op de hoek Madeweg geen beperking opleveren voor de openbare

toegankelijkheid van het recreatiegebied. " V52"

r

«9

Kom Loosduwren

-

•Ve

M

h

2 é

6%

% (5

Zichtenburg

— /ë

"\V

è

(9

/3 Ye

%

X

3

>r'\ %

\

$

74226, 450096

wad-wg

4

\

aed

A

kerkelnmen

bl

4%

E

%

C'

%

DeMöven

z

4.

X

%

Ten aanzien van de bepalingen uit lid b, c, d en e het volgende. Het perceel waarop de woonwagens worden geplaatst, bevindt zich aan de uiterste rand van het aangewezen

17

recreatiegebied. Het perceel ligt naast het terrein van de volkstuinvereniging. Het perceel Madepolderweg 59h en het terrein van de volkstuinvereniging zijn geen openbaar recreatieterrein.

De kavel waarop de twee woonwagens gerealiseerd worden, past vanwege de geslotenheid/

en het privégebruik bij het karakter van de naastgelegen volkstuinen. De volkstuinen zijn, in

tegenstelling tot Park Madestein, niet openbaar toegankelijk. Ook bestaat het volkstuinen complex uit een aaneenschakeling van percelen van een wisselende grootte, al dan niet voorzien van bebouwing.

Daarnaast is voorliggende locatie sinds 1999 een zogenaamde artikel 10 locatie, wat betekent dat de locatie is aangewezen als solitaire woonwagenlocatie, los van een

woonwagencentrum. Artikel 7.43j ziet op belangrijk weidevogelgebied en 7.43k op groene buffers. Beide gebiedstypen zijn niet op het plangebied van toepassing.

4.2 Regionaal beleid 4.2.1

Algemeen

De metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) heeft de taken overgenomen van het in 2015 opgeheven Stadsgewest Haaglanden De MRDH is een samenwerkingsverband van 23 gemeenten die hun krachten bundelen om het gebied beter bereikbaar te maken en het economisch vestigingsklimaat te versterken. De MRDH werkt vanuit twee agenda's: de Strategische Agenda MRDH 2022- Samen aan het werk (verder Agenda) en de Strategische Bereikbaarheidsagenda Vervoersautoriteit. Voorts is het Investeringsprogramma voor een Economisch sterke regio richtinggevend. MRDH heeft het Investeringsprogramma samen met de Provincie Zuid-Holland, de Economische Programmaraad Zuidvleugel en de regio's Holland-Rijnland en Drechtsteden opgesteld. Vanuit de focus op het vernieuwen van de economie en het verbeteren van de bereikbaarheid werkt MRDH aan de ruimtelijkeconomische versterking van de regio en het verhogen van het welzijn en de welvaart van haar inwoners.

In 2016 is de Roadmap next economy samengesteld. Dit is een langetermijnvisie op een duurzame en concurrerende economie in de metropoolregio. Hierin zijn ambities geformuleerd, zoals het stoppen van CO2-uitstoot, hergebruiken van afval, permanent leren en een maatschappij waar iedereen aan deel kan nemen. Deze ambities zijn inmiddels in de Agenda verwerkt.

Volgens de Agenda zet de metropoolregio zich in voor: 1. 2. 3. 4.

verbetering van de (internationale) bereikbaarheid van de metropoolregio; economische vernieuwing; transitie naar toonaangevende duurzaamheid; attractiviteit van de regio.

18

Binnen de pijler economie zijn diverse doelen bepaald die het vestigingsklimaat verbeteren voor high tech bedrijvigheid en innovatie (campussen netwerk), maar ook voldoende ruimte biedt voor maakindustrie (terugdringen van werkloosheid). Door investeren in recreatie en groen wordt de regio niet alleen gezonder, maar ook aantrekkelijker voor talent. Het mobiliteitsbeleid richt zich niet alleen op het hoge schaalniveau, zoals het versterken en verduurzamen van (macro)regionale en intraregionale verbindingen. Er wordt geïnvesteerd in veiligheid, in een betere bereikbaarheid van woon- en werklocaties en in snel, efficiënt en flexibele deur tot deur oplossingen.

4.2.1

Regionale woonvisie

De negen gemeenten in de regio Haaglanden vormen al jaren een gezamenlijke woningmarktregio. Na het opheffen van het Stadsgewest Haaglanden in 2014 is de samenwerking voortgezet middels een bestuurlijke tafel Wonen. Om de woningmarktregio verder te versterken is in 2017 een nieuwe een regionale woonvisie opgesteld voor de periode 2017 - 2021 (Ris-nummer 296460). De regionale woonvisie kiest er voor om te streven naar een ongedeelde regionale woningmarkt. Dit wil zeggen een woningmarkt waar er voor alle inwoners voldoende betaalbare en gewenste woningen verspreid over de gemeenten in de regio beschikbaar zijn. De regionale woonvisie benoemt daarnaast meerdere gezamenlijke opgaven op het gebied van sociale woningbouw, woningbouwprogrammering, duurzaamheid, wonen en zorg en verbetering van het bestaande vastgoed. Dit is vertaald naar de volgende doelstellingen:

•

Een regionaal afgestemd woningbouwprogramma, waarmee tot 2020 jaarlijks 5.000 woningen worden toegevoegd aan de woningmarktregio.

•

Hierbij aandacht te hebben voor de opgave om meer stedelijke woonmilieus toe te voegen.

•

Gezamenlijk de opgave voor nieuwe sociale woningen in de regio (circa 12.000 tot 2025) op te pakken, en gelijk ook oog te hebben voor de kwaliteit en betaalbaarheid van de huidige voorraad.

•

Het aandeel middeldure huurwoningen verhogen binnen het totale nieuwbouwprogramma.

•

Om in 2050 tot een CO2- neutrale of energie-neutrale regio te kunnen worden zetten de gemeenten in op een volledige energietransitie van de gebouwde omgeving.

•

Regionaal is de intentie om vanaf 2018 geen woningen meer te bouwen met een aardgasaansluiting.

•

Intensievere samenwerking op het gebied van wonen en zorg. Dit middels een uniform registratiesysteem voor aangepaste woningen, en het gezamenlijk afspreken van het uitgangspunt dat wanneer een bewoner uit de regio wil verhuizen naar een andere gemeente in de regio, hun zorg- en/of begeleidingstoekenning moet kunnen meeverhuizen.

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met de doelstelling van de regionale woonvisie.

19

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1

Agenda ruimte voor de stad

De Agenda Ruimte voor de stad (RIS295016, door de raad vastgesteld op 15 december 2016) is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig

de ruimtelijke onderlegger voor de nog op te stellen Omgevingsvisie die, wanneer de Omgevingswet van kracht wordt, ook voor gemeenten verplicht gesteld is.

Voor de Agenda Ruimte voor de Stad zijn vier transitieopgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te bieden voor maatschappelijk initiatief.

Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd wordt: •

Kwaliteit van het proces door samen stad maken waar mogelijk ruimte aan initiatiefnemers, daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor

innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzen om antwoorden te bieden op

de stedelijke en regionale opgaven. •

Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het

economisch vestigingsklimaat. •

Kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de

opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid.

Het belang van veel lopende projecten wordt met deze agenda benadrukt. Goede uitvoering

met ook oog voor de tijdelijke situatie vraagt een enorme inzet. Daarnaast zijn er een aantal grotere strategische ontwikkelingen geagendeerd in deze agenda. Voor een aantal ontwikkelingen zal gestart worden met verkenningen om zicht te

krijgen op mogelijke programma's, en alliantievorming. Dergelijke verkenningen zullen onder andere voor delen van het Central Innovation District, de Binckhorst en Scheveningen, mede

in het licht van de gewenste schaalsprong die in het openbaar vervoer gemaakt moeten worden.

Conclusie:

Het plan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

4.3.2

Agenda groen voor de stad

In de Agenda Groen voor de Stad (RIS294705) wordt geconstateerd dat door de toenemende bevolking en het bijbehorende ruimtebeslag de leefkwaliteit in het algemeen en het groen in het bijzonder soms onder druk komen te staan. Omdat Den Haag een aantrekkelijke stad wil blijven voor bewoners, bezoekers en bedrijven, moeten er strategische keuzes worden

20

gemaakt op het gebied van verdichting, vergroening en verduurzaming. De ambitie is een verdere kwalitatieve ontwikkeling van het Haagse groen, waarbij ruimte bestaat voor verandering en initiatief en bij ontwikkelingen groen toekomstbestendig wordt vormgegeven: groen kapitaal als basis voor een goede leefkwaliteit. Het doel is het Haagse groen kwalitatief te ontwikkelen.

De stedelijke leefkwaliteit is afhankelijk van gebiedskenmerken als bebouwingsgraad, aanwezigheid van infrastructuur en het gebruik van de ruimte (wonen, werken, recreatie, natuur). Het Haagse Groen moet gezien worden als een vorm van kapitaal met de ecologische, de maatschappelijke en de economische waarde. Mede op basis van de stadsgesprekken en het online platform zijn deze waarden uitgewerkt in zes thema's: klimaat, biodiversiteit, gezondheid, ontspanning imago en ontwikkeling.

Voor Hagenaars voelt het vaak of groen voor nieuwe ontwikkeling moet wijken. Het is de uitdaging om intensivering te combineren met een waardevolle, betekenisvolle, gezonde en goed functionerende groenstructuur. Intensivering van de stad vraagt om intensivering van groen en groenkwaliteit. Naarmate de stad verdicht, neemt de waarde van het groen toe. Omgekeerd zorgt groen ook voor toename van vastgoedwaarde. Deze twee waarden zouden elkaar moeten vinden en versterken. We streven er naar dat elke (vastgoed)ontwikkeling bijdraagt aan de groene kwaliteit van Den Haag. Dit gebeurt op verschillende wijze: op de klassieke wijze door ontwikkeling van parken en straatgroen, door het ontwikkelen en openstellen van groene binnengebieden en daktuinen, als ook het realiseren van geveltuintjes of groene gevels. Ook kunnen investeringen in kwaliteit of gebruikswaarde uitkomst bieden.

372

:R

{e)

\i .le» -0

. n

(143

\

4

4 j 43•2 k « I

u/

X 1 %

1

2

<

Uitsnede Webgis, gemeente Den Haag: bomen, groen, stadnatuur, Stedelijk Groene Hoofdstructuur (bron: gemeente Den Haag)

21

Het plangebied sluit aan op een groenstrook en bevat een aantal bomen. Zie ook bovenstaande afbeelding. Middels een Boom Effect Analyse (zie Bijlage 6) is de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige bomen inzichtelijk gemaakt. In paragraaf 5.9.3 wordt hier nader op ingegaan.

4.3.2

Stedelijk groene Hoofdstructuur

De Stedelijke Groene Hoofdstructuur (SGH) van Den Haag bepaalt voor een belangrijk deel

het karakter van de stad. De Stedelijke Groene Hoofdstructuur dient duurzaam in stand gehouden te worden en waar mogelijk versterkt (RIS300506). Het groen heeft vele functies,

één daarvan is de functie als stedelijk natuurnetwerk, dat wil zeggen de drager van de stedelijke natuur en verbindingsstructuur voor de omliggende natuur. Deze structuur sluit aan op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Stedelijke Groene Hoofdstructuur bestaat

uit kerngebieden (de groengebieden) met daartussen de ecologische verbindingszones.

Was se naa r

Voorschoten

II14

1447

kƒ

WCX

R N 2 RenH

Leidsche ndam 1114

Voorburg

g

Al?

/4ó N i

oldorp

Rijswijl

Mons

Poeldijk

Pijnacker

211

e-Graveniande

Honseler sdik

Den Hooi

Delft

0470

Delg anw

Afbeelding 7: Kaart Stedelijke Groene Hoofdstructuur (RIS300506)

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de Stedelijke groene Hoofdstructuur, zie ook onderstaande afbeelding.

22

|| Legenda

Vroondaal

x

Hoofd boomstructuur

D Ambitie/potentie

haa Bestaand h Knelpunt bestaande HBS '

Groengebied Gemeente Den Haag

Groen buurgemeenten

Gemeentegrens

(211

Afbeelding 8: Uitsnede Stedelijke Groene Hoofdstructuur ter plaatse van het plangebied (bron: gemeente Den Haag)

4.3.5

Nota stadsnatuur

In Den Haag zien we de natuur als belangrijk onderdeel van onze stad. Een stad met een vitale stadsnatuur is een gezonde stad. In de Nota Stadsnatuur (RIS305824) zijn handvatten

opgenomen waarmee we werken aan een gezond stadsecosysteem met meer biodiversiteit. Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor

verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven. Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in

het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende

planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden. Een belangrijke voorwaarde voor een gezond stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. De

groengebieden zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei planten- en diersoorten. De ecologische verbindingszones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding van deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen en

functioneren deze daarnaast ook als belangrijke leefgebieden. In deze nota wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting door middel van vuistregels voor biotopen en

-beheer, behoud en de mogelijke uitbreiding van de ecologische verbindingszones. Is extra

ruimtebeslag van een niet-ecologische functie onvermijdelijk dan moet de inpasbaarheid

hiervan worden onderzocht.

Naast het behoud en de ontwikkeling van bovengenoemd netwerk, wordt aandacht besteed aan het rekening houden met leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en

inrichting van groen in brede zin. We werken aan een natuurinclusieve stad met een

23

ecologisch gezond stadswatersysteem, het beheersbaar houden van overlastgevende planten en dieren en zetten we in op monitoring van onze stadsnatuur. A* c*6o

6C

Q-

Q0-

-3

%

6

NNe"

I

Nederhota2

V Q

09

Vroondaal 1

%,

00

gel »:\K_,8.**e ,32e, .e. Eg2ch* (NU2o ©

2

0e2

"2

Ecologische verbindingszones

D Scheveningse zone

b Ypenburgzone Dh Leidschenveenzone

D Haegse Beekzone

jaf

geC-

*

x

Legenda

P Groene Assen Zuidwestzone Houtzone ï'~ ) Loosduinse zone

h Laakzone

N

D Schenkzone

ed

Na

•

cal

/ 4

ge

D WateringseVeldzone

h Erasmuszone

.4 a m

Toekomstige ecologische verbindingszones

e-

3

%‘* o \

Groengebieden

Natura 2000-gebied

% -o

&

3

Gemeentegrens

b $2°

°o

Afbeelding 9: Uitsnede kaart Natuurnetwerk- groengebieden en ecologische verbindingszones (bron: gemeente Den Haag)

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een ecologische verbindingszone, een

toekomstige ecologische verbindingszone, groengebieden of een natura 2000-gebied. 4.3.6

Nota stadsbomen

Met de nota Stadsbomen 'Leefkwaliteit voor de stad' (RIS307S27) wordt de ambitie uit de Agenda groen voor de stad, om door middel van groenbeleid bij te dragen aan een zo hoog

mogelijke leefkwaliteit in de stad, concreet gemaakt. De Nota stadsbomen bevat twee hoofddoelen: 1. een toekomstbestendig Haags stadsbomennetwerk;

2.

het verhogen van de ecosysteemdiensten door te streven naar meer kroonoppervlak in de stad.

De nota vormt een drieluik samen met het Routeboek stadsbomen in beheer en het Routeboek stadsbomen in projecten. De nota geeft de ambitie, visie en

hoofduitgangspunten aan. In de routeboeken zijn deze concreet gemaakt en nader uitgewerkt.

24

In de Algemene Plaatselijke Verordening is de bescherming van bomen vastgelegd. Volgens

de Algemene plaatselijke verordening (APV) van Den Haag, artikel 2.80 e.v., is voor het

kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig (RIS 174540). Door deze bescherming kunnen belangen zorgvuldig worden afgewogen voordat een omgevingsvergunning wordt

afgegeven dan wel geweigerd. Daarnaast is een mogelijkheid opgenomen om monumentale

bomen aan te wijzen. Monumentale bomen hebben een hogere beschermingsstatus. Voor

een volledig overzicht van de monumentale bomen in Den Haag is op de website van de gemeente Den Haag de meest actuele lijst en kaart terug te vinden. In het plangebied zijn geen monumentale bomen te vinden.

4.3.7

Natuurinclusief bouwen

De gemeente Den Haag wil natuurinclusief bouwen in de stad bevorderen (2019, RIS 301953). Enerzijds gaat het om het verbeteren van de leefomstandigheden van huismussen,

gierzwaluwen en vleermuizen. Dit zijn soorten die onder druk staan doordat gebouwen tegenwoordig zo gebouwd worden dat deze soorten geen nestelgelegenheden meer

hebben. Anderzijds gaat het om een veel bredere opgave om meer natuurlijk groen in de directe woonomgeving toe te passen. Door de verdere stedelijke verdichting die door de

verwachte bevolkingsgroei zal plaatsvinden is deze opgave extra actueel. Daarom wil de

gemeente Den Haag aandacht voor het toevoegen van groen (met natuurwaarden) op en aan gebouwen, op binnenterreinen en in de openbare ruimte.

Welke natuurinclusieve maatregelen bij een bouwproject moeten worden toegepast, staat

beschreven in het instrument 'Puntensysteem groen- en natuurinclusief bouwen Den Haag'

(2019, RIS 301953).

Voorliggende ontwikkeling betreft het mogelijk maken van twee standplaatsen voor woonwagens. Vanwege de beperkte omvang van het plan is het puntensysteem natuurinclusief bouwen niet van toepassing.

Conclusie:

Het bouwplan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

25

Omgevingsaspecten

5

5.1 Ladder duurzame verstedelijking Op 1 januari 2024 is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in werking getreden, waarin

regels ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand zijn opgenomen.

Artikel 5.129 lid g bepaald dat een stedelijke ontwikkeling, die bestaat uit de ontwikkeling of

uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die

voldoende substantieel is, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening houdt met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Daarnaast bepaalt artikel 5.129 lid g dat als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de

marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is

met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nieuwe stedelijke ontwikkeling

In beginsel' is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor wonen is dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan

worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Dus of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende omgevingsplan toestaat. Dit gaat over

bestaande bebouwing. En ook over de bebouwing die nog kan worden gebouwd volgens het

omgevingsplan, mits hiervoor de Ladder is toegepast. Inclusief verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit waarbij is afgeweken van het

omgevingsplan. Het gaat hierbij dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter

planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is hierbij dus in hoeverre het plan:

•

in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging

•

en welk planologische beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking

met het vorige plan Een combinatie van een ontwikkeling met een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en

een functiewijziging is natuurlijk ook mogelijk. Er moet worden bekeken of het hele plan een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl is. Laddertoets

26

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in 2 woningen. Er is gelet op de beperkte omvang

van deze ontwikkeling geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

27

5.2 Cultuurhistorie en archeologie 5.2.1 Algemeen Paragraaf 5.1.5.5 Besluit kwaliteit leefomgeving 'Cultureel erfgoed en werelderfgoed' bepaald in artikel 5.30 lid 1, dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In artikel 5.130 lid 2 is bepaald dat 'met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen: Het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; Het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten, rekening houdend met de monumentale waarde; Het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; Het voorkomen van aantasting van: 1. De omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door aantasting worden ontsierd of beschadigd; en 2.

Het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en Het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook: Regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden; en Gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. De gemeente moet projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrijstellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl), maar in het omgevingsplan kan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens worden vastgelegd. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied.

28

Bruidsschat In paragraaf 22.2.6 Cultureel Erfgoed, artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek is bepaald dat: Als er in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Deze regel is overeenkomstig van toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan een ander oppervlakte van 100 m2 geldt. In dat geval geldt de afwijkende andere oppervlakte. 5.2.2 Cultuurhistorisch beleid Den Haag Bij het maken van een ruimtelijk plan dient een beschrijving te worden opgenomen "van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten) rekening is gehouden". Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden en daar conclusies aan moeten verbinden die verankerd worden.

In de Beleidsnota Archeologie 2021-2030 (RIS311200) geeft de gemeente aan hoe ze zorg wil dragen voor de archeologische sporen en resten in de Haagse ondergrond Archeologische verwachtingenkaart gemeente Den Haag Voor het gehele grondgebied van Den Haag heeft de gemeente de Archeologische Waarden­ en Verwachtingenkaart Den Haag 2021 (AWVK2021) opgesteld. 5.2.3 Plangebied Beschermd stadsgezicht De projectlocatie ligt niet in een beschermd stadsgezicht.

Archeologie De projectlocatie ligt in een zone met een archeologische verwachting, zie ook onderstaande uitsnede van de Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart Den Haag 2021 (AWVK2021).

29

\

10

Zone met archeologische verwachting

\

Zone met archeologische waarde 1

\

\ \

\ \

\

\

\

\

Poeldijk Onderzoek De Afdeling Archeologie & Natuur- en Milieueducatie Dienst Stadsbeheer heeft, om de archeologische waarden van het terrein vast te kunnen stellen, een bureau onderzoek archeologische waarden (BO) uitgevoerd, evenals een inventariserend booronderzoek (IVOO). Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 8. In deze paragraaf is een samenvatting van het onderzoek opgenomen. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied zeer waarschijnlijk gesitueerd is op de zuidwestelijke uitloper van een strandwal die globaal de Madepolderweg volgt. Op grond van deze landschappelijk situering geldt in het plangebied een verwachting op het voorkomen van resten vanaf het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Daarbij geldt met name een grote kans op het aantreffen van resten uit de Romeinse tijd en late middeleeuwen/nieuwe tijd. Verkennend booronderzoek is geadviseerd en uitgevoerd op 19-3-2024.

Het booronderzoek heeft aangetoond dat in de ondergrond inderdaad sprake is van een strandwal met daarop duinzand. Bodems in het duinzand zijn aanwezig op verschillende dieptes, maar zonder archeologische indicatoren. In het noordelijke deel van het plangebied werd de noordelijke flank van de strandwal aangetoond. Hier is sprake van een pakket veen op het strandwal zand. De top van het veen is veraard. Archeologische indicatoren werden op dit niveau niet aangetroffen. Voor zowel dit veraarde veen, als de hiervoor genoemde bodems in het duinzand geldt dat het nu uitgevoerde verkennend booronderzoek niet toegespitst is op het aantonen/uitsluiten van menselijke activiteiten op deze niveaus. Het pakket veen is afgedekt met verstoven duinzand met daarop weer een laag klei. In dit pakket klei zijn op 60-70 cm onder maaiveld fragmenten van handgevormd aardewerk uit de Romeinse tijd aangetroffen.

30

Ten zuiden van het plangebied lijkt zich ook een strandwalflank te bevinden; hier is de top van het duinzand niet afgedekt met veen, maar wel met zandige klei. De top van de oorspronkelijke opbouw van de ondergrond is in heel het plangebied verstoord en bevat fragmenten puin. Daarvan is de bovenste circa 50 cm veroorzaakt door moderne bodemingrepen. De circa 50 cm daaronder kan mede op basis van een fragment Werra aardewerk gedateerd worden in de late middeleeuwen/nieuwe tijd. Volgens de ontwerpplannen zullen de voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw in het plangebied (aanleg kabels en leidingen en een zandpakket onder de woonwagens) gepaard gaan met een verstoring van de ondergrond groter dan 50 m2 en tot circa 1 m onder maaiveld. Hierdoor worden eventueel aanwezige archeologische resten verstoord. Specifiek gaat het daarbij om resten van een boerderijerf uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd en mogelijk ook om resten uit de Romeinse tijd waarvan de aard niet bekend is. De diepere verwachtingsniveaus in het duinzand en op het veraarde veen zullen bij de werkzaamheden niet worden geraakt en dienen hun archeologische verwachting te behouden.

Geadviseerd wordt om voor de niveaus uit de middeleeuwen/nieuwe tijd en de Romeinse tijd een proefsleuvenonderzoek met de mogelijkheid tot een doorstart naar een opgraving uit te voeren volgens een daarvoor door het bevoegd gezag op te stellen Programma van Eisen.

Proefsleuvenonderzoek en opgraving De afdeling Archeologie en Natuur- en Milieueducatie van de gemeente Den Haag heeft een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn resten van het boerderijerf uit de periode late middeleeuwen/nieuwe tijd aangetroffen. Deze resten zijn als behoudenswaardig gewaardeerd, waarna ze vervolgens door middel van een opgraving zijn behouden en gedocumenteerd tot een diepte van 1 m -mv. Hiermee zijn binnen de contouren van de geplande ontwikkeling geen archeologische resten meer aanwezig en kunnen de plannen uitgevoerd worden zonder verdere voorwaarden vanuit de archeologische monumentenzorg. De afdeling Archeologie zal conform het Programma van Eisen (nummer 2024-02) en wet- en regelgeving het onderzoek rapporteren, en de vondsten en documentatie deponeren bij het archeologische depot van de gemeente Den Haag. Er kunnen bij de werkzaamheden toch nog archeologische vondsten worden gedaan door de uitvoerder. Als dat gebeurt, moet dit direct gemeld worden bij de afdeling Archeologie (Erfgoedwet art. 5.10). Dit kan per e-mail op archeologie@denhaag.nl.

31

5.3 Bodem 5.3.1 Algemeen In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), in paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit en de artikelen 5.89g t/m 5.89 m Bkl zijn de regels opgenomen inzake het toelaten van bouwactiviteiten op bodem gevoelige locaties.

In deze artikelen is bepaald dat onder een bodemgevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn of een woonschip of een woonwagen verstaan wordt. Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: De locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; Een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of Een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein. In een omgevingsplan worden waarden opgenomen voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is er nog geen sprake van regels in het omgevingsplan inzake bodemkwaliteit. Via de bruidsschat (een set van regels die van het Rijk naar de gemeenten en waterschappen is gegaan) zijn automatisch regels over bodemonderwerpen opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Den Haag. Artikel 22.30 Bruidsschat 'Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie' bepaald dat: De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddeld gemeten concentratie in meer dan 25m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Het zinsdeel 'in meer dan 25m3 bodemvolume' is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

5.3.2 Bodemkwaliteit KP adviseurs heeft in opdracht van de gemeente Den Haag een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf is een samenvatting van het onderzoek opgenomen. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 7 bij deze motivering. Locatie beschrijving

32

De locatie is momenteel niet in gebruik en sterk overwoekerd. Tot voor kort betrof de locatie een woonwagenstandplaats en opslaglocatie voor een circus. Voorafgaand aan onderhavig bodemonderzoek zijn nog diverse opstallen (woonwagens, caravans, dierenkooien, et cetera) aanwezig op de locatie (weergegeven op de overzichtstekeningen onder bijlage 2). De locatie is grotendeel onverhard en omgeven door diverse watergangen. De toegangsweg tot de locatie is verhard met klinkers. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Den Haag blijkt dat de onderzoekslocatie voor wat betreft de boven- en ondergrond is gelegen in zones B5 'Voormalige tuinbouwgebieden' respectievelijk 02 'Overige ondergrond'. De gemiddelde ontgravingsklasse voor zowel de boven- als ondergrond is aangemerkt als klasse Landbouw/natuur.

In de Nota bodembeheer van de gemeente Den Haag (2013 - 2023; voor zover bekend is er (nog) geen nieuwe nota bodembeheer gepubliceerd) is opgenomen dat zone B5 niet meer als verdacht wordt aangemerkt op bodemverontreiniging met arseen of bestrijdingsmiddelen als gevolg van de voormalige bedrijfsactiviteiten. Gezien de historie van de locatie wordt het standaard analysepakket voor grond desondanks uitgebreid met organochloorbestrijdingsmiddelen.

Voorafgaand aan de uitvoering van onderhavig bodemonderzoek is door ons bureau ter plaatse van de locatie een asbestinventarisatie uitgevoerd. Deze inventarisatie geeft aanleiding om de bodem van de onderzoekslocatie aan te merken als verdacht op het voorkomen van asbest in de bodem. Conclusie vooronderzoek De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is verdacht op het voorkomen van verontreinigingen met de klassieke chemische bodemparameters, die zijn opgenomen in de standaardpakketten voor grond en grondwater (zoals gedefinieerd in bijlage J van de Regeling bodemkwaliteit 2022). De locatie is tevens verdacht op het voorkomen van grondverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen, asbest en (in mindere mate) PFAS-verbindingen.

Aanvullend onderzoek Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt de locatie aangemerkt als verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging met de klassieke chemische bodemparameters uit de standaardpakketten voor grond en grondwater. De bovengrond is tevens verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging met OCB's en in mindere mate PFAS verbindingen. Zodoende is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Conclusie onderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten worden de navolgende conclusies getrokken:

•

Visueel zijn op het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen. Er zijn in de opgeboorde bovengrond ten hoogste lichte puinbijmengingen waargenomen;

•

Analytisch zijn geen verhoogde asbestgehaltes aangetoond ten opzichte van de detectiegrens. Er is geen sprake van een bodemverontreiniging met asbest;

33

•

Ter plaatse van boorlocatie 013 is een volledige puinlaag aangetroffen, welke inmiddels is afgevoerd. De betreffende puinlaag blijkt niet verontreinigd met asbest, maar komt (indicatief) niet in aanmerking voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof in verband met een overschrijding van de maximale uitloogwaarde voor vanadium;

•

In de meest verdachte bovengrond zijn ten hoogste lichte verontreinigingen met chemische bodemparameters aangetoond;

•

Ten aanzien van PFAS-verbindingen voldoet de grond aan de generieke hergebruiksnorm voor wonen/industrie zoals omschreven in het "handelingskader PFAS";

•

In het grondwater zijn ten hoogste overschrijdingen van de voorkeurswaarden voor xylenen en molybdeen vastgesteld;

•

De aangetoonde lichte verontreinigingen vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek;

•

Bij de voorgenomen herontwikkelingswerkzaamheden is mogelijk sprake van één of meer milieubelastende activiteiten volgens het Bal. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden is hierbij mogelijk een meldings- en/of een informatieplicht van toepassing (via het Digitaal Stelsel Omgevingswet);

•

De veiligheidsmaatregelen bij eventuele werkzaamheden in de bodem dienen te voldoen aan 'basishygiëne' conform de CROW 400;

•

De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor het voorgenomen gebruik.

5.4 Luchtkwaliteit 5.4.1 Algemeen In het kader van een van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. 5.4.2 Beleid en regelgeving Europese richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa Sinds mei 2008 is de Europese richtlijn 2008/50/EG betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, van kracht. De richtlijn heeft onder meer ten doel om bepaalde waarden vast te stellen teneinde schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu in zijn geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen, alsmede ervoor te zorgen dat de concentraties van de betreffende stoffen in de lidstaten op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria worden beoordeeld. De richtlijn bevat onder meer grenswaarden, overschrijdingsmarges en alarmdrempels voor de verschillende stoffen.

De lidstaten zijn ingevolge de richtlijn verplicht om de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de grenswaarden worden nageleefd. Wanneer de concentraties hoger zijn dan de overschrijdingsmarges dient een plan of programma opgesteld en uitgevoerd te worden dat ertoe leidt dat binnen de daarvoor gestelde termijnen aan de grenswaarden wordt voldaan.

34

5.4.3 Paragraaf 5.1.4.1 Besluit kwaliteit leefomgeving 'Kwaliteit van de buitenlucht' Artikel 5.51 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) 'luchtkwaliteit in aandachtsgebieden' stelt dat activiteiten die een toename van de verkeersintensiteiten op wegen, vaarwegen en spoorwegen veroorzaken of milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreinigen van de lucht. Wanneer de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie van stoffen (fijnstof en stikstofdioxide) in de buitenlucht worden in een omgevingsplan de daarbij aangegeven omgevingswaarden in acht genomen.

5.4.4 Niet in betekende mate luchtkwaliteit In artikel 5.53 Bkl is bepaald dat wanneer het toelaten van activiteiten niet leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 (fijnstof) van 1,2 ug/m3 of minder zijn de bepalingen uit artikel 5.50 en 5.51 Bkl niet van toepassing. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat het toelaten van de volgende activiteiten leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en PMw (fijnstof) van 1,2 ug/m3 of minder voor zover het gaat om het toelaten van: gebouwen met een kantoor en nevengebruiksfunctie daarvan, met: 1. Één ontsluitingsweg: een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste lOO.OOOm2, of 2. Twee ontsluitingswegen: een gelijkmatige verkeersverdeling en een bruto-vloeroppervlakte van ten hoogste 200.000 m2. gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. Één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14830790/1