RIS318970 Bijlage Visie op de Ondergrond
Tekst van het document
5.8 De ondergrond als energiemotor In 2015 is het Klimaatakkoord van Parijs afgesloten met als de doel de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 tot 2 graden. Hiervoor moet de uitstoot van broeikasgassen in 2050 tot bijna nul zijn teruggebracht. Dit is in de Klimaatwet vastgelegd. Den Haag heeft zich als ambitie gesteld om in 2030 klimaat neutraal te zijn. In Transitievisie Warmte staan de plannen waarmee Den Haag in de periode tot 2030 meer en meer overstapt naar een duurzame energievoorziening. De ondergrond vervult hierin een spilfunctie: als bron van warmte, voor opslag van (zomer)warmte en (winter)koude en voor distributie van duurzaam opgewekte energie via veelal nieuwe netwerken. Warmte-koude opslag: Open en gesloten In de Haagse ondergrond zijn meerdere watervoerende pakketten te onderscheiden. Dit zijn zandlagen die gescheiden worden door klei of leemlagen. De verschillende waterpakketten hebben een grote potentie voor de opslag van warmte en de winning van koelte uit het grondwater. Bij open bodemenergiesystemen wordt in een watervoerend pakket (op enkele tientallen tot enkele honderden meters diepte) een ’bel’ warm water en een ‘bel’ koud water gemaakt. In de winter wordt koud water in de koude bel geïnfiltreerd en warm water onttrokken aan de warme bel. In de zomer gebeurt het omgekeerde.
Dan wordt de opgeslagen koude gebruikt om gebouwen te koelen en wordt zomerwarmte geladen in de warme bel. Belangrijk hierbij is het creëren van balans tussen de hoeveelheid opgeslagen en onttrokken warmte en koude door het jaar heen, zodat de ‘bellen’ goed blijven presteren. Op dit moment zijn ongeveer ca 90 WKO-systemen voor vooral grotere complexen als kantoren, scholen, ziekenhuizen en flats gerealiseerd. Het merendeel van deze systemen ligt in het centrum onder de vele overheidsgebouwen. De drukte van systemen zorgt er echter ook voor dat zij elkaar in de weg kunnen zitten. Een koude bel wordt dan bijvoorbeeld opgewarmd door de warme bel van een ander systeem. Door de ondergrond te ordenen, door het aanwijzen van warme en koude gebieden en het verbinden van systemen kan de potentie van de ondergrond optimaal benut worden. Naast open bodemsystemen worden ook gesloten bodemenergiesystemen toegepast. Vooral voor woningen wordt dit systeem toegepast. Bij gesloten bodemsystemen wordt via meerdere lussen warmte en koude onttrokken aan de bodem. Ook hier geldt dat systemen elkaar in de weg kunnen zitten en daardoor niet optimaal functioneren. Interferentie tussen de verschillende systemen zorgt dan voor te veel afkoeling of te hoge opwarming.
Door in gebiedsgerichte bodemenergieplannen de ordening en de toegestane dieptes vast te leggen, kunnen de systemen een optimaal rendement leveren. Het nadeel van deze systemen is echter dat een groot aantal lussen in de bodem worden gebracht tot ca. 200 meter diep. Hiermee worden grondlagen doorboort met het risico ongewenste lekkages. Een ander risico is het lekken van koelvloeistof uit de lussen tijdens het gebruik van het systeem. Geplaatste lussen blijven na gebruik in de ondergrond achter en vormen zo obstakels voor toekomstig ondergronds ruimtegebruik. Geothermie Dieper onder de stadsbodem ligt een enorme bron van warmte. Aardwarmte of ook wel geothermie genoemd. Op een diepte van circa 2000 tot 3000 meter bevindt zich de zogenaamde Schielandgroep, een poreuze grondlaag met een grote hoeveelheid zout grondwater. In de zone Zuidwest (van Kijkduin tot Wateringse Veld) en in de zone Scheveningen-Centrum liggen de meest kansrijke gebieden voor het winnen van warmte. Het opgeslagen grondwater in deze grondlaag heeft een temperatuur tussen de 80 en de 100 graden. Op diepten van 1.500 meter tot 5.000 meter is de 21
temperatuur te benutten voor warmtewinning. Deze warmte is rechtstreeks te gebruiken voor de verwarming van gebouwen. Geothermie maakt gebruik van twee bronnen, één voor onttrekking van het grondwater en één voor infiltratie van het afgekoelde water. Tussen de bronnen zit tenminste 1,5 à 2 kilometer afstand. Een geothermiebron heeft gemiddeld een levensduur van 30 jaar, waarna vanaf hetzelfde boorpunt nieuwe bronnen kunnen worden geboord. Of warmte van een lagere temperatuur kan worden gewonnen. Geothermie heeft de potentie om 25% van de benodigde warmte van onze stad te leveren. Hoge temperatuur warmteopslag (HTO) Voor de optimalisering van warmtenetten kan het opslaan van warmte in de ondergrond worden toegepast. Het gaat om warmte uit bijvoorbeeld geothermie die in periode met lage warmtevraag opgeslagen wordt in de diepere ondergrond. De temperatuur van het opgeslagen water ligt tussen de 50 en 70 graden. Momenteel wordt onderzoek gedaan naar de geschiktheid van de ondergrond van Den Haag voor het opslaan van water van een dergelijke temperatuur. Naast geschiktheid wordt ook bekeken wat biologische en chemische effecten zijn op het aanwezige grondwater. In potentiekaarten wordt aangegeven wat de geschiktheid van de grondlaag is. Het 3e watervoerendpakket lijkt hiervoor het meest geschikt. Dat is dezelfde laag waar momenteel veel WKO’s worden ontwikkeld.
Ter voorkoming van ruimteconflicten is ordening van de diepere ondergrond noodzakelijk. Ruimtereserveringen warmtenetten Gezien het grote belang van een duurzame energievoorziening voor de stad is het van groot belang dat warmtenetten ruimte krijgen in de stedelijke ondergrond. Voor een nieuw warmtenet zijn voldoende gebouwen nodig in een buurt die bij voorkeur snel na de aanleg van het warmtenet aansluiten. Warmtenetten nemen veel ondergrondse ruimte in en vragen voor ondersteunende voorzieningen een goede inpassing in de bestaande bebouwing. Het is daarom wenselijk ruimtereserveringen te maken in die delen van stad waar warmtenetten een grote rol zullen spelen. In de Transitievisie Warmte is voor alle wijken de mogelijke invulling van de warmtebehoefte aangegeven. Voor de periode tot 2030 zullen in de wijken met veel corporatiebezit en gestapelde bouw zoals in Loosduinen, Eskamp, Mariahoeve, en het Centrum warmtenetten prioriteit krijgen. Voor de periode tot 2040 zijn de rest van Zuidwest, Centrum en Bezuidenhout aangewezen als warmtenetwijken. Voor deze wijken zullen ruimtereserveringen worden gemaakt. In het op te stellen Programma Warmte, de jurdische opvolger van de Transitievisie Warmte conform de Omgevingswet, zal een verdere uitwerking van de verduurzaming van de warmtevoorziening per wijk gemaakt worden.
Voor de wijken waar de warmteopties nog open liggen zal dan de voorkeur worden vastgelegd. Om voor de toekomst mogelijke warmtenetten niet onmogelijk te maken is het ook voor deze wijken belangrijk nieuwe belemmeringen zoveel mogelijk te voorkomen. Door bij de aanvragen voor nieuw aan te leggen kabels en leidingen goed te kijken naar de beschikbare ruimte kan een efficiënte ordening worden voorgeschreven. Daarnaast dient bij herinrichting of grote ingrepen de ondergrond toekomstbestendig te worden ingericht. Dit betekent met ruimte voor toekomstige ruimtevragers.
22
Beleidsuitgangspunt: 18. De potentie van de ondergrond voor het winnen en opslaan van warmte en koude wordt zo optimaal mogelijk ingezet. De gemeente draagt zorg voor het voorkomen van interferentie tussen systemen. 19. Open en collectieve bodemsystemen hebben de voorkeur boven gesloten bodemsystemen (individueel en collectief). 20. bodemsystemen dienen op eigen terrein gerealiseerd te worden. Waar dit niet mogelijk is bepaald de gemeente onder welke voorwaarden dit in de openbare ruimte mogelijk is. 21. De diepe ondergrond wordt zo optimaal mogelijk benut voor geothermie en de opslag van warmte. 22. Om toekomstige warmtenetten mogelijk te maken reserveren wij ruimte in de ondergrond en dragen zorg dat nieuwe kabels en leidingen geen belemmering vormen.
5.9 De ondergrondse ruimte voor kabels, leidingen en riolering De zanderige bodem is een ideale plek voor het leggen van kabels en leidingen. Ondergronds zijn de kabels en leidingen beter beschermd tegen wind, vorst en schade. En vormen geen obstakel voor het gebruik van de openbare ruimte. In Den Haag begon het kabel- en leidingenwerk met de introductie van stadsgas voor de stadsverlichting in 1844, riolering in 1860 en drinkwater in 1874. Eind 19e eeuw kwamen daar telefonie en elektriciteit bij. Pas ver in 20e eeuw nam het aantal ondergrondse kabels en leidingen een grote vlucht. Naast aardgasleidingen en hemelwaterriolen volgde vele telecom- en datakabels en nieuwe warmtenetten. Inmiddels legt deze infrastructuur een grote ondergrondse ruimteclaim, met name onder trottoirs en wegen. De riolering ligt meestal onder de weg, omdat dit grote leidingen zijn, relatief weinig onderhoud behoeven en daar de meeste ruimte is. Het trottoir blijft daarna vrij voor middenspanningskabels, gas- en waterleidingen en kleinere kabels en leidingen met korte afstanden voor de huisaansluitingen. In de stad liggen verschillende grote buisleidingen voor het transport van bijvoorbeeld aardgas, drinkwater, warmte, afvalwater en vloeistoffen die gemeentegrensoverschrijdend zijn. Deze 23
buisleidingen leggen restricties op aan het onder- en bovengrondse ruimtegebruik. Zo mogen rond deze leidingen geen bomen of ondergrondse afvalcontainers worden geplaatst. Een van de grootste huidige ruimtevragers in de straten is de riolering. Het rioolstelsel transporteert het afvalwater naar de afvalwaterzuivering. Hemelwater wordt apart afgevoerd naar het oppervlaktewater. Den Haag heeft ca 1.700 km riolering. De verwachte levensduur van de Haagse riolering ligt tussen de 80 en 100 jaar. Dit is voor Nederlandse begrippen zeer lang, zeker in het westen van het land. De reden voor de lange levensduur is dat de riolering voor een belangrijk deel gelegen is in stabiele (zand)grond. De bodemgesteldheid van de wijken Wateringse Veld, Ypenburg en Leidschenveen is ongunstiger vanwege het grote veenpakket in de ondergrond. De verwachte levensduur van de riolering is hier ca. 40 jaar. De gestage groei van de ondergrondse infrastructuur heeft inmiddels tot een ‘spaghetti’ aan kabels en leidingen geleid. Vooral in het centrum en de transformatiegebieden ligt de ondergrond vol met vele soorten kabels en leidingen. Pakketten van gebruikte en vaak ongebruikte mantelbuizen voor telecomkabels liggen schuin boven of zelfs recht boven andere infrastructuur. Hierdoor ontstaan moeilijk beheersbare, kwetsbare en soms ook risicovolle situaties.
Deze leiden tot grote vertragingen in de uitvoering en hogere kosten bij reguliere onderhouds-en reparatie werkzaamheden. Gebrek aan toezicht/handhaving en landelijke regelgeving op het gebied van telecom hebben ervoor gezorgd dat tal van deze situaties inmiddels voorkomen en de komende jaren voor problemen zal zorgen. Landelijk liggen de maatschappelijke kosten van graafschade sinds jaren rond de 40 miljoen euro. Het probleem speelt overigens ook al in de ruimer opgezette buitenwijken, zoals in Zuidwest. Ruimte efficiënt gebruiken De tendens is dat er steeds meer kabels en leidingen nodig zullen zijn voor de energietransitie en de verdere digitalisering. Dit vraagt om een goed geordende ondergrond waar kabels en leidingen ruimte-efficiënt liggen en in drukke gebieden in gebundelde vorm. Op deze wijze is het mogelijk de beperkte ruimte optimaal te gebruiken en ruimte te bieden voor de nodige uitbreiding nieuwe netwerken. De geordende ondergrond biedt daarbij ruimte voor een openbare ruimte met bomen en waterberging. Beleidsuitgangspunt: 23. De gemeente voert actief regie op de plaatsing en verwijdering van ondergrondse infrastructuur. Netbeheerders worden vroeg in het planproces betrokken. 24. Ingrepen voor kabels-en leidingen worden gebruikt om de ondergrond toekomstbestendiger in te richten. 25.
In gebieden met grote drukte in de ondergrond wordt bundeling, meervoudig ruimtegebruik en prioritering van functies als uitgangspunt genomen.
24
6. Keuzes maken in de ondergrond De opgave voor de ondergrond wordt steeds duidelijker nu de stad binnen de bestaande grenzen verdicht. Naar 2030 groeit het aantal inwoners tot zo’n 600.000 om tot 2040 door te groeien naar circa 625.000 inwoners. De groei vindt plaats binnen de bestaande wijken en in nieuwe hoogstedelijke woon- en werkmilieus. Grote bedrijventerreinen als de Binckhorst en Laakhavens worden hiervoor getransformeerd naar levendige stadswijken. In Zuidwest vindt grootschalige herstructurering en verdichting plaats. Steeds vaker wordt ruimte in de ondergrond gezocht voor nieuwe parkeergarages, tunnels en complexe infrastructuur. De verdichtende stad vraagt om meer ruimte voor het opvangen van het extremer wordende klimaat, met meer hitte in de zomer en grotere kans op heftige regenbuien. Ook het grondwaterpeil en de inklinking van de veenbodem, in met name de poldergebieden, vragen om monitoring. Vanuit duurzaamheid is de opgave voor de ondergrond groot. De stad heeft de ambitie om richting 2030 klimaatneutraal te zijn en gaat in de deze periode per wijk over naar een passende duurzame energie oplossing. Van nieuwe warmtenetten op verschillende temperaturen, hybride warmtepompen naar verzwaarde energienetten voor all electric oplossingen. Alle opgaven ontmoeten elkaar in de bovengrondse én ondergrondse ruimte.
Er is sprake van ruimteconcurrentie in de ondergrond en een noodzaak om de ingrepen in de ondergrond goed op elkaar af te stemmen om de overlast van wegopbrekingen zoveel mogelijk te beperken. Om een antwoord te kunnen geven op de ruimteconcurrentie is het nodig om deze voorzieningen in samenhang te bezien en te komen tot een afgewogen inrichting van de onder- en bovengrond.
6.1 Afwegingsprincipes vanuit bestaand beleid In verschillende gemeentelijke beleidsnota’s zijn afwegingsprincipes of randvoorwaarden opgenomen over de inrichting van de buitenruimte. Deze hebben voor een deel ook betrekking of invloed op de ondergrond. De Agenda Ruimte voor de Stad richt zich op de ruimtelijke randvoorwaarden voor gewenste ontwikkelingen van de stad in de periode tot 2040. Het vormt de onderlegger voor het ruimtelijk beleid van de gemeente. Voor de ondergrond is het uitgangspunt voor slim ruimtegebruik relevant: 1. Slim ruimtegebruik in de stad is nodig voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. Door werk met werk te maken, door slimme combinaties van stedelijke functies en door innovatieve vormen van bouwen mogelijk te maken, kan veel ruimte gewonnen worden. 2. Gekeken zal worden naar het ondergronds brengen van infrastructuur en naar de mogelijkheden om te schuiven met functies. 3. Voor het versnellen van OV, voor parkeren, voor het beter inpassen van auto-infrastructuur, maar ook voor warmtenetwerken en digitale infrastructuur zal de ondergrond steeds intensiever worden gebruikt. De kadernota Openbare Ruimte stelt 3 leidende principes voor de inrichting van de buitenruimte: 1. 2. 3.
Combineren van functies boven enkelvoudige toepassingen; Centraal stellen van gebiedskenmerken; Afwentelen voorkomen (in tijd of gebied);
In de nota ‘Haagse hoogbouw: Eyeline en Skyline’ is een aantal randvoorwaarden opgenomen over de relatie met de ondergrond: 25
1. Buitenruimte: een integraal ontworpen (groene) buitenruimte, die bijdraagt aan de interactie in het gebied; 2. klimaatbestendig ontwerp: vasthouden regenwater op eigen terrein of in de directe omgeving; 3. Bergingen en afval: Bergingen, afvalinzameling en expeditie en de daarbij behorende logistiek dienen zorgvuldig te worden ingepast; 4. Parkeren oplossen op eigen terrein, bij voorkeur ondergronds of in het talud; De samenhang met de ondergrond vraagt om een verdere uitwerking van de afwegingsprincipes. De ondersteunende faciliteiten van water, elektra en data leggen een grote claim op de beschikbare ruimte. Voor de uitbreiding van de verschillende netwerken zijn vele extra ondersteuningspunten zoals trafohuisjes, POP’s (glasvezelknooppunt) en inspectieputten e.d. nodig. Uitgangspunt is dat deze zoveel mogelijk worden ingepast in de bebouwing en pas in het uiterste geval een plek krijgen in de openbare ruimte. Hiervoor stellen wij duidelijke regels.
6.2 Afwegingskader voor de ondergrond Om richting en ondersteuning te geven bij het maken van keuzes bij de inrichting van de ondergrondse ruimte maken wij gebruik van een afwegingskader. Met het afwegingskader wordt een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van de ondergrond gestimuleerd. Het toepassen van het afwegingskader is aan de orde in die delen van de stad waar de ondergrondse opgaven voor knelpunten en uitdagingen zorgt. Door al tijdens het planvormingsproces zichtbaar te maken of de beoogde functies allemaal een plek kunnen krijgen in de ondergrond kunnen lastige keuzes eerder gemaakt en onderbouwd worden. Planvormingsfase biedt hiervoor meer ruimte dan op een later moment. Zo worden situaties voorkomen waarin bijvoorbeeld én een warmtenet én groen én ondergrondse afvalcontainers zijn bedacht, terwijl dat fysiek simpelweg niet mogelijk is of uit te voeren. In de voorgaande hoofdstukken zijn beleidsuitgangspunten opgenomen die vertaald zijn naar het afwegingskader, zoals het voorkomen van afwenteling, het combineren van functies, gebruiken van de kwaliteit van de ondergrond. In het afwegingskader wordt op basis van 8 criteria bekeken wat de impact van de voorgenomen ontwikkeling op de ondergrond is en waar in het proces deze aan de orde zijn. De criteria zijn in de vragende vorm gesteld.
Dit nodigt het gesprek uit om op zoek te gaan naar de beste oplossing voor gebruik van de ondergrondse ruimte en duidelijk te maken welke aandachtspunten zijn: I. Maatschappelijke opgaven (verkenningsfase) Is de ontwikkeling en de daarbij horende ingrepen in de ondergrond erop gericht om maatschappelijke opgaven te realiseren waarbij de leefomgeving van belang is? Past de ingreep bij de ambities uit het gemeentelijk beleid of een prioritaire opgave? II. Nut en noodzaak (verkenningsfase) Is het gebruik en de daarbij horende ingrepen nuttig en noodzakelijk? Is de uitvoering van de functie of ingreep urgent of zijn er alternatieve mogelijkheden zoals uitstel of een oplossing bovengronds. Of is het een ingreep die gekoppeld is woningbouw, waterbeheer of nutsinfrastructuur. III. Functie volgt ondergrond (planvormingsfase) Vindt bij het beoogd gebruik de functie plaats op de plek waar de kwaliteiten van de bodem en ondergrond daarvoor geschikt zijn? IV. Meervoudig ruimtegebruik (planvormingsfase)
26
Kunnen naast het beoogde gebruik en de daarbij horende ingrepen ook nog toekomstige ruimtevragers een plek in de ondergrond krijgen? Zijn na de ingreep nog mogelijkheden voor het toevoegen van nieuwe functies? V. Regelgeving en afsprakenkader (besluitvormingsfase) Is de uitwerking van het beoogde gebruik en de daarbij passende ingrepen in lijn met wet- en regelgeving en gemaakte afspraken met externe partijen (bijv. convenanten) of moeten significatie aanpassingen worden gedaan om het in lijn te brengen met de regelgeving of afspraken? VI. Negatieve effecten (besluitvormingsfase) Worden negatieve effecten voor de natuur en het bodem- en watersysteem van het voorgenomen gebruik van de ondergrond en de daarbij horende ingrepen voorkomen of beperkt? Kan de bodem bijvoorbeeld herstellen of zijn de risico’s onvoldoende beheersbaar? Heeft de ingreep negatieve effecten op de belangen van stakeholders, zoals het waterbedrijf voor de waterwinning en strategische zoete grondwatervoorraden. VII. Maatregelen ruimtegebruik (besluitvormingsfase) Zijn verdere maatregelen nodig en mogelijk om het ruimtebeslag in de ondergrond te beperken? Zijn bijvoorbeeld uitgebreide maatregelen nodig om het ruimtegebruik in de ondergrond zo beperkt mogelijk te houden? Of is er geen beperking voor ander ruimtegebruik? VIII.
Effecten en beheer (uitvoerings- en beheerfase) Zijn de effecten van de ingreep en het gebruik van de ondergrond voor andere functies en voor de functies en eigenschappen van het bodem- en watersysteem zoals beoogd en werken de beheermaatregelen afdoende om de ondergrond te beschermen tegen aantasting? Zijn maatregelen nodig om de effecten te beperken? De beoordeling van de criteria is kwalitatief met vier categorieën, die met kleuren worden aangegeven:
Het resultaat van het toepassen van de criteria is dat gefundeerd tot gebruik van de ondergrond en de eisen die de gemeente stelt kan worden gekomen.
6.3 Typering van gebieden naar complexiteit Het afwegingskader is vooral relevant voor gebieden waar de druk op de ondergrond groot is of vanwege transformatie en transitie nieuwe ruimteclaims worden gelegd. Om de drukte in de ondergrond inzichtelijk te maken, zijn alle ondergrondse ruimtegebruikers in beeld gebracht en is de vrije ruimte voor het toevoegen van nieuwe ruimtevragers in het straatprofiel bepaald. Aan de hand
27
van de nog beschikbare ruimte is de complexiteit van de opgave te scoren. Hoe minder ruimte, hoe complexer de opgave. Gebieden naar complexiteit van de bodem (ondiepe ondergrond) Uitgangspunt voor het bepalen van de drukte in de ondergrond is de gemiddelde breedte van de straten per buurt, het huidige ondergrondse gebruik en de toekomstige ruimtevraag. In de bestaande stad is de breedte van de straat maatgevend. Deze kan door de bestaande bebouwing niet worden aangepast. In transformatiegebieden bestaat de mogelijkheid om het straatprofiel te verbreden om ruimte te bieden aan nieuwe infra en bomen. Indien dit niet wordt gedaan zal een ruimtebesparende oplossing moeten worden toegepast. De toekomstige ruimtevraag wordt bepaald door de volgende opgaven: -
Vergroening van de openbare ruimte. Warmtenetten (hoge temperaturen en lage temperaturen, inclusief warmteopslag); Netuitbreiding en verzwaring elektra (inclusief trafohuisjes); Uitbreiding van de telecom-netwerken (glasvezel en bijbehorende ondersteuningsvoorzieningen); Klimaatadaptatiemaatregelen (waterbergingsruimte, wortelkratten, infiltratievoorzieningen); Gescheiden rioolsystemen (hemelwater afvoer);
Door de totale toekomstige ruimtevraag af te trekken van de beschikbare ruimte wordt duidelijk waar de nieuwe ruimtevragers ingepast kunnen worden, waar dat met de nodige ingrepen kan lukken en op welke plekken dat niet meer kan zonder grote ingrepen en investeringen. Ook zullen lagen in gebieden aangewezen kunnen worden waar geen ondergrondse infrastructuur mag komen, tenzij hiervoor een duurzame/veilige oplossing wordt toegepast. Uit de analyse komt naar voren dat de drukte in de ondergrond in grote delen van de stad hoog is. Op veel plekken in de stad is weinig tot geen ruimte meer voor het toevoegen van nieuwe functies. De volgende drie niveaus van drukte en daarmee complexiteit komen naar voren:
28
De rode en de gearceerde gebieden vormen de hoog complexe gebieden. Hier is de ruimte in het straatprofiel beperkt en de inpassing van nieuwe functies vraagt grote aanpassingen en is waarschijnlijk zeer kostenverhogend. Innovatieve (ruimtebesparende) oplossingen en/of keuzes tussen functies zijn hier nodig. De oranje en gele gebieden zijn gemiddeld tot hoog complex. In de oranje gebieden zijn er relatief veel wegen met een groot ruimtetekort. Het inpassen van nieuwe functies vraagt zeer waarschijnlijk om herinrichting met optimalisaties. Dit is kostenverhogend. Keuze tussen functies is plaatselijk nodig. Sterke regie op de ondergrond is aan te raden. In de gele gebieden wisselen de wegen met voldoende ruimte en ruimtetekort elkaar af. Het inpassen van nieuwe functies vraagt om herinrichting met optimalisaties. De ruimte kan mogelijk gevonden worden in aangrenzende wegen. Regie en buurtgerichte planning is aan te raden. De groene gebieden hebben een beperkte complexiteit. Dit zijn vooral de groengebieden en de ruim opgezette naoorlogse wijken. De ruimte voor verzwaring van het netwerk en het toevoegen van nieuwe functies is in belangrijke mate aanwezig. Uitgangspunt is dat groene gebieden niet gebruikt worden voor het toevoegen van nieuwe infrastructuur. Binnen deze gebieden vragen lokale knelpunten om regie. -
Gebieden met een hoge complexiteit: Centrum – CID – Scheveningen o
Deze gebieden kenmerken zich door een hoge dichtheid aan gebruikersfuncties zoals ondergrondse constructies als garages in de openbare ruimte, tunnels, kelders, historische boomstructuren, hoogbouw voor kantoren- en wonen. Het stratenpatroon is historisch gegroeid en kenmerkt zich door een afwisseling van brede en smalle straten. In de straten ligt een uitgebreid bed van kabels- en leidingen voor telecom, elektra, gas en riolering. Verschillende tunnels en ondergrondse garages leggen beperkingen op in de ondergrondse ruimte. De opgaven voor deze gebieden zijn divers met een grote impact op de ondergrondse ruimte. Er is sprake een groot ruimtetekort onder het grootste deel van de straten en wegen. De complexiteit is hoog doordat er onvoldoende ruimte in het straatprofiel beschikbaar is voor inpassing van extra nutsvoorzieningen, de opgaven voor energietransitie, groen en klimaatadaptie volgens de standaardoplossingen.
o
De gebieden hebben bovengronds weinig ruimte voor het inpassen van de benodigde ondersteuningsvoorzieningen als trafohuisjes en warmteverdeelstations. De mogelijkheden van inpandige oplossingen zijn in de bestaande stad beperkt. In de transformatiegebieden zijn deze deels voorgeschreven.
o
In het gebied is sprake van een relatie tussen ondiepe en diepe ordening van WKOsystemen in de ondergrond. De WKO-bronnen en de bijbehorende leidingen leggen in combinatie met het warmtenet beperkingen op voor de inrichting van de ondergrond.
o
Het inpassen van nieuwe functies is moeilijk en vraagt om nadere afweging van mogelijke oplossingsrichtingen, bijvoorbeeld stapeling van netwerken (o.a. dubbele maaivelden), het volledig herinrichten van de ondergrond of het maken van keuzes tussen functies. Een extra complicerend aspect is het ontwikkeltempo van de transformatiegebieden. Een kavelgewijze ontwikkeling betekent dat de ondergrondse infra of per kavel aangepast moet worden of dat gezocht wordt naar een nieuw profiel met hulpconstructies. 29
o
-
-
Op plekken waar de complexiteit hoog is, is te verwachten dat de kosten voor goede ruimtelijke inpassing aanzienlijk zullen zijn, omdat alleen de duurdere oplossingsrichtingen hier passen.
Gemiddeld tot hoge complexiteit: Schil om het centrum -Vooroorlogse wijken met veel portiekwoningen o
De vele vooroorlogse wijken worden gekenmerkt door grondgebonden woningen en gestapelde portiekwoningen met afwisselend ruime en nauwere straten. De openbare ruimte wordt in belangrijke mate gebruikt voor parkeren. Het vergroenen van de smallere straten is complex en vraagt om het gebruik van hulpconstructies of een herinrichting van het straatprofiel.
o
Het aanleggen van een warmtenet vormt een uitdaging vanwege het relatief grote ruimtegebruik ondergronds en bovengronds voor de benodigde ondersteuningsvoorzieningen. Het riool zal in veel gevallen opgeschoven moeten worden om hiervoor ruimte te maken.
o
Een gebied kent gemiddelde complexiteit indien de opgaven voor de nutsvoorzieningen in de meeste straten volgens de standaard oplossingen ingepast kunnen worden in combinatie met enige maatregelen voor klimaatadaptie.
Beperkte complexiteit: Delen naoorlogse wijken Mariahoeve, Loosduinen, Zuidwest o
In de overige gebieden, waar het complexiteitsniveau beperkt is, kunnen de opgaven voor de nutsvoorzieningen (goed) ruimtelijk ingepast kunnen worden met reeds beschikbare oplossingen. Wel vraagt dit op zijn minst een gebiedsgerichte regie op de ruimtelijke inpassing, afstemming over uitvoeringsperiode en duidelijke afsprakenkaders met de verantwoordelijke nutspartijen.
Bij het toepassen van het afwegingskader zijn zowel inhoudelijke als procedurele aspecten van belang. Binnen de gemeentelijke organisatie en in de samenwerking met andere belanghebbenden, zoals nutsbedrijven en inwoners, moet dit een plek worden gegeven. Belanghebbenden worden in de positie gebracht dat zij belangen kunnen duiden en grenzen kunnen aangeven van wat mogelijk is. Op basis van de complexiteit van de opgaven in de verschillende wijken, ondersteund met het afwegingskader kan de wijze van regie door de gemeente ingevuld worden. Belangrijk uitgangspunt is dat de gemeente hierin de leiding heeft. Het is in de hoog complexe gebieden dat de noodzaak op regie in de ondergrond het grootst is. De mate van complexiteit geeft ook aan welke vorm van regie gewenst is. Aan de hand van de complexiteitskaart wordt de regierol van de gemeente ingevuld. In de gebieden met een toekomstig lage complexiteit laat de gemeente gebruikers relatief veel autonomie en is er minder noodzaak tot eenduidigheid van de afspraken. In de hoogcomplexe gebieden is juist behoefte aan een actiefconstructieve rol voor de gemeentelijke ondergrondregisseur waarin deze heldere en eenvoudige bakens plaatst. Beleidsuitgangspunt: 26. De mate van complexiteit van een gebied bepaalt de mate van regie die de gemeente voert.
30
27. In complexe gebieden voert de gemeente actieve regie en wordt voor de bodem en ondergrond een ondergrondplan of een integraal gebiedsplan gevraagd.
31
7. Samenwerken aan een Toekomstbestendige bodem en ondergrond Den Haag heeft zich in 2050 ontwikkeld tot een toekomstbestendige stad. De verdichting van de stad is gekoppeld aan de transities voor mobiliteit, klimaat en energie. De bodemkwaliteit, het groene netwerk en watersysteem is kwalitatief versterkt en levert de door de stad gevraagde functies. De uitgangspunten voor het gebruik van de ondergrond hebben geleid tot een efficiënte inrichting die flexibel en toekomstgericht is. Om deze doelstelling te realiseren, moeten ál deze opgaven en ambities in samenhang worden bezien. Ondergrond en bovengrond zijn een gezamenlijke opgave: wij denken het maaiveld weg. Bodem en ondergrond zijn sturend en maken integraal onderdeel uit van het planvormingsproces. Dit betekent dat het ruimtelijk beleid de opgaven en kwaliteiten van de ruimte boven en onder het maaiveld in samenhang en in tijd beziet, een 4D ruimtelijke ordening.
Naar een nieuwe werkwijze: Integrale benadering van de ondergrond Het huidige planproces voor de inrichting van de openbare ruimte heeft lang goed gefunctioneerd. Met het toenemen van de druk op de ondergrond zijn er echter steeds meer problemen ontstaan en worden koppelkansen niet altijd benut. Het beheer- en onderhoud moeten wij sterker koppelen aan de andere opgaven van de stad. Door regie op de ondergrond te voeren, kunnen we veel problemen voorkomen en samenwerken aan integrale oplossingen. Noodzakelijke activiteiten blijven inpasbaar en de overlast voor onze inwoners blijft beperkt. De vooronderstelling dat alles met betrekking tot de ondergrond technisch maakbaar is, gaat niet meer op: we moeten keuzes maken, liefst in een zo vroeg mogelijk stadium van het planproces. Regie op de ondergrond vergt (ruimtelijke) planning en programmering over een lange termijn. De ondergrond kent namelijk een andere dynamiek dan de bovengrond. Ingrepen in de ondergrond zijn vaak onomkeerbaar en hebben een lange afschrijftermijn. Een tunnel wordt niet meer verwijderd uit de ondergrond, rioleringen en warmtenetten gaan decennia mee. Het zoeken naar koppelkansen bij ingrepen in de openbare ruimte en het reserveren van ondergrondse ruimte voor toekomstig gebruik of ter voorkoming van conflicten is daarom noodzakelijk.
Dit geldt ook bij het afwegen van beleidsdoelstellingen bij complexe gebieden. Wij bereiken een toekomstbestendig gebruik van de bodem en ondergrond voor door ons op de volgende zaken te richten:
7.1 Informatie over en inzicht in de bodem en ondergrond Aan de basis van het voeren van regie op de ondergrond staat toegankelijke en betrouwbare informatie over de ondergrond en alles wat zich daarin bevindt. Het zichtbaar maken van de drukte in de ondergrond maakt de relatie tussen ondergrond en bovengrond helder. Zo kan worden aangegeven welke functies en systeemeigenschappen voor een gebied relevant zijn. Waar zich vervuiling in de bodem bevindt of obstakels onder het wegdek, maar ook welke kansen zich voordoen voor bijvoorbeeld infiltratie van regenwater op basis van de samenstelling van de bodem en de grondwaterstand. Het samenbrengen van informatie laat zien waar kansen liggen en conflicten ontstaan. Het maakt het ook mogelijk de ondergrond beter te ordenen en om betere beslissingen te
32
nemen. En tenslotte zorgt het inzicht in de ondergrond in het voorkomen van hoge kosten bij projecten omdat van tevoren inzichtelijk is welke randvoorwaarden de ondergrond stelt. Data over het materiaal, de levensduur van de verschillende objecten in de openbare ruimte, zoals bestrating, bomen, kabels en leidingen, maakt het ook mogelijk zogenaamde hotspots te lokaliseren waar de vervangingen gecombineerd kunnen worden, het werk-met-werk maken. Door breder te kijken kunnen ook transitie en ontwikkelingsopgaven hierin worden meegenomen. Koppelkansen kunnen wij zo verzilveren. Een betere informatievoorziening over de ondergrond faciliteert gebruikers vanuit diverse behoeften (van expert tot strateeg, van burgers tot bedrijven en van beveiligde data tot open data). Hiermee komt één van de doelstellingen van de Omgevingswet “gelijke informatiepositie overheid-burger” dichterbij. Beleidsuitgangspunt: 28. Data van de ondergrond en de gemeentelijke assets worden op kwaliteit gebracht om samen met data van derden een goed inzicht te geven in de functies en het functioneren van de ondergrond. 29. Voor het monitoren van de ontwikkelingen in de ondergrond houden wij de data actueel en zoveel mogelijk toegankelijk
7.2 Interne samenwerking en samenwerking met externe partijen De opgave voor de ondergrond is gelaagd en kent vele belanghebbenden. Binnen de gemeente zijn meerdere diensten verantwoordelijk voor realisering van beleidsdoelen met een impact op de ondergrond en het beheer van de stad. Ook bij medeoverheden liggen taken en bevoegdheden. Net als bij de verschillende nuts- en telecombedrijven die de zorg hebben voor het beheer en onderhoud van voor de stad vitale netwerken. Alle partijen werken vanuit de eigen opgaven en processen en hanteren hun eigen criteria. Voor het realiseren van een toekomstbestendige ondergrond zijn nieuwe vormen van samenwerking nodig. Een sectorale aanpak geeft het vooruitzicht dat grote delen van de stad de komende 20 jaar meerdere keren opgebroken moeten worden. Het is onbetaalbaar en inefficiënt als iedereen zijn eigen agenda hanteert en op een zelfgekozen moment gaat uitvoeren in de buitenruimte. Door het afstemmen van beleidsopgaven en de opgaven van beheer kan een stedelijke programmering gemaakt worden. Deze gebiedsgerichte, integrale programmering wordt samen met o.a. de nutspartijen opgesteld en vormt het startpunt voor de samenwerking intern en extern. Integrale programmering én integrale inrichting vormen de sleutel tot het realiseren van een toekomstbestendige stad.
Rekening houdend met de opgave voor een gebied kunnen de beheeropgaven, knelpunten en oplossingen worden gevonden. Doordachte kabel- en leidingensystemen (gecombineerde bovengrondse voorzieningen, mantelbuizen, kabelgoten, leidingentunnels enzovoorts) en samenwerking tussen de verschillende netbeheerders zijn hierbij belangrijk. In de toekomst willen we afwegingen en keuzes over de ondergrondse ordening maken vanuit het geheel aan opgaven en bovendien op een hoger schaalniveau. Door met elkaar in gesprek te gaan is het mogelijk om gezamenlijk ruimte te zoeken voor alle opgaven en keuzes te maken waar dat niet lukt. Daarom zetten wij in op een strategische netwerkplanning op stadsschaal en wordt onderzocht hoe de ongestoorde ligging van deze strategische ondergrondse hoofdinfrastructuur kan worden geregeld via het omgevingsplan. De strategische samenwerking met verschillende netwerkbeheerders moet ook zijn vertaling krijgen binnen de gemeentelijke organisatie. 33
Beleidsuitgangspunt: 30. Het integraal stedelijk programmeren vormt de basis voor het ontwikkelen van passende samenwerkingsvormen voor de het voeren van regie op de ondergrond. 31. Wij zetten in op het versterken van de ketensamenwerking, zowel intern als met de nutspartijen (elektra, warmte, water en telecommunicatie) op strategisch, tactisch en operationeel niveau.
7.3 Ruimte maken, ruimte zoeken en innovatie In de loop van de tijd zijn er objecten in de ondergrond gebracht die nu geen functie meer hebben. Dat zijn o.a. oude funderingen, grondankers, duikers en ongebruikte kabels en leidingen. Door deze op natuurlijke momenten zoals bij vervanging of een herinrichting te verwijderen, komt ruimte vrij voor andere functies. Het is duidelijk dat de inpassing van nieuwe functies in de ondergrond, in het bijzonder die ten aanzien van de ondergrondse kabel- en leidingeninfrastructuur en klimaatadaptatie, niet op dezelfde manier aangepakt kan worden als tot nu toe gebruikelijk is. Datzelfde geldt voor de beheer- en vervangingsopgave die nauw verbonden is met de verdichtingsopgave. Zo kunnen innovaties op verschillende terreinen, van digitalisering, ruimtebesparende constructies, assetmanagement en hinderarm renoveren/vervangen een plek krijgen in de organisaties. Met de inzet van nieuwe technologieën kan de staat van de ondergrondse infrastructuur en bijvoorbeeld de kwaliteit van de bodem beter gemonitord worden. Hierdoor kan de ondergrond beter beheerd worden en kunnen koppelkansen sneller gevonden worden. Door het gebruik van data kan de ondergrond ook gemodelleerd worden met visualisatie van waterstromingen voor riolering en het grondwater.
Het zoeken naar innovatieve toepassingen en oplossingen maakt het mogelijk om het proces om de diverse opgaven met elkaar te verbinden te verbeteren en zo tot slimmere en ruimtebesparende oplossingen in de boven-en ondergrond te komen. Een belangrijke rol is hiervoor voor de markt en de externe stakeholders weggelegd. Door gezamenlijke doelen te formuleren kan gericht naar de nodige oplossingen worden gezocht. De innovaties moeten op deze manier hun weg naar de gemeente vinden en na toepassing een plek krijgen in het beheer. Dit betekent dat het beheer en de benodigde kennis voor langere tijd geborgd moet zijn. De gemeente en belangrijkste nutsbedrijven moeten hierop hun organisatie en financiering aanpassen. Beleidsuitgangspunt: 32. Voor het ontwikkelen van systeeminnovaties en kennisdeling werken wij intern en extern samen.
34
8. De Omgevingswet en de instrumenten voor de ondergrond De invoering van de Omgevingswet geeft ons meer de verantwoordelijkheden op het gebied van bodem en ondergrond. Gemeenten krijgen meer ruimte om een eigen afweging te maken en zo nodig maatwerkregels te stellen. Hiervoor is de visie op de ondergrond als inbreng voor de Omgevingsvisie een belangrijk instrument. Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: • • •
Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen)Daarbij staan twee instrumenten centraal:
Via de gemeentelijk Omgevingsvisie schetst de gemeente haar lange termijn visie op de integrale benadering van de fysieke leefomgeving en de daaraan gekoppelde strategische hoofdkeuzen voor haar beleid. De voorliggende Visie op de ondergrond levert input van de bodem en ondergrond voor de Omgevingsvisie.
8.1 Programma Ondergrond Voor de verdere uitwerking van het beleid biedt de Omgevingswet de mogelijkheid om programma’s op te stellen. Programma’s zijn concrete uitwerkingen, om de in de omgevingsvisie gestelde doelen te behalen. Voor een aantal onderwerpen is een programma verplicht. Dit is vanwege de implementatie van Europese richtlijnen-of een (dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Verplichte programma’s zijn er voor geluid, en (mogelijke) overschrijding van omgevingswaarde, bijvoorbeeld voor waterkwaliteit. Voor andere thema’s of gebieden kunnen “onverplicht (vrijwillig) programma” worden opgesteld. Het programma is zelfbindend. Dit betekent dat het alleen de gemeente zelf bindt. In het programma wordt aangegeven hoe en met welke maatregelen de thematische of gebiedsdoelen gerealiseerd worden. De regels, met de juridische grondslag, die hiervoor nodig zijn, worden vastgelegd in het omgevingsplan. Voor de ondergrond wordt voorgesteld een zogenaamd, “onverplicht (vrijwillig) programma” op te stellen. Onverplichte programma’s zijn vormvrij en worden door het college van B&W vastgesteld. De Raad wordt over het programma geïnformeerd. Regels die voortkomen uit de uitwerking van het programma en landen in het omgevingsplan, worden vastgesteld door de Raad. Omdat een programma zelf bindend is, staat een programma niet open voor bezwaar of beroep.
Het mogelijke Omgevingsprogramma Ondergrond vormt de basis waarop wij de komende jaren aan de slag willen gaan. Het geeft aan welke noodzakelijke maatregelen wij gaan uitwerken om de regie op de ondergrond te versterken. Dit betekent o.a. dat het inzicht en de kennis in de werking van de ondergrond steeds verder wordt vergroot. De netwerken beter gaan ordenen voor het realiseren van een optimaal en efficiënt gebruik van de ondergrond. En bovenal geven wij aan hoe wij het Europese doel voor een gezonde bodem in 2050 gaan halen en gaan monitoren. Het programma vormt daarmee het sturende kader voor een toekomst bestendige inrichting van de ondergrondse stad. Ook toekomstige nog op te stellen Omgevingsprogramma’s op andere thema’s 35
zullen hierbij moeten aansluiten. Het programma biedt ook de mogelijkheid om de gemeentelijke processen en die met de partners in de stad – aan te passen.
8.2 Omgevingsplan Zoals hiervoor al aangegeven, is een programma zelf bindend. Dat betekent dat het kaderstellend is voor toetsingen van ontwikkelingen en vergunningverlening. Door de in dit Omgevingsprogramma Ondergrond aangekondigde regels vast te leggen in het omgevingsplan krijgen ze juridische werking naar derden, zoals initiatiefnemers en bedrijven. Deze regels moeten in lijn zijn met de in de Omgevingsvisie geschetste ambities. Met betrekking tot de bodem en ondergrond moeten voor de verschillende activiteiten regels worden opgenomen m.b.t. de voorwaarden die daar in de gemeente aan gesteld worden, zoals: het bouwen op verontreinigde grond, saneringen, het opslaan van grond e.d. Hiervoor levert de geactualiseerde Nota Bodembeheer de inbreng. Een deel van de bestaande regels wordt bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet – via het tijdelijk deel van het omgevingsplan – opgenomen in het omgevingsplan. Daarnaast blijven bepaalde verordeningen nog buiten het omgevingsplan bestaan (zoals de Telecommunicatieverordening 2012). Vervolgens is het tot uiterlijk 31 december 2031 mogelijk regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan en verordeningen buiten het omgevingsplan om te zetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het nieuwe deel van het omgevingsplan kan aangevuld worden met nieuwe regels.
De in het Omgevingsprogramma Ondergrond aan te kondigen set van nieuwe regels worden gedurende de looptijd van het programma uitgewerkt en stapsgewijs in het omgevingsplan opgenomen.
8.3 Monitoring Monitoring en evaluatie zijn belangrijke fundamenten voor de verbetering van de boven- en ondergrondse fysieke leefomgeving. Uit de monitoring en evaluatie moet blijken of de beleidsdoelen worden gehaald, of is aanpassing van de visie en het programma nodig? Monitoringsinformatie helpt om onderbouwde besluiten te kunnen nemen over activiteiten in de fysieke leefomgeving. Ook voor programma’s die een programmatische aanpak bevatten is monitoring nodig (afd. 20.1 Omgevingswet). Uit de monitoring moet blijken in hoeverre de omgevingswaarde of het in de programmatische aanpak geformuleerde doel wordt bereikt. Voor het programma Ondergrond zal de monitoring toezien op de voortgang, uitvoering en het doelbereik van het programma. De monitoringsmethode wordt aangewezen in het omgevingsplan. Aangezien een programma met programmatische aanpak tevens als kader dient voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van activiteiten, is het noodzakelijk dat de uitvoering van het programma nauwlettend wordt gevolgd, om zo te bewaken dat op het in het programma vastgelegde tijdstip aan het doel van het programma is voldaan. Hierdoor is voor deze programma’s expliciet de verplichting neergelegd om aan te geven met welke frequentie de monitoring zal plaatsvinden (art. 20.2 lid 5 Omgevingswet).
Op die manier wordt informatie verkregen over de voortgang en uitvoering van de in het programma Ondergrond opgenomen getroffen maatregelen, de activiteiten en ontwikkelingen. Hiermee dragen wij zorg dat het doel van een toekomstig bestendig gebruik en beheer van de bodem en ondergrond wordt gerealiseerd.
36
8. BIJLAGEN BIJLAGE I Eigenschappen ondergrond en RO Tabel Eigenschappen ondergrond en duurzaamheidsvoorwaarden voor de ondergrond in de RO Kenmerk Ondergrond Levende en laagdynamische ondergrond
Ondergrond als multifunctioneel en samenhangend systeem
Kennis ondergrond is onvoldoende en/of versnipperd terwijl door innovatie de gebruiksmogelijkheden toenemen. De ondergrond is inherent complex vanwege de derde dimensie.
Duurzaamheidsvoorwaarde • Lage dynamiek van ondergrondse processen zwaardere plaats geven in planvorming; • Aandacht voor afwenteling via ondergrond naar andere gebieden; • Onomkeerbare ingrepen in de kwetsbare ondergrond zoveel mogelijk vermijden. • Ondergrond benaderen: - als samenhangend systeem; - door alle potenties in beeld te brengen; • Mogelijke conflicten en synergiemogelijkheden in de ondergrond in beeld hebben en zoveel mogelijk vermijden of benutten. • Voldoende kennis bij beslissers om zorgvuldige besluiten te kunnen nemen door kennisuitwisseling tussen relevante actoren en beleidssectoren. • De ondergrond beschouwen als een complex, gelaagd geheel; • Ruimtelijke vraagstukken/opgaven in 3D beschouwen.
37
BIJLAGE II Bundelingstechnieken (bron Gemeente Rotterdam en COB) Ter bescherming van boomwortels Mantelbuis Omschrijving: Ter hoogte van de groeiplaats van de boom worden de (reeds aanwezige) k&l gelegd in een mantelbuis. Voordelen: De wortels van de boom kunnen de de k&l niet direct beschadigen. Bij voldoende lengte een haalbare en vrij duurzame oplossing. Nadelen: Bij aanleg is beschadiging aan de boomwortels mogelijk. Onzeker is of het aanbrengen van mantelbuis negatieve effecten heeft op levensduur van de boom. Onderhoud aan de k&l is niet mogelijk als de mantelbuis kleiner is dan bepaalde diameter. Niet toepasbaar wanneer er aftakkingen en/of huisaansluitingen op de k&l zitten. Afspraken over lengtes en materiaal zijn noodzakelijk. Moeilijker toe te passen bij de aanleg van nieuwe k&l bij bestaande bomen. (meer) Kosten: Kosten van een mantelbuis zijn afhankelijk van de lengte lager dan een kabelgoot. Betrokkenen: Bewoners (informeren), Stadsbeheer (uitvoering, beheer en vergunningverlening), eigenaren K&L (budget, convenant). Kabelgoot Omschrijving: Ter hoogte van de groeiplaats van de boom wordt de (reeds aanwezige) k&l in een kabelgoot geplaatst. Voordelen: Na aanleg goot minder overlast door graafwerkzaamheden en er kunnen meerdere kabels in de goot. Het is goed toe te passen in een zettingsvrije grond. Goed te gebruiken in de situatie met nieuwe bomen en nieuwe k&l.
Nadelen: De kabelgoot moet beheerd en onderhouden worden (door de gemeente als er meerdere partijen gebruik maken van de kabelgoot). De kabelgoot is net als de mantelbuis moeilijk toepasbaar wanneer er aftakkingen en/of huisaanluitingen op de k&l zitten. Enkele leidingen zoals gasleidingen mogen vanwege veiligheid niet in een kabelgroot worden gelegd. Bij een hoge grondwaterstand of onder reeds bestaande bomen is het niet mogelijk om deze methode te gebruiken, zonder kosten kwijt te zijn aan waterdicht maken. (meer) Kosten: Deze maatregel kost veel meer dan het realiseren van een mantelbuis. Betrokkenen: Bewoners (informeren), Stadsbeheer (uitvoering en vergunningverlening), eigenaren K&L (convenant). Persen nieuwe kabel Omschrijving: De k&l worden in een buis geplaatst die door middel van een horizontale persing met een persraket in de ondergrond wordt aangebracht.
38
Voordelen: De boom kan tijdens de persing blijven staan. Persen kan toegepast worden op korte afstanden. De kabels en leidingen kunnen op verschillende dieptes worden aangelegd. Nadelen: Essentiële wortels kunnen tijdens de boring geraakt worden, kans op omvallen (evt. jaren na dato) is aanwezig. Bij de realisatie is er ruimte nodig (in- en uittrede punt). Bij afstanden groter dan 15 a 20 meter wordt de methode onbetrouwbaar. Huisaansluitingen zijn niet mogelijk. Niet toepasbaar als huisaansluitingen nodig zijn. (meer) Kosten: Duurder dan het graven van sleuven, ook duurder dan de aanleg van kabelgoot en mantelbuis. Deze maatregel is goedkoper dan de gestuurde boring. Betrokkenen: Bewoners (informeren), Stadsbeheer (uitvoering en vergunningverlening), eigenaren K&L (convenant). Gestuurde boring Omschrijving: Ter hoogte van de boom wordt een gestuurde boring toegepast in plaats van open ontgraving bij het aanleggen van een k&l. Het materiaal moet worden opgenomen in de kaart van de ondergrond. Voordelen: De boom kan tijdens de boring blijven staan. Door gebruik te maken van een boring kunnen ook watergangen gepasseerd worden. Nadelen: Boringen zijn interessant en mogelijk bij grotere (meer dan 20 stuks) afstanden, bijna niet in woonstraten. Het diepste punt van de gestuurde boring ligt veelal op meer dan 10 meter onder maaiveld. Niet mogelijk als huisaansluitingen nodig zijn.
(meer) Kosten: kosten van de boring liggen aanzienlijk hoger dan die van een persing en zeker dan die van eerder genoemde oplossingen. Betrokkenen: Stadsbeheer (uitvoering, beheer en vergunningverlening), eigenaren K&L (budget, convenant) Omleggen k&l Omschrijving: Bij het plaatsen van bomen (vanwege herinrichting) in de buitenruimte worden de k&l die op de voorgenomen plantlocatie aanwezig zijn verlegd. Voordelen: Er is gemeentelijke regelgeving waarin de procedure voor het verleggen (inclusief de hoogte van de nadeelcompensatie) is vastgelegd. Bij herinrichting van het (gehele) straatprofiel kan de k&l eigenaar besluiten ‘mee te gaan’ en direct zorgdragen voor vervanging of (groot) onderhoud uitvoeren. Nadelen: Kan een lange doorlooptijd hebben. Het aanschrijven kan als er sprake is van een werk. K&L eigenaren kunnen tegen de aanschrijving in beroep gaan. De voorwaarden in de vergunning moeten worden aangepast/ herschreven. Verleggen van k&l kan alleen als er elders in het straatprofiel wel ruimte is. (meer) Kosten: Aanschrijven, intrekken en herschrijven van vergunning. Eventuele kosten op basis van ingediende verzoek voor nadeelcompensatie. Betrokkenen: Stadsbeheer (uitvoering en vergunningverlening), eigenaren K&L (aanschrijving).
39
Verplaatsen in rijweg Omschrijving: In tegenstelling tot de standaardindeling zoals beschreven in het Handboek Leidingen wordt er bij (her) inrichting gekozen voor het aanleggen van k&l onder de rijweg in plaats van onder het troittoir. Voordelen: Gelijk aan de vorige optie. Nadelen: Langere huisaansluitingen voor riolering, Telecom, elektriciteit e.d... Meestal zijn de huisaansluitingen van de nutsbedrijven. Uitzondering hierop is de rioolhuisaansluiting. Echter ligt nu het riool al vaak midden in de weg. Langere huisaansluitingen zijn echter wel storingsgevoeliger. Bij werkzaamheden aan de huisaansluiting moet altijd de rijweg opgebroken worden. Gelijk aan de vorige optie. (meer) Kosten: Het opgraven en verplaatsen van leidingen. Betrokkenen: Bewoners (informeren en budget), Stadsbeheer (uitvoering, beheer en vergunningverlening), eigenaren K&L (budget, convenant)
Bundelingsconstructies Verticaal kabel en leidingen systeem (VKSL) – In onderzoeksfase Een van de manieren om de beperkte ondergrondse ruimte beter te benutten is een verticale ordening van de K&L, in plaats van de thans gebruikelijke horizontale/verticale ordening. Het betreft een modulair systeem van losse elementen, zoals een staander, liggers, bodemplaat en beschermplaat welke aan elkaar worden bevestigd. De staander heeft over de gehele lengte bevestigingsmogelijkheden voor de liggers. In de praktijk wordt er een sleuf gegraven van ongeveer 1,20 m diep en voor de breedte van een enkelzijdig of dubbelzijdig VKLS. Vervolgens worden in de sleuf de staanders met een h.o.h.-afstand van bijvoorbeeld 2 m in de grond gedrukt, dieper dan de ontgraving. Aan iedere staander wordt een bodemplaat geschoven welke wordt geborgd aan de staander. Aan de staander worden liggers bevestigd met zadels voor kabels en leidingen. De liggers worden op de gewenste diepte geplaatst al naar gelang de benodigde afstand voor de aan te brengen kabels en leidingen. De kabels en leidingen worden aangebracht op de zadels van de liggers en zo nodig bevestigd. De leidingen liggen verspringend naar buiten zodat ze van bovenaf aangeboord kunnen worden voor het maken van de huisaansluitingen.
Minder graafschade Als alle netwerken zijn aangelegd, kan de sleuf worden aangevuld met zand en worden ingewaterd om tot een goede verdichting te komen. De netwerken worden aan de bovenzijde afgedekt met beschermplaat welke aan de staanders wordt bevestigd. De gronddekking op de beschermplaat is circa 20 cm. Door de beschermplaat kunnen netwerken ondieper worden aangebracht en kan de graafschade tot wel 80 procent afnemen.
Utility Ducts
40
Utility Duct Müllerpier, Lloydskwartier Rotterdam 2004 De Utility Duct in de Müllerpier in het Lloydskwartier heeft een totale lengte van ca 700 meter. Deze in 2004 aangelegde leidingenvoorziening bestaat uit 13 betonnen putten onderling verbonden door een aantal kunststof mantelbuizen, waarin kabels en leidingen doorgevoerd worden. Het Lloydskwartier was indertijd een nieuw te ontwikkelen gebied waarbij vrijwel alle bestaande infrastructuur nieuw aangelegd werd. De voordelen om te kiezen voor het gebruik van Utility Ducts werden als volgt benoemd: • • • • •
Bij uitbreiding of onderhoud van de ondergrondse infrastructuur minder overlast voor bewoners en gebruikers (geen opbrekingen), Betere ordening van de ondergrond (minder ruimte) door bundeling van het kabeltracé, Eenvoudig toevoegingen of vernieuwen van kabels en leidingen, Minder degeneratie van de weg (kwaliteitsbehoud straatwerk) door minder opbrekingen, Kostenbesparing in aanleg. De aanlegkosten van dit project bedroegen € 1,45 miljoen, waarvan 20% door een subsidie van het Rijk werden gedekt. Aan de deelnemende leidingeigenaren werd verder een ‘instaptarief’ gevraagd om gebruik te maken van de voorziening. Dit tarief was gebaseerd op het ‘niet meer dan anders’-principe (leidingeigenaren hoeven nooit meer te graven en liggen veiliger. Ook de jaarlijkse retributie is met dit uitgangspunt verhoogd.
Gas- en OV- leidingen zijn niet opgenomen in het systeem. Een belangrijke reden tot het aanleggen van dit systeem was dat verwacht werd dat er grote hoeveelheden telecom-kabels zouden worden aangebracht, een proces dat nog lange tijd telkens nieuwe opbrekingen zou veroorzaken. Immers, in het Lloydskwartier zouden veel high-tech-bedrijven komen. Dit is deels uitgekomen. Bij de start werden al veel telecom-ducts in het systeem opgenomen en de eerste paar jaar vonden ook regelmatig nieuwe toevoegingen plaats die nu zonder graven konden plaatsvinden. Daarna was echter de telecomhause voorbij en vonden er nauwelijks meer nieuwe graafwerkzaamheden plaats, met een gemiddelde van twee kleine aansluitingen of storingen per jaar. Ondanks de zeer innoverende werkwijze is er helaas weinig aandacht besteed aan een gestructureerde evaluatie. In 2008 heeft wel een dossier-evaluatie plaatsgevonden. De beheer- en onderhoudskosten aan het systeem bedragen ca € 50.000 per jaar, een relatief hoog bedrag waarbij tijdens de voorbereiding te weinig rekening was gehouden. Het hoge onderhoudskosten kwamen vooral door de zware, hydraulisch te openen putdeksels. Verder is een nieuwe onderhoudspost ontstaan doordat het systeem geen gelijke zetting vertoont met de bestrating. De putdeksels steken 41
nu als heuvels boven de bestrating uit. Dit vraagt om herstel. Beide constateringen zijn leerpunten m.b.t. toekomstige projecten. Concluderend kan gesteld worden dat de voorziening goed functioneert en als pilot geslaagd is. Er zijn iets minder mutaties geweest in het leidingenbestand dan was geanticipeerd. Ook de onderhoudskosten waren aan de hoge kant. Leerpunten: • •
Van meet af aan een goede verslaglegging bij dergelijke innovatieve projecten ten behoeve van een gedegen en langlopende evaluatie. De beheer- en onderhoudskosten vooraf goed in beeld brengen. Utility Duct Strandboulevard, Scheveningen, Den Haag 2009
De Strandboulevard in Scheveningen heeft een verharding gekregen van geslepen schelpenasfalt en basalt-lavastenen ingebed in beton, een ontwerp van de Spaanse buitenruimtearchitect De Sola Morales. Deze kostbare en moeilijk te herstellen bestrating, die bovendien onderdeel uitmaakt van een waterkering, verdraagt geen opbrekingen. Dit is een onoverkomelijk eis en daarom is in 2009 begonnen met de aanleg van een mantelbuizen-systeem met grote putten van Cortenstaal. De grotere en diepere Scheveningse putten zijn volledig toegankelijk voor onderhoudsmonteurs. Dat geeft grote flexibiliteit en werkt prettig, maar betekent ook dat je aan de veel strengere arbo-eisen moet voldoen die gelden voor afgesloten ruimten. Leerpunten: • • •
Door de strenge eisen was dit echt maatwerk. De ervaringen zijn daardoor minder representatief voor andere projecten. Hoe hoger de ambitie, hoe vaker je uitkomt in een maatwerk-oplossing. Ook hoge ambities mbt graafrust en flexibiliteit zijn te verwezenlijken, maar met maatwerkoplossingen en hoge aanlegkosten. Utility Duct Woonwijk, Alphen aan de Rijn
In Alphen aan de Rijn is in 2016 een pilot gestart om te experimenteren met een oplossing die overal toepasbaar kan zijn. De pilot is kleinschalig en bestaat uit enkele betonnen putten op ca 40 meter van elkaar. Ze is gesitueerd in een nieuw ontwikkelde winkel/woonstraat in het centrum van Alphen. Er zijn zoveel mogelijk kabels- en leidingen opgenomen, ook gasleidingen waarvoor verplichte gasdetectie moest worden geïnstalleerd. Alleen het riool ontbreekt. Vanuit de putten worden ook de huisaansluitingen via mantelbuizen naar de individuele panden geleid. Omdat het een woon/winkelomgeving is met veel afzonderlijke panden is de onderlinge afstand van de putten laag gehouden, lager dan bijv. de Müllerpier in Rotterdam.
42
Vooraf is een bedrag van € 200.000 gereserveerd voor een uitgebreide evaluatie van techniek/ functionaliteit, financieel/juridisch en normering/regelgeving. Leerpunten: Dit project is opgezet als pilotproject om te komen tot een standaardisering van dergelijke mantelbuizen-put-constructies. • • •
De mantelbuizenputconstructie draagt bij aan de veiligheid van de omgeving en biedt veel voordelen bij werkzaamheden aan de netwerken die in het systeem liggen. De baten spelen op de langere termijn en liggen vooral op het gebied van minder schades; minder overlast voor de omgeving en duidelijkere ordening. De baten worden op termijn hoger geschat dan de kosten van de initiële investering en het onderhoud
Leidingenvoorziening Robert Fruinstraat, Rotterdam, 2017 De Robert Fruinstraat in Delfshaven in een woonstraat die wordt omgevormd tot “De straat van de Toekomst”, een pilotproject dat het schoolvoorbeeld moet worden van bewonersparticipatie en duurzame innovaties. De oorspronkelijke reden dat de straat gerenoveerd wordt is vervanging van de riolering. Daarnaast ligt er i.v.m de aanwezigheid van een grote transformatorruimte van Stedin een zeer uitgebreid middenspanningnet onder de straat met plaatselijk tot 25 10kV hoogspanningsleidingen die door Stedin vervangen zullen worden tot een lager aantal 25 kV leidingen. Deze opgave is dusdanig complex dat hiervoor conventioneel geen ruimte voor is. Daarom wordt nu ingezet op een meerlaagse oplossing met toepassing van een of meerdere Utility Ducts of mogelijk zelfs een leidingentunnel. Als er sprake is van een ondergronds ruimteprobleem, waarbij de noodzaak tot een inventieve oplossing nodig is bieden utility ducts een mogelijkheid. Integrale Leidingentunnels (ILTs) Internationaal gezien hebben steden als Praag, Zurich, Chicago, Yokohama, Hong Kong en Qatar grote voorzieningen in de ondergrond voor de opvang van kabels en leidingen. Ook in Nederland zijn al verschillende Leidingentunnels aangelegd. In de Buisleidingenstraat van Rotterdam naar Antwerpen zijn alleen al alleen al 11 tunnels om wegen en watergangen te kruisen.