CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319397 Bijlage Rapport Publieke Rolneming DH

Gemeenteraad 18 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Commissiebrief inzake Verkenning van mogelijke rolnemingen voor de gemeente Den Haag in een publiek warmtebedrijf (RIS319397)22.549 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Kansen en risico’s Voordelen en kansen bij dit model: Een groot voordeel van warmtegemeenschappen is dat het bottom-up draagvlak creëert onder de bewoners voor collectieve warmte. Doordat een warmtegemeenschap geen winstoogmerk heeft en haar eigen afnemers het warmtebedrijf runnen, staat het belang van de eindgebruiker centraal. Zowel op economisch/sociaal vlak als op het gebied van duurzaamheid. Dit maakt collectieve warmte mogelijk interessanter voor de bewoners. Warmtegemeenschappen mogen ook gebruik maken van het Waarborgfonds. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat warmtegemeenschappen op langere termijn doorgroeien naar een warmtebedrijf dat een groter warmtekavel bedient of dat een bestaant warmtebedrijf het de warmtegemeenschap overneemt. Nadelen en risico’s bij dit model: Een significant risico bij dit model is de grote financiële opgave voor een warmtegemeenschap om een warmtenet te realiseren, zeker in de ontwikkelfase. De warmtegemeenschap dient zelf het vermogen te organiseren om de warmtevoorziening te ontwerpen, aanleggen, beheren en exploiteren. Er zijn geen structurele instrumenten beschikbaar om de ontwikkelkosten te financieren. Dit brengen de leden daarom zelf in, wat een significante investerings- en organisatieopgave is. Een ander nadeel is de noodzaak om te voldoen aan de eisen van de ACM.

Hiervoor moet de warmtegemeenschap aantonen dat de zij organisatorisch, financieel en technisch in staat is om de warmtevoorziening te realiseren en exploiteren. Dit vraagt een bepaald niveau van professionaliteit van de organisatie die zij moet ontwikkelen.

Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 20 van 49

Een overzicht van de karakteristieken per rolnemingstabel vindt u in tabel 1 Hierin beschrijven wij per model de noodzaak voor het oprichten van een warmtebedrijf, het type aandeelhouders, hoe en wie de operationele taken van het warmtebedrijf uitvoert, het benodigde niveau aan kennis, kunde en tijd, de investeringsopgave, de mogelijkheid tot inbesteden en de necessiteit tot aanbesteden. Tabel 1: Overzicht verschillende rolnemingsmodellen Model 1A PIW in volledig publiek eigendom

Model 1B Model 2A PIW met publiek PIW met DMBOmeerderheidsaan contract deel

Model 2B PIW met DMBOcontract én partnerschap

Model 3 Joint Venture

Model 4 Warmtegemeenschap

Meest logische entiteit

B.V.

B.V.

B.V.

B.V.

V.O.F. (personen vennootschap)

Coöperatie

Type aandeelhouders

Publiek

Publiek-privaat

Publiek

Publiek-privaat

Publiek-publiek of publiek-privaat

Publiek-PrivaatParticulier

Uitvoeren operationele taken warmtebedrijf

Zelf organiseren vanuit eigen interne uitvoeringsorganisatie

Organiseren vanuit uitvoeringsorgani satie private partner

Uitbesteden aan private partner via DBMOcontract

Uitbesteden aan private partner via DBMO-contract

Zelf organiseren via contractuele afspraken, indien mogelijk gebruikmakend van uitvoeringsorganisa tie partner(s)

Zelf organiseren vanuit eigen interne uitvoeringsorganisatie of uitbesteden aan private partner via DBMO-contract

Kennis, kunde en Zelf inbrengen personeel

Inbrengen via private partner

Inbrengen via DBMOcontractant

Inbrengen via private Inbrengen via partner / DBMOexpertise contractant contractant

Investeringsopgave

Publiek vermogen

Publiek vermogen Publiek vermogen Publiek vermogen en en privaat privaat vermogen, vermogen, naar naar rato rato aandeelhouderschap aandeelhouderschap

Eigen vermogen partijen gekoppeld aan activiteit waarvoor ze contractueel verantwoordelijk zijn

Vermogen leden

Inbesteden mogelijk

Ja

Nee

Ja

Nee

Nee

Aanbesteden noodzakelijk

Nee

Ja, voor aandeelhouderspositie en uitvoering

Ja, voor DBMOcontract

Ja, voor aandeelhouderspositie en DBMOcontract

Ja, mits netwerkbedrijf volledig publiek Ja, voor warmteleverancier

Zelf inbrengen via leden of expertise contractant

Nee

Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 21 van 49

Een volledig privaat warmtebedrijf aanwijzen als exploitant van een warmtekavel is na het inwerking treden van de wet niet meer mogelijk. Hier zijn enkele uitzonderingen op: Bestaande warmtenetten mogen o.b.v. het overgangsrecht blijven exploiteren en uitbreiden door hun huidige private eigenaren/concessiehouders, gedurende een resterende aanwijstermijn voortvloeiend uit de regels van het overgangsrecht. Deze termijn is minimaal 14 jaar en maximaal 30 jaar, afhankelijk van het moment van aansluiten van de laatste 10% van de aansluitingen van het warmtenet. Voor kleinschalige warmtevoorzieningen van <1.500 WEQ is het mogelijk een ontheffing aan te vragen voor de verplichting om op basis van een aanwijzing een warmtenet te mogen exploiteren. Dit betekent dat de eis van publiek meerderheidsbelang in deze situatie niet geldt en een privaat warmtebedrijf een dergelijke ontheffing kan aanvragen, wanneer het een kleinschalige warmtevoorziening betreft. De inwerkingtreding van de Wcw gaat gepaard met overgangsperiode van zeven jaar, waarin het nog mogelijk is om een privaat warmtebedrijf aan te wijzen voor het realiseren en exploiteren van een warmtekavel. Dit kan echter alleen wanneer éérst een aanwijsprocedure is doorlopen voor een publiek warmtebedrijf en hier géén geschikte kandidaat uit naar voren is gekomen.

Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 22 van 49

3. Met welke (potentiële) samenwerkingspartners heeft de gemeente Den Haag rekening te houden?

In het hoofdstuk verdiepen we op de relevante stakeholders op lokaal, regionaal en nationaal niveau waar de gemeente rekening mee heeft te houden in haar rolnemingskeuze. Den Haag bevindt zich voor de warmtetransitie in een dynamisch speelveld. Naast lokale buurtinitiatieven heeft zij te maken met legio stakeholders op lokaal, regionaal en nationaal niveau. Denk aan Eneco, GasUnie (eigenaar van WarmteLinQ), Uniper, ontwikkelaars van geothermie waaronder HAL, woningcorporaties, de netbeheerder Stedin, buurgemeenten, de Provincie Zuid-Holland en bijvoorbeeld EBN. De gemeente Den Haag opereert zodoende niet in een vacuüm. In de rolnemingskeuze heeft Den Haag zich te verhouden tot deze stakeholders. Het doel van dit hoofdstuk is in kaart brengen welke spelers dit zijn, zowel op gemeentelijk, provinciaal als nationaal niveau, en op welke wijze zij van invloed zijn op Den Haag en andersom. De positionering van de voornaamste stakeholders in een belang/invloed-matrix geeft inzicht in hoe de gemeente zich tot deze stakeholders te verhouden heeft. Hieronder beschrijven en positioneren we de belangrijkste stakeholders voor de gemeente Den Haag in een belang/invloed-matrix, te zin in figuur 5. Dit is een veelgebruikt instrument in het uitvoeren van stakeholderanalyses en het formuleren van welke wijze van benaderen/verhouden effectief is in de samenwerking met deze stakeholders.

De matrix zoals wij die invulden voor de warmtetransitie verschaft zowel inzicht in welke stakeholders relevant zijn bij de keuze voor rolneming, als een strategie om effectief met deze stakeholders om te gaan. Hiervoor plotten we de stakeholders langs twee assen. De horizontale as geeft aan hoeveel belang een stakeholder heeft bij de rolnemingskeuze van de gemeente en de verticale as hoeveel invloed een stakeholder heeft op deze rolnemingskeuze. Afhankelijk van de plotlocatie van de stakeholder leidt dit tot de volgende strategieën: - Bij een lage invloed en laag belang geldt dat de gemeente op de hoogte dient te zijn van de strategische koers van deze stakeholder, maar er niet te veel tijd en middelen aan besteedt. - Bij een lage invloed en hoog belang is het verstandig dat de gemeente de stakeholder proactief geïnformeerd houdt en diens zorgen adresseert in haar overwegingen. - Bij een hoge invloed en laag belang is het van belang om een constructieve samenwerking met de stakeholder op te bouwen en met name de eigen belangen onder het voetlicht te brengen met als inzet dat de invloed die deze stakeholder heeft ten goede komt van de strategische koers van Den Haag.

- Bij een hoge invloed en hoog belang is het sterk aan te bevelen de stakeholders nauw betrokken te houden en goed samen te werken, zowel qua de communicatie als het adresseren van verwachtingen, Figuur 11: Belang/invloed-matrix met de positionering van voorname stakeholders behoeften en zorgen. Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 23 van 49

Per stakeholder zetten we uiteen op welke wijze ze gepositioneerd zijn in het speelveld en hoe de gemeente Den Haag rekening te houden heeft met de belangen van deze partijen in haar rolnemingskeuze. Bestaande warmtebedrijven. Er zijn meerdere warmtebedrijven actief in de gemeente Den Haag, waaronder Eneco, Eteck en Essent-Heijmans (Trekvliet B.V.). Deze partijen zijn zowel belangrijk als invloedrijk, gezien hun huidige positie in de stad en het feit dat ze potentiële samenwerkingspartners zijn die kennis, kunde, kapitaal en capaciteit kunnen inbrengen in publiek integrale warmtebedrijven. Daarnaast zijn de bestaande warmtebedrijven op dit moment de drijvende kracht achter de warmtetransitie in de stad, zowel voor het realiseren van nieuwe aansluitingen als voor het ontwikkelen van voldoende afzet om de ontwikkeling van duurzame lokale bronnen mogelijk te maken. Hun bestaande warmtenetten vallen na inwerkingtreden van de Wcw onder het overgangsrecht, wat hun positie in Den Haag voor de komende 14-30 jaar borgt. Potentieel zijn deze partijen voor de gemeente een belangrijke en invloedrijke samenwerkingspartner. Netwerkbedrijf - Stedin. Het netwerkbedrijf actief in de gemeente Den Haag is Stedin. De gemeente Den Haag is tevens één van de grootste aandeelhouders van Stedin – samen met het Rijk en de gemeente Rotterdam.

Netwerkbedrijven zijn belangrijke potentiële partners binnen een publiek integraal warmtebedrijf. Wanneer het opheffen van het groepsverbod voor warmte doorgaat na inwerkingtreden van de Wcw mogen netwerkbedrijven zowel verantwoordelijk zijn voor het netbeheer als de levering van warmte. Hierdoor oriënteren veel netwerkbedrijven zich op de warmtemarkt. Netverder, de dochteronderneming van Stedin die zich bezighoudt met energie-infrastructuren anders dan aardgas en elektriciteit, is een kandidaat voor participatie in een gemeentelijk warmtebedrijf. Zij geven aan de voorkeur te hebben om een samenwerking aan te gaan met de gemeente en mogelijk de nationale deelneming, maar zijn ook bereid om volledig zelfstandig het warmtebedrijf te opereren – waarbij de gemeente reeds via de aandeelhouderslijn in Stedin mede-eigenaar is. Woningcorporaties. Woningcorporaties spelen een grote rol in het versnellen van de ontwikkeling van warmtenetten, omdat zij relatief grote woningaantallen vertegenwoordigen en voor grote afzet van warmte kunnen zorgen. Zij vormen daarmee een belangrijke katalysator in de ontwikkeling van warmtenetten voor de gemeente. Woningcorporaties zijn wettelijk gebonden aan de kerntaken die gericht zijn op hun doelgroep; de huurders van hun vastgoed. Daardoor participeren zij waarschijnlijk niet op aandeelhoudersniveau in een warmtebedrijf.

Zij hebben de verplichting om te verduurzamen, wat een prikkel vormt om te investeren in aardgasvrije woningen. In een stad als Den Haag zijn collectieve warmtevoorzieningen hiervoor maatschappelijk de meest betaalbare optie. Woningcorporaties hebben hierdoor belang bij een model dat leidt tot versnelling en zijn als voorname potentiële klanten invloedrijk in het haalbaar maken van de businesscase voor het publiek integrale warmtebedrijf. Bewoners en bedrijven. De gemeente Den Haag werkt ten dienste van het publieke en algemene belang van de bewoners en bedrijven in de stad. Zij investeert in de warmtetransitie om ervoor te zorgen dat de bewoners en bedrijven in de toekomst kunnen genieten van een betaalbare en duurzame energievoorziening. Bewoners en bedrijven bewegen om aan te sluiten op een warmtenet vraagt maatschappelijk draagvlak voor deze stap. Het goed vertegenwoordigen van het maatschappelijk belang binnen een warmtebedrijf (bijvoorbeeld door een gemeente), vergroot het draagvlak. Ze hebben belang bij een betaalbaar, duurzaam en toekomstbestendig energiesysteem – en daarmee bij een samenwerkingsmodel dat leidt tot versnelling van de transitie. Zij hebben indirect invloed op politieke keuzes via de volksvertegenwoordigers en daarnaast meer direct via participatie en bewonersinitiatieven. Geothermieontwikkelaars.

De aardlagen onder Den Haag hebben veel potentie voor aardwarmte. Er is reeds een bestaande geothermiebron (Haagse Aardwarmte Leyweg) ontwikkeld, die via een warmtenet levert aan 2000 woningen. Tevens lopen er twee opsporingsgebieden binnen Den Haag waarbinnen ze realisatiemogelijkheden Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 24 van 49

onderzoeken, waaronder op het De Constant Rebecqueplein. De geothermieontwikkelaars hebben belang bij het versnellen van de warmtevraagontwikkeling, omdat voor het aanhouden van die vergunning en subsidiebeschikking zij snel tot een investeringsbeslissing moeten komen. Ze hebben hier langjarige zekerheid van afzet voor nodig. De geothermieontwikkelaars zijn een toekomstige leverancier van de warmtebedrijven in de stad en hebben daarom zowel belang bij als invloed op de vormgeving en bedrijfsvoering ervan. Uniper. De Unipercentrale op het De Constant Rebecqueplein is momenteel de voornaamste warmtebron van het bestaande warmtenet en speelt in de toekomst waarschijnlijk een belangrijke rol in het warmtesysteem – onder meer door toevoeging van nieuwe bronnen als aquathermie en geothermie. Als producent van warmte heeft Uniper belang bij het versnellen van de warmtevraagontwikkeling om investeringszekerheid te krijgen voor de ontwikkeling van nieuwe bronnen. Uniper heeft belang bij een stabiele en professioneel ingericht publiek warmtebedrijf waarmee zij langjarige contracten kan sluiten voor de levering van warmte. Daarnaast is Uniper degene die het warmtenet van Eneco aanstuurt. Daarmee heeft Uniper belangrijke expertise. GasUnie.

GasUnie is de warmtetransportnetbeheerder die de Minister als verantwoordelijke partij aanwees voor de realisatie en exploitatie van WarmelinQ (hierna: WLQ). GasUnie legt WLQ aan als de regionale warmtetransportleiding vanuit het havengebied in Rotterdam naar ander gebieden in Zuid-Holland. De bron bestaat in eerste instantie uit restwarmte uit het havengebied, maar kan op termijn ook warmte uit geothermie gaan bevatten. WLQ transporteert in de toekomst de warmte van diverse bronnen naar afzetlocaties, waaronder de gebouwde omgeving en tuinbouw. Warmtebedrijven langs het tracé kunnen aantakken op het transportnet en zodoende deze warmte afnemen. Zij kopen de warmte in bij de bron, betalen aan WLQ een transport(capaciteits)vergoeding en regelen zelf de levering. Het huidige tracé loopt van de Rotterdamse haven via Vlaardingen naar Den Haag. Op de planning staat de verbinding van Rijswijk naar Leiden en onderzoek naar aftakkingen, bijvoorbeeld richting Westland en Oostland. GasUnie is een invloedrijke en belanghebbende speler omdat zij warmtebedrijven in Den Haag toegang verschaft tot warmtebronnen en haar eigen businesscase afhankelijk is van de capaciteit die zij verkoopt.

GasUnie heeft zodoende een belang bij het versnellen van de warmtevraagontwikkeling en de inrichting van een publiek integraal warmtebedrijf waarmee zij langjarige contracten kan sluiten voor het leveren van transportcapaciteit. EBN. EBN is het staatsenergiebedrijf dat kandidaat is gemaakt om de rol van nationale deelneming in de warmtetransitie te vervullen bij ingang van de Wcw, om bij te dragen aan de opbouw van de publieke realisatiekracht. Momenteel onderzoekt EBN op verzoek van de Minister wat ervoor nodig is om deze rol te vervullen. Bij aanwijzing – wat kan gebeuren na inwerkingtreden van de Wcw – betekent dit dat EBN lokale en regionale warmtebedrijven kan ondersteunen met de inbreng van kapitaal, kennis en ervaring. Het ministerie voorziet maximaal 40% aandeelhouderschap in integrale warmtebedrijven voor EBN, wat betekent dat zij altijd náást andere publieke aandeelhouders zal deelnemen. Om de inzet van EBN effectief vorm te geven lijkt deelnemen in publieke entiteiten op regionaal niveau logisch – dit is voor hen een effectief aansturingsmodel om gebundeld kapitaal, kennis en kunde in te brengen. De regionale entiteit kan vervolgens naast een gemeente deelnemen in PIW’s op gemeentelijk niveau. Dit model leidt tot standaardisatie en schaalvoordelen en geeft daarnaast ruimte aan lokale verschillen tussen gemeenten.

Bovendien investeert EBN in geothermiebronnen en heeft daarmee belang bij het versnellen van de warmtevraagontwikkeling. Bronontwikkeling en netontwikkeling kan elkaar hier versterken. EBN is daarmee zowel belangrijk als invloedrijk bij het vormgeven van een Haags warmtebedrijf. EZK. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat formuleert het regeringsbeleid voor de energietransitie, waaronder de Wcw en Wgiw. Ook zet het Ministerie van EZK instrumenten in om de warmtetransitie te versnellen, zoals diverse subsidie instrumenten en in ontwikkeling zijnde instrumenten als de nationale deelneming en het Waarborgfonds. Met deze instrumenten streeft het Ministerie naar het creëren van de Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 25 van 49

condities vanuit het Rijk die versnelling van de warmtetransitie mogelijk maken. Recent heeft EZK het warmtesysteem in Zuid-Holland aangemerkt met Miek-status, wat betekent dat de regio nationale prioritering krijgt en op overheidsimpulsen kan rekenen om de uitrol van een regionaal warmtesysteem te versnellen. Door haar ondersteuning van de publieke realisatiekracht bij gemeenten is zij een belangrijke en invloedrijke speler. Provincie Zuid-Holland. Provincie Zuid-Holland wil versneld van het aardgas af en energie onafhankelijker worden door gebruik van warmtebronnen in de provincie en daarbij bovenlokale warmtenetwerken versnellen en in publieke handen geven. De provincie wil de gemeentelijke regierol in de warmtetransitie versterken en zorgen voor onderlinge verbinding tussen gemeenten. De wettelijke rol van de provincie is beperkt. In de nieuwe Wcw is de verplichting opgenomen dat gemeenten kavelplannen aan de provincie voorleggen die verder strekken dan de gemeentegrens. Bij de aanleg van warmtetransportnetten kan de provincie op verzoek van meerdere gemeenten de ruimtelijke inpassing van het tracé coördineren (MER, PIP en coördinatie gemeentelijke vergunningstraject).

Bij de ontwikkeling van bovenlokale warmtenetten werkt de provincie mee in relevante samenwerkingsverbanden, in RES-verband en in overeenkomsten zoals Convenanten, Letters of Intent en (versnellings-)programma’s. Deze inzet richt zich op kennis en kunde, verkenningen, coördinatie en procesondersteuning van samenwerkende gemeenten en partijen. De provincie verkent de mogelijkheden van directe deelneming in warmtebedrijven. Eind 2024 vindt hierover besluitvorming plaats. Buurgemeenten. Buurgemeenten met potentieel kansrijke warmtesystemen omringen de gemeente Den Haag, zoals Rijswijk, Leidschendam-Voorburg en Pijnacker-Nootdorp. Samenwerking met deze buurgemeenten biedt een kans om regionale energiesystemen te ontwikkelen die bronnen optimaal benutten, warmte te verdelen en kostenefficiënt zijn. Tevens zijn er vele gemeenten die ook transportcapaciteit van WLQ gaan afnemen of overwegen dit te doen. De afzet van WLQ is afhankelijk van welke warmtebedrijven als eerste de capaciteit hiervan inkopen, daarmee is het van belang dat als Den Haag deze warmte grootschalig wil afnemen, zij hierin een proactieve rol aanneemt en anticipeert op wat andere gemeenten gaan doen. Buurtinitiatieven.

Lokale buurtinitiatieven kunnen de energietransitie sterk versnellen, zowel door het creëren van sociale cohesie en draagvlak in de wijk, als in het meest vergaande geval door het zelf opzetten van een warmtevoorziening. De Wcw biedt ruimte aan buurtinitiatieven om zich te organiseren als warmtegemeenschap om een warmtekavel te (blijven) voorzien van warmte. Bij kleine initiatieven (met minder dan 1500 aansluitingen) mogen zij een ontheffing aanvragen van de verplichtingen uit de Wcw om warmte te kunnen (blijven) leveren. Het is denkbaar dat buurtinitiatieven op lange termijn doorgroeien naar bovenlokale energiesystemen door middel van opschaling. Om buurtinitiatieven te faciliteren en stimuleren, dient de gemeente hierop een visie te ontwikkelen en dit mee te nemen in haar rolnemingskeuze. In Hoofdstuk 5 gaan wij dieper in op de mogelijke vormen waarop de gemeente de samenwerking met buurtinitiatieven vormgeeft. RES Rotterdam-Den Haag. De RES is een samenwerkingsverband dat fungeert als platform om kennis uit te wisselen en samen te werken op het gebied van bronnenstrategie, infrastructuur en warmteverdeling. De RES RDH is de meest omvangrijke in Zuid-Holland met 23 gemeenten, inclusief de Regio Oostland (Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp) en Westland (Midden-Delfland).

Zij heeft enige invloed vanwege het opstellen van de regionale energiestrategieën en regionale structuur warmte hierin, waar de gemeente Den Haag onderdeel van is. De RES is echter geen entiteit die participeert in een warmtebedrijf. G4-gemeenten. De G4-gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) hebben grote invloed op en betrokkenheid bij warmtenetwerken. Voor de gemeente Den Haag is vooral de regionale samenwerking met Rotterdam invloedrijk, met het oog op de ontwikkeling van een regionale warmtestructuur, de ontwikkeling van Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 26 van 49

geothermiebronnen en de afname van WLQ-restwarmte. Samenwerking met Amsterdam en Utrecht is vooral zinvol op het gebied van Best Practices delen. Het speelveld van relevante stakeholders die van belang zijn voor en invloed hebben op de rolnemingskeuze van de gemeente Den Haag is breed, zoals geschetst in dit hoofdstuk. Den Haag heeft zich tot deze partijen te verhouden. In het volgende hoofdstuk verdiepen we op mogelijke routes die uit het speelveld ontstaan.

Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 27 van 49

4. Mogelijke uitwerkingen van de publieke route in de praktijk

De theoretische hoofdmodellen van een publiek integraal warmtebedrijf (PIW) kennen uitwerkingen in de praktijk. Op diverse plekken in Nederland zijn voorbeelden van warmtebedrijven die reeds in publieke handen zijn – zoals HVC, Warmtestad Groningen en Stadswarmte Purmerend – en in ontwikkeling zijnde modellen die aansluiten (of in aansluiting komen) op de kaders van de Wcw, zoals het Gelders Warmte Infrabedrijf, het in oprichting zijnde publieke warmtebedrijf in Nijmegen en Aardwarmte Rijnland. Voor Den Haag zijn diverse uitwerkingen denkbaar die vanuit het speelveld van stakeholders ontstaan. Dit zijn de volgende route: Uitwerking van model 1A/2A met publiek netwerkbedrijf Stedin, mogelijk i.s.m. de nationale deelneming De gemeente Den Haag is één van de grootste aandeelhouders van Stedin – het publieke netwerkbedrijf dat de gas- en elektranetten beheert en exploiteert in de stad. Netverder is de dochteronderneming van Stedin die zich richt op publieke netwerken die niet in deze categorie vallen – zoals warmte. Op dit moment geldt nog het groepsverbod voor Stedin, wat inhoudt dat zij zich enkel mag richten op de rol van netbeheerder en niet leverancier. Dit kwam tot stand bij de splitsing van netbeheer en levering voor gas- en elektra, waar gekozen is voor een gesplitst marktmodel.

Voor warmte is in de Wcw juist gekozen voor een integraal marktmodel – een integraal warmtebedrijf dat verantwoordelijk is voor zowel distributie als levering. De Wcw heft specifiek voor warmte het groepsverbod voor de publieke netwerkbedrijven op, zodat deze netwerkbedrijven in staat zijn de rol van integraal warmtebedrijf in te vullen. Stedin werkt aan een strategie voor de warmtetransitie na inwerkingtreden van de Wcw – wat nog ter besluitvorming voorligt bij haar aandeelhouders. Een waarschijnlijke uitkomst is dat de aandeelhouders van Stedin besluiten hier een grote rol in te nemen, waarmee zij een serieuze kandidaat vormt om de publieke realisatiekracht vorm te geven. Een route met netwerkbedrijf Stedin heeft twee mogelijke vormen: - Via de bestaande aandeelhoudersroute. In deze variant wordt géén nieuw warmtebedrijf opgericht, maar wijst de gemeente Den Haag Netverder aan als het publiek integrale warmtebedrijf dat dan volledig verantwoordelijk is voor de warmtetransitie in Den Haag. De gemeente krijgt geen directe sturing als aandeelhouder van het warmtebedrijf, maar indirect inspraak via het bestaande minderheidsbelang in Stedin. Netverder kan ervoor kiezen om in Den Haag met andere (publieke) partners – zoals EBN als nationale deelneming warmte – samen te werken, waar de gemeente beperkt inspraak in heeft.

- Via een nieuw op te richten publiek integraal warmtebedrijf, waarin minimaal de gemeente Den Haag en Stedin aandeelhouder zijn. Het nieuw opgerichte warmtebedrijf kan vervolgens de uitvoering inbesteden aan Netverder. In deze variant kan de gemeente haar aandeelhouderschap – en daarmee zeggenschap – vergroten ten opzichte van de eerste variant. Ook heeft zij meer inspraak over welke andere potentiële partners aansluiten als aandeelhouders van het warmtebedrijf, zoals de nationale deelneming of lokale energiecoöperaties. In deze route ligt het minder voor de hand om samen te werken met een privaat warmtebedrijf op aandeelhoudersniveau, aangezien Netverder de volledige keten na inwerking treden van de Wcw kan uitvoeren. Een samenwerking met de nationale deelneming is in deze uitwerking goed denkbaar. Beide varianten zijn daarom een uitwerking van model 1A of 2A. Wanneer het groepsverbod voor warmte intact blijft is een dergelijke private partner weer wel logisch om deze kennis en kunde in te brengen. Alternatieve uitwerking van model 1A via publiek afvalverwerkingsbedrijf HVC HVC is een publieke uitvoeringsorganisatie die voor diverse gemeenten de afvalverwerking voorziet. Bij deze afvalverwerking komt warmte vrij, dus het benutten van deze warmte restwarmte voor stadsverwarming zette HVC al snel in als een dienst waarin zij ook voorziet.

Inmiddels groeide warmtevoorziening uit tot een volwaardige bedrijfstak van HVC, waarin zij naast afvalverwerking ook investeert in geothermie als potentiële Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 28 van 49

bron. De rol van warmtebedrijf vervult HVC in diverse gemeenten, waaronder Dordrecht en Alkmaar. HVC voldoet al volledig aan de criteria die de WCW stelt aan een publiek integraal warmtebedrijf– zij kent immers alleen publieke aandeelhouders en ze voert de gehele keten uit van productie tot distributie en levering. Omdat HVC een gemeentelijke uitvoeringsorganisatie is die primair gericht is op afvalverwerking, opereert zij voor warmte enkel in gemeenten die aandeelhouder zijn van HVC en afvalverwerking bij HVC inbesteden. Het afvalverwerkingscontract van Den Haag loopt op enige termijn af, wat een kans biedt om zowel afvalverwerking als de rol van warmtebedrijf bij HVC te beleggen. Dit vraagt mede aandeelhouder worden van HVC. Als de gemeente Den Haag ervoor kiest om aandelen van HVC te kopen en haar afvalverwerking én warmtevoorziening bij haar belegt, is deze route een uitwerking van model 1A. HVC kent immers alleen publieke aandeelhouders – waar Den Haag er dan één van is – en beschikt over een eigen uitvoeringsorganisatie die de activiteiten van het warmtebedrijf uitvoert. In deze route is de gemeente Den Haag samen met andere gemeenten aandeelhouder en heeft zij dus beperkt zeggenschap over de bedrijfsmatige keuzes die HVC maakt.

Uitwerking van model 1B/2B met private partner Eneco In de eerste twee routes zou Den Haag met andere publieke partners vormgeven aan een volledig publiek warmtebedrijf. Een alternatieve route is dat zij kiest voor de koers van publiek-private samenwerking met de grootste partner in de stad: Eneco. Na inwerkingtreden van de Wcw verandert het speelveld in de warmtemarkt, doordat warmtebedrijven op termijn niet meer volledig privaat mogen zijn. De bestaande warmtebedrijven die dat wél zijn hebben hier hun koers op te bepalen. Hier zijn enkele richtingen in denkbaar: - Private warmtebedrijven kiezen ervoor hun bestaande assets zo lang als mogelijk door te exploiteren, tot het onvermijdelijke moment van overdracht na verlopen van alle aanwijstermijn die tot stand zijn gekomen in het kader van het overgangsrecht. - Private warmtebedrijven kiezen ervoor om hun warmtenetten te verkopen en zich te richten op dienstverlening, ontwikkeling en exploitatie van bronnen of volledig de warmtesector te verlaten. - Private warmtebedrijven kiezen ervoor om publiek-private samenwerkingen aan te gaan die passen binnen het kader van de Wcw, zoals één van de modellen beschreven in Hoofdstuk 2. De laatste optie vraagt van de gemeente Den Haag om deel te nemen in Eneco, danwel een nieuwe gezamenlijke entiteit op te richten.

Model 1B ligt hierin het meest voor de hand: Eneco bevat de kennis, kunde en expertise die nodig is om warmtenetten te realiseren. Om de warmtetransitie te versnellen is een uitwerking van model 1B denkbaar om versneld de publieke realisatiekracht op te bouwen. De slagingskans van dit model is afhankelijk van de bereidheid van Eneco om in een minderheidsaandeel samen te werken. Duidelijkheid over welke koers de private warmtebedrijven gaan kiezen hierin hangt samen met de inwerkingtreding van de Wcw. Potentiële publieke partners voor een dergelijke route zijn wederom netwerkbedrijf Stedin, de nationale deelneming (wanneer deze EZK deze aanwijst), drinkwaterbedrijf Dunea, lokale energiecoöperaties en eventueel buurgemeenten of de Provincie. Uitwerking van een publieke entiteit op nationaal/regionaal/provinciaal niveau Zoals beschreven in Hoofdstuk 3 zijn de Provincie Zuid-Holland en diverse buurgemeenten hun publieke rol aan het onderzoeken. Hetzelfde geldt voor spelers op nationaal niveau, waaronder de nationale deelneming warmte. Een mogelijke uitkomst van deze verkenningen is dat een publieke entiteit op nationaal, regionaal of provinciaal niveau vorm krijgt, waar Den Haag in kan deelnemen of die deelneemt in een Haagse entiteit.

Deze ontwikkelingen zijn op het moment van schrijven niet concreet, wat betekent dat Den Haag een rol kan spelen om een dergelijke entiteit vorm te geven door hier zelf een uitgangspunt of wenselijke koers in te formuleren. Ook in deze route liggen de beschreven hoofdmodellen nog open.

Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 29 van 49

Het vraagt verdieping door de gemeente en afstemming met de relevante stakeholders om tot scherpere uitwerking van deze mogelijkheden te komen.

5. Op welke wijze kan een Haags warmtebedrijf zich verhouden tot lokale buurtinitiatieven?

Den Haag kent vele buurtinitiatieven waarin bewoners en lokale bedrijven zich organiseren om samen te werken aan de energietransitie in hun buurt of wijk. Enkele voorbeelden zijn de initiatieven Vruchtenbuurt, Mariahoeve, De Groene Regentes en Statenkwartier. Deze initiatieven dragen bij aan het opbouwen van sociale cohesie en verbinding in de stad, bewustwording over de energietransitie, duurzaamheidsadvies aan bewoners, visievorming en draagvlak voor een overstap naar alternatieven voor aardgas en daadwerkelijke realisatie van projecten – zoals collectieve inkoop, zonneprojecten en meer. In haar rolnemingskeuze ten aanzien van publieke warmtebedrijven heeft de gemeente Den Haag zich te verhouden tot deze lokale initiatieven om tot een effectieve en constructieve samenwerking te komen die stimulerend werkt voor deze initiatieven in de stad. Dit behoeft maatwerk, omdat ieder initiatief haar eigen kenmerken heeft en wellicht andere wensen heeft ten aanzien van samenwerking met de gemeente. Dit hoofdstuk verdiept in de wijzen waarop de gemeente Den Haag rekening kan houden met deze belangrijke stakeholders in de stad.

Wij zien hierbij de volgende mogelijkheden, die we hierna in meer detail toelichten: - Buurtinitiatieven als medeaandeelhouder in het publiek integrale warmtebedrijf; - Buurtinitiatieven die een warmtegemeenschap vormen, waar de gemeente ook lid van is; - Buurtinitiatieven krijgen een rol in de governance van het warmtebedrijf, zonder financieel belang; - Buurtinitiatieven verstrekken financiering aan het warmtebedrijf; - Buurtinitiatieven als ontwikkelaar en exploitant van duurzame warmtebronnen; - Buurtinitiatieven ontwikkelen hun eigen warmtenetten en vragen hier een ontheffing voor aan. Buurtinitiatieven als mede aandeelhouder in het publiek integrale warmtebedrijf Lokale buurtinitiatieven mogen – wanneer de overige aandeelhouders hiermee instemmen – mede aandeelhouder worden in een van de varianten van een publiek integraal warmtebedrijf. Ervan uitgaande dat er in Den Haag één en niet meerdere publieke warmtebedrijven komen, lijkt een denkbare route dat de lokale buurtinitiatieven zich verenigen in één coöperatie, die namens alle buurtinitiatieven aandeelhouder wordt. De mate van aandeelhouderschap hangt af van een balans tussen gewenste zeggenschap, versus het (financieel) risico dat de coöperatie bereid is te nemen namens haar leden.

Hierbij gelden de volgende overwegingen: Vooraf moet duidelijk zijn wat buurtinitiatieven willen bereiken met aandeelhouderschap in het PIW. Betreft dit het verkrijgen van transparantie over de werkwijzen van het warmtebedrijf – bijvoorbeeld in de totstandkoming van tarieven en rendementen? Of gaat het juist om medezeggenschap in investerings- en/of andere bedrijfsmatige beslissingen? Dit bepaalt de mate en vorm waarin medeaandeelhouderschap van buurtinitiatieven kan krijgen. Een belangrijke voorwaarde van de overige aandeelhouders zal zijn dat het bedrijf stuurbaar blijft. Omdat lokale buurtinitiatieven – ook wanneer coöperatief georganiseerd – niet gelden als publieke instantie, mag het aandeel wettelijk nooit meer zijn dan wat een private aandeelhouder kan verwerven: 50% minus één aandeel. Gezien de omvang van investeringen die het PIW in Den Haag te maken heeft – honderden miljoenen – lijkt het logisch dat in een dergelijk model het aandeel van lokale buurtinitiatieven beperkt is tot een klein aandeel. De coöperatie beschermt hiermee in zekere mate de leden voor financiële risico’s.

Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 30 van 49

Buurtinitiatieven die een warmtegemeenschap vormen, waar de gemeente ook lid van is De omgekeerde variant is ook mogelijk, waarbij er géén warmtebedrijf komt, maar juist een Haagse warmtegemeenschap. Hier is, naast de lokale buurtinitiatieven, ook de gemeente lid van. Deze variant gaat uit van de kracht van een coöperatieve aanpak, maar kent ook een aantal aandachtspunten: - De warmtegemeenschap dient de ACM-toets te doorstaan, waarmee zij aan te tonen heeft dat ze organisatorisch, financieel, technisch en operationeel in staat is om het warmtenet waarvoor zij de aanwijzing krijgt te realiseren en exploiteren. De warmtegemeenschap krijgt zodoende dezelfde verplichtingen als een warmtebedrijf. De verplichting tot meerderheidsaandeel publiek eigendom vervalt echter bij een warmtegemeenschap; - Het is onwaarschijnlijk dat andere publieke of private partijen bereid zijn om risicodragend in een warmtegemeenschap te stappen als ze als alternatief hebben om in een aandeel te nemen in een warmtebedrijf. Het grote verschil hiertussen is de mogelijkheid om winst te maken wat in een warmtegemeenschap wettelijk niet mag. Dit vormt een struikelblok voor partners – zowel publiek als privaat – die wel degelijk een rendement nastreven; - Ook hier geldt dat de gemeente een balans moet vinden tussen zeggenschap en financieel risico.

Er ontstaat een gedeeld belang om te sturen op een gezonde bedrijfsvoering van de warmtegemeenschap om het financieel risico van de leden te beperken. Zij dragen immers de aansprakelijkheid voor het deel waarvoor zij lid zijn. Tegelijkertijd doet de warmtegemeenschap grote investeringen. Door dit spanningsveld lijkt ook in dit model de waarschijnlijke uitkomst dat de buurtinitiatieven in beperkte mate financieel bijdragen. Buurtinitiatieven krijgen een rol in de governance van het warmtebedrijf, zonder financieel belang Een variant waarbij aandeelhouders buurtinitiatieven betrekken bij de governance van het publiek integrale warmtebedrijf, zonder dat de buurtinitiatieven een officiële aandeelhoudersrol vervullen, is in de vorm van een rol in een Raad van Advies. De Raad van Advies is een orgaan dat aandeelhouders, indien gewenst, bij oprichting inrichten om de plannen en strategie van de directie te klankborden bij personen of stakeholders die vanuit een onafhankelijke positie hierop reflecteren. Buurtinitiatieven nemen hier dan zitting in. De Raad van Advies heeft geen formele zeggenschap binnen de sturingslijn van het warmtebedrijf, maar vormt wel een belangrijke brug tussen het warmtebedrijf en het bredere maatschappelijke speelveld in Den Haag.

Via een rol in de Raad van Advies krijgen buurtinitiatieven inzicht in de plannen en de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf en agenderen zij via dit platform de belangen van de bewoners die zij vertegenwoordigen. Buurtinitiatieven verstrekken financiering aan het warmtebedrijf Voor zon- en windprojecten is het inmiddels gebruikelijk dat lokale bewoners – al dan niet in coöperatief verband – de mogelijkheid krijgen om mee te investeren. Dit gebeurt in de vorm van uitgifte van obligaties door het warmtebedrijf of door het aangaan van een achtergestelde lening, waarbij beide instrumenten via crowdfunding tot stand komen. Een gebruikelijke projectfinanciering voor zon- en windprojecten betreft 80%90% vreemd vermogen via een banklening, aangevuld met 5%-10% vreemd vermogen in de vorm van obligaties/achtergestelde leningen en 5%-10% eigen vermogen. Met de introductie van het Waarborgfonds, dat een 80%-90% gearing voor warmtenetprojecten mogelijk maakt, is een soortgelijke opbouw van de financieringsstructuur denkbaar. Het nadeel van dit soort achtergestelde leningen is dat de rentevergoeding relatief hoog is, wat een verhogend effect heeft op de WACC. Het kan een bewuste keuze zijn om via deze route lokale financiering mogelijk te maken.

Buurtinitiatieven als ontwikkelaar en exploitant van duurzame warmtebronnen De wens om lokale bronnen in te zetten in Den Haag is veel genoemd, zowel vanuit de lokale politiek als vanuit bewonersinitiatieven. Buurtinitiatieven kunnen zelf gehoor geven hieraan door deze bronnen te ontwikkelen en aan het warmtebedrijf aan te bieden als onderdeel van de bronnenmix. Het ontwikkelen en realiseren van Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 31 van 49

warmtebronnen valt immers buiten de wettelijke taken van een publiek integraal warmtebedrijf. Het PIW kan dus goed bij diverse bronnen haar warmte inkopen – voor het borgen van leveringszekerheid en de robuustheid van het warmtenet is dit zelfs een logische strategische keuze. Niets staat buurtinitiatieven in de weg om op dit onderdeel van de warmteketen activiteiten te ontplooien. Een dergelijke rol is energiecoöperaties ook niet vreemd: bij zon- en windprojecten is hier inmiddels ruime ervaring mee opgedaan in Nederland. Het PIW zal echter op voorhand niet kunnen garanderen dat zij deze warmte ook daadwerkelijk afneemt – dit is afhankelijk van de toegevoegde waarde van deze bronnen binnen de totale bronnenmix en mogelijke contractuele afspraken die het PIW aangaat bij andere bronnen. Een lokale bron, ontwikkeld door buurtinitiatieven, moet zodoende concurreren met overige beschikbare bronnen voor het PIW. Buurtinitiatieven ontplooien hun eigen lokale warmtenetten en vragen hier een ontheffing voor aan Een variant waarbij twee werelden naast elkaar bestaan is er één waarbij lokale buurtinitiatieven hun eigen warmtenetten ontwikkelen en hier bij de gemeente een ontheffing voor aanvragen. In deze situatie bestaat er geen ‘samenwerking’ tussen het publiek integrale warmtebedrijf en de warmtegemeenschappen die op lokaal niveau vorm krijgen – ze bestaan naast elkaar.

Dit kan een bewuste koers zijn voor gebieden die buiten de warmtekavel van het PIW vallen, maar waar lokale buurtinitiatieven desalniettemin graag een warmtenet realiseren. Aandachtspunten bij deze route hebben met name betrekking op de voorwaarden vanuit de Wcw: - Om een ontheffing te krijgen voor de aanwijsplicht zoals bedoeld in de Wcw mag een dergelijke warmtevoorziening uit maximaal 1.500 WEQ bestaan. - Wanneer het gebied van de beoogde ontheffing in potentie groter is dan die 1.500 WEQ – dient de gemeente dit te beschouwen als een warmtekavel en mag zij geen ontheffing verlenen. - Wanneer het gebied van de beoogde ontheffing binnen een (beoogd) warmtekavel valt én het verstrekken van de ontheffing leidt tot een verslechtering van de leveringszekerheid of kosten efficiëntie van de warmtekavel, mag de gemeente geen ontheffing verlenen. - Wanneer het gebied van de ontheffing op een gegeven moment boven de grens van 1.500 WEQ groeit, dient de gemeente de ontheffing om te zetten in een kavelaanwijzing. Dit geldt ook bij het aan elkaar koppelen van gebieden met een ontheffing waardoor het aantal WEQ deze grens overschrijdt. - In tegenstelling tot een PIW met kavelaanwijzing kan een warmtevoorziening o.b.v. een ontheffing niet aansluiten op een nabijgelegen warmtekavel voor derdentoegang.

De ontheffing geldt enkel voor zelfstandig opererende warmtevoorzieningen onder de genoemde grens van 1.500 WEQ. Bij een dergelijke koppeling beschouwt de wet dit als een ‘de facto’ uitbreiding van de warmtekavel en is het niet toegestaan om een ontheffing te verlenen. Ook wanneer sprake is van een ontheffing, dient de warmtegemeenschap te voldoen aan de wettelijke vereisten vanuit de Wcw. Advies: bepaal een Haags model van samenwerken dat effectief is in co-creatie met lokale buurtinitiatieven De diverse opties die wij hierboven beschreven, sluiten elkaar niet uit en kunnen ook naast elkaar bestaan. Er is zodoende ruimte voor maatwerk. Enkele opties sluiten elkaar echter wel degelijk uit – wanneer de gemeente kiest voor één groot warmtekavel waar één Haags warmtebedrijf in opereert, beperkt dit het aantal opties om de samenwerking per buurtinitiatief op een andere wijze vorm te geven. Omgekeerd is het organiseren van 20 Haagse warmtebedrijfjes met diverse inrichtingsvormen een ineffectieve route. Ons advies is daarom om in participatie met de lokale buurtinitiatieven tot een Haags model van effectieve samenwerking te komen – aansluitend bij zowel uitgangspunten van de initiatieven als van de gemeente en andere potentiële partners.

Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 32 van 49

6. De financiële impact van publieke rolneming: financiering en het creëren van investeringscondities

Publiek eigenaarschap van warmtenetten vraagt om publieke financiering van de investeringen in deze warmtenetten. Een veelgehoorde stelling is dat publieke financiering bijdraagt aan het verbeteren van de businesscase. Een andere is dat een publiek warmtebedrijf meer risico kan nemen en desnoods verlieslijdend kan zijn om betaalbaarheid voor bewoners te verzekeren. Maar kloppen deze beelden wel? En is het publiek financieren van warmtebedrijven voldoende om de businesscase rond te krijgen, of is daar meer voor nodig?

In dit hoofdstuk verdiepen we op de financiële kant van gemeentelijke rolneming, met daarin drie onderdelen: - Wat is de impact van publieke financiering op de businesscase van het warmtebedrijf? - Welke risico’s zijn niet op te lossen door gemeentelijke deelname in een warmtebedrijf en heeft de gemeente daarom te mitigeren door het creëren van investeringscondities? - Wat is de financiële opgave voor Den Haag voor zowel deelnemen in het warmtebedrijf als het creëren van de noodzakelijke investeringscondities?

Publieke financiering van warmtenetten verbetert de businesscase, maar lost de onrendabele top niet op. Een veelgemaakte assumptie in het publieke debat is dat warmte goedkoper kan door warmtenetten publiek te financieren. Publieke instanties kunnen immers goedkoper geld lenen en hoeven geen rendement te maken, is daarbij de gedachte. Dit is echter slechts een deel van de waarheid. Hieronder beschrijven we vijf punten waarom dit niet per definitie zo is: - Het Waarborgfonds, dat moet leiden tot een lagere kapitaallast voor vreemd vermogen, is inzetbaar voor alle warmtebedrijven die voldoen aan de Wcw – dus ook private warmtebedrijven die in het kader van het overgangsrecht mogen investeren in warmtenetten. Als dit instrument beschikbaar komt, is een verhouding van 80%-90% vreemd vermogen ten opzichte van 10%-20% eigen vermogen mogelijk. Een potentieel verschil tussen de kapitaalkosten van private financiering en publieke financiering zit dan enkel in de vermogenskostenvoet van de 10%-20% ingebracht eigen vermogen. Een publieke partij kan hier geen rendement van 0% rekenen, omdat zij ook organisatiekosten dient te dekken én een risicoopslag noodzakelijk is voor een gezonde bedrijfsvoering.

Het verschil tussen vermogenskostenvoet van private en publieke ingebracht eigen vermogen verschilt niet meer dan enkele procentpunten – wat bij de hoge vreemd vermogensinbreng resulteert in enkele tienden procentpunt verschil in de WACC. - Een alternatieve route vanuit de gemeente is om op concernniveau financiering aan te trekken. Door het lage risicoprofiel van een gemeente, is de risico-opslag ten opzichte van de risicovrije kapitaalrente beperkt en mogelijk lager dan wat haalbaar is met het Waarborgfonds. Deze route kan daardoor leiden tot 1%-2% lagere rente bij financiering door de gemeente, wat een positief effect heeft op de businesscase. Deze vorm van financiering doet echter een aanslag op het weerstandsvermogen van de gemeente. De inzet van beschikbare financieringsruimte van Den Haag voor investeringen in warmtenetten dient zij zodoende af te wegen tegen andere publiek te financieren opgaven. - Een bank verstrekt geen lening voor een investering die niet terug te verdienen is uit toekomstige kasstromen. De ‘onrendabele top’ is daarom per definitie niet financierbaar en alleen 1) subsidies en 2) eenmalige aansluitbijdragen door eindgebruikers die aansluiten, dekken dit.

De financiële eisen van financiers over de bedrijfsmatige gezondheid van het warmtebedrijf vormen bovendien een beperkende factor voor hoe laag het rendement is dat publieke aandeelhouders kunnen hanteren. Financiers beoordelen de DSCR (Debt Service Coverage Ratio) van een investering en eisen hier een gezonde ratio tussen inkomende kasstromen en de financieringslasten op vreemd vermogen. De bank Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 33 van 49

wil immers zeker weten dat de klant altijd aan haar rente- en aflossingsverplichtingen kan voldoen. Het warmtebedrijf moet zodoende een beperkte winst halen om het project überhaupt financierbaar te maken. Ook wanneer dit warmtebedrijf publiek is. - Als laatste geldt dat een publiek warmtebedrijf kennis en kunde op te bouwen heeft. Inherent gaan hier inefficiënties mee gepaard. Dit “leergeld” doet (een deel van) het positieve effect van de lagere rendementseis teniet. Kortom: het publiek financieren van warmtenetten kan leiden tot een beperkt lagere rendementseis en heeft daarmee een positief effect op de businesscase. Dit draagt bij aan het optimaliseren van maatschappelijke investeringen en verlaagt hierdoor de kosten van aanvullende maatregelen om tot een aantrekkelijk aanbod te komen, maar is op zichzelf geen oplossing voor de onrendabele top. Daar is meer voor nodig.

Het oplossen van de onrendabele top vraagt om het creëren van investeringscondities en mitigeren van risico’s. Hier heeft de gemeente een rol, naast eventueel deelnemen in een publiek integraal warmtebedrijf. Warmtenetten kenmerken zich als een laag-renderende energievoorziening met hoog risicoprofiel. De onrendabele top van warmtenetten, die leidt tot hoge aansluitkosten voor bewoners, maakt bovendien dat een overstap (voorlopig) financieel niet aantrekkelijker is dan aardgas blijven gebruiken – ook wanneer een warmtenet op de lange termijn de laagste maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Dit leidt tot onzekerheid voor een warmtebedrijf dat wil investeren in nieuwe netten: gaan voldoende afnemers aansluiten om het net (op lange termijn) rendabel te maken? In dit speelveld zijn de investeringscondities te creëren om tot een versnelling van de warmtetransitie te komen. In dit onderdeel verdiepen we op maatregelen die gevraagd zijn om twee voorname risico’s in de businesscase van een warmtenet te beperken en daarmee de juiste investeringscondities te creëren: 1) toekomstgericht dimensioneren en 2) het vollooprisico. Deze risico’s definiëren we als volgt: - Het risico van toekomstgericht dimensioneren.

Met toekomstgericht dimensioneren bedoelen wij: het investeren in voorzieningen die voor de voorliggende scope niet noodzakelijk zijn, maar gericht zijn op toekomstige uitbreidingen. - Het vollooprisico. Het vollooprisico is het voornaamste risico van een warmtebedrijf dat investeert in een nieuw warmtenet in de bestaande omgeving. Kort gezegd, betekent dit dat het aantal aansluitingen achterblijft bij de prognose waarop het investeringsbesluit is genomen, waardoor het warmtebedrijf de investeringen in het warmtenet niet meer kan terugverdienen. Hierna werken we voor de diverse rolnemingsopties uit hoe de gemeente deze investeringsrisico’s beperkt. Het risico van toekomstgericht dimensioneren neemt het warmtebedrijf nu zelf of een publieke partij Toekomstgericht dimensioneren van leidingen is gebruikelijk bij warmtenetten wanneer perspectief is op toekomstige uitbreidingen. Het beperken van het financiële risico hierbij gebeurt op twee manieren: - Wanneer een warmtebedrijf zelf toekomstgericht dimensioneren beoordeelt als noodzakelijk of kansrijk om toekomstige uitbreidingen mogelijk te maken, kan het warmtebedrijf uit eigen beweging ervoor kiezen dit risico te nemen. - Wanneer een (publieke) opdrachtgever of concessieverlener de wens/eis tot toekomstgericht dimensioneren oplegt, vraagt het warmtebedrijf hier vaak een vorm van garantstelling of voorfinanciering voor.

Iedere rolnemingsoptie kent eigen afwegingen, maar linksom of rechtsom draagt de gemeente het risico van toekomstgericht dimensioneren – via de financieringsstructuur van het warmtebedrijf, of via garanties Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 34 van 49

Een warmtebedrijf met publiek meerderheidsbelang beperkt op eenzelfde wijze haar risico’s. Wel zien we enkele nuanceverschillen tussen rolnemingsopties en met name de wijze waarop effectieve uitrol te bereiken is: - Wanneer de gemeente 100% aandeelhouder is van het publiek integrale warmtebedrijf, kan zij kaders meegeven aan het warmtebedrijf waarbinnen toekomstgericht dimensioneren toelaatbaar is. - Wanneer het aandeelhouderschap van het warmtebedrijf bestaat uit meerdere publieke en/of private partijen, geldt in theorie dezelfde mogelijkheid om overdimensioneren te financieren vanuit het warmtebedrijf. Dit vraagt echter overeenstemming op aandeelhoudersniveau over de condities waaronder dit kan plaatsvinden. - Het organiseren van de uitvoering van het warmtebedrijf middels een DBMO-contract introduceert een additionele overweging: de contractant draagt het financiële risico van overdimensioneren niet. In alle varianten geldt dus: de gemeente zal het de kosten van toekomstgerichte dimensionering moeten dragen.

Het vollooprisico ondervangt de gemeente op dit moment door voldoende aansluitingen te verzekeren en het resterende deel dat noodzakelijk is voor een investeringsbeslissing te garanderen via een vollooprisicodekking Bij warmtenetprojecten in de bestaande gebouwde omgeving in Nederland waar succesvol is overgegaan tot een positief investeringsbesluit is als volgt omgegaan met het vollooprisico: - In principe geldt voor het warmtebedrijf een investerings ‘hurdle’ – pas bij een bepaald aantal gegarandeerde aansluitingen gaat het warmtebedrijf over tot investeren. - Voor particuliere woningeigenaren kan het warmtebedrijf deur-voor-deur de wijk in om conditionele handtekeningen op te halen. Het wettelijke instrumentarium draagt bij aan het verlagen van het vollooprisico en daarnaast draagt geen enkele andere partij dan de gemeente het restrisico – ongeacht de rolnemingskeuze Ook het vollooprisico is niet opgelost door een meer publieke marktordening. Voor de verschillende rolnemingsopties zien we daarom de volgende impact van gemeentelijke deelname: - Net als met toekomstgericht dimensioneren kan een warmtebedrijf dat 100% in eigendom is van de gemeente ervoor kiezen om een deel van het vollooprisico te accepteren – mits de investeringen van het project financierbaar blijven.

- Wanneer naast de gemeente andere aandeelhouders deelnemen in het publiek integrale warmtebedrijf, geldt ook hier dat de aandeelhouders de kaders moeten stellen over de mate van risico dat het warmtebedrijf bereid is om te nemen bij investeringsbeslissingen. - Het organiseren van de uitvoering van het warmtebedrijf middels een DBMO-contract introduceert een additionele dynamiek. Immers: de contractant krijgt de opdracht het warmtenet aan te leggen, ongeacht het aansluitpercentage. Linksom of rechtsom geldt dus: de gemeente draagt het vollooprisico, anders komt er geen warmtenet. Conclusie: enkel gemeentelijke deelname is onvoldoende om het risico van toekomstgericht dimensioneren en het vollooprisico te mitigeren. Dit vraagt van Den Haag om de noodzakelijke investeringscondities te creëren die ook voor een publiek warmtebedrijf gelden Uit de verdieping in dit hoofdstuk blijkt dat het deelnemen in een (publiek) integraal warmtebedrijf met andere publieke en/of private aandeelhouders niet betekent dat dit warmtebedrijf de genoemde risico’s zomaar kan nemen – dat zou bedrijfsmatig onverantwoord zijn. Als de gemeente volledig eigenaar is, kan zij vanuit het belang dat ze dient om de warmtetransitie te versnellen als aandeelhouder ervoor kiezen om iets meer risico te nemen dan wanneer zij gedeeld eigenaar is, mits de financiële positie van het warmtebedrijf dit toelaat.

Enkel gemeentelijke deelname is echter onvoldoende om de risico’s van toekomstgericht dimensioneren en het vollooprisico volledig te mitigeren. Dit betekent dat, om de warmtetransitie te versnellen, de gemeente Den

Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 35 van 49

Haag de condities te creëren heeft om deze risico’s voor het warmtebedrijf te beperken. Dit kan zij doen door middel van het verstrekken van garanties en, waar noodzakelijk, subsidies aanvullend op de Rijksmiddelen.

Publieke deelname en het creëren van de investeringscondities door de gemeente Den Haag resulteert in een grote en langdurige financieringsopgave Hiervoor concludeerden we dat ongeacht de deelname in het warmtebedrijf de gemeente de investeringscondities op orde te brengen heeft. Dit onderdeel gaat in op de analyse van de financiële opgave voor de gemeente: zowel de investeringsopgave van het warmtebedrijf als de investeringscondities die Den Haag te creëren heeft om deze investeringen mogelijke te maken. Het publieke warmtebedrijf dat in Den Haag de grootschalige warmtenetten gaat realiseren heeft een grote en langdurige financieringsopgave. Als aandeelhouder heeft de gemeente deze investeringen mede te financieren. In een warmtebusinesscase zijn grofweg vier fasen te definiëren. In figuur 6 geven wij deze vier fasen weer aan de hand van afwisselend negatieve kasstromen (rood) en positieve kasstromen (groen). Voor het overzicht zoomen we hier in op de businesscase voor één deelwijk uit de Haagse businesscase. In Bijlage II geven we een meer uitgebreide toelichting op de verschillende facetten hiervan.

Kasstromen toekomend aan gemeente voor deelbusinesscase4b

Investeren Hoge investeringen in infrastructuur voordat klanten warmte afnemen

Positieve kasstroom De laatste aansluiters betalen hun BAK inkomsten dichten de badkuip

Herinvesteringen Nodig om het systeem goed te laten werken maar resulteren niet in meer inkomsten

Inkomsten + restwaarde Inkomsten en de restwaarde van niet afgeschreven assets maken de businesscase sluitend.

Figuur 12: De vier fases van de warmtebusinesscase

De wijken verschillen allemaal in grootte, fasering en investering. Het ‘stapelen’ van alle businesscases per wijk leidt zodoende tot een periode van langer van vijftien jaar dat het warmtebedrijf haar initiële investeringen doet voor het aansluiten van alle gebouwen. Hierdoor overlappen de initiële investeringen voor de laatst aan te leggen warmtenetten met herinvesteringen voor de als eerste gerealiseerde systeemonderdelen met als gevolg een grote en lange badkuip van negatieve kasstromen die het warmtebedrijf te financieren heeft. Een lange periode van negatieve kasstromen klinkt als risicovol, maar is in de realiteit bedrijfsmatig realiseerbaar zolang de onderliggende businesscases - waar het PIW steeds in kleine tranches een investeringsbeslissing voor neemt robuust en financierbaar zijn. Intussen bouwt het warmtebedrijf een forse assetwaarde op in de balans. Als de gemeente aandeelhouder wordt van dit warmtebedrijf heeft zij deze investeringen mede te financieren. De volgende factoren zijn van belang voor het bepalen van de financiële impact voor de gemeente:

Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 36 van 49

-

-

Hefboom/leverage van de financiering van het warmtebedrijf: Uitgaande van het beschikbaar komen van het Waarborgfonds kunnen warmtebedrijven 80%-90% van de investeringsbehoefte financieren met vreemd vermogen tegen relatief gunstige rentepercentages. 10%-20% van de investeringen moet dan vanuit eigen vermogen komen. Aandeelpercentage van de gemeente: Afhankelijk van het aandeel dat de gemeente heeft in het publiek integrale warmtebedrijf, is zij verantwoordelijk voor een groter of kleiner deel van deze financiering. Bij 100% gemeentelijk eigendom resulteert dit dus in het moeten inbrengen van 10% van het eigen vermogen in het warmtebedrijf en draagt zij volledig het risico van de financieringslasten van het vreemd vermogen. De gemeente kan in deze financieringsvraag voorzien middels concernfinanciering met ook daar relatief gunstige rentepercentages tot gevolg. Wanneer de gemeente concernfinanciering aantrekt voor deze opgave heeft dit impact op haar weerstandsvermogen.

Het schalen van aandeelhouderschap leidt tot een veranderende terugverdienpotentie van het gemeentelijk instrumentarium en subsidies. De financieringsopgave van de gemeente bestaat naast het inbrengen van eigen vermogen in het warmtebedrijf ook uit het financieren van het in te zetten instrumentarium en subsidies. In de verdiepende businesscase becijferden we de kosten van de instrumenten die de gemeente inzet en de investeringssubsidie voor particulieren om tot een aantrekkelijk aanbod te komen. Op basis van deze cijfers, plus de financieringsbehoefte van het warmtebedrijf, bepaalden we de totale financieringslast van de gemeente bij een fictieve situatie waarbij de gemeente 100% aandeelhouder is van het warmtebedrijf. Het totaal van de financieringslast geven we weer in figuur 7. Dit leidt tot een minder grillig patroon dan de grafiek hierboven aangezien de financieringslasten zich met leningen beter uitsmeren over de tijd. Dit resulteert in de eerste vijftien jaar voor de grootste financieringslast van €14,5 mln in 2028 en daarna een structurele financieringslast van ca. €6,6 mln1. De tweede vijftien jaar is de financieringslast structureel ca. €9 mln en bouwt die stapsgewijs af tot 0 in 2054 2. Intussen bouwt het warmtebedrijf de assetwaarde van haar nutsvoorziening op, gereflecteerd in de piek aan het einde van de grafiek, die de restwaarde vertegenwoordigt.

Kasstroom gemeente (focus restwaarde)

500.000.000

1

400.000.000 300.000.000 200.000.000 100.000.000 (100.000.000)

Aflossing

Rente

Subsidie

Terugstroom VF

Netto lasten per jaar (3% rente)

Figuur 13: Totaal van de financieringslast van de gemeente

2 De genoemde cijfers zijn onder voorbehoud door veranderingen in o.a. regelgeving ACM, waarborgfonds en WCW en scope

van de businesscase. De cijfers zijn hier ter illustratie opgenomen om een beeld te geven van de impact, op basis van de eerder opgestelde verdiepende businesscase. Adviesrapport Fakton Energy

Pagina 37 van 49

De eigenvermogensvraag en financieringslasten van het warmtebedrijf toekomend aan de gemeente schalen direct mee met het aandeel dat de gemeente neemt. Wanneer naast de gemeente andere partijen aandeelhouder zijn van het publiek integrale warmtebedrijf, verkleint de benodigde inbreng van het eigen vermogen en het deel van de financieringslasten dat toekomt aan de gemeente evenredig met het afnemende aandeel van de gemeente. De financieringsvraag als gevolg het instrumentarium dat de gemeente instelt en de BAK-subsidie die zij beschikbaar stelt, schaalt hier echter niet bij mee. Deze blijven namelijk in dezelfde mate nodig om tot een aantrekkelijk aanbod te komen voor eigenaren en eindgebruikers. Wanneer het warmtebedrijf een positieve exploitatie draait verdient het warmtebedrijf de investeringen in warmtenetten op lange termijn terug. Een groter gemeentelijk aandeel in het warmtebedrijf resulteert er zodoende in dat een groter deel van dit rendement terugvloeit in publieke handen. Hoe groter het gemeentelijk aandeel in het warmtebedrijf, hoe groter het deel dat terugvloeit naar de gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14393686/1