RIS320386 Notulen raad 3 oktober 2024
Tekst van het document
En gaat over tot de orde van de dag. De motie maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Lesley Arp (SP). Voorzitter. Deze ontwikkelvisie leest als een droomvlucht van het college over het stationsgebied. Ik wil het college zeker niet verbieden om te dromen. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat dromen leiden tot letterlijk een tunnelvisie, want wat als de droom van een stadspark over de Utrechtsebaan uiteindelijk bedrog blijkt? Laten we vooral niet wegkijken van de goedkopere en minder complexe manieren om te vergroenen en deze luchtspiegeling nog niet als volwaardig plan verkopen zolang we de feiten nog niet op orde hebben. Daarom een motie die het college verzoekt te 17
inventariseren wat voor onderzoeken nodig zijn om de realiteitszin van het plan voor een Utrechtsebaanpark te kunnen beoordelen, te inventariseren welke alternatieve vergroeningsmogelijkheden er zijn waarmee we hetzelfde doel kunnen bereiken en met de grootste voorzichtigheid richting de stad te communiceren over de droom van een Utrechtsebaanpark, zolang deze onderzoeken nog niet zijn gedaan en het publiek belang nog niet is vastgesteld door de raad. Rutger de Ridder (VVD). Ik vind de realiteitszin van mevrouw Arp altijd heel erg goed en heel erg leuk. Die grondt ons ook een beetje, maar het is ook belangrijk om een beetje verder te kijken dan onze eigen neus lang is. Wij verwijten dit college wel vaker dat er wat weinig visie is. Dit stuk staat in ieder geval vol met visie. Waarom dan zo negatief? Lesley Arp (SP). Ik denk dat ik nog uiterst mild ben met deze motie, want ik had natuurlijk ook een motie kunnen indienen met 'college, doe het niet'. Dan was de droom in één keer afgeschoten, maar ik denk vooral dat we de voeten nu op de grond moeten houden en moeten erkennen dat er financieel, technisch en verkeerskundig heel veel vragen zijn. Rutger de Ridder (VVD). Op zich klopt het misschien dat er nog heel veel vragen zijn, maar dit is ook een visie; dit is nog niet een punt waar we echt specifiek naartoe werken.
Maar dat geldt dan toch ook voor het nieuwe Haagse Loperplein - er moet natuurlijk nog steeds een andere naam komen - en voor andere dingen die in dit plan staan? Dat zijn toch ook allemaal dingen waarvoor nog heel veel uitgezocht moet worden? Lesley Arp (SP). Dat klopt absoluut. Ook de Groene Kamer is volgens mij nog niet helemaal uitgewerkt, maar als je zo'n groots en meeslepend plan presenteert, denk ik vooral dat je tegelijkertijd nu alvast moet nadenken over die alternatieven, zodat we ons niet blindstaren op dat park. Ik heb nog geen enkel onderzoek gezien. Volgens mij is er ook geen enkel onderzoek. Laten we ons daar dus vooral niet op blindstaren en laten we tegelijkertijd alvast beginnen met het nadenken over goedkope en realistische alternatieven. De voorzitter. De heer De Ridder, voor de laatste maal. Rutger de Ridder (VVD). Concluderend: ik zou mevrouw Arp toch willen uitdagen om ook een beetje groter te denken. We zijn een waanzinnig gave stad. Het is fantastisch om hier te wonen, maar dan moeten we ook de grote projecten een beetje aan durven te gaan, of dat nou de Rotterdamsebaan is of straks een park op de Utrechtsebaan. Lesley Arp (SP). Ik vind het een heel inspirerend betoog, maar we hebben in de realiteit gezien waar ongedekte dromen toe kunnen leiden in deze stad. Dat hou ik dus in mijn achterhoofd. Joren Noorlander (D66).
Mevrouw Arp sprak net in haar motie over alternatieven voor hetzelfde doel. Is dat ook een oproep aan het college om creatief te denken over hoe de overkapping van de Utrechtsebaan mogelijk gaat worden? Lesley Arp (SP). Bij alternatieven denk ik vooral aan bijvoorbeeld vergroeningsmogelijkheden in de omgeving. Tegelijkertijd merk ik dat de heer Noorlander ook erg geïnteresseerd is in het visioen van het Utrechtsebaanpark. Als het college de komende tijd alternatieve financiering, bijvoorbeeld door een externe, vindt om € 300 mln. op te hoesten, wie ben ik dan om dat tegen te houden? Joren Noorlander (D66). Ik vraag me af hoeveel ruimte er in de motie is. Ik kan me ook voorstellen dat we zeggen dat we een groot gedeelte van de Utrechtsebaan met groen overkappen maar dat we daarvoor ook moeten kijken of we een gedeelte kunnen overbouwen om dat te financieren. Zou dat ook een afdoening van de motie kunnen zijn? Lesley Arp (SP). Waar de motie nu letterlijk om vraagt, is dat we de onderzoeken krijgen waaruit blijkt of dit überhaupt haalbaar is - dat lijkt me sowieso essentieel - maar dat we parallel daaraan naar 18
alternatieven kijken, zodat we niet wachten met het onderzoeken van de alternatieven voordat we die onderzoeken naar het Utrechtsebaanpark hebben gedaan, want anders hebben we uiteindelijk misschien gewoon lege handen en is er geen vergroening in die buurt of veel minder dan we hadden gehoopt. Dat is dus concreet waar de motie om vraagt. De voorzitter. Door mevrouw Arp wordt de volgende motie (F.3 SP) ingediend:
Motie F.3 SP Geen fata morgana boven de A12 De gemeenteraad van Den Haag, in vergadering bijeen op 3 oktober 2024, ter bespreking van Voorstel van het college inzake Ontwikkelvisie Den Haag Centraal (RIS318431). Constaterende, dat: ▪ in de Ontwikkelvisie Den Haag Centraal veelvuldig wordt gesproken over het plan om een park boven de Utrechtsebaan te realiseren; ▪ de kosten hiervan in het verleden zijn geraamd op 340 miljoen; ▪ er veel onduidelijk is over de verkeerskundige en bouwtechnische haalbaarheid. overwegende, dat: ▪ het college in de commissievergadering van 5 september 2024 heeft erkend dat het Utrechtsebaanpark een droom is, waarvan de haalbaarheid nog niet is onderzocht; ▪ we met het kostendebacle rond de groene overkapping boven de Utrechtsebaan vers in het achterhoofd moeten waken voor het verkopen van het Utrechtsebaanpark als concreet plan; ▪ we daarnaast moeten waken voor (letterlijke) tunnelvisie en, in de geest van het ‘model publiek belang’, ook moeten kijken naar alternatieve manieren om deze omgeving te vergroenen: denk bijvoorbeeld aan het vergroenen van omliggende straten.
Verzoekt het college: ▪ te inventariseren wat voor onderzoeken nodig zijn om de realiteitszin van het plan voor een Utrechtsebaanpark te kunnen beoordelen; ▪ te inventariseren welke alternatieve vergroeningsmogelijkheden er zijn waarmee we hetzelfde doel kunnen bereiken; ▪ met de grootste voorzichtigheid richting de stad te communiceren over de droom van een Utrehtsebaanpark, zolang deze onderzoeken nog niet zijn gedaan en het publiek belang nog niet is vastgesteld door de raad. En gaat over tot de orde van de dag. De motie maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Arjen Dubbelaar (Hart voor Den Haag). Voorzitter. Wat een interessant document, deze Ontwikkelvisie Den Haag Centraal. Ik was helaas niet bij de commissiebehandeling. Die was op 5 september; toen was ik met mijn fractie een berg aan het beklimmen vanwege Groot Verzet Tegen Kanker. Maar ik heb de stukken wel met veel plezier gelezen. Ik lees bijvoorbeeld dat Bellevue straks het hoogste punt van de stad moet worden. Ik durf te stellen dat dit bouwplan weer op de agenda staat door mijn motie Neem Bellevue in ontwikkeling én door de samenwerking met de heer Van Asten. Hoe gaaf is het als dit gebouw er straks daadwerkelijk staat? Maar Hart voor Den Haag kan vandaag niet instemmen met deze ontwikkelvisie, want de volgorde van besluiten klopt niet.
We hebben al een aantal keren bijvoorbeeld naar de ondertunneling van het Schenkviaduct gevraagd. Begin dit jaar stond het Kwaliteitsplan CID op de agenda. Toen vroeg ik in de commissie naar de toekomst van het Schenkviaduct. De wethouder zei toen dat ik moest wachten op de netwerkstudie, die mobiliteitsstudie. In februari hebben we wél ingestemd met dat raadsvoorstel; dat hebben we het voordeel van de twijfel gegeven. Mijn amendement dat om die Haagse visie op de automobiliteit vroeg, is wel in meerderheid aangenomen en vastgesteld, maar is uiteindelijk nog steeds niet afgedaan. 19
De volgorde van besluiten is ook een punt van zorg bij bewoners. Het is naar mijn mening onmogelijk om vandaag in te stemmen met een ontwikkelvisie als de mobiliteitsstudie niet eerst is afgerond en besproken in de gemeenteraad. Joren Noorlander (D66). Ik snap dat het Schenkviaduct best een belangrijke schakel kan zijn qua mobiliteit, maar het Schenkviaduct valt toch net buiten de afkadering van het gebied waar de visie over gaat? Arjen Dubbelaar (Hart voor Den Haag). Dat was een voorbeeld. Joren Noorlander (D66). Dan zou ik graag de andere voorbeelden willen horen van meneer Dubbelaar waarom hij niet zou kunnen instemmen met deze ontwikkelvisie, want dat is de kapstok waaraan we de rest gaan ophangen. Arjen Dubbelaar (Hart voor Den Haag). Je ziet in dit stuk terug dat de auto gewoon minder plek krijgt in dit gebied rondom Den Haag Centraal. We hebben als gemeenteraad het college al een aantal keren gevraagd om met een visie op de automobilist te komen. Volgens mij heeft de VVD daar in 2022 een motie over ingediend die in meerderheid is aangenomen. Ik heb een amendement ingediend dat in meerderheid is aangenomen. Iedere keer gaan we maar door en door en door, terwijl die visie op de automobiel er eigenlijk nog steeds niet is. De voorzitter. Meneer Noorlander, voor de derde maal. Joren Noorlander (D66).
Ik vraag me af wat Hart voor Den Haag zou willen veranderen aan deze visie om te kunnen zeggen dat dit voldoende is om de rest van de stukken eraan op te kunnen hangen. Arjen Dubbelaar (Hart voor Den Haag). Nee, ik zou graag willen dat die Haagse visie op de automobiliteit nou eens een keer naar de gemeenteraad wordt gestuurd, dat we die kunnen bespreken en vaststellen en dat we vanuit daar verder kunnen met ontwikkelvisies voor verschillende gebieden in onze stad. Rutger de Ridder (VVD). Voorzitter. Voor liberalen is het eindstation niet zo relevant. De reis ernaartoe is veel mooier. Zo is het ook met de stad. De stad ontwikkelt zich al honderden jaren van een jachtslot naar een provinciestad naar een metropool. Die reis is wat mij trok naar architectuur, naar bouwkunde, naar de TU in Delft. En de verkeerde keuzes onderweg in die ontwikkeling van de stad trokken mij naar het stadhuis. We moeten goed begrijpen wat de gevolgen kunnen zijn van de keuzes die wij maken. De reis is leidend. De toekomst is meestal ongewis, maar de richting is beïnvloedbaar. De Ontwikkelvisie Den Haag Centraal is een deel van het volgende hoofdstuk, waar we ook hard mee aan de slag moeten. Den Haag Centraal is verrommeld, onprettig en anoniem. Het ademt in niets wat wij verwachten van een prettige stad, van mooie wijken waar je fijn kunt verblijven.
Voor de VVD is dat de kern van waar we ons hier in het stadhuis mee bezig moeten houden: hoe maken wij een stad waar iedereen fijn kan wonen? De VVD-fractie is blij dat we werken met visies richting doelen. De VVD is ook positief over die ontwikkeling. De kwaliteit van de stedenbouwkundige visie is vergroot. Dat is een compliment waard, zoals ik in de commissie al zei. Er zitten nog wel wat haken en ogen aan. Zo is de eenzijdige blik op het behouden van het Bernhardviaduct bij de Ammunitiehaven ons een doorn in het oog. Waarom zo halsstarrig, wethouder? Waarom geen ruimte voor initiatieven uit de stad? Daarnaast is de VVD kritisch op de visie in dit stuk op de ontwikkelingen rond de Rivierenbuurt. De Rivierenbuurt lijkt vergeten, terwijl die connectie nu juist enorm ontbreekt. De focus ligt op Den Haag Centraal, eigenlijk van het Spuiplein tot de Theresiastraat. De Rivierenbuurt komt er bekaaid vanaf. Officieel hoort het er niet bij, maar het grenst er zó aan dat je daarmee meer zou moeten doen, want als de Rivierenbuurt wordt verbonden met het Spuikwartier, wordt de kwaliteit van de binnenstad en het CID enorm verhoogd. Wethouder, ik vraag een toezegging dat in de ontwikkelstrategie nadrukkelijk wordt teruggekomen op de verbinding van de Rivierenbuurt met het Spuikwartier, zowel te voet en te fiets als met de auto, dus zowel infrastructureel als stedenbouwkundig. 20
Maarten De Vuyst (GroenLinks). Ik hoop dat u klaar was met dat stukje, want anders interrumpeer ik u te vroeg. Ook van Bezuidenhout-West wordt gezegd dat het hier erg mee samenhangt. Alles hangt dus met alles samen; daar is het ook een stad voor. Waarom benadrukt u de Rivierenbuurt zo? Rutger de Ridder (VVD). Een groot probleem dat ik zie in de doelstelling om het CID echt een verdubbeling te laten worden van de binnenstad, is de connectie tussen die wijken. Het wordt wel iets beter. Nu de tweede toren van de drie torens rond Amare af is en de openbare ruimte een beetje af is, zie je dat er al iets aan doorstroming en connectie is. Maar met het voorliggende stuk denk ik: hoe gaan we nou zorgen dat mensen vanuit het Spuikwartier heel makkelijk de Rivierenbuurt in komen en vanuit de Rivierenbuurt heel makkelijk het Spuikwartier in komen? Dat ontbreekt. Maarten De Vuyst (GroenLinks). Ik denk dat het u dan in concreto gewoon om het Prins Bernhardviaduct gaat, dat daar nu als een scheidslijn werkt. Heb ik dat goed begrepen? Rutger de Ridder (VVD). Ja, dat is een van de onderdelen. Het Prins Bernhardviaduct snijdt de stad daar inderdaad in tweeën.
Daarom vind ik de motie van de heer Noorlander, die eigenlijk het havenhoofdidee van Bob-Willem van Hooft meeneemt als alternatief, heel sterk, omdat we iets moeten met juist dat gedeelte, dat eigenlijk bijna de achterkant van de Turfmarkt is. Anders wordt de Rivierenbuurt altijd een aaneengesloten klein stukje. Die mensen verdienen gewoon echt volwaardig onderdeel te zijn van de binnenstad. De voorzitter. Meneer De Vuyst, voor de derde maal. Maarten De Vuyst (GroenLinks). Ik wil concluderen dat ik dit eigenlijk best een heel positief verhaal van de VVD vind, waarbij de auto wat teruggedrongen wordt ten behoeve van leefbaarheid. Dat wilde ik even constateren. Rutger de Ridder (VVD). Een prachtige constatering, maar dan heeft u niet helemaal goed geluisterd: zowel te voet en te fiets als met de auto. Ik heb nog een paar zinnen. De Rivierenbuurt moet dus een prominente plek krijgen in de ontwikkeling. De VVD is namelijk kritisch op de voorgenomen afsluiting van straten van de Rivierenbuurt. Als er nu nog geen keuzes worden gemaakt, worden ze vanzelf gemaakt. Ik hoor bij de uitwerking dan ook graag welke andere ontwikkelingen in de Rivierenbuurt zaken mogelijk maken of juist verhinderen. Kan de wethouder dat toezeggen? De voorzitter. De ingediende moties zijn genummerd, gescand en digitaal beschikbaar.
De heer Van Asten is al helemaal gereed voor de beantwoording en de appreciatie van de ingediende moties. Wethouder Van Asten (D66). Jazeker, voorzitter. We hebben een lange dag voor de boeg. Ik ga het dus kort houden. We hebben dit uitgebreid besproken in de commissie. Ik zeg daar wel bij dat dit de ontwikkelvisie is. Hiermee zet je uiteindelijk een gedroomd beeld voor de stad neer: welke richting zou het op kunnen gaan? Of we precies daar gaan komen? Zoals ik in de commissie al zei, kom je daar waarschijnlijk niet helemaal, maar je moet wel een richting hebben waar je naartoe wil. Ik ben blij dat we daarmee vandaag het gesprek aan kunnen gaan. We weten nog niet of alles gerealiseerd wordt, maar wellicht worden er onderweg nog mooie nieuwe keuzes gemaakt. Ik zou het zo willen zeggen: als je in de Efteling loopt, kan je weleens links gaan en kan je weleens rechts gaan. Je weet nooit welke prachtige attractie je daar tegenkomt. Voordat we ons verder in die analogie verliezen ga ik snel door. GroenLinks vroeg of de vierkante meters groen in de ontwikkelvisie of in de ontwikkelstrategie thuishoren. Ik denk dat die in de ontwikkelstrategie thuishoren. Vandaar dat we die zullen opnemen. Zeker met daarbij de motie in de hand gaan we die uitwerking doen.
Of wij precies kunnen aangeven wat dit doet voor de hittestress, anders dan dat die waarschijnlijk zal afnemen door het toevoegen van groen? Ik neem aan dat u het wat gedetailleerder wilt. We gaan ons best daarvoor doen, maar die motie kunnen we zeker aan de raad laten. 21
Ik ga naar andere partijen die vragen hebben gesteld. Hart voor Den Haag gaf aan tegen te stemmen, omdat de mobiliteitsstrategie of - studie er nog niet ligt. Dat zou ik heel erg jammer vinden, want met dit soort documenten werken we aan de ontwikkeling en verbetering van de stad. Als we woningen willen bouwen en als we uiteindelijk kantoorruimte willen maken voor de werkgelegenheid, begint dat bij zo'n visie. Daarna volgen de onderzoeken, ook op het gebied van mobiliteit. Ik doe dus eigenlijk een groot beroep op Hart voor Den Haag om niet vanwege de door de heer Dubbelaar genoemde reden tegen te stemmen, want ik denk dat die reden niet correct is. Ik neem graag iedere fractie mee, dus ook de fractie van Hart voor Den Haag, om hier samen te werken richting een goed functionerend Den Haag Centraal-gebied. De VVD had onder andere, met een mooie introductie, het punt van de Rivierenbuurt: hoe kunnen we zorgen dat er in de uitwerking in de richting van de strategie echt voldoende aandacht is voor de verbinding, zowel stedenbouwkundig als op mobiliteitsniveau? Die toezegging doe ik graag. Wij zullen daar in de strategie zeker op terugkomen. Dan zijn er nog twee moties, allereerst de motie over de alternatieve keuze voor het Bernhardviaduct. Zoals aangegeven in het debat in de commissie gaan we uiteraard aan de slag als die wordt aangenomen. Die kunnen we dus aan de raad laten.
Dan de motie Geen fata morgana boven de A12 van de SP; laat ik de titel nog even noemen. We mogen best een beetje dromen, maar ik snap ook dat de raad behoefte heeft aan het realiteitsgehalte. Daar gaan we aan werken bij de ontwikkelstrategie, maar ik snap dat dit zeker een groot onderwerp is. Deze motie laten we dus graag aan de raad om daar extra aandacht aan te kunnen geven. Joren Noorlander (D66). Als eventuele bebouwing over de Utrechtsebaan het realiteitsgehalte zou kunnen verhogen, staat het college er dan voor open om dat ook mee te nemen in de afdoening van de motie, als die aangenomen wordt? Wethouder Van Asten (D66). Ja, we gaan kijken wat binnen die ontwikkelvisie mogelijk is. Als er eventuele andere zaken zijn die zaken wel of niet mogelijk maken, blijven we dat natuurlijk bekijken. Zoals ik in het begin al zei, is dit een ontwikkelvisie. Je gaat een kant op. Voor de ontwikkeling van dit gebied naar 2040-2050 gaan zich geheid nog andere keuzes en mogelijkheden voordoen. Daarvoor moeten we open blijven staan. Dat is ook het mooie van de ontwikkelvisie: zij pint ons niet tot op de letter vast, maar geeft wel de richting aan. Dat werken we uit in de strategie, zodat we tijdens deze periode in ieder geval weten waar we aan toe zijn. Als onze opvolgers als raad en wethouders de koers uiteindelijk willen bijsturen, is dat ook nog mogelijk. Rutger de Ridder (VVD).
De wethouder laat de motie van de SP aan de raad. Als ik de wethouder goed heb gehoord, betekent het uitvoeren van die motie niet dat we daarmee eigenlijk al voorsorteren op het niet realiseren van het park. Wethouder Van Asten (D66). Daar zit een dubbele ontkenning in. Dit is een startpunt om alle onderzoeken te gaan doen. Ik zie dat de raad sommige punten extra wil aanstippen, en met reden, zeker als het gaat over de overkluizing van de Utrechtsebaan. Dat heeft in deze raad een geschiedenis. Het college heeft er dus alle begrip voor dat dat extra naar voren wordt gebracht. Vandaar dat we deze motie warm aan de raad laten. De voorzitter. Wenst een van de leden een tweede termijn? Dat is niet het geval. Dit is heel snel gegaan. De beraadslaging wordt gesloten. De voorzitter. De stemmingen zijn aan het einde van de vergadering. Ik hoop dat we dit tempo er met elkaar in kunnen houden.
22
Aan de orde is: G. Gewijzigd initiatiefvoorstel VVD: Haagse kracht - Inspraak, ook bij opvang (RIS317236). De voorzitter. Hiervoor geldt: lang gewacht, toch gekomen. De indiener, mevrouw Van Basten Batenburg, mag naast mij plaatsnemen en ik geef haar het woord voor een korte toelichting op het voorstel. De beraadslaging wordt geopend. Lotte van Basten Batenburg (VVD). Voorzitter. Ik wil alle collega's bedanken voor het goede debat in de commissie. Ik zal me ervan onthouden om te spreken over de debatten die na de commissievergadering nog zijn gevoerd; dat zeg ik met een knipoog naar met name de ChristenUnie/SGP en de SP. Inhoudelijk hadden we in de commissie een mooi debat over aan de ene kant de opvang van allerlei groepen, iets waarvoor je als grote stad onvermijdelijk ook aan de lat staat en wat al moeilijk genoeg is in een drukke en dichtbevolkte stad, en aan de andere kant over hoe je als stadsbestuur wil omgaan met je inwoners en hoe je ze betrekt bij besluitvorming, ook als het over moeilijke onderwerpen gaat. Het is mooi om te merken hoe breed die wens om dit anders te gaan doen in Den Haag, in de raad gedeeld wordt. Na de commissievergadering hebben wij wat aanpassingen gedaan in ons voorstel, met name om recht te doen aan de zorgen en de aanvullingen die in de commissie werden genoemd.
We hebben duidelijk gemarkeerd dat het niet de bedoeling is dat we een zienswijzeprocedure doen over bijvoorbeeld de inzet van één appartement voor een paar mensen - vier à vijf mensen - die in een wijk worden opgevangen. Op verzoek van D66 hebben we in de tekst toegelicht dat we het ook niet willen beperken tot belanghebbenden. We zijn ook niet op zoek naar een juridisch beladen procedure. Het gaat ons om een duidelijk en transparant proces waarbij mensen de kans krijgen hun mening te geven, waar ook een reactie op komt, waarna het college pas het definitieve besluit neemt, waarvan de raad ook weer transparant kennis kan nemen. Ik heb in de commissievergadering ook de zorgen gehoord. Sommige werden uitgesproken; andere waren misschien iets meer onder de radar of buiten de orde van het debat. Daar wil ik graag nog een paar dingen over zeggen. Ik zei in de commissie al dat dit voorstel niet is bedoeld om opvang moeilijker te maken en het is al helemaal niet bedoeld om opvang onmogelijk te maken. Dit voorstel gaat niet over de vraag óf we opvangen en ook niet over wie er over de opvang besluit; dat blijft hetzelfde. Het voorstel gaat over hoe we omgaan met onze inwoners, hoe we de stad besturen.
In essentie vragen wij als raad het college, als we dit voorstel aannemen, om goede procedures vast te leggen waarin de stad de ruimte krijgt om zich uit te spreken vóór de besluitvorming van het college, waarin mensen een duidelijk antwoord krijgen en waarvan wij als raad dat transparante verslag ontvangen. Wij zijn ervan overtuigd dat dit kan leiden tot betere besluiten met meer draagvlak. Het vergt wel moed, namelijk de moed om dit gesprek met de stad aan te gaan, de moed om voor je voornemen te staan en het uit te leggen voordat er een definitief besluit is en ook de moed om ervoor open te staan om nog iets aan te passen als er nieuwe inzichten uit de stad komen. Het gaat dus eigenlijk om moed om te besluiten met de stad in plaats van over de stad. Wij hopen dat wij als raad vandaag, misschien niet zo laat als ik oorspronkelijk had vermoed, die opdracht aan het college kunnen geven. Carlos Martinez van Andel (Hart voor Den Haag). Voorzitter. Complimenten aan de VVD voor dit initiatiefvoorstel. Zoals mevrouw Van Basten Batenburg al zei: de bewoners vinden het belangrijk om serieus genomen te worden. Daarom steunen wij het initiatiefvoorstel en zijn wij teleurgesteld over de reactie van het college. Wij hechten eraan om, hoewel het debat over de Participatieverordening in de volgende raadsvergadering aan bod komt, toch alvast een motie in te dienen over dit onderwerp.
Die motie heeft de titel Belofte maakt schuld. Het dictum daarvan luidt: verzoekt het college om de werkwijze ten aanzien van de controversiële voorzieningen te verankeren in de participatieverordening, zoals toegezegd bij de afdoening van de bovenstaande motie. Dat betreft de 23
motie van mevrouw Roopram uit oktober 2021. De voorzitter. Door de heer Martinez van Andel, daartoe gesteund door mevrouw Van Basten Batenburg, wordt de volgende motie (G.1 HvDH) ingediend:
Motie G.1 HvDH Belofte maakt schuld De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 3 oktober 2024, in bespreking over het Gewijzigd initiatiefvoorstel VVD: Haagse kracht - Inspraak, ook bij opvang (RIS317236). Constaterende, dat: • op 10 juni 2021 de motie “actualisatie Leidraad controversiële voorzieningen” is aangenomen; • op 13 oktober 2021 deze motie is afgedaan door het college met de toezegging dat: de werkwijze ten aanzien van de controversiële voorzieningen zal worden verankerd in de herziening van de participatieverordening; • deze participatieverordening uiterlijk 13 september a.s. naar de raad zal worden gestuurd. Overwegende, dat: • in meerdere debatten vanaf 2022 door diverse raadsleden aandacht is gevraagd voor bovenstaande toezegging van het college; • door het college steeds is verwezen is naar de herziening van de participatieverordening; • in het debat over het Gewijzigd initiatiefvoorstel VVD: “Haagse kracht - Inspraak, ook bij opvang (RIS317236)”door de aanwezige wethouder is gezegd dat zij het te kort tijd vond om de Leidraad Controversiële voorzieningen nog op te nemen in de Participatieverordening. Van mening dat: • het college toezeggingen aan de Raad één-op-één dient na te komen.
Verzoekt het college: • om de werkwijze ten aanzien van de controversiële voorzieningen te verankeren in de participatieverordening, zoals toegezegd bij de afdoening van bovenstaande motie. En gaat over tot de orde van de dag. De motie maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Samir Ahraui (PvdA). Voorzitter. Goede participatie en communicatie met buurten en bewoners zijn essentieel, niet alleen over wat er in een buurt gebouwd wordt maar ook over welke voorzieningen er komen. Het is van belang dat we niet alleen horen of belanghebbenden het wel of niet met iets eens zijn, maar ook dat we draagvlak creëren voor de besluiten die we nemen. Voor de Partij van de Arbeid is dit niet anders als het gaat om opvang. Het is echter wel belangrijk om waakzaam te zijn en te blijven voor de balans tussen onze brede maatschappelijke verantwoordelijkheid en de rol van participatie in algemene zin. Als gemeente en raad hebben we de verantwoordelijkheid om steun te geven aan degenen zonder stem die afhankelijk van ons zijn om hun belangen te vertegenwoordigen. Dit is en blijft voor mijn fractie onze essentiële maatschappelijke verantwoordelijkheid. Daar zullen we ook altijd voor blijven staan. Mijn dank gaat uit naar de VVD voor het starten van dit debat over de vraag of en hoe we dit participatieproces bij opvang vorm moeten geven.
De behandeling in de commissie heeft wat ons betreft ook duidelijk gemaakt dat dit debat niet alleen nodig is, maar ook ingewikkeld kan zijn, want als wij onderling al verschillend denken over het belang van participatie bij opvang of over hoe we die het beste zouden kunnen inrichten, hoe kunnen we dan zeker weten dat een door de raad uitgetekend proces daadwerkelijk bijdraagt aan het vertrouwen in de overheid en het draagvlak voor opvang vergroot? 24
Opvang zal in de praktijk altijd een gevoelig onderwerp blijven, ongeacht de afspraken die wij hier met elkaar over maken. Wat de PvdA betreft staat of valt draagvlak met een overheid die duidelijk is, die helder kan maken wat bewoners kunnen verwachten, die in staat is om verwachtingen te managen en die je ook vertelt dat het algemeen belang soms voorgaat op deelbelangen. We moeten hier altijd zorgvuldig mee omgaan, maar ook het lef hebben om onderscheid te maken tussen de inhoud van een voorstel en wat nodig is om de buurt te betrekken. Het is dan ook geen verrassing dat ik, wanneer u mij vraagt hoe ik naar opvang kijk, altijd zal zeggen: zo ruimhartig en barmhartig mogelijk, ook als de buurt aanvankelijk niet enthousiast is of grote zorgen heeft. We mogen onze ogen niet sluiten voor degenen die onze hulp nodig hebben. Mijn fractie ziet het ook als onze verantwoordelijkheid om in deze situaties aan bewoners uit te leggen dat bepaalde keuzes soms onvermijdelijk zijn. Het debat in de commissie en de gesprekken die we daarna daarover hebben gevoerd, hebben ons echter ook doen inzien dat participatie en deze verantwoordelijkheid hand in hand kunnen gaan. Alleen door in gesprek te blijven en de zorgen van bewoners serieus te nemen, kunnen we draagvlak creëren en van opvang een succesformule maken waar wij als stad van vrede en recht ook trots op kunnen zijn.
Er is een groot draagvlak in onze stad en dat moeten we koesteren. Specifiek over het gewijzigde initiatiefvoorstel zou ik nog een aantal vragen aan de initiatiefnemer willen stellen. Hoe ziet de initiatiefnemer de juiste balans tussen een schriftelijke participatie en het persoonlijk gesprek met de buurt? Wanneer zet je schaarse ambtelijke capaciteit in voor bewonersavonden of het langsgaan bij mensen en wanneer kies je ervoor om schriftelijke zienswijzen af te handelen zonder dat er een echt gesprek heeft plaatsgevonden? En als je beide wil, waar zou dan de financiële dekking zijn om dit ook goed te kunnen regelen? In het initiatiefvoorstel worden de termen 'inspraak' en 'participatie' vaak genoemd, maar wat betekenen deze termen precies voor de initiatiefnemer? Ziet zij inspraak bijvoorbeeld zoals bepaald in de Awb, waar ook bezwaar en beroep op mogelijk zijn, of meer als een vrije vorm waarin het gesprek met bewoners ook op schrift kan worden vastgelegd? Dat zijn voor mijn fractie twee verschillende dingen. In het dictum worden strakke kaders gesteld voor het college. Zijn deze kaders bij het aannemen van het voorstel leidend of is er ook nog ruimte om met elkaar bij de uitwerking in gesprek te blijven over hoe we dit proces vooral ook werkbaar en draagvlakvergrotend kunnen maken? Ik kom bij een specifiek punt in het initiatiefvoorstel, de spoedprocedure.
Het initiatiefvoorstel laat wat mijn fractie betreft in zijn huidige vorm nog te weinig ruimte voor maatwerk bij spoedeisende opvang. Die kan je in de praktijk wat ons betreft niet op voorhand beperken in duur, omdat er altijd omstandigheden denkbaar zullen zijn waarin flexibiliteit gevraagd wordt. Daarom nog de vraag of voor de initiatiefnemer de drie maanden plus één maand in het dictum een vast gegeven vormen waarvan niet afgeweken mag worden. Of kan er wat haar betreft ook altijd de mogelijkheid zijn om dit als richting te zien? Want wat doe je als in de maand verlenging blijkt dat je een maand extra nodig hebt? Start je dan alsnog een participatieproces dat langer duurt dan de tijd die je nodig hebt of moet de opvang dan worden gesloten, met het risico dat er nog geen alternatief gevonden is? Hoe kijkt de initiatiefnemer hiernaar? De voorzitter. Ik zie een interruptie van de heer Kaptheijns, maar mevrouw Van Doorn stak haar hand op. U kunt allemaal gewoon het knopje indrukken als u wilt interrumperen. Dan komt u gewoon in het schermpje en dan weet ik dat u wilt interrumperen. Marieke van Doorn (D66). Dank aan de heer Kaptheijns, want officieel was hij eerder.
Ik vind dat de PvdA hier een belangrijk punt te berde brengt met betrekking tot het initiatiefvoorstel van de VVD: hoe gaan we ermee om als spoed vereist is? Ik wil graag vragen of er contact is geweest met de indiener over wat er precies wordt bedoeld, want ik heb het gevoel - misschien heb ik het verkeerd dat er misschien langs elkaar heen wordt gepraat. Ik heb het gevoel dat de indiener het heeft over de participatie, die met die termijnen wordt beschreven, en dat de spreker van de PvdA het heeft over de spoedprocedure zelf, dus de opvang en het verblijf van de mensen. Ik hoop dat we dat in dit debat kunnen ophelderen. Ik stel de vraag dus eerst maar aan de heer Ahraui.
25
Samir Ahraui (PvdA). Dank aan mevrouw Van Doorn voor deze vraag. Ik denk dat dit een belangrijk punt is. Voor mijn fractie is het niet zo dat er bij een spoedprocedure geen sprake zou moeten zijn van participatie, maar volgens mij moet je er op een gegeven moment voor waken dat je in een spoedprocedure de participatie voor zou kunnen laten gaan op momenten waarop mensen op het punt staan om bijvoorbeeld geen dak boven het hoofd te hebben. Je probeert een evenwicht te vinden in die balans tussen 'wanneer huisvest je mensen op een snelle manier?' en 'wanneer en hoe participeer je?' Dat proberen we in ieder geval ook met de vragen aan de initiatiefnemer in dit debat iets helderder te krijgen. Marieke van Doorn (D66). Ik ben ook heel benieuwd hoe de initiatiefnemer daarnaar kijkt, want ik begrijp de balans die wordt gezocht, maar ik heb het idee dat het amendement net wat anders beoogt dan wat de initiatiefnemer beoogde. Mocht het zo zijn dat het voor de initiatiefnemer gaat over de participatie en over de inrichting daarvan en niet over de opvang, is de Partij van de Arbeid dan eventueel bereid om nog eens naar het amendement te kijken? Maar dat moeten we dan later zien. De voorzitter. Interrupties mogen ietsje korter. Samir Ahraui (PvdA). Ik ben altijd bereid om naar het amendement te kijken. Ik moet het nog indienen; ik heb het nog niet ingediend.
Ik ben dus ook benieuwd naar het antwoord van mevrouw Van Basten Batenburg later vandaag. Het gaat mij erom dat we juist bij spoedopvang een zorgvuldig evenwicht moeten hebben tussen het realiseren van de spoedopvang en het betrekken van de buurt. Ik zou het zonde vinden als we ons daarbij te veel zouden beperken tot een maximumtermijn, omdat je altijd goede redenen zou kunnen hebben om daar net iets van af te wijken. Ik zou het ook zonde vinden dat we, als we net in die maand verlenging zouden zitten en als dan blijkt dat we twee weken extra nodig hebben, een heel participatieproces zouden moeten starten, waardoor het participatieproces op een gegeven moment niet meer opweegt tegen de twee weken die je wellicht extra nodig zou hebben bovenop de termijnen die nu in het initiatiefvoorstel staan. Dat is de ruimte die ik zoek, juist om iets flexibeler met die spoedprocedure om te kunnen gaan. De voorzitter. We praten straks bij de indiening van het amendement waarschijnlijk nog wel even verder. Nick Kaptheijns (PVV). Hoe ziet de heer Ahraui het dan voor zich? Wat voor kaders zou hij willen zien? Want hij had het over een spoedprocedure en noemde een hypothetisch geval: als het nog om twee weken gaat, is het eigenlijk niet wenselijk om weer naar A te verwijzen. Zou de heer Ahraui dat wat verder kunnen duiden? Samir Ahraui (PvdA).
Het voorstel dat wij willen doen - daarmee kom ik volgens mij meteen bij het amendement dat ik had willen indienen, namelijk het amendement Flexibiliteit bij spoedopvang - is om de termijn van 3 + 1 los te laten en om die te vervangen door zes maanden. Ik denk immers dat een termijn van zes maanden recht doet aan het korte tijdsbestek dat bij de definitie van 'spoed' zou passen. Daarmee zou er ook een werkbaar instrument komen, waarmee je die flexibiliteit, dus de verantwoordelijkheid voor opvang, en tegelijkertijd het betrekken van de buurt in balans houdt. Nick Kaptheijns (PVV). Dit is vrij interessant. Kijkt de heer Ahraui ook op deze manier naar de opvang in de Binckhorst? Die is immers eigenlijk met een spoedprocedure tot stand gekomen en daar staat ook een gelimiteerde periode voor. Zou de heer Ahraui dat ook liever naar zes maanden willen hebben? Samir Ahraui (PvdA). Nee, want in het amendement staat ook dat ik vind dat je per casus, per locatie en per noodsituatie moet kijken welke afweging je maakt. Het amendement probeert dus niet om elke opvang zes maanden te laten duren, want ik vind dat je daar zorgvuldig mee moet omgaan. Als het in drie maanden kan, moet je het dus in drie maanden doen als dat voor het draagvlak in de buurt belangrijk is.
Het is dus niet het doel om het tot zes maanden te doen, maar je moet wel flexibiliteit hebben, omdat we nu niet aan de voorkant kunnen inschatten wat de actuele situatie zou kunnen zijn 26
om opvang noodzakelijk te maken. Dan maken we daar in ieder geval op een goede manier een afweging in. De voorzitter. Ik gun u natuurlijk nog de derde interruptie, meneer Kaptheijns, maar ik vind het wel zuiver dat we dan daarna overgaan tot de indiening van het amendement, want we praten daar nu al best lang over, terwijl het amendement eigenlijk nog niet is ingediend. Nick Kaptheijns (PVV). U bent mij eigenlijk een beetje voor, want dat is ook een beetje het probleem: ik ken het amendement niet. Het zou dus fijn zijn als dat in het vervolg van tevoren gedeeld zou worden. Samir Ahraui (PvdA). Excuus daarvoor. We hebben het vanochtend rondgestuurd. Ik snap dus dat nog niet iedereen dat heeft kunnen zien. Ik zal ook eerlijk zeggen dat het voor mijn fractie echt een lastige afweging was: hoe kijk je naar het initiatiefvoorstel en wat zal mijn beoordeling daarvan vandaag worden? We hebben het amendement dus vanochtend rondgestuurd. Ik dien het bij dezen gewoon in. Volgens mij hebben we nog niet afgesproken dat ik het dictum moet oplezen, maar het is het amendement Flexibiliteit bij spoedopvang, die de drie maanden plus één maand vervangt door zes maanden, maar daar ook nog een tussentijdse evaluatie door het college aan toevoegt. De voorzitter.
We komen daar in principe nog op terug, maar we hebben een afspraak in voorbereiding dat de toelichting of het dictum in ieder geval voorgelezen gaat worden. Mocht dat nou heel lang zijn, dan mag u dat aangeven en dan zetten we de tijd even stil; zo zijn we dan ook wel weer. Dat is in ieder geval belangrijk voor de Handelingen, want er worden heel veel amendementen en moties ingediend, maar daar komen wij nog op terug. Samir Ahraui (PvdA). Ik kom bij het eind van mijn betoog. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we dit debat met elkaar voeren. Ik kijk ook heel erg uit naar de beantwoording van mevrouw Van Basten Batenburg. Ik wil in ieder geval zeggen dat mijn partij vandaag in het debat probeert een zo breed mogelijk draagvlak te bereiken, ook voor het initiatiefvoorstel, want ik denk dat het heel goed is dat we hier met z'n allen mee aan de slag gaan en dat we dat ook als raad kunnen omarmen. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Nu het amendement echt is ingediend, heb ik daar een vraag over. Er staan heel veel woorden in en ik hoor in het verhaal van de heer Ahraui vooral dat hij drie maanden eigenlijk te kort vindt, dus dat daar meer tijd voor moet komen. Waarom zijn er zoveel extra woorden gewijd aan het dictum in plaats van alleen de drie maanden te wijzigen in zes maanden? Samir Ahraui (PvdA).
Volgens mij kent ook mevrouw Klokkenburg mij als een persoon die altijd heel veel woorden nodig heeft voor moties en beantwoording van interrupties. Ik denk dus dat dat eerder mijn spreekcultuur is dan dat de inhoud daar echt van afwijkt. Mijn voorstel is inderdaad met name: doe nou die zes maanden, bouw wel de tussenevaluatie in die nog niet specifiek in het dictum stond en laten we ervoor zorgen dat dat op een werkbare manier kan. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Bij mij is de stelling altijd 'less is more' in plaats van 'more is less', want hierdoor begrijp ik eigenlijk niet precies wat er staat. Er staat heel veel, maar in mijn ogen tegelijkertijd niet zoveel. Ik weet dus niet zo goed waarmee ik in zou stemmen als ik voor dit amendement zou stemmen. Ik ben dus benieuwd wat de specifieke meerwaarde is van al het taalgebruik van de heer Ahraui ten opzichte van het huidige dictum. Samir Ahraui (PvdA). Dat zijn volgens mij twee elementen: drie maanden plus één maand vervangen door zes maanden en het inbouwen van een tussenevaluatie, waarbij het college de buurt en de raad ook tijdig informeert over hoe de opvang loopt en hoe die in de toekomst eventueel wel of niet verder zal gaan. Rutger de Ridder (VVD). Ik ben benieuwd wat de heer Ahraui in het amendement bedoelt met de zinsnede dat de raad en de buurt tijdig op de hoogte worden gebracht. Wat is 'tijdig'? 27
Samir Ahraui (PvdA). Ik denk dat 'tijdig' altijd betekent dat er voldoende tijd moet zijn waarin de raad en de buurt de gelegenheid krijgen om ergens op te kunnen reageren, dat zij daar niet door overvallen worden en dat er nog ruimte is voor gesprek. Rutger de Ridder (VVD). Oké. En dan gaat u er met het amendement van uit dat het college erop terugkomt hoe het dat dan doet. Klopt dat? Samir Ahraui (PvdA). Ja, ik denk dat het goed is dat daar in het voorstel van het college meer duidelijkheid over komt. Wat daar natuurlijk altijd bij zit, is onze controlerende taak om, als wij vinden dat dat niet ordentelijk verloopt, het college daarop aan te spreken. De voorzitter. De heer De Ridder, voor de derde maal. Rutger de Ridder (VVD). Dank, dan is dat helder. Dan ben ik nog benieuwd waar u nu staat, want u heeft van alles gezegd, maar ik weet niet waar u nu staat. Staat u nu aan de positieve kant of aan de negatieve kant? Samir Ahraui (PvdA). Mijn fractie staat dáár dat we het initiatiefvoorstel hebben beoordeeld en dat wij vinden dat dit amendement voor ons nodig is om met het initiatiefvoorstel in te kunnen stemmen. Mocht ons amendement het niet halen, dan wordt het voor ons ingewikkelder. Die afweging wil ik dus nog maken, maar ik luister natuurlijk ook nog wel naar de inbreng van mevrouw Van Basten Batenburg. Lesley Arp (SP).
Ik heb ook een verhelderende vraag over het amendement. Moeten we het wel zo lezen dat die zes maanden echt hard zijn? Want ook de tussenevaluatie wordt genoemd. Is het niet zo dat die tussenevaluatie toch nog een soort geitenpaadje biedt om weer aan die zes maanden te tornen? Want ik vind wel dat je ergens een lijn moet trekken: wanneer is het tijdelijk en wanneer is het regulier? Samir Ahraui (PvdA). Ik zal mijn volgende amendementen korter en bondiger maken en met een duidelijkere toelichting; die les heb ik geleerd. Nee, ik zie het ook echt als een wat hardere grens. Op het moment dat je ziet dat je eventueel meer dan zes maanden nodig hebt, moet je dus gewoon een participatieproces starten. Martin van den Goorbergh (Groep van den Goorbergh). Dat betekent dus ook dat die maand verlenging er niet meer bij hoort en dat het gewoon om zes maanden gaat. Samir Ahraui (PvdA). Ja, dat klopt. Daarbij kan het natuurlijk wel zo zijn dat je, als het college in eerste instantie zegt dat het gaat om drie maanden, binnen de afspraken die je met elkaar hebt er in ieder geval voor zorgt dat het niet meer dan zes maanden zal worden. Het gaat dus om de totale duur van de opvang. De voorzitter. Door de heer Ahraui wordt het volgende amendement (G.B PvdA) voorgesteld:
Amendement G.B PvdA flexibiliteit bij spoedopvang De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 3 oktober 2024, ter bespreking van het Initiatiefvoorstel VVD: Haagse kracht - Inspraak, ook bij opvang (RIS317236). Besluit om in te stemmen met het initiatiefvoorstel, met dienverstande dat dictumpunt II. als volgt gewijzigd wordt:
28
II. Een procedure vast te stellen voor besluitvorming over opvang wanneer sprake is van spoed, waarbij: a. de buurt altijd vooraf wordt geïnformeerd en er voor aanvang van de opvang een informatieavond plaatsvindt; b. de duur van spoedopvang maximaal 3 maanden is; de duur van de spoedopvang wordt bepaald op basis van de specifieke omstandigheden van de beschikbare locatie en de noodzaak van de opvang, met dien verstande dat de opvang niet langer dan 6 maanden is, met een verplichte tussentijdse evaluatie door het college, waarbij de buurt en de raad tijdig op de hoogte worden gebracht van de voortgang en eventuele verlenging van de opvang; c. voor eventuele verlenging van meer dan een maand een reguliere procedure onder I moet worden doorlopen. Indien uit de tussenevaluatie blijkt dat de opvang een regulier karakter krijgt of langer dan 6 maanden zal zijn, wordt de reguliere procedure gevolgd. Het amendement maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Voorzitter. Het betrekken van onze Haagse inwoners bij de besluitvorming is al jaren een hot topic bij het stadsbestuur. In 2014 ging het toenmalige college aan de slag onder het motto 'Vertrouwen op Haagse kracht'. Participatie stond daarmee hoog op de agenda, maar nu, tien jaar later, hebben we het er nog steeds over, omdat het te vaak niet goed gaat.
Intussen zijn we een heel aantal werkgroepen verder, maar zaken zoals de Leidraad controversiële voorzieningen zijn nog steeds niet vervangen. Deze week bleek dat die ook niet vervangen wordt, als het aan dit college ligt. Waar het debat over participatie tot nu toe vaak ging over specifieke locaties, zoals het Willem Dreeshuis of het Haga, was dit initiatiefvoorstel van de VVD voor mijn fractie echt een handreiking om een goed debat te kunnen hebben over participatie in haar algemeenheid over voorzieningen zoals opvang, zonder dat een concrete casus voorlag waarover een politiek besluit genomen moest worden. Waar we als commissie volgens mij een mooi debat hebben gehad, vond ik het jammer om te moeten constateren dat het college dit initiatiefvoorstel niet als een handreiking zag. De ChristenUnie/SGP is voor de opvang van mensen in onze stad. Dit initiatiefvoorstel gaat over hoe we dat vervolgens regelen. Wat ons betreft mogen een goed participatieproces en duidelijke afspraken de opvang van kwetsbare mensen niet traineren. In de commissiebehandeling is door de wethouder en door andere partijen aangegeven dat dit voorstel deels al wordt opgepakt doordat de Leidraad controversiële voorzieningen onderdeel wordt van de nieuwe Participatieverordening en dat daarmee heldere spelregels worden afgesproken.
Dat bleek al niet het geval toen we als raad de Participatieverordening kregen en bespraken, maar in de brief van afgelopen dinsdag staat het wel heel kernachtig: de Leidraad controversiële voorzieningen blijft precies zoals die al was van kracht. Dat toont wat ons betreft het belang van dit initiatiefvoorstel extra aan. Na de behandeling en een gewijzigd voorstel rest ons nog één vraag aan de indiener: is het wat de Haagse VVD betreft de bedoeling dat per se een formele zienswijzeprocedure gevolgd wordt, waarbij ook bezwaar kan worden gemaakt tegen de reactie op die zienswijze en erkent de VVD de zorg van de ChristenUnie/SGP dat dit een eventuele opvang zou kunnen traineren? En is de indiener het ermee eens dat dit onwenselijk en ook niet de bedoeling van dit initiatiefvoorstel is? Marieke van Doorn (D66). Voorzitter. Heel veel dank aan de VVD voor dit initiatiefvoorstel en de mooie discussie die we daardoor in de commissie hadden over dit belangrijke onderwerp. Voor de D66-fractie is het heel erg belangrijk dat we bij het opvangen van kwetsbare groepen in de stad naast direct omwonenden ook de stem van die desbetreffende kwetsbare groepen, overige inwoners en belangenorganisaties aan bod laten komen. Dit soort opvang heeft wat ons betreft een wat meer wijkoverstijgend karakter.
Voor ons is het ook erg belangrijk dat de gemeente ten opzichte van bewoners heel erg duidelijk is waarover wel en waarover niet kan worden geparticipeerd. Veel dank aan de VVD, aan de indiener, voor de wijzigingen van het voorstel, waarin inderdaad de belangstellenden, een wat bredere groep van mensen, zijn meegenomen. We missen hen echter alleen nog in het dictum. Daarom heb ik een amendement geschreven om participatie en belangstellenden toe te voegen aan het voorstel. Ik heb net gehoord dat ik dat dictum moet voorlezen. 29
Dat luidt: een procedure vast te stellen voor inspraak en participatie bij de besluitvorming over opvangvoorzieningen, waarin in ieder geval wordt vastgelegd dat het college een voornemen tot een besluit neemt, in plaats van een definitief besluit, waarin wordt aangeduid over welke elementen belanghebbenden en belangstellenden kunnen participeren, belanghebbenden en belangstellenden in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijze te geven over dit voornemen en het college na de inspraak en participatie overgaat tot een definitief besluit. Dit amendement dien ik graag bij dezen in. Rutger de Ridder (VVD). Als ik het amendement goed lees, blijft gewoon overeind staan dat aan de voorkant, voordat een besluit definitief is, inspraak dan wel participatie plaats moet vinden. Dat klopt toch? Marieke van Doorn (D66). Wat ons betreft maken we ook aan de voorkant duidelijk over welke elementen de participatie, de inspraak, wel of niet wordt meegenomen. Mensen mogen natuurlijk inbrengen wat ze zelf willen, maar als wij als gemeente duidelijk kunnen aangeven 'over deze elementen van het voorlopig besluit nemen we graag uw inbreng mee, maar over deze elementen van het besluit hebben we nou eenmaal te maken met bijvoorbeeld landelijke, hogere wetgeving; dat is dus nou eenmaal zo' denk ik dat we heel veel teleurstelling in de participatie voorkomen. Hera Butt (GroenLinks).
Dank aan D66 voor dit amendement. Mijn fractie vindt het er best goed uitzien, vooral het stuk over duidelijkheid en het managen van verwachtingen bij de deelnemers aan participatie. Ik heb nog wel een vraag over de belangstellenden. In de toelichting staat 'overige inwoners en belangenorganisaties'. Dat klinkt nog vrij breed. Kan D66 dit toelichten? Zou 'overige inwoners' in principe iedereen in de stad of daarbuiten kunnen zijn? Marieke van Doorn (D66). Ik denk dat dit iets is wat je per project zou moeten bekijken. We hebben het daar ook over gehad in de bespreking van de voorliggende beleidsstukken over het inspraak- en participatiebeleid. Er zijn categorieën belanghebbenden en belangstellenden gedefinieerd. Het hangt dus af van de voorliggende casus. Wij willen met dit amendement voorkomen dat we alleen de direct omwonenden hun stem laten horen bij opvang. Dat gaat ook breder. Je moet zeker ook de doelgroep zelf aan het woord laten. De voorzitter. Door mevrouw Van Doorn wordt het volgende amendement (G.A D66) voorgesteld:
Amendement G.A D66 Participatie en belangstellenden toevoegen De raad van de gemeente Den Haag, in vergadering bijeen op 3 oktober 2024, ter bespreking van het gewijzigd initiatiefvoorstel VVD: Haagse kracht – Inspraak, ook bij opvang (RIS317236). Besluit om aan dictum I de volgende dikgedrukte woorden toe te voegen: I Een procedure vast te stellen voor inspraak en participatie bij de besluitvorming over opvangvoorzieningen, waarin in ieder geval wordt vastgelegd dat: a. het college een voornemen tot een besluit neemt, in plaats van een definitief besluit, waarin wordt aangeduid over welke elementen belanghebbenden en belangstellenden kunnen participeren; b. belanghebbenden en belangstellenden in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijze te geven over dit voornemen; c. het college na de inspraak en participatie overgaat tot een definitief besluit. Het amendement maakt onderdeel uit van de verdere beraadslaging. Hera Butt (GroenLinks). Voorzitter. Ik kan me voor een groot deel aansluiten bij de inbreng van de Partij van de Arbeid en D66. Ik wil ook graag benoemen dat mijn fractie blij is met de aandacht die de VVD terecht vraagt voor het betrekken van bewoners. We zijn het ermee eens dat bewoners betrokken 30
moeten worden, maar we vragen ons wel af of dit de weg is die ons leidt naar waar we willen zijn. Daar is mijn fractie nog niet helemaal van overtuigd. Ik wil een paar punten benoemen. Misschien wil ik daarmee ook een dilemma schetsen dat nog steeds bij mijn fractie leeft. In het voorstel wordt gesproken over een zienswijzeprocedure. Mijn fractie vraagt zich af of meer juridisering wel wenselijk is. We hebben het ook in de commissie hierover gehad, maar het blijft onduidelijk hoe juridisch de indiener dit precies bedoelt. Er wordt een vergelijking gemaakt met de ondergrondse restafvalcontainers. Daar is de Awb bijvoorbeeld van toepassing en is het uiteindelijk ook de hoogste bestuursrechter die daarover gaat. We zien dat dat ook best regelmatig gebeurt. Een snelle zoektocht in de jurisprudentie levert 145 uitspraken op over de ORAC's in Den Haag. Ik neem aan dat ook de VVD meer juridisering eigenlijk niet wenst. Of toch wel? Lesley Arp (SP). Ik ga ook een vraag aan de indiener stellen over mogelijke juridisering. Als er zorgen zijn over juridische gevolgen en financiële gevolgen - die zorgen hoor ik bij bepaalde collega's - zou dat dan niet bij uitstek iets zijn wat je in een preadvies uitgebreid toelicht, zodat je daar in de commissie een goed debat over kunt voeren? Hera Butt (GroenLinks).
Volgens mij hebben we dit punt in de commissie besproken en heeft de VVD aangegeven - maar daar gaat de VVD straks zelf over in de beantwoording - dat zij meer juridisering niet wenst en dat zij het ook niet zo bedoelt, maar ik zie in de dicta geen aanpassing. Vandaar dat ik mijn zorgen toch nog een keer benoem. Verder maakt mijn fractie zich nog steeds zorgen over de uitvoering in de praktijk van het voorstel zoals het er nu ligt. Daar gaan de amendementen van D66 en de Partij van de Arbeid volgens mij voor een deel over. We hebben in Nederland namelijk een opvangcrisis; dat hebben we vaak genoeg benoemd als GroenLinks. Daar heeft Den Haag ook mee te dealen. Is dat ideaal voor iedereen? Nee, vast niet. Als een noodopvanglocatie wordt verlengd met een maand, moet volgens het voorstel zoals het er nu ligt, de uitgebreide zienswijzeprocedure doorlopen worden. Is dit in de praktijk goed uitvoerbaar, ook volgens de tijdlijn die in het voorstel van de VVD nu wordt voorgesteld? En onder welke randvoorwaarden dan? Hoe gaat dat in de praktijk? Hoe ziet de indiener dit voor zich? Rutger de Ridder (VVD). Ik vraag me een beetje af of mevrouw Butt wel begrijpt wat wij hebben geprobeerd te doen met de twee vormen. Je hebt een spoedprocedure en je hebt een reguliere procedure.
Waar wij het verschil willen aangeven, is dat als een spoedprocedure eigenlijk langer duurt dan normaal, het een reguliere procedure wordt. In die tussentijd moet je met mensen gaan praten en inspraak regelen, zodat je die georganiseerd hebt. Dat is toch niet verkeerd? Hera Butt (GroenLinks). Een inspraakprocedure op zich is inderdaad niet verkeerd, zoals de VVD aangeeft, maar tegelijkertijd zit de zorg van mijn fractie erin dat in een noodopvangvoorziening de nood hoog is. Als het met een maand verlengd wordt - dat kan ook heel lastminute gebeuren - vraagt mijn fractie zich af of je die eerste procedure in dictum I dan nog wel goed kunt doorlopen volgens de tijdlijn die de VVD zou willen en of het straks eigenlijk niet een onmogelijke taak voor de gemeente kan worden om dit goed uit te voeren volgens het voorstel. Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). We kunnen dit voorstel toch aannemen en over een of twee jaar evalueren of het werkt zoals we zouden willen dat het werkt? Hera Butt (GroenLinks). Dat zou kunnen. Wat mijn fractie betreft is dat niet wenselijk. We hebben hier nu een debat over en we hebben hier ook een debat over gehad. Voor mijn fractie is de zorg groot en zouden we dit, als je risico's ziet, nu al bij voorbaat zo goed mogelijk moeten inregelen, zeker bij moeilijke beslissingen en moeilijke opgaven die we in Nederland en in Den Haag hebben.
We zien daar toch te veel risico's om te zeggen: laten we het gewoon twee jaar proberen en we zien wel of het goed gaat of niet. Dat zeg ik ook omdat we bijvoorbeeld bij het HagaZiekenhuis hebben gezien dat dit qua participatie en inspraak heel erg leeft in de stad. Ik zou dus niet bij voorbaat denken: laten we de risico's nemen en gewoon experimenteren met dit soort gevoelige onderwerpen.
31
Judith Klokkenburg (ChristenUnie/SGP). Juist omdat dit leeft, zou je dit heel goed moeten gaan regelen. Er ligt nu een voorstel voor waarmee dit goed geregeld kan worden. Volgens mij creëer je daarmee veel meer duidelijkheid voor bewoners, zodat zij veel beter weten waar ze aan toe zijn. Volgens mij is datgene wat mevrouw Butt zegt, juist precies de reden om voor dit voorstel te moeten stemmen, maar dat is natuurlijk aan GroenLinks. Hera Butt (GroenLinks). De ChristenUnie/SGP schetst het zo alsof participatie in dit debat betekent: óf we gaan voor het VVD-raadsvoorstel óf er gebeurt niks. Dat is natuurlijk niet de realiteit. We hebben net van D66 en de Partij van de Arbeid gehoord dat er met wijzigingen in de dicta, die het wat GroenLinks betreft beter maken, ook andere vormen denkbaar zijn binnen de kaders van het voorstel. Ik herhaal nog een keer dat het niet zo is dat participatie ook op dit onderwerp óf een voorstel is zoals het er nu ligt óf geen voorstel voor participatie. Wat GroenLinks betreft is dat belangrijk, maar dit is niet de enige vorm. Rutger de Ridder (VVD). Ik wil doorgaan op wat ik net zei over de verlenging van de procedure met een maand. Mevrouw Butt zei 'met een maand', maar het gaat er natuurlijk om dat we willen proberen om het college te dwingen om bij uitloop van een spoedprocedure heel goed rekening te houden met de termijnen van die spoedopvang.
Als het college al weet dat het eigenlijk langer duurt, moet het college dus al gelijk op dag één waarop die spoedprocedure wordt ingezet, gaan participeren en inspraak gaan regelen. Dat is wat wij beogen met het voorstel: een beetje een stok achter de deur. De voorzitter. Dit was wel de tweede interruptie op dit punt. Hera Butt (GroenLinks). Ja, zo heb ik het ook begrepen van de VVD. Waar mijn fractie zich zorgen om maakt, is dat zeker bij noodopvangvoorzieningen niet altijd ruim van tevoren duidelijk is dat zij nodig zijn. We hebben in Den Haag nu een paar keer te maken gehad met noodkreten van het COA en het ministerie. Dat is ook de vraag van GroenLinks: is het in de praktijk inderdaad zo dat het college ruim van tevoren, op tijd, weet dat er verlengd moet worden, zodat het traject kan worden opgezet? Het kan in de praktijk ook zo zijn - dat verwacht mijn fractie ook - dat het helemaal niet twee maanden van tevoren bekend is bij het college, maar dat het COA misschien wel lastminute weer een beroep doet, zoals dat vaker best wel lastminute gaat. De voorzitter. Meneer De Ridder, voor de derde maal. Rutger de Ridder (VVD). Je kan het ook omdraaien. Je kan ook zeggen: we gaan ervan uit dat er misschien verlenging nodig is en we gaan dus gelijk de participatie en de inspraak regelen.
Als het dan onverhoopt toch niet nodig is omdat het COA het allemaal op orde heeft, is het niet nodig. Zo zou je er ook naar kunnen kijken. Dat is een positieve benadering. Hera Butt (GroenLinks). Ja, zo zou je er ook naar kunnen kijken. Dank aan de VVD voor het meedenken. Ik neem dat mee. Carlos Martinez van Andel (Hart voor Den Haag). Over meedenken gesproken: ik ben benieuwd wat nu het standpunt is van GroenLinks en of mevrouw Butt wellicht nog een tegenvoorstel heeft. Hera Butt (GroenLinks). Mijn fractie is kritisch op dit voorstel. Dat was ook eerder zo en dat is nog steeds zo. Mijn fractie ziet wel in - daar is zij de VVD ook dankbaar voor - dat inspraak ook bij opvang belangrijk is en dat daar ook om wordt gevraagd door veel mensen in de stad. Dat horen en zien we ook. In dat licht vinden we het ook belangrijk dat het college daarmee aan de slag gaat. Vandaar dat GroenLinks nu ook goed kijkt naar de amendementen van de Partij van de Arbeid en D66 om te kijken of we op die manier toch ook mee kunnen gaan met dit voorstel en of onze zorgen dan worden gedekt. Tot slot heb ik een kanttekening van mijn fractie. De vergelijking met het plaatsen van ondergrondse restafvalcontainers vindt mijn fractie ingewikkeld, niet alleen omdat het juridisch niet klopt - want bij de plaatsing van die containers geldt het Awb-regime, dat natuurlijk een juridisch 32
traject is - maar ook vanwege de vergelijking op zich. Voor mijn fractie is de vergelijking tussen asielopvang en afvalcontainers ongepast. Ja, een ondergrondse restafvalcontainer heeft impact op de leefomgeving. Ik citeer uit het voorstel van de VVD: 'Dit steekt schril af tegen de inspraak bij de plaatsing van afvalcontainers en parkeerplaatsen, terwijl dit soort opvanglocaties vaak een grotere impact hebben op de leefomgeving.' Mijn vraag aan de indiener is welke grotere impact op de leefomgeving deze mensen volgens de VVD hebben in vergelijking met een container. Wat bedoelt de VVD precies met 'de impact'? Lesley Arp (SP). Voorzitter. Zoals uit de commissiebehandeling bleek, had mijn fractie twee grote zorgen bij dit initiatiefvoorstel: wekken we geen valse verwachtingen en is een zienswijzeprocedure wel laagdrempelig genoeg? Op beide punten heeft de indiener nu een uitgebreide reflectie gegeven in de nieuwe tekst van het voorstel: er is geen sprake van een referendum, het moet aan het college zijn om het algemeen belang te wegen en inspraak moet natuurlijk breder zijn dan enkel een zienswijzeprocedure.