RIS318646 Eerbetoon aan Mien van Bree bijlage 3
Tekst van het document
sport dus ook maar beperkt. Marijn de Vries benoemt dat rensters niet kunnen worden betaald omdat er geen geld is. Doordat de rensters niet worden betaald, moeten ze ernaast werken of leven van het geld van naasten. Als rensters niet betaald krijgen kunnen ze niet leven van de sport en daardoor ontwikkelde de sport zich ook minder snel. Loes Gunnewijk (professioneel renster van 2002-2014): “Professionaliseren staat of valt vaak wel met geld en als je grote budgetten hebt, dan kan je natuurlijk ook professionals aannemen.” Renske Doedee benoemt dat er in het vrouwenwielrennen enkele mannelijke ploegleiders actief zijn die de sport niet serieus nemen en het vrouwenwielrennen gebruiken als opstapje naar een (mannen) UCI ploeg. Het is interessant dat Wim Kruis, zelf ploegleider bij Jan van Arckel, dit beaamt. Hij vroeg zich af of ploegleiders het wel voor de rensters doen of ze het uitstapje gewoon leuk vinden. Het motief om de sport verder te helpen hebben sommige ploegleiders volgens zowel Renske als Wim dus niet altijd. In hoofdstuk 6 zal nog dieper worden ingegaan op de rol van ploegleiders in het vrouwenwielrennen. Renske Doedee (trainster vrouwenwielrennen.nl Den Bosch): “Je kunt je dus heel erg afvragen of die ploegleiders ook echt zo gemotiveerd zijn. En dat houdt natuurlijk de professionalisering heel erg tegen.
Een ploegleider moet zijn team ook uitdragen naar de sponsoren, als hij over zijn damesteam praat als: wat stelt het nou voor, dat werkt niet mee.” Belemmeringen top- en breedtesport: oude heren-cultuur en weinig aandacht vanuit de KNWU Marijn de Vries benoemde de cultuur van het wielrennen, waarin het belangrijk is dat een renster jong moet zijn begonnen. De vrouwen die op latere leeftijd beginnen met wielrennen en goed zijn, krijgen minder kansen om van de breedtesport in de topsport terecht te komen. Marijn begon op haar dertigste met wielrennen en kon vrijwel meteen mee met de beste van Nederland. Marijn zei dat er tegen haar werd gezegd dat ze niet mocht starten omdat zij geen goed voorbeeld voor de wielersport was. Loes beschrijft het wielrennen aan de hand van de ‘grijze oude heren cultuur’. Er zijn veel oude grijze mannen die de touwtjes in handen hebben en conservatief vasthouden aan hoe zaken in 55
het verleden geregeld zijn. Dit sluit aan bij de ervaringen van Marijn de Vries. Er is een bepaald beeld over de wielersport: we doen de dingen al jaren zo, dus dat blijven we zo doen. Deze conservatieve houdingen van de wielersport tegen nieuwkomers heeft de sport wat betreft verder ontwikkelen flink in de weg gezeten. Keetie Hage benoemde een andere belangrijke belemmering: weinig aandacht vanuit de KNWU. In haar tijd kon er geen organisatorische context worden opgebouwd omdat de KNWU de nieuwe doelgroep geen aandacht gaf. Ook Nelly Voogt benoemt het feit dat voor de KNWU het vrouwenwielrennen lange tijd geen prioriteit had, dit had zijn weerslag op het verder ontwikkelen van de sport. Nelly heeft voor de KNWU gewerkt en eind jaren ’90 en begin jaren 2000 was er beperkt aandacht voor het vrouwenwielrennen, aldus Nelly. Nelly zette haar trainingsgroepen in haar vrije tijd voort. Dit geeft aan dat er informeel dingen werden opgezet maar dat de KNWU in eerste instantie zelf een beperkte rol in de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen pakte. 5.4.2 Stimulansen
Stimulansen breedtesport: groei initiatieven Een belangrijke stimulans voor de breedtesport is het feit dat er zoveel meer vrouwen op de fiets stapten. Door de grotere massa vrouwen op de fiets, groeide bijvoorbeeld vrouwenwielrennen.nl
en
groeiden
wielerverenigingen.
Hiermee
groeide
het
vrouwenwielrennen in zijn geheel. Vrouwenwielrennen.nl groeide doordat er steeds meer trainingsgroepen door het hele land werden opgezet. Het aantal vrouwen met een wedstrijdlicentie ging van 345 in 2003 naar 604 in 2010 (KNWU, 2014). Stimulansen topsport: concurrentie, inzet UCI Met name in de tijd van Leontien van Moorsel, kwamen er steeds meer (grote) sponsoren en ontstonden steeds meer professionele ploegen. Doordat er meer commerciële ploegen kwamen, nam de concurrentie toe en kregen meer vrouwen de kans om op het hoogste niveau te rijden. Een
andere
belangrijke
stimulans
voor
de
ontwikkeling
van
het
vrouwenwielrennen is benoemd door Marit Huisman. Marit zei dat steeds meer organisaties zoals de UCI zich gaan inzetten voor het vrouwenwielrennen. Dit is terug te zien voor een World Tour die er sinds kort ook voor vrouwen is. De World Tour is een verzameling van de grootste wedstrijden in het vrouwenwielrennen, over al deze wedstrijden wordt een totaalklassement gemaakt. Marianne Vos en Marit Huisman zijn 56
nog een beetje kritisch op de uitvoering van deze World Tour, maar zijn wel blij dat hij er is. Stimulansen top- en breedtesport Zoals ook bij de ontwikkelingen benoemd, spelen boegbeelden als Marianne Vos een belangrijke rol voor zowel de ontwikkeling van top- als breedtesport. Aan de kant van de breedtesport kan Marianne Vos mensen inspireren om te beginnen met wielrennen. Voor het topwielrennen kan Marianne Vos meer aandacht genereren. Tegenwoordig is de top van het Nederlandse vrouwenwielrennen breder, met rensters als Ellen van Dijk, Annemiek van Vleuten en Anna van der Breggen. Hierdoor zijn de wedstrijden spannender geworden (ook voor het grote publiek). Eerder werd Marianne Vos als eenling gezien en daardoor werd de sport ook minder serieus genomen. De aanwezigheid van een boegbeeld zoals Marianne Vos kan beide kanten op werken. Enerzijds kan het aandacht genereren, anderzijds kan het zorgen voor gebrek aan spanning in de sport. 5.5 Nodige veranderingen en toekomst Deze paragraaf gaat over de veranderingen die nodig zijn voor het verder ontwikkelen van het vrouwenwielrennen en de toekomstvisie van de betrokkenen. Breedtesport: nieuwe initiatieven, KNWU vindbaar en vrouwentakken. Het is belangrijk dat er nieuwe concepten worden ontwikkeld, aldus Ragna Schapendonk en Nelly Voogt.
Ze bedoelden dan bijvoorbeeld sprintwedstrijden en kopover-kop races, zoals Red Bull deze kortgeleden heeft geïntroduceerd. Bij de kop-overkop races rijd je in teamverband en kun je de verschillende kwaliteiten van je teamgenoten tactisch inzetten om de race te winnen. Met dit soort nieuwe concepten kan de wielersport blijven vernieuwen en nieuwe doelgroepen aanspreken. Ragna spreekt uit dat ze hoopt dat de KNWU hier zelf ook een rol in pakt. Marijn de Vries hoopt dat iedereen die iets met fietsen wil, de KNWU kan vinden en dat de KNWU beter zichtbaar wordt in het vrouwenwielrennen. In de vergaderingen die de KNWU heeft gehad met een aantal vrouwen uit het vrouwenwielrennen is gesproken over een site waar alle initiatieven rondom het vrouwenwielrennen te vinden moeten zijn. Dit is dus een duidelijke stap naar het beter vindbaar maken van informatie voor vrouwen die beginnen met fietsen. Aan dit toekomstbeeld wordt gewerkt. Loes Gunnewijk hoopt dat de komende jaren steeds meer verenigingen met een 57
vrouwenafdeling komen. Nu is het nog vaak zo dat er een paar meisjes of vrouwen per vereniging fietsen en op deze manier kunnen de vrouwen zich minder goed ontwikkelen en daarnaast is de kans op uitval veel groter. Topsport: aandacht door televisie Jeanine Laudy zegt dat het altijd een discussie blijft wat er eerder was: de weinige aandacht van media of de weinige belangstelling van het publiek. Werd er eerder niets uitgezonden en kennen mensen de sport daarom niet of vonden mensen het niet interessant en wordt het daarom niet uitgezonden. Het is wel opvallend dat er in de tijd van Monique Knol (1985-1996) meer aandacht voor vrouwenwielrennen was en er toen nog een Tour de France voor vrouwen was: de Tour Feminien. Nu is er al de eerder besproken La Course voor vrouwen. Een verklaring die enkele respondenten geven voor de afname in aandacht is dat er na Leontien van Moorsel een tijd kwam met weinig concurrentie en spanning in de wedstrijden. Inmiddels is de top breder, de wedstrijden spannender, dus wellicht komt er nu vanzelf media-aandacht. Hierbij spelen de goede prestaties van de Nederlandse vrouwen op de Olympische Spelen van Rio, op het Europees
Kampioenschap
van
september
2016
in
Plumelec
en
op
het
Wereldkampioenschap van oktober 2016 in Qatar ook een positieve rol. Zowel topsport als breedtesport : begeleiding, rensters verdeeld, grotere koersen Monique de Bruin en Renske Doedee noemen het punt dat de begeleiding van vrouwen in het wielrennen moet verbeteren. Renske vertelt dat zij vroeger als jonge elitedame te weinig is begeleid in het nemen van rust, trainingen en het opstellen van een degelijk wedstrijdschema. Monique de Bruin noemt Marianne Vos als voorbeeld. Monique de Bruin (professioneel renster van 1984-1993): “Hoe kan het bijvoorbeeld dat Marianne Vos zo ineens eruit gaat. Dat ze gewoon overtraind is, dat kan toch eigenlijk niet, dat mag toch niet? Ik denk dat daar een stukje begeleiding goed bij zou helpen.” In de toekomst hoopt Wim Kruis dat de talentvolle rensters wat meer over de verschillende teams worden verdeeld. Nu zit een groot deel van de goede rensters bij het Boels Dolmans cycling team en daardoor is de koers makkelijker te controleren. Hij zou liever zien dat er verschillende teams zijn met toprensters zodat er concurrentie blijft bestaan. 58
Wim Kruis (ploegleider Jan van Arckel): “Boels heeft heel veel goede rensters, dus zij domineren de koers. Dat betekent dat als er een [renster] van Boels weg is, dan kan de rest zakjes plakken. Maar als je het een beetje kan verspreiden, krijg je veel mooiere wedstrijden.” Meerdere respondenten hopen in de toekomst op grotere wedstrijden voor vrouwen, zoals bijvoorbeeld een Tour de France. Het is opvallend dat Marianne Vos, die zich heeft ingezet voor een Tour de France voor vrouwen, zegt dat ze denkt dat de vrouwen die Tour niet perse nodig hebben. Marianne Vos (professioneel renster van 2006-heden): “Ik denk ook niet perse dat wij een Tour de France moeten rijden om interessant te zijn.” 5.6 Kenmerken vrouwenwielrennen Een aantal zaken welke in de interviews aan de orde zijn geweest worden hier nog eens apart uitgelicht. Achtereenvolgend gaat het over de mannencultuur, ploegleiders, het verschil tussen mannen- en vrouwenwielrennen en vrouwenwielrennen in een vergelijkend perspectief. 5.6.1 Mannencultuur
Het wielrennen is van oudsher een sport die gedomineerd wordt door mannen. Al in een vroeg stadium konden mannen sportief fietsen. Voor vrouwen was dit lange tijd niet weggelegd, hierdoor hebben vrouwen een achterstand. Door de langere traditie van het mannenwielrennen is het verder ontwikkeld. Loes Gunnewijk, Marijn de Vries en Marianne Vos trekken hierbij de parallel met andere landen waar de wielertraditie minder lang is. In landen als Engeland, Amerika en Australië is het wielrennen jonger en hebben vrouwen minder een achterstand op mannen. Een mooi voorbeeld is een wedstrijd in Yorkshire (Amerika) waar in 2016 voor het eerst ter wereld het prijzengeld voor de vrouwen hoger was dan voor de mannen. Keetie Hage noemde nog een voorbeeld van deze mannencultuur. Er was een Gerrit Schulte-trofee, die elk jaar werd uitgereikt aan de beste professionele wielrenner van dat jaar: een soort wielrenner van het jaar.
In 1976 was Keetie twee keer
Wereldkampioen geworden en daar moest de Club ’48, die elk jaar de prijs uitreikte, wat mee. De mannen hadden weinig gepresteerd en daarom zei de voorzitter tegen Keetie: “Je krijgt de Gerrit Schulte-trofee.” Gerrit wilde echter niet dat een prijs die naar hem was vernoemd was, werd uitgereikt aan een vrouw. Uiteindelijk kreeg Keetie toen haar 59
eigen, Keetie Hage-trofee, die nog jaarlijks wordt uitgereikt aan de beste wielrenster van het jaar. Uit dit voorbeeld blijkt wel dat de mannelijke wielerwereld nog niet klaar was voor vrouwen. Niet alleen het mannenwielrennen wordt door mannen gedomineerd, ook het besturen, trainen en organiseren van de sport wordt vrijwel alleen door mannen gedaan. Jeanine Laudy en Monique Knol hebben het over ‘haantjes’ en alleen maar mannen in bestuursfuncties. Het feit dat mannen vrijwel alle belangrijke functies bezetten, zorgt dat de dominantie van mannen in bestuur posities in stand wordt gehouden. De mannen die in de bestuursfuncties zitten zorgt ervoor dat ze zeggenschap houden over hoe het wielrennen georganiseerd is. In de praktijk betekent dat het mannenwielrennen goed georganiseerd is en er minder aandacht voor het vrouwenwielrennen is. Zeker in het verleden was dit het geval. Dit is belemmerend voor de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen. Het feit dat het wielrennen gedomineerd wordt door mannen, sluit overigens niet uit dat mannen ook een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen, Michael Zijlaard, Jamie van Rijswijk en Wim Kruis zijn daar voorbeelden van. Hoewel zij uitzonderingen zijn, is het van belang dat er ook enkele mannen zijn die zich voor het vrouwenwielrennen hebben ingezet en zich willen blijven inzetten.
Marianne Vos zei dat het respect dat mannen voor vrouwenwielrennen hebben steeds meer groeit. Mannen en vrouwen trainen steeds vaker samen en het inzicht in elkaars leven en elkaars sport zorgt ervoor dat er meer respect vanuit profrenners komt richting hun vrouwelijke collega’s. Marijn de Vries is sinds een klein jaar lid van het hoofdbestuur van de KNWU en is hiermee toegetreden tot de eerder benoemde cultuur van ‘haantjes en conservatisme’. Marijn de Vries (professioneel renster van 2010-2015): “Ik zou heel graag dingen willen veranderen maar de mannen die aan de leiding staan die… Tja, het is trekken aan een dood paard.” Op de vraag waarom ze toch de keuze heeft gemaakt om zitting te nemen in het hoofdbestuur van de KNWU zegt ze het volgende: Marijn de Vries (professioneel renster van 2010-2015): “Omdat ik dan toch schoppen van buitenaf iets te makkelijk vind. Dan denk ik: nou dan moet je 60
ook gewoon zelf denken: ik ga toch proberen iets te veranderen. [….] Ik vind het heel interessant om daar over mee te denken en wat ik net zei: ik kan van buitenaf kritiek blijven leveren maar als je dan een vent bent, dan moet je toch eigenlijk gewoon zeggen: ik probeer er over mee te denken.” 5.6.2 Ploegleiders in de breedte- en topsport
Voor het onderzoek zijn drie mannelijke ploegleiders en een vrouwelijke ploegleider geïnterviewd. Wim Kruis is ploegleider van het vrouwenteam van Jan van Arckel, Jamie van Rijswijk is ploegleider van het vrouwenteam van De Jonge Renner. Dit zijn beide clubteams en een belangrijk kenmerk van deze teams is dat ploegleiders en rensters niet worden betaald. De verzorgers van deze teams zijn vrijwilligers en met name Jamie benoemt dat hij hier wekelijks van afhankelijk is. De derde ploegleider die geïnterviewd is, is Michael Zijlaard. Hij was ploegleider bij de commerciële wielerteams van Leontien van Moorsel. Tot slot is Loes Gunnewijk geïnterviewd over haar rol als ploegleider bij Orica Green Edge, een Australische commerciële ploeg. Loes is als ploegleider pas enkele wedstrijden actief dus zij heeft niet zoveel ervaringen. Het is lastig om een eenduidig antwoord te krijgen op de vraag wat de taak is van een ploegleider. Het is heel erg afhankelijk van de teamstructuur en situatie, bij een clubteam is een ploegleider veel meer zelf bezig met het regelen van randzaken terwijl dat bij een commercieel team allemaal al geregeld is.
Jamie van Rijswijk (ploegleider De Jonge Renner): “Als je ploegleider ben je reisleider, je bent manager, je bent coach, je bent vader, je bent moeder, je bent dokter, je bent alles in één.” Een ding dat meteen opviel bij het begin van het onderzoek is dat er zoveel mannelijke ploegleiders zijn in het vrouwenwielrennen. Aan de drie mannelijke ploegleiders is gevraagd waarom ze voor het vrouwenwielrennen hebben gekozen. Wim en Jamie gaven aan dat ze daar bewust voor hadden gekozen en dat ze ook niet anders zouden willen. Michael zei dat hij met name door Leontien van Moorsel in het vrouwenwielrennen terecht was gekomen maar dat hij wellicht zelf mannen ook wel leuk zou vinden. Hij is inmiddels ploegleider bij de Roompot Oranje Peloton ploeg (een ploeg voor enkel mannen). Michael gaf aan dat het voor mannen tegenwoordig helemaal niet meer echt een stap terug betekent als ze bij de vrouwen een ploeg gaan leiden, vroeger was dit anders. 61
Michael Zijlaard (Ploegleider teams van Leontien van Moorsel): “Het vrouwenwielrennen heeft wel echt een duidelijke stap gemaakt. Dus degenen die nu kiezen om ploegleider te worden, die stappen nu wel in een hele andere wereld dan twintig jaar geleden. Er zijn best wel wat jongens die een mooie carrière hebben gehad en die toch de stap naar de dames maken. Maar dat was twintig jaar geleden was dat niet denkbaar, en nu is dat wel, omdat die sport zich ook ontwikkelt.” Jamie van Rijswijk zegt dat hij denkt dat er de komende jaren meer vrouwelijke ploegleiders komen in het vrouwenwielrennen omdat het beeld dat een ploegleider een man moet zijn, steeds meer wegvaagt. Michael Zijlaard geeft als verklaring voor dat er zo weinig vrouwelijke ploegleiders zijn, dat de top van het vrouwenwielrennen steeds heel klein was en dat er dan niet veel potentiële ploegleiders zijn. Nu die top groter is met bijvoorbeeld Marianne Vos, Annemiek van Vleuten, Anna van der Breggen en Chantal Blaak, is de kans groter dat een van die vrouwen na hun carrière doorgaat als ploegleider, aldus Michael. Een aantal oud-rensters gaf aan dat ze zelf na hun carrière behoefte hadden aan rust en niet meer zoveel wilden reizen. De meeste vrouwen wilden werken aan hun maatschappelijke carrière.
Monique de Bruin zei dat ze denkt dat er niet meer vrouwelijke ploegleiders komen omdat vrouwen kinderen krijgen en meer thuis nodig zijn. Renske Doedee zegt dat ze denkt dat deze traditionele rolverdeling wel een beetje gaat veranderen. Ze denkt dat de huidige generatie vrouwen vrijer is en er meer ruimte is om als vrouw ook je hobby’s uit te voeren. Renske Doedee (trainster vrouwenwielrennen.nl Den Bosch: “Als je kijkt naar de rolverdeling in het algemeen nog in Nederland, in die leeftijdsklasse [generatie van huidige ploegleiders], is vaak toch nog dat de man de hobby’s heeft en gaat sporten en dat de vrouw voor de kids zorgt. Die generatie is nu ook steeds meer aan het veranderen want mijn ouders zijn nog zo maar wij zijn niet meer zo.” Er zijn dus veel verschillende meningen over of er in de komende jaren meer vrouwen zullen toetreden tot de mannelijke ploegleiderswereld. De toekomst zal uitwijzen of meer vrouwen het voorbeeld van Loes Gunnewijk volgen. Loes is derde ploegleider, ze heeft twee andere mannelijke ploegleiders naast zich, onderling verdelen ze een aantal wedstrijden. Loes heeft geen fulltime functie aan het ploegleiderschap, wellicht is dit 62
voor andere vrouwen ook een oplossing. Parttime ploegleiderschap kost minder tijd en is te combineren is met een maatschappelijke carrière en kinderen. 5.6.3 Afhankelijkheid in de topsport
Marijn de Vries heeft in haar carrière veel last gehad van conservatieve mannelijke ploegleiders. De ploegleiders die Marijn trof gaven haar weinig kans om de wedstrijden te rijden die ze graag wilde rijden en namen haar bewust niet op in de wedstrijdselectie. Een belangrijk punt dat Marijn hierbij maakte is dat er in het vrouwenwielrennen ten opzichte van het mannenwielrennen veel meer een afhankelijkheidsrelatie tussen ploegleider en pupil is. Doordat de vrouwen in de topsport niet of nauwelijks betaald worden, zijn ze afhankelijk van de goodwill van een ploegleider om grote wedstrijden te kunnen rijden. De ploegleider heeft een machtsinstrument in handen om een renster niet op te stellen. In het mannenwielrennen kan dat ook maar een renner kan wel terugvallen op een minimuminkomen. Doordat vrouwen geen geld krijgen, zijn ze makkelijker onder druk te zetten. Marijn zegt dat ze met name vreest voor de knechten in wielerteams omdat zij inwisselbaar zijn. Terwijl als een grote renster onder druk wordt gezet, zal ze eerder zeggen dat ze vertrekt naar een andere ploeg. Deze afhankelijkheidsrelatie is niet wenselijk en maakt het belangrijk dat ploegleiders het beste met hun rensters voor hebben en geen misbruik van ze maken. Vrouwelijke ploegleiders komen zelf vaak ook uit het wielrennen en kunnen zich meer verplaatsen in de vrouwen.
De afhankelijkheidsrelatie blijft bestaan zolang er weinig financiële middelen zijn om rensters te betalen. 5.6.4 Verschillen vrouwen en mannen wielrennen: doping, krachtsverschil, financiën en wedstrijdaanbod
Zoals eerder geschreven is het vrouwenwielrennen anders dan het mannenwielrennen, maar wat zeggen de respondenten daar zelf over? Wat zijn volgens hen de belangrijkste verschillen tussen het mannen- en het vrouwenwielrennen? Allereerst komen de meeste respondenten met het, al vaker aangehaalde, verschil in media-aandacht voor vrouwenwedstrijden in de topsport ten opzichte van mannenwedstrijden. Een ander punt dat al in het hoofdstuk over de verklaringen voor de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen naar voren kwam is doping in de topsport. Een aantal vrouwen benoemt dit als verschil met het mannen wielrennen. Een derde punt betreft de financiële middelen voor het vrouwenwielrennen. Op 63
het topsportniveau zijn er weinig vrouwen die van hun sport kunnen leven. In verhouding zijn er meer mannen die wel betaald krijgen. In het verlengde hiervan liggen de faciliteiten. Doordat er in het vrouwenwielrennen minder geld beschikbaar is, is er ook minder financiële ruimte om goede trainingsfaciliteiten aan te bieden. Dit beloningsverschil tussen mannen- en vrouwenwielrennen werkt dus in salarissen maar ook in faciliteiten en trainingsmogelijkheden door. Een vierde belangrijk verschil dat zowel in de top- als in de breedtesport een rol speelt is de manier van koersen. Zowel ploegleiders als rensters zelf benoemden dat vrouwen over het algemeen behoudender, voorzichtiger en meer ‘met hun hoofd’ koersen. Dit resulteert volgens de betrokkenen niet perse in minder aantrekkelijke wedstrijden maar wel in minder demarrages omdat vrouwen minder explosief rijden. De onderlinge verschillen tussen rensters zijn vaak minder. Omdat er vanuit de verschillende teams met minder rensters wordt gestart en daarom de koers lastiger te controleren is, is het bijna nooit een saaie wedstrijd. Marit Huisman noemt het feit dat mannen en vrouwen sowieso heel verschillend zijn als belangrijk verschil in het wielrennen. De sport blijft hetzelfde alleen er zijn twee verschillende geslachten die de sport beoefenen.
Marit Huisman (mede oprichtster Strongher): “Het totale verschil dat ligt niet in de sport maar aan het verschil tussen mannen en vrouwen. Vrouwen die hoeven zich niet altijd te bewijzen en die zijn wat onzekerder. Mannen zijn wat meer… die moeten zich wat vaker bewijzen, denken meteen dat ze het kunnen, wat meer egootjes, wat meer testosteron.” Tenslotte worden fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen genoemd. Veel vrouwen benoemen dat mannen sterker zijn en dat ze meer aan kunnen. Daarom zijn hun wedstrijden ook langer en intensiever dan de wedstrijden voor de vrouwen. Dit geldt zowel voor de breedtesport als voor de topsport. 5.6.5 Andere sporten
Er zijn meerdere sporten die worden beoefend door zowel mannen als vrouwen maar de vraag is hoe zij ervoor staan en in hoeverre er overeenkomsten zijn te zien in de ontwikkeling met het vrouwenwielrennen. Een aantal van de respondenten benoemt dat bijvoorbeeld vrouwentennis, vrouwenschaatsen en vrouwenhockey bijna even interessant gevonden wordt door 64
media en publiek als de mannelijke variant. Er zijn overigens wel beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen, ook in het schaatsen. Het verschil in snelheid zie je volgens Ragna Schapendonk op televisie niet terug. Hoe komt het dan
dat het
vrouwenwielrennen toch minder interessant gevonden wordt? Wielrennen is van oudsher een mannensport die in het begin alleen door mannen werd beoefend, net als voetballen. Wim Kruis zag parallellen tussen de ontwikkeling van het vrouwenvoetbal en het vrouwenwielrennen. Hij zei hierover dat er een paar voetbalclubs zijn die een vrouwentak aan hun clubs toevoegen maar dat er op die manier maar een paar clubs zijn en alle goede speelsters naar die clubs toe gaan. Het is dan lastig om concurrentie te krijgen. Daarnaast noemen andere respondenten dat het vrouwenvoetbal nu ook in de lift zit en misschien wel dezelfde groei doormaakt als het vrouwenwielrennen een paar jaar geleden. Deze groei komt voort uit de breedtesport die sterk groeit, net als bij het wielrennen, aldus Monique de Bruin. Arwen Altenburg (trainster vrouwenwielrennen.nl Rotterdam) en Marit Huisman gaven beide aan zich te storen aan het woord vrouwenwielrennen. Het woord dekt wel de lading dus daarom is de naam van vrouwenwielrennen.nl prima gekozen vond Arwen maar ze zegt dat het wel jammer is dat die toevoeging van ‘vrouw’ nodig is. Bij de verschillen tussen mannen- en vrouwenwielrennen benoemde Marit al dat het verschil in de man en de vrouw zit en niet in de sport dus daarom vind zij de toevoeging jammer. Beide vrouwen hebben geen beter alternatief.
Marit Huisman (medeoprichtster Strongher): Ik vind het gewoon jammer dat het vrouwenwielrennen moet worden genoemd. En wielrennen is dan normaal gewoon voor mannen, dan denk ik: het is gewoon wielrennen en of een vrouw doet het of een man.” Uit het bovenstaande citaat van Marit Huisman blijkt dat sport niet genderneutraal is. Het maakt wel degelijk uit wie de sport beoefent. Wanneer gesproken wordt over wielrennen, roept dit door de meeste mensen blijkbaar een beeld op van mannenwielrennen. Dus moet het woord vrouwenwielrennen gebruikt worden, om te benadrukken dat het een koers voor vrouwen betreft. Die toevoeging is bij het ‘mannen’ wielrennen niet nodig. Dat feit betreurt Marit .
65
6. Analyse In dit hoofdstuk zal de data uit het vorige hoofdstuk worden geanalyseerd aan de hand van
verschillende
facetten
van
institutionalisering.
Allereerst
wordt
de
institutionalisering van het vrouwenwielrennen bekeken vanuit de verschillende fases van
Tolbert
en
Zucker
(1996).
Vervolgens
wordt
gekeken
naar
het
institutionaliseringsproces aan de hand van de omschrijving van Czarniawska (2009) en welke van de drie pilaren, beschreven door Scott (2014) aanwezig zijn in het vrouwenwielrennen.
Ook
wordt
gekeken
in
hoeverre
er
sprake
is
van
deïnstitutionalisering van het mannenwielrennen. Tot slot wordt behandeld hoe de institutionele logica’s een rol spelen in het wielrennen. 6.1 Fases van institutionalisering Zoals uit de resultaten blijkt, heeft het vrouwenwielrennen zich sterk ontwikkeld. De drie fases van het institutionaliseringsproces (Tolbert en Zucker, 1996) zijn besproken in paragraaf 2.5. De drie fases van het institutionaliseringsproces die zij beschrijven zijn: gewenning, objectivering en sedimentatie. Het vrouwenwielrennen heeft de eerste fase doorgemaakt. In deze fase staat het maken van afspraken en beleid centraal. In de tijd van Keetie Hage en Gré Knetemann waren er nog geen speciale regels voor vrouwen als het gaat om wielrennen. Er waren nog te weinig fietsende vrouwen om een organisatorische context voor het vrouwenwielrennen te bouwen. Gaandeweg de carrière van Keetie en Gré kwamen er prijzenschema’s, waardoor prijzen voor wedstrijden werden vastgelegd. Dit is een afspraak die door de KNWU wordt gemaakt met wedstrijdorganisatoren. Ook de ontwikkeling van het eerste commerciële team, Jamin (1991), dat naar het buitenland mocht naast de nationale selectie, is een voorbeeld van deze fase. In het vrouwenwielrennen deed zich het probleem voor dat er ook talentvolle rensters waren die nu niet naar het buitenland mochten. Er werd door de KNWU beleid gemaakt om dit probleem op te lossen.
In het begin was het alleen voor de Jamin ploeg mogelijk om in het buitenland wedstrijden te rijden maar er kwamen steeds meer ploegen die dat mochten en inmiddels mogen alle UCI teams internationale wedstrijden rijden. Het beleid van de KNWU om meer ploegen naar het buitenland te laten gaan, had tot gevolg dat er niet alleen in de nationale ploeg talentvolle rensters zaten. Hierop volgde de opheffing van de nationale selectie. Na de Olympische Spelen van 2000 werd de nationale selectie een gelegenheidsselectie. Door het beleid dat de KNWU in eerste 66
instantie maakte stond de institutionele omgeving onder druk: er kwamen meer ploegen met talentvolle rensters in het buitenland. Door invoering van de gelegenheidsselectie is het probleem opgelost. In deze ontwikkelingen is de eerste fase van institutionalisering zichtbaar. In de tweede fase, de objectiveringsfase, is het belangrijk dat er overeenstemming is over het nieuwe discours en dat de gemaakte regels worden geaccepteerd. Het vrouwenwielrennen was in de tijd van met name Mien van Bree totaal niet geaccepteerd en er was geen overeenstemming over het discours van vrouwen op de fiets. In de tijd van Keetie Hage en Gré Knetemann werden vrouwen op de fiets nog niet serieus genomen. Een belangrijk voorbeeld hiervan is de begeleidster die de KNWU met de vrouwen mee stuurde naar het buitenland. De KNWU zag het belang van internationaal presteren niet in en stuurden iemand mee die geen technisch inzicht had. Voor het professionele vrouwenwielrennen komt steeds meer begrip en de organisatorische context groeit nog steeds. Maar er blijft minder overeenstemming over de waarden van het vrouwenwielrennen dan dat er is over het mannenwielrennen. Er zijn meer mannelijke professionele wielrenners en meer mannen kunnen leven van de sport. Marianne Vos benoemde wel dat er vanuit het mannenwielrennen steeds meer begrip komt voor het vrouwenwielrennen.
Goede prestaties van de vrouwen bij de Olympische Spelen, Wereldkampioenschappen en Europese Kampioenschappen dragen bij aan de bekendheid en acceptatie van het vrouwenwielrennen. De derde fase van het institutionalisering is als de regels en normen totaal zijn geïnstitutionaliseerd. De regels die er voor het vrouwenwielrennen zijn, zijn geaccepteerd maar zijn nog aan verandering onderhevig, dit is terug te zien in de vernieuwing van de wedstrijdcategorieën. Het vrouwenwielrennen blijft in aandacht, aanzien en niveau nog achter bij het mannen wielrennen maar er worden belangrijke stappen gezet om dichterbij te komen. Vrouwenwielrennen is een belangrijke tak binnen de wielersport, dit is terug te zien in de aandacht die de KNWU aan deze doelgroep schenkt. De derde fase van institutionalisering is met andere woorden nog nauwelijks ingetreden, al zijn er signalen van deze fase zichtbaar. Er is dus gewenning (eerste fase) ingetreden omdat mensen zijn gewend aan vrouwen op de fiets en de wedstrijden die er voor de vrouwen zijn. In de objectivering (tweede fase) zijn vanaf de tijd van Gré Knetemann en Keetie Hage al veel stappen gezet. Men is niet alleen gewend aan vrouwen op de fiets maar ze worden ook geaccepteerd. 67
Hoewel er nog wel duidelijk een verschil is tussen de waarde die aan het vrouwenwielrennen wordt gehecht ten opzichte van het mannenwielrennen. Voor de derde fase (sedimentatie) is het eigenlijk nog te vroeg. Er zijn wel signalen als vernieuwing van
de
categorieën
zichtbaar maar de
ontwikkeling van
het
vrouwenwielrennen is nog te recent om al te spreken van voltooiing van de derde fase. 6.2 Ontstaan van een institutie In paragraaf 2.4 wordt de beschrijving van het ontstaan van een institutie van Czarniawska (2009) besproken. Czarniawska (2009) vergelijkt het ontstaan van een institutie met een mierenhoop. Een belangrijke uitspraak die ze doet over een mierenhoop is dat deze wordt opgebouwd door collectief handelen van de mieren. In de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen is de rol van verschillende vrouwen al aan bod geweest. Vrouwen als Nelly Voogt, Renske Doedee en Jeanine Laudy hebben zich samen ingezet voor de vernieuwing van de (breedtesport) wedstrijdcategorieën. Maar ook vrouwen als Monique Knol, Marijn de Vries en Marianne Vos zetten zich in om de (topsport) van het vrouwenwielrennen verder te ontwikkelen. Je kunt deze verschillende vrouwen dus vergelijken met mieren die door collectieve acties zorgen dat het vrouwenwielrennen zich verder ontwikkelt. De ‘mieren’ spelen in op ontwikkelingen in het vrouwenwielrennen en proberen de institutionele omgeving van het wielrennen te beïnvloeden. Nelly, Renske en Jeanine speelden in op de ontwikkeling dat er meer vrouwen begonnen met wielrennen en hebben daarom voorgesteld om meer verschillende wedstrijdcategorieën te maken. De institutie wordt dus van onderaf opgebouwd zoals Czarniawska (2009) beweert.
In 1965 was het eerste Nederlandse Kampioenschap en erkende de KNWU het vrouwenwielrennen als sport. Vervolgens volgde er meer wedstrijden voor vrouwen en eind van de jaren ’70 werden regels afgesproken over de hoogte van het prijzengeld van de vrouwen. Het is verklaarbaar waarom juist toen de institutionalisering van het vrouwenwielrennen begon, er kwamen steeds meer vrouwen die fietsten. Het is dus een logisch gevolg dat er steeds meer regels kwamen en kampioenschappen werden georganiseerd en er langzamerhand een institutionele context voor het vrouwenwielrennen ontstond. In de jaren ’70 ging het met het mannenwielrennen minder goed en wonnen vrouwen als Keetie Hage veel prijzen. Het voorbeeld van de nieuwe trofee, de Keetie Hage-trofee, laat zien dat de afwezigheid van de mannen op bepaalde momenten ervoor heeft gezorgd dat het vrouwenwielrennen zich naast het mannenwielrennen verder ontwikkelde. Doordat de 68
mannen in die jaren niet presteerden, veranderden de normen en werd naar de vrouwen gekeken. Hier kan dus worden geconcludeerd dat dankzij het falen van het mannenwielrennen, het vrouwenwielrennen groeide. Maar met name in het begin van het georganiseerde vrouwenwielrennen (jaren ’70) groeide het vrouwenwielrennen ondanks het mannenwielrennen, er was immers weinig aandacht vanuit de KNWU en vanuit de media. Het vrouwenwielrennen heeft zich dus vooral los van de mannen ontwikkeld maar er zijn ook momenten zoals bij deze trofee waarbij kan worden gesproken van ontwikkeling dankzij de mannen. In het voorbeeld van de Gerrit Schultetrofee ging de ontwikkeling van
het vrouwenwielrennen niet ten kosten van het
mannenwielrennen omdat de Gerrit Schulte-trofee ook gewoon bleef bestaan, maar vrouwen kregen wedstrijden en deze prijs voor zichzelf. Door de toename van het aantal vrouwen op de fiets kwamen er speciale vrouwenfietsen en vrouwenfietskleding op de markt. 6.3 De drie pilaren In paragraaf 2.4 worden de drie pilaren van een institutie van Scott (2014) uitgelegd. De drie pilaren die onderdeel zijn van een instituut volgens Scott zijn: een regulerende, een normatieve en een cultureel-cognitieve pilaar. De regulerende pilaar is ook terug te vinden in het instituut vrouwenwielrennen. Zoals uit de resultaten bleek zijn er regels die ervoor zorgen dat het vrouwenwielrennen kan bestaan. Voorbeelden van regels zijn dat je zonder licentie geen wedstrijden mag rijden. Maar je kan ook denken aan het minimum, opgesteld door de UCI, van €250 per maand dat rensters sowieso moeten verdienen. In het begin van het vrouwenwielrennen was er nog amper een wedstrijdstructuur en faciliteiten voor de dames. Keetie Hage en Gré Knetemann vertelden over de toestemming die je van de KNWU moest krijgen om in het buitenland wedstrijden te mogen rijden. Deze regel bestond dus in het begin van het vrouwenwielrennen en bestaat nog steeds. Nog steeds moeten ploegleiders en rensters die in het buitenland willen rijden, toestemming vragen aan de KNWU.
Morele aanvaardbaarheid is belangrijk in de normatieve pilaar (Scott, 2014). Vanaf de jaren ’70 werd het steeds gangbaarder om als vrouw te wielrennen. In de jaren ’30 mocht zelfs de koningin niet op een fiets zitten maar vanaf de jaren ’70 werd wielrennen voor meer vrouwen mogelijk. Onder de druk vanuit de omgeving bezweek de KNWU in 1965 om het vrouwenwielrennen te erkennen als sport en het eerste NK te organiseren voor vrouwen. Vanaf de erkenning van de KNWU werd het makkelijker om 69
in eigen land wedstrijden te rijden. Rensters waren niet meer zoals Mien van Bree, uit de start van het onderzoek, genoodzaakt om in België wedstrijden te rijden. Al bleven vrouwen op de fiets eind jaren ’60 een uitzondering, er kwamen in de jaren daarna steeds meer vrouwen die fietsten en de sport werd steeds meer geaccepteerd. De laatste pilaar van een instituut volgens Scott (2014) is de cultureel-cognitieve pilaar. Deze pilaar staat het meest onder druk. Binnen deze pilaar is het belangrijk om gemeenschappelijke waarden en definities te hebben. De druk op deze pilaar komt bijvoorbeeld tot uiting in de afhankelijkheidspositie van rensters en hun (mannelijke) ploegleiders. Uit de verschillende interviews blijkt dat binnen het wielrennen ploegleiders niet altijd het beste voor hebben met hun pupillen en vrouwen een grote mate van afhankelijkheid hebben doordat ze niet of nauwelijks betaald worden. Het belang om de sport vooruit te helpen ontbreekt soms bij de ploegleiders en daarom zijn de waardes niet altijd gelijk. Daarnaast is ook de waarde die aan vrouwenwielrennen wordt gehecht door de buitenwereld, niet gelijk aan het mannenwielrennen. Dit komt tot uiting in minder sponsoren, financiën en (media)aandacht.
Deze drie punten werden door verschillende respondenten weer genoemd als factoren die ervoor zorgen dat de professionalisering van het vrouwenwielrennen minder snel gaat. We kunnen dus zeggen dat de druk die op deze pilaar staat, ervoor zorgt dat de het vrouwenwielrennen nog steeds op vele punten ondergewaardeerd wordt, vergeleken met het mannenwielrennen. 6.4 Deïnstitutionalisering Het proces van deïnstitutionalisering van Berger en Luckman (1966) en Oliver (1992) is in paragraaf 2.7 besproken. Het proces van deïnstitutionalisering komt ook bij het wielrennen terug. Enkele geïnterviewden benoemen dat het vrouwenwielrennen is gegroeid en dat dat komt omdat er bij de mannelijke variant dingen fout gingen. Nadat Michael Rasmussen in 2007 betrapt werd bij de Tour de France heeft een golf mannelijke renners toegegeven in de voorgaande jaren doping te hebben gebruikt. Na deze golf werd steeds vaker de spot gedreven met het mannenwielrennen en won het vrouwenwielrennen aan populariteit. Dopingschandalen bij de mannen, hebben ervoor gezorgd dat het vrouwenwielrennen, ten koste van het mannenwielrennen groeide. Niet alleen qua aandacht op televisie maar ook qua sponsorinkomsten. Ploegen als Rabobank lieten hun vrouwenploeg wel bestaan maar trokken zich uit het mannenwielrennen terug. Het vrouwenwielrennen kwam ‘cleaner’ over en de prestaties die door de 70
vrouwen werden geleverd, leken echt, waar er bij de mannen vaak een schaduw van vals spel overheen lag. Oliver (1992) beschrijft dat door het loslaten van institutionele structuren, ruimte ontstaat voor nieuwe discoursen. Door de dopingschandalen in het mannenwielrennen
werd
een
discours
van
‘fairplay’
populairder.
Het
vrouwenwielrennen had een ‘clean’ imago en paste beter bij dit discours. Het is de vraag of het vrouwenwielrennen echt zo ‘clean’ is als wordt gedacht maar voorlopig heeft het nog wel dat imago. Daarnaast heeft het vrouwenwielrennen ook meer aandacht gekregen op momenten dat mannen het minder goed deden. Keetie Hage benoemde dit in haar interview heel duidelijk. In de jaren dat de mannen minder presteerden kregen de vrouwen, als zij wel presteerden, meer aandacht. Er kan dus worden geconcludeerd dat het vrouwenwielrennen, op momenten dat de mannelijke variant het liet af weten, is gegroeid dankzij het mannenwielrennen. Het instituut mannenwielrennen staat nog steeds maar er is wel steeds meer plaats voor het vrouwenwielrennen en hieraan hebben nieuwe discoursen als ‘fairplay’ bijgedragen. 6.5 Institutionele logica’s De institutionele logica van Thornton & Ocasio (2008) is in paragraaf 2.9 Een logica wordt door Thornton & Ocasio (2008) omschreven als handelingen en waarden die ten grondslag liggen aan een institutie. Het wielrennen was lange tijd alleen voor mannen mogelijk. Vanaf het eerste NK in 1965 werd de vrouwelijke tak van het wielrennen erkend. De beschreven ontwikkelingen van de jaren erna hebben ervoor gezorgd dat het vrouwenwielrennen steeds meer onderdeel van het totale wielrenspectrum werd. De nieuwe logica die hieruit voorkomt is een meer inclusieve logica.
Sporten, in dit geval wielrennen, moet voor iedereen zijn. Deze logica is terug te zien in de ontwikkeling van nieuwe categorieën-, meer wedstrijden- en meer wielerkleding voor vrouwen. Deze logica is lastig combineerbaar met de eerder benoemde cultuur van het wielrennen en zet deze ook onder druk. Van de KNWU wordt steeds meer geacht dat ze handelen naar deze inclusieve logica, terwijl bestuurders hier nog niet altijd klaar voor zijn. Geïnterviewden gaven aan dat er veel conservatisme is binnen het wielrennen. Het vrouwenwielrennen wordt lang nog niet altijd serieus genomen en daarnaast is er een duidelijk beeld binnen de wielerbond over jong beginnen met wielrennen. De nieuwe logica die er vanuit gaat dat vrouwenwielrennen een even belangrijk onderdeel is van de
71
sport als het mannenwielrennen, botst voorlopig dus nog met de bestaande logica’s in het (mannen) wielrennen. 6.6 Samenvattend Ondanks dat het
vrouwenwielrennen
institutionaliseringsproces
heeft
doorlopen,
nog zet
niet
alle
fases
van
het
de
ontwikkeling
van
het
vrouwenwielrennen de bestaande logica’s in het (mannen)wielrennen onder druk. De druk op de logica’s in het mannenwielrennen is er dus binnen de institutie vrouwenwielrennen staat de derde pilaar (cultureel-cognitief) nog wel onder druk. Dit komt doordat het vrouwenwielrennen nog niet volledig is geinstitutionaliseerd. In het institutionaliseringsproces van het vrouwenwielrennen is een duidelijke ‘bottom up’ beweging te zien. De institutie wordt van onderaf opgebouwd door de vrouwen zelf met hulp van enkele mannen die betrokken zijn bij het vrouwenwielrennen. Het vrouwenwielrennen heeft zich vooral ondanks het mannenwielrennen ontwikkeld, dit komt ook naar voren in de eerder genoemde ‘bottom up’ beweging binnen het vrouwenwielrennen. Het vrouwenwielrennen heeft zichzelf voor het grootste gedeelte (los van het mannenwielrennen) georganiseerd en deze beweging kwam vanuit de vrouwen zelf.
72
7. Conclusie en discussie In dit hoofdstuk zal aan de hand van de verschillende deelvragen zo beknopt mogelijk antwoord worden gegeven op de hoofdvraag. 7.1 Conclusie 1. Hoe was het vrouwenwielrennen in de periode rondom 1965 georganiseerd? Het vrouwenwielrennen werd vanaf 1965 erkend als sport door de KNWU. Vanaf dat moment werd het eerste Nederlands Kampioenschap verreden en kwamen er steeds meer wedstrijden bij. De prijzen voor de vrouwen waren begin jaren vaak gebruiksvoorwerpen als sokken, lappen stof of strijkijzers. Bij verenigingen fietsten weinig vrouwen, over heel Nederland fietsten ongeveer veertig vrouwen. De vrouwen trainden vaak met jongens en trainingen bestonden slechts uit rondjes rijden. De vrouwen kregen nauwelijks begeleiding. Er waren geen aparte categorieën, alle fietsende vrouwen, vanaf zestien jaar (dit was de minimale leeftijd om mee te doen aan wedstrijden) fietsten tegen elkaar. De KNWU hechtte weinig waarde aan internationale wedstrijden. Ze stuurden een vrouw zonder wielerkennis als begeleider voor de vrouwen mee naar de internationale wedstrijden. Er was dus weinig sprake van een organisatorische context. 2. Hoe is het vrouwenwielrennen tegenwoordig georganiseerd? Sinds twee jaar zijn er bij de vrouwen twee verschillende categorieën waarin wedstrijden kunnen worden gereden: amateur en elite.
Met een basislicentie kunnen trainingswedstrijden worden gereden. De elitelicentie is nog onderverdeeld in elite met contract en elite zonder contract. De professionele rensters hebben een contract met een commerciële ploeg en zijn dus elite met contract. De elite rensters zonder contract zijn clubrensters, zij mogen niet alle internationale wedstrijden rijden, wat de eliterensters met contract wel mogen. Het onderscheid tussen top- en breedtesport is lastig te maken. Vrouwen bij de commerciële ploegen krijgen vaak niet meer dan de door de UCI vastgestelde €250 per maand. Dit betekent dat weinig vrouwen kunnen leven van de sport en er discussie is over de term ‘professional’. De clubrensters en professionele rensters rijden nog vaak samen in wedstrijden maar de professionele rensters hebben meer (trainings) faciliteiten tot hun beschikking en hebben dus een voorsprong op de clubrensters die niets betaald krijgen en er vaak volledig naast werken.
73
3. Wat is de rol van vrouwen geweest in de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen? In de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen zijn er vier verschillende soorten rollen die vrouwen hebben gespeeld. De eerste rol is ‘kartrekkers van verandering’, de vrouwen hebben zich in deze rol ingezet om veranderingen in de sport voor elkaar te krijgen. De kartrekkers hebben ervoor gezorgd dat de categorieën zijn aangepast aanpassing en dat de eerste commerciële ploeg naar het buitenland mocht. De tweede rol die vrouwen hebben gespeeld is het ‘bekleden van functies in besturen en commissies’. Zowel op nationaal niveau als op internationaal niveau zetten vrouwen zich in voor de ontwikkeling van een World Tour en nieuwe wedstrijden voor vrouwen. De derde rol is die van de ‘initiatiefneemsters’. Door de KNWU werd het vrouwenwielrennen niet echt opgepakt, dit zorgde ervoor dat er door vrouwen zelf initiatieven als vrouwenwielrennen.nl en Strongher werden opgezet. De vierde rol is die van het ‘inspireren van anderen’. Dit gebeurde op lokale schaal door fietsen uit te lenen aan andere vrouwen maar natuurlijk ook door topsportsters die door hun prestaties anderen inspireren. 4. Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen in het vrouwenwielrennen? Er zijn twee ontwikkelingen te onderscheiden: sporttechnische en organisatorische ontwikkelingen.
De belangrijkste sporttechnische ontwikkelingen in de breedtesport zijn dat er meer vrouwen zijn begonnen met wielrennen en er steeds meer vrouwenfietsartikelen op de markt kwamen. De belangrijkste sporttechnische ontwikkelingen in de topsport zijn de verschillende innovaties wat betreft trainen, voorbeelden zijn core stability trainingen en steeds vaker werd gebruik gemaakt van trainingsschema’s. De belangrijkste organisatorische ontwikkeling in de breedtesport is de toevoeging van een nieuwe categorie en de daarbij behorende nieuwe wedstrijden. Voor de topsport zijn de belangrijkste ontwikkelingen dat meer vrouwen konden gaan leven van de sport, er steeds meer commerciële ploegen kwamen, de eerste commerciële ploeg naar het buitenland mocht en dat de nationale selectie verdween. 5. Wat is de rol van ploegleiders in het vrouwenwielrennen? De meeste ploegleiders in het vrouwenwielrennen zijn mannen, wat opvallend is. Het is voor veel ploegleiders een duidelijke keuze om bij de dames ploegleider te zijn. Het is 74
belangrijk voor de verdere ontwikkeling van het vrouwenwielrennen dat alle ploegleiders zich gaan inzetten voor de vrouwen, dit gebeurt nu nog niet altijd. Doordat veel vrouwen niet of weinig betaald worden, is er een grote afhankelijkheidsrelatie tussen pupil en ploegleider, dit zorgt ervoor dat de ploegleider veel macht heeft. Deze afhankelijkheidsrelatie zal niet snel veranderen. Er zijn weinig vrouwelijke ploegleiders omdat veel ex-rensters aangeven na hun wielercarrière graag aan hun maatschappelijke carrière buiten het wielrennen te willen werken en daarom uit het wielrennen te stappen. 6. Op welke manier speelt gender een rol binnen de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen? De wielerwereld wordt vaak getypeerd als conservatief en met een hoog gehalte aan ‘haantjes-gedrag’. De historie van het mannenwielrennen is langer, dit zorgt ervoor dat het mannenwielrennen verder ontwikkeld is. Er zitten veel mannen in bestuursfuncties en op belangrijke posities binnen ploegen. Zij zorgen ervoor dat het mannenwielrennen goed geregeld is en op deze manier blijft de voorsprong van mannen bestaan. Het wielrennen is niet gender neutraal, het maakt veel uit of je als man of als vrouw de sport beoefent. Mannelijke wielrenners krijgen meer aandacht, aanzien en kunnen leven van hun sport, er is dus een duidelijk verschil.
Wanneer gesproken wordt over wielrennen, denken mensen als vanzelfsprekend dat het om mannenwielrennen gaat. Het woord vrouwenwielrennen moet gebruikt worden, om te benadrukken dat het een koers voor vrouwen betreft. Hoofdvraag: welke ontwikkeling heeft het vrouwenwielrennen (als georganiseerde sport) sinds 1965 doorgemaakt? In het vrouwenwielrennen zit een enorme kracht van vrouwen zelf om zich te organiseren, trainingen en wedstrijden op te zetten. De formele organisatie van het vrouwenwielrennen duurde lang, dus gingen vrouwen zichzelf organiseren in Strongher en vrouwenwielrennen.nl om hun sport te kunnen bedrijven. Ook waren er veel individuele initiatieven zoals fiets uitlenen, om de sport bekender te maken bij andere vrouwen. Het vrouwenwielrennen is van enkele vrouwen op de fiets uitgegroeid tot een sport die vele kampioenen heeft voortgebracht. Vrouwen hadden begin jaren ’70 nauwelijks wedstrijden en werden met een bondscoach op pad gestuurd zonder kennis 75
van wielrennen. Enorme successen in de topsport van vrouwen als Leontien van Moorsel, Monique Knol, Marianne Vos en nu Anna van der Breggen, hebben ervoor gezorgd dat het vrouwenwielrennen meer bekendheid verwierf en groeide. Financieel zijn er (nog steeds) weinig vrouwen die van de sport kunnen leven. De enige conclusie kan zijn dat vrouwen, ondanks dat zij niet altijd ondersteund zijn, een enorme drive hebben getoond om zich voornamelijk op eigen kracht te ontwikkelen. Het vrouwenwielrennen was niet te stuiten en dat kwam voornamelijk door de vrouwen zelf, met steun van enkele mannen. De vrouwen namen zelf initiatieven om te gaan praten met de KNWU over bijvoorbeeld de eerste ploeg in het buitenland maar ook recentelijk om nieuwe categorieën in te voeren. Het vrouwenwielrennen heeft zich dus vooral ondanks het mannenwielrennen ontwikkeld. Dit blijkt uit het feit dat de ontwikkeling lange tijd vooral los stond van de KNWU. Het blijkt ook uit de vaststelling dat mannelijke ploegleiders lang niet altijd betrokken waren bij het vrouwenwielrennen maar vooral voor hun eigen carrière actief waren in het vrouwenwielrennen. Het vrouwenwielrennen heeft zich maar beperkt dankzij het mannenwielrennen ontwikkeld. Vooral door de dopingperikelen in het mannenwielrennen, heeft het vrouwenwielrennen geprofiteerd en kreeg het meer aandacht.
Het ontstaan van het instituut vrouwenwielrennen is vergelijkbaar met de mierenhoop die Czarniawska (2009) in paragraaf 2.4 beschrijft. De vrouwen die zich hebben ingezet voor de sport worden gezien als ‘mieren’ die door collectieve acties de institutie opbouwen. De institutie wordt dus vanaf onder opgebouwd door de mieren en niet top down, zoals Scott (2014) beweert. De drie pilaren (regulerend, normatief en cultureel-cognitief) van een instituut die Scott (2014) in paragraaf 2.6 beschrijft zijn alle drie aanwezig. De cultureel-cognitieve pilaar staat het meest onder druk. Het institutionaliseringsproces van Tolbert en Zucker, 1996, dat in paragraaf 2.5 wordt besproken heeft twee fases doorlopen. Er zijn signalen zichtbaar van de derde fase, de normen van het vrouwenwielrennen zijn voor een groot deel geaccepteerd maar nog aan verandering onderhevig. Het vrouwenwielrennen zorgt ervoor dat de logica, die Thornton & Ocasio (2008) beschrijven, binnen het mannenwielrennen onder druk komt te staan.
7.2 Discussie In deze discussieparagraaf zal worden gereflecteerd op het verloop van het onderzoeksproces en op basis van deze reflectie zullen suggesties worden gedaan voor eventueel vervolgonderzoek. 76
De onderzoeker heeft voor het vinden van respondenten gebruik gemaakt van de sneeuwbalmethode, op deze manier kwam uit elk interview weer een nieuw interview. Dit was een succesvolle methode omdat er veel rensters konden worden geïnterviewd. Er zijn door de sneeuwbalmethode meer interviews gehouden dan vooraf gepland was maar dit zorgde voor rijkere data en een tijdlijn die van 1965 tot nu gedekt is voor zowel breedte- als topsport. Opvallend was dat er aanvankelijk minder interviews gepland waren omdat het lastig leek om toppers als Monique Knol en Marianne Vos te spreken. Dat er via andere respondenten zoveel vrouwen en mannelijke ploegleiders bereid waren hun verhaal te doen, had de onderzoeker niet durven hopen. Het zegt iets over de mensen in het wereldje van het vrouwenwielrennen maar het zegt daarnaast ook dat er in het wereldje ook een enorme drive bestaat om te praten over verdere vooruitgang en ontwikkeling. Een aantal van de interviews zijn via skype afgenomen, dit kan de resultaten ook enigszins hebben beïnvloed. Er is geprobeerd zoveel mogelijk met beeld te werken, maar in enkele gevallen lukte dat niet en is het met telefoonfunctie gegaan, de interviewer en geïnterviewde konden elkaar dan niet zien. Er zijn zoveel mogelijk controlevragen gesteld om te kijken of de vragen duidelijk waren en antwoorden goed werden begrepen.
Hoewel hierin gemakkelijker misverstanden kunnen ontstaan dan wanneer alle interviews face-to-face hadden plaatsgevonden, bestaat bij de onderzoeker de indruk dat alle relevante informatie adequaat verzameld is. De interviews zijn afgenomen in de periode van april 2016 tot en met juni 2016. Dit was middenin het wielerseizoen. In de periode hierna hebben zich nog grote koersen en ontwikkelingen voor gedaan. Geïnterviewden hebben hier niet op kunnen reageren, wellicht had het goud op de Olympische Spelen, de Europese titel van Anna van der Breggen en de twee tweede plekken (tijdrijden Ellen van Dijk en wegwedstrijd Kirsten Wild) op het WK in Qatar, invloed gehad op hun percepties op het vrouwenwielrennen en de manier waarop ze tegen de beschreven ontwikkelingen aankeken. De rol van de onderzoeker is ook belangrijk om mee te nemen in de reflectie op het onderzoek. De onderzoeker heeft zelf geen achtergrond in het wielrennen dus heeft zich in een klein jaar tijd de wereld van het wielrennen zo veel mogelijk eigen gemaakt. Dit was niet gelukt zonder mensen die bereid waren een ‘rondleiding’ te geven door de wielerwereld en soms te helpen bij het begrijpen van de lastige structuren binnen de KNWU. Aan de ene kant was de onderzoeker een ‘onbeschreven blad’ en kon daardoor 77
met een open blik onderzoek doen. Aan de andere kant was de onderzoeker ook kwetsbaar doordat deze afhankelijk was van de informatie van mensen uit het veld zelf. Er is geprobeerd om informatie dubbel na te vragen bij verschillende mensen zodat deze afhankelijkheid werd geminimaliseerd. 7.3 Vervolgonderzoek Vervolgonderzoek zou zich kunnen richten op de perceptie van successen in het vrouwenwielrennen en de consequenties daarvan voor de aandacht die het wielrennen krijgt. Uiteindelijk kan dit dan weer gekoppeld worden aan de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen. Het onderzoek moet dus gaan over percepties van successen, die zoals eerder beschreven rijkelijk aanwezig zijn, en hoe de aandacht voor wielrennen daardoor wel of niet groeit. Wat is de invloed van het wel of niet groeien van die aandacht op de ontwikkeling van het vrouwenwielrennen.
78
Literatuurlijst Anderson, E. (2010). Sport, Theory and Social Problems: A critical Introduction. London: Routledge Berger, P. L., & Luckman, T. (1966). The Social Construction of Reality. Harmondsworth: Penguin. Berger, P. (1968) The Secred Canopy: Elements of an sociological theory of religion. New York: Doubleday. Coakley J. & Pike, E. (2009). Sports in Society: Issues and Controversies. 1st UK edition, London: McGraw-Hill. Cahn, S.K. (1993). From the ‘muscle moll’ to the ‘butch ballplayer’: mannishness, lesbianism and homophobia in U.S. women’s sport. Feminist Studies, 19(2), 343-368. Caudwell, Jayne (2011). Reviewing UK football cultures: continuing with gender analyses. Soccer & Society, 12 (3), 323-329 Czarniawska, B. (2009). ‘Emerging Institutions: Pyramids or Anthills?’. Organization Studies 30 (4): 423-441. Elling, A. (2010) Bewegende beelden: sport, sekse en etniciteit. Tijdschrift voor genderstudies 2010. Het Vaderland (1930, 22 april). Vrouwen mogen niet wielrennen. Geraadpleegd via: http://www.sportgeschiedenis.nl/2014/09/03/tweet-van-toen-vrouwen-mogen-nietwielrennen.aspx (16 november 2015) Huis van de sport Limburg (2013). Factsheet speerpuntsport, geraadpleegd via: http://hvdsl.nl/media/Factsheets/HSL044_Wielrennen-en-toerfietsen_V6.pdf (15 augustus 2016) Janssens, E. (2012).
‘Mannen kom eens zien, een wijf op een koersvelo!’ Gender en sportbeleving in de verhalen van Belgische atletes (1955-1975). Tijdschrift voor Genderstudies, 15(4), 4-17. 79
Knoppers, A. & Anthonissen, A. (2001) Meanings given to performance in Dutch sport organizations: gender and racial/ethnic subtexts. Sociology of Sport Journal, 18, 302316. KNWU 1 (z.j.). Individueel basislidmaatschap, geraadpleegd via: http://www.knwu.nl/leden/individueel-basislidmaatschap (8 november 2015) KNWU 2 (z.j.). Wedstrijdlicenties, geraadpleegd via: http://www.knwu.nl/leden/wedstrijdlicenties (8 november 2015) KNWU (2007). Jaarverslag 2007: reflectie en toekomst. Geraadpleegd via: http://www.knwu.nl/wp-content/uploads/2013/05/Jaarverslag-2007-Website.pdf ( 2 oktober 2016) KNWU (2014). Jaarverslag 2014: opleiden, voorbereiden en verzilveren. Geraadpleegd via:
http://www.knwu.nl/wp-content/uploads/2015/04/KNWU-Jaarverslag-2014.pdf
(13 november 2015) NOC*NSF (z.j.). Parijs 1900 Geraadpleegd via: http://www.olympischsporterfgoed.nl/parijs-1900 (1 oktober 2016) NOC*NSF (2014). Ledenrapportage, geraadpleegd via: file:///C:/Users/Gebruiker/Downloads/Ledentalrapportage%202014.pdf (9 november 2014) NOC*NSF (2015). Sportdeelname index, geraadpleegd via: file:///C:/Users/Gebruiker/Downloads/sportdeelname%20index%20maandmeting%2 0augustus%202015.pdf.pdf (13 november 2015) NOS (2014, 27 juli). Vrouwenpeloton omarmt La Course. Geraadpleegd via: http://nos.nl/artikel/679781-vrouwenpeloton-omarmt-la-course.html (2 augustus 2016)
80
NOS (2015, 1 juli) ‘Geen forse meisjes, maar sportieve verschijningen’. Geraadpleegd via: http://nos.nl/artikel/2044554-geen-forse-meisjes-maar-sportieve-verschijningen.html (20 januari 2016) NRC Handelsblad (2000, 30 september). De Olympische Spelen voor de dames. Geraadpleegd via: http://retro.nrc.nl/W2/Lab/Olympischespelen/000930b.html ( 11 november 2015) Nu.nl (2013, 3 oktober) Vos gelooft in Tour de France voor vrouwen. Geraadpleegd via: http://www.nu.nl/sport/3592263/vos-gelooft-in-tour-france-vrouwen.html (17 november 2015) Nu.nl (2014, 1 februari) Vrouwen ook in actie tijdens Tour de France. Geraadpleegd via: http://www.nu.nl/sport/3690645/vrouwen-in-actie-tijdens-tour-france.html (12 november 2015) Pfister, Gertrud. (2010). Women in sport – gender relations and future perspectives. Sport in Society, 13(2), 234-248. Puwar, N. (2004) Space Invaders: Race, Gender and Bodies out of place. Oxford/New York: Berg. Oliver, C. (1992). The Antecedents of Deinstitutionalization, Organization Studies, 13(4), 563-588. Oliver, C. (1997). Sustainable Competitive Advantage: Combining Institutional and Resource-based Views, Strategic Management Journal, 18(9), 697-713. Rijksoverheid (2016, 23 juni) Schippers investeert miljoenen in sport.
Geraadpleegd via: https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-volksgezondheid-welzijn-ensport/nieuws/2016/06/22/schippers-investeert-miljoenen-in-sport (14 augustus 2016) Scott, W. R. (2014). Institutions and Organizations: Ideas, Interests and Identities. Fourth edition. Thousand Oaks, CA: Sage.
81
Tjoelker, M. (2013, september) De gesmoorde hartstochten van Mien van Bree. Geraadpleegd via: http://www.mariskatjoelker.nl/oude-helden/de-gesmoordehartstochten-van-mien-van-bree-de-muur/ ( 28 juli 2016) Tjoelker, M. (2016). Mien: een vergeten geschiedenis. Uitgeverij Thomas Rap. Tolbert, P. S., & Zucker, L. G. (1996). The Institutionalization of Institutional Theory, In S. R. Clegg, C. Hardy & W. Nord, R. (Eds.), Handbook of Organization Studies (pp. 730). London: Sage Thornton, P.H. Ocasio, W., & Lounsbury, M. (2012). The institutional logics perspective. New York, United States: Oxford University Press Inc. UCI (2016) UCI teams 2016. Geraadpleegd via: http://www.uci.ch/road/teams/ (10 februari) Vooren, J. van de ( 2014, 3 september). Tweets van toen: vrouwen mogen niet wielrennen. Geraadpleegd via: http://www.sportgeschiedenis.nl/2014/09/03/tweet-van-toenvrouwen-mogen-niet-wielrennen.aspx (16 november 2015) Vrouwenwielrennen(z.j.). Algemene informatie, geraadpleegd via: http://vrouwenwielrennen.nl/nieuws/ (11 november 2015) Wielerflits (2015, 12 juli) Anna van der Breggen volgt Marianne Vos op als eindwinnares Giro Rosa. Geraadpleegd via: http://www.wielerflits.nl/nieuws/89479/anna-van-derbreggen-volgt-marianne-vos-op-als-eindwinnares-giro-rosa.html (7 januari 2016) Wielerflits 2 (2015, 29 april) Vrouwenwedstrijd Vuelta op de UCI kalender.