RIS318646 Eerbetoon aan Mien van Bree bijlage 3
Tekst van het document
De observaties worden niet meegenomen in de analyse omdat de informatie die daaruit naar voren kwam te gefragmenteerd was. Er is wel gebruik gemaakt van de observaties om geïnterviewden te kunnen bevragen over hetgeen de onderzoeker zag tijdens de observaties. Ook zijn de thema’s die bij de observaties naar voren kwamen, voorgelegd aan de geïnterviewden. De eerste twee participerende observaties vonden plaats bij vergaderingen bij de KNWU. De vergaderingen zijn geïnitieerd door drie betrokken vrouwen uit het vrouwenwielrennen: Nelly Voogt, Renske Doedee en Jeanine Laudy. De drie vrouwen liepen aan tegen de doorstroming in de verschillende categorieën en hadden daarom een promotie/degradatie systeem bedacht, wat ze met de KNWU wilden bespreken. Dit promotie/degradatiesysteem wordt in het resultatenhoofdstuk uitgelegd. Door middel van dit promotie/degradatie systeem kunnen de wedstrijdcategorieën van de KNWU beter worden ingedeeld. De vergaderingen gingen over de toekomst van het vrouwenwielrennen en er waren beide avonden ongeveer acht mensen aanwezig van zowel de KNWU als vertegenwoordigers van het vrouwenwielrennen. De avonden in 28
oktober en januari waren vergaderingen waarbij de onderzoeker aanwezig was, deze vergaderingen duurden ongeveer twee uur per avond. Tijdens de observaties heb ik niet geïntervenieerd in de natuurlijke context, maar ik nam de vergadering op en was aanwezig om de setting en omgangsvormen gade te kunnen slaan. De deelnemers aan de vergadering waren op de hoogte van het onderzoek en de aanwezigheid van de onderzoeker. Ook hebben ze toestemming gegeven om de vergaderingen op te nemen op band. De aanwezigheid van de onderzoeker heeft waarschijnlijk geen invloed gehad op de behandelde thema’s op de vergadering. Daarnaast heeft de onderzoeker ervoor gekozen de omschrijving van het onderzoek ‘open’ te houden zodat de deelnemers aan de vergadering in hun bijdrage niet zouden worden gestuurd naar een bepaald onderwerp. Aan de vergaderingen is bewust niet inhoudelijk deelgenomen omdat de inbreng van de onderzoeker ervoor zou kunnen zorgen dat de resultaten van de vergadering worden gestuurd. De
vergaderingen zijn opgenomen en daarna
getranscribeerd. De derde bijeenkomst (augustus 2016) was een brainstormavond waarbij rensters, ploegleiders, KNWU, platform vrouwenwielrennen.nl, organisatoren van wedstrijden, kortom een breed scala aan betrokkenen aanwezig waren. De KNWU heeft naar aanleiding van de bovengenoemde vergaderingen met betrokken vrouwen dit seizoen aanpassingen gedaan in het wedstrijdaanbod. De manier waarop het wedstrijdaanbod is aangepast wordt besproken in het resultaten hoofdstuk. De brainstormavond in augustus is gebruikt om de aanpassingen te evalueren en te kijken wat nog nieuwe punten zijn die nog veranderd moeten worden. Daarnaast is aan de betrokkenen gevraagd om ideeën om het vrouwenwielrennen te verbeteren. 4.4 Keuze respondenten Respondenten van het onderzoek zijn mensen die zich inzetten voor de ontwikkeling of iets van de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen weten. Er is begonnen met een aantal contacten die door de onderzoeker waren opgedaan tijdens de participerende observaties. Door middel van het zogenaamde sneeuwbaleffect zijn andere respondenten gevonden voor de interviews. De respondenten zijn geselecteerd op hun betrokkenheid bij de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen. Maar ook vrouwen die niet per se zelf (actief) een rol hebben gespeeld maar die wel al langer meelopen in het vrouwenwielrennen en de ontwikkeling ervan hebben meegemaakt.
Omdat de tijdslijn van het onderzoek loopt van 1965 tot 29
2016, is geprobeerd om uit alle jaren tussen 1965 en 2016 een renster te vinden uit de topsport. Daarom is de leeftijd van de vrouwen gevarieerd. Van de vier ploegleiders die zijn geïnterviewd zijn er twee ploegleider van een vrouwenclubteam en twee zijn er ploegleider van een commercieel vrouwenteam (geweest). Hiervoor is gekozen omdat de structuur van beide teams verschillend is en daarom de visie en drijfveren van een ploegleider ook anders kunnen zijn. Van de ploegleiders zijn er drie man en één ploegleider, van een commercieel team, is vrouw. Om zoveel mogelijk visies op vrouwenwielrennen en de ontwikkeling daarvan te achterhalen zijn vrouwen uit het hele land geïnterviewd, zowel breedte- als topsportrensters. In bijlage één is een overzicht van de respondenten te vinden. In bijlage
twee en bijlage drie zijn de
gebruikte topiclijsten te vinden. 4.5 Dataverwerking en analyse Er zijn transcripten gemaakt van de interviews, dit is gedaan door de geluidsopnames, die met toestemming van de respondenten zijn gemaakt, van de interviews letterlijk uit te typen. De transcripten zijn om te beginnen open gecodeerd (Boeije, 2012). Open coderen houdt in dat de onderzoeker de verzamelde data leest en in categorieën indeelt. Deze manier van coderen wordt vooral in het begin van het onderzoek gebruikt. Bij open coderen wordt nog niet op relevantie of nut geselecteerd omdat het nog te vroeg in het onderzoek is om te kunnen beoordelen wat relevant is en wat niet (Boeije, 2012). Toen alle data verzameld was, is begonnen met axiaal coderen. Bij axiaal coderen wordt de data weer samengevoegd, na het open coderen. Vervolgens worden connecties gemaakt tussen de verschillende categorieën (Strauss & Corbin, 1998, p. 96 in Boeije, 2012, p. 98). Door axiaal coderen wordt duidelijk wat de belangrijkste punten in je onderzoek zijn. Vanuit verschillende subcategorieën heeft de onderzoeker de hoofdcategorieën opgesteld. Tot slot is selectief gecodeerd. Bij selectief coderen selecteert de onderzoeker hoofdcategorieën en breng ze in verband met andere categorieën. Ook brengt men nuance aan in de categorieën die dat nodig hebben (Strauss & Corbin,1998 , p. 116 in Boeije, 2012, p. 98).
Door selectief te coderen zijn categorieën aan elkaar gekoppeld en is gekeken of er geen data verloren ging (Boeije,2012). De data is drie keer doorgelezen, hierdoor is de kans dat er relevante data verloren is gegaan, vrij klein. De drie coderingsprocessen hebben geleid tot een codeboom die is bijgevoegd in bijlage vier.
30
4.6 Rol als onderzoeker Bij kwalitatief onderzoek neemt de rol van de onderzoeker een grote plaats in (Edwards & Skinner, 2009). De onderzoeker heeft grote interesse in sport en is daarom geïnteresseerd in de ontwikkeling hierin. Dit heeft een persoonlijke drive tot gevolg gehad en zorgde dat de onderzoeker zich verantwoordelijk voelde om een onderzoek af te leveren waar de sport zich verder mee kan ontwikkelen. Daarnaast heeft de onderzoeker naast het onderzoek extra activiteiten ondernomen om de wielerwereld beter te leren kennen. Ze heeft een wedstrijd voor vrouwen langs het parcours bezocht en daarnaast een wedstrijd van de clubcompetitie vanuit de ploegleiders auto kunnen volgen. De onderzoeker heeft geen achtergrond in het wielrennen en keek, met name aan het begin van het onderzoek, met een open blik de wielerwereld in. Dit zorgde er wel voor dat de onderzoeker erg haar best heeft moeten doen om zich ‘het jargon’ en de manier van doen in de wielerwereld eigen te maken. Gelukkig waren er veel mensen uit het wielrenwereldje die te hulp schoten en haar wegwijs maakten. De onderzoeker is binnen de sport altijd geïnteresseerd geweest in ongelijkheidsvraagstukken, zoals gender. Hier komt het gender onderdeel van het onderzoek vandaan.
4.7 Betrouwbaarheid en Validiteit Twee belangrijke aspecten in het doen van kwalitatief onderzoek zijn betrouwbaarheid en validiteit (Boeije, 2010). In het onderzoek is
geprobeerd om de rol van de
onderzoeker zo zichtbaar mogelijk te maken om vertekening van het onderzoek te minimaliseren. Doordat de onderzoeker bij meerdere vergaderingen aanwezig is geweest, zou het kunnen zijn dat bepaalde zaken die een buitenstaander nog ter discussie zou stellen, zijn aangenomen door de onderzoeker en minder opvielen. Echter zijn tijdens deze vergadering aantekeningen gemaakt en daarnaast is alles op band vastgelegd. Hierdoor is geprobeerd zoveel mogelijk informatie vast te leggen. Daarnaast hielp het constant reflecteren op eigen rol in het onderzoek, wat met name gebeurde in gesprekken met de scriptie- en stagebegeleider, ook om kritisch te zijn en blijven op eigen rol. Ook in de verwerking van de data is rekening gehouden met de rol van de onderzoeker en is ervoor gekozen de data vaak te lezen en coderen en dit te bespreken met de scriptiebegeleider. Er is gekozen voor zowel interviews als participerende observaties op deze manier is geprobeerd om ook een beeld te krijgen van de praktijk, de KNWU en de wielerwereld. Als aanvulling op de ervaringen van de respondenten geeft dit een vollediger en meer waarheidsgetrouw beeld. Bij de verschillende 31
interviews is met dezelfde topiclijst gewerkt. Hierdoor hebben alle respondenten nagenoeg dezelfde vragen gehad. In de interviews is altijd ruimte geweest voor eigen inbreng van de respondent maar de rode draad in de interviews was vrijwel gelijk. De respondenten in het onderzoek zijn, met hun toestemming, bij naam genoemd. Tijdens de interviews is soms gevraagd naar uitlatingen van de respondent tijdens de vergaderingen (observaties). Er bestaat natuurlijk alsnog een kans dat de geïnterviewden een sociaal gewenst antwoord hebben gegeven. Bij het meten van de validiteit in kwalitatief onderzoek is het van belang om na te gaan of de onderzoeker wel meet wat hij wil meten (Boeije, 2010). Er is gekozen voor 3 observatiemomenten die min of meer vaststonden. Hier heeft de onderzoeker dus geen invloed op gehad.
32
5. Resultaten 5.1 Start van het vrouwenwielrennen: Keetie en Gré In de inleiding is Mien van Bree, de eerste (officieuze) Nederlandse Wereldkampioen al beschreven, het boek over Mien van Bree houdt op waar dit onderzoek start, bij Gré Knetemann en Keetie Hage. Na Mien van Bree ontstond er een nieuwe generatie wielrensters die het eerste officiële NK hebben meegemaakt: de generatie van Keetie Hage. Gré Knetemann heeft het eerste NK niet als renster meegemaakt maar begon eind jaren ’60 met fietsen. Hun visies en ervaringen vormen de basis voor de start van het vrouwenwielrennen. Keetie Hage reed haar eerste NK in 1966 en heeft gekoerst tot eind jaren ’70, ze werd twintig keer Nederlands kampioen en twee keer wereldkampioen. Gré Knetemann heeft van ongeveer 1969 tot eind jaren ’70 gekoerst en zowel op internationaal als nationaal niveau titels gepakt. 5.1.1Structuur van het vrouwenwielrennen
In de periode van Gré en Keetie was er nog geen onderscheid tussen top- of breedtesport. Er waren zo weinig vrouwen op de fiets dat het maken van onderscheid nog niet nodig was. Bij de mannen had je wel een onderscheid naar professional en amateur. Keetie Hage (renster van 1966- 1979) : “Ik was geen professional, ik was amateur, amateur was je in die tijd.” Het wielrennen was dus een sport die vooral door mannen beoefend werd en het is daarom bijzonder dat vrouwen zoals Keetie en Gré begonnen met fietsen. Gré was oorspronkelijk schaatsster en daarnaast fietste ze op de baan. Uiteindelijk is ze met schaatsen gestopt en heeft ze voor het fietsen gekozen. Gré’s vader heeft zelf vroeger gewielrend en haar moeder wilde vroeger ook graag fietsen maar dat was in die tijd nog niet geaccepteerd voor vrouwen. Bij Keetie was er op het eiland Tholen (Zeeland) waar ze woonde weinig sport te beoefenen dus kwamen zij en haar zusje Bella Hage al snel bij de fiets uit. Ze begonnen bij een toervereniging, en daar zei men vaak tegen haar vader dat zijn dochters erg getalenteerd waren en dat ze misschien wedstrijden moesten gaan fietsen. Zo kwamen Bella en Keetie bij de wielervereniging Zuidwesthoek in Woensdrecht terecht. Omdat de vereniging ver bij Bella en Keetie vandaan was, trainden ze altijd rondom huis. Bella en Keetie fietsten meestal samen met mannen.
Keetie vroeg zich zelfs wel eens af of de mannen voor het fietsen kwamen of voor de twee meiden. De 33
reden dat ze vaak met mannen fietsten was omdat er geen vrouwen met racefiets in de buurt woonden. Gré fietste bij wielervereniging Alkmaria. Bij Alkmaria fietsten ook weinig vrouwen, en daarom trainde Gré vaak alleen. Er konden door het geringe aantal vrouwen geen categorieën worden gemaakt, dus alle vrouwen vanaf 16 jaar werden bijeen gebracht onder de noemer: vrouwen amateurs. Gré Knetemann (renster van 1969-1977): “Nee, wij kenden de categorie junioren helemaal niet. D’r was gewoon één categorie voor dames, vrouwen en dan was je 16 jaar of ouder.” Hoe weinig vrouwen er daadwerkelijk op de fiets zaten, bleek uit de geringe opkomst bij het allereerste Nederlands Kampioenschap (NK). Keetie Hage heeft dit eerste NK niet gereden omdat ze toen nog te jong was maar zus Bella reed wel mee. Keetie Hage (renster van 1966- 1979): “Ja, ze kwamen uit het hele land. Ik denk dat er in 1965 zo’n 35-40 [vrouwen] aan de start stonden, hoogstens. Meer waren er niet in Nederland nee.” De weinige structuur van het vrouwenwielrennen komt ook tot uitdrukking in de prijzen die de vrouwen konden winnen met de wedstrijden. Gré vertelde dat als zij in de jaren ’70 een wielerkoers won, dat ze dan een pak suiker of een lap stof kreeg. Daar naaide ze dan iets van voor zichzelf.
Keetie gaf aan dat dit veranderde aan het eind van haar carrière, dat er toen een prijzenschema kwam voor de vrouwen, zodat ze sowieso een minimum bedrag per wedstrijd kregen. Zoals uit bovenstaande blijkt waren de wedstrijden en structuur voor het vrouwenwielrennen in het begin summier. Er waren weinig vrouwen die meededen en in Nederland waren er materiële prijzen. In de volgende paragraaf ga ik in op de faciliteiten die er in die tijd voor vrouwen waren en wat de KNWU deed met de nieuwe doelgroep. 5.1.2 Faciliteiten en regels vrouwenwielrennen
De KNWU kreeg er dus een nieuwe doelgroep bij en volgens Keetie leek het erop dat de KNWU niet goed wist wat ze met die fietsende vrouwen aan moesten. Er moest volgens de KNWU iemand met de vrouwen mee naar de wedstrijden in het buitenland en daarvoor kozen ze een vrouw. Keetie kon echter niet goed met deze vrouw opschieten, dit kwam voornamelijk omdat ze geen verstand had van koersen en geen tactisch inzicht 34
had. Daarover is een conflict met de bond ontstaan, toen is de betreffende vrouw vertrokken. Uit het voorbeeld van Keetie blijkt wel dat de KNWU het moeilijk vond om in te schatten wat het vrouwenwielrennen nodig had. Wat verder opvalt is dat het vrouwenwielrennen internationaal weinig ontwikkeld was, dat kwam mede doordat de KNWU er weinig waarde aan hechtte om de vrouwen met een gedegen coach of ploegleider op pad te sturen. In de jaren ’70 was België voor veel rensters aantrekkelijker om te koersen. Allereerst omdat de wedstrijden daar langer (meer kilometers) waren en omdat er prijzengeld te winnen was. Keetie Hage (renster van 1966- 1979): “In landen als Frankrijk en Italië was het ook wel beter als in Nederland hoor. Ja, het liep wel op want toen we in ’66 gingen fietsen had je een paar witte sokken maat 45 als premie en later werden dat prijzenschema’s [vastgestelde bedragen die vrouwen kregen als ze een wedstrijd wonnen].” Keetie en Gré koersten daarom graag in België maar hiervoor moesten ze toestemming vragen aan de KNWU. Dit zorgde wel eens voor lastige situaties omdat ze die niet altijd kregen. Keetie geeft toe soms stiekem/zonder toestemming van de KNWU naar België te zijn gegaan omdat België voor haar dichterbij was dan sommige wedstrijden in Nederland.
Ze zei dat ze nooit gesnapt is omdat ze dacht dat de KNWU geen idee had waar ze allemaal konden koersen dus het natrekken van uitslagen gebeurde meestal niet eens. Zowel Keetie als Gré gaven aan dat ze Mien van Bree niet kenden voordat het boek over haar verscheen. In de jaren ’30 koerste Mien ook al in België omdat in Nederland het fietsen nog geen niveau had en niet geaccepteerd was voor vrouwen. Mien heeft geprobeerd de weg vrij te maken voor de vrouwen die na haar zouden willen koersen. Keetie en Gré gaven beide aan dat ze weinig negatieve reacties hebben gehad op het feit dat ze koersten, in tegenstelling tot Mien. Het vrouwenwielrennen van Keetie en Gré was al beter georganiseerd dan in de tijd van Mien. Er waren verenigingen waarbij vrouwen zich konden aansluiten en de KNWU had het vrouwenwielrennen officieel erkend als sport. In Miens tijd was het Wereldkampioenschap dat ze won niet erkend en richtte ze zelf met 5 vriendinnen een wielervereniging voor vrouwen op omdat vrouwen eigenlijk nergens terechtkonden. Kijkend naar het vrouwenwielrennen van nu, heeft het vrouwenwielrennen zich sterk ontwikkeld en is er een organisatorische context waardoor vrouwen op 35
competitief niveau kunnen wielrennen Maar hoe is dat gebeurd? Welke ontwikkelingen hebben hieraan bijgedragen? 5.2 Ontwikkelingen en verklaringen, rollen van vrouwen Deze paragraaf gaat in op de ontwikkelingen en de verklaringen in de organisatie van het vrouwenwielrennen die volgden op de ervaringen van Keetie en Gré. Daarnaast wordt stilgestaan bij de rol die vrouwen hebben in de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen. Er zijn door de geïnterviewden veel verschillende ontwikkelingen genoemd en deze zijn door de onderzoeker ingedeeld in sporttechnische ontwikkelingen en organisatorische ontwikkelingen. Daarnaast is waar mogelijk onderscheid gemaakt in top- en breedtesport. 5.2.1 Sporttechnische ontwikkelingen
Breedtesport: meer vrouwen en vrouwenfietsartikelen Een belangrijke ontwikkeling die werd genoemd door alle respondenten is dat het aantal vrouwen op de fiets is toegenomen. Een aantal respondenten noemde hiervoor de jaren 2000 als absolute groei voor het aantal vrouwen op een racefiets. Zoals eerder gezegd was dit maar in beperkte mate terug te zien in de toename van het aantal licenties. Er was er met name een groei van vrouwen op de fiets, niet per se competitief fietsende vrouwen. Het aantal vrouwen met een wedstrijdlicentie was in 2003 345. In 2007 waren dit 530 vrouwen met een wedstrijdlicentie. Er is dus wel een groei te zien maar naast het aantal licenties groeide ook het aantal vrouwen die geen wedstrijden wilden rijden en zich niet bij een vereniging of de Unie aansloten. Door de groei van nietlicentie vrouwen zijn initiatieven als vrouwenwielrennen.nl enorm gegroeid, waar beginnende wielrensters getraind worden. In paragraaf 5.3.3 staat de groei van vrouwenwielrennen.nl gedetailleerder beschreven. Michael Zijlaard (ploegleider teams van Leontien van Moorsel): “En ik denk dat je dat nu ook wel terugziet in de populariteit van het damesfietsen.
Dat het twintig jaar geleden zeg maar totaal niet stoer was om op een racefiets te gaan zitten als dame, en nu, door de ontwikkeling van alles, het ineens wel stoer is om met een meidengroep lekker de Amsterdamse Polderrace te gaan fietsen.” Een gevolg van de toename van het aantal vrouwen op de fiets was dat steeds meer fietsfabrikanten de vrouwen als een nieuwe doelgroep zagen en er meer artikelen voor dames op de markt kwamen. Tegenwoordig is er van vrijwel alle fietsartikelen wel een 36
vrouwenvariant. Naast fietsartikelen kreeg het vrouwenwielrennen een eigen tijdschrift: Pedala. De ontwikkeling van meer vrouwen op de fiets begon bij de breedtesport maar vertaalde
zich
uiteindelijk
door
naar
meer
topsporters.
De
toename
van
vrouwenfietsartikelen is zowel voor de top- als breedtesport een belangrijke ontwikkeling. Topsport: oortjes, corestability en trainingsschema’s Er zijn tegenwoordig dus veel meer vrouwenfietsartikelen, maar ook in technologie en uitrusting heeft het vrouwenwielrennen zich ontwikkeld. Gré vertelde dat in de jaren ’70 veel vrouwen geen helm droegen, omdat dat niet verplicht was. Het dragen van een helm was in de jaren ’70 ook voor mannen nog niet verplicht. Gedurende haar carrière werd dit wel gangbaarder. Tegenwoordig is het verboden om zonder helm wedstrijden te rijden. Gré en Keetie gaven aan dat trainen bestond uit je eigen rondjes rijden, zo hard als je kon en zonder technische hulpmiddelen. Keetie gaf aan dat er ook nadelen aan alle technische middelen van nu zitten, omdat met oortjes alle tactieken ingefluisterd worden en je zelf geen koersinzicht meer nodig hebt. Tegenwoordig rijden veel van de professionele ploegen wel met deze oortjes. Hartslagmeters, trainingsschema’s, corestability (rompstabiliteits) trainingen, inspanningstesten zijn technologische ontwikkelingen die door de respondenten werden genoemd. Tot slot werden trainingskampen door zowel topsporters als breedtesporters genoemd. Gré en Keetie hadden niet eens een trainer, dus zeker geen trainingskamp. Keetie Hage: “En iedereen die mee wilde: het waren wel allemaal jongens.
Ik was het enige meisje in de buurt. Amateurs, toerfietsers, iedereen sloot aan. Ja, fietsen op leven en dood, weet je wel?” 5.2.2 Organisatorische veranderingen
Breedtesport: nieuwe categorieën
In de breedtesport binnen het wielrennen is een belangrijke ontwikkeling gaande: het uitbreiden van de categorieën voor vrouwen. Zoals in eerder uitgelegd kan men bij de KNWU verschillende licenties/lidmaatschappen aanvragen. Vroeger was het zo dat voor nationale wedstrijden een elitelicentie werd afgegeven, er waren geen andere licenties. Als men nationale wedstrijden wilde rijden moest men starten met toppers als Annemiek van Vleuten en Marianne Vos. Als men voor een commerciële ploeg reed, was men een elite met contract en als men voor een club reed, was men elite zonder contract. 37
Voor trainingswedstrijden, zoals aangeboden door vrouwenwielrennen.nl, kon men een dag licentie kopen, dat was dan tevens een KNWU verzekering. Tegenwoordig is er de keuze voor een elitelicentie of een amateurlicentie. De dag licentie bestaat nog voor trainingswedstrijden maar heeft een nieuwe naam: basislidmaatschap. Door de groei van het vrouwenwielrennen, kon 2 jaar geleden een extra categorie toegevoegd worden: de amateurs. Er is nu dus een ‘tussencategorie’. Voor deze categorie is een amateurlicentie nodig. De amateurlicentie is dan wel toegevoegd maar er zijn nog weinig wedstrijden die men met deze licentie kan rijden. In eerste instantie heeft vrouwenwielrennen.nl (trainings) wedstrijden georganiseerd voor amateurs en basisleden. Er bleek veel vraag naar deze wedstrijden en nu er een paar jaar zijn verstreken, moet de KNWU ook een passend wedstrijdaanbod voor alle categorieën hebben. Drie vrouwen: Jeanine Laudy, Renske Doedee en Nelly Voogt hebben het initiatief genomen om in gesprek met de KNWU te kijken naar het huidige wedstrijdaanbod. Om ervoor te zorgen dat vrouwen nooit in een te lage categorie kunnen starten, wat het niveau zou ondermijnen, hebben de drie vrouwen een promotie/degradatiesysteem bedacht. Op deze manier biedt men wedstrijden aan voor alle categorieën.
Er worden combinaties gemaakt van de verschillende categorieën met een stuk overlap: basisleden/amateurs, amateurs/elite zonder contract, elite zonder contract/elite met contract. Vrouwen die meer ambitie hebben kunnen doorgroeien en vrouwen die een stap terug willen kunnen dat ook. Uit
het
overleg
met
de
KNWU
is
de
ontwikkeling
van
meerdere
amateurwedstrijden voortgekomen. Daarnaast kwam ook het voorstel om de elitecategorie, die al gesplitst was in met- en zonder contract, een apart wedstrijdaanbod te geven. De eliterensters hebben een contract met een commerciële ploeg en worden daarom ‘elite met contract genoemd.’ De elite zonder contract horen in dit onderzoek bij de breedtesport, dit kunnen clubteamrensters zijn maar ook rensters die bij een vereniging fietsen. Nu is het nog vaak zo dat wedstrijden open zijn voor de categorie ‘elite’ en dat daar dan zowel rensters met- als zonder contract rijden. De rensters met contract maken veel meer trainingsuren, hebben vaak betere faciliteiten en trainingen. De eliterenster zonder contract heeft al deze faciliteiten vaak niet, werkt er gewoon (fulltime) naast en het is dan lastig om de concurrentie aan te gaan. De KNWU is, naar aanleiding van het gesprek met de drie vrouwen, bezig om bepaalde koersen alleen open te stellen voor rensters zonder contract. Dus als er op een dag twee koersen zijn, moeten 38
alle rensters met contract naar één locatie gaan. Naast de reguliere elitewedstrijden, waar bovenstaande verandering in gang is gezet, is er sinds twee jaar voor elitedames zonder contract een clubcompetitie opgezet. Veel deelnemende clubs en organisaties zijn enthousiast om een clubcompetitiewedstrijd te organiseren, de clubcompetitie kan dus verder worden uitgerold. Een club mag bij de clubcompetitie iedere wedstrijd acht rensters opstellen. Uit het overleg bij de KNWU is gekomen dat iedere club ook twee amateurdames mag opstellen, als onderdeel van die acht totaal. Zo kunnen de amateurdames wennen aan een hoger niveau en wellicht doorstromen. De mogelijkheid is er nu wel maar het probleem is dat veel clubs geen amateurs opstellen omdat dit een risico vormt voor het teamresultaat. De regel van ‘twee amateurs in een team’ moet in de loop van de jaren nog veranderen om hem helemaal werkend te maken. Jeanine Laudy (elite zonder contract, 2011-heden): “Op elk niveau is het vrouwenwielrennen ontzettend ontwikkeld door de jaren heen. Het licentiesysteem en de KNWU was daar nog niet helemaal in mee gegroeid.
En ik denk dat het aanpassen van de categorieën wel een stap is die gezet moet worden om weer verder te kunnen.” Opvallend is dat zowel Loes Gunnewijk (professioneel renster, wedstrijden gereden van 2002 tot 2014) als Chantal Beltman (professioneel renster, 1998-2009) in de interviews benoemden dat, voor de ontwikkeling van de sport, het belangrijk is om de licenties en wedstrijdcategorieën te vernieuwen. De KNWU was in de tijd dat de vrouwen dit zeiden al bezig met deze vernieuwingen. Dat twee respondenten los van elkaar de noodzaak van deze ontwikkeling benoemen, geeft wel aan dat de inmiddels lopende ontwikkeling belangrijk is. Topsport: ploegen, leven van de sport, nationale selectie en wedstrijden in het buitenland Vanaf de jaren 2000 is er sprake van een groei van het aantal vrouwen op de fiets. Hierdoor ontstond een grotere vijver om talent uit te vissen. Waar er in de tijd van Keetie Hage 35-40 vrouwen aan de start van het NK stonden, groeide dat in de jaren daarna steeds meer. De verklaringen hiervoor worden verderop besproken. Door de grotere massa, kon er meer onderscheid worden gemaakt tussen toppers en recreanten en er kwam meer competitie. De top van het vrouwenwielrennen groeide enorm, er kwamen meer ploegen, concurrentie tussen rensters en de sport werd interessanter om naar te kijken. Ook voor media werd het vrouwenwielrennen dus interessanter. 39
Jamie van Rijswijk (Ploegleider De Jonge Renner): “Vroeger in de tijd van Leontien van Moorsel, was er maar één grote commerciële ploeg, de ploeg van Leontien en als er een renster beter werd, dan werd ze in de ploeg van Leontien ingekocht. En eigenlijk is het helemaal niet goed voor het wielrennen als je één ploeg hebt die zo goed is. En dat vind ik een belangrijke ontwikkeling voor het vrouwenwielrennen, dat er gewoon van allerlei kanten, van allerlei sponsoren, van allerlei andere teams veel meer professionelere ploegen zijn gekomen en dat de concurrentie groter wordt en de wedstrijden aantrekkelijker worden.” De top van het vrouwenwielrennen werd steeds breder. Daarom konden er ook steeds meer vrouwen leven voor hun sport en dit verhoogde het niveau. De wielersalarissen voor vrouwen zijn nog steeds niet hoog of vergelijkbaar met die van mannen, maar er zijn in de loop van de jaren wel salarissen voor wielrensters ontstaan. Rensters bij een UCI ploeg moeten een minimale onkostenvergoeding van €250 per maand krijgen, het blijft vaak ook bij dat minimum. Annemiek van Vleuten heeft ooit in een presentatie gezegd dat er in Nederland maar ongeveer tien rensters zijn die kunnen leven van hun sport. Dit is niet veel maar het zijn er wel tien meer dan in de tijd van Hage en Knetemann.
In de jaren ’90 waren er twee grote Nederlandse wielrensters: Monique Knol en Leontien van Moorsel. Aanvankelijk reden ze samen in de Nederlandse selectie maar Knol en van Moorsel verschilden erg qua persoonlijkheid. Ook met de bondscoach kon Monique Knol niet echt overweg. Knol stapte in 1991 uit de selectie. In die tijd mocht alleen de Nederlandse selectie als ploeg in het buitenland grote wedstrijden rijden en de sponsorploegen mochten dat niet. Toen Knol uit de selectie was gestapt, mocht ze dus geen grote koersen meer rijden. Hier was ze het niet mee eens, omdat ze in 1988 Olympisch Kampioen was geworden en er ook in 1992 met brons vandoor ging op de Olympische Spelen. Met haar man Wim Kruis zette ze een eigen ploeg op met als sponsor Jamin. Door veel overleg met de KNWU kregen ze het voor elkaar om met hun ploeg, naast de nationale selectie, naar het buitenland te gaan. Er is toen wel afgesproken dat de twee Nederlandse teams niet tegen elkaar zouden rijden. In de praktijk reden de rensters tegen elk team dus ook tegen elkaar. Wim Kruis gaf aan dat hij bij de KNWU veel heeft moeten aandringen om veranderingen zoals de bovenstaande voor elkaar te krijgen. Door het vele praten en onderhandelen kreeg hij een naam bij de wielerbond. 40
Wim Kruis (ploegleider van team Jan van Arckel): “Ik zal je vertellen: als ik naar de KNWU ging dan hingen ze het bordje gesloten op de deur.” Door de steeds breder wordende top en het feit dat er vanaf de Jaminploeg (1991) ook commerciële ploegen in het buitenland reden, was het niet meer nodig om alle getalenteerde vrouwen in de Nederlandse selectie te houden. Na de spelen van 2000 besloot de KNWU te stoppen met het instituut Nederlandse selectie, het werd een gelegenheidsselectie. Dit hield in dat rensters met hun eigen commerciële ploegen wedstrijden in het buitenland reden, voor WK’s en Olympische spelen konden ze worden geselecteerd voor het Nederlandse team. De geïnterviewden die zich over deze ontwikkeling hebben uitgesproken, waren overwegend positief. Chantal Beltman (professioneel renster van 1998-2009): “De nationale selectie is gewoon een gelegenheidsploeg, daar fietsen echt alleen de beste rensters van dat moment in voor WK’s of Olympische Spelen. En dat de basis gewoon de nationale teams zijn, de nationale ploegen en sponsorploegen, ik vind dat beter.” Naast de ploegen met enkel vrouwen, kwamen er steeds meer ploegen die naast een mannenteam ook ruimte boden aan een vrouwenteam. De vrouwen in deze ploegen konden meeliften op de faciliteiten die er al voor de mannen waren zoals materiaal, verzorgers en technische middelen.
Doordat het niveau van deze ploegen steeg, moesten de andere vrouwenploegen ook mee in het hogere niveau en dit zorgde voor een impuls voor het vrouwenwielrennen. Marianne Vos (professioneel renster van 2006-heden): “Eén belangrijke ontwikkeling is dat een aantal mannenploegen een vrouwenploeg hebben omarmd of eigenlijk misschien wel een vrouwendivisie hebben opgezet. [….] Dat heeft wel voor dusdanige structuur gezorgd dat het niveau binnen die ploegen heel erg is gestegen.” Een andere ontwikkeling in de topsport die belangrijk is voor het vrouwenwielrennen wordt benoemd door Michael Zijlaart (ploegleider teams van Leontien van Moorsel), Marijn de Vries (professioneel renster van 2010-2015) en Marit Huisman (mede oprichtster van wielerplatform Strongher). Zij benoemden alle drie het belang om het vrouwenwielrennen ‘goed in de markt te zetten’. Marit is hier met Strongher mee bezig, door de verhalen achter de rensters te vertellen hoopt ze het vrouwenwielrennen een 41
gezicht te geven en aantrekkelijker te maken voor sponsoren. Michael was ploegleider bij de teams van Leontien van Moorsel en zei dat hij eind jaren ‘90 is begonnen met vrouwen op een andere manier ‘verkopen’ aan sponsoren. Hij deed dit door bijvoorbeeld mooie foto’s van de vrouwen te maken, vrouwelijkere teamkleren en dingen als fandagen organiseren. Marijn de Vries (professioneel renster van 2010-2015): “Dus ik denk dat je juist moet laten zien waarin je onderscheidend bent en daar ook andere sponsors of andere soort geldschieters bij kunt vinden dan dat ja krampachtig moet vasthouden aan: wij doen mannen na.” 5.2.3 Verklaringen voor ontwikkelingen
De geïnterviewden geven verschillende verklaringen voor de groei van het vrouwenwielrennen. Deze verklaringen zijn onderverdeeld in top- en breedtesport. Breedtesport: emancipatie, individualisering en massa-evenementen De algehele groei van de wielersport is de eerste verklaring voor het feit dat er ook meer vrouwen op de fiets zijn gestapt, aldus een aantal geïnterviewden. Daarnaast gaf Keetie Hage aan dat vrouwen veel geëmancipeerder zijn geworden, dus hun eigen keuzes gingen maken. Een andere belangrijke verklaring voor de groei van het wielrennen in het algemeen is de individualisering, mensen kiezen vaker voor ongebonden sporten en willen op zelf gekozen momenten sporten. Daarom is een ongebonden sport als wielrennen populair. Jamie van Rijswijk vertelde dat er veel blessures kwamen van alle mensen die ineens ongetraind gingen hardlopen. Fysiotherapeuten en doctoren adviseerden mensen om te gaan wielrennen omdat dit minder belastend voor hun spieren is. Jamie van Rijswijk (ploegleider De Jonge Renner): “Fietsen heeft twee belangrijke voordelen: het is veel minder belastend dan hardlopen en veel meer minder blessuregevoelig.” Tot slot werd genoemd dat veel meer mensen zijn gaan fietsen door massaevenementen als Alpe d’Huzes. Ook spinning in de sportschool heeft volgens geïnterviewden gezorgd dat wielrennen populairder werd.
42
Topsport: media-aandacht, sleutelfiguren en doping De topsport is volgens meerdere respondenten eveneens gegroeid omdat de sport meer media-aandacht heeft gekregen, hieraan dragen bijvoorbeeld nieuwe evenementen als La Course bij. De nieuwe evenementen en de media aandacht versterken elkaar dus. Chantal Beltman benoemde de rol van sleutelfiguren, ze vertelde dat vrouwen als Leontien van Moorsel en Marianne Vos een grote rol spelen omdat ze in de media in de belangstelling staan en aandacht voor de sport vragen. Naast de aandacht die ze krijgen kan het ook zijn dat de sleutelfiguren een stimulerend effect hebben gehad op de breedtesport, waardoor meer vrouwen op de fiets zijn gestapt. Een van de opvallendste verklaringen was dat drie respondenten benoemden dat het mannenwielrennen minder aantrekkelijk is geworden omdat er een dopingsfeer omheen hangt. Ze verklaarden dat dit ook een impuls voor het vrouwenwielrennen heeft betekend, meer mensen gingen naar de vrouwen kijken omdat ze meer dan genoeg hadden van het gezeur over doping bij de mannen. Loes Gunnewijk (professioneel renster van 2002-2014): “We hebben natuurlijk toen de mannen met doping en al die verhalen gehad.
De vrouwensport is altijd gewoon vrij clean eruit gekomen.” Als verklaring voor het feit dat doping bij vrouwen nooit een grote rol heeft gespeeld zei Monique de Bruin het volgende: Monique de Bruin (professioneel renster van 1984-1993): “Het belang van de sponsoren denk ik, dat heeft ook allemaal weer met geld te maken. Voor die mannen is het echt hun beroep en stel je bent knecht, dan ben je denk ik eerder geneigd om… dan wanneer het je hobby is.” Monique Knol benoemde dat doping wel degelijk een rol speelde in het vrouwenwielrennen. In haar tijd gebruikten meerdere vrouwen doping, gaf ze aan. In de zomer van 2016 ontstond er een rel, omdat Monique Knol Leontien van Moorsel van het gebruik van doping beschuldigde. Monique Knol (professioneel renster van 1985-1996): “Nee, het is gewoon frustrerend als er om je heen doping wordt gebruikt en je mag het niet zeggen.” 43
Of er wel of geen doping werd gebruikt in het vrouwenwielrennen is momenteel niet bekend. Het is wel interessant om te concluderen dat als er doping is gebruikt, dat dit dan zo lang onbekend heeft kunnen blijven. Er zijn wel enkelingen als Jeannie Longo in opspraak geweest en toen afgelopen zomer bekend werd dat Lizzie Armitstead drie dopingcontroles had gemist, was er ook even paniek. Maar tot op heden is het dopingprobleem in het wielrennen bij vrouwen nauwelijks aan de orde. 5.2.4 Rol van vrouwen
De rol die vrouwen hebben gespeeld in de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen is onder te verdelen in vier verschillende soorten rollen: kartrekkers, vrouwen in bestuursfuncties, initiatiefneemsters en inspiratoren (door prestaties). Deze vier soorten worden ingedeeld in topsport en breedtesport. Breedtesport De voornaamste rol die Nelly Voogt, Renske Doedee en Jeanine Laudy vrouwen is de rol van ‘de kartrekkers van veranderingen’. De drie vrouwen liepen aan tegen een doorstroomprobleem van rensters naar verschillende categorieën. Hier hebben ze een oplossing voor bedacht: het promotie/degradatie systeem, dit systeem is op pagina drieëndertig uitgelegd. Nelly en Renske hebben zich vooral ingezet voor het organiseren van meer amateurwedstrijden. In de ontwikkeling van het aanbieden van aparte wedstrijden voor elite zonder contract, heeft Jeanine (als eliterenster zonder contract) een grote rol gespeeld. Jeanine schrijft columns op verschillende wielersites over haar leven als eliterenster en de zaken waar ze tegenaan loopt. Ze krijgt veel reacties van andere rensters op haar columns, deze reacties zijn meegenomen in het voorstel voor de categorieënindeling. De vrouwen hebben zich ingezet voor het vrouwenwielrennen door naar de KNWU te gaan. Jeanine Laudy (elite zonder contract, 2011-heden) : “Ik ben dus niet degene die het eerste bepaalde ideeën had en bepaalde ingevingen.
Maar er was eigenlijk niemand die de ideeën over de categorieaanpassingen constructief op papier kon zetten en kon verwoorden. Er werd wel veel geroepen en iedereen vond het eigenlijk.” De tweede rol die vrouwen hebben gespeeld in het vrouwenwielrennen is dat vrouwen zitting nemen in besturen, hiervan is Marijn de Vries een goed voorbeeld in de 44
breedtesport. Marijn is sinds september 2015 lid van het hoofdbestuur van de KNWU. Als belangrijkste reden voor deze keuze noemde ze dat ze graag zaken wil veranderen en zich wil inzetten voor de wielersport. Marijn heeft niet alleen vrouwenwielrennen maar ook BMX in haar portefeuille en ze zit in de stuurgroep die nadenkt over het plan ‘2020’ van de KNWU. Als derde zijn er in de breedtesport verschillende initiatieven opgezet voor het vrouwenwielrennen.
Vrouwenwielrennen.nl
is
een
van
die
initiatieven.
Het
oorspronkelijke idee van het aanbieden van trainingen met een wedstrijdelement is bedacht door Nelly Voogt en Cora Westland. Vrouwen zoals Arwen Altenburg, die het in Rotterdam heeft opgezet en Renske Doedee die een trainingsgroep in Den Bosch training geeft, houden het initiatief draaiende en vergroten het. De vierde rol die vrouwen spelen is het enthousiasmeren en inspireren van anderen. Topsporters als Marianne Vos dragen door hun prestaties bij aan de verdere ontwikkeling van het vrouwenwielrennen, ze genereren aandacht, sponsorgelden en inspireren anderen om te gaan fietsen. Maar ook op lokale schaal zijn er inspiratoren zoals Ragna Schapendonk (trainster vrouwenwielrennen.nl Utrecht). Zij vertelde over haar eerste fiets die ze nog steeds heeft en deze permanent uitleent aan vrouwen die overwegen te gaan fietsen. Op deze manier probeert ze de drempel om te gaan fietsen te verlagen. Ragna
Schapendonk (trainster vrouwenwielrennen.nl Utrecht): “De
afgelopen 10 jaar heb ik hem uitgeleend aan iedereen om uit om te proberen, kijken of ze het leuk vinden. Ik heb hem nu net terug van iemand die hem een jaartje heeft gehad en nu een eigen fiets heeft gekocht. Nu staat hij klaar voor de volgende.” Topsport Een duidelijk kartrekker binnen de topsport van het vrouwenwielrennen is Monique Knol. Zij heeft zich samen met haar man Wim Kruis ingezet voor een commerciële ploeg die naast de nationale selectie naar het buitenland mocht. Ze heeft hier veel voor moeten doen, er is bijna een rechtszaak van gekomen, maar uiteindelijk mocht de ‘Jamin ploeg’ als eerste ploeg naar het buitenland. Met deze ontwikkeling lag de weg open voor andere ploegen en konden er meer rensters in het buitenland koersen. Wat Marijn op nationaal niveau doet, doet Marianne Vos internationaal: 45
meedenken over de koers van het vrouwenwielrennen. Marianne is lid van de UCI wegsportcommissie. Hierin heeft ze zich ingezet voor de World Tour die er sinds kort voor de professionele wegwielrensters is. Maar ook La Course, de eendaagse vrouwenkoers ter afsluiting van de Tour de France voor mannen, is een initiatief van Marianne Vos. Op 18 oktober 2016 maakte de ASO bekend dat, na een pilot van drie jaar, komend jaar La Course een eendaagse wedstrijd blijft maar wel een beklimming wordt toegevoegd. Een initiatief voor zowel breedte- als topsport is Strongher. Het wielerplatform Strongher is bedacht en opgezet door Marianne Vos en Marit Huisman. Strongher is bedoeld voor alle vrouwen op de fiets. Strongher wordt in het volgende hoofdstuk uitgebreider besproken. Als de breedtesport en de topsport naast elkaar worden gelegd, is te zien dat er verschillende generaties vrouwen actief zijn geweest. Monique Knol zette zich in de jaren ’90 in voor vrouwen in het wielrennen. Marijn de Vries en Marit Huisman zetten zich vandaag de dag nog in voor het vrouwenwielrennen. Marianne Vos, Nelly Voogt en Renske Doedee komen bij meerdere rollen terug en daarvan kunnen we zeggen dat ze een grote rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van top- en breedtesport. 5.3 Vrouwenwielrennen nu Voor dit onderzoek zijn veel verschillende respondenten geïnterviewd.
Om hun uitspraken te kunnen plaatsen is er een indeling gemaakt in verschillende niveaus van vrouwenwielrennen. Er is gekozen voor een indeling in topsport, breedtesport en overige/ongebonden initiatieven. Het is ingewikkeld om het vrouwenwielrennen te verdelen in categorieën, omdat de verdeling die in andere sporten op basis van het uitbetalen van salaris wordt aangehouden om het verschil tussen top- en breedtesport aan te geven, bij het wielrennen niet opgaat. Er zijn weinig vrouwen die betaald krijgen in het wielrennen en toch is er een behoorlijke groep die op het hoogste niveau acteert. In de analyse van de resultaten zijn de overige initiatieven samengevoegd met de breedtesport
omdat
ze
onderdeel uitmaken
van
de
breedtesport
van
het
vrouwenwielrennen, deelneemsters aan de beide initiatieven hebben weliswaar niet altijd een licentie. Het onderscheid is lastig maar er is gekozen om ze in de rest van de resultaten mee te nemen in breedtesport, tenzij anders is aangegeven.
46
5.3.1 Organisatie topsport
Onder topsport worden commerciële ploegen verstaan die staan geregistreerd bij de Internationale Wielerunie (UCI). Deze ploegen rijden de grotere (internationale) wedstrijden. Hoewel in het verdere onderzoek nog zal worden getwist over het woord ‘professional’ als het gaat over vrouwenwielrennen, komen de vrouwen die in deze ploegen rijden hier het dichtst bij in de buurt. Momenteel zijn er vier Nederlandse UCI teams: Team Liv Plantur, Boels Dolmans cycling team, Parkhotel continental cycling team en Raboliv womencyclingteam. Deze teams bestaan uit zowel Nederlandse als internationale rensters. In het internationale vrouwenwielrennen zijn ongeveer veertig UCI teams (UCI, 2016) actief. Veel respondenten gaven aan dat het positief is dat er nu zoveel commerciële sponsorploegen zijn omdat er veel concurrentie is en meer talentvolle rensters nu de kans krijgen om grote wedstrijden te rijden. Aan de andere kant noemde Marianne Vos ook een nadeel van de organisatie van de UCI teams. Marianne zei dat de drempel om een UCI team te starten erg laag is. Marianne Vos (professioneel renster van 2006-heden): “Om UCI team te worden moet je een paar duizend euro neerleggen, dat is de enige eis. Dat is erg gechargeerd, maar dat betekent dat iedereen met een klein spaarpotje die het leuk vindt om een team op te zetten, dat kan doen.
Daar zitten voor de rensters heel weinig plichten, maar vooral ook heel weinig rechten aan op dat moment.” Marianne Vos zei verder dat het belangrijk is om onderscheid te maken tussen de verschillende UCI teams. Momenteel mogen alle teams overal starten. Zij ziet graag dat de absolute topwedstrijden ook alleen open zijn voor ‘topteams’. Door de lage drempel om een UCI team op te richten, kan een hoog niveau in de topwedstrijden niet worden gewaarborgd. Het hebben van zoveel UCI teams heeft dus twee kanten: aan de ene kant krijgen veel rensters de mogelijkheid om op het hoogste niveau mee te draaien maar aan de andere kant zijn de rechten van de rensters met de huidige structuur van UCI teams niet gewaarborgd. Daarnaast is het hebben van veel UCI teams voor het niveau ook niet wenselijk. Het punt dat voortkomt uit de quote van Marianne Vos over het aantal UCI teams gaat over het woord topsport of professional. Veel geïnterviewden gaven aan deze 47
woorden discutabel te vinden. Niet zozeer omdat de vrouwen niet op het hoogste niveau acteren maar omdat veel vrouwen niet worden betaald. Hierdoor kunnen ze niet leven/rondkomen op basis van de inkomsten die zij via hun sportbeoefening verwerven. Renske Doedee (trainster vrouwenwielrennen.nl Den Bosch): “Zelfs de professionele dames krijgen alleen een onkostenvergoeding van 250 euro [per maand], dat is natuurlijk helemaal niks. Daar kun je niet van leven dus het vraagt heel veel van je naasten en partner.” 5.3.2 Organisatie breedtesport
Onder breedtesport worden alle wielerverenigingen en de rensters die bij de verenigingen zijn aangesloten verstaan. Hierbinnen zijn clubteams, die meerijden in internationale wedstrijden, maar ook reguliere wielerverenigingen. De clubteams betalen rensters niet, dit is een verschil met commerciële ploegen. Ook mogen ze niet meedoen met alle internationale wedstrijden, wat voor ploegen wel geldt. Twee respondenten die vrij kritisch over de rol van de KNWU in het verleden waren, gaven aan dat zij nu positief staan ten opzichte van de manier waarop de KNWU omgaat met het vrouwenwielrennen. De KNWU heeft steeds meer een visie op het vrouwenwielrennen en er komen steeds meer wedstrijden en wedstrijdcategorieën bij. Er is dus een duidelijke verbetering zichtbaar ten opzichte van de tijd van Keetie Hage en Gré Knetemann. Er wordt momenteel gewerkt aan een beleidsplan voor 2020, hierin staat ook het vrouwenwielrennen beschreven aldus Marijn de Vries. Er zijn door de KNWU vier bijeenkomsten gehouden, verdeeld over september 2015 tot en met augustus 2016, om in overleg met vrouwen als Nelly Voogt, Renske Doedee en Jeanine Laudy te kijken naar verbeteringen. Als je de opstelling van de KNWU vergelijkt met 1965, is hier een duidelijke ontwikkeling te zien.
De KNWU is zich ervan bewust dat vrouwen een belangrijke en groeiende doelgroep van de bond zijn en organiseren steeds meer wedstrijden in verschillende categorieën. Wel geven enkele respondenten uit de breedtesport aan dat ze voordat ze in gesprek zijn geweest met de KNWU, wel het idee hadden dat de bond zich weinig inzette voor het vrouwenwielrennen.
48
Jeanine Laudy (elite zonder contract, 2011-heden): “Het gevoel is meer dat ze er zijn voor de prof renners maar de breedtesport renners daar proberen ze vooral het geld vandaan te halen, om het daarna aan de prof renners te geven. Ik zeg niet dat het zo is, maar het gevoel is er wel.” Er zit bij de KNWU dus een duidelijk verschil tussen intern en extern. Intern heeft de KNWU de zaken voor elkaar en wordt er meer met vrouwen overlegd maar naar buiten toe is dat toch nog vaak niet duidelijk. De ploegleiders van de clubteams gaven aan dat het soms lastig is om te pionieren op een semiprofessioneel niveau, de vrouwen die bij de clubteams rijden krijgen er niet voor betaald en daardoor is het vrijblijvender dan voor hun ‘topsportende’ collega’s. De vrouwen zijn meestal erg gemotiveerd, weten waar ze voor kiezen maar ze moeten er nog wel naast werken en/of naar school. Hoewel de selectierensters veel tijd in hun ‘hobby’ stoppen, blijft het een hobby. Jamie van Rijswijk (ploegleider De Jonge Renner): “ Het is echt een verschil, die rensters betaal ik niet maar ik geef gewoon aan: dit wordt van je verwacht. Als je voor die selectie gaat en zegt: ik heb die ambitie, dan hoop ik ook echt dat je ervoor gaat.” De training voor de clubteams is nogal verschillend maar in de meeste gevallen trainen de vrouwen uit de teams niet samen.
De vrouwen hebben een trainingsschema van hun eigen trainer of de trainer van de club en aan de hand hiervan rijden ze wekelijks hun rondjes. Jamie van Rijswijk gaf aan dat er in de winter, buiten het seizoen, trainingsweekenden
of
trainingskampen
georganiseerd
worden
om
de
clubteamvrouwen een teamgevoel te geven. 5.3.3 Overige platforms
Er is een groeiende groep vrouwen die op de fiets stapt. Omdat niet alle vrouwen behoefte hebben aan het aanvragen van een licentie of het rijden van wedstrijden, zijn er ook andere initiatieven waar wielrensters iets aan hebben. In deze paragraaf zullen twee vrouwenfietsgroepen worden besproken; het vrouwenfietsplatform Strongher en het initiatief van vrouwenwielrennen.nl. Strongher Het jongste van de twee initiatieven is Strongher. Dit is een platform voor vrouwen die 49
net een fiets hebben, tot en met professionele fietsers. Het platform is door Marianne Vos in samenwerking met Marit Huisman opgezet. Het doel van het platform is het verzamelen van allerlei fietsinformatie, fietsevenementen en verhalen over fietsen. De beginnende fietser kan Strongher gebruiken om kennis te maken met fietsen, fietsmaatjes zoeken en evenementen in de buurt vinden om bij aan te sluiten. De professional kan zijn verhaal verspreiden via het platform en daardoor leren mensen het verhaal achter de sporter kennen en kunnen ze worden geïnspireerd. Marit
Huisman
(mede-oprichtster
Strongher):
“Strongher,
je
ziet
evenementen maar het is eigenlijk een platform voor vrouwen op de fiets, dus eigenlijk om alle vrouwen over de hele wereld met elkaar te verbinden, nog meer plezier in fietsen te laten krijgen en ook te inspireren.” Strongher maakt gebruik van verschillende ambassadeurs, de zogenaamde Sheroes. De Sheroes hebben allemaal een andere achtergrond: artsen, actrices, rensters, maar hebben één ding gemeen: hun passie voor fietsen. Deze Sheroes zijn de gezichten van het platform en organiseren ook vaak activiteiten die door het platform kunnen worden gepromoot. Voorbeelden zijn Loes Gunnewijk die trainingen geeft aan beginnende fietsers, Marijn de Vries die fietsvakanties organiseert en Renske Doedee die trainingsen voedingsadvies geeft. Strongher bestaat pas een jaar dus de respondenten geven aan dat veel dingen nieuw zijn en de toekomst moet uitwijzen welke rol Strongher gaat spelen in het vrouwenwielrennen. Zowel Marianne Vos als Marit Huisman geven aan dat Strongher een onafhankelijke organisatie is die de eilandjes, die in de loop van de jaren zijn ontstaan in het wielrennen kan overbruggen. Strongher zit aan tafel met organisaties als KNWU en UCI om te praten over het vrouwenwielrennen met als doel om de krachten van de verschillende organisaties te bundelen.
Naast het ontwikkelen van een soort van ‘paraplu’ en alles van vrouwenwielrennen hieronder samen te brengen, wil Strongher deze paraplu ook bekendmaken voor de rest van de wereld. Op het moment dat ze kunnen laten zien hoeveel vrouwen er op de fiets zitten, kunnen ze het vrouwenwielrennen interessanter maken voor sponsoren en het bedrijfsleven. Marit Huisman (mede-oprichtster Strongher): “Kijk, stel: je hebt 10 miljoen meiden op de fiets. Die hebben wij allemaal inzichtelijk, dan is het commercieel interessant voor bedrijven om in het vrouwenwielrennen te stappen.” 50
Marianne Vos heeft er bij de lancering van het platform bewust voor gekozen om haar naam aan het platform te verbinden, dit zorgde voor veel publiciteit. Na de lancering van het platform heeft ze ervoor gekozen om zich minder met Strongher bezig te houden om het echt een platform van en voor alle fietsende vrouwen te maken en geen Marianne Vos-platform. Marianne Vos (professioneel renster van 2006-heden): “Ik wil juist laten zien dat vrouwenwielrennen veel breder is dan alleen de topsport en dat het veel breder is dan Marianne Vos.” Vrouwenwielrennen.nl Een ander initiatief waar vrouwen die behoefte hebben aan training, gebruik van kunnen maken is vrouwenwielrennen.nl. Het zijn nu trainingsgroepen door heel Nederland maar begon ongeveer achttien jaar geleden heel klein. Nelly Voogt is samen met Cora Westland in 1998 gestart met het geven van trainingen aan meiden van vijftien tot achttien jaar. Nelly reed zelf vanaf haar veertiende wedstrijden en merkte dat er veel uitval was bij de meiden net voordat ze naar de volwassen categorie gaan. Tot hun vijftiende reden de meisjes mee met jongens maar daarna moesten ze ineens landelijk gaan fietsen. Vaak waren er maar enkele meiden bij verenigingen en daarom wilden Nelly en Cora een gezamenlijke training aanbieden voor de verenigingen in Midden Nederland.
Hiermee wilden ze de uitval tegengaan en daarnaast het niveau van de meiden verhogen. Na een jaar kwamen er ook vrouwen van andere leeftijden bij omdat ze hadden gehoord van de trainingen speciaal voor vrouwen en omdat de groep vrouwen bij verenigingen zo klein was, waren trainingen voor vrouwen vrij zeldzaam. De laagdrempelige trainingen voor vrouwen bleken gewild, de trainingsgroep groeiden en er ontstonden ook trainingsgroepen in andere steden. Deze trainingsgroepen werden opgezet door vrouwen die vanuit Utrecht verhuisden naar een andere stad en het initiatief graag wilden voortzetten. Nelly Voogt (mede oprichtster vrouwenwielrennen.nl): “Je moest wel iedereen een brief schrijven met een postzegel erop of je moest ze bellen anders kon je ze gewoon niet bereiken. Dat zeg ik nu omdat ik denk dat het als het nu nog zo was, dan had het nooit zo groot kunnen worden.”
51
Naast de trainingsgroepen was er een competitie voor vrouwen van negentien jaar en ouder, men had een basislicentie nodig als je mee wilde doen. De wedstrijden van de competitie werden verreden op clubparcoursen van verenigingen die door Nelly Voogt werden benaderd. De competitie werd opgezet omdat Nelly merkte dat er meer vrouwen waren zoals zij, die minder getalenteerd waren maar toch wedstrijden wilden rijden. Er was voor vrouwen toen maar één categorie. De opgezette competitie moest als tussenniveau tussen recreatief fietsen en profwielrennen dienen. Nelly Voogt (mede-oprichtster vrouwenwielrennen.nl): “We wilden iets opvullen, iets dat er niet was. Trainingen en wedstrijden op lager niveau.” De competitie werd in de loop van de jaren kleiner. Hoe langer Nelly zelf uit het wedstrijdwielrennen was, hoe minder groot haar netwerk werd en hoe minder mensen via via bij haar competitie terechtkwamen. De meiden die in het peloton reden zagen de competitie als een stap terug van waar ze nu reden. De dames uit de trainingsgroepen zagen veel ervarener dames in de competitie rijden en vonden zichzelf niet bij dit niveau passen. Beide groepen zagen zichzelf niet deelnemen aan de competitie. Zoals eerder beschreven waren intussen in andere steden in Nederland andere trainingsgroepen ontstaan, deze ontwikkeling is gebruikt om de competitie anders op te zetten.
Voortaan werd het een strijd tussen de verschillende steden met trainingsgroepen, er was een minimum van vijf vrouwen per team nodig en er kon niet meer individueel worden ingeschreven. De vrouwen verdienden dus, naast een individueel klassement, punten voor hun stad. Doordat het inschrijven met minimaal vijf is, is de drempel lager om te starten, je bent immers niet alleen. Ook halen vrouwen elkaar over om mee te doen om toch aan die minimale vijf te komen. Twee jaar geleden is de competitie verdeeld in een A en een B categorie en mogen ook vrouwen die niet zijn aangesloten bij een van de trainingsgroepen meedoen, in een team van minimaal vijf. De enige eis is dat de vrouwen een basislicentie hebben. De competitie is de verbinding tussen de verschillende trainingsgroepen in: Utrecht, Amsterdam, Amstelveen, Rotterdam, Den Bosch, Arnhem en Den Haag. Voor dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd met de trainsters en oprichters van de groepen in Rotterdam, Amstelveen, Den Bosch en Utrecht. De trainingsgroepen bieden allemaal laagdrempelige trainingen aan voor vrouwen en dagen vrouwen uit door kleine competitie elementen. De organisatie van de trainingsgroepen in de verschillende 52
steden is verschillend. Zo hoeven de vrouwen in Den Bosch niets te betalen voor de trainingen en werken ze in Utrecht met een strippenkaart en kost een training €1,50. In Amstelveen is de trainingsgroep gelieerd aan wielervereniging de Amstel en in Rotterdam staat de trainingsgroep op zichzelf. Renske Doedee (trainster vrouwenwielrennen.nl Den Bosch): “Maar dat doen wij wel: je wilt beter worden, je wilt sneller worden, je wil sterker worden, nou dat doe je dus door bijvoorbeeld af en toe een sprintje te trekken of een bochtentechniektraining te geven of weten hoe je een bidonnetje aan moet pakken met snelheid.” Vrouwenwielrennen.nl kan worden gebruikt als opstapje om landelijke wedstrijden te rijden maar er zijn ook vrouwen die trainen en in de vrouwenwielrencompetitie actief blijven, aldus Nelly Voogt. Als er vrouwen zijn die meer willen, kunnen ze zich bij een wielervereniging inschrijven en een amateurlicentie aanvragen. Hiermee kunnen ze landelijke wedstrijden gaan rijden. In het begin van dit traject kunnen ze begeleiding krijgen vanuit de trainingsgroep en als ze hun weg hebben gevonden, kunnen ze zelf hun wedstrijden uitkiezen en rijden. Het tussenniveau dat men aanvankelijk wilde bieden heeft nu dus zijn aansluiting gevonden naar de amateur- en de elitelicentie en de daarbij behorende wedstrijden van de KNWU.
Helemaal nu de KNWU meer wedstrijden gaat organiseren voor amateurs, lopen de amateur/basislicentie wedstrijden van vrouwenwielrennen.nl en de KNWU amateurwedstrijden naadloos in elkaar over. 5. 4. Belemmeringen en stimulansen De ontwikkelingen van het vrouwenwielrennen zijn in de tweede paragraaf besproken. In deze paragraaf zal worden ingegaan op de belemmeringen en stimulansen voor de ontwikkeling, zowel voor top- als breedtesport. 5.4.1 Belemmeringen
Belemmeringen breedtesport: hoog instapniveau, dure sport Een belangrijke en veelgenoemde belemmering die door geïnterviewden werd genoemd is dat er tot een paar jaar geleden geen instapniveau voor vrouwen was. De stap van een recreatief rondje rijden/trainen naar een (nationale) wedstrijd rijden was te groot. Dit zorgde ervoor dat het aantal vrouwen op de fiets groeide, maar het aantal vrouwen met een wedstrijdlicentie niet. Het gebrek aan groei in de wedstrijdsport is een belemmering geweest in de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen. Ook benoemen enkele 53
respondenten een gat tussen junioren en senioren. Inmiddels is al geprobeerd dit gat te dichten door een extra jaar bij de junioren in te passen. Onderstaande uitspraak van Chantal Beltman gaat met name om de jaren ’90 toen dit nog niet was aangepast. Chantal Beltman (professioneel renster van 1998-2009): “Want opeens gaan die afstanden van 40 tot 60 kilometer naar het dubbele bij wijze van spreken en die overgang vond ik toen wel heel erg groot.” De tweede belemmering die genoemd werd is dat wielrennen een dure sport is om mee te beginnen. Het is niet eenvoudig om een fiets een paar weken te lenen en te proberen, je moet eerst investeren voordat je weet of je het echt leuk vindt. Daarbij komt dat je meteen veel materiaal als helm, broekje en schoenen moet aanschaffen, samen met de fiets is dat een drempel voor veel vrouwen. Ragna Schapendonk (trainster vrouwenwielrennen.nl Utrecht): “Je kan het nergens zomaar even uitproberen. Dus het is een hele investering. Je moet een fiets hebben, je moet de schoentjes hebben, de helm, de outfit. Dus om die stap te maken…” Deze belemmering blijft bestaan, hoewel bijvoorbeeld Strongher ook clinics aanbiedt waarbij je fietsen kunt lenen om het eens te proberen en mensen als Ragna Schapendonk die hun oude fiets veelvuldig uitlenen.
Belemmeringen topsport: weinig aandacht en sponsoren, gebrek aan geld, ongemotiveerde ploegleiders, rensters niet betaald. Ook voor de topsport van het vrouwenwielrennen zijn er zaken die het verder ontwikkelen van het vrouwenwielrennen belemmeren. Jamie van Rijswijk (ploegleider De Jonge Renner) benoemde dat er weinig aandacht voor het vrouwenwielrennen in de media is. Omdat er minder aandacht is voor de sport, is het ook lastig om sponsoren aan de sport te binden en zijn er minder financiële middelen. Er zijn steeds meer livestreams van vrouwenwielerwedstrijden, wellicht kunnen deze een uitkomst bieden, aldus Jeanine Laudy. Als de livestreams goed worden bekeken, kan misschien een uitzending op televisie volgen. De vraag is echter wel hoeveel mensen de livestreams weten te vinden en dus of de kijkcijfers echt zo hoog zijn. Loes Gunnewijk (professioneel renster van 2002-2014) zegt dat door gebrek aan geld geen professionals kunnen worden aangenomen en hierdoor professionaliseert de 54