CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS318506 Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Laan van Roos en Doorn

Commissie Ruimte 15 mei 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken28.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle

Laan van Roos en Doorn te Den Haag concept 23070 23070.GRO 10 mei 2023 E.E. Schijff en L. Jenné drs. ing. M.L.W. Andela

Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628

COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1 2

3

4

5

6 Bijlagen 1 2 3 4 5

Inleiding Projectbeschrijving

4 5

Projectlocatie Projectplan Vigerend bestemmingsplan

5 6 7

Ruimtelijk beleid

10

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

10 12 18 19

Omgevingsaspecten

24

Stedenbouwkundige motivering / Landschappelijke inpassing Archeologie Cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Duurzaamheid Externe veiligheid Geluid Kabels en leidingen Luchtkwaliteit Natuur Ontplofbare oorlogsresten Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling

24 25 25 26 28 28 31 33 35 36 37 41 42 46 57

Beschrijving uitvoerbaarheid

58

Economische uitvoerbaarheid

58

Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid

59

Verkennend bodem en asbestonderzoek (APS - Milieu B.V. april 2023) Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Equipe 3 mei 2023) Quickscan flora en fauna (Equipe 11 mei 2023) Onderzoek stikstofdepositie (Equipe 31 maart 2023) Watersleutel (Hoogheemraadschap Delfland 19 april 2023)

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 3

1

INLEIDING In opdracht van Gemini Development heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van een woongebouw ter plaatse van de Laan van Roos en Doorn, naast 51a in Den Haag. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 4

2

PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de Laan van Roos en Doorn en staat kadastraal bekend als perceelnummer 7697 van sectie P van de kadastrale gemeente ’s-Gravenhage (gemeentecode: GVH11). De Laan van Roos en Doorn maakt deel uit van de buurt genaamd Buurtschap 2005 en is gelegen nabij het centrum van Den Haag. De wijk waarin de projectlocatie gelegen is kent hierdoor veel levendigheid, gekenmerkt door een grote menging van functies in het gebied waarbij de nadruk ligt op wonen, kantoren, detailhandel en horeca. Buurtschap 2005 wordt begrenst door onder andere de Kneuterdijk, de Konninginegracht, Korte Voorhout en de Lange Vijverberg. Tevens bevindt zich de Kazernestraat met veel oude koetshuizen en de nieuwbouw van de Algemene Rekenkamer en de Hoge Raad der Nederlanden in het Buurtschap 2005. Daarnaast ligt het Louis Couperusplein, de vroegere locatie van de Oranjekazerne, en een aantal wateren, zoals de Hooigracht, in deze buurt. De wijk wordt gevormd door een groot aantal statige, oude straten. De bebouwing bestaat dan ook grotendeels uit deftige herenhuizen van drie á vier woonlagen. De gevels van de bebouwingen kenmerken voornamelijk zich door baksteen afgewisseld met witte spekbanden. Hierdoor is er sprake van een ruimtelijke eenheid in Buurtschap 2005. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie (bron: eigen bewerking QGIS)

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 5

PROJECTPLAN In de huidige situatie zijn de gronden ter plaatse van de projectlocatie grotendeels onverhard. Er is geen bebouwing aanwezig ter plaatse. De gronden bestaan uit een afgesloten gebied, dat ingeklemd ligt tussen twee gebouwen. Op de gronden is een put alsmede een schuurtje aanwezig. Het overgrote gedeelte van het terrein is overgroeid door planten. Figuur 2. Huidige situatie (bron: eigen bewerking, QGIS)

Het doel is om op de gronden één woonhuis, bestaande uit drie bouwlagen, een kapverdieping en een daarbij behorende garage te realiseren.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 6

Figuur 3. Schets van de voorgevel in toekomstige situatie (bron: tekeningnummer OV 500, stijnvandenboogaard architecture)

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Binnenhof e.o.” vigerend. Dit plan is op 20 februari 2014 vastgesteld door de gemeenteraad van Den Haag. De projectlocatie heeft de bestemming ‘Tuin’, met de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’. Figuur 4 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief. Figuur 4. Uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl geraadpleegd op 1 mei 2023)

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 7

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en daarbij behorende bouwwerken geen gebouw zijnde, alsmede paden, groen, water en andere bij de bestemming horende voorzieningen. Toets aan bestemmingsplan De ontwikkeling van een woonhuis met garage is op de volgende onderdelen in strijd met het vigerende bestemmingsplan:  Er is geen bouwvlak aanwezig waarin gebouwd mag worden  Een woonhuis is niet toegestaan op de gronden met de bestemming ‘Tuin’  Een garage is niet toegestaan op de gronden met de bestemming ‘Tuin’ Ten aanzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ geldt dat de gronden met deze bestemming mede bestemd zijn voor behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht ‘Centrum Den Haag’. Het bouwen moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden en nadat hierover advies is ingewonnen van de Monumentencommissie. In haar beginseluitspraak geeft de gemeente Den Haag aan dat het initiatief getoetst is aan de wet- en regelgeving. De gemeente Den Haag heeft verklaard in beginsel medewerking te willen verlenen. Hierdoor kan gezegd worden dat de beoogde plannen geen afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht ‘Centrum Den Haag’.

Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’. Het betreft een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure, daar er geen mogelijkheid is om gebruik te maken van een binnenplanse afwijking. Reden hiervoor is dat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden niet toereikend zijn voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling. Daarnaast kan er geen gebruik worden gemaakt van de kruimelgevallenregeling. De kruimelregeling kan gebruikt worden voor een aantal specifieke gevallen, het realiseren van een woonhuis op leegstaande gronden is niet zo’n geval.

Parapluherziening (fiets)parkeren Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK in werking getreden. Een gevolg van deze wet is dat in nieuw vast te stellen bestemmingsplannen moet worden geregeld dat wordt voorzien in ‘voldoende parkeergelegenheid’. Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening (fiets) parkeren’, vastgesteld op 20 september 2018 door de gemeenteraad van Den Haag, heeft als doel om de bestemmingsplannen binnen de gemeente aan te vullen met een (volledige) parkeerregeling. Hierdoor kan bij toetsing van omgevingsvergunningen aan het bestemmingsplan ook het aspect parkeren betrokken worden. Tevens heeft de parapluherziening tot doel om het meest recente parkeerbeleid en de beleidsregel Fiets parkeernormen te borgen, zodat omgevingsvergunningen getoetst worden aan het meest actuele beleid. Ten slotte heeft de parapluherziening als doel om het gelijkwaardig toetsen van aanvragen voor een omgevingsvergunning binnen de gemeente te bewerkstelligen. Toets aan het bestemmingsplan Aan het bestemmingsplan Parapluherziening (fiets)parkeren wordt getoetst in paragraaf 4.15.

Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten’ is vastgesteld op 20 december 2020 door de gemeente Den Haag. De staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging alsmede de Staat van bedrijfsactiviteiten op bedrijventerreinen worden als bijlage in planregels opgenomen in veel Haagse bestemmingsplannen en beheersverordening. In combinatie met de planregels kan op basis van deze staten worden geconcludeerd of een bepaald type bedrijf is toegestaan. In een aantal bestemmingsplannen en beheersverordeningen zijn in de Staat van bedrijfsactiviteiten scholen, supermarkten en bioscopen opgenomen.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 8

De gemeente is echter van oordeel dat dit geen bedrijven zijn en derhalve niet toegestaan zijn binnen een bedrijfsbestemming. Daar dit leidt tot onduidelijkheden omtrent de toetsing van omgevingsvergunningen, is desbetreffend paraplubestemmingsplan opgesteld. Toets aan het bestemmingsplan De ontwikkeling ziet op de realisatie van een woonhuis bestaande uit drie bouwlagen, een kapverdieping en een garage. Realisatie van een bedrijf wordt niet beoogd, hierdoor is de Parapluherziening Staat van Bedrijfsactiviteiten niet relevant voor de ontwikkeling. Toetsing aan dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk.

Parapluherziening Flitsbezorging Aanleiding van de Parapluherziening Flitsbezorging is de opkomst van zogenaamde flitsbezorging in Den Haag en de daarmee samenhangende specifieke bedrijfsvoering. Omdat flitsbezorging juridisch gezien onder detailhandel kan worden geschaard, maar ruimtelijk en functioneel niet past binnen de hoofdwinkelstructuur, is een parapluherziening gewenst. Deze is daarom vastgesteld op 1 december 2022 door de gemeenteraad van Den Haag. De parapluherziening heeft tot doel het reguleren van de vestiging van nieuwe flitsbezorgdiensten via ruimtelijke besluitvorming. Dit doel moet bereikt worden middels het opstellen van planregels gericht op het weren van flitsbezorging uit de Haagse hoofdwinkelstructuur en de gedeeltelijke herziening van een aantal bestemmingsplannen. Door nieuwe vestigingen van flitsbezorging binnen de Haagse hoofdwinkelstructuur te verbieden en de bestemmingsplannen die binnen deze structuur vallen gedeeltelijk aan te passen, wordt meer grip op de locaties van toekomstige vestigingen geëffectueerd. Toets aan het bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een woning. Flitsbezorgingsdiensten maken geen onderdeel uit van de plannen. Dit bestemmingsplan wordt niet nader beschouwd, daar toetsing aan het plan niet nodig is.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 9

3

RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 5. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 10

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één woonhuis bestaande uit drie bouwlagen, een kapverdieping en een parkeergarage. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. De nationale belangen, de vier prioriteiten uit de Uitvoeringsagenda en de afwegingsprincipes staan de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

Gemotiveerd kan worden dat de ontwikkeling juist een bijdrage kan leveren aan de nationale belangen, waaronder het bevorderen van de duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Gezien de verdichting door het toevoegen van één woning daar waar er nu nog geen is, wordt ook zorg gedragen voor het uitbreiden van de woningvoorraad. 3.1.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling raakt geen van de 21 nationale belangen. Tevens worden de vier prioriteiten, de Uitvoeringsagenda en de afwegingsprincipes uit de NOVI niet geraakt. Beleid voor deze specifieke locatie dan wel ontwikkeling wordt daarom overgelaten aan de provincie en de gemeente.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is niet gelegen op één van de zeventien kaarten van het Barro. Tevens is de locatie niet gelegen op een van de kaarten van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). 3.1.2.2 Conclusie Het Barro alsmede het Rarro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 11

De ladder voor duurzame verstedelijking (verder: de Ladder) is als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Het doel van de Ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. 3.1.3.1 Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling betreft de realisatie van één nieuwbouw woning met parkeergarage en kan daardoor, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, mogelijk worden getypeerd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. In het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) is een ontwikkeling die voorziet in meer dan 11 woningen, in beginsel aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, onder i Bro. De woningbouwontwikkeling voegt ten opzichte van de huidige situatie één woning toe en is daardoor niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Hierdoor is het aantonen van nut en noodzaak van deze ontwikkeling middels het doorlopen van de Ladder niet noodzakelijk.

3.1.3.2 Conclusie De Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. De bepalingen van het Bro vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.

PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 2023) Per 13 april 2022 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is het al bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zeven richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld. Deze ambities zijn als volgt:       

Ambitie 1: samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; Ambitie 2: bereikbaar Zuid-holland: efficient, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; Ambitie 3: schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; Ambitie 4: een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; Ambitie 5: versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving Ambitie 6: sterke steden en dorpen in Zuid-holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. Ambitie 7: gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving.

Bovenstaande ambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen. De beleidsdoelen omschrijven aan welke maatschappelijke opgaves de provincie Zuid-Holland werkt. Deze opgaven worden geconfronteerd met concrete omstandigheden en doelen van maatschappelijke partners. In de uitkomst van deze confrontatie komen knelpunten naar voren en ontstaan er kansen om de opgaven verder te brengen.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 12

Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:  De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.  Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.

 Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en de schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van een nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.  Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Inpassing Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. Aanpassing Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg.

De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar en kwalitatief optimaal resultaat, ontwerpoptimalisaties, inpassingsmatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformatie Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 13

Figuur 6. Inpassing, aanpassing of transformatie (bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland).

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast de gebiedsprofielen heeft de provincie ook handreikingen ruimtelijke kwaliteit die handvatten bieden om de ruimtelijke kwaliteit te versterken: - Werkboek ruimtelijke kwaliteit met een stappenplan - Handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie Zuid-Holland - Ruimtelijk perspectief dijken - Handleiding opstellen beeldkwaliteitsparagraaf - Handleiding infrastructuur Tevens heeft de provincie Zuid-Hollland een onafhankelijk provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit (PARK) die gevraagd en ongevraagd advies uitbrengt over het behouden en versterken van ruimtelijke kwaliteit in de provincie. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling wordt hieronder getoetst aan de provinciale vernieuwingsambities inzake de ruimtelijke kwaliteit. Provinciale vernieuwingsambities De voorgenomen ontwikkeling ziet op de realisatie van een woongebouw op een ongebruikt, overgroeid stuk grond tussen twee gebouwen in .

Hierdoor levert de ontwikkeling een bijdrage aan de ambitie ‘Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit’. Door het toevoegen van de woning wordt er bijgedragen aan het versnellen van de woningbouw en door het toevoegen van een woning op deze locatie wordt de ruimtelijke en sociale kwaliteit behouden en zelfs versterkt. Beleid ruimtelijke kwaliteit De beoogde ontwikkeling is aan te merken als het type ‘inpassen’. De ontwikkeling verandert bestaande structuren en kwaliteiten nauwelijks, daar dit het realiseren van een woning betreft binnen een gebied met woningen en commerciële voorzieningen. In onderstaande tabel heeft de toets aan de kwaliteitskaarten plaatsgevonden. De weergegeven richtpunten vormen in meer of mindere randvoorwaarden voor de beoogde ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 14

Kwaliteitskaart Laag van de ondergrond

Gebied Kustcomplex- zeezandafzetting

Laag van de cultuur en natuurlandschappen Laag van de stedelijke occupatie

n.v.t. ‘Historische centra en kernen’, ‘Steden en Dorpen’ en ‘Bouwwerken voor energieopwekking’

Richtpunten - De ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijke dynamiek en omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/ vooroever). - Ontwikkelingen houden het verschil herkenbaar tussen “hoog en droog” en “laag en nat” en bouwen voort op de parallelle kuststructuur. - Veiligheidmaatregelen zijn mede gericht op het versterken van het natuurlijk kustkarakter. n.v.t. Richtpunten ‘Historische centra en kernen’ - geen Richtpunten ‘Steden en Dorpen’ - Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/ identiteit van stad, kern of dorp. - Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. - Daar waar hoogbouw niet samenvalt met ‘zwaartepunten’ in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. - Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. - Een nieuwe uitbreidignswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). - Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 15

- Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. - Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. - Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.

Laag van de beleving Gebiedsprofiel grenzen

n.v.t. n.v.t.

‘Bouwwerken voor energieopwekking” - Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energieopwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving. n.v.t. n.v.t.

3.2.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling kan een bijdrage leveren aan de vernieuwingsambities van de provincie. Voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit is het van belang dat de voorgenomen ontwikkeling valt aan te merken als ‘inpasbaar’. Dit houdt in dat de beoogde ontwikkeling aansluit bij de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Bij de richtpunten die volgen uit de kwaliteitskaarten kan (geheel) worden aangesloten. In paragraaf 3.2.2 wordt getoetst aan de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd 2023) In 2023 is tevens de Zuid-Hollandse omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsverordening is grotendeels bepaald door de omgevingsvisie. In de verordening zijn regels opgenomen voor het benutten en ter bescherming van de fysieke leefomgeving. Om te bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, dient gekeken te worden naar de ruimtelijke impact van de desbetreffende ontwikkeling. De grootte van de impact wordt bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Bestaand stads-en dorpsgebied Uitgangspunt van de strategie voor bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkelingen vinden daardoor primair plaats binnen het BSD. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie ligt binnen het BSD. De contour bestaand stads- en dorpsgebied 2018 (figuur 7) is vastgesteld op 20 februari 2019.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 16

Figuur 7. Uitsnede kaart bestaand stads-en dorpsgebied 2018 (bron: Provincie Zuid-holland, Staat van Zuid-Holland)

Tevens zijn er in de Omgevingsverordening een aantal bepalingen opgenomen waaraan de beoogde ontwikkeling moet voldoen. Deze zijn in de tabel hieronder opgenomen. Kaart 1: Provincie Zuid- Holland

Thema Risico’s van klimaatverandering

Artikel Art. 6.27a

14: Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën

Ruimtelijke kwaliteit

Art. 6.9 lid 1

22: Planoptimalisatie

Openbaar vervoer, verstedelijking

Art. 3.10c

Randvoorwaarden Een plan of project houdt rekening met de gevolgen van de klimaatverandering. Zie par. 3.4.3 en par. 4.6. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling doet tenminste geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit per saldo. Zie par. 4.1.1 en 4.3.1. Bij realisatie van nieuwe woningen in een stadsomgeving wordt een parkeernorm van max. 0.7 autoparkeerplaatsen per woning gehanteerd. Zie par. 4.14

3.2.2.2 Conclusie Aan de regels zoals opgenomen in de PRV wordt, voor zover relevant in het kader van voorliggende ontwikkeling, voldaan.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 17

REGIONAAL BELEID Strategische Agenda MRDH 2022 – Samen aan het werk De 21 gemeenten in de metropoolregio Rotterdam Den Haag werken samen aan het vernieuwen van de economie en het verbeteren van de bereikbaarheid. In 2019 werden de gezamenlijke ambities vastgelegd in een Strategische Agenda. De ontwikkelingen in de samenleving gaan echter snel en de opgaven waarvoor we staan zijn dusdanig groot dat de Strategische Agenda momenteel geactualiseerd wordt. Naar verwachting is de actualisatie deze maand afgerond. De regio staat voor de volgende opgaven: Groei van de regio  Klimaat onder druk  400.000 inwoners erbij  Verkeer loopt vast Kwaliteit van de regio  Natuurlijke omgeving onder druk  Inefficiënt ruimtegebruik  Achterstallig onderhoud infrastructuur Herstel van de regio  Investeren in OV noodzakelijk  OV uit de rode cijfers halen  Onvoldoende OV Vangnet (Rijk) Vernieuwen van de regio  Verouderde technologie  Schaarse werkruimte  Mismatch arbeidsmarkt 3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling Door de toename van het aantal inwoners in de regio en het tekort aan woningen, kan de beoogde ontwikkeling een bijdrage leveren aan de opgaven waar de regio de komende periode voor staat. De ontwikkeling zorgt voor het toevoegen van een kwalitatief goede woning waarbij er rekening is gehouden met het klimaat dat onder druk staat.

Zo wordt er voorzien in waterberging op eigen terrein en wordt onder andere gebruik gemaakt van pv-panelen. Bovendien wordt de ontwikkeling gerealiseerd op een ongebruikt stuk grond tussen twee gebouwen in de binnenstad van Den Haag, hierdoor is er sprake van efficiënt ruimtegebruik. Tevens wordt er voorzien in voldoende parkeergelegenheid, daar de ontwikkeling ook ziet op het realiseren van een parkeergarage. 3.3.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de Strategische Agenda voor de metropoolregio Rotterdam – Den Haag.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 18

GEMEENTELIJK BELEID Wéreldstad aan Zee, Structuurvisie Den Haag 2020 Op 17 november 2005 heeft de gemeenteraad van Den Haag de Structuurvisie Den Haag 2020 vastgesteld: de toekomstvisie van Den Haag op de ruimtelijke ontwikkeling van de stad in regionaal perspectief tot het jaar 2020. De ambitie is om van Den Haag een ‘Wereldstad aan Zee’ te maken door de sterke kwaliteiten van Den Haag te benutten: een internationale stad, een stad aan zee, een multiculturele stad en een monumentale residentie. De structuurvisie Den Haag 2020 beschrijft het gewenste toekomstbeeld en de ruimtelijke veranderingen die de komende vijftien haar nodig zijn om dat te bereiken. Het gemeentebestuur van Den Haag heeft zich daarbij sterk laten leiden door de ideeën en opvattingen die in de stad en regio leven. Aan de structuurvisie ging een proces vooraf van luisteren, discussie en ideevorming. Het enthousiasme en de wil om mee te werken aan de toekomst wil het gemeentebestuur graag vasthouden. Daarin vervult de gemeente Den Haag een actieve regierol. 3.4.1.1 Relatie tot ontwikkeling Keuzes in de structuurvisie krijgen effect als ze ver doorwerken in het gemeentelijk beleid. De structuurvisie is richtinggevend voor nieuwe beleidsplannen en kaderstellend voor ruimtelijke uitwerkingen.

De structuurvisie vraagt om een ambitieus investeringsprogramma: in een groene, veilige leefomgeving (groen, water, recreatieve fietsroutes), in een bereikbare stad en regio (openbaar vervoer, wegen), in een werelds voorzieningenniveau en in kwalitatief hoogwaardige woningbouw in de ontwikkelingsgebieden. In de structuurvisie is een toekomstvisie gegeven. Den Haag wil door slim ruimtegebruik ruimte toevoegen voor wonen en werken. Gelijktijdig wil Den Haag stevig investeren in de kwaliteit van het groen, de openbare ruimte, ruimte om te sporten en de bereikbaarheid. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woning met garage. De gronden betreffen een strook onbebouwde en onbewerkte grond tussen twee (woon)gebouwen in. Door de ontwikkeling vindt er een verdichting van het woningaantal plaats. Dit past binnen de visie en doelen van de Structuurvisie Den Haag 2020. 3.4.1.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de toekomstvisie en de doelen uit de Structuurvisie Den Haag 2020.

Agenda Ruimte voor de stad De Agenda Ruimte voor de stad is het richtinggevend document voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad en als zodanig de ruimtelijke onderlegger voor de Omgevingsvisie. Voor de Agenda Ruimte voor de stad zijn vier transitie opgaven van belang: de ontwikkeling naar een nieuwe economie, de vraag om een inclusieve en veerkrachtige samenleving, de roep om slimme stadsontwikkeling en de opgave voor de overheid om in dit proces organiserend vermogen te tonen en ruimte te beiden voor maatschappelijk initiatief. Dat vraagt om ruimte voor innovatieve milieus, met ontmoetings- en experimenteerruimte, en aantrekkelijke vestigingsmilieus voor starters, studenten, creatievelingen, kenniswerkers en (stedelijke) gezinnen én ondernemende mensen. Stedelijke ontwikkeling is geen zaak van de gemeente alleen; allerlei partijen spelen daarin een rol. Bij de uitwerking van de Agenda wordt inhoud gegeven aan het “samen stad maken” langs vier “sporen”: ruimte bieden aan initiatieven, co-creatie van ruimtelijke plannen, stadsdebat over de toekomst van de stad en de samenwerking met stakeholders. Er is daarmee ook geen “blauwdrukplanning” aan de orde. Met behulp van negen principes voor stedelijke ontwikkeling wordt in de Agenda Ruimte voor de Stad aangegeven hoe de ontwikkelingen gestuurd worden:

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 19

  

Kwaliteit van het proces door samen stad maken waar mogelijk ruimte aan initiatiefnemers, daarbij hoort ook experimenteerruimte die belangrijk is voor innovatie en dynamiek in de stad en ruimtelijke keuzes om antwoorden te bieden op de stedelijke en regionale opgaven. Ruimtelijke kwaliteit, zoals groen, cultuurhistorisch erfgoed en de buitenruimte omdat die in belangrijke mate bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en het economisch vestigingsklimaat. Kwaliteit door integrale samenhang met sociaal-maatschappelijke opgaven, zoals de opgave om sociaaleconomische differentiatie, functiemenging en ruimte voor wijkeconomie te bevorderen in wijken waar dat nodig is gelet op bijvoorbeeld werkeloosheid.

Het belang van veel lopende projecten wordt met deze agenda benadrukt. Goede uitvoering met ook oog voor de tijdelijke situatie vraagt een enorme inzet. Daarnaast zullen op basis van deze agenda nieuwe locaties in ontwikkeling worden gebracht. Het betreft zowel het in ontwikkeling brengen van de zachte planvoorraad als nieuwe locaties op basis van deze agenda. Het tot ontwikkeling brengen van deze locaties zal meer dan voorheen in coproductie gebeuren met de stad. Deelgebieden In de Agenda Ruimte wordt onderscheid gemaakt in vijf deelgebieden, waar verschillende thematische opgaven bij elkaar komen. De deelgebieden zijn: 1. Hart van Den Haag 2. Central Innovation District (CID) en Binckhorst 3. Stedelijke Kust 4. Zuidwestflank 5. Omgeving Prins Clausplein De vijf deelgebieden zijn weergegeven op kaarten. De aanduidingen op deze kaarten zijn indicatief. De kaarten en de daar bijbehorende begeleidende teksten geven richting aan een gebiedsgerichte uitwerking van de hoofdopgaven. De deelgebieden moeten in samenhang gezien worden met de ruimtelijke structuur van de stad, om de deelgebied-overschrijdende verbanden te kunnen zien. Zo maakt de stedelijke kust deel uit van de bredere kustzone met samenhangende opgaven. Ook is de samenhang relevant tussen kust, internationale zone, centrum, CID en Binckhorst.

3.4.2.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt op grond van de ‘Ruimtelijke structuur en deelgebieden’-kaart deel uit van het deelgebied ‘Hart van Den Haag’. In figuur 8 is een uitsnede van deze kaart opgenomen, de projectlocatie is hierop bij benadering weergegeven. Dit hart wordt sterker en groter en biedt een plek waar Hagenaars, Hagenezen, (kennis)werkers, ondernemers, bezoekers en toeristen samenkomen. De gemeente gaat door met het versterken van het centrum, hierbij is de inzet om het succesvolle centrumgebied uit te breiden. Hierbij is de inzet het groot-stedelijk hart aantrekkelijker maken voor talent, bezoekers, stedelijke gezinnen en mensen die er nu wonen.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 20

Figuur 8. Kaart Hart van Den Haag , projectlocatie ter hoogte van blauwe stip. (brond: Agenda Ruimte voor de Stad, 2016).

3.4.2.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het ruimte bieden aan, onder andere, een stedelijk gezin. Bovendien betreft het een kwalitatief goede woning met een aantrekkelijke gevel die past in het heersende straatbeeld. Hierdoor draagt de ontwikkeling bij aan het aantrekkelijk houden van het centrum van Den Haag. De structuurvisie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308745) De gemeente heeft beleid vastgesteld in de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig. Doel van deze wegwijzer is om de bestaande en nieuwe stad klimaatbestendiger in te richten tegen extreme neerslag, hitte en droogte. Extreme neerslag Als algemene ambitie streven gemeente ernaar dat in 2050 in Den Haag bij een korte hevige bui van 70mm in 1 uur (eens in 100 jaar in 2050 volgens huidig klimaatscenario KNMI/STOWA):  Er geen schade vanuit de openbare ruimte ontstaat aan gebouwen.  Vitale infrastructuur en nutsvoorzieningen blijven functioneren.  Routes en locaties voor hulpdiensten beschikbaar blijven.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 21

Voor nieuwe ontwikkelingen en herinrichtingen geldt daarnaast: a. Bij nieuwbouw stellen we de eis dat er 50mm van een korte hevige bui van 70mm in 1 uur op privaat terrein tijdelijk kan worden opgevangen en dat na minimaal 24 en maximaal 48 uur de bergingscapaciteit weer beschikbaar is. b. Bij nieuwe ontwikkelingen is de ambitie dat we waterrobuust bouwen: Een waterrobuust ontwerp op het niveau van het gebouw voorkomt/beperkt waterschade bij extreme neerslag (bijvoorbeeld geen vitale of kwetsbare functies in kelders). We wijzen ontwikkelende partijen in de stad op de uitgevoerde stresstesten, zodat ze zelf aanvullende maatregelen kunnen nemen (om bijvoorbeeld schade bij een nog extreem heviger bui van 100mm/2uur te voorkomen). c. Via de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om voor 2050 de bekende knelpunten in de openbare ruimte bij een bui van 70mm te verhelpen. Hitte Als algemene ambitie streven gemeente ernaar dat Den Haag in 2050 beter bestand is tegen hitte en dat:  De openbare ruimte en gebouwen hittebestendiger, en in samenhang groener en met een mix van schaduw en zon worden ontworpen, zodat een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving ontstaat;  De gezondheidsimpact op kwetsbare groepen wordt verkleind via voorlichting en meer koele plekken;  Vitale infrastructuur en hulpvoorzieningen blijven functioneren.

Voor nieuwe ontwikkelingen en herinrichtingen geldt daarnaast: a. Bij hoogbouw (vanaf 50 meter) stellen we in lijn met de Nota Haagse hoogbouw (RIS298448) de eis dat minimaal 100% van de footprint van de stedelijke laag terugkomt als horizontale buitenruimtes, zoals daktuinen. Daarvan moet minimaal 40% ingericht worden met groen dat een bijdrage levert aan biodiversiteit en beperking opwarming. Beheer dient daarbij geregeld te zijn; b. Bij nieuwbouw is de ambitie dat we hitte-robuust bouwen: Maak zon georiënteerde gevels warmtewerend en/of groen en voorkom dat koelsystemen de (verblijfs)ruimte in directe omgeving opwarmen. Zorg daarbij voor hittebestendige hoofdinfrastructuur en andere nutsvoorzieningen, zoals waterleidingen, elektriciteit etc. c. De ambitie is om 40% van de buitenruimte in te richten middels groen, warmtewerende materialen en/of water; bij verblijfsplekken hanteren we een zon/schaduwverhouding van 50% - 50% op de hoogste stand van de zon op 21 juni om 14 uur. Droogte Algemene ambitie is in Den Haag dat droogte in 2050:  Wordt beperkt door maximale sponswerking in de stad via oplossingen in groen en bodembuffers en door wateraanvoer via het (stedelijke/regionale) oppervlaktewatersysteem;  Niet leidt tot onomkeerbare schade aan kwetsbare gebouwen, infrastructuur, groen en ecologische waarden. Voor nieuwe ontwikkelingen/herinrichtingen geldt daarnaast: a.

In het plangebied is de ambitie om 50% (450 mm) van de jaarlijkse neerslag te infiltreren en/of te hergebruiken. b. Bij de herinrichting van de openbare ruimte in de bestaande stad treft de gemeente maatregelen om de gevolgen van droogte structureel te beperken. 3.4.3.1 Relatie tot ontwikkeling Bij de realisatie wordt er rekening gehouden met de ambities die gelden voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van extreme neerslag. Hoewel er verharding plaatsvindt, worden er ook maatregelen getroffen om 8,7 m3 water te bergen middels het gebruik van infiltratiekratten.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 22

3.4.3.2 Conclusie Met de realisatie van de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de ambities die gelden voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van extreme neerslag, hitte en droogte. Zo wordt er gebruik gemaakt van infiltratiekratten om voldoende waterberging te realiseren. Hiermee is het plan in overeenstemming met de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 23

4

OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING / LANDSCHAPPELIJKE INPASSING Aan de Laan van Roos en Doorn in het Haagse (oude) stadscentrum is een nieuwbouwplan voor een stadswoning voorzien. De huidige bestemming voorziet niet in wonen. Op de huidige locatie treffen we een oude bakstenen tuinmuur met twee toegangsdeuren aan, die de kavel afscheidt van de straat. Een als toegang tot het terrein en een ten behoeve van de ontsluiting van de tuinen van de omliggende percelen. De beoogde stadswoning bestaat uit drie bouwlagen en een kapverdieping. Het huis is qua opzet en grootte gelijkend aan de koetshuis-vormige perceel-bebouwing links van de locatie. Allen unieke en op zichzelf staande voormalige koetshuizen, met hun eigen karakter, vorm en kaparticulatie. De nieuwbouw wordt een even zo eigen karakter meegegeven, een traditioneel geleden begane grond gevel, een meer open gewerkte 1ste etage die zich naar de Hooikade/gracht richt en een derde en vierde laag die zich als kap tonen. Aan de achterzijde heeft de stadswoning een getrapte uitbouw waarbij de achtergevel gelijkligt aan de hoofdmassa van het aan de linkerzijde gelegen perceel nr. 51. De beknopte binnentuin/patio ligt ook naast de tuin van perceel nr. 51. De uitbouw van de woning vorm zo een buffer tussen de tuinen en het grote en diepe bouwblok van perceel nr. 49.

Het plan voorziet in een eigen en afdoende parkeervoorziening, e.e.a. conform de geldende normeringen. Deze nieuwe stadswoning sluit met haar linker bouwmuur/zijgevel aan op de Laan van Roos en Doorn 51 en blijft met een gangpad aan de rechterkant vrij van het vier en zelfs vijf-laagse kolossale woonblok uit de jaren ’90. Een bouwblok/-vlak differentiatie die we meer in de ‘laan’ zien voorkomen; grote complexen bouwblokken worden afgewisseld door grote(re) en kleine(re) woonhuizen en koetshuizen. Het gevelbeeld in de ‘laan’ wordt nu onderbroken door de tuinmuur, die slechts reikt tot de eerste verdiepingsvloer van de naastgelegen panden. Achter de tuinmuur ligt nu een verwaarloosde tuin zonder noemenswaardige planten en zonder bomen. Hiermee hoeven er voor de planrealisatie ook geen bomen en of beschermd groen te worden gerooid. De stadswoning invulling die hierbij wordt voorgesteld, vult de lege en open plek in het gevelbeeld op, dit met een stadhuis dat qua verhouding en afmetingen, aansluit en verbinding geeft aan beide buurpanden. Het plan voldoet hiermee aan zowel het HIT advies d.d. 20 juli 2017 als de uitspraak op de beginselaanvraag met kenmerk 202111825/8284528 van de Gemeente Den Haag. Over de beginselaanvraag werd het volgende geschreven: “De nu voorliggende aanvraag is op deze punten aangepast en voldoet qua stedenbouwkundige inpasbaarheid.

De bovenste laag is uitgevoerd als kapverdieping met dakschilden zodat het overeenkomt met de panden in de omgeving. Het hoofdvolume steekt niet meer te diep het bouwblok in op begane grond en tevens op de eerste verdieping. Er is een tweelaagse aanbouw aan de achterzijde van beperkte omvang, het grootste deel is éénlaags. Hierdoor is het passend reagerend op de omgeving waarbij op het buurkavel over grote diepte achterop het perceel bebouwing is gesitueerd. Vanuit ruimtelijk oogpunt is het zodoende een goed mogelijke ontwikkeling dat het ‘gat’ in het bouwblok wordt opgevuld met een stadswoning. De bezonningsstudie toont aan dat de omliggende woningen niet onder de bezonningsnorm komen te liggen door de ontwikkeling van de beoogde bouwmassa”.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 24

Conclusie Het aspect stedenbouw vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

ARCHEOLOGIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke op 1 januari 2024 in werking treedt. Archeologische waarden- en verwachtingenkaart Den Haag De afdeling Archeologie van Den Haag heeft een gemeentedekkende kaart opgesteld, de zgn. Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart, kortweg ‘AWVK’. Hierop is aangegeven waar belangrijke archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, waar vindplaatsen worden verwacht, en welke zones geen archeologische betekenis hebben. Per zone is aangegeven welke onderzoekseisen, diepte- en oppervlaktevrijstellingen er bij ruimtelijke ontwikkelingen gelden voor de omgang met het al dan niet aanwezige bodemarchief.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is op grond van het geldende bestemmingsplan niet aangewezen met een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ ter bescherming van archeologische waarden. Daarnaast blijkt uit de AWVK van de gemeente Den Haag dat de locatie zich niet bevindt ter plaatse van een zone met archeologische verwachting. Dit betekent dat de gronden niet mede bestemd zijn voor de bescherming van (mogelijke) archeologische waarden in de gronden,

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. In de Erfgoedwet is onder andere opgenomen hoe de rijksbeschermde collecties worden beheerd, hoe rijksbeschermd erfgoed wordt aangewezen en hoe het wordt beschermd. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 25

Monumentenverordening Den Haag 2019 Met ingang van 28 december 2019 is de Monumentenverordening Den Haag 2019 geldend. De verordening gaat in op onder andere de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten, en op de gemeentelijk beschermde stadsgezichten.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de dubbelbestemming ‘Waarde-cultuurhistorie’. Dit betekent dat de gronde mede bedoeld zijn voor het behouden en beschermen van cultuurhistorische waarden ter plaatse van de projectlocatie. Voor het bouwen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ geldt dat er een omgevingsvergunning nodig is voor het bouwen van een bouwwerk alsmede het aanbrengen van oppervlakteverharding in het algemeen én het wijzigen van bestratingsmaterialen. Bovendien worden de bouwwerken en werkzaamheden als toelaatbaar gezien indien deze:   

Geen afbreuk doen aan de bescherming van de waarde(n); Er vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van een deskundige op het terrein van cultuurhistorische waarden: Geen neveneffecten teweegbrengen die de doelmatigheid van de bestemming van de gronden, of van de gronden elders in het plangebied, ingrijpend verstoren.

Conclusie Zoals uit paragraaf 4.1 blijkt is in de beginseluitspraak geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling qua stedenbouwkundige inpasbaarheid voldoet. Hiermee vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m Pagina | 26

5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Functiemengingstrategie gemeente Den Haag De gemeente Den Haag heeft een verdichtingsopgave. Om deze verdichtingsopgave te realiseren en het grondgebruik te optimaliseren is functiemenging een goed instrument. Functiemenging kan plaatsvinden op het niveau van een pand, een blok of een heel deelgebied. De omvang is afhankelijk van het soort locatie. Een werkruimte, zoals een kantoor of praktijk, kleiner dan circa 100 m2 mag zich vestigen in woonstraten. Voor een werkruimte tussen 100 m2 en 500 m2 geldt dat deze langs de doorgaande wegen een plaats kan krijgen. Bedrijven die groter zijn dan 500 m2 zouden op een bedrijventerrein of een kantorenlocatie een plaats moeten krijgen. Vooral combinatiegebouwen met praktijken kantoorruimtes (tandarts, kapper en accountantskantoor) en wonen moeten worden gestimuleerd. De VNG heeft de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld.

In de handreiking staan uitgebreide lijsten met richtafstanden die aangehouden moet worden om voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies zoals wonen. In de richtafstanden lijst zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan, afhankelijk van het omgevingstype, van worden afgeweken. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de afstanden uit de richtafstanden lijst bijvoorbeeld met één afstandstap worden verminderd.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Tuin’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Wonen’, ‘Kantoor – 2’ en ‘Gemengd’. In het geldende bestemmingsplan is over het Buurtschap 2005 (Denneweg, Hooikade e.o) waartoe de projectlocatie behoort opgenomen dat het Buurtschap 2005 in de Toekomstvisie aangemerkt is als een Horecaconcentratiegebied. Hier is sprake van een combinatie van winkels en horeca. De buurtschap kenmerkt zich vooral door de vestiging van een aantal betere restaurants. Daarnaast heeft het gebied ook een belangrijke woonfunctie. Uitbreiding van horeca in de categorie zwaar wordt niet wenselijk geacht. Het gemengde karakter (wonen, winkelen, recreëren) van het gebied rond Buurtschap 2005 wordt verder gestimuleerd. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat sprake is van gemengd gebied. De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van een gevoelige functie in het kader van bedrijven en milieuzonering, namelijk woningen. De meest nabijgelegen bedrijvigheid betreft een horecafunctie die aan de projectlocatie grenst. Het betreft een restaurant die in de Staat van horeca-categorieën valt onder de categorie middelzwaar. Binnen het plangebied van geldende bestemmingsplan is functiemenging van toepassing.

Een restaurant betreft binnen de systematiek van functiemenging een categorie A bedrijf die toelaatbaar is aanpandig aan woningen. Het beoogde woonhuis zal niet aanpandig maar bouwkundig afgescheiden van het restaurant worden gerealiseerd. Hiermee is het niet de verwachting dat de woning hinder ondervindt van de naastgelegen horecafunctie en de horecagelegenheid in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt door de nieuwe woning.

Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO

Pagina | 27

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau APS – Milieu B.V. De rapportage d.d. 4 april 2023 is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. Uit het onderzoek blijkt dat de gronden ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een ernstige verontreiniging met lood. Saneringsmaatregelen zijn nodig om de bodem geschikt te maken voor de beoogde woonfunctie. Daarnaast zijn enkele andere lichte verontreinigingen aangetroffen, naar deze verontreinigingen is nader onderzoek en sanering voor deze lichte verontreinigingen niet noodzakelijk. Tevens volgt uit het onderzoek dat het grondwater niet verontreinigd is en dat asbest niet is aangetoond. Bovendien geldt ten aanzien van PFAS dat de bovenste meter grond, bestaande uit zand, als toepasbaar voor wonen en industrie wordt aangemerkt.

Conclusie Het aspect bodem vormt, na sanering, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

DUURZAAMHEID Algemeen De Nota Duurzaamheid beschrijft op hoofdlijnen hoe Den Haag de energievoorziening, leefomgeving, mobiliteit en het grondstoffen gebruik toekomstbestendig wil maken. Voor de beoogde ontwikkeling betekent dit dat er gebouw- en omgevingsmaatregelen nodig zijn. Voor de verschillende thema’s (energie, groen, water, mobiliteit, circulariteit, etc.) zijn specifieke beleidsnota’s opgesteld. Duurzame energievoorziening Den Haag heeft de ambitie om in 2030 een klimaat neutrale stad te zijn. Daarvoor moet de Haagse energievoorziening aangepast worden. De energievoorziening van nieuwbouw dient daarom gelijk toekomstbestendig, zonder aardgasaansluiting (wettelijk), ontwikkeld te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14089288/1