RIS319987 Bijlage 2 BeleidsplanVTH2024-2028
Tekst van het document
4 Het verband leggen tussen inzet, resultaten en doelstellingen uit dit beleidsplan
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
39
6.3 Monitoring behaalde resultaten In BIG-8 cyclus vormen monitoring en evaluatie een integraal onderdeel om inzicht te verkrijgen of we de juiste inzet doen. Het is namelijk belangrijk om te weten of de inzet leidt tot een meer veilige en leefbare stad. En of mensen goed beschermd worden tegen misstanden en dat daders ook het gedrag veranderen. Of dat je misschien iets anders moet proberen. Deze monitoring doen we gestructureerd en op vaste momenten. In de organisatie zijn op verschillende plekken en niveaus de resultaten bekend. We kunnen indien nodig - tussentijds bijsturen op het behalen van doelen. Uitgangspunten: • Ieder jaar wordt een Jaarplan VTH opgesteld. Dit jaarplan stelt voor het betreffende jaar concrete tactische doelen die gerelateerd zijn aan de beleidsdoelen van het Beleidsplan VTH. • Binnen het VTH-domein werken we met geautomatiseerde systemen. In deze systemen staat onder meer de productie (genomen besluiten, uitgevoerde controles, etc.). Deze gegevens zijn eenvoudig beschikbaar en vaak worden hier handige dashboards voor gebruikt. Hierdoor heeft het management van de betrokken afdelingen inzicht in de voortgang van de uitvoering van een jaarplan. • Binnen het VTH-domein monitoren we behaalde resultaten gedurende het jaar intern binnen de hiërarchische structuur. De vorm en frequentie kan verschillen per afdeling of organisatie.
We bespreken hoe het staat met de voortgang van de uitvoering van het jaarplan. • Ieder jaar wordt een jaarverslag opgesteld over de uitvoering van VTH-taken. Met deze verslagen monitoren we de uitvoering van de jaarplannen en geven een beeld van in welke mate de beleidsdoelen worden behaald. Deze jaarverslagen worden vastgesteld en toegezonden aan de raad. Hierin schetsen we ook nieuwe ontwikkelingen op het gebied van beleid, wetgeving en maatschappij. • Daarnaast wordt ieder jaar de begrotingscyclus doorlopen voor alle activiteiten binnen de gemeente. In deze cyclus bespreken en wegen we de financiële aspecten van de uitvoering. Dit is belangrijk voor de borging van de uitvoeringscapaciteit.
6.4 Evaluatie Via de jaarverslagen rapporteren we jaarlijks over de uitvoering van het jaarplan. Ook belichten we de mate waarin deze uitvoering heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen zoals ge-noemd in hoofdstuk 3. Voor een meerjarige evaluatie sluiten we daarnaast aan bij de monito-ring- en evaluatiesystematiek van de Omgevingswet.
40
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Bijlagen
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
41
Bijlage 1 Bijlage beleidskaders van toepassing op uitvoering VTH-strategieën Deze bijlage sluit aan op hoofdstuk 5 van het Beleidsplan VTH en beschrijft de relevante beleidskaders waarbinnen VTH taken worden uitgevoerd. Een deel van de genoemde beleidskaders stellen we de komende tijd bij en passen we aan op de Omgevingswet. Andere beleidskaders zijn al aangepast op de Omgevingswet of worden niet beïnvloed door de invoering ervan. Eventueel nieuw vastgestelde be-leidskaders komen in plaats van hieronder genoemde stukken. 1. Beleidskaders van toepassing op alle strategieën • Algemene verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Den Haag 2017 (RIS295949); • Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Omgevingsrecht (milieu) Den Haag 2016 (RIS294545); • Beleidsregel kwaliteitseisen vergunningverlening, toezicht en handhaving Den Haag 2017 (RIS296472). 2.
Beleidskaders van toepassing op de strategie preventie • Visie op digitalisering en dienstverlening 2020-2023 (RIS 305093) • Integraal Veiligheidsbeleid (RIS 313807) • Uitvoeringsprogramma Preventie met gezag (RIS 314852) • Aanwijzingsbesluit Weimarstraat/Beeklaan vergunningplicht bedrijfsmatige activiteiten ex ar-tikel 2:98 APV (RIS 316926) • Aanwijzingsbesluit Jan Luykenlaan/Van Baerlestraat vergunningplicht bedrijfsmatige activiteiten ex artikel 2:98 APV (RIS 314549) • Regeling Bibob Den Haag 2021 (RIS 308678) • Verordening bestuurlijke boete overlast openbare ruimte Den Haag 2023 (RIS 315392) • Beleidsregel bestuurlijke boete, sluiting en beheerovername op grond van de Woningwet Den Haag 2022 (RIS 311800) • Huisvestingsverordening 2023 • Beleidsregel matiging bestuurlijke boete huisvesting Den Haag 2019 (RIS 303046) • Richtlijn bestuursrechtelijke dwangmiddelen 2023 (zie overige bijlagen) • Protocol dwangsombedragen en -termijnen ODH (RIS 310481, bijlage 2) 3. Beleidskaders van toepassing op de strategie vergunningen • Nota ‘Bouwtoezicht op Maat’ (BOM) (RIS250613); • Beleidskader Wet kwaliteitsborging (zie overige bijlagen); • Verordening Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed (RIS 316665) • Erfgoedverordening 2024 (RIS316733); • Besluit betreffende bindend adviesrecht en Verplichte participatie (RIS313814);
42
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
• Delegatie besluit Omgevingsplan (RIS316028); • Legesverordening 2024 (RIS316887); • Beleid inzake bouwveiligheid binnen de gemeente Den Haag d.d. 2 juni 2006 (RIS138137); • Beleidsregel bouw- en sloopgeluid Den Haag 2017 d.d. 4 juli 2017 (RIS297432); • Beleidsregel vergunningvrij realiseren van gevelreclame Den Haag 2017 (RIS 295992); • Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Den Haag 2017 (RIS297288); • Procedurele afspraken met de gemeenteraad ten aanzien van de verklaring van geen bedenkingen d.d. 29 november 2015 (RIS288041); • Beleid windhinder en bezonning d.d. 9 februari 2010 (RIS170509); • Beleid dakopbouwen van juni 2011 (RIS180461); • Nieuwe Handreiking padel en geluid (RIS315524); • Welstandsnota Den Haag 2017 (RIS297760).
• Toelichting afwegingskader kapvergunningen (RIS288980); • Reclamebeleid buitenruimte 2018-2022 ‘Zichtbaar met kwaliteit’ (RIS2987580) • Beleidsregel vergunningverlening tijdelijke reclame-uitingen Den Haag 2018 (RIS 298756); • Beleidsregel vergunningverlening terrassen Den Haag 2016 (RIS291635); • Beleidsregels Terrassenbeleid per 1 maart 2023 (RIS314505); • Richtlijn tot wijziging van de Richtlijnen vergunningvrije terrassen Den Haag 2016 (RIS304800); • Beleidsregel tot wijziging van de vijfde Beleidsregel vergunningverlening terrassen Den Haag 2016 (RIS315988); • Verordening bestuurlijke boete overlast openbare ruimte Den Haag 2023 (RIS315392); • Aanwijzingsbesluit Weimarstraat/Beeklaan vergunningplicht bedrijfsmatige activiteiten ex artikel 2:98 APV (RIS316926); • Aanwijzingsbesluit Jan Luykenlaan/Van Baerlestraat vergunningplicht bedrijfsmatige activiteiten ex artikel 2:98 APV (RIS314549); • Regeling Bibob Den Haag 2021 (RIS308678). 4.
Beleidskaders van toepassing op de strategie toezicht • Agenda Ruimte voor de Stad (RIS295016); • Aanpak prioritaire gebieden (RIS315044); • Wijkaanpak Nieuwe Stijl ‘Opwaartse kracht!’ (RIS282571) met bijhorende programma’s; • Aangescherpt Actieplan Laak (RIS316885); • Uitvoeringsbeleid ‘Handhaven met Ambitie’ (RIS306210); • Regionale Realisatieagenda van Rijk, provincie en gemeente Den Haag (RIS 314502); • Woonvisie 2022 (RIS 313365), Technische aanpassing van Woonvisie (RIS 296833), Woon-agenda 2020-2023 (RIS305711), Nota voorraadbeleid Den Haag 2021 (RIS311091); • Nota BOM (RIS250613); • Welstandsnota Den Haag 2017 (RIS297760). • Nota VTH beleid gemeentelijke taken Omgevingsdienst Haaglanden (RIS307834, bijlage I); • Nota Probleemanalyse en prioriteiten milieutoezicht 2021-2024 (RIS307834, bijlage II); • Nota handhaving buitenruimte (RIS 307104); • Agenda Groen voor de Stad (RIS 294705);
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
43
• Nota Stadsbomen (RIS 307827); • Aanvalsplan Afval 2023-2026 (RIS 315979); • Horecavisie (RIS 288644); • Meerjarenbeleidsplan 2020-2025 Verantwoord doorontwikkelen (Veiligheidsregio Haaglanden); • Visie op digitalisering en dienstverlening 2020-2023 (RIS 305093); • Strategisch Beleidskader Informatieveiligheid 2019-2022 (RIS 304162). 5. Beleidskaders van toepassing op de strategie toezicht • Richtlijn bestuursrechtelijke dwangmiddelen, Dienst Stedelijke Ontwikkeling 2023 (zie overige bijlagen); • Beleidsregel bestuurlijke boete, sluiting en beheerovername op grond van de Woningwet Den Haag 2022 (RIS311800); • Huisvestingsverordening 2023; • Beleidsregel matiging bestuurlijke boete huisvesting Den Haag 2019 (RIS03046); • Verordening bestuurlijke boete overlast openbare ruimte Den Haag 2023 (RIS315392); • Beleidsregel bouwkundige splitsingen (RIS296556); • Landelijke Handhavingsstrategie (LHS). De vervangende LHSO wordt door gemeenten op een uniforme manier vastgesteld en is daarom hier niet volledig in de bijlagen opgenomen; • Protocol invordering dwangsommen (RIS310481, bijlage 1); • Protocol dwangsombedragen en -termijnen ODH (RIS310481, bijlage 2); • Handhavingsbeleid voor horeca en alcoholverstrekkers (RIS292169); • Nota ‘Gedogen in Nederland’ (TK 25085, nr. 2, 1996-1997).
44
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Bijlage 2 Wkb handhavingsbeleid Den Haag 2024 1. Inleiding en doel Op 1 januari 2024 zijn de Wet kwaliteitsboring voor het bouwen (hierna: Wkb) en de Omgevingswet (hierna: Ow) in werking getreden. Zowel de Ow als de Wkb brengen grote veranderingen met zich mee voor het bouwen van bouwwerken. Met name het toezicht op de technische kant van het bouwen verandert ingrijpend. Waar een initiatiefnemer tot 1 januari 2024 voor het bouwen van een bouwwerk een omgevingsvergunning moest aanvragen, de gemeente die beoordeelt en na vergunningverlening toezicht houdt op de bouwplaats, is er vanaf 1 januari 2024 een “nieuwe partij” toegevoegd aan in dit proces. Dat is de kwaliteitsborger en hij zal het grootste deel van de toezichtstaken op zich nemen. De regels hoe daar uitvoering aan moet worden gegeven, de rollen en verantwoordelijkheden van diverse partijen en de regels waaraan het bouwwerk moet voldoen zijn vastgelegd in de wet, maar is voor alle partijen nieuw. We zullen met elkaar een weg moeten vinden in deze nieuwe rollen en regels. Met dit beleid wordt aangegeven hoe we in Den Haag daar invulling aan gaan geven waarmee we duidelijkheid willen geven hoe de gemeente omgaat met mogelijk nieuwe situaties. Vanuit de Ow worden bouwactiviteiten gescheiden in twee delen: een technisch bouwactiviteit en een ruimtelijk deel met betrekking tot een omgevingsplanactiviteit.
Dat leidt tot het volgende onderscheid in activiteiten: De technische bouwactiviteit. Deze ziet op de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit zoals die zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). De omgevingsplan-activiteit voor een bouwwerk. Die ziet op de toets of het bouwwerk en het gebruik daarvan passen binnen de regels van het omgevingsplan.
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
45
De Wkb verdeelt alle bouwwerken over drie gevolgklassen. De gevolgklassen zijn bepaald aan de hand van de mogelijke gevolgen voor gebruikers. Bijvoorbeeld als gevolg van brand of het instorten van een (deel van een) gebouw. Hoe groter de gevolgen zijn als er iets misgaat, des te hoger de gevolgklasse. De verdeling is als volgt: • Gevolgklasse 1; de persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan zijn beperkt. Bij deze gevolgklasse valt te denken aan woningen en eenvoudige bedrijfs-gebouwen; • Gevolgklasse 2; reële kans op persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan. Hierbij valt te denken aan bibliotheken, gemeentehuizen, onderwijsgebouwen en woongebouwen tot 70 meter hoog. • Gevolgklasse 3; kans op aanzienlijke persoonlijke gevolgen als niet aan de bouwtechnische voor-schriften wordt voldaan. Hieronder kunnen vallen bouwwerken zoals metrostations, voetbalsta-dions, ziekenhuizen en gebouwen hoger dan 70 meter. Onder de Wkb zijn vanaf 1 januari 2024 de nieuwbouwactiviteiten uit gevolgklasse 1 voor het technische deel niet vergunningplichtig, maar wel meldingsplichtig. Voor welke specifieke bouwactiviteiten dit geldt wordt in hoofdstuk 2 en bijlage 1 nader toegelicht en benoemd.
Dit type bouwactiviteiten wordt door de afdeling Vergunningen & Toezicht van Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente niet preventief getoetst aan de bouwvoorschriften. Via de melding, de informatieplichten en het dossier bevoegd gezag, toont de initiatiefnemer aan dat hij bouwt volgens de voorschriften die gelden voor het te bouwen bouwwerk. Is een bouwactiviteit op zichzelf (als het ware als ‘losse’ activiteit) vergunningvrij is, maar maakt deze deel uit van een grotere bouwactiviteit die onder gevolgklasse 1 valt, dan valt ook de vergunningvrije bouwactiviteit onder gevolgklasse 1 en kwaliteitsborging. Te denken valt aan een vergunningsvrije dakkapel die deel uitmaakt van een nieuw te bouwen woning onder gevolgklasse 1. Het kan zijn dat de bouwactiviteit van gevolgklasse 1 plaatsvindt in, aan, op of bij een illegaal bouwwerk. Oftewel een bouwwerk waarvoor een vereiste omgevingsvergunning ontbreekt. In dat geval valt de bouwactiviteit niet onder het stelsel van kwaliteitsborging en is er een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig (artikel 2.22 Bbl). Dit zal vooral aan de orde zijn als verbouw ook onder de werking van de Wkb gaat vallen. Rol van de gemeente in combinatie met private erkende kwaliteitsborgers De Wkb heeft als doel om de gebouwde kwaliteit van bouwwerken te verbeteren.
Met het oog daarop is in de wet gekozen voor de inzet van private erkende kwaliteitsborgers. In de praktijk betekent het dat toezicht op de uitvoering van bouwwerken in gevolgklasse 1 bij nieuwbouw, primair wordt belegd bij private kwaliteitsborgers. Een kwaliteitsborger ziet erop toe dat het bouwwerk volgens de eisen van het Bbl wordt gebouwd.
46
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
De kwaliteitsborger toetst een bouwplan aan de hand van zogenoemde ‘instrumenten’. Een instrument is een werkwijze waarmee een kwaliteitsborger tijdens de bouw toeziet of het voldoet aan de geldende voorschriften. Dit kan bijvoorbeeld een erkenningsregeling of certificering zijn. Een instrument beschrijft op welke wijze het toezicht moet worden ingericht en uitgevoerd. Instrumenten moeten voldoen aan wettelijke gestelde eisen en worden toegelaten tot het stelsel alvorens deze mogen worden toegepast door een kwaliteitsborger. De vereisten voor een instrument zijn bepaald in de Wkb. De gemeente blijft, net als onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, als bevoegd gezag verantwoordelijk voor toezicht op en handhaving van de naleving van de bouwregelgeving. De gemeente is dus bevoegd om activiteiten in het kader van die toezichthoudende en handhavende rol te verrichten. De kwaliteitsborger heeft deze bevoegdheden niet. Voor het toezicht door de gemeente op de naleving van de bouwregelgeving is voor de bouwactiviteiten het opgeleverde bouwwerk maatgevend in plaats van een aannemelijkheidstoets bij vergunningverlening. Voordat het bouwwerk wordt opgeleverd zijn er (verplichte) informatiemomenten waarop de kwaliteitsborger de gemeente informeert over de voortgang van de bouw en eventuele strijdigheden met wet- en regelgeving.
Doel van dit handhavingsbeleid Het bouwtoezicht voor gevolgklasse-1-bouwwerken nieuwbouw is met de komst van de Wkb primair belegd bij private kwaliteitsborgers. Zij toetsen het bouwwerk zoals het wordt gebouwd. De gemeente toetst niet inhoudelijk en vooraf aan bouwtechnische voorschriften, maar controleert of de opdrachtgever werkt met een toegelaten, bij de bouwactiviteit passend instrument en een onafhankelijke kwaliteitsborger. Ook controleert de gemeente of alle specifieke risico’s voor dat bouwwerk in de risicobeoordeling in kaart zijn gebracht en in het borgingsplan zijn vastgelegd. Mocht handhaving noodzakelijk zijn, dan biedt de Wkb in aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschillende handvatten om te kunnen beschikken over de noodzakelijke informatie. Als dat nodig is kan zij onderzoeken of er sprake is van een overtreding van de bouwtechnische regels en zo nodig handhavend optreden. Zij kan dit doen naar aanleiding van een handhavingsmelding van een kwaliteitsborger, op basis van signalen of verzoek van derden (zoals omwonenden), maar zij kan ook op eigen initiatief de bouwplaats bezoeken en (aanvullende) informatie opvragen bij de bouwpartijen. Wanneer het vervolgens nodig is om over te gaan tot handhaving, kan de gemeente gebruikmaken van de handhavingsbevoegdheden op basis van de Awb en de Ow.
De gemeente maakt een keuze over de omvang en intensiteit waarin zij de toezichts- en handhavingsrol wil en kan vervullen. Dit is vastgelegd in het handhavingsbeleid, zoals opgenomen in dit stuk.
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
47
Hierna zal eerst worden ingegaan op het systeem. Vervolgens wordt aangegeven welke gemeentelijke afweging er is gemaakt ten aanzien van de invulling van dit handhavingsbeleid.
Beschrijving van het systeem onder de Wkb Gevolgklasse 1 is relevant voor de Wkb en dit handhavingsbeleid Met de komst van de Wkb en de Ow zijn de bouwactiviteiten in drie gevolgklassen (hierna: GK’s) ondergebracht: GK 1, GK 2 en GK 3. Vanuit een risico- benadering zijn deze ingedeeld op basis van de mogelijke impact van het veiligheidsrisico:
Dit geeft per 1 januari 2024 de volgende soorten vergunnings- en meldingsplicht: 1. meldingsplicht bij nieuwbouw en technische vergunningsplicht bij verbouw (GK 1) 2. technische vergunningsplicht (GK 2 en GK 3) 3. vergunningplicht omgevingsplanactiviteit (kan voorkomen in alle gevolgklassen) Voor het technische deel van de bouwactiviteit van bouwwerken in GK 1 blijft een beoordeling van de bouwtechnische voorschriften door de gemeente achterwege. Er is voor dit technische deel dus geen vergunning nodig maar wel een melding. Voor alle gevolgklassen geldt overigens in dit stelsel dat op basis van de Ow, er wel ruimtelijke vergunningen voor omgevingsplanactiviteiten (hierna: OPA) nodig kunnen zijn, een en ander is afhankelijk van de regels uit het omgevingsplan. In bijlage 1 worden de gevolgklassen nader toegelicht. Gevolgklasse 1 voor de Wkb en handhavingsbeleid Voor toepassing van de Wkb voor het bouwen en onderhavig handhavingsbeleid is gevolgklasse 1 nieuwbouw van belang. Nieuwbouwactiviteiten in gevolgklasse 1 zijn voor het technische deel niet vergunningplichtig, maar er geldt wel een meldingsplicht en de verplichting tot inzet van
48
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
private kwaliteitsborging door de initiatiefnemer. Enkele voorbeelden van bouwplannen in deze klasse zijn nieuwbouw van: grondgeboden woningen, bedrijfspanden van maximaal 2 bouwlagen, kleine fiets- en voetgangersbruggen en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde tot maximaal 20 meter hoog. De Wkb geldt niet als er bij de bouw wordt gekozen voor gelijkwaardige oplossingen of als er een melding brandveilig gebruik is vereist. In die gevallen moet geldt er voor de technische bouwactiviteit een vergunningsplicht. BOM-categorieën gekoppeld aan de gevolgklassen In het “Bouwtoezicht op Maat”-beleid (BOM) van de gemeente Den Haag (RIS250613) wordt gebruikgemaakt van specifieke categorieën. Op basis van de genoemde risicogestuurde benadering is die indeling vertaald naar de toekomstige categorisering in de gevolgklassen. Voor gevolgklasse 1 nieuwbouw, van belang in het kader van de invoering van de eerste fase van de Wkb en onderhavig handhavingsbeleid, gaat het om de volgende BOM-categorieën: GK 1-BOM B2 Nieuwbouw eengezinswoning Logiesfunctie, in de vorm van nieuwbouw vakantiewoningen GK 1-BOM B3 Nieuwbouw lichte industriefunctie (opslagwerkplaats) GK 1-BOM B7 Toegangsbrug langzaam verkeer (niet over provinciale- of rijksweg)
Wat is dat eigenlijk: toezicht en handhaving? Onder toezicht verstaan we het uitvoeren van controle ter voorkoming van overtredingen en het naleven van voorschriften uit vergunningen of regelgeving. Onder handhaving wordt verstaan: het herstellen en eventueel bestraffen van het niet naleven van voorschriften uit vergunningen of regelgeving. Handhaving is niet mogelijk zonder een koppeling aan toezicht. Verder is hiervoor de beschikbaarheid van toereikende informatie nodig. De bewijslast voor handhaving ligt namelijk bij de gemeente; de gemeente moet zelf kunnen beoordelen welke regel wordt overtreden. De gemeente mag onder de Wkb alleen aanvullende informatie vragen als deze al redelijkerwijs voorhanden is, tenzij een sterk vermoeden van ernstige afwijkingen of gevaar nader onderzoek rechtvaardigt. Zonder goede documenten over het te realiseren bouwwerk is het voor de gemeente praktisch onmogelijk om zich een oordeel te vormen op basis van wat zichtbaar is op de bouwplaats tijdens het bouwproces. Ook als er voor de gemeente alle reden is om te willen handhaven op basis van dit handhavingsbeleid, zal dit dus niet altijd gebeuren als de daarvoor benodigde documenten niet bij haar
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
49
beschikbaar zijn. Indien noodzakelijk, kan de gemeente de kwaliteitsborger verplichten – zo nodig via het opleggen van een maatwerkbesluit - de informatie aan te leveren om na te gaan of het gebouwde aan het Bbl voldoet. In geval van bezwaar en beroep tegen handhavingsbesluiten zal de gemeente moeten aantonen dat het al dan niet ingrijpen gerechtvaardigd was. Handhavingsbeleid als basis voor toezicht en handhaving tijdens de realisatiefase Omdat nieuwbouwactiviteiten in GK 1 technisch vergunningsvrij zijn en alleen een meldingsplicht hebben, blijft een beoordeling door de gemeente vooraf aan de hand van de bouwtechnische voorschriften achterwege en is de inzet van het systeem van private kwaliteitsborging voor de bouwende partij verplicht. Door dit rijksbeleid verschuift de aansprakelijkheid naar een meer particuliere aansprakelijkheid en is er sprake van een terugtrekkende overheid. De bij de bouwmelding meegestuurde risicobeoordeling en het borgingsplan kunnen door de gemeente worden gebruikt om haar handhavende taak van waarnemen, beoordelen en interveniëren vooraf inhoud en richting te geven. De risicobeoordeling en het borgingsplan bieden, naast signalering vanuit de samenleving en de markt, de gemeente als bevoegd gezag de mogelijkheid om haar repressieve rol te kunnen uitoefenen. De gemeente kan toezicht tijdens de realisatie blijven uitvoeren.
Hierbij is het aan de gemeente zelf om te bepalen hoe zij daar invulling aan geeft. Hoe ziet het proces voor bouwactiviteiten onder de Wkb voor Gk 1 er (globaal) uit? Voor de rol van de gemeente per 1 januari 2024, zijn voor nieuwbouwactiviteiten in gevolgklasse 1 onder de Wkb op hoofdlijnen de volgende fasen in het proces van belang: 1. Bouwmelding met risicobeoordeling en borgingsplan 2. Toezicht en handhaving tijdens de realisatie, eventueel op basis van nader op te vragen informatie 3. Gereedmelding met ‘dossier bevoegd gezag’ en verklaring kwaliteitsborger
Hieronder worden deze voor de gemeente relevante stappen in het proces nader toegelicht. In bijlage 3 wordt het proces onder de Wkb in combinatie met de Ow in een processchema weergegeven.
50
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
1. Bouwmelding met risicobeoordeling, borgingsplan Op basis van de Wkb heeft de gemeente dus een tweeledige rol tijdens de realisatiefase: als toezichthouder op de naleving en als handhaver. Deze wet bevat verplichtingen voor de melder om voorafgaand aan de bouw bij de bouwmelding een risicobeoordeling en borgingsplan te voegen en om bij de gereedmelding een dossier met informatie over een aantal onderdelen van het bouwwerk te overleggen, te weten het ‘dossier bevoegd gezag’. Risicobeoordeling In de risicobeoordeling staat beschreven welke risico’s de melder ziet voor dit specifieke bouwwerk in relatie tot het niet voldoen aan de bouwtechnische regels. In de risicobeoordeling wordt aangegeven wat de specifieke risico’s inhouden. Hierbij moet extra aandacht worden besteed aan die onderdelen die aan het zicht onttrokken worden. Het kan daarbij gaan om locatiespecifieke risico’s, die om een specifieke borging vragen. Bijvoorbeeld: als er op zeer slechte grond wordt gebouwd, is de fundering en het te kiezen funderingssysteem een locatiespecifiek risico. Maar het kan ook gaan om een nieuw bouwwerk dat tegen een oud, al bestaand bouwwerk wordt gebouwd, waardoor de stabiliteit van het aangrenzende pand een specifiek risico kan inhouden.
De risicobeoordeling kan de gemeente als bevoegd gezag gebruiken om haar handhavende taken van waarnemen, beoordelen en interveniëren vooraf inhoud en richting te geven. Mocht er bijvoorbeeld naar het oordeel van de gemeente in de risicobeoordeling een bepaald risico over het hoofd zijn gezien, dan kan de gemeente in dat geval de melding zien als onvolledig en met als resultaat dat er niet is voldaan aan de meldingsplicht. Risicobeoordeling en bijzondere lokale omstandigheden In de Wkb is opgenomen dat in een risicobeoordeling tenminste rekening is gehouden met bijzondere lokale omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld in lokaal beleid, anderszins kenbaar zijn gemaakt of redelijkerwijs bekend zijn. In de risicobeoordeling moeten lokale omstandigheden waardoor er uiteindelijk niet aan de bouwtechnische voorschriften kan worden voldaan aan de orde komen. De kwaliteitsborger heeft de taak om zelf na te gaan welke lokale omstandigheden dit zijn. In de risicobeoordeling moet in ieder geval ingegaan worden op lokale omstandigheden die kenbaar zijn gemaakt door de gemeente óf redelijkerwijs bekend zijn. In dat kader is er dus een belangrijke rol weggelegd voor de gemeente.
Voorbeelden van een bijzondere lokale omstandigheid Een veelgebruikt voorbeeld van een bijzondere lokale omstandigheid is dat de grond waarop gebouwd wordt een afwijkende draagkracht heeft en de fundering daarop moet worden aangepast. De gemeente heeft de mogelijkheid om dit vooraf mee te geven, bijvoorbeeld in een vooroverleg en/of als er sprake is van een omgevingsplanactiviteit.
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
51
Naast een specifieke bodemgesteldheid kan het bijvoorbeeld ook gaan om verhoogde geluids-belasting op de gevels door toedoen van bijvoorbeeld (spoor)wegen en industrie. De kwaliteitsborger zal die aandachtspunten bij de beoordeling van het bouwplan moeten betrekken. Houdt de kwaliteitsborger in de risicobeoordeling geen rekening met deze lokale omstandigheden, dan is de bouwmelding onvolledig. Dat laatste geldt ook voor de situatie waarin andere onderdelen ontbreken. Borgingsplan Basis voor de kwaliteitsborging is een borgingsplan dat gebaseerd is op een goede risicobeoordeling. In het borgingsplan wordt vastgesteld welke maatregelen getroffen zijn om de in de risicobeoordeling vermelde bouwtechnische risico’s te beperken of te voorkomen. Ook is in het borgingsplan opgenomen op welke wijze het ontwerp van het bouwplan en de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoen aan de voorschriften. Tevens wordt hierin vastgesteld op welke momenten de kwaliteitsborging (het toezicht en de terugkoppeling hierover door en naar de marktpartijen), wordt uitgevoerd. De inspectiepunten en controlemomenten in het borgingsplan moeten zijn gebaseerd op de risico’s die met het ontwerp, het bouwplan en de uitvoering samenhangen, zoals het type bouwwerk, de gekozen bouwwijze en de lokale omstandigheden (bijvoorbeeld de belendingen).
2. Informatieplicht toezicht en handhaving tijdens de realisatie Het bouw- en woningtoezicht is een wettelijke taak; publiek toezicht blijft noodzakelijk. Om dit mogelijk te maken, kan de gemeente onder de Wkb de daarvoor benodigde informatie opvragen bij de bouwende partij. Op verzoek van de gemeente worden dan gegevens en bescheiden verstrekt over specifieke bouwactiviteitenwerkzaamheden en de momenten waarop deze worden uitgevoerd. Dit om ervoor te zorgen dat het te bouwen bouwwerk aan de regels voldoet en om risico’s die daarop van invloed kunnen zijn te beperken of te voorkomen. Deze gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht hierover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatie in relatie tot de constructieve veiligheid, zoals uitgangspunten, gewichts- en stabiliteitsberekeningen, berekeningen hoofddraagconstructie, tekeningen, grondonderzoek, funderingsadvies, detailberekeningen en -tekeningen. Veelal wordt een deel van deze informatie vooraf al aangeleverd via een aanvraag voor een ruimtelijke vergunning voor een OPA op basis van de Ow. Informatie die is ontvangen bij de bouwmelding of die de gemeente op haar verzoek heeft ontvangen over specifieke bouwwerkzaamheden kan zij gebruiken om het toezicht tijdens de bouw uit te voeren.
De gemeente kan bijvoorbeeld de momenten kiezen waarop een inspecteur toezicht komt houden op de bouwplaats (bijvoorbeeld bij het storten van het beton). Daartoe moet er altijd een actuele planning van de bouwwerkzaamheden op de bouwplaats aanwezig zijn. De initiatiefnemer moet de informatie hierover (de precieze datum) op verzoek van de
52
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
gemeente overleggen en iedereen die op de bouwplaats aanwezig is moet hieraan zijn/haar medewerking verlenen. Worden de benodigde gegevens niet aangeleverd om de gemeentelijke toezichtstaak uit te kunnen voeren, dan kan de gemeente een maatwerkregel opleggen waaruit blijkt wanneer en welke gegevens moeten worden aangeleverd om de toezichtstaak uit te kunnen voeren. Niet alleen dit toezicht op de bouwplaats zelf, maar ook signalen van derden, zoals van omwonenden en de kwaliteitsborger kunnen ertoe leiden dat de gemeente in het uiterste geval overgaat tot handhavend optreden. Een voorbeeld hiervan is een bouwstop na ernstige overtreding van de gestelde regels.
3. Gereedmelding met ‘dossier bevoegd gezag’ en verklaring kwaliteitsborger Dossier bevoegd gezag Het doel van de Wkb is de bouwkwaliteit en het bouwtoezicht te verbeteren door inschakeling van private kwaliteitsborgers. Met de invoering van de Wkb treedt de gemeente terug als toezichthouder en laat het toezicht op de bouw over aan de marktpartijen. De private kwaliteitsborging moet zich volgens de wetgever richten op de integrale beoordeling en borging van alle van belang zijnde risico’s. De gemeente fungeert daarbij meer als “achtervang”. Uitgangspunt is dat het ‘dossier bevoegd gezag’ de gegevens en bescheiden bevat over het gerealiseerde bouwwerk die minimaal nodig zijn om adequaat invulling te kunnen geven aan de taken en verantwoordelijkheden van de gemeente, na gereedmelding van het bouwwerk. Die informatie is nodig voor het toezicht op het gerealiseerde bouwwerk. In het ‘dossier bevoegd gezag’ wordt dus informatie opgenomen die inzichtelijk maakt dat het resultaat van de uitgevoerde bouwwerkzaamheden voldoet aan de bouwtechnische regels. Dit betreft ook noodzakelijke informatie die alleen door destructief onderzoek te achterhalen valt. Naast de verklaring van de kwaliteitsborger wordt in het ‘dossier bevoegd gezag’ informatie verstrekt over punten die met name van belang zijn voor het toezicht op de bestaande bouw en het gebruik van de bouwwerken.
Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de aanduiding van gebruiksfuncties, verblijfsgebieden, verblijfsruimten en afmetingen en maximale bezetting van alle ruimten, gegevens over de aard en plaats van brandveiligheidsinstallaties en de noodverlichting en gegevens over de constructie. Deze gegevens en bescheiden zijn echter ook al nodig bij het bouwen of verbouwen van het bouwwerk en zijn bij oplevering al beschikbaar. Ze hoeven dus niet apart te worden opgesteld. Deze informatie wordt aangevuld met gegevens en bescheiden waaruit blijkt op welke wijze er invulling is gegeven aan de in het borgingsplan opgenomen maatregelen om bouwtechnische risico’s te beperken of te voorkomen. Hierbij geldt dat gegevens niet hoeven te worden overgelegd indien het desbetreffende onderdeel niet van toepassing is op de bouw van het bouwwerk. In het stelsel onder de Wkb is het verboden om een bouwwerk in gebruik te nemen binnen een periode van veertien dagen na het moment van gereedmelding en het overleggen van het
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
53
‘dossier bevoegd gezag’. De gemeente kan besluiten de ingebruikname tegen te houden totdat het ‘dossier bevoegd gezag’ compleet is. Daarnaast kan de gemeente in het kader van haar handhavingstaak besluiten dat het bouwwerk niet in gebruik mag worden genomen als het niet aannemelijk is dat bouwwerk voldoet aan de regelgeving. Verklaring kwaliteitsborger De kwaliteitsborger legt in zijn verklaring bij gereedmelding vast dat hij toestemming heeft om het instrument toe te passen, dat hij de kwaliteitsborging heeft uitgevoerd in overeen- stemming met de in het toegelaten instrument voorgeschreven werkwijze en dat het bouwwerk na afronding van de bouwwerkzaamheden naar zijn oordeel, voldoet aan de bouwtechnische regels van het Bbl. Tevens geeft hij aan in welke gevolgklasse het gerealiseerde bouwwerk valt, welk type bouwwerk het betreft en dat hij heeft gewerkt met een instrument dat is toegelaten voor de gevolgklasse en het type bouwwerk. Verder geeft hij aan hoe er is omgegaan met de maatregelen die in het borgingsplan zijn genoemd om eventuele risico’s te beperken of te voorkomen, welke afwijkingen er tijdens de bouw zijn geconstateerd en hoe deze afwijkingen zijn opgelost. Een kopie van deze verklaring wordt verstrekt aan de andere bij de bouwwerkzaamheden betrokken partijen en de gemeente als bevoegd gezag.
Voor de verklaring is, bij ministeriële regeling, een vastgesteld formulier. Deze verklaring wordt tegelijk met de gereedmelding aan de gemeente overgelegd. Als er naar het oordeel van de kwaliteitsborger niet wordt voldaan aan de bouwtechnische regels, zal hij geen verklaring afgeven en daarvan melding doen aan alle partijen. Zonder verklaring kan het bouwwerk niet gereed worden gemeld en niet in gebruik worden genomen. Als het gebouw toch in gebruik wordt genomen, kan de gemeente daar handhavend tegen optreden. Ingebruikname bouwwerk Op grond van artikel 2.21 van het Bbl mag een bouwwerk pas in gebruik genomen worden twee weken na gereedmelding. Bij een project met bijvoorbeeld meerdere woningen zou ingebruikname dus pas zijn toegestaan nadat ook de laatste woning/deel van het project gereed is. Eerdere ingebruikname is een formeel gesproken een overtreding van de voorschriften. Gereedmelding per woning of deellevering bestaat niet onder de Omgevingswet en Wkb. De gemeente zal in de regel handhavend moeten optreden tegen ingebruikname zonder voorafgaande melding. In jurisprudentie worden een tweetal uitzonderingen op dit principebeginsel gehanteerd (AbRvS 7 juli 2004, nr. 200306199/1), namelijk als er is zicht op legalisatie of als handhavend optreden onevenredig is.
In relatie tot de Wkb zijn hierbij twee aspecten van belang: • Het stelsel van kwaliteitsborging levert het bevoegd gezag het bewijsvermoeden dat aan de voorschriften wordt voldaan bij gereedkomen van het bouwwerk;
54
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
• De Wkb schrijft voor dat strijdigheden die aan het verlenen van de verklaring van de kwaliteitsborger in de weg staan direct worden gemeld. Een combinatie van beide bepalingen leidt ertoe dat zolang er geen informatie beschikbaar is die het tegendeel bewijst, de gemeente ervan mag uitgaan dat het project uiteindelijk aan de voorschriften zal voldoen. Er is dus sprake van zicht op legalisatie zodat de gemeente (vooralsnog) kan afzien van handhavend optreden. Dit resulteert in “geen bericht is goed bericht”. Overige situaties waarin de gemeente handhavend kan optreden De gemeente heeft ook de mogelijkheid om handhavend op te treden in gevallen waarin afgeweken wordt van het proces zoals beschreven of in het geval van een veranderende situatie. Handhaving kan aan de orde zijn als de bouwactiviteit niet meer valt onder GK 1, als de bouwactiviteit valt onder GK 2 of GK 3 en er in afwijking of zonder vergunning wordt gebouwd, als er geen deelname meer is van de desbetreffende kwaliteitsborger,als er geen instrument voor kwaliteitsborging (meer) wordt toegepast of als de bouwactiviteit niet voldoet aan het omgevingsplan (ruimtelijke deel van de bouwactiviteit). De gemeente heeft hiertoe handhavingsbevoegdheden en -middelen op basis van de Awb.
4. Aangekondigde veranderingen van het Bbl over Wkb Zoals eerder aangegeven, wordt de Wkb gefaseerd ingevoerd vanaf 1 januari 2024. Er wordt gestart met de nieuwbouw van bouwwerken van GK 1. Naar verwachting volgt de verbouw van bouwwerken van GK 1, vanaf 1 januari 2025 en daaropvolgend de bouwwerken van GK 2 en GK 3. GK 2 en GK 3 komen niet eerder dan 5 jaar na inwerkingtreding van de Wkb en nadat uit de evaluatie van het ministerie van BZK blijkt dat uitbreiding van bouwwerken onder de werkingssfeer van de Wkb is geoorloofd. De minister van BZK heeft aangekondigd dat in 2024 een aanpassing wordt doorgevoerd in het Bbl met betrekking tot de ingebruikname van bouwwerken die zijn gebouwd onder de Wkb. De gemeente moet dan besluiten op basis van het dossier bevoegd gezag of het gereed gekomen bouwwerk in gebruik mag worden genomen. Hoe deze aanpassing van het Bbl komt te luiden is op dit moment nog niet bekend.
Gemeentelijke invulling van het handhavingsbeleid “Bouwtoezicht op Maat” als vertrekpunt In het vastgestelde BOM zijn toets- en toezichtniveaus op basis van een risicoprofiel gekoppeld aan categorieën bouwwerken. In 2006 is daartoe het niveau bepaald waarop aanvragen voor (ver)bouwen technisch worden beoordeeld. Voor het bepalen van het onderhavige handhavingsbeleid op basis van de Wkb is deze risicogestuurde benadering als vertrekpunt genomen, waarbij nu vanuit de Wkb een andere benadering nodig was voor gevolgklasse 1 (nieuwbouw).
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
55
Acuut risico van directe letselschade voor personen leidend voor het handhavingsbeleid De gemeente is als bevoegd gezag verantwoordelijk, maar kan voor de desbetreffende bouwactiviteiten geen leges heffen voor toezicht en handhaving van de naleving. Ook ontbreekt het zicht op aanvullende financiering, waardoor ook de personele capaciteit ontbreekt voor het uitvoeren van meer omvattend handhavingsbeleid. Daarom is bepaald om dit handhavingsbeleid vanuit een risicogestuurde benadering alleen te richten op een acuut risico van directe letselschade voor personen. Hierdoor is het niveau van toezicht beperkt. Aspecten die worden beoordeeld in het kader van toezicht en handhaving De gemeente is als bevoegd gezag verantwoordelijk voor toezicht op en handhaving van de naleving van de bouwregelgeving, het Bbl. Op basis van het geformuleerde handhavingsbeleid richt de gemeente zich hierbij in haar beoordeling primair op de volgende aspecten in dat Bbl: 4.2.1
Constructieve veiligheid
4.2.1a
Stabiliteit, drijvend vermogen en sterkte drijvende bouwwerken
4.2.2
Constructieve veiligheid bij brand
4.2.6
Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie
4.2.7
Beperking van het ontwikkelen van brand en rook
4.2.8
Beperking van uitbreiding van brand
4.2.9
Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook
4.2.10
Vluchtroutes: verloop
4.2.11
Vluchtroutes: inrichting en capaciteit
4.2.12
Hulpverlening bij brand
4.2.14
Brand- en explosievoorschriftengebieden
4.7.5
Tijdig vaststellen van brand
4.7.6
Vluchten bij brand
4.7.7
Bestrijden van brand
4.7.8
Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten
Bovenstaande aspecten maken deel uit van hoofdstuk 4 en de thema’s Veiligheid (thema 2) en Bouwinstallaties (thema 7) van het Bbl. In de risicobeoordeling wil de gemeente in ieder geval informatie aantreffen in relatie tot het onderhavige handhavingsbeleid: gericht op een acuut risico van directe letselschade voor personen, waarbij de risicobeoordeling in ieder geval betrekking heeft op de constructieve veiligheid en brandveiligheid. Hierover wenst de gemeente dan ook zo volledig mogelijk informatie te ontvangen. Naar aanleiding van een handhavingsmelding verricht de gemeente een eerste globale beoordeling, mede op basis van de bij de bouwmelding meegestuurde risicobeoordeling en het borgingsplan. Hierbij wordt alleen gekeken naar de bovengenoemde aspecten. Indien er een vermoeden is van ernstige misstanden, dan zal er vervolgens een grondige beoordeling plaatsvinden. In dat geval moet er sprake zijn van een duidelijke aannemelijkheid, een constatering vanuit de gemeente zelf of aanwezigheid van bewijs.
56
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Op basis van het geformuleerde Wkb handhavingsbeleid richt de gemeente zich bij het toezicht en de handhaving in haar beoordeling niet op de volgende hoofdthema’s van het Bbl: • Gezondheid (thema 3) • Duurzaamheid (thema 4) • Bruikbaarheid (thema 5) • Toegankelijkheid (thema 6) • De overige, niet hierboven vermelde, onderdelen van de hoofdthema’s veiligheid (2) en bouwinstallaties (7). De gemeente acht deze thema’s wel van belang, maar ziet niet actief toe op de bovengenoemde aspecten en thema’s; de marktpartijen moeten hiervoor verantwoordelijkheid nemen. Tot deze lijn is ook besloten met het oog op de inzet van private kwaliteitsborging; volgens de wetgever moet worden verondersteld dat deze zich richt op een integrale beoordeling en borging van alle van belang zijnde risico’s (conform de thema’s vanuit het Bbl). Deze benadering is bepalend geweest voor het vaststellen van de mate van toezicht en handhaving zoals opgenomen in dit handhavingsbeleid. Dit en het feit dat het zicht op aanvullende financiering (en dus ook personele capaciteit) ontbreekt, is sterk bepalend geweest voor de keuze van deze beleidslijn. Belangrijk is om te beseffen dat de keuze voor deze beleidslijn betekent dat de gemeente alleen nog optreedt als er een acuut risico van directe letselschade is voor personen, ook in relatie tot klachten van inwoners en signalen van kwaliteitsborgers.
Toezicht en handhaving tijdens de realisatiefase kan op basis van onderhavig handhavingsbeleid alleen gericht zijn op een direct risico voor personen, met kans op directe letselschade als gevolg van constructieve en brandonveilige situaties. De gemeente zal vooral reactief optreden bij toezicht en handhaving in de realisatiefase. Signalering vanuit de samenleving (bijvoorbeeld door omwonenden) of vanuit de markt (bijvoorbeeld door de kwaliteitsborger) kan daarbij een trigger zijn. De gemeente kan alleen optreden op basis van informatie die al redelijkerwijs beschikbaar is, tenzij er een sterk vermoeden van ernstige afwijkingen is. Als de gemeente de benodigde informatie niet ontvangt, kan en zal ze niet optreden. Als er een ernstig vermoeden bestaat dat het fout gaat, met een direct risico voor personen en met kans op directe letselschade, zal de gemeente in actie komen. Voor handhavingsactiviteiten moeten gerede gronden zijn. De gemeente wil de hiervoor benodigde informatie in een zo vroegtijdig mogelijk stadium ontvangen. Voorbeelden van consequenties van deze beleidslijn Er vindt geen handhaving plaats bij bijvoorbeeld geluidsoverlast of potentiële schade aan monumentale panden door naastgelegen werkzaamheden. Als er hierbij een verzoek tot handhaving wordt ingediend in verband met scheurvorming, dan zal de gemeente alleen onderzoeken of er sprake is van instortingsgevaar.
Hiertoe zal zij
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
57
aanvullende informatie opvragen en vervolgens beoordelen of er acuut gevaar dreigt. Zonder vermoeden van instortingsgevaar zal er bij scheurvorming niet tot handhaving worden overgegaan, ook niet als bijvoorbeeld een kwaliteitsborger daarom vraagt. Wat betreft het thema gezondheid kan het volgen van de genoemde beleidslijn bijvoorbeeld betekenen dat men constateert dat de binnenluchtkwaliteit slecht is als gevolg van onvoldoende ventilatie. Vermoedelijke gezondheidsschade op lange termijn door onvoldoende ventilatie zal echter geen aanleiding zijn voor handhaving door de gemeente. Ook kan de keuze voor deze beleidslijn leiden tot gezondheidsklachten door gebrek aan daglicht of als gevolg van geluidsoverlast. Dat de gemeente de aspecten uit het Bbl met betrekking tot het thema gezondheid niet meer beoordeelt, kan dus effect hebben op de gezondheid van inwoners. Wat betreft het thema duurzaamheid is er, los van dit handhavingsbeleid, onder de Wkb voor gevolgklasse 1 (nieuwbouw) geen efficiënte koppeling meer tussen de stimulering van duurzaam bouwen via vermindering van (groene) leges en het vergunningenproces (met bijbehorend toezicht). De aspecten in relatie tot de bruikbaarheid vormen een minder groot risico, omdat de markt hier zelf ook belang bij heeft; dit kan bijvoorbeeld tot leegstand leiden.
Toch is het niet vanzelfsprekend dat de markt sterk zal sturen op het voldoen aan alle bruikbaarheidseisen. In het verleden is bijvoorbeeld gebleken dat woningen (voornamelijk appartementen) zonder buitenruimte gerealiseerd werden, hoewel gedacht werd dat de behoefte van toekomstige gebruikers ertoe zou leiden dat dit als vanzelf zou worden geregeld. De verplichting om buitenruimten bij nieuwe woningen te realiseren is destijds daarom teruggebracht in de regelgeving, om te voorkomen dat er nog meer woningen zonder buitenruimten gerealiseerd zouden worden. Ten aanzien van het thema toegankelijkheid kan het volgen van deze beleidslijn effect hebben op personen met een fysieke functiebeperking. Bepaalde bevolkingsgroepen kunnen dan worden uitgesloten en dat strookt niet met het streven naar een ‘inclusieve samenleving’. Voor mensen met een functiebeperking kan het namelijk betekenen dat zij zich minder gemakkelijk door een gebouw kunnen bewegen dan mensen die een dergelijke beperking niet hebben. Een uitgebreider overzicht van de thema’s van het Bbl in relatie tot wat vanuit dit handhavingsbeleid nog wel en wat niet meer door de gemeente wordt beoordeeld, is ter nadere duiding opgenomen als bijlage 2.
58
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Beschrijving van de gevolgklassen Hieronder volgt een nadere toelichting op de drie gevolgklassen. Gevolgklasse 1 Voor toepassing van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en onderhavig handhavingsbeleid is gevolgklasse 1 bij nieuwbouw per 1 januari 2024 van belang. Bouwactiviteiten in gevolgklasse 1 zijn voor het technische deel niet vergunningplichtig, maar hebben wel een meldingsplicht en de verplichting tot inzet van private kwaliteitsborging door de initiatiefnemer. Enkele voorbeelden van bouwplannen in deze klasse zijn nieuwbouw van eengezinswoningen, constructieve doorbraken en dakterrassen of dakopbouwen voor eengezinswoningen. Naar verwachting wordt verbouw van bouwwerken van gevolgklasse 1 per 1 januari 2025 ook meldingsplichtig in plaats van vergunningsplichtig. Gevolgklassen 2 en 3 Voor bouwactiviteiten in gevolgklassen 2 en 3 blijft vooralsnog de technische vergunning in de huidige vorm bestaan. Daarnaast kan een ruimtelijke vergunning nodig zijn. De verwachting is wel dat de Wkb op de langere termijn ook voor de bouwactiviteiten voor deze gevolgklassen 2 en 3 gaat gelden. Enkele voorbeelden van bouwactiviteiten in gevolgklasse 2 zijn bouwactiviteiten in ‘bedrijfsruimte met gebruiksvergunning’, woningsplitsing in appartementen, bibliotheken, gemeentehuizen, onderwijsgebouwen, woongebouwen tot 70 meter hoogte en bouwactiviteiten aan monumentale panden.
Onder gevolgklasse 3 vallen bouwwerken zoals metrostations, voetbalstadions, ziekenhuizen en gebouwen hoger dan 70 meter.
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
59
Bbl-thema’s in relatie tot het Wkb handhavingsbeleid De relatie tussen het beleid en de thema’s uit hoofdstuk 4 in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) ziet er als volgt uit: 4.2 VEILIGHEID 4.2.1 Constructieve veiligheid 4.2.1a Stabiliteit, drijvend vermogen en sterkte drijvende bouwwerken 4.2.2 Constructieve veiligheid bij brand 4.2.3 Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan 4.2.4 Veilig overbruggen van hoogteverschillen 4.2.5 Beweegbare constructieonderdelen 4.2.6 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie 4.2.7 Beperking van het ontwikkelen van brand en rook 4.2.8 Beperking van uitbreiding van brand GK1
4.2.9 Verdere beperking van uitbreiding van brand en beperking van verspreiding van rook 4.2.10 Vluchtroutes: verloop 4.2.11 Vluchtroutes: inrichting en capaciteit 4.2.12 Hulpverlening bij brand 4.2.13 Hoge en ondergrondse gebouwen, N.v.t. GK1 4.2.14 Brand- en explosievoorschriftengebieden 4.2.15 Aanvullende regels tunnelveiligheid, N.v.t. GK1 4.2.16 Inbraakwerendheid 4.3 GEZONDHEID 4.3.1 Bescherming tegen geluid van buiten 4.3.2 Bescherming tegen geluid van bouwwerkinstallaties 4.3.3 Beperking van galm 4.3.4 Geluidwering tussen ruimten 4.3.5 Wering van vocht 4.3.6 Luchtverversing 4.3.7 Spuivoorziening 4.3.8 Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht 4.3.9 Bescherming tegen ratten en muizen 4.3.10 Daglicht 4.4 DUURZAAMHEID 4.4.1 Energiezuinigheid 4.4.2 Milieuprestatie 4.4.3 Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen 4.4.4 Systeem voor gebouwautomatisering en -controle
60
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
4.5 BRUIKBAARHEID 4.5.1 Algemeen 4.5.2 Verblijfsgebied en verblijfsruimte 4.5.3 Toiletruimte 4.5.4 Badruimte 4.5.5 Buitenberging 4.5.6 Buitenruimte 4.5.7 Opstelplaatsen 4.6 TOEGANKELIJKHEID 4.6.1 Bereikbaarheid, algemeen 4.6.2 Toegankelijkheidssector 4.6.3 Bereikbaarheid van een bouwwerk 4.7 BOUWWERKINSTALLATIES 4.7.1 Verlichting 4.7.2 Voorziening voor het afnemen en gebruiken van energie 4.7.3 Watervoorziening 4.7.4 Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater 4.7.5 Tijdig vaststellen van brand 4.7.6 Vluchten bij brand 4.7.7 Bestrijden van brand 4.7.8 Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten 4.7.9 Aanvullende regels tunnelveiligheid 4.7.10 Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit 4.7.11 Veilig onderhoud gebouwen 4.7.12 Inzicht in de kwaliteit van de binnenlucht 4.7.13 Elektronische communicatie 4.7.14 Technische bouwsystemen Naar aanleiding van een handhavingsmelding verricht de gemeente mede op basis van de bij de bouwmelding meegestuurde risicobeoordeling en het borgingsplan, een eerste globale beoordeling. Hierbij wordt primair gekeken naar de hierboven met blauw aangegeven aspecten in het kader van dit beleid. Indien er een sterk vermoeden is van ernstige misstanden, dan vindt er vervolgens een grondige beoordeling plaats, waarbij in dat geval sprake moet zijn van een duidelijke aannemelijkheid, constatering vanuit de gemeente zelf of aanwezigheid van bewijs.
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
61
Processchema op hoofdlijnen onder de Wkb
62
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Bijlage 3 Richtlijn bestuursrechtelijke dwangmiddelen 2023 Dienst Stedelijke Ontwikkeling 1. Inleiding 1.1 Gelijke behandeling, transparante besluitvorming en onderbouwing van besluiten De Algemene wet bestuursrecht (vanaf nu: Awb) geeft middelen in handen om met dwang een einde te maken aan overtredingen. Het is - op grond van artikel 13.6 Omgevingsbesluit (artikel 7.2 lid 7 Besluit Omgevingsrecht voor 1 januari 2024) - aan het plaatselijke bestuur om regels te stellen over hoe er met deze middelen wordt omgegaan. Deze richtlijn geeft inzicht voor het werkveld van bouw- en woningtoezicht binnen, maar ook buiten de Omgevingswet, zoals de Huisvestingswet en de Wet goed verhuurderschap. Deze richtlijn bevordert een gelijke behandeling van gelijke zaken. Het geeft de medewerkers handvatten voor het maken van besluiten en geeft de inwoners van de stad zicht op hoe de gemeente omgaat met overtredingen. Het maakt het handelen van de gemeente voorspelbaar en transparant. De richtlijn schetst de standaard werkwijze en als deze wordt aangehouden, dan hoeft de inzet van middelen, het hanteren van termijnen en bedragen niet uitgebreid gemotiveerd te worden. Er kan verwezen worden naar de richtlijn. Het ligt in de aard van een richtlijn, dat er gemotiveerd van kan worden afgeweken. Soms zal maatwerk nodig zijn. Niet iedere situatie kan voorzien en uitgedacht worden.
In gevallen waarbij afgeweken wordt van de richtlijn, motiveert het college individueel en nadrukkelijk waarom zij dit heeft gedaan. 1.2 Waarom nu een nieuwe richtlijn bestuursrechtelijke dwangmiddelen? De oude richtlijn bestuursrechtelijke dwangmiddelen stamt uit 2010 en is voor grote delen ingehaald door de tijd, nieuwe inzichten, wetgeving, rechtspraak en nieuw ontwikkelde werkwijzen. De oude richtlijn is aan vervanging toe. De nieuwe richtlijn heeft langer op zich laten wachten dan oorspronkelijk beoogd was. Het is en was wenselijk dat een nieuwe richtlijn aansluit op de Omgevingswet. Daarom is gewacht tot de inhoud en datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet bekend was. Dit heeft een aanmerkelijk aantal jaren langer geduurd dan eerder de verwachting was. Telkens werd de Omgevingswet voor een korte periode uitgesteld, maar bij elkaar heeft het jaren geduurd. 1.3 Lokale problematiek en lokale richtlijn De urgentie van problematiek verschilt tussen gemeenten en regio’s onderling. Zo is de woningnood in Den Haag sterker merkbaar dan in veel andere gemeenten en ook de verdienmodellen op het plegen van overtredingen verschillen daarom. Hierdoor kan bijvoorbeeld een hoge dwangsom in de ene gemeente noodzakelijk zijn om effect te hebben, terwijl in een andere gemeente gestart kan worden met een waarschuwingsbrief. Iedere gemeente kan daarom voor
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
63
zichzelf beslissen welke termijnen, dwangsom- en boetebedragen passen bij de problematiek, die speelt binnen de desbetreffende gemeente. 1.4 Indeling In hoofdstuk 2 staat welke middelen wanneer worden toegepast. In hoofdstuk 3 staat de tabel met hoogte van dwangsommen en de lengte van begunstigingstermijngen.
2. Inzet bestuursrechtelijke dwangmiddelen 2.1 Het instrumentarium op hoofdlijnen Om op te treden tegen overtredingen staat een aantal middelen ter beschikking. Deze middelen zijn gericht op herstel van situatie, het voorkomen van een toekomstige overtreding en/ of het bestraffen van een overtreding: • de waarschuwing • de last onder dwangsom • de last onder bestuursdwang • de bestuurlijke boete Deze middelen worden in voorkomende gevallen op een specifieke manier toegepast. Zo kan een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang bijvoorbeeld ook preventief worden opgelegd om een overtreding te voorkomen. Ook kan bestuursdwang meteen geëffectueerd worden zonder eerst een last op te leggen. Op dit soort meer bijzondere toepassing van bovenstaande dwangmiddelen, waarbij andere procedures gelden, wordt later specifiek op ingegaan. 2.2 Algemene uitgangspunten voor keuze en toepassing van het dwangmiddel De volgende uitgangspunten voor keuze en toepassing van het dwangmiddel worden gehanteerd: • Bij de keuze voor een dwangmiddel wordt het dwangmiddel (of middelen) gekozen dat het best past bij de aanpak van de desbetreffende overtreding of samenstel van overtredingen. Deze middelen kunnen gericht zijn op (spoedige) beëindiging van de overtreding en/ of een verandering in het naleefgedrag van overtreders.
• Wanneer meer middelen in aanmerking komen voor toepassing, wordt in beginsel gekozen voor het minst ingrijpende dwangmiddel, zolang dit naar inschatting van het college nog steeds leidt tot het beoogde effect. • Geen gelijktijdige oplegging van een last onder dwangsom en bestuursdwang. Voor dezelfde overtreding mag geen nieuwe herstelsanctie worden opgelegd, zolang een andere herstelsanctie van kracht is. Herstelsancties kunnen wel na elkaar worden opgelegd. Een last onder dwangsom is ‘uitgewerkt’ als een dwangsom van rechtswege verbeurd wordt. • De verantwoordelijkheid voor de beëindiging van de overtreding wordt zoveel mogelijk bij de overtreder gelaten. Bij een keus tussen een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang wordt gekozen voor een last onder dwangsom. Heeft een eerdere last onder dwangsom niet heeft geleid tot beëindiging van de overtreding dan wordt in beginsel gekozen voor een
64
Inhoud
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
hogere dwangsom, tenzij naar inschatting van het college een last onder bestuursdwang eerder leidt tot het beoogde effect. • Een overtreder kan onderbouwd met stukken en goede redenen om uitstel van een begunstigingstermijn verzoeken. Een dergelijk verzoek wordt gedaan voor het einde van de begunstigingstermijn. Uit de redenen met blijken waarom de gestelde begunstigingstermijn niet voldoende was om aan de last te voldoen. Als iemand te laat gestart is met herstelwerkzaamheden in gang te zetten en alleen daardoor de termijn niet meer gehaald kan worden, dan wordt in beginsel geen uitstel verleend. • Het college past geen dwangmiddelen toe bij overtredingen, waarvan zij zelf degene is die het in haar macht heeft de overtreding te beëindigen. Met andere woorden: het college schrijft niet zichzelf aan met een dwangmiddel om iets te doen of na te laten. Het college beslist direct om te (gaan) voldoen aan de wet- en regelgeving. • Bij een verzoek tot handhaving wordt gestart met een (concept)besluit. Bij een overtreding, waarbij zonder handhavingsverzoek eerst een waarschuwing zou worden gegeven, wordt een langere begunstigingstermijn gegund aan de overtreder. In het geval er sprake is van een verzoek tot handhaving bij een overtreding van zeer geringe betekenis, dan kan het besluit ‘afzien van handhaving’ zijn.
• In beginsel wordt een opgelegde dwangsom altijd ingevorderd en een bestuursdwang altijd geëffectueerd in het geval niet is voldaan aan de last. 2.3 Specifieke regels voor de waarschuwing Een waarschuwing kan mondeling of schriftelijk worden gegeven. Een waarschuwing wordt toegepast in de volgende gevallen: • Schriftelijk: Overtredingen waarbij de overtreding in de hoofdzaak betrekking heeft op het ontbreken van een vergunning en waar bij een eventuele aanvraag verlening van de vergunning tot de mogelijkheden behoort. Hierbij wordt standaard 8 weken de tijd gegeven. Wordt daarna een aanvraag ingediend dan is er zicht op legalisatie en dan wordt de vergunningprocedure afgewacht. • Schriftelijk: Geconstateerde overtredingen waar nu geen prioriteit aan wordt gegeven, maar die in de toekomst mogelijk nog een actief gehandhaafd worden (bijvoorbeeld in een gebiedsaanpak). De waarschuwing bestaat dan uit een feitelijke mededeling dat er een overtreding is. • Schriftelijk of mondeling: Overtredingen waarbij een kleine feitelijke handeling de overtreding kan beëindigen en hercontrole niet nodig is. Bij gevaarlijke situaties of situaties met veel overlast wordt niet met een waarschuwing gewerkt. In het geval een overtreder na een waarschuwing geen actie onderneemt, wordt in beginsel de waarschuwing opgevolgd met een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang.
Bij specifieke onderwerpen kan door het college van dit uitgangspunt worden afgeweken. Dit doet zich voor bij veel voorkomende situaties met een laag naleefgedrag en een beperkt maatschappelijk effect. De waarschuwing volstaat dan en op een later moment kan alsnog handhaving worden ingezet, als er voldoende capaciteit is om dit op te pakken en andere problematiek niet voor gaat.
Beleidsplan Vergunningen, Toezicht en Handhaving Den Haag 2024 - 2028
65
2.4 Keuze tussen last onder dwangsom en last onder bestuursdwang Bij de keuze tussen een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang, wordt in beginsel een last onder dwangsom opgelegd. Hier wordt niet voor gekozen, wanneer: • Een dwangsom niet het gewenste resultaat zal hebben. Zo kan het bij ernstige overlast of (brand)gevaar noodzakelijk zijn om binnen een bepaalde termijn of zelfs direct een situatie te beëindigen. Een last onder dwangsom garandeert niet dat de overtreding wordt beëindigd. Een last onder dwangsom maakt dat iemand een bedrag moet betalen, indien een overtreding niet tijdig is beëindigd. Een last onder bestuursdwang en de effectuering daarvan garandeert dat wel; • Er geen overtreder (artikel 5:1 Awb) bekend is. Een last onder dwangsom kan alleen in plaats van een last onder bestuursdwang worden opgelegd, wanneer de overtreder bekend is. • Een last onder bestuursdwang het beste middel is. Bijvoorbeeld als op voorhand duidelijk is dat een overtreder niet in staat is een overtreding adequaat te beëindigen. Er kan meerdere keren een last onder dwangsom worden opgelegd als de overtreding blijft voortduren. Als een eerdere last onder dwangsom geen effect heeft gehad, dan wordt in beginsel een hogere dwangsom (verdubbeling) opgelegd. Dit kan meerdere keren achter elkaar, waarbij telkens een redelijke hersteltermijn wordt gegeven.