RIS318970 Bijlage Visie op de Ondergrond
Tekst van het document
Visie op de ondergrond De bodem en ondergrond als volwaardig onderdeel van de inrichting van de vitale stad (TEKST VERSIE)
DSB- BAS 5-4-2024
Inhoudsopgave 1.
Voorwoord....................................................................................................................................... 3
2.
Samenvatting................................................................................................................................... 4
3.
Visie op de ondergrond ................................................................................................................... 6 3.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 6 3.2 Benutten en beschermen .............................................................................................................. 6 3.3 Inzicht en Samenwerking .............................................................................................................. 7 3.4 Slimme en innovatieve oplossingen .............................................................................................. 7 3.5 Doel van de visie op de ondergrond.............................................................................................. 7
4.
Kaders en beleid ondergrond .......................................................................................................... 9 4.1 Europa ........................................................................................................................................... 9 4.2 Nationaal ..................................................................................................................................... 10 4.3 Provincie en waterschap ............................................................................................................. 10 4.5 Gemeente .................................................................................................................................... 10
5.
De waarden van de bodem en ondergrond .................................................................................. 12 5.1 De ondergrond als drager van de stad ........................................................................................ 12 5.2 De ondergrond als historisch archief .......................................................................................... 13 5.3 De bodem- en grondwaterkwaliteit onder de stad..................................................................... 14 5.5 De ondergrond als ruimte voor natuur ....................................................................................... 15 5.6 Klimaatadaptie ............................................................................................................................ 18 5.7 De ondergrond als watersysteem ............................................................................................... 18 5.8 De ondergrond als energiemotor ................................................................................................ 21 5.9 De ondergrondse ruimte voor kabels, leidingen en riolering ..................................................... 23
6.
Keuzes maken in de ondergrond ................................................................................................... 25 6.1 Afwegingsprincipes vanuit bestaand beleid ................................................................................ 25 6.2 Afwegingskader voor de ondergrond.......................................................................................... 26 6.3 Typering van gebieden naar complexiteit ................................................................................... 27
7.
Samenwerken aan een Toekomstbestendige bodem en ondergrond .......................................... 32 7.1 Informatie over en inzicht in de bodem en ondergrond ............................................................. 32 7.2 Interne samenwerking en samenwerking met externe partijen................................................. 33 7.3 Ruimte maken, ruimte zoeken en innovatie ............................................................................... 34
8.
De Omgevingswet en de instrumenten voor de ondergrond ....................................................... 35 8.1 Programma Ondergrond ......................................................................................................... 35 8.2 Omgevingsplan ........................................................................................................................ 36 8.3 Monitoring ............................................................................................................................... 36
8.
BIJLAGEN ....................................................................................................................................... 37 1
BIJLAGE I Eigenschappen ondergrond en RO .................................................................................... 37 BIJLAGE II Bundelingstechnieken...................................................................................................... 38 BIJLAGE III Regelgeving en beleid voor de ondergrond .................................................................... 47
2
1. Voorwoord Voor Den Haag als stad aan zee is de bodem en ondergrond altijd al van doorslaggevend belang geweest. De hoge, droge zandgronden en het water in de duinen zorgde voor een veilige en aangename leefomgeving voor inwoners van onze stad. Door de groei van de stad is de wijze waarop wij de bodem benaderen veranderd. Met onze technische kennis hebben wij de bodem ingericht om ruimte te bieden aan nieuwe woningen, werkplaatsen, parken en pleinen. Sloten zijn aangelegd voor de ontwatering van de polders. Duinen zijn afgegraven voor ophoogzand. Tunnels en ondergrondse parkeergarages gebouwd voor de afwikkeling van het verkeer en het parkeren van auto’s. Bovenal is er de afgelopen jaren veel ondergrondse infrastructuur aangelegd onder onze stoepen. Iedere dag zien wij hoe er in de stad aan het onderhoud en versterking van dit netwerk wordt gewerkt. Ook zien wij dat de ruimte onder onze voeten langzaamaan vol aan het raken is. In grote delen van de stad is het vol in de ondergrond. Wij staan nu aan het begin van een uitdagende nieuwe fase. Het toekomstbestendig maken van onze stad; daarin speelt de ondergrond een centrale rol. Door de natuurlijke kracht van de bodem en (grond)watersysteem optimaal te gebruiken kunnen wij de transities van energie en klimaat een plek geven in de stad.
Voor nieuwe vormen van bodemenergie, voor vitale stadsnatuur, voor voldoende drinkwater en het opvangen van de effecten van het veranderende klimaat is onze stadsbodem de essentiële leverancier. Met deze visie geven wij invulling van de bodem als fundament waarop wij de ambities voor een duurzame en toekomstbestendige stad verder gaan bouwen.
3
2. Samenvatting De Omgevingswet vraagt om een integrale afweging voor de fysieke leefomgeving. De ondergrond is daar een belangrijk, maar onderbelicht onderdeel van. De ruimtedruk in de ondergrond is op vele plekken in de stad hoog en zal de komende 20 jaar nog hoger worden. De ambities van het college en de raad voor een duurzame en klimaatbestendige stad vertalen zich in meer ruimte voor groen en water, nieuwe energievoorzieningen, verzwaringen en uitbreiding van de ondergrondse infrastructuren. Daarnaast is sprake van een aanzienlijke vervangingsopgave van onze riolering en andere nutsvoorzieningen. Om dit als gemeente in goede banen te leiden is nieuw beleid en een nieuwe manier van samenwerking nodig. Deze beleidsvisie moet hierin voorzien. De visie vormt het uitgangspunt voor de verankering van de bodem en ondergrond in de Omgevingsvisie. Bodem en ondergrond als basis voor gemeentelijke ambities De bodem en ondergrond zijn van groot belang voor het realiseren van de gemeentelijke ambities. Door de bodem en ondergrond duurzaam, efficiënt en veilig te gebruiken en waar deze waardevol is, zoals in de stedelijke groenstructuur, voldoende te beschermen kunnen de opgaven van de stad gerealiseerd worden. Bodem en ondergrond zijn sturend bij de ruimtelijke inrichting.
Door dit principe in de ruimtelijke ordening van de stad te hanteren kan de stad ook in de toekomst met een onvoorspelbaarder klimaat blijven functioneren en zorgdragen voor een veilige omgeving met een gezonde bodem, voldoende en schoon water. Waarde van de bodem en ondergrond De grond onder de stad heeft voor veel inwoners een bijzondere betekenis. Het zegt iets over de oorsprong van de stad, de geschiedenis en de bewoners. Met de grote groei van de stad in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond het onderscheid tussen Hagenaars en Hagenezen. De Hagenaren woonde op het zand, terwijl de Hagenezen op het veen woonde. Op het “gezonde zand” werden ruime wijken gebouwd. Op het veen werden de fabrieken en arbeiderswijken gebouwd. In hoge dichtheden zonder parken of plantsoenen. Het onderscheid tussen veen en zand levert ook een belangrijke waarde voor de kwaliteit van de Haagse leefomgeving. De lange lijnen parallel aan de zee hebben zich vertaald in het stratenpatroon. En onder het zand ligt veel van de Haagse historie opgeslagen. Naast de historische vindplaats is de ondergrond van grote waarde als drager van de stad, als levend systeem van bodemleven en stadsnatuur, als watersysteem en leverancier van grondstoffen en energie.
Drukte in de ondergrond De visie beschrijft hoe rijk de ondergrond is aan functionaliteit en hoe verweven ze is met het de rest van de openbare ruimte. De complexiteit en tragere dynamiek ten opzichte van de bovengrond heeft in het verleden niet tot noemenswaardige problemen geleid. Nu de stad verder verdicht en transities nodig zijn om te komen tot een toekomstbestendige stad moet de ondergrond eerder in het planvormingsproces worden verankerd. De gelaagdheid van de ondergrond is in de visie inzichtelijk gemaakt. In grote delen van de stad is de drukte in de ondergrond groot. Het toevoegen van nieuwe functies of het uitbreiden van het groen is daardoor zeer complex of onmogelijk zonder duidelijke keuzes. Dit betekent dat de gemeente in die delen van de stad actief de regie moet pakken om tot een goede inrichting te komen.
4
Afwegingskader Bodem en Ondergrond
Met het afwegingskader kan de gemeente al in het eerste stadium van ontwikkelingen het belang van duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van de ondergrond inbrengen. Daarbij is helder op basis van welke criteria en argumenten de gemeente sturend optreedt. Zo wordt al vroeg in het planproces gevraagd te onderzoeken wat de effecten van de ingreep zijn op andere functies en voor de functies en eigenschappen van het bodem- en watersysteem. Hiermee kan worden voorkomen dat moeilijk te beheren situaties ontstaan en dat de ondergrond onbedoeld wordt aangetast. De criteria zijn in de vragende vorm gesteld. Dat nodigt de initiatiefnemer uit om op zoek te gaan naar de beste oplossing voor gebruik van de ondergrondse ruimte en daarover met de gemeente en andere belanghebbenden in gesprek te gaan. Het afwegingskader wordt toegepast in complexe gebieden en situaties. In deze gebieden en situaties zijn hoge investeringen nodig voor de inpassing en menging van (extra) functies, meerdere /belanghebbenden betrokken en is de invloed op de omgeving groot. Instrumenten voor de ondergrond Het formuleren van beleid voor de ondergrond maakt het mogelijk de noodzakelijke samenhang tussen boven- en ondergrond te versterken, de regierol van de gemeente te verstevigen en hiervoor middelen te kunnen reserveren en de werkprocessen aan te passen aan de nieuwe realiteit.
Nieuwe instrumenten kunnen hiervoor behulpzaam zijn. Een ondergrondplan is hiervan een voorbeeld, net als een Bodemleven index, die de vitaliteit van de bodem weergeeft.
5
3. Visie op de ondergrond De ondergrond vormt de basis van de stad. De stad is erop gebouwd, de historie is erin terug te lezen, het biedt ruimte aan onze stadsnatuur, de voorzieningen voor energie, communicatie en water. Ook is de ondergrond een belangrijke leverancier van duurzame warmte en koude. De ondergrond is daarmee van groot maatschappelijk belang. Met de groei en de verdichting van de stad vraagt het ruimtelijk beleid meer inzicht en richting over het gebruik van de ondergrond en de werking ervan. Met de visie op de ondergrond wordt de aanpak voor de ondergrond verbreed van de focus op het saneren van vervuilde grond naar een bredere benadering van de ondergrond; naar het duurzaam, efficiënt en veilig beheren en benutten ervan. De visie brengt de ondergrond in beeld, geeft de belangrijkste thema’s en ontwikkelingen aan en geeft een kader voor de samenwerking in de ondergrond. Het fungeert als beleidskader en sturingskader voor het ontwerpen van en met de ondergrond.
3.1 Aanleiding Onder onze wegen, straten en pleinen ligt een groot deel van onze vitale infrastructuur. Aan het oog van de voorbijgangers onttrokken. De ruimte die de bodem en ondergrond biedt, lijkt ruim voldoende voor de voorzieningen en het groen die wij daar een plek in willen geven. De ondergrond is echter de afgelopen 40 jaar steeds voller geworden en ligt nu vaak vol met kabels, leidingen, ondergrondse garages, tunnels en afvalcontainers. Ook de bomen in onze straten, die van groot belang zijn voor een fijn leefklimaat, leggen met hun wortels beslag op de ondergrondse ruimte. Al deze objecten en infrastructuur hebben een lange levensduur en van sommige objecten weten wij dat deze achterblijven in de ondergrond. De ruimtedruk in de ondergrond is op vele plekken in de stad hoog en zal de komende 20 jaar nog hoger worden. De ambities voor een duurzame en klimaatbestendige stad vertalen zich in nieuwe energievoorzieningen, verzwaringen en uitbreiding van de ondergrondse infrastructuren. Met meer ruimte voor water, vergroening en nieuwe ondergrondse constructies in de openbare ruimte. Al deze ambities leggen een claim op de schaarser wordende ruimte in de ondergrond. De verschillende voorzieningen in de ondergrond komen daardoor steeds vaker met elkaar in botsing.
Om conflicten te voorkomen en keuzes te kunnen maken, is het nodig om de uitdagingen voor de ondergrond tijdig in beeld te brengen. Een visie op het gebruik van de bodem en ondergrond is het startpunt om aan deze grote uitdaging richting te geven. De termen bodem en ondergrond worden in deze visie naast elkaar gebruikt. Bij bodem gaat het vooral om de eerste meters onder het maaiveld. Daar waar het bodemleven, de kabels en leidingen en constructies te vinden zijn. De ondergrond heeft vooral betrekking op de diepere grondlagen daar onder. Daarin wordt ook de diepe ondergrond, vanaf 500 meter diepte, onderscheiden.
3.2 Benutten en beschermen Voor het weerbaarder te maken van de stad tegen de effecten van klimaatverandering is het belangrijk de bodem erkennen als een ecosysteem. Een levend systeem waarin microleven, planten, , dieren en bodem elkaar versterken en gezond houden. Een vitale en gezonde bodem houdt water vast, zuivert het en biedt een goede uitgangspositie voor een grotere biodiversiteit. Het draagt op deze wijze ook bij aan temperatuurregulatie en het beperken van de effecten van de zeespiegelstijging. Om duurzaam de kwaliteit van de bodem te kunnen benutten, is het nodig om de kringloop van voedingsstoffen, water en bodemenergie in balans te houden. Verstoring door 6
verontreiniging moet worden voorkomen. Door het beschermen van de bodem maken wij het mogelijk de kwaliteiten die de bodem biedt optimaal te benutten en voorkomen wij dat schade afgewenteld wordt op toekomstige generaties stadsbewoners.
3.3 Inzicht en Samenwerking De toename van complexiteit en de afname van ruimte vraagt om een beter inzicht van de ondergrond. De vervanging van bruggen en kades, het plaatsen van WKO-bronnen, het realiseren van goede groeiplaatsen voor bomen, enz. kunnen niet efficiënt en doelmatig worden uitgevoerd zonder betrouwbare en toegankelijke informatie over de ondergrond en wat daarin ligt. De informatie van de ondergrond is in vergelijking met de bovengrond minder goed toegankelijk of niet volledig in beeld te brengen. Vragen over waar welke kabels en leidingen precies liggen, waar bodemsaneringen plaatsvinden en waar de ondergrond waardevol is voor het ondergronds leven, kunnen niet goed worden beantwoord. Projecten (klein en groot) lopen uit of vallen veel duurder uit dan verwacht omdat we op voorhand te weinig weten over wat zich in de ondergrond bevindt. Door de ondergrondinformatie te verbeteren en te vertalen naar relevante en slimme informatieproducten, zoals een geautomatiseerde ondergrondscan, kan de ondergrond efficiënter en doelmatiger worden benut voor o.a. het toevoegen van ondergrondse infrastructuur. Voor het ontsluiten van data en het aanbieden van tools biedt de huidige data-infrastructuur van de gemeente een goede basis. De ondergrond in de stad kent velen gebruikers met eigen wensen, rollen en bevoegdheden: overheden, nutsbedrijven, bedrijven en burgers.
De gemeente is als eigenaar en beheerder van de openbare ruimte de aangewezen regievoerder. Door steeds meer de samenwerking te zoeken tussen de verschillende partijen, programma’s en thema’s kunnen slimme, innovatieve combinaties worden gemaakt. De gemeentelijke middelen worden effectiever gebruikt en de nodige ondergrondse ruimte wordt beter benut. Om dit te kunnen realiseren is het nodig om nieuwe en nauwere vormen van samenwerking tussen de verschillende stakeholders te ontwikkelen. Ieder zal vanuit zijn eigen opgave moeten bijdragen aan het zoeken naar oplossingen voor het realiseren van de huidige grote maatschappelijk opgaven van de stad. De gemeente heeft de verantwoordelijkheid om ook toe te zien op een goede ordening van de spaarzame ruimte in de ondergrond.
3.4 Slimme en innovatieve oplossingen Voor een toekomstbestendige en integrale inrichting is een goede afweging van de ondergrondse en bovengrondse functies nodig. Het koppelen/multifunctioneel gebruik zal steeds vaker noodzakelijk zijn om de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk in te richten. Dit kunnen nieuwe constructies zijn die ook in beheer moeten worden genomen. De gemeente heeft een belangrijke rol in het stimuleren van het gebruik van innovatieve toepassingen. Deze toe te passen in het beheer en hiervoor de nodige kennis, capaciteit en middelen te reserveren.
3.5 Doel van de visie op de ondergrond Het groeiende belang van de bodem en ondergrond voor het realiseren van de gemeentelijke ambities leidt tot het centrale doel van de visie dat de bodem en ondergrond duurzaam, efficiënt en veilig wordt gebruikt, weer gezond en vitaal is en waar deze waardevol is (zoals in het groen), deze voldoende beschermd blijft. Het benutten en beschermen brengen wij met elkaar in balans. Dit betekent dat wij de ondergrond als een volwaardig onderdeel in de afwegingen voor de inrichting van de stad meenemen. En duidelijk richting geven in die gebieden in de stad waar de druk op de ondergrond groot is.
7
De visie is gericht op het realiseren van lange termijn doelstellingen. De transities naar een klimaatneutrale en circulaire stad, met een vitale en schone bodem kosten tijd. Daarvoor zetten wij nu al stappen. Het uitgangspunt is om in 2050 deze opgaven te hebben gerealiseerd. Door nu de ondergrond en de verwachte ruimteclaims inzichtelijk te maken, brengen wij onszelf in een positie om no regret-keuzes te maken en hoge kosten in de toekomst te voorkomen. De samenhangende benadering van boven- en ondergrond die wij in deze visie nastreven, sluit naadloos aan op de filosofie van de Omgevingswet. Deze wet is per 1 januari 2024 in werking getreden. De ruimtelijke ordeningsbrief en de brief ‘Water en Bodem sturend’ van het kabinet geven verdere invulling aan het onderdeel bodem en ondergrond. Bodem en ondergrond worden sturende principes voor de inrichting van de fysieke leefomgeving. Dit alles met het oog op een duurzame ontwikkeling van een gebied. De Omgevingswet benadrukt daarnaast dat gemeenten zelf de regie moeten oppakken, waarmee het uitermate belangrijk wordt dat een gemeente weet wat ze wil. Twee belangrijke maatschappelijke doelstellingen van de Omgevingswet zijn: •
Het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit in stand houden. En
•
De fysieke leefomgeving doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen.
De visie op de ondergrond geeft beleidsuitgangspunten om ervoor te zorgen dat: -
De regie op de ondergrond wordt versterkt, duidelijk wordt belegd en hiervoor voldoende capaciteit wordt gereserveerd; Geen afwenteling van de effecten van ondergrondsruimtegebruik plaatsvindt; Bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling de bovengrond en de ondergrond als een integrale opgave worden bezien, waarbij water en bodem sturende principes zijn; Er voldoende ruimte voor ondergrondse functies en diensten blijven of ruimte wordt gecreëerd en hiervoor een afwegingskader wordt geboden; De samenwerking tussen verschillende stakeholders in de ondergrond, intern en extern, wordt versterkt en gefaciliteerd;
In deze visie worden de relevante aspecten van de ondergrond voor het plan-en besluitvormingsproces gegeven. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen deze uitgewerkt in een omgevingsprogramma en voor verdere doorwerking worden vertaald naar regels voor het Omgevingsplan.
8
4. Kaders en beleid ondergrond De zeggenschap over de bodem en ondergrond ligt niet enkel bij de gemeente. Meerdere partijen hebben zeggenschap over de inrichting en het gebruik ervan. Dat is verbonden aan het eigendom van de grond; ruim 60% van de grond in de stad is in handen van private eigenaren. De grond onder deze terreinen valt onder hun verantwoordelijkheid. Maar ook is de zeggenschap van de gemeente beperkt door vastgelegde rechten en plichten over het gebruik van de ondergrondse ruimte. Zo hebben verschillende partijen, zoals nutsbedrijven, ligrechten voor hun kabels en leidingen in de gemeentelijke openbare ruimte. De gemeente heeft voor het gebruik en inrichting beleid opgesteld. Dit is o.a. vastgelegd in de Kadernota Openbare Ruimte, de Nota Stadsnatuur en de Agenda Ruimte voor de Stad. Verschillende aspecten van de ondergrond worden via wetgeving gereguleerd. Vervuiling van de bodem valt bijvoorbeeld onder de Wet milieubeheer. Voor het oppompen van heet water uit de diepe ondergrond (geothermie) bijvoorbeeld is de Mijnbouwwet van toepassing. De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) is hiervoor het bevoegd gezag. Omdat hiervoor door verschillende grondwaterlagen wordt geboord zijn ook de verantwoordelijke overheden voor het grondwater, de gemeente, de provincie en het waterschap, betrokken. Vlak onder het maaiveld komen alle belangen bij elkaar.
Vanwege de samenhang tussen ondergrondse grondwatersystemen, infrastructuur en constructies, is samenwerking tussen overheden en betrokken partijen van groot belang. Met de komst van de Omgevingswet krijgt de gemeente hierin een grotere rol.
4.1 Europa Verschillende Europese verordeningen en richtlijnen met raakvlakken met de ondergrond zijn vertaald in nationale wetgeving, bijvoorbeeld op het gebied van telecommunicatie en archeologie. Van groot belang is de Europese Kaderrichtlijn Water. Deze richtlijn heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. De kaderrichtlijn formuleert doelstellingen voor de chemische kwaliteit, ecologie en drinkwater. Deze zijn vertaald in normen. De onlangs vastgestelde Europese Bodemstrategie 2030 geeft acties en een kader met maatregelen voor bescherming, herstel en duurzaam gebruik van de bodem. Ook geeft de strategie een visie en doelen om in 2050 een gezonde bodem te bereiken, met concrete maatregelen tegen 2030. De lidstaten van de EU zullen doelen van de strategie moeten doorvertalen naar nationaal beleid. Richtlijn bodemmonitoring. In de EU-bodemstrategie voor 2030 werd de langetermijnvisie gepresenteerd om alle bodems tegen 2050 in een gezonde toestand te brengen. Van bescherming, duurzaam gebruik en herstel van bodems is de norm gemaakt en wordt een combinatie van vrijwillige en wetgevende maatregelen voorgesteld om deze doelen te bereiken.
In de strategie werd aangekondigd dat de Commissie met een bodemgezondheidswet zou komen, die zou worden ondersteund door een effectbeoordeling met een analyse van verscheidene aspecten, zoals indicatoren en waarden voor bodemgezondheid, bepalingen voor bodemmonitoring en vereisten voor een duurzaam bodemgebruik. Deze richtlijn is momenteel in procedure en zal in 2024 worden vastgesteld. Na een periode van 6 jaar zal evaluatie van de richtlijn plaatsvinden en zal naar verwachting het vrijwillige karakter worden omgezet naar afdwingbare regels.
9
4.2 Nationaal Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en beleidsbrieven vastgesteld die doorwerken naar de gemeente en relevant zijn voor de gemeentelijke ondergrond, o.a. de beleidsbrief Water en Bodem sturend (Nov 2022) waarin sturende uitgangspunten voor het omgaan met de ondergrond zijn vastgelegd. Daarnaast zijn er al sinds jaren specifieke wetten met betrekking op de bodem en ondergrond. Op het terrein van gegevensaanlevering over ondergrondse infrastructuur (WIBON), het winnen van delfstoffen (Mijnbouwwet), bodembescherming (wet bodembescherming), warmtenetten (vast te stellen Warmtewet), gas-, water- en elektriciteitslevering (o.a. Drinkwaterwet, Elektriciteitswet). Het Nederlandse bodembeleid is vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb). Waterbodems vallen onder de Waterwet. Grondwater is daarentegen een integraal onderdeel van de bodem. De zorgplicht vormt de kern van het bodembeleid: men moet voorkomen dat de bodem wordt aangetast. Als er onverhoopt toch sprake is van aantasting moet deze zo snel mogelijk ongedaan worden gemaakt, en moeten de gevolgen zo veel mogelijk worden beperkt. De zorgplicht heeft niet alleen betrekking op het voorkomen van verontreinigingen, maar ook op de beïnvloeding van de bodemstructuur en/of de kwaliteit: het uitvoeren van werken en handelingen die leiden tot erosie, verdichting of verzilting.
Met betrekking tot verontreinigingen is de zorgplicht gelimiteerd tot verontreinigingen die ná 1987 zijn ontstaan. Oudere verontreinigingen moeten conform de wet ‘functioneel’ worden benaderd: humane en ecologische risico’s worden weggenomen, de gewenste (boven- en ondergrondse) functies worden mogelijk gemaakt, verspreiding wordt zo veel mogelijk voorkomen en nazorg wordt zo veel mogelijk beperkt. Het bodembeleid heeft betrekking op de bovenste 500 meter van de ondergrond. Daaronder is de Mijnbouwwet van toepassing. De minister van EZK is bevoegd gezag bij opsporingsen winningsvergunningen van delfstoffen, zoals water, gas, olie en zout. Gedeputeerde staten hebben adviesrecht. Gedeputeerde staten moeten het college van burgemeester en wethouders en het dagelijks bestuur van het waterschap bij hun advies betrekken.
4.3 Provincie en waterschap De provincie is verantwoordelijk voor regionale (gemeentegrens overschrijdende) ruimtelijke aspecten, zoals beleid voor natuur- en stiltegebieden en de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de omgeving. De provincie is daarmee ook bevoegd gezag voor alle aspecten rondom grondwater, het beschermen van de kwaliteit van het water in grondwaterbeschermingsgebieden en het beheer van watersystemen en het zwemwater. Daarnaast heeft de provincie, voor het realiseren van de doelstellingen uit de Europese kaderrichtlijn water (KRW) en de Grondwaterrichtlijn (GWR), een gebiedsgerichte coördinerende rol bij de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen. Het waterschap is het bevoegd gezag als het gaat over het waterbeheer. Hieronder valt o.a. de waterkwantiteit en waterkwaliteit en de zuivering van afvalwater. De uitvoeringsregels zijn vastgelegd in provinciale- en waterschapsverordeningen.
4.5 Gemeente De gemeente is bevoegd gezag op verschillende milieuthema’s, zoals bodemkwaliteit, lozingen, en kan de ruimte die landelijke en provinciale regelgeving biedt, nader invullen met lokale doelen. Via bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening en de Telecommunicatieverordening zijn regels geformuleerd voor het leggen van kabels en leidingen. De gemeente heeft daarnaast beleid vastgesteld met een impact op de bodem en ondergrond:
10
In 2016 is de Agenda Ruimte voor de Stad vastgesteld. Daarin is o.a. aandacht voor impact van de transities (energie en klimaat) op de ondergrond. Voor groen de Agenda Groen voor de Stad opgesteld en als vervolg daarop de Nota Stadsnatuur. Ook de Kadernota Openbare Ruimte, de Nota Duurzaamheid, de Transitie visie Warmte en de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040 geven richting aan de realisering van een duurzaam leefbare stad. Uit de ambities van deze beleidsnota’s vloeien opgaven voort voor de Haagse ondergrond. In de bijlage is een overzicht opgenomen van alle relevante beleidsstukken en wetten.
11
5. De waarden van de bodem en ondergrond De grond onder de stad heeft voor veel inwoners een bijzondere betekenis. Het zegt iets over de oorsprong van de stad, de geschiedenis en de bewoners. En biedt de stad vele diensten. Met de grote groei van de stad in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond een ruimtelijk onderscheid tussen arm en rijk Den Haag. De welgestelden woonde op het zand, terwijl de arbeiders in grote dichtheden op het veen woonde. Op het “gezonde zand” werden ruime wijken gebouwd waar op stand werd geleefd. “De reine bodem is voor de gezondheid zijner bewoners van onmiskenbare betekenis” staat te lezen in de brochure over nieuwbouwwijk Duinoord in 1897. Gezond zand als unieke Haagse kwaliteit. Op het veen werden de fabrieken en arbeiderswijken gebouwd. In hoge dichtheden zonder parken of straatgroen. Of je van het zand kwam of van het veen heeft lange tijd iets gezegd over je sociale klasse. Deze tweedeling is nog steeds terug te vinden in de stad. De ondergrond levert vanuit verschillende invalshoeken een belangrijke waarde voor de kwaliteit van de Haagse leefomgeving. De lange geschiedenis van de stad ligt in de bodem opgeslagen. Hoe dieper we graven, hoe verder we teruggaan in de tijd.
Naast de historie is de ondergrond van grote waarde als drager van de stad, als regulerend bodem- en watersysteem, de basis voor onze stadsnatuur en leverancier van grondstoffen en energie. De zanderige ondergrond is een stabiele drager van zowel gebouwen, tunnels als kabels en leidingen. Voor de energietransitie wordt de gunstige energiepotentie van de Haagse diepe ondergrond steeds meer aangeboord. Het anticiperen op het veranderende klimaat is mede mogelijk door de ruimte voor water in de ondergrond te gebruiken. Om de waarde en de mogelijke bijdrage van de ondergrond inzichtelijk te maken, is het belangrijk om te weten wat zich daarin bevindt, hoe de langzame bodemprocessen werken, welke beperkingen de ondergrond opwerpt en wat er zich aan ontwikkelingen zullen voordoen. Door dit inzicht kan de waarde van de ondergrond voor de groeiende stad beter worden benut en voor de toekomst veilig worden gesteld.
5.1 De ondergrond als drager van de stad De ondergrond van Den Haag is gevormd door duizenden jaren van daling en stijging van de zeespiegel. Door daling van de zeespiegel breidde de kustlijn zich vanuit de Vlietzone langzaam westwaarts uit. Een landschap van duinen en strandvlaktes ontstond. Door tijdelijke zeespiegelstijgingen vonden doorbraken in de duinen plaats en overstroomden de strandvlaktes. Op die plekken parallel aan de kust ontstonden moerassen waar zich zeeklei afzette en veen werd gevormd. In de ondergrond zijn deze afzettingen terug te vinden. Waar de duinen hoog waren zijn stabiele zandlagen terug te vinden. Verder landinwaarts bij Leidschenveen is de zandlaag bedekt met meer dan 15 meter veen. De opbouw van de ondergrond is nog steeds van grote invloed op het functioneren van de stad. Het deel van de stad dat op het hooggelegen “zand” ligt, heeft een stabiele en weinig zettingsgevoelige ondergrond. Deze stabiliteit draagt bij aan een bovengemiddelde levensduur van onze ondergrondse infrastructuur, zoals onze riolen en funderingen. Regenwater kan hier makkelijk door de ondergrond worden opgenomen. Verder landinwaarts, langs de lijn Mariahoeve- Schilderswijk- Kraayenstein, zijn klei-afzettingen en veenlagen van verschillende diktes aanwezig.
In deze gebieden is de ondergrond gevoelig voor zetting, het inklinken van de bodem door uitdroging, en voor wateroverlast als gevolg van hevige 12
regenval of stijgend (brak)grondwater. Veranderingen in het grondwatersysteem (kwaliteit en grondwaterstandeffecten) brengen zettingsgevoelige bodems in beweging. Dit vormt voor oude (houtenpaal) funderingen een groot risico. Deze komen open te liggen en te gaan rotten, waardoor het gebouw verzakt. Een ander effect van verzakking van de bodem is het lek raken van rioleringen en de beschadiging van huisaansluitingen. In deze gebieden ligt de levensduur van wegen en ondergrondse infrastructuur aanmerkelijk lager. De opbouw en de samenstelling van de ondergrond geeft daarmee belangrijke aandachtspunten mee voor het realiseren van een duurzame leefomgeving. Voor natuur- en groenontwikkeling betekent dit bijvoorbeeld dat rekening wordt gehouden met tolerantie voor droogte (zandgronden) of juist water (veengronden). Ingrepen in het bodem -en watersysteem mogen daarom niet leiden tot onomkeerbare effecten in andere gebieden of voor andere functies, die het toekomstig gebruik ernstig verstoren. Beleidsuitgangspunt: 1. Rekening wordt gehouden met de belastbaarheid van de bodem en het watersysteem. Ingrepen mogen niet leiden tot afwenteling van negatieve effecten op andere gebieden of functies. 2. De ondergrondkwaliteiten die belangrijk zijn voor o.a. het vasthouden van water, de opslag van water, stabiliteit van de bodem worden betrokken bij het ontwerpen van de bovengrondse ruimte.
5.2 De ondergrond als historisch archief De ondergrond vormt het langetermijngeheugen van de stad. Hoe dieper we graven, hoe verder we teruggaan in de tijd. Vooral in het centrum en oude strandwallen ligt een schatkamer aan archeologische resten die teruggaan tot de prehistorie. Sporen van de eerste nederzettingen, grafvelden, afval- en ophooglagen zijn in de bodem terug te vinden. Eerst op de oude strandwal ter hoogte van de lijn Rijswijk – Vlietzone – Leidschendam. Door vernatting van het achterland door de stijging van het grondwaterpeil en een woestere zee werd deze plek weer verlaten. Vier honderd jaar later ontstonden op de nieuwe strandwallen rond het huidige centrum een geschikte plekken waar nederzettingen ontstonden. Het verhaal van het vroege Den Haag is het verhaal van de zee die zich terugtrok, terugkwam en later weer verdween. Vanaf de Romeinse tijd raakt het gebied sterker bevolkt. In Ockenburgh bouwde de Romeinen een fort ter verdediging van invallen vanaf zee. Dit fort stond via een weg in verbinding met het Forum Hadriani, de grootste Romeinse stad in de regio, net over de gemeentegrens in Voorburg. In de jaren 69/70 is de Haagse regio getuige van de Bataafse opstand. Met het neerslaan van de rebellie en daarop volgende veranderingen in het bestuurlijk apparaat, breekt er een periode van rust en welvaart aan. Het gebied werd verkaveld en ontwaterd.
Als gevolg daarvan daalde de bodem. Het water kon vervolgens niet meer weg en een deel van het landschap verdronk. Mede als gevolg dat een deel van de rurale nederzettingen vanaf de 3de eeuw ophield te bestaan. Uit de hoge middeleeuwen stammen de eerste resten van grotere bebouwing; In 1248 startte de bouw van het Grafelijk Hof en ontstond het dorp Die Haghe. Fundamenten en beerputten, menselijke graven, gereedschappen en huishoudelijke spullen zijn overvloedig terug te vinden in de bodem van het centrum. Van recentere datum zijn de gedempte watergangen, zoals de grachten rond het Binnenhof en de Prinsengracht, en restanten van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode zette de mens het landschap steeds meer naar zijn hand en vond de eerste stadsvorming plaats. 13
Door de vorming van de Jonge Duinen tussen 1200 en 1600 werd het mogelijk het achterliggende veenlandschap om te zetten in landbouwgrond. De aanleiding voor het ontginnen van de klei- en veengronden waren primair de bevolkingsgroei en het ontstaan van steden, maar daarnaast speelden ook economische en met name machtspolitieke motieven een belangrijke rol. Via het ontginnen kon een claim gelegd worden op het land en leverde het ontgonnen land inkomsten op voor de graaf van Holland. Naast de ontwikkeling van Die Haghe naar Den Haag, ontwikkelde zich ook andere dorpen binnen de Haagambacht, zoals Loosduinen, Scheveningen en Eikenduinen. Uit elke periode zijn de resten van de mensen en de wijze waarop zij de grond gebruikte terug te vinden. Beleidsuitgangspunt: 3. Archeologische waarden worden zoveel mogelijk “in situ” in de grond bewaard. 4. Bij de aanwezigheid van betekenisvolle archeologische resten wordt gekeken of een planaanpassing kan worden toegepast. Wanneer een planaanpassing onmogelijk blijkt te zijn wordt de archeologische vindplaats zo goed mogelijk opgegraven en gedocumenteerd.
5.3 De bodem- en grondwaterkwaliteit onder de stad Het gebruik van de stad heeft ook andere sporen in de ondergrond achtergelaten. Door het looien van leer en het vervaardigen van andere ambachtelijke producten is met name de bodem in het centrum vervuild geraakt. In modernere tijden zorgden de twee gasfabrieken, aan de Gaslaan en in de Binckhorst, en de twee voormalige stortplaatsen Puinduinen en Westduinpark voor grote verontreinigingen in de ondergrond. Lekkende olietanks, chemisch afval en lood uit benzine en het gebruik van vervuild puin voor het dempen van sloten zijn andere bronnen van lokale oudere vervuiling. De laatste decennia is de stadsbodem op vele plekken gesaneerd en zijn de risico’s van bodemverontreiniging sterk teruggebracht. De bodem wordt nu beter beschermd tegen nieuwe verontreinigingen. Bodemverontreiniging blijft echter nog veel aandacht vragen. Uitgangspunt voor het bodembeheer is dat dit duurzaam en verantwoord plaatsvindt. Hoofddoel is dat de kwaliteit van de bodem niet mag verslechteren en dat waardevolle natuurgebieden beschermd worden. In deze gebieden, maar ook bijvoorbeeld moestuinen, gemeenschappelijke tuinen en voedselbossen, willen wij zorgen voor een gezonde bodem. De stad is de komende 20 jaar erg in beweging. Continu wordt grond (tijdelijk) ontgraven, opgeslagen en toegepast.
Een voorbeeld hiervan is het regulier onderhoud aan weg(berm)en, rioleringen, kabels, leidingen, groenvoorzieningen en (vervangende) nieuwbouwprojecten. In de stad zijn relatief veel gebieden waar alleen schone grond toegepast mag worden. Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeente wil invulling geven aan een milieuvriendelijker grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project wil de gemeente kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er is dan minder onderzoektijd bij grondverzet. Het gebruik van primaire en secundaire grondstoffen wordt beperkt (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank). Ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals stikstof (NOx), fijnstof en CO2 en het gebruik van energie 14
nemen substantieel af. Het gebiedspecifieke en regionale grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen risico’s voor de volksgezondheid en de natuur met zich mee. PFAS Een van de stoffen die de laatste tijd veel aandacht vraagt is PFAS(Per- en polyfluoralkylstoffen). Deze groep chemische stoffen worden toegepast in vele gebruiksvoorwerpen, zoals smeermiddelen, voedselverpakkingsmaterialen, blusschuim, anti-aanbaklagen van pannen, kleding, textiel en cosmetica. PFAS heeft een negatief effect op het milieu en de gezondheid. Door het grote gebruik ervan zijn concentraties in de bodem, het oppervlakte-en grondwater terug te vinden. Ook in Den Haag zijn hogere concentraties van PFAS aangetroffen. Zoals op het oefenterrein van de brandweer (blusschuim) en onlangs in een sloot in Leidschenveen. Uit onderzoek blijkt dat mensen in Nederland via voedsel en drinkwater te veel PFAS kunnen binnenkrijgen. Nieuwste inzichten op het gebied van PFAS laten zien dat PFAS mogelijk bij lagere concentraties effecten geven. Het gaat hierbij om effecten op het immuunsysteem van mensen. Hierdoor wordt de kans op ziekten mogelijk vergroot. De lagere gezondheidskundige grenswaarde die het Europese Voedselagentschap hanteert wordt nu ook door het RIVM gehanteerd.
Den Haag heeft de kwaliteit van de grond onderzocht. De gemeten waarden, buiten de twee genoemde voorbeelden, liggen onder de door het RIVM gehanteerde waarden. De gemeente zal lokale maximale waarden voor PFAS-verbindingen in de grond vaststellen.
Beleidsuitgangspunt: 5. Wij maken de bodem en ondergrond geschikt voor het gewenste gebruik via een gebiedsgerichte aanpak. Op natuurlijke momenten, zoals bij herontwikkeling, herinrichting, worden kansen benut om de bodemkwaliteit te verbeteren. 6. Voor het toepassen van vrijgekomen grond en baggerspecie stellen wij strenge eisen zodat geen verslechtering van de bodemkwaliteit optreedt.
5.5 De ondergrond als ruimte voor natuur De diversiteit in bodemtypen in de Haagse ondergrond zorgt voor een grote variatie in vegetatie en fauna. Karakteristiek voor de Haagse natuur zijn natuurlijk de duinen en de daar aanwezige begroeiing en diersoorten. De oude landgoederen en de buitenplaatsen met hun parken zijn in de binnenduinrand en op de strandwallen ontstaan. Verder van de kust zijn de polders met hun eigen op water georiënteerde natuur. De verschillende groengebieden zijn met elkaar verbonden via ecologische verbindingszones. Samen vormen zij de Stedelijke Groene Hoofdstructuur. Aan het vitaal houden van deze hoofdstructuur draagt het bodemleven in belangrijke mate bij. In de verschillende bodemtypes (zand, klei, veen) zijn vele soorten bodemleven aanwezig. De hoeveelheid bodemleven hangt samen met de hoeveelheid organisch materiaal, vochtgehalte (waterbeheer), mate van verstoring en gebruik. Ook verschilt het bodemleven op verschillende dieptes. In de bovenste meter van de bodem vinden de meeste biologische processen plaats. Wormen, aaltjes, schimmels en bacteriën zijn hier actief. Zij spelen een cruciale rol bij het omzetten van organische stof tot voedingsstof voor planten. Ze maken de grond los zodat het water makkelijker opneemt en zuurstof kan toetreden.
Bacteriën zijn tot honderden meters diep actief en dragen eveneens bij aan een goede bodem- en waterkwaliteit.
15
Het bodemleven vormt samen met de planten en dieren een op elkaar afgestemd systeem. Steeds meer wordt bekend over de wisselwerking van het bodemleven en het leven daarboven. Netwerken van schimmels zijn bijvoorbeeld verbonden met plantenwortels en dragen zorg voor de uitwisseling van voedselstoffen. Een bodem met regenwormen is vaak wel meer dan 10 keer zo effectief in het opnemen van water als een bodem zonder regenwormen. Een sterk ontwikkeld bodemleven maakt de bodem beter bestand tegen ziektes en plagen. Door stedelijke groei dreigt de stad verder te verharden en ook ondergronds neemt het web van kabels en leidingen voor water, gas, elektriciteit en telecom steeds verder toe. Om het bestaande en nieuw te ontwikkelen groen, goede groei condities te bieden zetten wij in op het voorkomen van onnodige bodembedekking. Ook zetten wij in op het versterken van de bodemvitaliteit door bodemverbetering. Groengebieden en de ecologische verbindingszones beschermen wij zoveel mogelijk tegen verstoring. Bijvoorbeeld door het werken aan kabels en leidingen rondom bomen sleufloos uit te voeren, persingen uit te voeren onder het grondwaterniveau en het zorgdragen dat ondersteuningsvoorzieningen, zoals trafostations buiten groen-zones en gebieden te plaatsen.
Hiermee dragen wij zorg voor het zuinig omgaan met het areaal onverharde bodem en stimuleren wij dat dit toeneemt in plaats van afneemt. Bodemgezondheidsindex Voor het realiseren van een duurzame stadsbodem is veel kennis nodig. De stadsbodem is de standplaats voor stedelijk groen, het leefmilieu voor het bodemecosysteem en een belangrijke waterbuffer. Een optimaal functionerende bodem is daarom van levensbelang voor een goed functionerend stadsecosysteem en daarmee klimaatadaptief. Helaas heeft de stadsbodem een gecompliceerd verleden en is het met de bodemgezondheid in veel gevallen matig gesteld. Met inzet van nieuwe kennis zijn stadsbodems en stadsecosystemen te versterken en optimaal in te zetten voor mens en dier. Om te kunnen onderbouwen dat op de ene plek de bodemambitie anders is dan op de andere plek is een nieuw instrumentarium nodig. Naast het versterken van het inzicht in de bodem en ondergrond via het visualiseren en modelleren, is extra kennis nodig over gezonde bodems. In het kader van de Europese richtlijn bodemmonitoring en -veerkracht wordt nu van lidstaten gevraagd de gezondheid van de bodem te verbeteren en deze te monitoren. Een gemeentelijk instrument hiervoor is een bodem-biodiversteitsindex waarin karakteristieken, situatie en kwaliteiten kunnen worden gemeten. De komende jaren zullen wij dit instrument voor de stad uitwerken en implementeren.
Beleidsuitgangspunt: 7. De kwaliteiten van de bodem worden intact gelaten en versterkt om de biodiversiteit en de waterregulerende functie te verhogen. 8. Wij sturen op het verminderen van bodemafdekking. Het oppervlak onverharde bodem blijft gelijk of vergroten wij. De bodem van de stedelijke groenstructuur wordt niet gebruikt voor de aanleg van kabels en leidingen, tenzij dit niet anders kan. 9. Bij ingrepen in de bodem wordt gestreefd de bodem gezonder te maken. Ruimte voor bomen Bomen zijn van groot belang voor een gezonde bodem en dragen bij aan een goede leefomgeving. De ideale groeiplaats van een boom, dus ook een stadsboom, is open grond zonder dichte verharding. In de stad staat echter 62% van de stadsbomen in of vlakbij verharding. Dat is voor de boom een onnatuurlijke groeiplaats, en veel stadsbomen groeien daardoor niet optimaal. Het doel voor nieuwe 16
en bestaande groeiplaatsen is daarom om de eigenschappen van de open grondsituaties zoveel mogelijk te benaderen. Vooral het asfalteren zorgt ervoor dat nauwelijks meer lucht en water in de bodem kan doordringen. De beperking van de groeiplaatsomstandigheden zorgt ervoor dat de stadsbomen zich niet optimaal kunnen ontwikkelen. Als gevolg van de slechte standplaats groeien de bomen slecht en zijn eerder vatbaar voor ziekten. De bomen krijgen weliswaar een paar kubieke meter voedingsgrond mee, maar in de verharding is vaak weinig ondergrondse wortelruimte aanwezig. Door intensiever ruimtegebruik (zoals parkeren, het leggen van kabels en leidingen en het plaatsen van ondergrondse afvalcontainers) zijn de groeimogelijkheden van veel bomen verder achteruitgegaan. Het inrichten van een goede ruime groeiplaats zorgt voor vitale bomen. Als vuistregel geldt dat een boom boven de grond net zoveel ruimte nodig heeft als onder de grond. Bij aanplant is de kroon van een jonge boom dan ook net zo groot als de wortelkluit. Rondom de boom nemen zowel boven als onder de grond de ruimteclaims toe. Naast de al bestaande kabels en leidingen, komen er ondergrondse afvalcontainers bij, worden warmtenetten aangelegd en wordt het elektriciteitsnetwerk verzwaard. Het realiseren van meer hoogbouw genereert meer wind en schaduwwerking.
Al deze claims en de daarmee samenhangende effecten hebben gevolgen voor deze bomen. Ze raken beschadigd bij graafwerkzaamheden of moeten in sommige gevallen zelfs verdwijnen vanwege instabiliteit. Door duidelijke graafvoorschriften, beschermende maatregelen of aanpassingen van de plannen kunnen bomen vaak behouden blijven. Door vroeg in de planningsfase de kwaliteit van de bomen en hun eigenschappen inzichtelijk te maken zijn passende beschermingsmaatregelen of plan aanpassingen mogelijk. Hierdoor wordt schade aan bomen voorkomen en ruimte gemaakt voor de gewenste extra bomen in de stad. Naast werkzaamheden en meer functies in de ondergrond heeft ook het veranderende klimaat invloed op de kwaliteit van de bomen. Er worden in de toekomst meer droge periodes verwachten tussen april en september. Hierdoor worden de kronen almaar dunner en gaat de vitaliteit van veel boomsoorten achteruit. Dit vraagt extra aandacht voor soorten keuze, maar ook zorg voor een vitale bodem om de effecten van droogte te beperken. Om de bomenstructuur de drager van de straten en lanen te maken, is investering in de ondergrondse ruimte nodig. Kabels en leidingen vormen namelijk een risico voor de groeimogelijkheden van bomen. Dit betekent dat die straten waar de ruimte beperkt is wij beschermingsconstructies moeten kunnen voorschrijven.
Beleidsuitgangspunt: 10. Bij nieuwe ontwerpen van de openbare ruimte wordt voldoende ruimte gereserveerd voor bomen en de nodige wortelruimte in de ondergrond. 11. In straten met weinig ruimte kunnen beschermingsconstructies worden voorgeschreven. 12. In gebieden met grote drukte in de ondergrond worden sleufloze technieken toegepast om bestaande wortelpakketten te beschermen en worden beschermingsconstructies voorgeschreven om wortelpakketten van nieuwe bomen groeimogelijkheden te bieden.
17
5.6 Klimaatadaptie Het klimaat verandert. In de stad zijn de gevolgen van het veranderende klimaat versterkt te merken. De vaker voorkomende steeds hevigere regenbuien kunnen onvoldoende worden opgevangen met wateroverlast tot gevolg. De hitte kan door de hoge mate van verstening de temperatuur enorm doen oplopen. Hittestress en verdroging zijn hiervan het gevolg. De eerdergenoemde zeespiegelstijging vergroot de kans op hogere grondwaterstanden waardoor de overschotten aan regenwater moeilijker afgevoerd kunnen worden en het risico op zoute kwel ontstaat. De effecten van het veranderende klimaat zijn de laatste jaren goed te merken. Denk aan de hittegolven en droge zomers van 2019, 2020 en 2022 en aan de ondergelopen straten in Scheveningen in 2020 en 2021. Bij het tegengaan van de gevolgen van wateroverlast, extreme hitte en droogte speelt de bodem een belangrijke rol. Door het vergroten van de sponswerking van de stadsbodem kan meer water worden vastgehouden en indien nodig in droge periode worden afgegeven. Door 1 procent meer organische stof in een schrale zandbodem toe te voegen, kan de bodem 3 à 4 millimeter meer water vasthouden. Dit levert een grote bijdrage aan het voorkomen van wateroverlast. Door inzicht te hebben in de structuur en functies van de bodem en ondergrond kunnen passende adaptatiemaatregelen worden genomen.
Verdere verdichting (meer verharding) en intensivering van het ruimtegebruik vermindert de infiltratiecapaciteit van de bodem en daarmee het vermogen om water te bergen. Om de opname van regenwater in de bodem te stimuleren, is het daarom van belang om onnodige bodemafdekking te voorkomen door het oppervlak zo veel mogelijk onbedekt te laten en te ontstenen. Een waterbergende bodem draagt bij aan de vermindering van wateroverlast van hevige piekbuien op straat of andere publieke of private gronden, het vermindert de afvoer van regenwater via het riool naar de afvalwaterzuivering en de overstort van het riool op het oppervlakte water. Het toepassen van de ondergrondse waterbuffers zoals bij het Cromvlietpark, zorgt behalve voor vermindering van wateroverlast ook voor het beschikbaar krijgen van water in droge periodes en het bergen in perioden van overvloed. Het tijdelijk vasthouden van water in gebouwen of in regentonnen draagt ook bij aan het tegengaan van wateroverlast bij piekbuien. Vooral in het centrum en de stationsbuurt waar weinig ruimte op maaiveld als ruimte in het grondwaterniveau zit kunnen deze maatregelen verlichting bieden. Beleidsuitgangspunt: 13. De kwaliteit van de bodem wordt optimaal gebruikt om de stad klimaatadaptief te maken. De waterbergende capaciteit van de bodem wordt gebruikt en versterkt.
5.7 De ondergrond als watersysteem Voor het Haagse grondwatersysteem heeft de nabijheid van de zee een doorslaggevende invloed. Het grondwater stroomt langzaam ondergronds vanuit het zeebodembed onder de zoetwaterbel in de duinen door, richting de diepe polders van Wateringse Veld tot Leidschenveen. Het grondwater stroomt daarbij langs en onder de slappe klei- en veenbodemlagen. Het zoete grondwater 'drijft' op het lager gelegen zoute water. Het ondiepe grondwater voedt het oppervlaktewater en omgekeerd heeft het afvoeren van oppervlaktewater invloed op de grondwaterstanden en de kwaliteit van het grondwater. Wanneer de druk van het diepe grondwater, dat onder de klei- en veenbodem stroomt, groter is dan de druk van het ondiepe grondwater, kan het diepe grondwater omhoog gaan stromen. Dit wordt 18
kwel genoemd. De druk op het grondwater kan door verschillende redenen, zoals grondwateronttrekkingen (DSM Delft, afvoer via lekkende riolen), zeespiegelstijging, het verkleinen van de zoetwaterbel in de duinen, of door verdroging toenemen. Zeespiegelstijging De verzilting van het grond- en oppervlaktewater treedt nu al in heel Nederland op. Door de zeespiegelstijging neemt de druk van zoutwater op de duinen toe. Kwel van (brak) grondwater kan tot gevolg hebben dat in natte periodes wateroverlast ontstaat of dat het oppervlaktewater en de bodem verzilten. Met alle negatieve effecten op planten en dieren van dien. Vooral in Leidschenveen is sprake van een sterke kwel van grondwater. Het is daarom essentieel om zoveel mogelijk zoet oppervlaktewater beschikbaar te hebben om tegendruk te geven te geven aan het brakke grondwater en voldoende zoet water in de bodemlaag daar direct onder. Het vormt zo een zoetwaterbarrière tegen het optrekkende zoute water. Beleidsuitgangspunt: 14. Het watersysteem (zowel grondwater als oppervlaktewater) maken wij robuust zodat het veerkrachtiger kan omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte en tegendruk kan bieden aan brak grondwater.
Drinkwaterwinning In de zanderige bodem van de duinen is van nature een groot reservoir aan schoon en zoet water ontstaan. Uit dit reservoir wordt bij Solleveld en Meyendel, sinds 1874 water gewonnen voor het Haagse drinkwater. De waterwinning was in die tijd een eenvoudige zaak. Men groef in de duinen lange kanalen evenwijdig aan de kust waarin het duinwater uit het omringende duingebied opwelde. Via deze kanalen stroomde het water naar het pompstation waar het duinwater met behulp van een langzaam zandfilter tot drinkwater werd gezuiverd. Door de bevolkingsgroei aan het begin van de twintigste eeuw nam ook de vraag naar drinkwater toe. De bij aanvang van de waterwinning gegraven kanalen moesten steeds dieper, breder en langer uitgegraven worden om aan de vraag te kunnen blijven voldoen. Direct gevolg van deze toenemende hoeveelheid gewonnen water was het dalen van de grondwaterstand en een afname van de wincapaciteit. In Meijendel werd de oplossing voor dit capaciteitsprobleem gevonden in de aanleg van diepe drains in het tracé van de oude winkanalen, op een diepte van ca. drie meter beneden NAP. Met de stapsgewijze groei van de stad ontstond steeds opnieuw een capaciteitsprobleem. Na eerst steeds dieper water op te pompen werd van 1955 een nieuwe bron aangeboord: rivierwater.
Het nieuwe systeem wordt het duin-riviersysteem genoemd en vormt nog steeds de basis van het drinkwatersysteem. Na bijna 70 jaar heeft dit systeem inmiddels ook zijn grenzen bereikt. De Haagse waterwingebieden, Meyendel en Solleveld, zijn vanwege het grote belang van schoon drinkwater wettelijk beschermd en gevrijwaard van boringen anders dan voor waterwinning. De vraag naar drinkwater blijft de komende jaren sterk toenemen door de groei van het aantal inwoners en bedrijven in de stad en regio. Dit vraagt om uitbreiding van de capaciteit van de productie alsook van het transportnetwerk. Dat is deels mogelijk door uitbreiding van de “zoetwaterbel” in de duinen, maar vooral door het winnen van water uit andere bronnen, zoals oppervlaktewater, brakgrondwater en zeewater. Oppervlakte water is hiervan de belangrijkste en zal 19
voor de productie van drinkwater meer ruimte in de stad vragen. Het zoetwater reservoir van de duinen blijft ook in de toekomst van essentieel belang voor de Haagse drinkwatervoorziening. Ter bescherming van dit waterwingebied is het belangrijk dat in de directe omgeving geen verstoring van de diepere ondergrond optreedt. Dit vraagt om een zorgvuldig onderzoek in een ruime zone rondom een grondwaterbeschermings- en waterwingebied. Het beschermen en vergroten van de zoetwatervoorraad onder de duinen dient ook een ander doel. Het vormt namelijk een natuurlijke barrière voor het ondergrondse zeewater. Het voorkomt dat het zoute grondwater te dicht onder het oppervlak komt en zorgt voor verzilting van het achterland. Het in beeld brengen waar zout grondwater kwelt maakt het mogelijk de juiste maatregelen te nemen om de kwetsbare zoete grondwatervoorraad en het zoete oppervlaktewater te beschermen. Water vasthouden en bergen is bijvoorbeeld een goede maatregel om tegendruk te bieden aan opkomende zoute grondwater. Voorkomen opwarming drinkwater en stimuleren koelte In een groeiende en verdichtende stad moet het drinkwaterdistributiesysteem meer leveren binnen een krappere ondergrondse ruimte, zonder dat dit ten koste mag gaan van de temperatuur, druk, continuïteit en kwaliteit. De temperatuur van het leidingwater wordt vooral bepaald door de temperatuur van de bodem.
Om risico’s voor de volksgezondheid te vermijden mag het drinkwater niet warmer worden dan 25 ˚C. Het risico van te hoge opwarming van het water wordt door twee factoren bepaald. Hitte stress als gevolg van de warmere zomers en opwarming van de bodem door kabels en leidingen. Met het warmer worden van de zomers wordt ook de bodem in die zomers warmer. In het waterdistributienet ontstaan locaties waar het warmer is dan gemiddeld. Dit zijn bijvoorbeeld locaties die altijd in de volle zon liggen of nabij de huisaansluitingen van warmtenetten liggen. Met de warmer wordende zomers is het beperken van opwarming van de straten een effectieve manier om de opwarming van drinkwater te beperken. Naast het garanderen van de waterkwaliteit biedt het relatief koele drinkwater ook kansen voor het opslaan van koelte in de koude bronnen van WKO-installaties van gebouwen. Belang van scheidende grondlagen In de ondergrond bevinden zich waterscheidende klei-en veenlagen. Grondwater, maar ook vervuiling blijft binnen deze grondlaag gevangen. Het doorboren van afsluitende bodemlagen, voor bijvoorbeeld putten voor bodemenergiesystemen kan zorgen voor de verspreiding van zoute kwel naar hoger gelegen grondwater en van mogelijk aanwezige verontreiniging.
Het onderzoeken van de mogelijke effecten van boringen op het watersysteem en in het bijzonder die nabij water wingebieden is belangrijk voor het garanderen van de grondwaterkwaliteit. Zeker in stedelijk gebied waar verschillende ruimtelijke ambities bij elkaar komen is extra zorg vanuit de gemeente wenselijk. Beleidsuitgangspunt: 15. Het belang van de bescherming van de grondwaterkwaliteit nabij waterwingebieden krijgt een nadrukkelijke plek in de afweging voor het realiseren van geothermie. 16. De kwaliteit en de temperatuur van het drinkwater wordt geborgd door te voorkomen dat warmte afgevende leidingen te dicht bij waterleidingen worden gelegd. 17. Bij de inrichting van de openbare ruimte worden verkoelingsmaatregelen van het maaiveld meegenomen om het effect van opwarming te verminderen. 20