CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS318646 Eerbetoon aan Mien van Bree bijlage 3

Commissie Samenleving 12 december 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Themadebat: Sport28.054 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Vrouwenwielrennen: ontwikkeling dankzij of ondanks het mannenwielrennen? Een onderzoek naar de organisatorische ontwikkelingen in het vrouwenwielrennen van 1965-heden

Ruby Horst Oktober 2016, Utrecht

Auteur: R.A.W. Horst Studentnummer: 3644626 Email: r.a.w.horst@students.uu.nl Datum: 20 oktober Masterscriptie Master Sportbeleid en Sportmanagement Departement Bestuurs- en Organisatiewetenschap Universiteit Utrecht Scriptiebegeleider: Dr. Inge Claringbould Tweede beoordelaar: Drs. Michel van Slobbe 2

Voorwoord Voor u ligt mijn afstudeeronderzoek naar de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen van 1965 tot nu. Met dit onderzoek rond ik mijn master Sportbeleid en Sportmanagement aan de Universiteit Utrecht af. In juli 2015 kleurde Utrecht geel: de Tour de France startte in Utrecht (Grand Départ). Ik mocht vanuit mijn stage bij Vereniging Sport Utrecht (VSU) evenementen organiseren rondom het Grand Départ. Ik had een grote liefde voor sport maar de liefde voor de fiets begreep ik (nog) niet. Maar ik werd ‘besmet’ met de Tourkoorts. Het waren twee fantastische dagen: mooi weer, heel veel uitzinnige mensen en de grootste (mannelijke) renners ter wereld in ‘mijn’ Utrecht. Het wielerfeest zette me wel aan het denken: waarom is dit er alleen voor mannen en hoe kan het dat er zo weinig (media)aandacht is voor vrouwenwielrennen? In september 2015 voerde ik mijn eerste verkennende gesprekken met betrokken vrouwen uit het vrouwenwielrennen. Er leek in eerste instantie niet echt een vraagstuk wat ik kon onderzoeken maar ik gaf niet op. Mijn scriptiebegeleidster was enthousiast over

mijn

idee

om

onderzoek

te

doen

naar

de

ontwikkelingen

in

het

vrouwenwielrennen. Na een theoretische verkenning en enkele gesprekken bleek dat ik de wind mee had: in maart 2016 was het boek van Mariska Tjoelker over Mien van Bree (eerste officieuze wereldkampioen van Nederland) verschenen en met Mariska kon ik sparren over mijn verdere onderzoek. Van het ene interview kwam het andere en ik kreeg zelfs de kans om grote rensters als Marianne Vos en Monique Knol te interviewen. Dat er zoveel mensen met mijn onderzoek wilden meewerken had ik nooit durven dromen. De tijdlijn van 1965 tot nu is volledig gedekt met zowel breedte- als topsporters. Door deze historische schets kreeg mijn onderzoek echt een meerwaarde. Op de voorkant van deze scriptie staan de grootste wielrensters van Nederland. Links begint het met Mien van Bree en daarna Keetie Hage. Zij hebben nooit mee kunnen doen met de Olympische Spelen omdat het vrouwenwielrennen nog geen Olympische sport was in hun tijd. Rechtsboven staat Monique Knol en de tweede rij zijn achtereenvolgend Leontien van Moorsel, Marianne Vos en Anna van der Breggen. De laatste vier dames hebben één of meerdere Olympische plakken gewonnen. Drie van de zes vrouwen op de voorkant heb ik mogen interviewen.

3

Afgelopen zomer zijn er door de vrouwen op de Olympische Spelen, het Europees Kampioenschap en op het Wereld Kampioenschap veel medailles bij elkaar gefietst, alweer bleek dat mijn onderwerp ‘booming’ was. In deze scriptie zitten heel veel uren werk omdat ik mezelf de wereld van het wielrennen eigen moest maken. Mede dankzij mensen zoals Renske Doedee en Mariska Tjoelker, waarbij ik altijd terechtkon met mijn vragen en die me met plezier een rondleiding gaven in het ‘wereldje’, is het mij toch gelukt! Naast deze twee vrouwen wil ik alle mensen die hebben meegewerkt aan mijn scriptie bedanken voor hun tijd en de mooie anekdotes die ze met mij wilde delen. Ik wil alle collega’s van mijn stageorganisatie, de VSU, bedanken voor de fijne jaren die ik heb gehad. Inge Claringbould, mijn scriptiebegeleidster wil ik bedanken voor haar geduld, inspirerende gesprekken en haar fijne feedback, waardoor ik mijn scriptie weer kon verbeteren. Ook wil ik mijn vrienden, vriendinnen, huisgenoten en familie bedanken voor de momenten dat ik mocht uitrazen, koffiesessies en hun motiverende woorden als ik het even niet zag zitten. Tot slot wil ik mijn vriend Patrick bedanken voor zijn steun in de afgelopen maanden, zijn tomeloze geduld als ik weer eens ontplofte maar vooral zijn onvoorwaardelijke geloof in mij en mijn scriptie. Ik ben trots op het resultaat en wens u veel leesplezier! Ruby Horst

4

Samenvatting Het vrouwenwielrennen is een relatief jonge sport, het eerste Nederlands Kampioenschap was in 1965, de mannelijke variant gaat veel verder terug. De mannen hadden al grote rondes als Tour de France, vrouwen hadden een achterstand op de mannen. In 2014 kondigde de organisatie van de Tour de France (ASO) aan om een vrouwenwedstrijd toe te voegen aan het mannenprogramma. In het voortraject van deze bekendmaking is door vrouwen als Marianne Vos stevig gelobbyd voor een vrouwelijke variant van de grootste wielerronde ter wereld. De ASO organiseerde als pilot, 3 jaar lang het eendaagse ‘La Course’. In de jaren die volgden op de bekendmaking van de ASO, kwamen meer grote rondes als de Vuelta a España met een vrouwenvariant. In 2009 is gestopt met een Tour de France voor vrouwen maar nu zien organisatoren blijkbaar toch potentie in de vrouwensport. Deze ontwikkeling is de aanleiding om onderzoek te doen naar de ontwikkelingen in het vrouwenwielrennen en welke oorzaken en invloeden hier aan te pas kwamen. De ontwikkeling van het vrouwenwielrennen roept tegelijkertijd de vraag op of de sport zich los van het mannenwielrennen (ondanks) of meer dankzij het mannenwielrennen heeft ontwikkeld.

Dit onderzoek gaat over de ontwikkelingen die het vrouwenwielrennen heeft doorgemaakt van 1965 tot heden, dit omdat met het eerste Nederlands Kampioenschap voor vrouwen, dit als de start van de georganiseerde vrouwenwielersport kan worden gezien. De centrale vraag in het onderzoek luidt: Welke ontwikkelingen heeft het vrouwenwielrennen (als georganiseerde sport) sinds 1965 doorgemaakt? Door middel van interviews en participerende observaties is de data voor het onderzoek verkregen. In het theoretisch kader is ingezoomd op het proces van institutionalisering. Aan de hand van verschillende auteurs zoals Scott (2014), Czarniawska (2009) en Tolbert & Zucker (1996) worden de ontwikkelingen in het vrouwenwielrennen, beschreven door de geïnterviewden,

geanalyseerd.

Er

kan

worden

geconcludeerd

dat

het

vrouwenwielrennen een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat de betrokken vrouwen hier zelf, met hulp van enkele mannen, verantwoordelijk voor zijn. In het vrouwenwielrennen zit een enorme kracht van vrouwen zelf om zich te organiseren, trainingen en wedstrijden op te zetten. Successen in de topsport van vrouwen als Leontien van Moorsel, Monique Knol, Marianne Vos en nu Anna van der Breggen, hebben ervoor gezorgd dat het vrouwenwielrennen meer bekendheid verwierf en 5

groeide. In de beginjaren was er weinig aandacht vanuit de KNWU en ook mannelijke ploegleiders die zich niet inzetten voor sport, hebben de ontwikkeling in de weg gezeten. Uit bovenstaande punten blijkt dat de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen vooral ondanks het mannenwielrennen is gebeurt. Er waren soms jaren dat de mannen niet presteerde en dat mensen dus naar de vrouwenwielersport gingen kijken. Ook de dopingperikelen

bij

de

mannen

zorgde

voor

extra

aandacht

voor

het

vrouwenwielrennen. Bij deze beide voorbeelden gaat het om ontwikkeling dankzij het mannenwielrennen. Er zijn dus voorbeelden van zowel ‘ontwikkeling dankzij’ als ‘ontwikkeling ondanks’, toch moet geconcludeerd worden dat het vrouwenwielrennen zich vooral ondanks het mannenwielrennen heeft ontwikkeld. De institutie van het vrouwenwielrennen is van onderaf ontwikkeld. Het vrouwenwielrennen is nog niet volledig geïnstitutionaliseerd maar zet al wel de bestaande logica’s in het mannenwielrennen onder druk.

6

Inhoudsopgave Voorwoord ......................................................................................................................................................... 3 Samenvatting..................................................................................................................................................... 5 1. Inleiding....................................................................................................................................................... 10 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................................ 10 1.2 Probleemstelling ............................................................................................................................... 10 1.3 Maatschappelijke relevantie......................................................................................................... 11 1.4 Wetenschappelijke relevantie ..................................................................................................... 11 1.5 Onderzoeksvraag- en deelvragen ............................................................................................... 12 1.6 Leeswijzer ............................................................................................................................................ 12 2.

Theoretisch kader .................................................................................................................................... 13 2.1 Interpretatieve benadering........................................................................................................... 13 2.2 Institutionalisering........................................................................................................................... 13 2.3 Institutionele denken ...................................................................................................................... 13 2.4 Het ontstaan van instituties .......................................................................................................... 14 2.5 Fasen van een institutionaliseringsproces ............................................................................. 15 2.6 Onderdelen van een institutie ..................................................................................................... 16 2.7 Deïnstitutionalisering ..................................................................................................................... 16 2.8 Institutionele logica’s ......................................................................................................................

17 2.9 Instituties en vrouwenwielrennen............................................................................................. 17 3. Literatuurstudie ....................................................................................................................................... 18 3.1 Het startpunt ...................................................................................................................................... 18 3.2 Organisatie wielrennen .................................................................................................................. 19 3.3 Ontwikkeling vrouwen in de sport ............................................................................................ 20 3.4 De sportachterstand van vrouwen ............................................................................................ 20 3.5 Dominante discours over vrouwen in de sport .................................................................... 22 3.6 Groei vrouwen in wielrennen ...................................................................................................... 23 3.7 Het begin van vrouwen en wedstrijd-wielrennen ............................................................... 23 3.8 Top wielrennen .................................................................................................................................

24 3.9 Percepties vrouwenwielrennen .................................................................................................. 25 3.10 Samenvattend .................................................................................................................................. 25 4. Methodologie ............................................................................................................................................. 27 4.1 Kwalitatief onderzoek ..................................................................................................................... 27 7

4.2 Interviews ............................................................................................................................................ 28 4.3 Participerende observatie ............................................................................................................. 28 4.4 Keuze respondenten ........................................................................................................................ 29 4.5 Dataverwerking en analyse .......................................................................................................... 30 4.6 Rol als onderzoeker ......................................................................................................................... 31 4.7 Betrouwbaarheid en Validiteit .................................................................................................... 31 5. Resultaten ................................................................................................................................................... 33 5.1 Start van het vrouwenwielrennen: Keetie en Gré ................................................................ 33 5.1.1Structuur van het vrouwenwielrennen ............................................................................. 33 5.1.2 Faciliteiten en regels vrouwenwielrennen .....................................................................

34 5.2 Ontwikkelingen en verklaringen, rollen van vrouwen ...................................................... 36 5.2.1 Sporttechnische ontwikkelingen ........................................................................................ 36 5.2.2 Organisatorische veranderingen ........................................................................................ 37 5.2.3 Verklaringen voor ontwikkelingen .................................................................................... 42 5.2.4 Rol van vrouwen ....................................................................................................................... 44 5.3 Vrouwenwielrennen nu.................................................................................................................. 46 5.3.1 Organisatie topsport ................................................................................................................ 47 5.3.2 Organisatie breedtesport ....................................................................................................... 48 5.3.3 Overige platforms ..................................................................................................................... 49 5. 4. Belemmeringen en stimulansen ...............................................................................................

53 5.4.1 Belemmeringen ......................................................................................................................... 53 5.4.2 Stimulansen................................................................................................................................. 56 5.5 Nodige veranderingen en toekomst .......................................................................................... 57 5.6 Kenmerken vrouwenwielrennen................................................................................................ 59 5.6.1 Mannencultuur .......................................................................................................................... 59 5.6.2 Ploegleiders in de breedte- en topsport........................................................................... 61 5.6.3 Afhankelijkheid in de topsport ............................................................................................ 63 5.6.4 Verschillen vrouwen en mannen wielrennen: doping, krachtsverschil, financiën en wedstrijdaanbod ........................................................................................................ 63 5.6.5 Andere sporten .......................................................................................................................... 64 6.

Analyse ......................................................................................................................................................... 66 6.1 Fases van institutionalisering ...................................................................................................... 66 6.2 Ontstaan van een institutie ........................................................................................................... 68 8

6.3 De drie pilaren ................................................................................................................................... 69 6.4 Deïnstitutionalisering ..................................................................................................................... 70 6.5 Institutionele logica’s ...................................................................................................................... 71 6.6 Samenvattend..................................................................................................................................... 72 7. Conclusie en discussie............................................................................................................................ 73 7.1 Conclusie .............................................................................................................................................. 73 7.2 Discussie ............................................................................................................................................... 76 7.3 Vervolgonderzoek ............................................................................................................................ 78 Literatuurlijst .................................................................................................................................................

79 Bijlage 1 : Respondentenoverzicht ........................................................................................................ 84 Bijlage 2: Topiclijst betrokken vrouwen ............................................................................................. 85 Bijlage 3: topiclijst ploegleider ................................................................................................................ 87 Bijlage 4: Codeboom scriptie vrouwenwielrennen ......................................................................... 88

9

1. Inleiding 1.1 Aanleiding "De ASO is een commerciële organisatie en dat zij dit voor drie jaar willen doen[La Course organiseren], geeft aan dat ze er geld in zien. Je ziet al dat het een sneeuwbaleffect oplevert, want ook de Vuelta heeft al aangegeven een vrouweneditie te gaan organiseren." Bovenstaande uitspraak is van Marijn de Vries, journalist, oud-profrenster (2010-2015) en sinds een jaar lid van het hoofdbestuur van de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie (KNWU) (NOS, 2014). De uitspraak laat zien dat het vrouwenwielrennen aan het groeien is. In juli 2015 startte de Tour de France in Utrecht. In 2009 werd de laatste Tour de France voor vrouwen georganiseerd en sindsdien ontbreekt de grootste wielerronde ter wereld op de kalender bij de vrouwen. Na jaren van overleg tussen rensters en betrokkenen met de organisator van de Tour de France (ASO) stond in 2014 voor het eerst La Course, een ééndaagse wielerkoers voor vrouwen, op het programma. De koers is de afsluiting van de Tour de France voor mannen. De pilot duurde drie jaar. Na de editie van 2016 heeft een evaluatie plaatsgevonden en op 18 oktober 2016 maakte de ASO bekend dat komend jaar La Course een eendaagse wedstrijd blijft maar wel een beklimming wordt toegevoegd (Wielerflits, 2016). De uitspraak van Marijn de Vries laat zien dat het vrouwenwielrennen in de lift zit.

In 2009 is gekozen om de Tour de France voor vrouwen stop te zetten. Blijkbaar zijn er nu voldoende aanleidingen om een nieuw initiatief als La Course op te zetten. Na het initiatief vanuit de Tour de France kondigden steeds meer wedstrijdorganisaties zoals die van de Vuelta a España, Strade Bianchi, Gent Wevelgem en zeer recent ook de Amstel Goldrace aan een ronde voor professionele rensters toe te voegen aan het bestaande (mannen) programma. Deze ontwikkelingen, de ‘Tourkoorts’ in Utrecht (waar de auteur door haar stage nauw bij betrokken was), maar ook een gebrek aan literatuur over vrouwenwielrennen waren voor de onderzoeker aanleiding om onderzoek te doen naar de ontwikkelingen in het vrouwenwielrennen en welke oorzaken en invloeden hier aan te pas kwamen. 1.2 Probleemstelling Zoals al uit de aanleiding blijkt, neemt het aantal grote wedstrijden voor professionele rensters toe. Er is echter nog veel winst te behalen afgezet tegen het wielrennen voor mannen. Vrouwen hebben ten opzichte van mannen een achterstand, zowel wat aantal wedstrijden betreft als qua beschikbare wedstrijdcategorieën. Bij mannen gaat de verdeling in categorieën veel verder. Dit geldt voor de professionals maar ook zeker in 10

breedtesport. Ook het aantal licentiehouders bij de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie (KNWU) is nog lang niet gelijk (KNWU). Het vrouwenwielrennen is zich positief aan het ontwikkelen maar de er blijven verschillen zichtbaar. De Nederlandse regering hecht een grote waarde aan sport, de komende jaren zal veel geld worden geïnvesteerd in sport om de sportparticipatie te verhogen. Het kabinet vindt dat sport voor iedereen toegankelijk moet zijn (Rijksoverheid, 2016). In de praktijk is er een verschil tussen mannen en vrouwen als het gaat om de toegankelijkheid van wielrennen. Om dit verschil te verklaren is gekozen voor een onderzoek naar de ontwikkeling die het vrouwenwielrennen vanaf 1965 heeft doorgemaakt. In 1965 vond het eerste Nederlands Kampioenschap voor vrouwen plaats, vandaar dat gekozen is om daar te starten. Aan de hand van de ontwikkelingen in het vrouwenwielrennen wordt een analyse gemaakt van de rol van gender in het vrouwenwielrennen en hoe het vrouwenwielrennen zich verhoudt tot het mannenwielrennen. 1.3 Maatschappelijke relevantie Er zijn meerdere sporten waarin het aandeel vrouwen geringer is dan dat van mannen. Ook in bijvoorbeeld voetbal is het aandeel vrouwen groeiende, echter, daar is de aandacht voor (top) vrouwenvoetbal significant minder dan voor het mannenvoetbal. Het verschil is hier (nog) groter dan in het wielrennen.

Vrouwenwielrennen is sterk geprofessionaliseerd vanaf 1965. Toch blijven er barrières in de verdere ontwikkeling. Top- en breedtesport moeten toegankelijk zijn voor zowel mannen als vrouwen. Dit onderzoek geeft inzicht in hoe een sport zich kan ontwikkelen tot een gelijkwaardige sport voor zowel mannen als vrouwen en op welke manier sport toegankelijker kan worden voor vrouwen. 1.4 Wetenschappelijke relevantie Er is weinig literatuur beschikbaar over de organisatie van het vrouwenwielrennen en er is vrijwel geen literatuur over hoe de organisatie van een populaire sport als wielrennen, zich eigenstandig voor vrouwen ontwikkelt. Heeft de organisatie van het vrouwenwielrennen zich dankzij of ondanks het mannenwielrennen ontwikkeld? Dit thema is de rode draad in het onderzoek. Het onderzoek is mogelijk een goede aanvulling op de bestaande literatuur. Daarnaast kan, door te kijken naar hoe de ontwikkeling

van

het

vrouwenwielrennen

is

verlopen

en

naar

het

institutionaliseringsproces dat hiermee gepaard gaat, dit onderzoek als voorbeeld dienen voor andere vrouwensporten en de ontwikkelingen hierin. 11

1.5 Onderzoeksvraag- en deelvragen In het onderzoek wordt gekeken naar de ontwikkelingen in het vrouwenwielrennen van 1965 tot heden. Hiervoor zijn rensters en ploegleiders uit top- en breedtesport geïnterviewd. De hoofdvraag in het onderzoek is: Welke ontwikkelingen heeft het vrouwenwielrennen (als georganiseerde sport) sinds 1965 doorgemaakt? Deze hoofdvraag wordt beantwoord door middel van onderstaande 6 deelvragen: 1. Hoe was het vrouwenwielrennen in 1965 georganiseerd? 2. Hoe is het vrouwenwielrennen tegenwoordig georganiseerd? 3. Wat is de rol van vrouwen geweest in de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen? 4. Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen in het vrouwenwielrennen? 5. Wat is de rol van ploegleiders in het vrouwenwielrennen? 6. Op welke manier speelt gender een rol binnen de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen? 1.6 Leeswijzer In het onderzoek zijn zowel top- als de breedtesporters geïnterviewd. Om de scriptie overzichtelijk te houden is vanaf het resultatenhoofdstuk een duidelijke scheiding aangebracht tussen top- en breedtesport. Hoofdstuk twee van het onderzoek gaat in op de verschillende theorieën over institutionalisering die gebruikt zijn bij het onderzoek. Vervolgens wordt in hoofdstuk drie ingegaan op de context van het vrouwenwielrennen. Hoofdstuk vier gaat over de gekozen methodologie van het onderzoek.

De resultaten van het onderzoek worden behandeld in hoofdstuk vijf. In hoofdstuk zes worden de theorie en de empirische resultaten aan elkaar gekoppeld, de analyse. In hoofdstuk zeven is een combinatie van de beantwoording van de deelvragen en hoofdvraag, de conclusie van het onderzoek. In dit hoofdstuk is ook ruimte voor een discussie en suggesties voor vervolgonderzoek.

12

2. Theoretisch kader 2.1 Interpretatieve benadering De onderzoeker heeft gekozen voor een interpretatieve benadering. Deze benadering gaat ervan uit dat er meer dan één waarheid bestaat en dat de waarheid ‘subjectief’ is (Denzin, 2002, in Edwards & Skinner, 2009, p. 20). Een interpretatieve onderzoeker is op zoek naar hoe dagelijkse mechanismen in stand worden gehouden door relaties, betekenissen, rituelen, waarden en normen (Deetz, 1996). De betekenis die mensen aan bepaalde concepten geven is verschillend en situatieafhankelijk. Interpretatieve onderzoekers werken vaak hun kernconcepten en de theorieën, die van toepassing zijn op het onderzoek, gaandeweg het onderzoek uit. (Vermeulen, 2012). Een ander belangrijk kenmerk van de interpretatieve benadering is dat een onderzoek vooral in het veld plaatsvindt en vaak gebruik wordt gemaakt van observaties of interviews (Deetz, 1996). Vanuit de interpretatieve benadering is het niet de bedoeling om generaliseerbare uitspraken te doen omdat het onderzoek betrekking heeft op een contextuele omgeving en tijd, ruimte en plaats er in elke situatie toe doen. Door deze context gebonden omgeving, wordt een situationele werkelijkheid geschept. De onderzoeker richt zich daarom op processen die leiden en hebben geleid tot de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen.

De interpretatieve benadering is op zoek naar interpretaties van de werkelijkheid en deze ‘bril’ past goed bij het onderzoek naar de ontwikkeling van vrouwenwielrennen. Voor dit onderzoek zijn verschillende onderzoeksmethodes

gebruikt,

deze

worden

in

hoofdstuk

vier,

over

de

onderzoeksmethodologie beschreven. 2.2 Institutionalisering De theorie die in het onderzoek is gebruikt gaat over het institutionaliseringsproces. In dit hoofdstuk komen verschillende auteurs op het gebied van institutionalisering aan bod. 2.3 Institutionele denken Er is veel geschreven over institutionalisering en het institutionele denken. Aan de hand van verschillende auteurs zal een beeld worden gegeven van het begrip institutionalisering. Zucker (1977, p. 728) omschrijft institutionalisering als: “It is the process in which the individual actors transmit what is socially defined as real and, at the same time, at any point in the process the meaning of an act can be defined as more or less a taken-for-granded part of the social reality.” 13

Berger en Luckman (1966) beweren dat als dingen die mensen doen een routine worden, je het institutionalisering kan noemen. Institutionalisering vindt plaats als een discours en de structuren die daarbij horen door een bepaalde sociale groep wordt geaccepteerd (Berger en Luckman, 1966). Na het proces van acceptatie nemen mensen het discours als vanzelfsprekend aan en gaan hiernaar handelen, het worden gewoontes (Zucker, 1977). De handelingen die bij een institutie horen worden altijd gedeeld door de hele sociale groep (Berger en Luckman, 1966). Berger (1968) benoemt dat deze gewoontes van grootouders op kinderen wordt overgedragen en dat het door de generaties heen wordt overgenomen. Oliver (1997) stelt dat de gewoontes van mensen zijn gebaseerd op het verleden omdat ‘dingen al jaren zo gaan’, er zijn vaak geen financiële of rationele motieven. 2.4 Het ontstaan van instituties Verschillende auteurs (Czarniawska, 2009; Scott, 2014) schrijven over het ontstaan van instituties. Czarniawska stelt dat het woord instituut of institutie achterhaald is. Mensen zien een institutie vaak als een statische piramide die weinig flexibel is, hiermee is zij het niet eens. Czarniawska onderbouwd haar punt met de metafoor van Lefkowitz (2006 in Czarniawska, 2009): een institutie als een mierenhoop.

In het ontstaan van een institutie is het belangrijk dat er sprake is van collectieve acties, waarmee gemeenschappelijke doelen worden nagestreefd aldus Czarniawska (2009). Verder stelt ze dat een institutie ontstaat in een specifieke tijd en dat plaats en context van belang zijn. Mieren bouwen door collectief handelen een mierenhoop op. De institutionele entrepreneurs (in dit geval de mieren) spelen in op ontwikkelingen uit de institutionele omgeving en voeren de ontwikkelingen door binnen de instituties. Een institutie kan zich op deze manier blijven aanpassen en verdwijnt zodoende niet snel. De definitie van een institutie is volgens Czarniawska: “een patroon van collectieve acties die worden gerechtvaardigd door een corresponderende norm” (Czarniawska, 2009, p. 423). Volgens Scott (2014) bestaan instituties uit drie pilaren: een regulerende, een normatieve en een cultureel-cognitieve pilaar. “Deze drie pilaren zorgen met bijbehorende activiteiten en bronnen voor stabiliteit en betekenisgeving voor het sociale leven” (Scott, 2014, p. 56). Binnen de regulerende pilaar is het van belang dat iedereen het eens is met de geldende regels. Voor de normatieve pilaar is morele aanvaardbaarheid belangrijk. Bij de cultureel-cognitieve pilaar is het van belang om gemeenschappelijke waarden en definities te hebben. De drie pilaren zorgen samen voor 14

institutionele structuren. Het is dus van belang dat bij een institutie alle drie de pilaren aanwezig zijn. Scott (2014) beschrijft drie pilaren in een institutie, Czarniawska (2009) beschrijft er maar twee: de normatieve en de cultureel cognitieve pilaar. Het verschil tussen de omschrijving van Czarniawska en Scott is de regulerende pilaar. Czarniawska (2009) stelt in haar omschrijving van een institutie niets over wetten en regels en heeft het over een proces dat plaatsvindt in een collectief en op basis van een corresponderende norm. De onderzoeker maakt gebruik van de omschrijving van Czarniawska omdat deze meer uitgaat van het natuurlijk ontstaan van instituten. Scott gaat uit van statische instituten en in de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen is meer sprake geweest van een ‘mierenhoop’ dan van een ‘piramide’, dus zal de ‘mierenhoop’ van Czarniawska worden gebruikt. In het onderzoek naar vrouwenwielrennen wordt gekeken welke pilaren van instituten er binnen het vrouwenwielrennen aanwezig zijn. 2.5 Fasen van een institutionaliseringsproces Het proces van institutionalisering bestaat volgens Tolbert en Zucker (1996) uit drie fases: gewenning, objectivering en sedimentatie. In de eerste fase (gewenning) worden afspraken gemaakt om problemen in een organisatie op te lossen. Deze afspraken worden geformaliseerd en opgenomen in beleid en procedures.

Deze fase kan worden omschreven als het “pre-institutionaliseringsstadium” (Tolbert en Zucker, 1996). In de tweede fase is het belangrijk dat er overeenstemming is over de waarde van het nieuwe discours. De nieuwe structuren (regels en normen) die horen bij het nieuwe discours moeten worden geaccepteerd. In deze fase blijven mensen om zich heen kijken hoe anderen met het nieuwe discours omgaan.

Deze wordt ook wel het “semi-

institutionaliseringsstadium” genoemd. In de derde fase zijn de nieuwe regels en normen volledig geïnstitutionaliseerd. Naast dat de structuur wordt geaccepteerd, is hij ook blijvend. Deze fase heet de “volledige institutionaliseringsfase” genoemd.

Geïnstitutionaliseerde discoursen

kunnen wel weer afbrokkelen, dit staat in de paragraaf over deïnstitutionalisering beschreven. In het institutionaliseringsproces beschrijft Scott, in tegenstelling tot Tolbert en Zucker (1996) vier fases, namelijk innovation, habitualization, objectification en sedimentation (Scott, 2014, p. 149). Scott (2014) voegt dus een innovatie fase toe. Dit is eigenlijk de aanloop naar de institutionalisering. Hij zegt dat processen als 15

marktwerkingen of veranderingen in wetgeving kunnen leiden tot innovatie: een nieuw idee. Met dat nieuwe idee begint het proces van institutionalisering. De rest van de fases van Scott (2014) zijn vergelijkbaar met die van Tolbert en Zucker (1996). Als alle drie de fases zijn doorlopen is de innovatie geïnstitutionaliseerd binnen de organisatie. De opkomst van het vrouwenwielrennen in Nederland is er een van fases, waar in 1938 Mien van Bree de eerste Nederlandse Wereldkampioen wielrennen op een officieus WK werd, staat het vrouwenwielrennen er anno 2016 heel anders voor. In 1938 erkende de KNWU WK’s voor vrouwen nog niet. Maar gaandeweg de jaren is het vrouwenwielrennen geïnstitutionaliseerd. De opkomst van het vrouwenwielrennen heeft als instituut doorgewerkt op de KNWU als bond. Hoe gaan zij daar dan mee om en in welke fase van institutionalisering bevindt het vrouwenwielrennen zich nu? 2.6 Onderdelen van een institutie In een veranderende omgeving spelen instituties een belangrijke rol. Vier verschillende carriers (symbolische systemen, relationele systemen, routines en artifacten) zorgen voor structuur in het gedrag en het handelen van de instituties (Scott, 2014). Scott (2014) beschrijft een top-down benadering, waarin structuren het gedrag van mensen en hun handelen in instituties sturen.

Czarniawska (2009) gaat uit van een bottom-up visie waarbij de handelingen en het gedrag van mensen de structuur van instituties bepaald. Individuen creëren de institutionele context, maar deze context werkt ook beperkend voor handelingsruimte van individuen in een instituut. In het onderzoek naar het vrouwenwielrennen wordt gekeken naar de manier waarop het vrouwenwielrennen zich heeft ontwikkeld. Er wordt gekeken welke strategie hierin leidend is: Scott of Czarniawska? 2.7 Deïnstitutionalisering Wanneer structuren eenmaal in een organisatie geïnstitutionaliseerd zijn, betekent dit niet dat deze niet kunnen verdwijnen: deïnstitutionalisering (Berger en Luckman 1966) . Deïnstitutionalisering is een proces waarin de bestaande geïnstitutionaliseerde organisatiestructuren afbrokkelen en stoppen te bestaan (Oliver, 1992). Het gevolg van deïnstitutionalisering is dat er ruimte komt voor nieuwe institutionele discoursen (Oliver, 1992). Het is dus zo dat doordat bestaande institutionele structuren worden losgelaten, er ruimte komt om nieuwe discoursen te institutionaliseren. De druk op

16

organisaties om institutionele structuren los te laten komt vaak van buitenaf en heeft vaak te maken met politieke of sociale factoren (Oliver, 1992). Het

vrouwenwielrennen

zou

kunnen

zijn

gegroeid

doordat

het

mannenwielrennen is gedeïnstitutionaliseerd of er kan sprake zijn van een groei die los van het mannenwielrennen is verlopen. In het onderzoek wordt gekeken of er meer sprake van een groei ondanks het mannenwielrennen of dankzij het mannenwielrennen. 2.8 Institutionele logica’s De opkomst van het vrouwenwielrennen zet de logica van mannenwielrennen onder druk. Thornton & Ocasio (2008, p. 2) omschrijven institutionele logica als: “Sociaal geconstrueerde, historische patronen van culturele symbolen en materiële praktijken, waaronder vooronderstellingen, waarden en overtuigingen, aan de hand waarvan individuen en organisaties betekenis geven aan hun dagelijkse activiteiten, tijd en ruimte organiseren en hun leven en ervaringen reproduceren” Als hoofdtypes van institutionele logica’s noemen ze: familie, religie, staat, markt, beroep, corporatie en community. De waardes en overtuigingen die voor individuen van belang zijn, zijn terug te vinden in instituties. Een institutionele logica kan dus worden uitgelegd als waarden, normen en gedragingen die ten grondslag liggen aan een institutie en die het handelen van mensen die bij die instituties betrokken zijn logisch en vaak vanzelfsprekend maakt (Thornton & Ocasio, 2008).

In het onderzoek naar de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen wordt gekeken naar hoe deze logica’s in het wielrennen zijn veranderd en wat de invloed is geweest op het vrouwenwielrennen. 2.9 Instituties en vrouwenwielrennen In dit onderzoek wordt de institutionalisering van het vrouwenwielrennen bekeken vanuit de verschillende fases van institutionalisering van Tolbert en Zucker (1996). Daarnaast zal het proces van institutionalisering worden bekeken aan de hand van de omschrijving van institutionalisering volgens Czarniawska (2009). Vervolgens wordt gekeken welke van de drie pilaren van Scott (2014) terugkomen in de institutie vrouwenwielrennen. Tot slot wordt gekeken welke impact de groei van het vrouwenwielrennen had op de logica’s van het (mannen) wielrennen.

17

3. Literatuurstudie 3.1 Het startpunt Ondanks dat Nederland

in

het

vrouwenwielrennen grote kampioenen als Leontien van Moorsel en Marianne Vos heeft voortgebracht, heeft ons land in het begin veel moeite gehad met fietsende vrouwen. De ‘virtuele tweet’ (links), geplaatst door Het Vaderland, rondom het WK wielrennen in 1930, laat zien dat mensen niets van vrouwen op de fiets moesten hebben (Het Vaderland, 22 april 1930). Zelfs de koningin mocht zich in die tijd niet in het openbaar vertonen op de fiets, dit gebeurde uiteindelijk in 1933 pas voor het eerst (Van de Vooren, 2014). Pas

in

de

loop

van

de

jaren

vijftig

werden

de

eerste

officiële

Wereldkampioenschappen (WK’s) voor vrouwen georganiseerd. Er waren wel eerder WK’s maar deze waren ‘officieus’ en niet erkend door de KNWU. Veel wielerbonden zoals de UCI en de KNWU waren conservatief en erkenden daarom vrouwenwielrennen niet officieel. Mien van Bree werd als eerste Nederlandse vrouw tweemaal Wereldkampioen in de jaren ‘30. Haar titels werden vanwege de officieuze status van het vrouwenwielrennen echter niet erkend. Mien van Bree was tot de publicatie van het boek ‘Een vergeten geschiedenis’ van Mariska Tjoelker zelfs bij echte wielerkenners onbekend. De hoofdpersoon in dit boek heeft moeten worstelen om erkenning te krijgen voor het feit dat ze de beste wielrenster van de wereld was. “Eigenlijk ben ik te vroeg geboren, zegt ze er jaren later zelf een keer over. Want ja, in haar tijd behoorden jongedames te werken, een vriendelijke jongeman tegen het lijf te lopen, zich te verloven, te trouwen en moeder te worden, waarna een bestaan als huisvrouw volgde” (Tjoelker, 2013). Mien van Bree was al vroeg bezig met fietsen en om haar sport goed te kunnen beoefenen verhuisde ze naar België, waar het vrouwenwielrennen meer ontwikkeld was en men minder conservatief aankeek tegen een vrouw op de fiets. Nadat Mien twee keer Wereldkampioen werd, moest ze om familiaire redenen terug naar haar geboorteplaats Loosduinen. Hiermee kwam een einde aan haar wielercarrière.

De wielersport was in 18

Nederland nog niet

veel verder

ontwikkeld en

bijna

niemand

kende

de

Wereldkampioene. Voor Mien was het extra moeilijk omdat ze fietste, wat nog niet geaccepteerd was en daarnaast lesbisch was, wat in de jaren ’30 ook nog een taboe was. De combinatie van bovenstaande eigenschappen maakte het leven van Mien van Bree moeilijk en zwaar. Het boek van Mariska Tjoelker eindigt waar dit onderzoek begint: bij de carrière van een van de eerste Nederlands kampioene: Keetie Hage. In 1965 werd het eerste Nederlands Kampioenschap (NK) voor vrouwen verreden. Het Kampioenschap werd gewonnen door Ineke van IJken, zij heeft zich samen met Anneke Doesburg ingezet om wielerwedstrijden voor vrouwen bij de wielerunie op de kalender te krijgen (NOS, 2015). Onderstaand citaat (NOS, 2015) van het polygoonjournaal uit 1965 laat zien dat de vrouwelijke wielrensters niet gangbaar waren in de wielerwereld maar dat de KNWU in 1965 toch overstag moest gaan. "In de wielerwereld was lang haar een uitzondering, maar nu niet meer. Want het zwakke geslacht is nu door de Koninklijke Nederlandse Wielerunie officieel erkend en toegelaten." (Polygoonjournaal 1965). Tussen de situatie in de jaren ’60, waarin rensters als Ineke van IJken en Keetie Hage koersten en de situatie van rensters als Marianne Vos en Anna van der Breggen zijn veel verschillen te ontdekken, maar er zijn ook dingen die ruim vijftig jaar na het eerste NK voor vrouwen nog steeds hetzelfde zijn.

3.2 Organisatie wielrennen Een onderzoek naar het vrouwenwielrennen begint bij het uitleggen van de sport die in de praktijk door bijna elke Nederlander wordt beoefend: fietsen. Of het gaat om met een stadsfiets van A naar B willen, het rijden van toertochten of zelfs het rijden van criteriums op de racefiets: Nederlanders staan bekend als fervente fietsers. Kenmerkend van fietsen als sport is dat overal en altijd kan worden gefietst, het is vergelijkbaar met hardlopen, vaak wordt gebruik gemaakt van de openbare weg om de sport te beoefenen. Aansluiten bij de wielerunie is dus niet nodig, waar dat voor een teamsport als hockey of voetbal (vooral qua velden en faciliteiten) vaak wel noodzakelijk is om bij een sportvereniging te sporten en je daarmee automatisch aan te sluiten bij een sportbond. Volgens een schatting van Huis van de sport Limburg van 2013 zijn er bijna 1,2 miljoen mensen die toerfietsen of wielrennen. Hierbij gaat het om 8,8 procent van de Nederlandse bevolking (Huis van de Sport Limburg, 2013). Duidelijk is dat sportief 19

fietsen (toerfietsen en wielrennen) door een groot deel van de Nederlanders wordt beoefend. Er zijn twee unies die deze vormen van fietsen aanbieden, de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie (KNWU) en de Nederlandse Toerfiets Unie (NTFU). De unies zijn ondanks de grote populariteit van fietsen, niet groot. De KNWU had in 2014 27.739 leden en de NTFU had in datzelfde jaar 62.619 (NOC*NSF, 2014). In het verdere onderzoek wordt binnen het sportieve fietsen ingezoomd op wielrennen.

Wielrenners

die lid worden van de KNWU hebben verschillende keuzes. Er kan gekozen worden voor een individueel basislidmaatschap waarbij alleen kleine (trainings)wedstrijden en toertochten verzekerd zijn via de KNWU (KNWU 1, z.j.). Een tweede optie is de wedstrijdlicentie, die in verschillende categorieën kan worden aangevraagd. Met een wedstrijdlicentie kunnen renners (verzekerd) deelnemen aan (inter)nationale en regionale wedstrijden (KNWU 2, z.j.). Zoals uit bovenstaande blijkt, is een lidmaatschap bij de KNWU vooral interessant door het aantal wedstrijden dat men hiermee kan rijden en vanwege de verzekeringen die via de KNWU lopen. Deze twee zaken zouden voor wielrenners dus een beweegreden kunnen zijn om lid te worden van de unie. 3.3 Ontwikkeling vrouwen in de sport De ontwikkeling van vrouwen in de sport is er een van ruim honderd jaar. In 1900 mochten vrouwen voor het eerst meedoen in georganiseerde sport, het betrof de sporten golf en tennis (Pfister, 2010). Een grote toename is te zien als we kijken naar de Olympische spelen, precies 100 jaar later (Sydney, 2000). Er zijn dan nog maar acht landen

zonder

vrouwelijke

deelneemsters

tegenover

negentien

individuele

deelneemsters in het totaal in 1900 (NRC Handelsblad, 2000). Bij de Olympische Spelen van Parijs in 1900 deden ongeveer vijftienhonderd atleten mee, vanuit Nederland deden tweeënveertig deelnemers mee (alleen mannen) (NOC*NSF, z.j.). 3.4 De sportachterstand van vrouwen Diverse onderzoekers (Caudwell, 2011; Coakley & Pike, 2009) gaan er van uit dat sport van oudsher een mannenwereld is en dat vrouwen daarom pas later zijn begonnen met sporten. Zij gaan er van uit dat een sport oorspronkelijk mannelijk is, tenzij deze eigenschappen bevat die op vrouwen van toepassing zijn zoals behendigheid, lenigheid en sierlijkheid. Begin van de jaren ’70 konden vrouwen niet deelnemen aan sporten die kracht, sterkte en snelheid vereisten. Daartegenover waren vrouwen in sporten als turnen en kunstschaatsen oververtegenwoordigd (Coakley & Pike, 2009). Pfister (2010) 20

zegt hierover dat vele jaren werd gedacht dat alleen bepaalde, vooraf vastgestelde sporten (zonder kracht en snelheidselementen) geschikt waren voor vrouwen. “For many years it was commonly believed – and it may still be firmly anchored in popular wisdom today – that certain types of sport and exercise were suitable for women while others were unsuitable, and that the same applied to men” (Pfister 2010,p. 234). Volgens Knoppers en Elling (2001) kenmerken veel competitieve sporten zich op basis van fysieke vaardigheden als kracht en snelheid, waarmee mannen in het voordeel zijn. Vrouwen worden geassocieerd met lichamelijke zwakte en fysieke schoonheid, waar mannen meer worden geassocieerd met actief, competitief en agressief gedrag (Elling, 2010). De eigenschappen van mannen passen op deze manier veel beter bij de beoefening van sport en daarom werden mannen dus ook geschikter voor sporten gevonden. Coackley en Pike (2009) stellen dat men ervan was overtuigd dat vrouwen minder goed konden sporten dan mannen en dat ze daarom ook geen gelijke ondersteuning verdienden. “They [women] do sports but they don’t do them as men can do them. Therefore they don’t do them well enough to receive equal support ” (Coakley & Pike, 2009, p. 245).

Het gebrek aan waardering, ondersteuning en aandacht heeft er ook voor gezorgd dat de ontwikkeling van de vrouwensport minder snel ging dan die van mannen. Vrouwen moesten harder werken dan mannen om dezelfde aandacht te krijgen. Voor mannen was aandacht voor hun sportieve prestaties vanzelfsprekend (Coackley & Pike, 2009). Naast de eerder genoemde achterstanden die vrouwen hadden in het beoefenen van sport, mochten ze in eerste instantie ook niet op hoog niveau sporten. Dit kwam omdat het idee bestond was dat vrouwen lichamelijke schade zouden ondervinden van intensief en op hoog niveau sporten. Cahn (1993) benoemt in zijn artikel de veel voorkomende vrees dat de vruchtbaarheid van vrouwen zou afnemen of in gevaar zou komen door teveel en te zwaar sporten. Inmiddels is het aantal mannen en vrouwen dat sport bijna gelijk, mannen zitten gemiddeld net iets boven de vijftig procent en vrouwen liggen rond de vijftig procent in Nederland (op basis van 40 keer per jaar sporten) (NOC*NSF, 2015).

21

3.5 Dominante discours over vrouwen in de sport Toch blijft het dominante discours dat vrouwen minder geschikt zijn voor sport duidelijk aanwezig. Daarnaast blijft een scheiding tussen mannen en vrouwensport zichtbaar en blijft het voor vrouwen lastig om te integreren in mannensporten. Puwar (2004) omschrijft in haar boek ‘Space invaders’ de situatie waarin vrouwen toetreden tot een wereld die tot dan toe mannelijk was. Vrouwen worden door Puwar vergeleken met “dissonant bodies”, wat letterlijk afwijkende lichamen betekent. Vrouwen wijken af van de mannenwereld van de sport, zoals die eerder door Coackley en Pike (2009) werd omschreven, ze behoren volgens Puwar (2004) niet tot de somatische norm. De somatische norm is volgens Puwar (2004) een blanke autochtone heteroseksuele man, vrouwen wijken dus af van de norm. Puwar (2004) zegt verder dat mensen die in een ruimte blijven waarin ze niet tot de somatische norm behoren, extra hun best moeten doen om te laten zien dat ze over kwaliteiten beschikken. Hun kwaliteiten worden in eerste instantie afgemeten aan het feit dat ze niet voldoen aan de somatische norm. Cameron (1998: in Anderson, 2010) stelt dat doordat sport gescheiden is, vrouwen uit de ‘mannenwereld’ van de sport worden gehouden. Ze leren daarom ook niet de taal en de manier van handelen die er geldt.

Deze ongelijkheid blijft zichzelf reproduceren omdat vrouwen niet toetreden tot de mannenwereld. Als gevolg van het discours dat vrouwen minder geschikt werden geacht voor sport dan mannen, ontstonden categorieën. Elling (2010) stelt dat het indelen van sport in categorieën nodig is om competitie eerlijk te laten verlopen. Mannen zijn over het algemeen sterker en sneller dan vrouwen. Elling (2010) stelt dat het niet eerlijk zou zijn om alle categorieën bij elkaar te plaatsen en samen te laten starten. De fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen kunnen niet worden weggehaald (Elling, 2010). Daarom is voor het wielrennen in wedstrijdverband afgesproken dit in afgebakende categorieën van sekse en leeftijd te doen. Het trainen voor wedstrijden gebeurt in verenigingsverband vaak met mannen en vrouwen door elkaar. Hoewel meisjes en vrouwen in de meeste Nederlandse sportverenigingen mogen sporten en ook deel uitmaken van verenigingen, blijkt dat veel structuren en culturen binnen de sport gericht zijn op autochtone blanke mannen (Knoppers en Anthonissen, 2001). Deze blanke autochtone man is in de sport de somatische norm waar Puwar (2004) het in haar boek ook over heeft. Vrouwen mogen dus wel meedoen maar komen

22

niet op dezelfde hoogte omdat ze de eerder genoemde regels en omgangsvormen niet kennen. 3.6 Groei vrouwen in wielrennen Zoals hierboven beschreven is vrouwensport in de afgelopen decennia sterk gegroeid, deze groei is goed zichtbaar in het totaal aantal vrouwen dat sport. Absolute toenames van vrouwen verschillen per tak van sport. In het wielrennen is een grote opkomst van informele georganiseerde groepen te zien, die doorgaans geen lid worden van de KNWU, waardoor het aantal licenties gelijk blijft. Er zijn minder wedstrijden voor vrouwen toegankelijk en daarom is er weinig reden voor vrouwen om lid te worden van de KNWU. Doordat er niet meer licenties worden aangevraagd, groeit de vrouwentak van de sport slechts in mindere mate door. Op het niveau van breedtesport is er wel sprake van een (sterke) groei van het aantal vrouwen dat wielrent. Het aantal vrouwen dat wedstrijden rijdt blijft hier op achter. 3.7 Het begin van vrouwen en wedstrijd-wielrennen In het begin van de jaren ’50 was het voor vrouwelijke wielrenners lastig om hun sport te kunnen beoefenen en daarnaast maatschappelijk serieus te worden genomen. Ellen Janssens (2012) heeft een aantal Belgische atletes uit de sporten voetbal, atletiek en wielrennen geïnterviewd over hun ervaringen als vrouw binnen de sport.

In de jaren ‘50 vonden mannen het vooral grappig om vrouwen te zien voetballen en daarom richten de mannen teams voor ze op. “De steun van mannen voor vrouwenvoetbal komt dus voort uit dezelfde logica die de terughoudendheid van atletiekclubs verklaart, namelijk het idee dat deze sporten niet voor vrouwen weggelegd zijn” (Janssens, 2012). Om vrouwen nog meer afstand te laten hebben tot de sport werden voor hun aparte regels opgesteld. De afstanden die ze moesten fietsen werden erg ingekort ten opzichte van hun mannelijke collega’s. Hierover zegt een viervoudig Belgisch kampioene: “Ik heb nog geweten dat de beroepsrenners, zelfs de beroepsrenners tegen ons zeiden: jullie fietsen niet rap. Maar wij konden niet rap fietsen! Want ze lieten ons voor spektakel rond de kerktoren rijden. Maar dan kan je geen snelheid ontwikkelen hé.” (Van Nuffel (2010), in Janssens, 2012).

23

Zoals uit het bovenstaande citaat blijkt voelden de vrouwen zich niet erg serieus genomen. Tot 1959 mochten zij zich ook niet aansluiten bij de Belgische Wielrijdersbond. Ook bij lokale wielerverenigingen mochten de weinige vrouwen die aan wielrennen deden zich toentertijd niet aansluiten. “In Hombeek was een grote wielerclub, en die lachten me altijd uit dat [vrouwenwielrennen] nooit ging bestaan, nooit ging bestaan!” (Van Nuffel (2010), in Janssens, 2012). 3.8 Top wielrennen Zoals in de inleiding besproken hebben grote wielerrondes zoals de Tour de France of de Vuelta a España slechts een kleine vrouwenvariant. Onder andere Marianne Vos heeft zich sterk gemaakt voor de terugkeer van een Tour-variant voor vrouwen. Zij is van mening dat het vrouwenwielrennen een impuls nodig heeft. De Tour de France zou hier een mooie ‘springplank’ voor zijn, aldus Vos (Nu.nl, 2013). Na uitvoerig overleg met Tourbaas Christian Prudhomme is sinds 2014 aan de laatste etappe van de mannen een wedstrijd voor vrouwen toegevoegd: La Course. Marianne Vos reageerde destijds euforisch: ''Een revolutionaire ontwikkeling in onze sport. Ik twijfel er niet aan dat La Course by Le Tour het begin is van een nieuw tijdperk voor het vrouwenwielrennen en zal bijdragen aan de groei van het wielrennen'' (Nu.nl, 2014).

In 2015 volgde ook de Vuelta a España met een eendaagse koers voor vrouwen als afsluiting van de Vuelta a España voor de mannen (Wielerflits 2, 2015). De enige grote ronde voor mannen die er ook in meerdaagse vorm voor vrouwen is, is de Giro d’Italia, voor vrouwen: de Giro Rosa. De Giro Rosa werd in 2011, 2012 en 2014 gewonnen door Marianne Vos en in 2015 was Anna van der Breggen de sterkste (Wielerflits, 2015). Er kan geconcludeerd worden dat Nederland een aantal vrouwelijke toprenners heeft. Desalniettemin wordt er in zowel top- als breedtesport weinig in vrouwen geïnvesteerd. Dit onderzoek zal ingaan op het probleem dat vrouwen en mannen binnen de sport niet dezelfde aandacht en middelen krijgen. Sport is op deze manier niet in gelijke mate toegankelijk voor iedereen. Vrouwen die nu wel in groepjes trainen via bijvoorbeeld het platform vrouwenwielrennen.nl, kunnen minder gemakkelijk doorstromen naar de wedstrijdsport omdat er (te) weinig wedstrijden in 24

hun categorie worden georganiseerd. Op deze manier hebben getalenteerde vrouwen minder mogelijkheden zich in hun sport te ontwikkelen. 3.9 Percepties vrouwenwielrennen Een van de auteurs die heeft geschreven over constructie van gender en percepties in de fietswereld is Erin Leah Winter (2005). Winter (2005) heeft onderzoek gedaan naar de constructie van gender in het mountainbiken, een andere tak binnen het sportieve fietsen dan waar dit onderzoek over gaat. Omdat er weinig over wielrennen en de verhoudingen tussen mannen en vrouwen is geschreven, is ervoor gekozen om haar artikel wel te gebruiken. Winter (2005) zegt dat voor het mountainbiken geldt dat er weinig vrouwen meedoen omdat men gelooft dat vrouwen niet van fysieke uitdagingen houden, mountainbiken over onverharde wegen gaat en vrouwen bang zijn vies te worden of te zweten. Tot slot wordt gedacht dat vrouwen niet competitief ingesteld zijn en niet hard genoeg voor de sport zijn. Er zijn dus veel vooroordelen over vrouwen die zowel mannen als vrouwen voortbrengen (Winter, 2005). Op deze manier blijft het mountainbiken een mannenwereld waarin vrouwen in de minderheid zijn. In haar artikel haalt Winter (2005) een onderzoek van Zerubavel (1991) aan. Hij zegt dat de wereld van origine bestaat zonder categorieën en grenzen maar dat mensen zelf die grenzen maken.

Ieder mens kijkt door een eigen unieke lens naar de werkelijkheid en maakt hierdoor zijn ideeën. Deze beïnvloeden sociale praktijken, maar de sociale praktijken beïnvloeden ook weer de grenzen en onderscheidingen, het is dus een soort wisselwerking. Door sociale interactie worden grenzen en onderscheidingen uitgewisseld en als veel mensen dezelfde grenzen en onderscheidingen hebben, worden ze dominant en voor waar aangenomen. Dit perspectief gebruikt Winter (2005) om het idee dat vrouwen minder geschikt zijn om te sporten en daarom beter niet mee kunnen doen, uit te leggen. De grens tussen mannen en vrouwen binnen de sport is zo vaak gereproduceerd dat hij dominant en normaal is geworden en daardoor door zowel mannen als vrouwen wordt onderstreept. De artikelen van Janssens (2012) en Winter (2005) laten zien hoe het komt dat vrouwen van oudsher minder geaccepteerd zijn op de fiets. 3.10 Samenvattend

Vanaf de jaren ’30 is fietsen voor vrouwen meer toegankelijk geworden. Met name de afgelopen decennia is er veel vooruitgang geboekt in de mogelijkheden voor vrouwen om de sport te beoefenen. Er blijft echter binnen de sport en ook in het wielrennen een 25

verschil tussen mannen en vrouwen merkbaar wat betreft aandacht, waardering en niveau. Doordat vrouwen lang zijn uitgesloten van sporten, ook in het wielrennen, loopt de ontwikkeling van de sport ook achter op die van mannen. De tijd zal leren welke (bestuurlijke en organisatorische) keuzes worden gemaakt. onderzoeksvraag:

Welke

ontwikkelingen

heeft

het

Aan de hand van de

vrouwenwielrennen

(als

georganiseerde sport) sinds 1965 doorgemaakt? wordt in dit onderzoek gekeken naar de verschillende aspecten in de ontwikkeling en de actoren die een rol hebben gespeeld.

26

4. Methodologie In dit methode hoofdstuk wordt stilgestaan bij de keuze voor kwalitatief onderzoek, de interviews die zijn afgenomen en de keuze voor de respondenten die is gemaakt. Vervolgens wordt ingegaan op hoe de interviews zijn verwerkt. Naast interviews hebben er ook drie participerende observaties plaatsgevonden. Op beide manieren van data verzamelen wordt nader ingegaan. Vervolgens komt de manier van data analyseren aan bod en het hoofdstuk wordt afgesloten met een beschrijving van de rol van de onderzoeker. 4.1 Kwalitatief onderzoek In dit onderzoek zal op zoek worden gegaan naar de betekenisgeving van betrokkenen bij (de organisatie van) het vrouwenwielrennen. Elk individu geeft een andere betekenis aan vrouwenwielrennen en om achter deze betekenisgeving te komen was het verhaal van elke betrokkene belangrijk voor het onderzoek. Uiteindelijk zijn de verschillende manieren van betekenisgeving naast elkaar gezet en zijn daaruit conclusies getrokken over de betekenissen die betrokkenen van het vrouwenwielrennen geven aan ontwikkeling ervan. Zoals in het theoretisch kader (hoofdstuk twee) beschreven, wordt onderzoek gedaan vanuit een interpretatieve benadering, waarin betekenisgeving centraal staat. Kwalitatief onderzoek is een passende methode om op zoek te gaan naar betekenisgeving van betrokkenen aan een bepaald begrip.

Boeije stelt hierover: “Kwalitatief onderzoek is omschreven als een studie waarin de vraagstelling zich richt op onderwerpen die te maken hebben met (1) de wijze waarop mensen betekenis geven aan hun sociale omgeving en hoe ze zich op basis daarvan gedragen. Er worden (2) onderzoeksmethoden gebruikt die het mogelijk maken om het onderwerp vanuit het perspectief van de onderzochte mensen te leren kennen met (3) het doel om het onderwerp te beschrijven en waar mogelijk te verklaren” (Boeije, 2012, p. 27). In dit onderzoek is gekozen voor een combinatie van interviews en participerende observaties. Dit zijn onderzoeksmethoden waarmee de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen vanuit het perspectief van de deelnemers het best kan worden bekeken. Daarnaast is het onderzoek erop gericht om de betekenisgeving die betrokkenen geven aan de ontwikkeling weer te geven en te verklaren. Kwalitatief onderzoek is dus de meest passende onderzoeksmethode bij dit onderzoek. 27

4.2 Interviews In dit onderzoek zijn achttien interviews gehouden met verschillende respondenten. Er wordt kort ingegaan op de structuur en de keuze van respondenten. De onderzoeker heeft gekozen voor interviews in plaats van enquêtes omdat er bij interviews dieper kan worden ingegaan op thema’s doordat de interviewer kan reageren op de antwoorden en vervolgvragen te stellen. Anders dan bij enquêtes gaat het dus om de antwoorden van enkele respondenten en niet om generaliseerbare antwoorden. Er is gekozen om voorafgaand aan de interviews een aantal vragen en onderwerpen vast te stellen, een zogenaamde topiclijst, maar het verloop van de interviews bleef verder open. De interviews zijn daarom ‘semi-gestructureerd’ te noemen, omdat ze de mogelijkheid boden om gedurende het interview dieper op de thema’s in te gaan. Boeije noemt dit open interviews, of kwalitatieve interviews (Boeije, 2012, p. 58). In alle interviews zijn de thema’s aan bod gekomen maar het was aan de respondent om dieper in te gaan op bepaalde thema’s die hem/haar interesseerden. 4.3 Participerende observatie In dit onderzoek zijn vier participerende observaties gedaan. Deze hebben in oktober, januari, mei en augustus 2015/2016 plaatsgevonden. De observaties zijn gebruikt om een indruk te krijgen van de thema’s die spelen binnen het vrouwenwielrennen en de verhoudingen tussen de KNWU en de betrokken vrouwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14056078/1