CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319647 Handreiking Groen in en om de stad bijlage

Commissie Leefomgeving 12 februari 2026, gemeente Den HaagBij agendapunt: Vervolg: Debat over Waterkwaliteit20.706 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Handreiking Groen in en om de stad | 25

4.2 Groen in de straat Het aandeel van groen en de mogelijkheid voor toepassing van groen verschilt enorm per straat (denk aan: typologie van de wijk, functie van de straat, breedte van het straatprofiel, parkeernorm, ruimte in de ondergrond). Daarom is het niet zinvol op straatniveau kwantitatieve eisen te stellen. Groen is echter wel zeer waardevol op straatniveau. Zo gaat zicht op (veel en gevarieerd) groen vanuit de woning gepaard met een lager niveau van het stresshormoon cortisol en een hoger gevoel van welzijn (Honold et al. 2016).

Normen en eisen op straatniveau Op straatniveau stelt de borgingssystematiek daarom één eis, zijnde: Vanuit iedere woning dient zicht te zijn op een continue groenvoorziening. De voorkeur gaat uit naar grondgebonden biodivers groen. Zo draagt de groenvoorziening bij aan ecologische, klimaatadaptieve en gezondheidsdoelen. De groenvoorziening kan gerealiseerd worden op openbaar en/ of privaat terrein.

Normen en eisen

Parameters en sub normen

Data halen uit

Vanuit iedere woning dient zicht te zijn op een continue groenvoorziening.

• Onder een continue groenvoorziening verstaan we een plantvak of minimaal drie bomen die onderdeel zijn van een grotere structuur en geen plaatselijk incident. • Invulling groenvoorziening: Minimaal 50% grondgebonden biodivers groen of drie bomen bij voorkeur inheems • De groenvoorziening kan gerealiseerd worden op openbaar en/of privaat terrein.

• Groenbeheersysteem gemeente bevat vaak gedetailleerde informatie over type groen en soort beheer op buurtniveau. • Aanvullen digitaal beheersysteem met kenmerk biodivers groen. • Een versimpelde aanpak kan zijn de data van de 3-30-300 regel aan te kopen en het zicht op 3 bomen als referentie te nemen.

Tabel: eisen op straatniveau

4.3 Groen in de buurt De buurt is het schaalniveau waarvan veel mensen afhankelijk zijn als het gaat om hun gezondheid en welbevinden. Het is de plek waar mensen wonen, spelen elkaar ontmoeten en het eerste contact hebben met de natuur. Diverse doelgroepen met uiteenlopende inkomens- en opleidingsniveaus, levensfases, culturen, religies, talen en verblijfsstatussen leven hier met en naast elkaar samen. Specifieke doelgroepen zoals bijvoorbeeld ouderen, kleine kinderen en mensen met een fysieke beperking zijn bovenmatig afhankelijk van de kwaliteit van de buurt waarin ze wonen. De effecten van groen op de sociale samenhang spelen vooral op relatief korte afstand. Zo is een klein (veilig en aantrekkelijk) buurtparkje in relatie tot sociale cohesie vaak effectiever dan een groot stadspark (WUR). Door op buurtniveau te sturen op de kwaliteit van het groen in relatie tot thema’s als gezondheid, sociale cohesie, veiligheid en aantrekkelijkheid wordt de leefbaarheid van straten en buurten geborgd. Groen is hierbij geen doel op zich, maar een middel om in samenhang met andere ruimtelijke maatregelen en maatregelen in het sociale domein de gestelde doelen te behalen. Het sturen op kwaliteit van groen op dit lage schaalniveau betekent ook dat we hier, samen met het straatniveau, al beginnen om te werken aan versterking van biodiversiteit.

Om dat ook inhoud te kunnen geven moeten we het straat- en buurtniveau wel koppelen aan de grotere schaal omdat juist daar de basis wordt gelegd voor ecologische verbindingen, doelsoorten per gebied en de borging van een divers groenareaal. We doen dit concreet door doelen en normen op aan laag schaalniveau te koppelen aan groenstructuurplannen op stadsniveau, waarover later op wijk- en stadsniveau (zie paragraaf 4.4 en 4.5) meer.

Handreiking Groen in en om de stad | 26

Normen en eisen op buurtniveau Op buurtniveau neemt de borgingssystematiek de eisen uit de Landelijke Maatlat over en vult deze aan met specifieke normen en eisen op het gebied van groen, gezondheid en biodiversiteit. Onderstaand een overzicht van de voorgestelde eisen waarbij we in groen hebben aangegeven welke eisen uit de Landelijke Maatlat komen. Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat er in de Landelijke Maatlat op de thema’s biodiversiteit en hitte alleen gesproken wordt van een richtlijn en niet van een norm of eis omdat deze in Nederland nog weinig in de praktijk zijn toepast en wetenschappelijk onderzoek loopt. Voor de normen en eisen op gezondheid nemen we een punt in de Leeragenda op. Binnen het programma Gezonde Leefomgeving van het ministerie van VWS wordt er op dit moment gewerkt aan vuistregels voor gezondheid. Deze zullen naar verwachting op termijn leiden tot concretere richtlijnen en handvatten.

Normen en eisen

Parameters en sub normen

Data halen uit

Biodiversiteit • Inzicht in bestaande groenblauwe/ Groene oplossingen ecologische structuren en de kansen en gebaseerd op knelpunten die daar onderkend natuurlijke processen worden. en structuren hebben de voorkeur boven technische oplossingen: groen, tenzij.

• Groenstructuurplan op stadsniveau en regionaal niveau. • Ecologisch structuurplan op stadsniveau en regionaal niveau.

Waardevolle habitat en basiskwaliteit natuur (BKN) minimaal behouden en realiseren.

• Inzicht in condities voor basiskwaliteit natuur • Aanwezige en gewenste habitattypen. • Aanwezige en gewenste gids- en doelsoorten. • Inzicht in groenblauwe, ecologische structuren en de kansen en knelpunten.

• Gebiedsanalyse en Groenstructuurplan op stadsniveau en regionaal niveau. • Ecologisch structuurplan op stadsniveau en regionaal niveau.

Percentage groen op buurtniveau behouden en realiseren

• Groenpercentage op buurtniveau. • Privaat en openbaar groen tellen mee. • Dakgroen en verticaal groen tellen mee, groen op maaiveld heeft de voorkeur.

• Privaat groen: vierkante meters groen op basis van luchtfoto’s in BGT laag ‘’Erf’’. • Openbaar groen: vierkante meters groen op basis van BGT laag groen • Bepaling oppervlakte daktuinen is onderdeel van de privaat groen berekening (luchtfoto analyse). • Bepaling oppervlakte verticaal groen is een handmatige telling/opname. • Berekening groenpercentage: totale oppervlakte openbaar en privaat groen als onderdeel van de totale oppervlakte van een buurt.

Het groen dat onderdeel is van het groenpercentage in de buurt dient voor minimaal 50% openbaar biodivers groen te zijn.

• Inzicht in huidige aandeel biodivers groen op buurtniveau.

• Groenbeheersysteem gemeente bevat vaak gedetailleerde informatie over type groen en soort beheer op buurtniveau. • Aanvullen digitaal beheersysteem met kenmerk biodivers groen.

Handreiking Groen in en om de stad | 27

Normen en eisen

Parameters en sub normen

Data halen uit

30% schaduw op buurtniveau

• Inzicht in de hoeveelheid schaduw op buurtniveau op zowel openbaar als privaat gebied.

• Percentage schaduw bepaald om 15.30u op 21 juni op basis van schaduw van gebouwen en bomen/ boomkronen • Data voor schaduw door bomen: een digitale kaart van alle bomen op openbaar en privaat gebied met de oppervlakte van de boomkroon. • Data voor schaduw gebouwen: BAG, inclusief hoogtedata van gebouwen. • Berekening schaduwpercentage: totale oppervlakte schaduw als onderdeel van de totale oppervlakte van een buurt.

40% schaduw op belangrijke loop- en fietsroutes, drinkwaterstroken en verblijfsplekken

• Inzicht in de hoeveelheid schaduw op belangrijke loop- en fietsroutes, drinkwaterstroken en verblijfsplekken buurtniveau op zowel openbaar als privaat gebied gekoppeld aan de specifiek benoemde locaties. • Inzicht in openbare verblijfsplekken en de belangrijkste loop- en fietsroutes

• Voorwaarde schaduwberekening idem als bij schaduw op buurtniveau • Digitale kaart met daarop alle openbaar toegankelijke verblijfsplekken en belangrijkste loop- en fietsroutes. Dit kan een bewerkt BGT bestand zijn waarin de benoemde functies al zijn opgenomen en worden gemarkeerd.

Afstand tot groene koele verblijfsplekken: maximaal 300m vanaf elke woning tot een groene koele openbare verblijfsplek van min. 200 m2.

• Inzicht in alle groenobjecten van minimaal 200 m2 met voldoende bomen of andere schaduw leverende objecten.

• Op basis van de 3-30-300 data die in veel gemeente al wordt gemeten of die als digitaal bestand kan worden aangekocht, is deze parameter goed te meten.

Groenvoorzieningen zijn bestand tegen hitte.

• Type beplanting in samenhang met het veranderende klimaat en de locatie van de beplanting.

• Gemeentelijk digitaal beheersysteem zodanig vullen dat op plantvak/boom niveau inzicht is in aanwezige beplantingssoorten, grondsoort en beschikbaarheid van grondwater. • Visie op duurzame beplanting vanuit groenstructuurplan op stadsniveau.

• Inzicht in de hoeveelheid grondgebonden groen waar water kan infiltreren.

• Bodemkaart voor inzicht in bodemopbouw en mate van infiltratie. • Aandeel grondgebonden groen op openbaar terrein bepalen aan de hand van de BGT. • Berekening privaat groen conform berekening bij groenpercentage. • Kaart met dakvlakken en verhardingsvakken die niet zijn aangesloten op het gemeentelijk riool.

• Inzicht in de verhouding tussen infiltratie in grondgebonden groenvakken en andere infiltratiemogelijkheden in relatie tot de hoeveelheid verharding en daken.

• Data conform data bij wateroverlast aangevuld met aandeel groen en aandeel ‘onnodige’ verhardingen.

Hitte

Wateroverlast In het gebied is natuurlijke en bovengrondse afwatering zoveel mogelijk aanwezig.

Droogte Vergroten infiltratie en minimaliseren verharding.

Tabel: eisen op buurtniveau

Handreiking Groen in en om de stad | 28

Het sturen op doelen geeft de ruimte en flexibiliteit om op buurtniveau het gewenste maatwerk te leveren. Samen met bewoners kan elke gemeente een buurt op basis van doelen en lokale wensen inrichten. Onderstaand en een aantal mooie voorbeelden van hoe het sturen op een doel met verschillende maatregelen ingevuld kan worden: • Het verminderen van hittestress door meer schaduw creatie in een straat kan door het planten van extra bomen, het aanleggen van een groene pergola of wanneer er weinig ruimte is het plaatsen van schaduwdoeken. • Het beperken van wateroverlast door het aanleggen van meer waterberging kan bereikt worden door vervanging van verhardingen voor groen of het omvormen van een gazon tot een biodiverse wadi. • Het bevorderen van een biodiverser gebied kan door het toepassen van meerdere boomsoorten in één straat, het aanpassen van het maaibeleid of het aanplanten van bloeiende beplanting.

4.4 Groen in de wijk De inrichting van een wijk is vaak kenmerkend voor de tijdsperiode waarin de wijk is ontwikkeld. Elke tijdsperiode laat eenduidigheid zien in bijvoorbeeld de opzet en inrichting van straten en buurten. De profielen van straten zijn op deze wijze herkenbaar voor een tijdsperiode. Op basis van deze typische kenmerken kun je wijken indelen in verschillende typen (bron Klimaateffectatlas). Deze wijktypen kun je ook gebruiken om te bepalen hoe je in een bepaalde straat kunt vergroenen en hoeveel groen er in een wijk gerealiseerd kan worden. We stellen daarmee dat het schaalniveau ‘wijk’ de meest logische keuze is om een kwantitatieve groennorm aan te koppelen. Geen ander schaalniveau in en om de stad biedt op een vergelijkbare manier aanknopingspunten om ruimtelijke doelen en eisen eenduidig vast te leggen. Uiteraard is bovenstaande een modelmatige beschouwing om te kunnen normeren en zal op projectniveau veel gedetailleerder moeten worden gekeken naar de toepassing van groen, zodat de kwaliteit en doelmatigheid van het groen en de verbindingen van groenstructuren versterkt worden. De wijktypen die we in de borgingssystematiek hanteren zijn vooralsnog gebaseerd op de wijktypologieën van Kleerekoper (2016), zoals deze ook door de Klimaateffectatlas worden gehanteerd. In Nederland zijn nog niet alle wijken voorzien van een typologie.

Ook voldoen wijken uiteraard nooit 100% aan de kenmerken van een wijktype en zal in de meeste gevallen een wijk een mengvorm zijn van diverse wijktypen waarbij er één typologie de overhand heeft. Daarnaast zorgen randeffecten tussen wijken er ook voor dat straten of buurten afwijken van het gemiddelde binnen een wijktype. Omdat we werken met een gemiddeld groenpercentage per wijktype en daarom groenpercentages per buurt best mogen afwijken (naar boven en beneden), is bovenstaande in de basis geen groot probleem. Onderdeel van de leeragenda is een aanvullend onderzoek naar de onderscheidende ruimtelijke kenmerken van de wijktypen zodat gemeenten simpel en eenduidig een norm aan een wijk kunnen koppelen ook wanneer een wijk niet is gekoppeld aan een wijktype op basis van de CBS-data en de Klimaateffectatlas.

Normen en eisen op wijkniveau Op wijkniveau wordt geadviseerd een harde kwantitatieve eis voor groen te stellen. Door te normeren op een hoger schaalniveau (wijkniveau) blijft maatwerk en ontwerpvrijheid op lagere schaal (straat en buurt) behouden. De Hogeschool Van Amsterdam (HVA) heeft op een vergelijkbare wijze groene normen gekoppeld aan wijktypen en groene maatregelen in hun rapport ‘De hittebestendige stad’. Om te voorkomen dat een groennorm op een afvinklijstje komt en de norm een doel op zich wordt, adviseren we te werken met een minimale norm (ondergrens) en een streefwaarde (ambitie). Met de minimale norm bewaken we de ondergrens, de streefwaarde geeft uitdrukking aan de ambitie om toe te groeien naar een gezonde, groene en klimaatbestendige stad. De borgingssystematiek stelt dat zonder grote inspanning aan het minimum voldoen niet volstaat en dat er naast het waarborgen van die minimale norm er ook een verplichting is maatregelen te nemen richting de streefwaarde. Daarbij maken we ook de opmerking dat het heel goed zou kunnen dat het uiteindelijk gerealiseerde percentage groen bij nieuwbouw hoger ligt dan de minimaal meegeven kwantitatieve eis uit de borgingssystematiek. Enerzijds omdat de kwantitatieve eis een hard minimum is: meer groen kan en mag dus altijd. Anderzijds is het

Handreiking Groen in en om de stad | 29

mogelijk dat met de kwantitatieve eis niet wordt voldaan aan de kwalitatieve eisen, bijvoorbeeld doordat er meer groen nodig om aan een functionele groen opgave te voldoen, zoals voldoende groen binnen een bepaalde afstand van iedere woning.

De berekening van het groenpercentage Het groenpercentage van een woonwijk of bedrijventerrein definiëren we in het kader van de borgingssystematiek als het oppervlak groen (openbaar + privaat) als percentage van het totale oppervlak van een wijk. Hierbij tellen in de berekening de oppervlaktes verticaal groen en daktuinen volwaardig mee. Per wijktype wordt een berekening gemaakt omdat er per wijktype ook een andere norm zal gelden. Het percentage boomkroonbedekking wordt hier niet meegeteld maar zit zoals eerder vermeld wel in de eisen aan schaduw op buurtniveau en speelt een zeer belangrijke rol in de leefbaarheid van een buurt of wijk. De norm in de tabel is gebaseerd op het HVA onderzoek ‘De Hittebestendige stad’, de groenpercentages per wijktype in de Klimaateffectatlas en het onderzoek ‘calculaties GIOS nationaal’ van Arcadis 2024. In dit laatste onderzoek is voor alle woonwijken van Nederland een gemiddeld groenpercentage per wijktype bepaald. Het minimum percentage groen, ofwel de harde ondergrens is een gewogen gemiddelde van de drie onderzoeken. De streefwaarde voor het groenpercentage is het maximale percentage groen per wijktype vanuit de Klimaateffectatlas. Met deze genormeerde groenpercentages kunnen gemeenten die geen eigen groenpercentages willen uitwerken direct aan de slag.

Onderstaand een overzicht van de zo berekende groenpercentages voor de borgingssystematiek.

Wijktype

Minimum

Streefwaarde

Bedrijven

25%

32%

Bloemkoolwijk

34%

42%

Historische binnenstad

15%

22%

Hoogbouw

36%

45%

Naoorlogse woonwijk

32%

40%

Stedelijk bouwblok

24%

26%

Sub-urbane uitbreiding – VINEX

33%

35%

Tuindorp

31%

35%

Tuinstad hoogbouw

36%

45%

Tuinstad laagbouw

35%

40%

Vernieuwd

21%

27%

Villa

45%

53%

Volkswijk

22%

26%

Vooroorlogse woonwijk

32%

46%

Tabel: groenpercentages per wijktype

Handreiking Groen in en om de stad | 30

Wanneer een gemeente lokaal een percentage per wijktype wil bepalen, wordt geadviseerd in ieder geval de berekening van het percentage op eenzelfde manier uit te voeren en de normwaarden minimaal te baseren op de lokale gemiddelden en maximale waarden, net als bij de invulling van de tabel ‘groenpercentages per wijktype’.

Koppeling wijkniveau naar lagere schaalniveaus Het wijkniveau levert richting de buurt en de straat input voor kansrijke groene maatregelen op basis van kenmerkende ontwerpprofielen. Ook de Klimaateffectatlas geeft per wijktype een helder overzicht van kansrijke en passende groene maatregelen. Zo is in een sterk verdicht gebied verticaal groen een sterk en logisch middel om te vergroenen terwijl dit in een buitenwijk minder logisch is. Groen op maaiveldniveau heeft altijd de voorkeur boven verticaal groen en dakgroen. Het wijkniveau stuurt via de minimumnorm en de streefwaarden op de keuze voor groene oplossingen op buurtniveau, om zo de kwantitatieve eisen in de wijk te behalen (als optelsom van buurten). Het is praktisch om in geval van nieuwbouw de wijknorm hard mee te geven ook al wordt er op buurtniveau gebouwd omdat dit in een nieuwbouwsituatie direct haalbaar is. Het is heel goed mogelijk dat de kwalitatieve doelen op buurtniveau leiden tot groenpercentages die hoger zijn dan de berekende normen op wijkniveau. Een positief effect van het in samenhang sturen op kwaliteit en kwantiteit.

Koppeling wijkniveau naar hogere schaalniveaus Door de ruimtelijke eigenschappen en kansrijke groene maatregelen op wijkniveau te koppelen aan de groenstructuurplannen op stadsniveau (later worden deze nader toegelicht) ontstaat er zicht op wat er mogelijk is om het wijkniveau bij te laten dragen aan de grote groenstructuren. We adviseren deze mogelijke bijdragen als aanvulling op de groenstructuurplannen zo concreet mogelijk te beschrijven als projecten die worden ingevuld wanneer er vergroend wordt. De gemeente beschikt zo over een soort groene puzzelstukjes die op de juiste plaats worden gelegd wanneer er groen in een buurt of wijk wordt toegevoegd. We zetten daarbij in op het vormen van netwerken (als in aaneengesloten/ verbonden structuren) waarbij verschillende schaalniveaus met elkaar worden verbonden Zo kan in een jaren ‘80 wijk met brede straatprofielen een aantal straten (projecten) worden aangemerkt om binnen een ecologische verbinding kruidenrijke bermen te realiseren. Wanneer er dan vanuit een woningbouwontwikkeling bijvoorbeeld bovenplans gecompenseerd moet worden kan dit daar gericht worden uitgevoerd met geld vanuit die betreffende ontwikkeling.

Handreiking Groen in en om de stad | 31

4.5 Groen in de stad Normen en eisen op stadsniveau Op het stadsniveau adviseren we geen norm of generieke doelen uit de Landelijke Maatlat. Op dit niveau ligt de focus op de ontwikkeling van een groene en gezonde stad. Alle schaalniveaus worden hier aangestuurd en verbindingen tussen de schaalniveaus worden gestimuleerd en gerealiseerd. Om dit te kunnen doen vormt een gedegen groenstructuurplan gebaseerd op de zes netwerken zoals omschreven in hoofdstuk 2 (zacht mobiliteits-, gezond, sociaal, herkenbaar, klimaatadaptief en ecologisch netwerk) de basis. Een groenstructuurplan zorgt onder andere voor: • De mogelijkheid om via vergunningen te sturen op het juiste groen op de juiste plaats. Ongewenste ontwikkelingen krijgen geen vergunning en gewenste ontwikkelingen krijgen de juiste voorwaarden mee. • Budgettering en financiering. Een overkoepelend plan geeft de mogelijkheid meerjarenuitvoeringsprogramma’s en begrotingen op te stellen en grotere subsidies binnen te halen. • Vanuit de groenstructuur kunnen gemotiveerd prioriteiten worden gesteld bij inzet van groen, geld en projecten. • Een goed groenstructuurplan legt verbindingen met regionaal groen en schept kansen voor regionale samenwerking.

• Een goed groenstructuurplan stelt de randvoorwaarden en condities vast voor basiskwaliteit natuur en voor VHR natuur in de stad, waardoor de connectiviteit in de stad en naar het regionale groen geregeld is en kansen geschapen worden voor regionale samenwerking. • Vanuit de groenstructuur kunnen op wijk- en buurtniveau de juiste maatregelen worden genomen mits de groenstructuur meer vastlegt dan alleen de grote groengebieden (wat helaas nog vaak zo is). • Inzicht in ontbrekende fysieke schakels in de groenstructuur en daarmee een duidelijke motivatie om vanuit groen structuurversterkende projecten te starten. • Inzicht in ontbrekende ecologische schakels binnen de ecologische hoofdstructuur zoals bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam die hier actueel kaartmateriaal van heeft gemaakt. • Inzicht in de impact van verstedelijking op de functies van het groenblauwe systeem wat kan leiden tot prioritering van (groene) projecten ook op regionaal niveau.

Opstellen van een groenstructuurplan Omdat het groenstructuurplan de sleutel tot succes is bij het doelmatig vergroenen, geeft deze paragraaf een aantal concrete aanwijzingen bij het opstellen van een groenstructuurplan in relatie tot de borgingssystematiek. Zoals groene structuren in relatie tot de gemeentegrens en groene structuren op kleinere schaal, inzicht in verbindingen, basiskwaliteit natuur, zoneren en verdelen, bomen en boomstructuren en het opstellen van een visiekaart. Dit is uitdrukkelijk een eerste denkrichting om groenstructuurplannen beter te koppelen aan sturing op groen(normen). Mogelijk zal in een volgende versie van de Handreiking een meer gedetailleerde werkwijze worden opgenomen voor het opstellen van een groenstructuurplan. Hierbij is het uitgangspunt goede voorbeelden te koppelen aan een beknopte handleiding. Groene structuren en de gemeentegrens Verreweg de meeste groenstructuurplannen stoppen bij de gemeentegrens of zelfs de bebouwde kom van een stad. Dit is begrijpelijk vanuit een aantal praktische overwegingen (geld, eigendom), maar niet vanuit de waarden en het functioneren van groenblauwe (ecologische, recreatieve) verbindingen. Die ontlenen veel van hun waarde juist aan de grotere schaal.

Om die verbindingen te borgen, ook naar het buitengebied, past het in een groenstructuurplan om met omliggende gemeenten en provincie de samenwerking te zoeken voor onderlinge aansluiting tussen de plannen. Zo zorgen we ervoor dat binnen een grotere structuur eenduidig en wellicht ook kosten efficiënt wordt gewerkt.

Handreiking Groen in en om de stad | 32

Groene structuren en de kleine schaal Ook de kleine schaal is in veel gevallen niet of beperkt geborgd in groenstructuurplannen. Vaak wordt straat en buurtgroen wel even genoemd maar gezien de beperkte omvang verder niet meer meegenomen. We pleiten er uiteraard niet voor om elke vierkante meter groen op te nemen in een grotere structuur, maar het is wel van belang dat structuren tot in de dooradering van buurten (haarvaten) worden voorzien van concrete doelstellingen en eisen. Alleen zo kunnen we de ingrepen op lagere schaalniveaus optimaal aan laten sluiten en bij laten dragen aan een gezonde groene stad. De gemeente Breda heeft bijvoorbeeld de hele stad ingedeeld in vlak dekkende stadslandschappen waarbij elk stadslandschap concrete eisen stelt aan al het groen binnen dat gebied. Dit is een mooi voorbeeld van hoe je ook op buurtniveau of straatniveau eisen kunt stellen vanuit een grote structuur.

Groenstructuurplan gebaseerd op bodem en water geeft richting aan: • Sortimentskeuze • Beheertype en intensiteit • Locatie • Habitattype • Beeldkwaliteit groen

Basiskwaliteit natuur Borging van Basiskwaliteit natuur (BKN) start met een gedegen gebiedsanalyse als basis voor het groenstructuurplan. Hoe zien bodem en waterhuishouding eruit, welke stoffen en drukfactoren voor planten en dieren komen voor, hoe is de inrichting met bijvoorbeeld landschapselementen en het beheer en gebruik van het gebied, waar komen welke soorten vooral voor èn welke functies heeft het gebied. Als al deze dingen op een kaart staan, is het aan de hand van een stappenplan eenvoudig om te analyseren wat er mogelijk is op het gebied van BKN. Zo zijn de te maken keuzes in beeld. Waarom basiskwaliteit? In steden is vaak sprake van natuurarmoede. Planten gaan dood, vogels verdwijnen, bomen moeten elke paar jaar vervangen worden. Als de condities goed zijn, heb je gevarieerde basiskwaliteit natuur, die tegen een stootje kan. Dat kan, omdat de algemene soorten die er voorkomen passen bij de bodem, de betreding, de waterstand, de aanwezigheid van voldoende struikjes en bomen om te kunnen schuilen, voldoende ruimte voor gezonde wortelgroei, enzovoort. Door tevoren te kijken waar hotspots voor (bijzondere en algemene) soorten zitten weet je waar je niet wilt bouwen of tegen vergunningsproblemen aanloopt, maar ook: waar de kansen liggen voor de kenmerkende algemene soorten van dit gebied. Basiskwaliteit is nog in ontwikkeling.

Voor een nadere toelichting, tools en handvatten verwijzen we naar de Toolbox Basiskwaliteit Natuur.

Handreiking Groen in en om de stad | 33

Groenblauwe verbindingen Een goed groenstructuurplan geeft een helder overzicht van alle soorten verbindingen die ervanuit groen en water worden onderscheiden en wenselijk zijn. Het gaat dan om ecologische verbindingen (waarvoor vaak ook een separaat plan wordt gemaakt), recreatieve verbindingen en grotere aaneengesloten groene eenheden zoals parken of scheggen. In duidelijke kaarten kunnen bestaande, nieuwe of te verbeteren verbindingen gekoppeld worden aan ringwegen of radiale wegen, watergangen met oevers en bijvoorbeeld spoorverbindingen. Allemaal structuren die het makkelijker maken groenblauwe structuren te ontwikkelen. Het is van belang grote kansen of knelpunten in de verbindingen als prioritaire projecten op kaart te zetten met een concrete aanpak en begroting (planvorming, realisatie, beheer en onderhoud) als bijlage. Door de financiële paragraaf op te bouwen uit kosten én baten zullen de maatschappelijke kosten en baten van dit soort prioritaire projecten beter kunnen worden afgewogen en is de kans op een succesvolle uitvoering groter. Zoneren en verdelen Een groenstructuurplan geeft een goed overzicht van de verdeling van natuurwaarden en recreatief aantrekkelijke groengebieden. Zowel natuur als recreatie zijn gebaat bij een evenwichtig gebruik van het groen.

Bij overmatige recreatie lijden natuurwaarden onder de druk op het gebied terwijl recreatiegebieden die niet gebruikt worden snel verloederen en sociaal onveilig voelen. Vanuit de grote structuur kan dus gekeken worden waar het stimuleren van verbindingen en het toevoegen van programmering wenselijk en kansrijk is. Uitgangspunt is het zorgvuldig en evenwichtig combineren van functies. Bomen en boomstructuren Een groenstructuurplan wordt in de meeste gevallen apart opgesteld van een boomstructuurplan en in beide plannen worden soms andere accenten gelegd. Dit volgt vaak uit het feit dat voor beide plannen andere vakspecialisten verantwoordelijk zijn binnen een gemeente. Om integraal te kunnen werken en omdat bomen en ander groen samen een natuurlijk geheel moeten vormen is het advies te werken met één plan en een gecombineerd beleid. Visiekaart Het hart van elk groenstructuurplan zou gevormd moeten worden door een duidelijke visiekaart als onderdeel van de omgevingsvisie die op het niveau van de stad en haar omgeving in samenhang laat zien hoe groene structuren en verbindingen nu en in de toekomst functioneren en welke prioriteiten daarin worden gesteld. Deze is het resultaat van de voorgaande stappen. De visiekaart geeft richting aan projecten in en om de stad.

De kaart vormt de basis voor de uitwerking in meerjarenuitvoeringsprogramma’s, begrotingen, communicatie en (groen)projecten.

Handreiking Groen in en om de stad | 34

4.6 Groen om de stad, de regio Normen en eisen op regioniveau Zoals al beschreven in de voorgaand paragraaf is het verstandig geen harde knip te leggen tussen het stadsniveau en de regio. Vanuit een goed groenstructuurplan is er op beide niveaus zicht op belangrijke structuren, verbindingen en eventueel aanwezige (toekomstige) knelpunten. De nadruk naar de regio ligt op het realiseren en optimaliseren van ecologische en recreatieve verbindingen. In dit kader is het van groot belang om op provinciaal niveau met provincie en buurgemeenten de grotere structuren nader in te vullen en aan elkaar te koppelen. De groene scheggen in de Metropool Regio Amsterdam zijn hier een mooi voorbeeld van. Om te zorgen dat de groenblauwe uitloopgebieden robuust genoeg zijn om de groeiende stad te voorzien van voldoende groene buffers (uitloopgebied) is een norm van 350 – 500 m2 per woning nodig (Groene Verstedelijking, Flux landscape, Bureau Buiten, 2023). Dat is niet per definitie nieuw groen. Het gaat hier voor een belangrijk deel om het toegankelijk maken van bestaand groen door nieuwe voet- en fietspaden. Hierbij is het van belang dat dit groen zich bevindt binnen een straal van 5km rondom de bebouwde kom en dat bij nieuwbouw het aantal vierkante meters groen per woning niet mag afnemen.

Voorbeeld Stadslandschappen Omgevingsvisie Gemeente Breda (bron: Gemeente Breda).

Handreiking Groen in en om de stad | 35

Herinrichting Burgermeestersbuurt Tilburg. Behoud van waardevol groen als uitgangspunt voor de herinrichting (bron: Arcadis).

5  Starten met de implementatie van de borgingssystematiek Nu duidelijk is wat de borgingssystematiek doet en hoe deze is opgebouwd, kan gestart worden met de implementatie. Het is hier uitdrukkelijk de bedoeling alle stappen per schaalniveau te doorlopen. Daarbij zullen nieuw lokale, regionale en landelijke inzichten, kennis, informatie en ontwikkelingen ertoe leiden dat de implementatie van de borgingssystematiek een cyclisch proces is. Door nu met aandacht de borgingssystematiek te doorlopen kan er echter direct projectmatig mee worden gewerkt. Daarvoor zijn er twee opties: 1 Gebruik maken van eigen groenpercentages en (aanvullende) kwalitatieve eisen en/ of parameters Een gemeente (en daar waar relevant samen met de provincie) kiest ervoor om de inhoud van de borgingssystematiek af te stemmen op de lokale omstandigheden. Hierbij dient er bij nieuwbouw minimaal gehouden te worden aan de doelstellingen en normen uit de Landelijke Maatlat. 2 Gebruik maken van de ‘standaard’ borgingssystematiek (uit de Handreiking) Een gemeente kiest ervoor de voorstellen uit de Handreiking over te nemen. Er kan dan direct worden gestart met de implementatie van de borgingssystematiek.

Handreiking Groen in en om de stad | 36

Aan gemeenten wordt geadviseerd om zelf haar eigen borgingssystematiek in te vullen. De borgingssystematiek kan daardoor afgestemd worden op de lokale omstandigheden en de verwachting is dat de kwaliteit van de borgingssystematiek beter is wordt omdat het bijdraagt aan de lokale kennisopbouw. We beschrijven in dit hoofdstuk de acties die leiden tot implementatie van de borgingssystematiek en geven steeds aan of de actie van toepassing is voor de invulling van eigen groenpercentages en (aanvullende) kwalitatieve eisen en/ of parameters, voor de borgingssystematiek uit deze Handreiking of voor beiden.

5.1

De 0-meting en de invulling van de borgingssystematiek

Deze stap is cruciaal voor zowel het invulling geven aan de eigen groenpercentages en (aanvullende) kwalitatieve eisen en/of parameters als bij het werken met de borgingssystematiek uit de Handreiking. De 0-meting start met het ophalen van alle relevante kwalitatieve en kwantitatieve parameters voor de lokale situatie. Op basis van deze lokale parameters volgt de implementatie. De 0-meting start met een uitgebreide inventarisatie van de kwaliteit van het bestaande groen in zijn geheel. Op de volgende pagina’s is in groen aangegeven welke normen uit de Landelijke Maatlat komen.

Algemene 0-meting In deze basisstap wordt het gehele groenareaal van een gemeente beoordeeld op een aantal aspecten: • Voldoet de kwaliteit van het groen aan het omschreven niveau in het beheerplan. • Voldoet het groen aan de functie conform het ontwerp en beheerplan (natuur, recreatie, kijkgroen, et cetera). • Is het groen toekomstbestendig? Ofwel, is het groen bestand tegen onder andere droogte, hitte, verstedelijkingsdruk, et cetera? • Wat is er nodig om het groen in het geval van functieverlies of achterstallig onderhoud weer op niveau te krijgen. Met deze basisinformatie is inzichtelijk wat los van de nodige uitbreiding van het groenareaal nodig is om bestaand groen op het juiste niveau te krijgen zodat het volwaardig kan meetellen in het behalen van doelstellingen en normen.

Regio

In

Straat

n hte d zic Sta Kenn is

W i

jk

tie ma for In Handreiking Groen in en om de stad | 37

Buurt

Ontw ik k e lin g

Zicht op continue groenvoorziening

Straatniveau

Stuur op kwaliteit van de leefomgeving • Zicht op continue groenvoorziening • Maatwerk per straat • Stimuleren diversiteit leefomgeving • Natuurinclusiviteit

Norm: vanuit iedere woning dient zicht te zijn op een continue groenvoorziening, waarvan minimaal 50% biodivers of drie – bij voorkeur – inheemse bomen

• Is er vanuit elke woning zicht op een continue groenvoorziening of drie bomen op straatniveau? Zoals aangegeven kan dit gedetailleerd vanuit het eigen groenbeheersysteem plaatsvinden (bewerkelijk) of versimpeld vanuit beschikbare data omtrent de 3-30-300 regel. Door hier per buurt een percentage te bepalen hoeveel woningen aan deze eis voldoen kan beoordeeld worden of het halen van de norm op straatniveau een grote of kleine inspanning vraagt. • De check of het groen voldoende biodivers en inheems is vraagt om een zorgvuldige inventarisatie en het vullen van de gemeentelijke database (beheersysteem). Door die inventarisatie uit te voeren aan de hand van een concreet GIS-paspoort (digitale database die kenmerken van groen aan een locatie koppelt) is de data ook op buurt of wijkniveau te benaderen. De gemeente Almere heeft dit recentelijk laten doen en weet nu van alle plantvakken binnen de hele gemeente beter welke natuurwaarden aanwezig zijn. • Hanteer je de borgingssystematiek uit de Handreiking (alle woningen voldoen aan de norm op straatniveau) dan kan nu bepaald worden waar de grootste opgave in de stad ligt en hoe groot de benodigde inspanning is om naar de norm toe te werken. Dit kan worden verwerkt in begrotingen en gebruikt worden bij het prioriteren in aan te pakken straten bij het vergroenen.

Bij het prioriteren in aan te pakken straten kunnen echter nog andere aspecten worden meegenomen zoals het koppelen van vergroening bij ruimtelijke ingrepen zoals een rioolvervanging, sociaal kwetsbare buurten of groenarme straten waar inwoners zelf in actie willen komen om te vergroenen. • Stel je je eigen borgingssystematiek samen dan moet je bepalen of je voor alle woningen op straatniveau deze eis overneemt of dat je lokaal (bijvoorbeeld in een historisch centrum) afwijkt, en aangeeft dat bijvoorbeeld 80% van alle woningen moeten voldoen. Afwijken betekent dat er gekozen wordt om een deel van de bewoners een minder gezonde leefomgeving te bieden. Het afwijken van de aangegeven norm op straatniveau zal dus zeer zorgvuldig moeten plaatsvinden met beheersmaatregelen op lokaal niveau om een gezonde straat anders in te vullen (verticaal groen, optie tot geveltuin).

Handreiking Groen in en om de stad | 38

Geen afname groen Buurt

Groene, koele verblijfsplek 200 m2

30-40% schaduw

Stuur op kwaliteit van de gemeenschap • Landelijke maatlat • Koele plek 200 m2 • Groene ontmoetingsplek

Buurtniveau Norm: Percentage groen op buurtniveau behouden en realiseren • Bereken het huidige groenpercentage per buurt voor de hele gemeente op basis van de methode uit de borgingssystematiek in deze Handreiking. • Hanteer je de groenpercentages op wijkniveau uit de Handreiking (zie tabel pagina 32) dan is dit percentage een harde minimale eis bij elk project in die buurt, dit percentage mag niet achteruitgaan als gevolg van een nieuwe ontwikkeling. Wanneer er groen wordt weggehaald om te bouwen moet dit groen dus worden gecompenseerd waarbij de kwaliteit net als de kwantiteit niet achteruit mag gaan. Hierbij moet altijd worden getoetst wat de waarde van het groen vanuit het groenstructuurplan is en welke rol het speelt in het beschermen van de bestaande natuurwaarde. • Stel je je eigen groenpercentages op wijkniveau samen dan kun je eisen verzwaren door bijvoorbeeld een hogere ambitie te stellen voor buurten met een zeer laag bestaand groenpercentage of een afname toe te staan wanneer een buurt in de bestaande situatie een zeer hoog groenpercentage heeft. Bepaal in dit laatste geval concreet welke percentages als zeer laag of zeer hoog worden bestempeld en met welk percentage afgeweken mag worden.

Norm: 30% schaduw op buurtniveau en 40% schaduw op belangrijke loop- en fietsroutes, drinkwaterstroken en verblijfsplekken • Bepaal het huidige schaduwpercentage per buurt en voor routes en verblijfsplekken ook per buurt. Doe dit zoals beschreven in de Handreiking. • Hanteer je de borgingssystematiek uit de Handreiking dan is direct duidelijk in welke buurten en wijken het nodig is bomen toe te voegen en welke locaties prioriteit hebben (routes en verblijfsplekken). Ook hier kunnen weer andere aspecten mee worden genomen in het afwegingskader om te komen tot prioritering. Zorg ervoor dat de boomsoorten die worden toegevoegd passen bij het landschapstype en grotere boomstructuren op stadsniveau en weer bijdragen aan de basiskwaliteit natuur (BKN). • Stel je je eigen borgingssystematiek samen dan kan er gemotiveerd worden gekozen om op specifieke locaties schaduw te bevorderen door niet groene maatregelen zoals zonneschermen. Dit kan in een stadscentrum met weinig ruimte soms de enige oplossing zijn. Afwijken van de percentages is echt onwenselijk gezien het veranderende klimaat waardoor deze eis alleen maar belangrijker wordt. Norm: Afstand tot groene koele verblijfsplekken: maximaal 300m vanaf elke woning tot een groene koele openbare verblijfsplek van min. 200 m2.

• Bepaal op gemeentelijk niveau waar alle groene verblijfsplekken van 200 m2 of groter liggen en analyseer welke woningen zich niet binnen 300m van een dergelijk object bevinden. Bereken vervolgens welk percentage aan woningen per buurt niet voldoen aan de eis en zet dit op kaart. • Hanteer je de borgingssystematiek uit de Handreiking dan hebben buurten met een groot percentage woningen die niet aan de norm voldoen hoge prioriteit bij een herinrichting of het toevoegen van groen binnen een project. Het toevoegen van grotere groenobjecten kan ruimtelijk soms lastig zijn en vraagt om stevige ingrepen. Buurten die aan de rand van de bebouwde kom liggen en geen park maar wel een regionaal recreatiegebied binnen 300m hebben voldoen ook aan de norm. • Stel je je eigen borgingssystematiek samen dan is het advies de norm vanuit de Handreiking niet te versoepelen omdat deze eis cruciaal is voor een gezonde leefomgeving van kwetsbare doelgroepen. Handreiking Groen in en om de stad | 39

Minimumpercentage groen Wijk

Streefpercentage groen

Sturen op kwaliteit • Kwantitatief normeren

Wijkniveau Norm: een minimaal groenpercentage en een streefwaarde op wijkniveau • Bepaal voor alle wijken binnen de gemeente onder welk wijktype ze vallen op basis van de Klimaateffectatlas. Wanneer er meerdere wijktypen in een wijk voorkomen (de Klimaateffectatlas geeft op buurtniveau een wijktype) moet er een keuze gemaakt worden welk wijktype dominant is. Ook wanneer geen wijktype van toepassing is (niet elke wijk is gekoppeld aan een type) moet er een keuze gemaakt worden welk wijktype het beste past. Wanneer binnen een wijk grote afwijkingen op buurtniveau voorkomen, kan er worden gekozen om afwijkende buurten een aparte norm mee te geven. • Bepaal voor elke wijk wat het bestaande groenpercentage is door alle groene elementen (inclusief gevel-, dak- en privaat groen) uit te drukken als percentage van de totale wijkoppervlakte. Zet dit op de kaart. • Hanteer je de groenpercentages uit de Handreiking (zie tabel pagina 32) dan geven deze percentages per wijk de minimale groennorm en de streefwaarde voor deze norm weer en is direct duidelijk in welke wijken er grote opgaven liggen en waar er al een voldoende groenpercentage aanwezig is. Dit geeft richting bij de prioritering van projecten en het begroten van de vergroeningsopgave.

Daarbij maken we wel de opmerking dat het voldoen aan deze groenpercentages niet direct betekent dat ook aan de groenpercentages en (aanvullende) kwalitatieve eisen en/ of parameters van de andere schaalniveaus, en de andere functionaliteiten van groen wordt voldaan. Ook hier kunnen weer andere aspecten mee worden genomen in het afwegingskader om te komen tot prioritering. Het groenpercentage wordt als harde eis meegegeven bij nieuwbouw. Bij inbreiding is de norm gebaseerd op het wijktype van de wijk waarbinnen de nieuwbouw plaatsvindt, bij uitleglocaties moeten de stedenbouwkundige kenmerken van de nieuwbouwwijk worden gekoppeld aan een wijktype uit de Klimaateffectatlas en volgt zo de norm. In dit laatste geval is alleen de streefwaarde uit de tabel op pagina 32 relevant en dient deze direct ook als minimum. • Stel je je eigen groenpercentages per wijktypologie samen dan moet na de vaststelling van welke wijktypen er binnen de gemeente aanwezig zijn en wat daar de bestaande groenpercentages zijn, een set aan groennormen per wijktype bepaald worden. Het advies is hierbij de tabel met minimumwaarden en streefwaarden per wijktype uit de Handreiking als basis te gebruiken en gemotiveerd af te wijken bijvoorbeeld omdat: - Er lokaal wijken zijn die nu al een veel hoger groenpercentage hebben dan op basis van de Handreiking als minimum of streefwaarde toegekend zou worden.

Dit kan aanleiding zijn een wijk een hogere streefwaarde te geven. - Er wijken zijn die moeilijk zijn in te delen in een wijktype door een atypische opbouw of een zeer gevarieerd stedenbouwkundig beeld. Hier is maatwerk in de norm nodig.

Handreiking Groen in en om de stad | 40

- Er kan voor specifieke locaties worden afgeweken van de wijze waarop het groenpercentage rekenkundig wordt bepaald, bijvoorbeeld: - Het voor 100% meenemen van verticaal groen (zoals gevelbedekking) in een centrumgebied tegenover het voor bijvoorbeeld 50% meetellen van verticaal groen in een ander wijktype. Dit omdat het toepassen van groen in een centrumgebied veelal lastiger is dan in ruimer opgezette gebieden. - Het voor 100% meetellen van groene daken wanneer deze toegankelijk zijn en het voor 20% meetellen van groene daken die niet toegankelijk zijn. Dit omdat de niet toegankelijke daken wel bijdragen aan onder andere klimaatadaptatie doelen, maar bijvoorbeeld niet of minder aan sociale doelen. - Wijken waarbinnen zich een groot park bevindt hebben vaak een hoog groenpercentage, het advies is dit hoge percentage als eis over te nemen en daarmee minimum en streefwaarde te verhogen ten opzichte van de Handreiking. De aanwezigheid van een groter park is met name in wijken met veel niet grondgebonden woningen erg belangrijk. Het is goed in wijken met relatief veel hoogbouw de groennorm te verzwaren met de eis dat er los van het percentage groen altijd een groenobject van minimaal 1ha aanwezig moet zijn binnen een bepaalde afstand tot elke woning. Hierbij kan een afstand van 500 m worden aangehouden.

Copyright © 2020 Arcadis. All rights reserved. arcadis.com.

Handreiking Groen in en om de stad | 41

Groenstructuurplan water- en bodemsturend Landschappelijke onderlegger Stad

Stuur op systeem • Groenstructuurplan • Opgave per wijk stellen

Stadsniveau Norm: een kwalitatief groen groenstructuurplan dat richting geeft aan het juiste groen op alle schaalniveaus • Breng in beeld welke groenplannen er binnen de gemeente al aanwezig zijn en spiegel deze plannen aan de eisen aan een Groenstructuurplan uit de Handreiking. • Kijk of de aanwezige groenplannen zoals beheerplannen, boomstructuurplannen, ecologische plannen, groenstructuurplan, etc. een samenhangend geheel vormen en waar nog afstemming nodig is. • Probeer waar mogelijk de plannen samen te voegen onder één groenstructuurplan zodat er op basis van een integrale visie gewerkt kan worden aan groenblauwe structuren en de doorwerking van deze structuren tot op straatniveau.

Handreiking Groen in en om de stad | 42

350-500 m2 groen om de stad per woning binnen een straal van 5 km Regio 350-500 m2

350-500 m2

Stuur op systeem • Focus op verbindingen met buitengebied (groen, natuur, recreatief) • 350-500 m2 groen per woning

Regionaal niveau Norm: 350-500 m2 groene ruimte per woning • Breng in beeld hoeveel bestaande woningen er aanwezig zijn en hoeveel recreatief en natuurlijk groen aanwezig is binnen een straal van 5km rond de stad (bebouwde kom als grens). Voldoet het bestaande aan de norm van 350 tot 500 m2 per woning? • Breng in beeld hoeveel woningen er de komende jaren binnen de gemeente worden gebouwd en koppel dit aan de daarvoor benodigde opgave om extra (recreatief en natuurlijk) groen te maken binnen de 5km zone rond de stad. Een harde eis is dat bij nieuwbouw de hoeveelheid groen per woning in de gehele stad niet mag afnemen. • Beoordeling norm is gebaseerd op het totaal van de bestaande en nieuwe woningen. • Hanteer je de norm van 350 tot 500 m2 uit de Handreiking dan is het belangrijk binnen de gemeente exact te bepalen of de 350 of de 500 m2 als norm wordt gehanteerd. Een belangrijk uitgangspunt bij deze norm is dat het recreatief groen ook goed bereikbaar moet zijn vanuit dorp of stad. Als onderdeel van het realiseren van deze norm moet daarom ook het realiseren of verbeteren van verbindingen naar de uitloopgebieden worden meegenomen. • Stel je je eigen norm samen dan is het vooral van belang te kijken in welke mate er nu al recreatieve groene mogelijkheden zijn en hoe deze zich verhouden tot de omvang van de bestaande en geplande woningen.

Het kan goed zijn dat in dunbevolkte gebieden van Nederland het niet nodig is bij nieuwbouw direct extra groene uitloopgebieden te realiseren. Net zo kan het in dichtbevolkte gebieden nodig zijn de norm op te hogen omdat ook voor de bestaande stad de druk op aanwezige groengebieden al te hoog is.

Handreiking Groen in en om de stad | 43

Landschapspark Zuidpolder Barendrecht. Park langs de stad waar groen, recreatie, water, landbouw en natuur hand in hand gaan (bron: Arcadis).

6 Stappenplan In dit hoofdstuk geven we een stappenplan om met de borgingssystematiek in de hand effectief te vergroenen. Dit stappenplan is bedoeld voor alle betrokkenen bij een gebiedsontwikkeling binnen gemeenten en kan gebruikt worden bij de start van een nieuwe ontwikkeling. Het stappenplan helpt bij het bepalen van de juiste maatregelen, op het juiste moment, op de juiste plaats. Ook geeft het antwoord op de vraag of het mogelijk is binnen de kaders van een ontwikkeling het juiste groen in relatie tot doelstellingen, wensen en eisen te realiseren. Een negatief antwoord op deze vraag leidt tot een advies om opnieuw naar het ontwikkelplan te kijken en zodanige aanpassingen te doen dat er wel kwalitatief groen binnen de kaders van de ontwikkeling te borgen is. Het stappenplan helpt bij de start van een initiatief om te bepalen op welke wijze de borgingssystematiek binnen deze specifieke ontwikkeling geïnterpreteerd en geïmplementeerd kan/moet worden. Het stappenplan start met een aantal algemene afwegingen/ keuzes die inzicht geven in het type ontwikkeling. Hieruit volgen randvoorwaarden en kaders die invloed hebben op de implementatie van groen en de bijbehorende instrumenten om groen te realiseren en te borgen. De toepassing van deze Handreiking en het hierin opgenomen stappenplan voor gebiedsontwikkelingen zal leiden tot een aanscherping van dit stappenplan.

In de leeragenda hebben we de optie opgenomen om hiervoor een interactieve tool uit te werken waarmee binnen de specifieke context en op alle schaalniveaus de borgingssystematiek binnen een gebiedsontwikkeling kan worden geïmplementeerd.

Handreiking Groen in en om de stad | 44

6.1

Bepaal de kenmerken van de ontwikkeling

Eerst is het van belang de algemene kenmerken van de ontwikkeling te bepalen, waarmee eisen en opties die geen betrekking hebben op de specifieke ontwikkeling meteen gefilterd worden. De volgende stappen helpen om deze filtering te doorlopen: Stap 1: Bepaal binnen welk type bouw de ontwikkeling valt De vraag of de ontwikkeling betrekking heeft op bestaande bouw, nieuwbouw inbreiding of nieuwbouw uitbreiding of een mengvorm, is met name relevant voor het juiste interventiemoment om de borgingssystematiek door te voeren. Het vergroenen van de bestaande stad zal in veel gevallen worden gekoppeld aan groot onderhoud of een reconstructie. Bij nieuwbouw (inbreiding en/ of uitbreiding) wordt een volledig nieuwe ontwikkeling vanaf de grond opgebouwd en kan de borgingssystematiek direct worden doorgevoerd. Stap 2: Verken wie het grondbezit heeft Vervolgens is het van belang om inzicht te hebben in het grondbezit op de ontwikkelingslocatie. Dit heeft effect op de mogelijkheden om sturing te geven aan de ontwikkeling: bij private grond kunnen vergunningen ingezet worden om een bepaalde eis te behalen, terwijl bij publieke (gemeentelijke) grond via aanbesteding en contractvorming gestuurd kan worden. Stap 3: Verken welke omvang/schaal het project heeft De omvang/schaal van het project heeft invloed op de mogelijkheden om eisen en aanbevelingen uit de borgingssystematiek door te voeren.

Bij de bouw van enkele woningen heeft het geen zin om een substantiële bijdrage aan het groen op buurt- en wijkniveau te eisen. Bij een grote ontwikkeling kan dat wel en zal een juiste aanpak leiden tot een versterking van de groenstructuur van buurt en wijk. Stap 4: Welke wijktypologie is van toepassing De borgingssystematiek normeert kwantitatief op basis van het wijktype waarbinnen een ontwikkeling plaatsvindt. Dit is zo gekozen omdat elke wijktype kenmerkende ruimtelijke eigenschappen heeft. Ook los van de kwantitatieve norm helpt het om gebruik te maken van deze kenmerkende ruimtelijke eigenschappen omdat ze richting geven in de problematiek en de oplossingsrichting op het gebied van klimaat, gezondheid en biodiversiteit. Bepaal dus al bij aanvang van de ontwikkeling welk wijktype van toepassing is. Stap 5: Welke opgaves zijn prominent aanwezig op welk schaalniveau De borgingssystematiek werkt optimaal wanneer er bij elke nieuwe ontwikkeling wordt vastgesteld hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de verschillende schaalniveaus uit de borgingssystematiek en aan welke specifieke opgaven de ontwikkeling bij kan dragen. Wanneer een ontwikkellocatie zich binnen een stedelijke groenstructuur bevindt én in een buurt die hittestress kent, dan kan de inrichting van het groen in de wijk aan beide een bijdrage leveren.

Dat betekent bijvoorbeeld op het schaalniveau ‘’buurt’’ dat er bomen toegevoegd moeten worden voor extra schaduw en op het schaalniveau ‘’stad’’ dat het groen moet passen in het betreffende landschapstype. In de optimale situatie worden er bij de een woningbouwontwikkeling dus bomen aangebracht die passen in het landschapstype én tegelijk schaduw leveren op de juiste plek. Stap 6: Bekijk de schaalniveaus Nu de kaders van de ontwikkeling bekend zijn, is het van belang om op elk schaalniveau verder in te zoomen. Dit functioneert als test om te toetsen of de ontwikkelingsplannen op elk schaalniveau voldoen aan de borgingssystematiek en of de projectdoelstellingen op groengebied worden gehaald. Om hierbij te helpen beschrijven we in paragraaf 6.2 een aantal checkvragen die voor elk schaalniveau gelden en in paragraaf 6.3 vragen die specifiek zijn voor een bepaald schaalniveau.

Handreiking Groen in en om de stad | 45

6.2 Welke vragen stel je jezelf op elk schaalniveau? Op elk schaalniveau moeten op basis van de borgingssystematiek één of meer toetsingscriteria worden nagelopen. Zo is het op straatniveau van belang te kijken of er zicht is op een continue groenvoorziening en op buurtniveau toetsen we op bijvoorbeeld het percentage schaduw en de aanwezigheid van een buurtparkje. Door op elk schaalniveau de volgende 4 stappen te zetten worden alle eisen getoetst en weten we zeker dat ruimtelijke ontwikkelingen op tijd worden bijgestuurd. Stap 1: Ga na of groen voldoende in het ontwikkelplan is geïmplementeerd voor de opgaves op dit schaalniveau. Wanneer de ontwikkeling voldoet aan de eisen uit de borgingssystematiek op het betreffende schaalniveau hoef je de stappen bij dit schaalniveau niet verder door te lopen. Zo niet, dan is het noodzakelijk de volgende stappen ook te doorlopen. Stap 2: Ga na of de doelen en normen uit de borgingssystematiek alsnog inpasbaar zijn binnen de ontwikkeling en welke maatregelen daarvoor nodig zijn. Als de ontwikkelplannen nog niet voldoen aan de gestelde doelen en eisen op het betreffende schaalniveau, stellen we in deze stap vast wat er aan extra maatregelen nodig is en hoe dat kan worden toegevoegd aan de plannen. Stap 3: Definieer in welke fase de groene maatregelen geïmplementeerd moeten worden.

Afhankelijk van de extra ingrepen die nodig zijn, kunnen deze in een bepaalde fase van het project worden toegevoegd. Een minimale bijdrage in het groenpercentage op wijkniveau zal al tijdens de exploitatieberekeningen (GREX) ingepast moeten worden. Leg hier dus vast wat er wanneer geregeld moet worden zodat alle ingrepen geborgd zijn. Stap 4: Doorslaggevende factor: go/no-go. Als blijkt dat het niet lukt om op alle schaalniveaus passende maatregelen te nemen en te voldoen aan de borgingssystematiek dan zal de ontwikkeling bestempeld moeten worden met een no-go tenzij er bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken. Dit kan bijvoorbeeld wanneer een ontwikkeling door zijn omvang of specifieke locatie niet of slechts gedeeltelijk op elk schaalniveau een bijdrage kan leveren. In dit geval kan gekeken worden de resterende/niet haalbare groeneisen elders/op hogere schaalniveaus te compenseren. Zie hiervoor ook paragraaf 6.3.

Handreiking Groen in en om de stad | 46

6.3 Specifieke vragen per schaalniveau Straat • Is er vanuit elke woning zicht op een continue groenvoorziening?

Buurt • Zijn er technische oplossingen gebruikt die ook vervangen kunnen worden door natuurlijke en groene oplossingen? • Welke algemene soorten planten en dieren zijn relevant voor een buurt en welke eisen en condities stellen deze aan hun omgeving? • Wat is het groenpercentage van de buurt en in hoeverre blijft deze minimaal gelijk op basis van de ontwikkeling? • Is er minimaal 40% schaduw aanwezig op belangrijke routes en verblijfsplekken en is de totale hoeveelheid schaduw 30% op buurt- en wijkniveau? • Is er binnen de buurt en binnen 300m van elke woning een groene, verkoelende verblijfsplek van minimaal 200 m2 aanwezig of wordt deze binnen de ontwikkeling toegevoegd? • Is het veranderende klimaat voldoende meegenomen in het te realiseren groen ofwel passen de beplantingstypen en soorten bij de grondslag en de meer extreme droogte in de zomer. • In hoeverre wordt er meer of onnodige verharding in de buurt gerealiseerd en hoe kan dit worden voorkomen?

Wijk • Wat is de wijktypologie waarbinnen jouw ontwikkeling valt? • Welk groenpercentage behoort er minimaal binnen dat wijktype en wat is de streefwaarde? • Welk beleid is er gemeentelijk geregeld over de status van het minimale groenpercentage en de streefwaarde ofwel welke ambitie is door de gemeente gesteld. • ●Wat is het bestaande groenpercentage in de wijk op dit moment (0-meting) ofwel welke opgave ligt er op wijkniveau en welk aandeel moet de ontwikkeling daarin bijdragen. Dit zal minimaal de ondergrens uit de borgingssystematiek zijn maar gemeentes wordt dringend geadviseerd richting de streefwaarde te sturen. Deels zal de haalbaarheid hiervan afhangen van de 0-meting.

Stad • Is er een groenstructuurplan en voldoet dit aan de minimale eisen uit de borgingssystematiek? • Binnen welke hoofdstructuren, ecologische verbindingen of recreatieve verbindingen bevindt de ontwikkeling zich of kan deze bijdragen? • Zorgt de ontwikkeling voor verbetering van de belangrijke structuren uit het groenstructuurplan of op welke wijze kan dit in de ontwikkeling worden toegevoegd? • Welke verbindingen met regionaal groen en regionale partners zijn er vanuit de ontwikkeling te maken?

Regio • Welke regionale plannen of structuren zijn relevant voor de ontwikkeling en moeten dus ingepast worden of aansluiten op de ontwikkeling? • Welke kansen en knelpunten zijn relevant vanuit de regio? • Welke verbindingen met de regio kunnen vanuit de ontwikkeling versterkt worden?

Handreiking Groen in en om de stad | 47

Bijlage 1 Subsidies en Regelingen In deze bijlage is een overzicht gegeven van regelingen en subsidies die kunnen bijdragen aan het vergroenen van het stedelijk gebied. We hebben gestreefd naar een zo volledig mogelijk overzicht. Het overzicht is als volgt ingedeeld: • Regelingen en subsidies vanuit de EU. • Regelingen en subsidies vanuit het Rijk. • Regelingen en subsidies vanuit provincies. • Regelingen en subsidies vanuit gemeenten. • Regelingen en subsidies vanuit overige partijen. Voor de EU en het Rijk is geprobeerd zo compleet mogelijk te zijn in het overzicht terwijl bij de andere categorieën vooral voorbeelden zijn gegeven van wat er binnen Nederland gemiddeld beschikbaar is vanuit provincies, gemeenten en andere partijen zoals bijvoorbeeld waterschappen. Elke subsidie of regeling wordt voorzien van de volgende informatie: • Inhoud: Wat is het onderwerp van de subsidie en welke activiteiten komen in aanmerking voor subsidie? • Voor wie: Wie kan de subsidie aanvragen? • Budget: Welk budget is beschikbaar binnen de regeling en indien bekend hoeveel kan er per project worden aangevraagd? • Verantwoordelijk: Wie verleent de subsidie? • Open/gesloten, looptijd: Is de regeling nog actief en zo ja hoe lang?

Europese regelingen op een rij Life Inhoud: LIFE is een Europees subsidieprogramma dat bijdraagt aan het realiseren van het Europese milieu-, energie- en klimaatbeleid, zoals de Europese Green Deal. LIFE geeft subsidie aan projecten die het Europese beleid op één van de volgende onderwerpen verder ontwikkelen of in de praktijk brengen: natuur en biodiversiteit, circulaire economie en kwaliteit van leven, klimaatmitigatie- en adaptatie, hernieuwbare energietransitie. • Voor wie: bedrijven, overheidsorganisaties, non-gouvernementele organisaties (NGO’s) en kennisinstellingen. • Budget: € 3 – 5 miljoen per project, als cofinanciering. Oorspronkelijk budget: € 5,4 miljard. • Verantwoordelijk: Europese commissie. • Open/gesloten, looptijd: open, loopt t/m 2027.

Handreiking Groen in en om de stad | 48

Interreg Europe Interreg Europe richt zich op het verbeteren van (regionale) beleidsprogramma’s. Het co-financiert projecten en platforms voor regionale of lokale overheden en andere partners. Interreg Europe ondersteunt activiteiten die zich moeten richten op de volgende thema’s: een concurrerender en slimmer Europa, een groener en veerkrachtiger Europa en een socialer en inclusiever Europa. In aanmerking komen Interregionale samenwerkingsprojecten: een partnerschap van publieke overheden uit verschillende EU-lidstaten. • Voor wie: focus ligt op beleidsmakers maar ook welkom zijn: - regionale overheden (provincie, gemeente, waterschap). - kennisinstellingen (universiteiten, hogescholen). - private partijen zonder winstoogmerk. - ontwikkelingsmaatschappijen. - non-profit instellingen. • Budget: € 379 miljoen totaal, per project maximaal 75% cofinanciering. • Verantwoordelijk: Europese commissie. • Open/gesloten, looptijd: open, looptijd 2021-2027. • De aanvrager komt mogelijk in aanmerking voor Projectstimuleringsregeling (PSR). Vanuit de PSR krijgt men een bijdrage voor het voorbereiden van het projectvoorstel: tot € 25.000,-. Geldig t/m 15 dec. 2024. Totaal budget voor deze regeling: € 1.375.000.

Interreg NW Europe Met Interreg Noordwest Europa 2021-2027 wil de Europese Unie een groene, slimme en rechtvaardige transitie mogelijk maken voor deelnemende landen. Doel is een evenwichtige ontwikkeling ondersteunen en alle regio’s veerkrachtiger maken. De belangrijkste uitdagingen in Noordwest-Europa worden met de volgende 5 prioriteiten aangepakt: 1 Slimme klimaatbestendigheid voor NWE-gebieden (natuur en biodiversiteit, klimaatadaptatie). 2 Slimme en rechtvaardige energietransitie (energie-efficiëntie, hernieuwbare energie).. 3 Overgang naar een plaatsgebonden circulaire economie (circulaire economie en grondstoffenefficiëntie) 4 Innovatiecapaciteit in NWE-regio’s bevorderen. 5 Overgang naar een sociaal inclusieve, duurzame en veerkrachtige samenleving (arbeidsmarkt, gezondheidszorg, cultuur en toerisme). • Voor wie: focus ligt op beleidsmakers maar ook welkom zijn: - regionale overheden (provincie, gemeente, waterschap). - kennisinstellingen (universiteiten, hogescholen). - private partijen zonder winstoogmerk. - ontwikkelingsmaatschappijen. - non-profit instellingen. • Budget: 310 miljoen totaal, per project maximaal 60% cofinanciering. • Verantwoordelijk: Europese commissie. • Open/gesloten, looptijd: open, looptijd 2021-2027.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14401205/1