CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS318506 Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Laan van Roos en Doorn

Commissie Ruimte 15 mei 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken28.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 28

De gekozen energievoorziening moet passen bij de oplossingsrichting die in het Stedelijk EnergiePlan en het ontwerp van de Transitievisie warme, vastgesteld is voor dit deel van de stad. Omdat nieuwbouw vanwege de goede isolatie met lage temperaturen verwarmd kan worden is het gebruik van hoge temperatuur stadsverwarming onwenselijk. Die warme is nodig voor de verwarming van bestaande woningen en gebouwen. Voor de nieuwbouw dienen de (ondergrondse) warmtevoorzieningen afgestemd te zijn op omliggende projecten en de ODH. Platte daken dienen optimaal gebruikt te worden voor energievoorziening (elektriciteit, warm water) in combinatie met groene, blauwe en/of witte daken. Den Haag voert duurzaam bouwen beleid met de integrale prestatie-instrumenten GPR of BREEAM. De ambitie voor GPR is minimaal een 8 voor de thema’s milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde 9 voor energie. Nota Stadsnatuur In Den Haag is de natuur een belangrijk onderdeel van de stad. Een stad met een vitale stadsnatuur is een gezonde stad. In de Nota Stadsnatuur zijn handvatten opgenomen waarmee wordt gewerkt aan een gezond stadsecosysteem met meer biodiversiteit. Een groene stad heeft veel te bieden aan inwoners. Bomen en planten zorgen immers voor verkoeling tijdens warme zomers en bieden een aangename plek voor bewoners om te verblijven.

Een groene stad is ook beter toegerust om mee te bewegen op veranderingen in het klimaat, zoals uitschieters in temperaturen en neerslag. Een stad waar veel verschillende planten- en diersoorten zoals vlinders en vogels voorkomen, blijkt positief te zijn voor het welzijn van mensen. Een hoge biodiversiteit zorgt ervoor dat lastige soorten minder kans krijgen en er genoeg natuurlijke vijanden zijn om plaagsoorten in toom te houden. Een belangrijke voorwaarde voor een gezond stadsecosysteem is de aanwezigheid van een uitgebreid netwerk van groengebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. De groengebieden zijn de belangrijke kerngebieden voor allerlei planten- en diersoorten. De ecologische verbindingszones zorgen als robuuste brede groenblauwe structuren voor de verbinding van deze gebieden. Zo kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen en functioneren deze daarnaast ook als belangrijke leefgebieden. In de Nota Stadsnatuur wordt de nadruk gelegd op een optimale ecologische inrichting door middel van vuistregels voor biotopen en beheer, behoud en de mogelijke uitbreiding van de ecologische verbindingszones. Is extra ruimtebeslag van een niet-ecologische functie onvermijdelijk dan moet de inpasbaarheid hiervan worden onderzocht. Uitgangspunt is om bomen en groen te behouden. Wanneer dit niet mogelijk is wordt er gekeken naar compensatie.

Naast het behoud en de ontwikkeling van bovengenoemd netwerk, wordt aandacht besteed aan het rekening houden met leefomstandigheden van planten en dieren bij beheer en inrichting van groen in brede zin. De gemeente werkt aan een natuur inclusieve stad met een ecologisch gezond stadswatersysteem, het beheersbaar houden van overlast gevende planten en dieren en inzetten op monitoring van de stadsnatuur. Bij elke (her)inrichting en omvorming van de openbare ruimte wordt een natuurkans-scan verplicht gesteld. Ontwerpen die ter beoordeling worden voorgelegd aan de Adviescommissie Openbare Ruimte worden, mede op basis van de natuurkansenscan, ook beoordeeld op het gebied van stadsnatuur. Natuur inclusief denken én werken wordt zo steeds meer een vanzelfsprekend onderdeel van het ontwerpproces. Nota Stadsbomen De gemeente Den Haag vindt bomen van oudsher belangrijk. Alle stadsbomen vormen samen een stadsbomennetwerk, wat parken, bossen, tuinen, lanen en groengebieden tot in de haarvaten met elkaar verbindt. Dit netwerk is uiteraard voor planten en dieren belangrijk. Maar het Haagse stadsbomennetwerk vervult in totaliteit verschillende functies en ecosysteemdiensten, en draagt bij aan de gezondheid en leef kwaliteit van eenieder in Den Haag, mens en dier.

In de Nota Stadsbomen zijn concrete doelen geformuleerd om de leef kwaliteit te verbeteren: de gemeente werkt aan de toekomstbestendigheid van het stadsbomennetwerk en wil 5% meer kroonoppervlak in de stad in 2030.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 29

Wanneer aan toekomstbestendigheid wordt gedacht dan is het allereerst van belang om de basis goed te behouden en deze basis daarnaast te versterken. Wanneer een ontwerp voor (her) inrichting wordt gemaakt met bomen dan wordt dat primair gedaan met behoud van bestaande bomen en met aandacht voor diversiteit, ecologie en het maken van diverse microklimaten in de stad. De bijdrage van bomen aan de leef kwaliteit hangt af van de maat van de kroon. Dit is te meten met het kroonoppervlak. Met het opstellen het bomenbeleid heeft de gemeente een methode gekozen die uitgaat van kroonoppervlak. Het beleid is +5% toe te voegen om zodoende het totale kroonoppervlak in de stad te vergroten. Om meer kroonoppervlak te maken zijn goede groeiplaatsen voor bomen essentieel (Handboek Openbare Ruimte). De boom groeit anders niet goed, kan niet goed presteren, sterker nog, hij kan overlast veroorzaken. Meer kroonoppervlak is ook te realiseren door extra bomen te planten en bestaande bomen goed te beheren. Ook op particulier terrein liggen hiervoor kansen. Het behoud van bomen is van groot belang voor de leef kwaliteit in de stad. Dit is het uitgangspunt voor de programmering en het ontwerp van de gebouwen en openbare ruimte. De kwaliteit van de bomen speelt mee in de afwegingen. Wanneer bomen zeer waardevol zijn, is het nog belangrijker ze te behouden.

Wegwijzer Den Haag Klimaat bestendig Als gevolg van klimaatverandering krijgt Den Haag steeds vaker te maken met hevige regenbuien, meer hete zomerse dagen, langere droge perioden en een verdere stijging van de zeespiegel. Dergelijke weersextremen kunnen veel schade en overlast veroorzaken, ook op het gebied van gezondheid en economie. De afgelopen jaren zijn vooral gericht geweest op onderzoek, kennisontwikkeling en bewustwording over klimaatadaptatie. Ook zijn er grote projecten gerealiseerd om de kust veilig te houden en zijn er aan de rand van de stad grootschalige waterbergingen aangelegd. En niet alleen de gemeente neemt maatregelen. Ook bewoners en diverse partijen in de stad doen mee; van het maken van geveltuinen tot het aanleggen van polderdaken. De opgave voor de komende decennia is om de bestaande en nieuwe stad klimaatbestendiger in te richten tegen de gevolgen van extreme neerslag, hitte en droogte.

Relatie tot ontwikkeling Het gebouw wordt BENG uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van pv-panelen en warmtepompen voor verwarming en koeling. Daarnaast wordt in de tuin infiltratiesysteem met infiltratiekratten gerealiseerd om circa 8,7 m3 hemelwater te bergen waarmee wordt bijgedragen aan de klimaatbestendigheid van de projectlocatie.

Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 30

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat:  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting;  Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen;  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute;  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 31

Figuur 9. Uitsnede risicokaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl).

Het bestemmingsplan “Binnenhof e.o.” geeft aan dat uit de gegevens die beschikbaar zijn via de provinciale risicokaart blijkt dat binnen het plangebied en nabije omgeving geen bedrijven zijn gelegen die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn. Binnen het plangebied of de omgeving vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor plaats. Ook zijn er binnen het plangebied of in de directe omgeving geen buisleidingen gelegen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Aangezien het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van enige risicobron, is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet vereist.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 32

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling voorziet in het realiseren van een woonhuis. Woningen zijn geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Ten behoeve van de planrealisatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door EQUIPE Adviseurs (d.d. 3 mei 2023). De rapportage is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. De projectlocatie is niet gelegen binnen de zone van een railverkeer, een industrieterrein of luchthaven. Het akoestisch onderzoek heeft daarom alleen betrekking op wegverkeer. Rekenresultaten In het Geomilieu rekenmodel zijn immissiepunten ingevoerd ter plaatste van de projectlocatie. In onderstaande tabel zijn de hoogst berekende geluidsniveaus opgenomen. De niveaus zijn zowel inclusief als exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder opgenomen. Figuur 1. Hoogte geluidsbelastingen ter plaatse van de beoogde ontwikkeling (bron: EQUIPE Adviseurs – akoestisch onderzoek)

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 33

De berekende geluidsbelasting ten gevolge van de Koningskade bedraagt ten hoogste 48 dB Lden inclusief aftrek. De geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidsbelasting ten gevolgde van de Zuid Hollandlaan bedraagt ten hoogste 39 dB Lden inclusief aftrek. De geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. De berekende geluidsbelasting ten gevolgde va de Mauritskade / Doctor Kuyperstraat bedraagt ten hoogste 51 dB Lden inclusief aftrek. De geluidsbelasting voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Aan de maximaal toelaatbare waarde van 63 dB Lden wordt voldaan. De berekende geluidsbelasting ten gevolge van de Laan van Roos en Doorn (niet gezoneerd) bedraagt 50 dB Lden inclusief aftrek. De gecumuleerde geluidsbelasting van alle wegen tezamen bedragen ten hoogste 58 dB Lden inclusief aftrek. Maatregelenonderzoek en hogere waarden De geluidsbelasting ten gevolgde van de Mauritskade / Doctor Kuyperstraat overschrijdt de voorkeursgrenswaarde. Het vaststellen van een hogere waarde is noodzakelijk om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren. Voordat hogere waarden kunnen worden verleend dient onderzocht te worden of maatregelen kunnen worden getroffen om een lagere geluidsbelasting te realiseren.

Maatregelen zijn onder te verdelen in:  bronmaatregelen  overdrachtsmaatregelen  maatregelen bij de ontvanger Voor het verminderen van het wegverkeerslawaai kan gedacht worden aan het verbeteren van het wegdektype en het verlagen van de rijsnelheid. Het vervangen van het asfalt voor ‘stiller’ asfalt en het aanpassen van de rijsnelheid stuit op bezwaar van financiële aard en op bezwaar van verkeerskundige aard. Het plaatsen van geluidschermen is om praktische en financiële redenen en vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk Daarom worden bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. In de beoogde ontwikkeling kan rekening worden gehouden met de vastgestelde geluidsbelastingen, zodat voldaan kan worden aan het binnen niveau zoals opgenomen in de Wet geluidhinder en het Bouwbesluit 2012. Dit kan berekend worden door middel van een onderzoek naar de geluidwering van de gevels. Het aanvragen van een hogere waarden in verband met de geluidsbelasting ten gevolge van de Mauritskade / Doctor Kuyperstraat bij de gemeente is noodzakelijk om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren. Conclusie De berekende geluidsbelasting voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet geluidhinder. Het volgende kan worden geconcludeerd:  De berekende geluidsbelasting ten gevolge van de Koningskade bedraagt ten hoogte 48 dB Lden inclusief aftrek.

De geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden.  De berekende geluidsbelasting ten gevolgde van de Zuid Hollandlaan bedraagt ten hoogste 39 dB Lden inclusief aftrek. De geluidsbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden.  De berekende geluidsbelasting ten gevolgde va de Mauritskade / Doctor Kuyperstraat bedraagt ten hoogste 51 dB Lden inclusief aftrek. De geluidsbelasting voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Aan de maximaal toelaatbare waarde van 63 dB Lden wordt voldaan.  De berekende geluidsbelasting ten gevolge van de Laan van Roos en Doorn (niet gezoneerd) bedraagt 50 dB Lden inclusief aftrek.  De gecumuleerde geluidsbelasting van alle wegen tezamen bedragen ten hoogste 58 dB Lden inclusief aftrek.  Bron- en of overdrachtsmaatregelen worden niet doelmatig geacht. Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 34

 

Het aanvragen van een hogere waarden in verband met de geluidsbelasting ten gevolge van de Mauritskade / Doctor Kuyperstraat (vast te stellen waarde 51 dB), bij de gemeente is noodzakelijk om de beoogde ontwikkeling te realiseren. In het kader van de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht dient te worden aangetoond dat de geluidwering van de gevels en het binnen niveau voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit en de Wet geluidhinder. Dit kan door middel van een onderzoek naar de geluidwering van de gevels. Een dergelijk onderzoek (Blonk Advies, rapport: 2022054-02a met datum 13 december 2022) is bijgevoegd bij de reeds aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie indien een hogere waarde wordt aangevraagd.

KABELS EN LEIDINGEN Algemeen Voor sommige kabels en leidingen is het belangrijk deze op te nemen in het bestemmingsplan. Het gaat dan niet om de algemene nutsleidingen, maar om de leidingen waarbij bijvoorbeeld een veiligheidszone geldt of leidingen die een risico zijn als ze bij werkzaamheden geraakt worden. Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. De (planologische relevante) leidingen dienen als zodanig te worden bestemd en daarbij dient de afstand die moet worden vrijgehouden van bebouwing ter bescherming van de leiding, te worden aangeduid. Dit betreft de zogeheten beschermingszone. Naast planologisch relevante leidingen kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die planologisch niet relevant zijn, maar waar met de beheerder van de kabels en leidingen afstemming dient plaats te vinden over het beschermen dan wel verleggen van in en nabij een ontwikkellocatie gelegen kabels en leidingen. Buisleidingen Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang.

Binnen het toepassingsbereik van het Bevb vallen:  buisleidingen voor aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.  buisleidingen voor brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer.  buisleidingen voor vergiftige stoffen.  buisleidingen voor specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer. Voor de realisatie van een buisleiding of een kwetsbaar object dient voldaan te worden aan de grenswaarde voor het PR, terwijl het GR verantwoord moet worden. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 35

Relatie tot ontwikkeling Langs de Mauritskade en de Koningskade loopt een hoogspanningsverbinding met een spanning van 25 – 10 kV. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is geen dubbelbestemming ter bescherming van deze hoogspanningsverbinding opgenomen. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om elektromagnetische straling die mogelijk gezondheidsrisico’s veroorzaakt. Voor hoogspanningsverbindingen met een spanningsniveau van 50 kV wordt een gevarenzone van 25 meter aangehouden. Dit volgt uit het eindrapport ‘Woningen binnen de gevarenzone van hoogspanningslijnen: blusrisico’s van het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding. De magneetveldzone is derhalve beperkt en reikt niet tot aan de projectlocatie.

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

LUCHTKWALITEIT Algemeen In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen;  kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is sprake van de realisatie van een woongebouw. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 36

Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via https://www.cimlk.nl/kaart op 24 april 2023) met bijbehorende grenswaarden. 1.

Totale concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in nabijheid van de projectlocatie Jaar Totale concentratie locatie X:81373.5 Y:455944.1 NO2 (µg/m3) PM10 (µg/m3)

PM2,5 (µg/m3)

2020

35,4

19,7

10,4

Grenswaarden

40

40

25

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

NATUUR Algemeen Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000gebieden.

Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de regeling Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 37

Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een ‘nee-tenzij-toets’. Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.

Relatie tot ontwikkeling Ten behoeve van de ontwikkeling is door EQUIPE ADVISEURS een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde soorten en gebieden. De rapportage van 4 mei 2023 is bijgevoegd in de bijlagen bij voorliggende onderbouwing. De resultaten worden in deze paragraaf per onderdeel beschreven. Soortenbescherming Conclusie soortenbescherming In onderstaande tabel staan de effecten en conclusies met betrekking tot nader onderzoek opgenomen per soortgroep. Tabel 2. Beschrijving van de effecten (bron: Quickscan flora en fauna – EQUIPE ADVSEURS)

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 38

Randvoorwaarden

Tabel 3. Randvoorwaarden (bron: Quickscan flora en fauna – EQUIPE ADVSEURS)

Advies en aanbevelingen Het gebouw aangrenzend aan het projectgebied aan de zuidzijde heeft potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Tijdens de bouw dient gewerkt te worden onder ecologische begeleiding oftewel met een ecologisch werkprotocol om de bereikbaarheid van deze potentiële verblijven te garanderen. Mocht dit niet mogelijk zijn dient er alsnog nader onderzoek naar vleermuizen te worden uitgevoerd. Dit om het gebruik van de invliegmogelijkheden uit te kunnen sluiten. Als bij nader onderzoek blijkt dat de openingen wel in gebruik zijn, zal een ontheffing noodzakelijk zijn om de verblijven (tijdelijk) te mogen verstoren. De tongvaren heeft in de gemeente Den Haag geen beschermde status, echter heeft deze muurplant wel een bijzondere waarde. Om te voorkomen dat de tongvaren op de projectlocatie sterft, kunnen de planten teruggeplaatst worden op beschaduwde muren met kalkmortel (specie met kalk als bindmiddel). Deze muren moeten enige tijd vochtig worden gehouden. Optionele aanbevelingen Met natuur inclusief bouwen/ontwerpen is het mogelijk om niet alleen voor de gebruikers een gezonde, aantrekkelijke en prettige leefomgeving te realiseren maar ook voor flora en fauna. Een investering in bijvoorbeeld een groene leefomgeving zorgt niet alleen voor een mooie uitstraling, maar trekt ook (bijzondere) dier- en plantsoorten aan.

Bovenal is natuur inclusief bouwen doorgaans duurzaam en kan bijvoorbeeld een groene omgeving verkoeling beden gedurende de zomerperiode en zuiveren de bomen/planten lucht. Voorbeelden van natuur inclusief bouwen voor dit project zijn bijvoorbeeld het gebruik van inbouwkasten voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De projectlocatie ligt op 2,2 km afstand van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Door de kenmerken van de projectlocatie, de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van het tussenliggende stedelijke gebied zijn geen negatieve effecten aan de orde als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied op het Natura 2000-gebied en de instandhoudingsdoelen. Een eventuele toename van stikstofemissie en stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van het projectvoornemen is hierbij buiten beschouwing gelaten. Natuurnetwerk Nederland De projectlocatie ligt op 650 meter afstand van het dichtstbijzijnde NNN gebied. Gezien de aard en de werkzaamheden en het tussenliggende stedelijke gebied worden geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de toekomstige inrichting van de projectlocatie op het NNN gebied.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 39

Conclusie gebiedsbescherming Op basis van de uitgevoerde bureaustudie naar de gebiedsbescherming, blijkt dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op de genoemde beschermde gebieden naast eventuele stikstofdepositie vanwege het projectvoornemen. Stikstofberekening De kans op significant negatieve effecten voor de omliggende Natura-2000 gebieden is gezien de afstand en de aard van het tussenliggende stedelijke gebied klein. Volledigheidshalve is een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten van het stikstofonderzoek zijn als volgt: Bouwfase Om het planvoornemen te kunnen realiseren zijn er bouwwerkzaamheden noodzakelijk. Daarbij wordt gebruik gemaakt van machines en zal er de nodige verkeersaantrekkende werking zijn van het bouwverkeer. Daarmee is de aanlegfase aan te merken als stikstofbron voor de omgeving en de omliggende Natura 2000gebieden voor een periode van circa 2 jaar. De emissies van de mobiele werktuigen zijn gemodelleerd als een oppervlaktebron met de contouren van de projectlocatie. Het totaal aan vrachtwagen- en personenbus bewegingen zijn in AERIUS als wegverkeer gemodelleerd dat deze ‘opgaan in het heersend verkeersbeeld’ Volledigheidshalve wordt voor vrachtverkeer een stagnatielijn ingetekend met 100% file voor het aankomende vrachtverkeer. Vertrekkend vrachtverkeer kan onbelemmerd vertrekken en heeft geen stagnatie.

Bovenstaande is opgenomen in de AERIUS-berekening, hieruit blijkt volgens de AERIUS-calculator dat er een NOx uitstoot optreedt van 14,3 kg. Gebruiksfase In de toekomstige situatie wordt de locatie ontwikkeld voor wonen. Verwarming Aangezien het project aardgas-loos wordt uitgevoerd, kan gesteld worden dat er geen NOx uitstoot wordt veroorzaakt door Cv-installaties. Verkeersaantrekkende werking Voor het bepalen van de rittenberekening is gebruik gemaakt van de CROW ASVV 2021 publicatie, hierin zijn kengetallen opgenomen voor de verkeersgeneratie per activiteit. Voor de toekomstige situatie is, paragraaf 6.3 gebruikt, waarbij de categorie zeer sterk stedelijk, centrum is gehanteerd. Onderstaand zijn deze kengetallen vertaald naar daadwerkelijke ritten per dag. Tabel 4. Kentgetallen (bron: Rapportage stikstofdepositie – EQUIPE ADVISEURS)

Bovenstaande is ingevoerd in de AERIUS-calculator. Waarbij gekozen is om de verkeersontsluiting te modeleren tot de Koningskade. AERIUS-calculator berekent zelf de emissie op basis van de ingetekende richtlijnen. Het wegverkeer is gemodelleerd als ‘verkeer binnen de bebouwde kom’, zonder geluidschermen of tunnelfactor.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 40

Bovenstaande is opgenomen in de AERIUS-calculator, hieruit blijkt dat er in de gebruiksfase een NOx uitstoot optreedt van 7,1 kg per jaar. Conclusie stikstofberekening Uit de analyse naar de stikstofdepositie volgt dat de NOx uitstoot in de toekomstige gebruiksfase 7,1 kg per jaar bedraagt en in de bouwfase 14,3 kg per jaar bedraagt. De berekening met de AERIUS-calculator laat zien dat in de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Ook voor de bouwfase is er geen depositie berekend. Er zijn namelijk geen rekenresultaten, hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen De opslag van munitie en/of explosieven valt niet onder het toepassingsgebied van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op de opslag van munitie en/of explosieven is de 'Circulaire Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik' van toepassing. In tegenstelling tot het Bevi is geen sprake van risicobenadering maar van een effectbenadering bij de opslag van munitie en/of explosieven. Per categorie explosieven zijn aan te houden afstanden onderscheiden. Kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogen binnen deze afstanden niet aanwezig zijn. Conform de Arbowetgeving dient voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden het terrein onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen.

Relatie tot ontwikkeling In het kader van de beoogde ontwikkeling vinden grondroerende werkzaamheden plaats. Op basis van de Ontplofbare oorlogsresten bodembelastingkaart van de gemeente Den Haag ligt het plangebied niet in een verdacht gebied, zie onderstaande figuur.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 41

Figuur 10. Ontplofbare oorlogsresten bodembelastingkaart gemeente Den Haag

Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

Relatie tot ontwikkeling Parkeren De gemeente Den Haag heeft op 20 september 2018 het paraplubestemmingsplan “Parapluherziening (fiets)parkeren” vastgesteld. Met het verdwijnen van de grondslag voor het toetsen aan stedenbouwkundige aspecten in de gemeentelijke bouwverordeningen, is het wenselijk op een andere wijze te voorzien in een toetsingskader voor parkeren. Met het parapluplan wordt voor het gehele gemeentelijk grondgebied voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. Het parapluplan legt de koppeling met het gemeentelijke parkeerbeleid.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 42

Auto Bij nieuwe ontwikkelingen van woningbouw en bedrijven zijn auto- en fiets parkeerplekken nodig. De gemeente hanteert parkeernormen om te zorgen dat daarin wordt voorzien. Op 15 juli 2021 heeft de raad de ‘Parkeerstrategie Den Haag 2021-2030’ vastgesteld. De ‘Parkeerstrategie Den Haag 2021-2030’ is de basis van het nieuwe parkeernormbeleid van de gemeente Den Haag. Belangrijke uitgangspunten uit de Parkeerstrategie zijn: - Parkeerbeleid faciliteert de Haagse woningbouwopgave en economische opgave. - Met het parkeerbeleid wordt de leefbaarheid van de openbare ruimte en de bereikbaarheid gewaarborgd - Groei van parkeerplaatsen vindt zoveel mogelijk plaats op eigen terrein of door centrale parkeervoorzieningen te bouwen. De parkeernorm bij nieuwe ontwikkelingen is afhankelijk van de locatie in de stad waar de ontwikkeling wordt voorzien. Het parkeerbeleid is gebiedsgericht. De projectlocatie is gelegen in het gebied vooroorlogse wijken, zie onderstaande figuur. Figuur 11. Gebiedsindeling voor autoparkeernormen, projectlocatie globaal weergegeven met zwarte ster (bron: bijlage 1, Nota Parkeernormen Den Haag 2021).

De projectlocatie is gelegen in het gebied ‘Vooroorlogse wijken’. Per gebied en per type woning (koop/huur) verschillen de parkeernormen. In onderstaande tabel zijn de parkeernormen voor wonen opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 43

Tabel 5. Autoparkeernormen wonen (bron: bijlage 2 Nota Parkeernormen Den Haag 2021).

Het beoogde woongebouw valt in de categorie ‘Vooroorlogse stadswijken – koop – eengezinswoningen >160 m2’. Hieruit volgt dat 1 parkeerplek benodigd is. De berging/garage biedt ruimte voor twee auto’s, hiermee kan aan de parkeereis worden voldaan. Fiets Naast het voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor de auto dient ook te worden voorzien in genoeg stallingsruimte voor de fiets. In de ‘Beleidsregels fietsparkeernormen Den Haag 2016’ zijn de normen vastgelegd met betrekking tot het aantal fietsparkeerplaatsen. In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan de omvang van een berging. In het Bouwbesluit is een minimale oppervlaktemaat per woning voldoende voor het tenminste kunnen bergen van enkele fietsen en wat objecten. Het bouwbesluit eist verder dat een bergruimte vanaf de openbare weg al dan niet de eigen tuin of via een bergingsgang of via een gemeenschappelijke verkeersruimte kan worden bereikt, zonder door de woning te moeten. Een bergruimte op zolder of bijvoorbeeld op de tweede verdieping van een portiekflat zonder lift voldoet niet aan deze eis. Wel zal een de eis worden voldaan wanneer de bergruimte bijvoorbeeld bereikbaar is via een niet te lange trap die is voorzien van een fietsgootje.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 44

Tabel 6. Fietsenberging in het Bouwbesluit (artikel 4.13) (bron: Beleidsregeling fietsparkeernormen Den Haag 2016).

Het fiets parkeren wordt middels een inpandige berging opgelost. De berging/garage heeft een oppervlakte van circa 41 m2. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW-rekentool/publicatie 381 geraadpleegd. De gemeente Den Haag wordt met een omgevingsadressen dichtheid van 5.016 aangemerkt als ‘zeer sterk stedelijk’. Aan de hand van de stedelijkheidsgraad kan de verkeersgeneratie voor de beoogde ontwikkeling worden berekend. Daarnaast maakt de projectlocatie onderdeel uit van ‘vooroorlogse wijken’, een categorie die in de publicatie 381 vergelijkbaar is met ‘schil centrum’. Voor deze gebiedsbepaling geldt een range van een minimale en een maximale verkeersgeneratie. Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking wordt (worst-case) uitgegaan van de maximale kengetallen. Toekomstige situatie De woning wordt conform de CROW-rekentool/publicatie 381 getypeerd als ‘koop, huis, tussen/hoek’. De maximale verkeersgeneratie per woning in een ‘zeer sterk stedelijke’ gemeente in de ‘schil van het centrum’ bedraagt: 6,2. De maximale verkeersgeneratie van één woongebouw per etmaal bedraagt: 6,2 verkeersbewegingen. Huidige situatie In de huidige situatie is sprake van de bestemming ‘Tuin’, waardoor de verkeersgeneratie niet relevant is. De verkeersgeneratie zal toenemen met 6,2 verkeersbewegingen per etmaal.

Deze toename is beperkt en kan in het huidige wegennet worden opgevangen. Ontsluiting De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de Houtweg, Hooikade, Doctor Kuyperstraat, Koningskade en de Zuid Hollandlaan, welke ontsluit in de A12 richting Utrecht. Vanaf de A12 kan onder andere worden aangesloten op de Rijksweg A4. De projectlocatie is daarnaast op circa 130 meter afstand van tramstation Den Haag Dr. Kuyperstraat gelegen, hier rijden tram 1 en 9. Tram 9 rijdt in de richting van Centraal Station Den Haag. Als laatst is de projectlocatie goed bereikbaar voor langzaam verkeer (fiets). Het centrum van Den Haag bevindt zich op circa 2,0 kilometer. Deze afstand kan in ongeveer 6 minuten worden afgelegd met de fiets. Gezien voorgaande is de locatie goed bereikbaar voor auto- en langzaam verkeer en met het openbaar vervoer.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 45

Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

WATER Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Het Hoogheemraadschap Delfland is door Provinciale Staten van Zuid-Holland belast met de waterstaatkundige verzorging van het grondgebied van de gemeente Den Haag. Het betreft het beheer van de waterkwantiteit, het beheer van de waterstaatkundige structuur en de waarborging van de waterkwaliteit. 4.15.1.1 Beleidskaders Ten aanzien van het thema water zijn er diverse beleidsstukken van kracht. De belangrijkste worden hieronder behandeld. Europees en Rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 inwerking getreden. De richtlijn heeft tot doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De richtlijn stelt daartoe eisen aan het waterbeheer in alle lidstaten. Hiertoe hebben de waterbeheerders oppervlaktewaterlichamen geclassificeerd Aan de classificatie hangt een maatregelenpakket om de kwaliteit de verbeteren.

Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid (inrichting van watergangen en oevers). Zowel het verversingskanaal als de Noordzee zijn aangewezen waterlichamen. Nationaal algemeen Het Nationaal waterbeleid is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het Nationaal water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het water domein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:  Klimaatadaptatie;  waterveiligheid;  zoetwater en waterverdeling;  waterkwaliteit en natuur;  scheepvaart;  functies van de Rijks wateren. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld.

Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. Bij voorgenomen activiteiten zoals benoemd in de Waterwet dient een melding te worden gedaan of een vergunning aangevraagd.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 46

Hierbij kan gedacht worden aan: het gebruik maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone, het lozen van water of stoffen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater of water te infiltreren en het brengen van water in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Als met een melding kan worden volstaan moet worden voldaan aan algemene regels zoals opgenomen in het Waterbesluit, de Waterregeling en de keur van het hoogheemraadschap. Provinciaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben 9 maart 2022 het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2002-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat dat samen met de partners wordt gewerkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan de Europese richtlijnen rondom water. De provincie Zuid-Holland gaat in het Regionaal Waterprogramma, naast de verplichte onderwerpen uit de richtlijnen, ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwagen en wateroverlast. Voorheen gold het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021.

Op hoofdlijnen wordt het beleid uit het regionale waterplan voortgezet in het regionaal waterprogramma, maar op punten is het ook aangepast. Aanleidingen daartoe waren: 1. kwaliteitsverbetering: vooral redactionele wijzigingen om de leesbaarheid en indeling van teksten te verbeteren. 2. klimaatadaptatie: Klimaatadaptatie is een van de opgaven die in de volle breedte doorwerkt in het provinciaal beleid. In de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat waterrobuust en klimaatbestendig inrichten in 2020 verankerd moet zijn in het beleid en het concreet handelen van overheden. Daarom is het omgevingsbeleid van provincie Zuid-Holland aangevuld met een nieuwe beleidskeuze voor klimaatadaptatie. 3. verandering van wetgeving: het regionaal waterprogramma sorteert voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Met de komst van de Omgevingswet komen andere wetten te vervallen. Vooral het wegvallen van de Wet bodembescherming leidt tot andere verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer. Ook veranderende Europese regels, waaronder de richtlijn prioritaire stoffen oppervlaktewater en grondwater, hebben doorwerking in het provinciaal waterbeleid. Hoogheemraadschap van Delfland Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Het Waterbeheerprogramma (WBP6) geeft een integraal overzicht van het werk dat het hoogheemraadschap van Delfland gaat uitvoeren tot en met 2027.

Delfland heeft te maken met uitdagingen zoals: klimaatverandering, verstedelijking, energietransitie, digitalisering, arbeidsmarkt en de veranderende rol van de overheid. Al deze ontwikkelingen dwingt ze om flexibel te blijven, te innoveren, samen te werken en te anticiperen op de veranderende omgeving. Het WBP6 beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met genoemde uitdagingen om te gaan en zo het gebied veilig en leefbaar te houden. Vanwege de complexe opgaven in hun gebied wil Delfland bruggen slaan naar andere partijen en intensiever samenwerken. Het WBP6 benadrukt bij partijen in de omgeving welk werk ze doen en waarom ruimte voor water zo belangrijk is. Delflands Algemeen Waterkeringenbeleid (2010) Het Delflands Algemeen Waterkeringenbeleid geeft op hoofdlijnen het algemene beleidskader aan voor het beheer van de waterkeringen. Met beheer wordt bedoeld 'alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst. De veiligheid is hierbij altijd een harde randvoorwaarde. Hierbij wordt ook rekening gehouden met onzekerheden in klimaat en bodemdaling. Er zijn verder ook criteria gesteld voor medegebruik van de waterkeringen, bijvoorbeeld voor recreatie. Delfland participeert voorts actief in toegepast onderzoek en stimuleert innovaties.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 47

Keur Delfland 2015 en bijbehorende Algemene regels De Keur Delfland 2015 is een verordening die Delfland heeft opgesteld op basis van de Waterschapswet. De Keur bevat bepalingen die nodig zijn voor de behartiging van de opgedragen taken. Deze taken betreffen in ieder geval de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. De Keur bevat onder andere verbodsbepalingen en daarin is bepaald voor welke handelingen een watervergunning nodig is. Het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden is bevoegd deze watervergunning te verlenen. Ook is in de Keur de bevoegdheid opgenomen voor het college tot het stellen van algemene en nadere regels. Deze regels kunnen een vrijstelling van de watervergunningplicht inhouden of een algeheel verbod op het verrichten van bepaalde handelingen. De algemene regels zijn opgenomen in de Algemene regels behorende bij de Keur Delfland 2015. De Keur Delfland 2015 is nog van toepassing tot 31 december 2023, totdat de Omgevingswet in werking is getreden. Gemeente Den Haag Wateragenda (2021-2025) De gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap van Delfland werken gezamenlijk aan een goed Waterbeheer. De gezamenlijke Wateragenda is hier een belangrijk onderdeel van. Het beschrijft hoe de komende jaren omgegaan zal worden met water in de stad en welke acties hiervoor nodig zijn.

Belangrijk element in de Wateragenda is dat wateropgaven integraal in samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen, economie, recreatie, biodiversiteit en cultuurhistorie worden opgepakt. Den Haag en Delfland willen een duurzaam, schoon, gezond en veilig Haags watersysteem en een vitale en aantrekkelijke leefomgeving realiseren. De lange-termijn-doelstelling voor het Haagse waterbeleid luidt daarom als volgt: Het realiseren van een duurzaam schoon en gezond watersysteem, dat bijdraagt aan een aantrekkelijke en veilige (leef)omgeving, waar bewoners en bezoekers van Den Haag op een bewuste manier mee omgaan. Waterbergingsvisie Den Haag In 2006 hebben het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Den Haagde Waterbergingsvisie Den Haag vastgesteld. Hierin is aangegeven welke ruimtelijke en technische maatregelen er genomen moeten worden om het watersysteem in Den Haag op orde te brengen, De visie bestaat ut acht deelgebiedsrapportages. Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 Het Integraal Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 beschrijft voor het eerst integraal de hoofdtaken van de gemeente Den Haag voor de vier watercompartimenten: afvalwater, hemelwater, grond- en oppervlaktewater waarbij de onderlinge relaties, beleid en opgaven beschreven zijn.

Daarnaast is de integraliteit versterkt door de aansluiting bij en afstemming op de bouwopgave, klimaat adaptieve oplossingen bij opgaven in de openbare ruimte en communicatie (interne en externe risicodialogen). In het plan omschrijft de gemeente verder op welke wijze zij invulling geeft aan haar zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater. Het plan beschrijft de voorzieningen die nodig zijn voor de inzameling en het transport van afvalwater, hemelwater en grondwater. Verder beschrijft het de huidige en gewenste staat van het oppervlaktewater en hoe de afstemming is geregeld tussen de gemeente en het Hoogheemraadschap van Delfland. Ook beschrijft het plan de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen en de aangekondigde activiteiten.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 48

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheersgebied van Delfland. In onderstaande waterparagraaf wordt aan de hand van de verschillende thema’s de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding beschreven. Door waterstaatkundige belangen mee te nemen, wordt voldaan aan het vereiste van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Figuur 12. Uitsnede leggerkaart (bron: Hoogheemraadschap van Delfland)

Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen Om die reden is het van belang dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening te houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. Specifiek betekent dit, dat ruimtelijke plannen het in stand kunnen blijven ouden van het vereiste beschermingsniveau tegen overstromingen en het beheer en onderhoud van waterkeringen niet hinderen. Delfland streeft daarbij naar duurzame, robuuste waterkeringen met voldoende ruimte voor beheer en onderhoud en eventuele toekomstige verzwaringen. Voor alle waterkeringen binnen Delfland geldt ‘Delflands Algemeen Waterkeringenbeleid’. Het voldoen aan de veiligheidsnorm is altijd een harde voorwaarden. Binnen Delfland zijn verschillende typen waterkeringen te vinden, namelijk:  Primaire waterkeringen (Zeewering Delflandsedijk zeedijk en Delflandsedijk rivierdijk);  Regionale waterkeringen (genormeerde boezemkaden en genormeerde binnenboezemkaden);  Overige waterkeringen (binnenwaterkering, polderkaden, ongenormeerde binnenboezemkade en de landscheidingen)

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 49

De legger beschrijft aan welke eisen een waterkering moet voldoen qua ligging, vorm, afmeting en constructie. Bovendien hoort bij de legger een overzichtskaart, waarop de ligging van de zonering is te zien. De legger maakt een onderscheid in de volgende zoneringen:  In de zone waterstaatwerk is de waterkering zelf gelegen en moet Delfland de kering kunnen beheren en onderhouden.  Ter weeszijde van de zone waterstaatswerk zijn beschermingszones gelegen. Werkzaamheden, objecten, etc. in deze beschermingszones die het functioneren van de kering in negatieve zin kunnen beïnvloeden, zijn ongewenst.  De zonering profiel van vrije ruimte reserveert ruimte voor een mogelijke toekomstige versterking van de waterkering. In de legger wordt waar nodig aangegeven, welke ruimtelijke reservering daarvoor nodig wordt geacht. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van één van deze boven genoemde zones. Hierdoor vormt het thema ‘Veiligheid en waterkering’ geen belemmering voor de nieuwbouw van een woongebouw ter plaatse van de Laan van Roos en Doorn te Den Haag. Voorkomen wateroverlast Standstill-beginsel (thema voorkomen wateroverlast) Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling worden gecompenseerd.

Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlakte water, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij er compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Indien er een wateropgave is, dan wordt deze bij voorkeur ingevuld door het graven van extra oppervlaktewater in/nabij het plangebied. Dit kan ook in de vorm van een natuurvriendelijke oever langs de bestaande watergangen, die de locatie begrenzen. Indien compensatie in oppervlakte aantoonbaar niet mogelijk is, kan als alternatief voor vasthoudmaatregelen gekozen worden, bijvoorbeeld door waterberging op de projectlocatie zelf, op de daken of onder het maaiveld. Op basis van de Watervisie is geconcludeerd dat voor het Boezemgebied door middel van maatregelen anders dan het toevoegen van oppervlaktewater, het thema waterkwantiteit voldoende onder controle zal kunnen worden gehouden.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 50

In de huidige situatie is het plangebied gedeeltelijk verhard. Van de in totaal 158 m2 is 50 m2 verhard, zie onderstaande figuur. Figuur 13. Verharding huidige situatie (bron: Stijn van den Boogaard Architecture)

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 51

In de toekomstige situatie is sprake van 142 m2 verharding ten behoeve van het woongebouw. Hierdoor neemt de hoeveelheid verharding binnen het plangebied toe waardoor meer hemelwater versneld wordt afgevoerd. Figuur 14. Verharding toekomstige situatie (bron: Stijn van den Boogaard Architecture)

Middels de watersleuteltool (zie bijlage 5) is naast de huidige en toekomstige situatie ook het scenario voor 2050 doorgerekend. Het extra verharden van de projectlocatie zorgt ervoor dat binnen de projectlocatie 7,5 m3 aan water geborgen dient te worden. Om in 2050 een klimaatbestendig en robuust mogelijk watersysteem te hebben dient in daarnaast nog een 1,2 m3 aan waterberging plaats te vinden t.o.v. de huidige situatie. In totaal is hierdoor 8,7 m3 aan waterberging binnen het plangebied noodzakelijk. Bij voorkeur vindt deze waterberging plaats door het realiseren van extra oppervlaktewater. Dit ziet Delfland als de meest betrouwbare en de best te beheren en te handhaven optie. Bovendien kan open water bijdragen aan een goede waterstructuur. Indien het voor een ontwikkeling niet mogelijk is compensatie in oppervlaktewater te realiseren, kan ook worden gezocht naar compensatie in het onderdeel van de trits vasthouden-bergenafvoeren waarin de verslechtering optreedt. Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 52

De waterberging kan in voorliggend geval niet worden gerealiseerd door de bestaande watergangen te verbreden aangezien binnen het plangebied geen watergangen aanwezig zijn en bestaande watergangen buiten het plangebied deel uitmaken van de bestaande hoofdboomstructuur waarbinnen watercompensatie niet is toegestaan. In onderstaande afbeelding is te zien waar de Stedelijke Groene Hoofdstructuur, de ecologische verbindingszones en de hoofdboomstructuur rondom het plangebied liggen. Hierdoor wordt teruggevallen op het nemen van vasthoudmaatregelen ‘Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces’. Figuur 15. Ligging Stedelijke Groene Hoofdstructuur, ecologische verbindingszones en hoofdboomstructuur

De vasthoudmaatregelen voorzien in het installeren van infiltratiekratten (bijvoorbeeld de Duborain Rainboxin 3S) de tuin van de nieuwe woning. Uitgaande van de Duborain Rainboxin 3S (lengte: 1200 mm, breedte 600 mm en hoogte 420 mm) beslaat het infiltratiekrattenveld beslaat een oppervlakte van circa 11 m2, waar in totaal 30 infiltratiekratten in 2 lagen van 15 worden ondergebracht. Het nuttig volume van de kratten bedraagt 291 liter per krat. Dit komt overeen met 0,291 m3 aan waterberging. De 30 kratten tezamen bergen hiermee in totaal 8,730 m3. Hiermee wordt voldaan wordt aan de eis uit de watersleutel waarbij in totaal minimaal 8,7 m3 aan water geborgen dient te worden. Dit hemelwater is afkomstig van het dakoppervlak van de nieuwe woning en zal door een zandvangput worden geleid alvorens te worden geledigd in de infiltratiekratten. Deze infiltratiekratten worden vervolgens met een geknepen afvoerconstructie geleegd op het hemelwaterriool, waarbij de bergingsvoorziening in circa 48 weer volledig beschikbaar is als deze volledig gevuld is. De voorziening betreft geen gestuurd afvoersysteem. Het hemelwaterriool is vervolgens op de omliggende watergang aangesloten.

Voor het water brengen in een oppervlaktewaterlichaam is geen vergunning op grond van artikel 3.2 van de Keur Delfland nodig, indien het brengen van water binnen hetzelfde peilgebied plaatsvindt en het debiet van één perceel op één oppervlaktewaterlichaam niet meer bedraagt dan 100 m³/uur. Aangezien de aan deze voorwaarden wordt voldaan is geen watervergunning noodzakelijk. Voor de vasthoudvoorziening is eveneens geen watervergunning nodig. Het onderhoud van een infiltratievoorziening bestaat uit het periodiek onderhouden (1 tot 3x per jaar) en het controleren van de loofafscheiders of bladvangers op het dak en de zandvangput. Voorbehandeling (filteren) van het inkomend water verhoogt de levensduur van het bekken. Het is dan ook essentieel de filters regelmatig te onderhouden en reinigen: reinigen van voorzieningen voor voorbehandeling, verwijderen van modder en vervanging van filters. Met bovengenoemde maatregelen is de effectiviteit en de betrouwbaarheid van het bergingsbekken gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14089288/1