CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS319097 Bijlage 3 - Klimaatonderlegger Zuid-Holland, 2023

Commissie Leefomgeving 12 maart 2025, gemeente Den HaagBij agendapunt: Werkbespreking inzake Haagse verkenning zeespiegelstijging25.883 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Voor de natuur is een robuust systeem essentieel om zich aan te kunnen passen aan klimaatverandering. Goede water- en bodemkwaliteit zijn hiervoor de basis, maar zijn in relatie tot onder andere de landbouw geen vanzelfsprekendheid. Veel adaptatiemaatregelen (extra waterberging, vernatten veenweidegebieden, groene steden, groenblauwe dooradering) bieden kansen voor natuur. Op lange termijn zal zeespiegelstijging en verzilting ertoe leiden dat zoetwaternatuurdoeltypes op sommige plekken niet meer houdbaar zijn en moeten worden heroverwogen. Voor de natuur zijn de opgaven vanuit water, bodem en klimaat wel doorvertaald naar thematische klimaatonderleggers, maar (nog) niet samen gebracht in een overzichtskaart. Dit is omdat de relaties tussen de condities en mate van (on) geschiktheid voor de natuur niet altijd eenduidig door te vertalen zijn. Zo is verzilting voor het ene zoetwaterafhankelijke natuurtype desastreus, terwijl brakke condities voor andere natuurtypen juist interessant zijn. Voor de thematische klimaatonderleggers op de volgende pagina's is de volgende legenda gehanteerd:

––A Geen extra opgaven vanuit water, bodem en klimaatverandering (Ja) ––B Water, bodem of klimaatverandering resulteren mogelijk in ongunstige

condities die afhankelijk van het natuurtype vragen om extra beheerinspanning of aanpassingen van andere gebruiksfuncties (Ja, mits)

––C Water, bodem of klimaatverandering resulteren in condities die afhankelijk

van het natuurtype kunnen resulteren in een substantiële beheerinspanning of aanpassing van de inrichting of het type natuur (Ja, mits)

––D Het in stand houden van hoogwaardige natuur is mogelijk niet duurzaam

houdbaar en vraagt om afweging van landgebruik of locatiekeuze (Nee, tenzij...)

Op de korte termijn is de inzet op robuustere water- en bodemsystemen, goede waterkwaliteit (beperking uitspoelen nutriënten) en groenblauwe dooradering van stad en land essentieel. De vernatting van veenweidegebieden, extra ruimte voor wateropvang, flexibel peilbeheer, groenere slootoevers, extensievere landbouw en meer groen in steden kunnen een positief effect hebben op de ecologie. Goede buffers (hydraulisch en voor nutriënten) zijn essentieel voor enkele van de zoetwaterafhankelijke natte natuurgebieden. Om de natuur te stimuleren is het zaak om abrupte zoet-zout wisselingen door verschillend waterbeheer per seizoen te voorkomen. Zo wordt nu nog ten behoeve van de landbouw op bijvoorbeeld GoereeOverflakkee tijdens het groeiseizoen veel zoetwater ingelaten en vindt er buiten het groeiseizoen verzilting plaats. In gebieden die (bijvoorbeeld door zeespiegelstijging Fig. D.8.1 Praatplaat natuur 74

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

75

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

In deze tabel zijn de opgaven, aandachtspunten en belangrijke randvoorwaarden vanuit water, bodem en klimaatverandering voor de landbouw gebundeld (uit deel A van dit rapport). Voor gebieden die wit zijn op de onderstaande kaarten, zijn binnen deze studie geen extra opgaven vanuit water, bodem en klimaatverandering op het betreffende thema geïdentificeerd. Deze vallen in de samenvattende kaart dan ook in categorie A (geen extra opgaven). Het zou uiteraard kunnen dat er in aanvulling op deze studie nog nieuwe inzichten en randvoorwaarden worden toegevoegd waarmee categorie A kleiner wordt. De kaartbeelden zijn gemaakt op basis van de bij deze studie beschikbare datasets. Voor sommige thema's zullen in de komende periode nieuwe datasets en inzichten beschikbaar komen die de geografische duiding van de opgaven nog kunnen beïnvloeden.

76

Bodemdaling

Waterbeschikbaarheid en -kwaliteit

Overstromingsrisico

Wateroverlast

Hitte

B Zet in op bufferzones rond

C Hou rekening met toenemende

C Strategie intergetijdengebieden.

B Beperk overstorten. Overstorten

B Zet in op robuuste

natuurgebieden. Verschil in hoogteligging draagt bij aan verdroging veengebieden met een (natte) natuurfunctie, door het wegzijgen van water naar naastgelegen veenweidegebieden. Bovendien leidt oxidatie van veen in natuurgebieden tot onomkeerbare schade. Daarom zitten deze natuurgebieden in categorie 1 van de verdringingsreeks. Er moet worden ingezet op bufferzones met een hoge grondwaterstand rondom deze natuurgebieden (er is nog geen analyse beschikbaar die deze gebieden duidt op de kaart).

verzilting. Er zijn natuurtypen die gebaat zijn bij brakke en zoute condities. Er zijn natuurgebieden die gevoelig zijn voor inlaat van gebiedsvreemd water of voor veenafbraak door watertekort. Hier moet worden ingezet op het vasthouden van regenwater en het voorkomen van wegzijging van zoetwater naar de omgeving.

Het wegvallen van intergetijdengebieden (als gevolg van een snelle en grote mate van zeespiegelstijging) heeft door de grote waarde van intergetijdennatuur een negatieve impact op de natuur in de hoofdwateren. Er is nog geen analyse beschikbaar die deze gebieden duidt op de kaart.

van rioleringen en wateroverlast vanuit het oppervlaktewatersysteem hebben effect op de waterkwaliteit. Dit zal leiden tot schade aan natuur en tot risico's voor zwemmers (er is nog geen analyse beschikbaar die deze gebieden duidt op de kaart).

natuurverbindingen. De natuur zal zich moeten aanpassen aan de hogere gemiddelde temperaturen en veranderingen van de soortensamenstelling (toename, afname en uitsterven) en in migratiepatronen van trekkende soorten. Robuuste (natte) verbindingen ondersteunen de adaptiviteit van natuur.

B Kansen natuurontwikkeling 10% laagste gebieden polders. De 10% laagste gebieden en piekwateropvanggebieden zijn in principe geschikt voor functiecombinatie met natuur, mits het type natuur ongevoelig is voor variatie in waterkwaliteit en -kwantiteit.

In gebieden waar permanente brakke of zoute condities ontstaan, moet (op termijn) het type natuur worden heroverwogen en aangepast.

B Compenseer voor afname waterkwaliteit. De waterkwaliteit is op veel plekken ontoereikend, wat een impact heeft op de natuur. Het vernatten van veenweidegebieden en een hogere grondwaterstand bevorderen het bodemleven (insecten, wormen) en draagt bij aan de habitat voor weidevogels zoals de grutto en kievit. In intensieve landbouwgebieden kunnen bij vernatting echter ook meer nutriënten of gewasbeschermingsmiddelen uitspoelen.

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

77

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

B Zet in op robuuste natte verbindingen. Zorg dat het (oppervlakte) watersysteem in en rond natuurgebieden voldoende robuust is om opwarming en de negatieve effecten hiervan te voorkomen.

8.1 – Adaptatiemaatregelen voor de natuur Bodemdaling Bij de klimaatonderlegger zijn verschillende condities, randvoorwaarden en ook kansen vanuit water, bodem en klimaatverandering voor de natuur benoemd. Maar hoe geef je hier invulling aan? Op de volgende pagina's worden voorbeelden gegeven van kansen of benodigde aanpassingen van de natuur aan opgaven op het gebied van:

––Bodemdaling ––Waterbeschikbaarheid en -kwaliteit ––Hitte ––Waterveiligheid

Bodemdaling ontstaat bij het kunstmatig verlagen van grondwaterstanden in veengebieden. Door de veengebieden te ontwateren neemt de ontwateringsdiepte en stabiliteit van de bodem toe en worden ze geschikter voor gebruiksfuncties zoals landbouw en woningbouw. Het weer vernatten van veengebieden, bufferzones rondom natuurgebieden of de achteroevers van dijken, zal veel voordelen hebben voor de natuur.

Vernatten veengebieden

Hydraulische waterbuffer

Achteroevers dijken bij rivierklei

De kunstmatig lage waterstanden in de veenpolders zorgen ervoor dat de bodem daalt en er broeikasgassen worden uitgestoten. Vernatting zal deze bodemdaling verminderen. In natuurgebieden kan de grondwaterstand verhoogd worden tot -20 cm onder NAP.

Natte natuurgebieden op veengrond kennen geen grote ontwateringsdiepte en hebben een hogere grondwaterstand dan de omliggende landbouwgronden.

Achteroevers kunnen worden gecreëerd op plekken waar zoet (kwel- of oppervlakte)water achter de dijk in de polder wordt gelaten of opgevangen. Zeker in laaggelegen polders met een flinke (rivier)kweldruk kan achter de dijk makkelijk een natte zone worden gecreëerd.

Door de grondwaterstand te verhogen en de graslanden extensiever te beheren, zullen Engels raaigras en ruw beemdgras langzaam plaatsmaken voor pinksterbloem, veldzuring en scherpe boterbloem. Meer kruiden en bloemen en een betere bodemconditie leiden tot meer insecten (en voer voor weidevogels zoals de grutto). Op sommige plekken kan veen doorontwikkeld worden tot (riet)moeras.

Hoog waterpeil de Onlanden. (foto Yab)

78 Foto Defacto Stedenbouw

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

Door deze hogere grondwaterstand blijft de bodemdaling hier beperkt en komen deze natuurgebieden steeds hoger te liggen ten opzichte van de om hen heen gelegen bemalen veenweidegebieden. Zo ontstaat als het ware een hoogwatereiland in het landschap. Door dit hoogteverschil zijgt er water vanuit de natuurgebieden weg naar omliggende lagergelegen landbouwgronden. Door het structureel vernatten van landbouwgronden rondom natuurgebieden (en het stimuleren van een meer natuurlijk gebruik) zal wegzijging beperkt worden.

Hydraulische waterbuffer (foto: USDA NRCS Texas)

79

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

Op deze manier kunnen gebieden buitendijks en binnendijks elkaars functie versterken. De achteroevers vormen een zoetwaterreservoir waaruit in perioden van droogte geput kan worden. Ze kunnen ook ingezet worden als natuurlijke waterzuivering of waterbergingsgebied. Daarnaast bieden ze vaak goede paaiplaatsen voor vissen uit de naastgelegen grote wateren.

Pilot achteroevers Wieringermeer (foto Pbrundel)

Waterbeschikbaarheid en -kwaliteit

Hitte

Verdroging door tekort aan water of de inlaat van gebiedsvreemd nutriëntrijk water is een belangrijke opgave voor de natuur in Zuid-Holland. Zorg ervoor dat er rondom natuurgebieden buffergebieden worden ingericht die het water vasthouden en zuiveren en daarmee bijdragen aan de gewenste waterkwaliteit. Is er niet voldoende zoetwater beschikbaar en wordt een gebied te vaak brak, dan kan er ook voor worden gekozen in te zetten op brakke of zilte natuur.

Zorg dat natuurgebieden zo worden ingericht dat ze bestand zijn tegen de toenemende temperaturen en hittestress. Door in te zetten op diversiteit en het ontwikkelen van robuuste groenblauwe netwerken zijn natuurgebieden beter bestand tegen periodes van extreme hitte.

Waterkwaliteitsbuffers

Zilte natuur

Vasthouden water

Richt buffers rond natuurgebieden in om de vereiste waterkwaliteit in het natuurgebied te behalen. In buffers kan water langer vastgehouden worden, wat leidt tot minder inlaat van gebiedsvreemd water. Het buffergebied kan als helofytenfilter of als slootzuiveringssysteem worden ingericht om de waterkwaliteit te verbeteren.

In sommige (binnendijkse) gebieden is de verzilting zo sterk dat er een permanent brakke of zoute conditie ontstaat. Door deze gebieden om te zetten in zilte habitats, kan op deze plekken alsnog waardevolle natuur worden gecreëerd Het kan zijn dat hiervoor de natuurdoelen aangepast moeten worden.

Om verdroging tegen te gaan moet het watersysteem anders worden ingericht, zodat water minder snel wordt afgevoerd en langer wordt vastgehouden.

Helofytenfilters zijn natuurlijke of aangelegde zuiveringsmoerassen met waterplanten zoals riet, liesgras, biezen, lisdodde. Bij een slootzuiveringssysteem zijn gemiddeld diepere watersystemen dan bij helofytenfilters. Zuivering gebeurt via natuurvriendelijke oevers die er ook voor zorgen dat water beter vastgehouden wordt.

Helofytenfilter pilot in Deventer (foto Jan B)

Richt natuurgebieden langs brakke of zoute wateren bij voorkeur zo in dat er overgangsgebieden ontstaan van zout naar zoet water. Hierdoor ontstaan gradiënten waarin gespecialiseerde dieren en plantensoorten voorkomen zoals aardbeiklaver, vlozegge, kamgras en andere soorten die op de rode lijst van kwetsbare en bedreigde soorten staan.

De Berkheide duinen bij Katwijk (foto Marianne Cornelissen-Kuyt)

80

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

Bij flexibel peilbeheer kan het water in droge perioden verder uitzakken en in natte perioden worden vastgehouden. Op deze manier volgt het waterpeil de natuurlijke peildynamiek. Er ontstaat zo buffercapaciteit van gebiedseigen water, waardoor er in tijden van droogte geen of minder gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden. Ook de natuurvriendelijke oevers hebben baat bij een flexibel peil.

Natuurvriendelijke oevers (foto Patrick Despoix)

Thermische energie oppervlaktewater

Reflectie juiste natuur op juiste plek

Robuustere groenblauwe netwerken

Er kan via een warmtewisselaar warmte aan oppervlaktewater (zoals sloten) worden onttrokken als thermische energiebron (TEO) en bijvoorbeeld worden opgeslagen in de bodem.

Door veranderende condities van het water- en bodemsysteem en door klimaatverandering zal het zo zijn dat bepaalde instandhoudingsdoelstellingen op bepaalde plekken niet of zeer lastig duurzaam in stand te houden zijn.

Ontwikkel robuuste groenblauwe netwerken waarbij natuur en waterlopen worden verweven tot een samenhangend systeem. Dit draagt bij aan de klimaatrobuustheid, biodiversiteit en waterhuishouding.

Denk aan bomen die veel verdampen in gebieden met watertekorten of zoutgevoelige soorten in gebieden met een sterke mate van verzilting. Om in bijvoorbeeld verziltende gebieden de zoetwaternatuurdoeltypen in stand te houden, zijn steeds grotere beheerinspanningen nodig.

Zorg daarbij voor een goede dooradering van hoofdtak naar zijtakken en richt sloten natuurvriendelijk in.

Daarbij wordt warm water opgenomen en wordt er iets kouder water aan het oppervlaktewater terug geleverd. Hiervoor zijn grote watergangen nodig met niet te snel stromend water dicht bij de afnemer. Dit zal de opwarming van het oppervlaktewater tijdens hete dagen beperken, wat een gunstig effect heeft op de waterkwaliteit (reduceren kans blauwalg en botulisme) en de ecologie. Er moet wel op worden gelet dat er geen grote temperatuurschommelingen optreden. Die zouden namelijk een negatief effect hebben op flora en fauna.

Sloot in Kralingenpolder (foto: Druifkes)

Het zal in bepaalde gebieden nodig zijn te reflecteren op het toekomstperspectief van instandhoudingsdoelstellingen. Kunnen er verplaatsingen plaatsvinden (bijvoorbeeld zilte doelstellingen erbij en andere migreren naar andere gebieden), zonder dat instandhouding op Europese schaal in het geding komt?

Verdroogde natuur op heuvel (foto: Paul Braun)

81

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

Groenblauw netwerk nabij Dordrecht (foto: Jens Buurgaard Nielsen)

Waterveiligheid Zorg ervoor dat ingrepen ter bevordering van waterveiligheid ook een positieve ecologische uitwerking hebben. Zet in op behoud van belangrijke migratieverbindingen, ook bij hoge waterstanden. Zorg waar mogelijk ook voor herstel van brakke natuurgemeenschappen, bijvoorbeeld door de aanleg van nieuwe intergetijdengebieden.

Open houden migratieverbindingen

Nieuwe getijdengebieden binnendijks

Kerven buitenste duinenrij

Bij een evenwichtig ecosysteem hoort een goede en gevarieerde visstand. Zorg ervoor dat belangrijke migratieroutes voor vissen open blijven, ook bij het nemen van maatregelen voor waterveiligheid.

Door de zeespiegelstijging zullen de intergetijdengebieden (met name naast diepe scheepvaartgeulen) niet mee groeien en verdrinken. Door de nu vaak harde grens van dijken tussen de estuaria en polders, verdwijnt daarmee een voor de natuur zeer waardevolle gradiënt.

Door kerven aan te brengen in de buitenste duinenrij wordt de duingroei achter de eerste duinenrij gestimuleerd. Zo kunnen er nieuwe en hogere duinen achter de kerf ontstaan.

Zo zal het eventuele afsluiten van de Nieuwe Waterweg als oplossingsrichting voor zeespiegelstijging grote impact hebben op de vismigratie (dit is de toegang van de Noordzee naar het stroomgebied van de Rijn). Niet alleen goede verbindingen tussen zee en rivieren, maar ook tussen hoofdwater en binnenwater zijn daarbij belangrijk om het leefgebied van vissen te vergroten.

Er kan verkend worden of de aangroei van de platen kan worden gestimuleerd of dat er nieuwe getijdenzones kunnen worden gecreëerd achter de primaire dijk (in de tussendijkse gebieden van de eilanden).

Door het aanbrengen van een kerf komt de dynamiek in de duinen weer op gang. De zeewind verspreidt kalkrijk duinzand verder het gebied in. Dit draagt zowel bij aan waterveiligheid als aan natuurontwikkeling.

Denk daarbij bijvoorbeeld aan het inzetten van visvriendelijke gemalen, vistrappen en kieren .

Vistrap bij sluis Hagestein (foto Mark Voorendt)

82

Binnendijks intergetijdengebied Waterdunen (foto FrDr)

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

Aanleg Spanjaards Duin (foto Deltares)

83

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

Bijlage

Foto Defacto Stedenbouw

84

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

85

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

BIJLAGE 1

Grondslag kaartbeelden

De inrichting van een gebied kan doorwerken op gebieds- en systeemniveau. Vanwege de complexiteit is er vaak afstemming tussen (en inzet van) verschillende partijen nodig om tot een passende klimaatadaptieve ontwikkeling te komen.

––D De ontwikkeling legt mogelijk een claim op de toekomst. Ook als partijen

zich inzetten voor een integrale klimaatadaptieve oplossing blijft de kans op afwenteling door de complexiteit of door nog onbeproefde of kostbare nieuwe technieken aanwezig. Dit vraagt om een goede afweging van de locatiekeuze.

Opgavekaarten De klimaatonderlegger is hoofdzakelijk gebaseerd op landelijke en provinciale datasets, aangevuld met expertkennis vanuit een reeks inhoudelijke werksessies. Tijdens de werksessies is per thema besproken welke opgaven relevant zijn voor de klimaatonderlegger en welke bronnen hier het beste voor kunnen worden gebruikt.

Daarbij vond er (op basis van persoonlijke ervaringen of inzichten) regelmatig discussie plaats over de exacte categorie van een maatregel. Is bodemdalingbestendig bouwen bijvoorbeeld al goed uitvoerbaar (categorie B of C) of blijft het risico op afwenteling toch groot (categorie D)? Het kan dan ook zijn dat er in verschillende gebieden of door andere experts net andere keuzen gemaakt zullen worden voor de doorvertaling van opgaven in legenda-eenheden.

Daarbij was gewenste informatie nog niet altijd beschikbaar. Zo is er nog geen goede dataset die inzicht geeft in het risico op restzetting bij het ontwikkelen van bebouwing, die het invloedsgebied van externe verzilting toont of die laat zien waar water in droge perioden lastig aan te voeren is. Voor deze studie is steeds gekeken welke data het best gebruikt kan worden om inzicht te geven in de verschillende opgaven binnen de provincie Zuid-Holland.

A1 Grondslag kaartbeelden bodemdaling

De gebruikte datasets voor de klimaatonderlegger zijn continu in ontwikkeling. Voor deze studie is de stand van zaken uit 2022 gebruikt. Lopende of nieuwe studies en onderzoek zullen leiden tot nieuwe inzichten en geactualiseerde datasets. Als daar aanleiding toe is, wordt de klimaatonderlegger hierop aangepast. De klimaatonderlegger is daarmee een levend document.

Fig. A.1.2 Themakaart veengebieden en indicatie bodemsoort Bodemkaart veengronden. Bron data: WUR (2015) ‘Bodemkaart 1:50.000’ via Atlas van de Regio (nov 2022).

––

Fig. A.1.3 Themakaart voorspelling bodemdaling 2020-2100 Deze kaart laat de modelberekeningen zien voor bodemdaling door ontwatering (compactie en oxidatie) in het scenario hoog (KNMI-scenario WH), met peilindexatie en sterke klimaatverandering. Belangrijke notie: tijdens expertsessies is aangegeven dat de waarden van deze modelstudie voor de Krimpenerwaard fors hoger liggen dan in sommige andere bronnen wordt aangegeven. Bodemdaling 2020-2100. Bron data: Deltares, WEnR & TNO (2021) ‘Bodemdaling 2020-2100, scenario 2050 Hoog’ via Klimaateffectatlas (dec 2021). Deze laag is niet doorvertaald naar de geschiktheidskaarten, omdat de themakaart zettingsgevoeligheid (Fig. A.1.4) voor woningbouw een betere indicatie geeft.

––

Van opgavekaarten naar geschiktheidskaarten Tijdens een serie werksessies is samen met experts besproken hoe condities vanuit het water- en bodemsysteem kunnen worden doorvertaald naar de geschiktheidskaart. Bij het maken van het onderscheid tussen de categorieën A B C D waren de mate van complexiteit (hoe eenvoudig is het maatregelen te nemen) en het risico op afwenteling steeds belangrijke indicatoren. Tijdens de gesprekken was de onderstaande duiding van de legenda-eenheden zeer behulpzaam bij het maken van keuzen:

––

Fig. A.1.4 Themakaart zettingsgevoelige gebieden met bodemdaling in een periode van 30 jaar door ophoging met 1 meter zand Bodemdaling door ophoging met 1 m zand. Bron data: Deltares (2021) ‘Bodemdaling door ophoging, scenario 2050 Hoog’ via Klimaateffectatlas (dec 2021).

––A Er zijn geen opgaven vanuit water, bodem en klimaatverandering die om extra

––

aandacht of aanvullende maatregelen vragen. Volg altijd de bestaande regels vanuit het Convenant klimaatadaptief bouwen en de Maatlat klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwing.

Interpretatie bodemdaling geschiktheidskaart verstedelijking Bodemdalingsbestendig ontwikkelen. Restzetting bij ontwikkelingen (vaak benoemd in cm zetting in een periode van 30 jaar) is een goede indicator voor het risico op afwenteling bij ontwikkelingen in bodemdalingsgebieden. De restzetting is de zetting die na consolidatie blijft doorgaan voor onbepaalde tijd. Er bestaan (nog) geen overzichtskaarten van de verwachte restzetting bij belasting. De restzetting moet op basis van lokaal bodemonderzoek worden bepaald. Er zijn wel modelstudies die laten zien welke gebieden bij belasting zettingsgevoelig zijn. Tijdens de werksessies waren er uiteenlopende zienswijzen. De ene expert gaf aan dat restzetting bij goed ontwerp geen risico hoeft te zijn, anderen zien wel degelijk

––

––B Water, bodem of klimaatverandering vraagt om aanvullende randvoorwaarden

voor ontwikkelingen of aanpassingen in de bedrijfsvoering. Deze zijn naar verwachting goed uitvoerbaar. Er zijn al veel voorbeelden en breed toegepaste innovaties, producten en technieken beschikbaar die door ontwerpers, agrariërs en ontwikkelaars kunnen worden ingezet.

––C Water, bodem of klimaatverandering vraagt om een (substantiële) inspanning.

De opgaven zijn complex en er is behoefte aan innovatieve maatwerkoplossingen.

86

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

87

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

––Waterafvoersysteem. Bron data: kaart ‘Peilgebieden’ via Wateratlas Zuid-Holland

een substantieel risico op afwenteling in gebieden met een sterk zettingsgevoelige bodem. Er is besloten dat de kaart met zettingsgevoelige gebieden (Deltares; zie themakaart A.1.4) voor nu de best beschikbare indicatie geeft voor zetting bij gebouwde ontwikkelingen. De gekozen categorisering sluit aan op de ‘Signaleringskaarten Bodem en Ondergrond’ van de provincie Zuid-Holland, waar een onderscheid is gemaakt in beperkt zettingsgevoelig tot 60 cm zetting bij ophoging met + 1 m zand in 30 jaar (categorie B), sterk zettingsgevoelig bij 60-90 cm (categorie C) en zeer zettingsgevoelig bij > 90 cm (categorie D). Andere gebieden maken andere keuzen in grenswaarden. Zo hanteren de provincie Noord-Holland en waterschap AGV een strengere categorisering. Die categorisering geeft echter binnen de provincie Zuid-Holland minder onderscheid in geschiktheid (geen plek is echt geschikt voor bijvoorbeeld verstedelijking). Ontwikkel (grond)waterbestendig in zoekgebieden voor vernatting van veen (categorie C). Uitgangspunt is het Rijksbeleid om grondwaterstanden in veengebieden te verhogen ten behoeve van reductie van CO2-uitstoot en bodemdaling (brief Water en bodem sturend). De huidige zoekgebieden voor vernatting zijn nog zeer globaal, en zullen in vervolgstudies zoals bijvoorbeeld Vitale veenweide en NPLG gebiedsplannen steeds verder worden gespecificeerd.

In de geschiktheidskaart zijn eerste zoekgebieden voor vernatting getoond op basis van ‘Veengebieden in het landelijk gebied waar een verhoging in grondwaterstanden te verwachten is’ (Deltares; zie themakaart A.2.2).

(juni 2015), met verwijzing naar onderliggende bronnen: GIS informatie provincie Zuid-Holland (2014), Primaire en secundaire waterlopen, Hoogheemraadschap Rijnland en Delfland (2015), De vaarkaart van de randstad (2012), kaart ‘Boezemstelsel per waterschap’ via Wateratlas Zuid-Holland (juni 2015).

Fig. A.2.2 Themakaart Risicogebieden wateroverlast: 10% van de laagste delen van polders, gebieden met beperkte drooglegging (en daarmee bergingscapaciteit) en zoekgebieden voor vernatting voor het tegengaan van bodemdaling 10% laagste delen van polders. Bron data: SWECO Water en bodem sturend voor ruimtelijke planvorming, Discussiestuk en onderbouwing (2022). In deze laag is per polder berekend wat het 10 procent laagste deel van de polder is, op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Deze datalaag laat zien waar water zich in een polder op basis van de hoogteligging kan verzamelen en geeft daarmee een indicatie van gebieden waar steeds vaker wateroverlast kan ontstaan, en daarmee kansrijk zijn voor waterberging. Naar verwachting komen er in de komende periode kaartbeelden beschikbaar die een betere indicatie kunnen geven van gebieden waar rekening moet worden gehouden met (toenemende) regenwateroverlast. Zo heeft HHNK een kaartlaag ontwikkeld met de 5% en 10% van de begroeide terreindelen per polder met de meeste inundatie per hectare bij een T100 bui. Gebieden met een hoogste grondwaterstand binnen 30 cm onder maaiveld. Bron data: Deltares, Bosch Slabbers, Sweco (2021) kaartlaag ‘Te nat (huidig en 2050)’ uit ‘Op Waterbasis.

Grenzen aan de maakbaarheid van ons water- en bodemsysteem.’ De te natte gebieden zijn gebaseerd op gebieden met een hoogste grondwaterstand binnen 30 cm onder maaiveld. Dit zijn gebieden met weinig bergingscapaciteit en een grote kans op wateroverlast. Zoekgebieden voor het verhogen van het waterpeil t.b.v. reduceren bodemdaling en uitstoot broeikasgassen. Bron data: Deltares (maart 2022), kaart ‘Veengebieden in het landelijk gebied waar een verhoging in grondwaterstanden te verwachten is’ uit ‘Bodem en water als basis’.

––

––

––

Interpretatie bodemdaling geschiktheidskaart landbouw Hou rekening met afnemende drooglegging en ontwateringsdiepte (categorie C). Uitgangspunt is het Rijksbeleid om grondwaterstanden in veengebieden te verhogen ten behoeve van reductie van CO2-uitstoot en bodemdaling (brief Water en bodem sturend). De huidige zoekgebieden voor vernatting zijn nog zeer globaal, en zullen in vervolgstudies zoals bijvoorbeeld Vitale veenweide en NPLG gebiedsplannen steeds verder worden gespecificeerd. In de geschiktheidskaart zijn eerste zoekgebieden voor vernatting getoond op basis van ‘Veengebieden in het landelijk gebied waar een verhoging in grondwaterstanden te verwachten is’ (Deltares: zie themakaart A.2.2).

––

––

Interpretatie wateroverlast geschiktheidskaart verstedelijking Ontwikkel waterneutraal (of positief). Zorg dat ontwikkelingen de druk op het watersysteem niet vergroten en waar mogelijk zelfs verlichten (extra water bergen). Categorie B: Bij nieuwbouw wordt binnen de hele provincie al ingezet op het op privaat terrein infiltreren, vasthouden of bergen van 40-70 mm in 1 uur en het beperken van schade aan bebouwing en voorzieningen bij extreme neerslag (van 90 mm per uur), beperkt verharden (50% van de jaarlijkse neerslag, 450 mm binnen plangebied infiltreren) en waterbestendige bebouwing bij een waterdiepte tot 20 cm (Convenant klimaatadaptief bouwen en Landelijke maatlat). Door expert judgement tijdens de werksessies is bepaald dat binnen de hele provincie (gebiedsdekkend) moet worden ingezet op de bovenkant van deze range (70 mm in een uur, met een comply or explain principe), om te voorkomen dat ontwikkelingen op de lange termijn afwentelen en te zorgen dat deze toekomstbestendig zijn. Categorie C: Reserveer in gebieden die gevoelig zijn voor wateroverlast extra bergingsruimte binnen de gebiedsontwikkeling (boven op de huidige norm). Hiervoor is de kaartlaag met gebieden met een hoogste grondwaterstand

––

Interpretatie bodemdaling geschiktheidskaart natuur Zet in op bufferzones rond natuurgebieden (categorie B). Er is nog geen uitwerking beschikbaar die deze gebieden duidt op de kaart. Compenseer voor afname waterkwaliteit (categorie B). Dit speelt met name binnen de gebieden waar het waterpeil zal worden verhoogd t.b.v. het reduceren van bodemdaling en de uitstoot van broeikasgassen. De huidige zoekgebieden voor vernatting zijn nog zeer globaal, en zullen in vervolgstudies zoals bijvoorbeeld Vitale veenweide en NPLG gebiedsplannen steeds verder worden gespecificeerd. In de geschiktheidskaart zijn eerste zoekgebieden voor vernatting getoond op basis van ‘Veengebieden in het landelijk gebied waar een verhoging in grondwaterstanden te verwachten is’ (Deltares: zie themakaart A.2.2).

–– ––

––

A2 Grondslag kaartbeelden wateroverlast

––

Fig. A.2.1 Themakaart overzicht boezemwatersystemen en waterpeil Peilgebieden. Bron data: kaart ‘Peilgebieden’ via Wateratlas Zuid-Holland (juni 2015), met verwijzing bron: GIS informatie provincie Zuid-Holland (2014).

–– 88

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

89

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

binnen 30 cm onder maaiveld genomen (zie kaart A.2.2 Risico wateroverlast) die vanwege de beperkte waterbergingscapaciteit een grotere kans hebben op wateroverlast. Tijdens werksessies is aangegeven dat, om te voorkomen dat er wordt afgewenteld op de toekomst of op andere locaties, in deze gebieden bij gebiedsontwikkelingen meer ruimte voor (oppervlakte)waterberging moet worden gereserveerd dan de huidige normen (die per waterschap verschillen). Hier zijn geen concrete getallen aan gekoppeld, maar het signaal is dat er meer bergingscapaciteit binnen gebiedsontwikkelingen nodig is. Ten minste 10% van de laagste delen van polders reserveren (categorie C). Dit is in lijn met de brief Water en bodem sturend waarin staat: "We reserveren de 5% tot 10% van diepe polders voor waterberging, bij voorkeur de diepste delen. We voorkomen hiermee wateroverlast als gevolg van aanhoudende regenval of piekbuien. Hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan, tenzij het niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen." Als datalaag hebben we de kaartlaag met 10% diepste delen van polders gebruikt (SWECO, zie kaart A.2.2 Risicogebieden wateroverlast). Op basis van expert judgement is aangegeven dat voor ZuidHolland het best kan worden ingezet op ten minste 10% (met een comply or explain principe).

De waterberging kan bij de uitwerking van ruimtelijke visies uiteraard ook op andere gebieden binnen de polders een plek krijgen. Bouwen kan alleen mits dit de huidige en eventuele toekomstige bergingscapaciteit niet beperkt.

uit het LDO en toont waar overstromingen tot ongeveer eens in de honderdduizend jaar (of nog extremer) kunnen voorkomen. De kaart geeft mogelijke overstromingen weer die in werkelijkheid niet allemaal tegelijkertijd zullen optreden. De kaarten zijn gebaseerd op vier typen overstromingen voor beschermde en onbeschermde gebieden gelegen langs het primair en regionale watersysteem. Waterveiligheidssysteem. Bron data primaire keringen en regionale keringen: LIWO (2020) Bron data kustfundament: Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu - VROM (1990), laag ‘kustfundatie_tbk’. Bron data duinen: Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu - VROM (1990), laag ‘kustfundatie_tbk’. De laag is gemaakt op basis van de laag ‘kustfundament’ waarbij het waterdeel van het fundament is verwijderd. Mogelijke toename rivierafvoeren (scenario’s) 2100. Bron data: Programma Integraal RivierManagement (2022) uit ‘Systeembeschouwing Rijn en Maas’. Mogelijke zeespiegelstijging (scenario’s) 2100. Bron data: KNMI (2021), tabel 4 ‘Indicatieve zeespiegelscenario’s voor de Nederlandse kust’ uit het KNMI Klimaatsignaal‘21. In 2023 komen de KNMI’23-zeespiegelscenario’s beschikbaar.

––

––

–– ––

Fig. A.3.2 Vier conceptuele oplossingsrichtingen versnelde zeespiegelstijging voor Rijnmond-Drechtsteden Bron kaarten: Defacto stedenbouw voor het Kennisprogramma Zeespiegelstijging (2021), uit: Versnelde zeespiegelstijging in Rijnmond-Drechtsteden. De kaarten tonen eerste praatplaten die laten zien hoe de verschillende oplossingsrichtingen voor zeespiegelstijging vorm kunnen krijgen. Deze conceptuele oplossingsrichtingen zijn nog in ontwikkeling.

––

Interpretatie wateroverlast geschiktheidskaart landbouw Hou rekening met natschade en beperkte draagkracht bodem (categorie B). Hou in gebieden die gevoelig zijn voor wateroverlast (grotere kans regenwater op maaiveld en slecht berijdbare bodem), rekening in de bedrijfsvoering. Hiervoor is de kaartlaag van gebieden met een hoogste grondwaterstand binnen 30 cm onder maaiveld genomen (zie kaart A.2.2 Risico wateroverlast). Dit zijn gebieden met weinig bergingscapaciteit en grote kans op wateroverlast. Ten minste 10% van de laagste delen van polders reserveren (categorie C). Zie ook beschrijving bij verstedelijking. Betreffen deze 10% laagste gebieden landbouwgronden, dan zal de natschade aan gewassen bij gelijkblijvende bedrijfsvoering/gewaskeuze toenemen.

––

Fig. A.3.3 Themakaart overstromingsdiepte 1:1.000 buitendijks Rotterdam Buitendijkse overstromingsdiepte 2050 bij een kleine kans 1:1.000. Bron data: LIWO (2021) ‘Inundatie buitendijks (kleine kans 1:1.000)’. De kaart geeft mogelijke overstromingen in onbeschermde gebieden langs het hoofdwatersysteem weer. Deze kaart geeft een duiding van de overstromingsdiepten tot 2050. De eerste indicatie (expert judgement) zijn de buitendijkse waterstanden die nu met een terugkeertijd van 1: 1.000 optreden, en in 2100 onder invloed van zeespiegelstijging met een terugkeertijd van 1: 100 optreden. Overstroombare bebouwing. Selectie gemaakt door Defacto Stedenbouw door overlap van laag “Buitendijkse overstromingsdiepte 2050 bij een kleine kans 1:1.000’ (LIWO 2021) en ‘‘Basisregistratie Adressen en Gebouwen’ (Kadaster 2022). Primaire keringen. Bron data: LIWO (2020) ‘Infrastructuur’.

––

––

Interpretatie wateroverlast geschiktheidskaart natuur Beperk overstorten (categorie B). Overstorten van rioleringen en wateroverlast vanuit het oppervlaktewatersysteem hebben effect op de waterkwaliteit. Er is nog geen analyse beschikbaar die deze gebieden duidt op de kaart. Kansen natuurontwikkeling 10% laagste gebieden polders. De 10% laagste gebieden en piekwateropvanggebieden zijn in principe geschikt voor functiecombinatie met natuur, mits het type natuur ongevoelig is voor variatie in waterkwaliteit en -kwantiteit. (categorie B)

––

––

––

––

Fig. A.3.4 Themakaart primaire keringen en mogelijke versterkingszone bij + 1 m zeespiegelstijging en de overstromingsrisico’s van binnen- en buitendijkse gebieden. Indicatie toename breedte dijken (door versterkingen) bij +1 m zeespiegelstijging. Bron data: Deltares (2021) voor het Kennisprogramma Zeespiegelstijging spoor II. Behouden flexibiliteit duinen. De laag is gemaakt op basis van de laag ‘kustfundament’ waarbij het waterdeel van het fundament is verwijderd. Bron data: Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu - VROM (1990), laag ‘kustfundatie_tbk’. Bestaand waterveiligheidssysteem. Bron data primaire en nationale keringen: LIWO (2020) ‘Infrastructuur’. Bron data kustfundament: Ministerie

––

A3 Grondslag kaartbeelden waterveiligheid

––

Fig. A.3.1 Themakaart waterveiligheidssysteem en maximale overstromingsdiepte, door doorbraken van het primaire en regionale systeem. Maximale overstromingsdiepte bij extreem kleine kans 1:100.000. Bron data: LIWO (2019) ‘Maximale overstromingsdiepte’ (bij extreem kleine kans 1:100.000). Deze datalaag toont een samengesteld beeld van individuele overstromingsscenario’s

––

90

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

––

91

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu - VROM (1990), laag ‘kustfundatie_tbk’. Buitendijkse overstromingsdiepte 2050 bij kleine kans 1:1.000. Bron data: LIWO (2021) ‘Inundatie buitendijks (kleine kans 1:1.000)’. De kaart geeft mogelijke overstromingen in onbeschermde gebieden langs het hoofdwatersysteem weer. Deze kaart geeft een duiding van de overstromingsdiepten tot 2050. Gebieden die meer dan 200 cm diep kunnen overstromen in 2050. Bron data: LIWO (2022) ‘Overstromingskansen norm (2050)’. Overstroming in de gebieden wordt veroorzaakt door een doorbraak van een waterkering langs het hoofd- of het regionale watersysteem of bij overstromen van onbeschermde gebieden, waarbij alle primaire keringen aan de overstromingskansnorm in de waterwet voldoen. Overig overstroombaar gebied. Bron data: LIWO (2022) ‘Overstromingskansen norm (2050)’. Overstroming waarbij een waterdiepte van meer dan 50 cm optreedt, veroorzaakt door een doorbraak van een waterkering langs het hoofd- of het regionale watersysteem of bij overstromen van onbeschermde gebieden, waarbij alle primaire keringen aan de overstromingskansnorm in de waterwet voldoen.

functies in deze gebieden vragen om maatregelen voor gevolgbeperking (categorie B). Het type maatregel hangt samen met de kans. Reserveer ruimte voor toenemende waterstanden (en versterking keringen) Categorie C: Hou rekening met meer frequente overstromingen in buitendijkse (waterbergende) gebieden (zee-invloedsgebied of overgangsgebied), in het bijzonder bij vitale en kwetsbare functies. Categorie D: Bebouwing in buitendijkse gebieden in het rivier-invloedsgebied (stroomvoerend) beperkt de benodigde afvoercapaciteit. Hiervoor is de laag rivier-invloedsgebied stroomvoerend gebruikt en bebouwing langs keringen (Bron data: Beleidslijn Grote Rivieren, Rijkswaterstaat (2020)). Dit is in lijn met de brief Water en bodem sturend waarin staat: "Er zijn nu al locaties aan te wijzen waarvoor geldt dat bebouwing niet verstandig is en dus vermeden dient te worden. Hier gaat het om locaties zoals de buitendijkse gebieden in het IJsselmeer, het rivierbed, langs dijken en keringen en de diepste delen van de (diepe) polders." Categorie D: Weeg langs keringen de locatiekeuze voor bebouwing zorgvuldig af om kostenafwenteling (voor meer complexe versterkingen) op de toekomst en het publiek domein te voorkomen. Hiervoor zijn de lagen primaire keringen en duinen gebruikt (zie kaart A.3.1 Waterveiligheidssysteem).

Bebouwing langs keringen wentelt kosten voor meer complexe versterkingen af op de toekomst en het publieke domein. Weeg langs de dijken, duinen en keringen de locatiekeuze zorgvuldig af. Dit is in lijn met de brief Water en bodem sturend waarin staat: "Er zijn nu al locaties aan te wijzen waarvoor geldt dat bebouwing niet verstandig is en dus vermeden dient te worden. Hier gaat het om locaties zoals de buitendijkse gebieden in het IJsselmeer, het rivierbed, langs dijken en keringen en de diepste delen van de (diepe) polders." Er is gekozen om alle primaire keringen categorie D te maken, om te voorkomen dat ontwikkelingen toekomstige dijkversterkingen belemmeren. Er is besloten om de regionale keringen voorlopig (nog) niet mee te nemen. Er was binnen de werksessies discussie over het al dan niet nog toevoegen van een binnendijkse reserveringszone langs de duinen. Ook speelde de vraag of er langs keringen kan worden gebouwd als dit tijdelijk is of als het profiel van vrije ruimte wordt gerespecteerd. Ook hiervoor geldt echter categorie D.

––

–– ––

––

––

––

––

Interpretatie waterveiligheid geschiktheidskaart verstedelijking Hou rekening met het binnendijkse overstromingsrisico (gevolgbeperking). Voor de legenda is het Convenant klimaatadaptief bouwen als uitgangspunt gebruikt. Op basis van expert judgement is besloten vooral in te zetten op gevolgbeperking bij mogelijke overstromingsdiepten van > 50 cm of >200 cm, met een kans groter dan 1:30.000 (overstromingen met een kans kleiner dan 1:30.000 zijn een acceptabel risico). In de afrondende discussie kwam naar voren dat alle of delen van diepe polders wat betreft bebouwing met een C moeten worden geclassificeerd. Nu blijven diepe polders zoals polder de Noordplas en de Vrouwenpolder groen, terwijl ze direct langs groot boezemwater liggen. Dit is nog niet doorgevoerd in het kaartbeeld. Naar verwachting zal er in het komende jaar (vanuit het Rijk) een verdere verdieping komen op de richtlijnen voor het omgaan met gevolgbeperking in binnendijkse gebieden. In vergelijkbare trajecten gebruiken de provincies Noord-Holland en Utrecht, en de waterschappen HDSR, AGV en HHNK een andere categorie-indeling gebaseerd op de tabel uit de presentatie Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat september 2022 “Uitwerking coalitie Akkoord Kabinet: ‘Water en bodem sturend’ Concept Richtinggevend kader voor bebouwd gebied”. Categorie C: Binnendijkse gebieden met kans > 1: 30.000 op > 200 cm.

Hiervoor is de kaartlaag met gebieden die meer dan 200 cm diep kunnen overstromen in 2050 bij een middelgrote kans, kleine kans, zeer kleine kans gebruikt. Bron data: LIWO (2022) ‘Overstromingskansen norm (2050)’. Bij overstromingen van meer dan 200 cm kan substantiële schade of slachtoffers optreden. Woningbouw in deze gebieden vraagt om een andere aanpak met maatregelen voor gevolgbeperking, met extra aandacht voor gebieden met vitale en kwetsbare functies of weinig mogelijkheden voor verticale evacuatie (categorie C). Het type maatregel hangt samen met de kans. Categorie B: Gebieden die > 50 cm kunnen overstromen met kans > 1:30.000. Hiervoor is de kaartlaag met gebieden die meer dan 50 cm diep kunnen overstromen in 2050 bij een middelgrote kans, kleine kans, zeer kleine kans. gebruikt. Bron data: LIWO (2022) ‘Overstromingskansen norm (2050)’. Bij overstromingen van meer dan 50 cm kan schade optreden. Vitale en kwetsbare

––

––

Interpretatie waterveiligheid geschiktheidskaart landbouw Pas buitendijks bedrijfsvoering aan. Buitendijkse gebieden die frequent overstromen zijn op termijn niet geschikt voor landbouwvormen met vollegrondsgewassen en voor gebouwen ten behoeve van veeteelt. Hiervoor is de kaartlaag gebruikt met Buitendijkse overstromingsdiepte 2050 bij kleine kans 1:1.000. De eerste indicatie (expert judgement) zijn de buitendijkse waterstanden die nu met een terugkeertijd van 1: 1.000 optreden, en in 2100 onder invloed van zeespiegelstijging met een terugkeertijd van 1: 100 optreden. Bij welke overstromingskans welke vorm van landbouw daadwerkelijk niet meer rendabel is, vraagt nog onderzoek.

––

––

92

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

Interpretatie waterveiligheid geschiktheidskaart natuur Strategie intergetijdengebieden. Het wegvallen van intergetijdengebieden (als gevolg van een snelle en grote mate van zeespiegelstijging) heeft door de grote waarde van intergetijdennatuur een negatieve impact op de natuur in de hoofdwateren. Er is nog geen goede analyse beschikbaar van de potentieel

––

93

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

––Bron data: Informatiehuis water - IHW (waterschappen, bewerking PBL (2022), kaart

verdrinkende intergetijdengebieden. Ter indicatie is de kaart opgenomen met buitendijkse gebieden die frequent overstromen (1:1.000).

‘beoordeling ecologische kwaliteit, Kaderrichtlijn Water, 2021’.

A5 Grondslag kaartbeelden zoetwaterbeschikbaarheid en -kwaliteit

Fig. A.4.4 Themakaart Grondwaterafhankelijke natuur en mogelijke schade bij watertekort Grondwaterafhankelijke natuur en mogelijke schade bij watertekort. Bron data: Deltares (2014), kaart ‘Water voor terrestrische natuur’ t.b.v. DANK - via Digitale Atlas Natuurlijk Kapitaal.

––

Fig. A.4.1 Themakaart interne verzilting (nu en in de toekomst) Zoutvracht naar oppervlaktewater (kg/ha/jaar) voor huidige situatie. Bron data: Deltares (2022) ‘Zoutvracht naar oppervlaktewater (kg/ha/jaar) voor de huidige situatie’ uit ‘Grondwaterverzilting en watervraag bij een stijgende zeespiegel’. Aangevuld met data van WSHD van de verzilting op Goeree-Overflakkee, Voorne Putten en Hoeksche Waard. Indicatie interne verzilting op de lange termijn (+1 m zeespiegelstijging). Bron data: Deltares (2022) ‘Verschil zoutvracht naar oppervlaktewater (kg/ha/jaar) ten opzichte van de huidige situatie voor zichtwaarde 1 m zeespiegelstijging.’ uit ‘Grondwaterverzilting en watervraag bij een stijgende zeespiegel’. Belangrijke notie bij deze kaart is dat Waterschap Hollandse Delta veel zoetwater beschikbaar heeft vanuit de rivieren, terwijl de gebieden in dijkring 14 (beslaat het merendeel van Zuid-Holland) in droge perioden beperkingen kennen in de zoetwateraanvoer die vanuit de Lek, Nieuwe waterweg en de Hollandsche IJssel komt. Zo wordt de Haarlemmermeer bij droogte als eerste niet meer voorzien van zoetwater ten behoeve van de doorspoeling.

––

Fig. A.4.5 Themakaart potentiële schade landbouwgebieden door droogte (lage grondwaterstanden). Kans op droogtestress (huidig en W +2050). Bron data: KWR water (2017), ‘Droogteschade landbouw’ via Klimaateffectatlas Zuid-Holland (nov 2022). Deze kaart geeft aan op welke plekken een aaneengesloten grasmat meer dan 20 mm water in een jaar tekort komt gedurende een aaneengesloten periode van 10 dagen (Bartholomeus et al. 2011a). Het is berekend met PROBE2 (Witte et al, 2015) op basis van de uitkomsten van het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (De Lange et al. 2014) zie www.nhi.nu. In deze kaart is geen rekening gehouden met de mogelijkheden of juist beperkingen in wateraanvoer vanuit het oppervlaktewatersysteem. Hierdoor geeft deze kaart nog geen goede indicatie van de gebieden waar droogte een opgave is. Deze laag is dan ook niet doorvertaald naar de geschiktheidskaarten.

––

–– ––

Fig. A.4.2 Themakaart externe verzilting (nu en in de toekomst) met de zoetwaterinlaatpunten die op termijn vaker verzilten en Klimaatbestendige Wateraanvoer. Zoutindringing huidige situatie en toekomstscenario. Bron data: Deltaprogramma (2014) uit ‘Wateratlas Zuid-Holland. Het Zuid-Hollandse watersysteem in kaart’ (LINT landscape architecture 2015). Aangepast op basis van expert judgement. Huidige zoutindringing oppervlaktewater. Bron data: Expert judgement. Huidig zout oppervlaktewater. Bron data: Deltares (2015) via Atlas Natuurlijk Kapitaal. Gegevens zijn indicatief. Inlaatpunten. Bron data: WABES punten Chloride en meest belangrijke inlaatpunten HHSK (via expert HHSK). Aangevuld middels expert judgement. Inlaat-/uitwisselpunten die (kunnen) verzilten. Bron data: Deltares (2014) en HydroLogic (2020) ‘Verzilting inlaatpunten 2050’ via klimaateffectatlas ZuidHolland uit ‘Onderzoek lange termijn risico’s verzilting en waterbeschikbaarheid Fase 2’ (aangevuld door expert judgement). Mogelijke mate van verzilting via inlaat. Bron data: expert judgement. Verschillende waterschappen hebben verschillende grenswaardes voor chloridegehaltes tot wanneer ze gebiedsvreemd water nog inlaten. Verzilting via Bergsluis is afhankelijk van de keuze om deze doorlaat wel of niet te gebruiken. Het is een doorvoerpunt dat open gezet moet worden en geen standaard inlaatpunt.

Klimaatbestendige wateraanvoer. Bron data: Deltares (2014) ‘Verzilting’ via Klimaateffectatlas Zuid-Holland (thema droogte), aangepast op basis van expert judgement. Bron data Doorvoer Krimpenerwaard: expert judgement.

Fig. A.4.6 Kaart grondwaterbeschermingsgebieden Drinkwater winningslocaties (globaal), Grondwaterbeschermingsgebieden en Grondwaterlichamen in Zuid-Holland. Bron data: Provincie Zuid-Holland ‘Strategisch zoet grondwater’ via interactieve kaarten en atlassen provincie ZuidHolland (nov 2022).

––

–– –– ––

Interpretatie zoetwaterbeschikbaarheid en -kwaliteit geschiktheidskaart verstedelijking Bescherm grondwatervoorraden en drinkwaterinfrastructuur. (categorie B) Voorkom perforaties van waterdichte lagen in de bodem die de grondwatergebieden beschermen tegen verontreinigingen uit de hogere bodemlagen (niet te doorboren ten behoeve van bijvoorbeeld warmtekoudeopslag WKO). Dit is van toepassing op de gebieden uit de lagen 'waterwingebieden' en 'grondwaterbeschermingsgebieden' (zie kaart A.4.6 Grondwaterbeschermingsgebieden). Bij experts was er discussie over wat dit eventueel extra vraagt en of dit voldoende geborgd is in de verordening (en zo ja of de implementatie afdoende streng is). Uiteindelijk is ervoor gekozen voor categorie B omdat het gedeelde beeld was dat dit onderdeel extra aandacht behoeft. Zet (met name in stedelijk gebied) maximaal in op sponswerking (categorie B). Dit kan door onnodige bodemafdekking te voorkomen (water beter laten infiltreren) en duurzaam bodembeheer (water beter vasthouden in de bodem) en is in lijn met de brief Water en bodem sturend en het Convenant klimaatadaptief bouwen. Aangezien de sponswerking in het gehele stedelijk gebied van belang is, is voor de gebiedsduiding de kaartlaag met bestaand stedelijk gebied gebruikt: 'Bevolkingskernen' van CBS (2011, dit is de meest recente CBS kaart).

Tijdens de werksessies kwam naar voren dat het ontharden op plekken waar ruimte in de ondergrond is (sponspotentie), nog beter benut kan worden.

––

–– –– ––

––

––

Fig. A.4.3 Themakaart beoordeling ecologische kwaliteit Kaderrichtlijn water op basis van meetresultaten

94

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

95

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

––Zonering van de ondergrond (categorie B). Het is met name in stedelijk gebied druk

––Hou rekening met toenemende verzilting. Ondanks dat zoetwaterafhankelijke

in de ondergrond. Zet in op een goede zonering die grondwaterstromen zo min mogelijk beïnvloedt en voldoende ruimte biedt voor nieuwe waterbergingsfuncties. In lijn met de brief Water en bodem sturend moet de regie op de inrichting van de ondergrond worden versterkt. Aangezien dit om aanvullende randvoorwaarden vraagt voor (ontwikkelingen in) bestaand stedelijk gebied is het bestaand stedelijk gebied ingedeeld in categorie B (bron data: 'Bevolkingskernen' CBS (2011, dit is de meest recente CBS kaart).

natuur met onomkeerbare schade bij watertekorten hoog in de verdringingsreeks staat en er sterk wordt ingezet op het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk gebiedseigen water, kan het zijn dat er in perioden van droogte niet voldoende zoetwater van voldoende kwaliteit aangevoerd kan worden of dat brak water moet worden ingelaten om bijvoorbeeld de stabiliteit van dijken te borgen. In natuurgebieden waar steeds vaker brakke of zoute condities optreden kan het zijn dat bepaalde zoetwaterafhankelijke natuur op termijn om aanpassing van de inrichting of het type natuur vraagt (categorie C). Voor deze kaart zijn als indicatie de kaartlaag met interne verzilting gebruikt (Deltares 2022, zie ook kaart A.4.1. Interne Verzilting). In de geschiktheidskaart is de toekomstige verzilting met stippels aangegeven wegens grotere mate van onzekerheid (gerelateerd aan zeespiegelstijging). Er is nog geen goede datalaag beschikbaar die inzicht geeft in de verziltende gebieden waar de beperkte doorspoelcapaciteit naar verwachting tot knelpunten zal leiden, of hoe ver het brakke water via de inlaatpunten zoals die bij Gouda het gebied in zal trekken. De toekomstige verzilting is ook sterk afhankelijk van beleidskeuzen zoals de oplossingsrichtingen voor zeespiegelstijging (open of gesloten Rijn-Maasmonding).

Interpretatie zoetwaterbeschikbaarheid en kwaliteit geschiktheidskaart landbouw Hou rekening met toenemende verzilting. Momenteel lukt het in droge perioden vaak nog (net) om verziltende gebieden van voldoende zoetwater te voorzien om de huidige bedrijfsvoering voort te zetten. Op termijn kan de aanvoer van extra (schaars) zoetwater van buiten het gebied niet altijd en overal gegarandeerd worden, waardoor er op termijn vaker sprake zal zijn van tijdelijke en regionale verzilting (dit is in lijn met de brief Water en bodem sturend). Voor deze kaart zijn als indicatie de kaartlaag met interne verzilting gebruikt (Deltares 2022, zie ook kaart A.4.1. Interne Verzilting). In de geschiktheidskaart is de toekomstige verzilting met stippels aangegeven wegens grotere mate van onzekerheid (gerelateerd aan die van zeespiegelstijging). Er is nog geen goede datalaag beschikbaar die inzicht geeft in de verziltende gebieden waar de beperkte doorspoelcapaciteit naar verwachting tot knelpunten zal leiden, of hoe ver het brakke water via de inlaatpunten zoals die bij Gouda het gebied in zal trekken. De toekomstige verzilting is ook sterk afhankelijk van beleidskeuzen zoals de oplossingsrichtingen voor zeespiegelstijging (open of gesloten RijnMaasmonding).

Doordat de toenemende verzilting in sommige gebieden vraagt om een (substantiële) aanpassing van de bedrijfsvoering of locatiekeuze en er behoefte is aan innovatieve maatwerkoplossingen, vallen deze kaartlagen in categorie C. Zet in op een slimme watercyclus (categorie C) waarbij het schoonste water (nabij de inlaat of bron) hoogwaardig wordt gebruikt, en uitspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen aan het eind van de keten voorkomen wordt. Dit is in lijn met de brief Water en bodem sturend. In het kader van het NPLG werken provincies de benodigde maatregelen uit voor de restopgave voor de KRW- en de Nitraatrichtlijn, voor zover deze worden beïnvloed door agrarische bronnen. Het realiseren van een slimme watercyclus is complex en vraagt om afstemming tussen verschillende partijen (categorie C). Het betreft een generiek principe en is daarom niet geduid op de geschiktheidskaart. Creëer zoetwaterbuffers voor de natuur (categorie B). Natte natuur kan door hydrologische bufferzones aan te leggen en nutriënten in het oppervlaktewater te beperken, worden beschermd tegen droogteschade (hogere grondwaterstanden en onttrekkingsverbod). Dit is in lijn met de brief Water en bodem sturend. Er is nog geen ruimtelijke uitwerking of strategie die zoekgebieden voor hydraulische buffers duidt.

De kaartlagen met grondwaterafhankelijke natuur (afhankelijk van hoge grondwaterstanden) met onomkeerbare schade bij watertekort (legendaeenheid rood en oranje uit kaart A.4.4 Grondwaterafhankelijke natuur en mogelijke schade bij watertekort) zijn als indicatie gebruikt. De daadwerkelijke bufferzones zullen rondom deze gebieden vallen. De aanleg van bufferzones in agrarisch gebied zal leiden tot aanvullende randvoorwaarden of aanpassingen in de bedrijfsvoering.

––

A5 Grondslag kaartbeelden hittestress

Fig. A.5.1 Themakaart stedelijk hitte eiland effect Warme gebieden Stedelijk hitte eiland effect. Bron data: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2020) via Atlas Natuurlijk Kapitaal (nov 2022).

––

Fig. A.5.2 Themakaart risico opwarming oppervlaktewater en natuurbrandgevoeligheid Langste reeks dagen oppervlaktewater > 20°C (2050 Hoog). Bron data: Wageningen Environmental Research (WEnR) & TAUW (2017) ‘Risico opwarming oppervlaktewater (scenario 2050 Hoog)’ via Klimaateffectatlas (nov 2022). Natuurbrandgevoeligheid (2050 Hoog). Bron data: Wageningen Environmental Research (WEnR) & Deltares (2021) ‘Natuurbrandgevoeligheid, scenario 2050 Hoog’ via Klimaateffectatlas (nov 2022).

––

–– ––

Interpretatie hitte geschiktheidskaart verstedelijking Hitte meenemen in ontwerp (categorie B). Om hittestress in bestaand bebouwd gebied te beperken, zal in het ontwerp meer rekening moeten worden gehouden met maatregelen die de hitte en hittestress kunnen beperken. Om op de schaal van de provincie Zuid-Holland een beeld te geven van de gebieden met hittestress, is door middel van expert judgement besloten de kaart 'Stedelijk hitte eiland effect' (zie ook Fig. A.5.1) als uitgangspunt te nemen. Gebieden met een temperatuurverschil tussen stad en land van meer dan 1,2 graden zijn op basis van expert judgement toegewezen. Voor een goede hittestrategie moet verder worden ingezoomd, omdat hitte zeer lokaal kan optreden en de maatregelen maatwerk zijn. Hiervoor zijn over het algemeen al goede en gedetailleerde datasets beschikbaar. Een mooi voorbeeld is WeerWoord Rotterdam 2030. Zonering van de ondergrond (categorie B). Een goede ondergrondse zonering is essentieel om te zorgen dat bijvoorbeeld drinkwaterleidingen niet opwarmen. Er zal daarom moeten worden toegezien op voldoende scheiding van

––

––

––

Interpretatie zoetwaterbeschikbaarheid en kwaliteit geschiktheidskaart natuur

96

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

97

Klimaatonderlegger Zuid-Holland

––In de klimaatonderlegger verstedelijking zijn de vijf thematische

drinkwaterleidingen, warmtenetten en clusters van energiekabels. De regie op de inrichting van de ondergrond zal versterkt moeten worden. Dit is in lijn met de brief Water en bodem sturend. Aangezien dit om aanvullende randvoorwaarden vraagt voor (ontwikkelingen in) bestaand stedelijk gebied, is het bestaand stedelijk gebied ingedeeld in categorie B (bron data stedelijk gebied: 'Bevolkingskernen' CBS (2011, dit is de meest recente CBS kaart). Robuuste stedelijke watersystemen (categorie B). Door opwarming van het oppervlaktewater in stedelijk gebied, neemt de waterkwaliteit af en kan overlast ontstaan (bv. vissterfte, blauwalg en stank). Zorg daarom voor een robuust groenblauw netwerk in en rond stedelijk gebied met bijvoorbeeld voldoende volume, doorspoeling, ruimte voor waterplanten en het voorkomen van overstorten van riolering. Omdat dit ook zoeken naar meer ruimte voor het watersysteem inhoudt, is het hele stedelijk gebied meegenomen (en niet alleen het bestaande stedelijk watersysteem). Bron verstedelijking: 'Bevolkingskernen' CBS (2011).

geschiktheidskaarten over elkaar heen gelegd. Daarbij heeft ieder gebied de hoogste categorie die daar voorkomt, toegewezen gekregen (categorieën oplopend van A tot D). Dat betekent dat als er op een plek meerdere themakaarten zijn met categorie C (bijvoorbeeld bodemdaling, wateroverlast en waterveiligheid), dit gebied nog steeds in categorie C valt omdat deze opgaven te adresseren zijn met een substantiële inspanning waarbij meerdere partijen zich inzetten om tot een klimaatadaptieve ontwikkeling te komen. Ontwikkellocaties. Bron data NOVEX woningbouwgebieden: Op basis van BZK (2022) ‘Grootschalige NOVEX woningbouwlocaties’. Bron data woningbouwplannen: Provincie Zuid-Holland, laag ‘Onderzoek_Water_Klimaat_Ruimte’ via provincie Zuid-Holland (ontvangen januari 2023). Selectie laag ‘woningbouwlocaties’. Bron data ontwikkeling industrie: Provincie Zuid-Holland, laag ‘Onderzoek_Water_ Klimaat_Ruimte’ via provincie Zuid-Holland (ontvangen januari 2023). Selectie laag ‘Bedrijventerrein harde capaciteit’ en ‘Bedrijventerrein zachte capaciteit’.

––

––

Interpretatie hitte geschiktheidskaart landbouw Hou rekening met impact hitte op gewassen en vee (categorie B). Gewassen die gevoelig zijn voor hitte worden minder rendabel en kunnen vragen om aanpassingen in de bedrijfsvoering en gewaskeuze. Er is momenteel nog geen goede kaartlaag beschikbaar van hittestress in landelijk gebied en welke gewassen hier de meeste impact van ondervinden. Daarom is de gehele provincie in de geschiktheidskaarten ingedeeld bij categorie B, waar gezorgd moet worden voor koele schaduwrijke plekken voor vee. Ook hier is een goede vitale bodem met een goede vochtbalans belangrijk. Beperken nutriëntenbelasting (categorie B). Door hogere temperaturen neemt de druk op aquatische ecosystemen toe. Een hogere gemiddelde temperatuur (en hogere gemiddelde watertemperatuur) leidt tot grotere dag-nachtfluctuaties in zuurstofconcentraties, een andere soortensamenstelling, minder ijsbedekking in de winter waardoor bepaalde drijvende waterplanten dominanter worden, een soortenverschuiving bij vissen en een grotere overleving van exoten. Hierdoor wordt de inzet op het beperken van nutriëntenbelasting vanuit de landbouw in de hele provincie nog belangrijker. Dit is in lijn met de brief Water en bodem sturend.

––

Fig. B.6.2 Praatplaat nieuwbouwlocaties Voor de NOVEX woningbouwlocaties en de > 3 ha ontwikkellocaties is aangegeven waar welke substantiële adaptatieopgaven spelen (categorie C en D) vanuit water, bodem en klimaatverandering. Ontwikkellocaties. Bron data NOVEX woningbouwgebieden: Op basis van BZK (2022) ‘Grootschalige NOVEX woningbouwlocaties’. Bron data woningbouwplannen: Provincie Zuid-Holland, laag ‘Onderzoek_Water_Klimaat_Ruimte’ via provincie Zuid-Holland (ontvangen januari 2023). Selectie laag ‘woningbouwlocaties’ Bron data ontwikkeling industrie: Provincie Zuid-Holland, laag ‘Onderzoek_Water_ Klimaat_Ruimte’ via provincie Zuid-Holland (ontvangen januari 2023). Selectie laag ‘Bedrijventerrein harde capaciteit’ en ‘Bedrijventerrein zachte capaciteit’. Ontwikkelingen met substantiële klimaatopgave (categorie C en D). Waterbestendig in gebied regenwateroverlast en vernatting: selectie van ontwikkelingen die overlappen met de laag ‘Te nat 2050’ (Deltares 2021). Waterbestendig in 10 % laagste delen polders: selectie van ontwikkelingen die overlappen met de laag ‘10 % laagste delen polders’ (SWECO 2022). Bodemdalings- en waterbestendig bouwen: selectie van ontwikkelingen die overlappen met de laag ‘Gebieden met > 60 cm zetting bij belasting’ (Deltares 2022) en ‘Zoekgebieden voor het verhogen van het waterpeil t.b.v.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14407504/1