RIS318506 Bijlage Ruimtelijke onderbouwing Laan van Roos en Doorn
Tekst van het document
Grondwater en voorkomen (zoet)watertekort Grondwater Het waterschap is de beheerder van het gehele watersysteem, dat bestaat uit zowel oppervlaktewater als grondwater. Beheerder zijn betekent niet, dat het waterschap verantwoordelijk is voor alles, wat er met het grondwater gebeurt, of dat het waterschap alle grondwaterproblemen moet oplossen. Het waterschap is verantwoordelijk voor het reguleren van grondwateronttrekkingen en bijbehorende infiltraties, voor zover die niet onder de rijks bevoegdheid of provinciale bevoegdheid vallen. Grondwaterkwaliteit is geen verantwoordelijkheid van het waterschap. Het waterschap stelt in het peilbesluit een oppervlaktewaterpeil vast. Bij de afweging van het peil worden alle belangen, waaronder die gerelateerd aan het grondwater, meegenomen. Ook geeft het waterschap advies over de werking en inrichting van het watersysteem bij plannen van derden. Aanvullend op datgene hierboven is beschreven zijn de volgende punten relevant ten aanzien van grondwater: Grondwateronttrekkingen en –infiltraties (inclusief de beëindiging daarvan) mogen geen negatieve effecten hebben op het grondwatersysteem, de grondgebruikfuncties of andere systemen die (mede)afhankelijk zijn van de bodem en/of het grondwater. Door de initiatiefnemer wordt ernaar gestreefd om de onttrekkingshoeveelheid te beperken en waar mogelijk waterbesparende maatregelen te nemen.
Als het onttrokken grondwater uit de strategische zoete voorraad komt, moet het zoete grondwater geretourneerd of aangevuld worden (compensatie eis). Verontreiniging van grondwater moet worden voorkomen. Functies mogen geen versnippering van het (grond)watersysteem met zich meebrengen. Door het verhard oppervlak te beperken, kan de infiltratie van hemelwater verbeteren, en daarmee de grondwateraanvulling. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in grondwateronttrekkingen. Daarnaast worden geen uitloogbare materialen gebruikt op locaties die in contact kunnen komen met schoon hemelwater. Hiermee wordt verontreiniging van het hemelwater en daarmee het grondwater voorkomen. (Zoet)watertekort Voor Delfland is de zorg voor voldoende water van een voldoende kwaliteit van groot belang. Delfland zet zich, binnen de grenzen die het watersysteem daaraan stelt, middels een (kosten)effectieve, op de gebruikers afgestelde watervoorziening in om de nadelige gevolgen van incidentele en structurele watertekorten zo beperkt mogelijk te houden. Het in te laten water wordt gebruikt voor peilhandhaving, doorspoeling en verversing en watervoorziening van het aanwezige grondgebruik en teelten. Aanvullend op datgene hierboven is beschreven zijn de volgende punten relevant ten aanzien van (zoet)watertekort.
Door aandacht te besteden aan (regionale) seizoensberging kan de aanvoer van water uit andere gebieden beperkt worden. Bij nieuwe glastuinbouwgebieden nagaan of het mogelijk is om in te zetten op een zo groot mogelijke (in ieder geval de wettelijk vereiste) zelfvoorzienendheid en daarmee het zorgen voor vermindering van de afhankelijkheid van oppervlaktewater voor de gietwatervoorziening. Indien maatregelen voor het tegengaan van wateroverlast worden genomen, deze ook toetsen op de robuustheid voor watertekortsituaties. Extra waterbergingen, die worden aangelegd om wateroverlast te voorkomen zodanig aanleggen dat deze in droge perioden weinig water vragen (dus een droge berging). Met het creëren van extra waterberging in de vorm van infiltratiekratten wordt ingespeeld op de robuustheid voor watertekortsituaties.
Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO
Pagina | 54
Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Dit betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Zogenaamd ’buitengewoon‘ onderhoud, dat wil zeggen het baggeren van watergangen en het ophogen van waterkeringen om de watergangen op diepte te houden respectievelijk om de kades op hoogte te brengen, gebeurt onder verantwoordelijkheid van Delfland. Voor het noodzakelijke beheer en onderhoud van het watersysteem is ruimte nodig in de vorm van onderhoudsstroken. Het primaire en secundaire watersysteem, inclusief de onderhoudsstroken, zijn vastgelegd in de legger. De projectlocatie is in de huidige situatie gelegen buiten onderhoudsstroken van watergangen. Hiermee heeft de voorgenomen ontwikkeling geen invloed op het beheer en onderhoud van oppervlaktewater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Delfland heeft de zorg voor het watersysteem in zijn beheergebied. Waterkwaliteitsbeheer is een integraal onderdeel van watersysteembeheer en één van de vier kerntaken van het Hoogheemraadschap. Dit betekent dat Delfland zijn beheer richt op een goede chemische en ecologische watersysteemkwaliteit.
Met de komst van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn planten en dieren (ecologie) centraler komen te staan in het Europese en nationale waterkwaliteitsbeheer en dus ook in Delfland. De chemische kwaliteit van het oppervlaktewater is een belangrijke randvoorwaarde voor een goede ecologische toestand van het oppervlaktewater. Meer aandacht voor ecologie vraagt binnen het beheergebied van Delfland een andere inrichting en beheer van het watersysteem. Voor inrichtingsmaatregelen als natuurvriendelijke oevers en vispaaiplaatsen is vaak extra fysieke ruimte nodig. Dit kan een ruimteclaim met zich meebrengen voor de ruimtelijke inrichting in het beheergebied van Delfland. Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Inrichtingsmaatregelen zoals natuurvriendelijke oevers worden niet voorzien ter plaatse van de projectlocatie aangezien watergangen binnen het plangebied ontbreken. Afvalwaterketen Afvalwater omvat vuil water, hemelwater en overtollig grondwater in de stad. Het vuile water komt van huishoudens en kan vermengd zijn met bijvoorbeeld bedrijfsafvalwater en hemelwater.
De gemeente en Delfland zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van afvalwater. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het rioleringsstelsel op hun grondgebied. Ook dragen zij zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Delfland is verantwoordelijk voor het transport van afvalwater van eindrioolgemalen naar de zuivering, voor het zuiveren van dit afvalwater en voor de ontvangst van ingezameld hemel- en grondwater in het oppervlaktewatersysteem. Volgens de leidraad riolering West-Nederland en de beslisboom afkoppelen dienen, bij nieuwbouw, het hemelwater en het vuilwater gescheiden te worden aangeleverd tot aan de erfgrens. Bij de bouw van de nieuwe woning zal hieraan worden voldaan, waarbij wordt aangesloten op een gescheiden rioolstelsel het schone hemelwater. Het schone hemelwater wordt hierbij op het hemelwaterriool geloosd. Klimaat adaptief bouwen Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaat adaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het convenant Klimaat adaptief bouwen. Dit is ondertekend door onder meer bouwbedrijven, gemeenten (waaronder de gemeente Den Haag), de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars.
Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO
Pagina | 55
Klimaat adaptief bouwen moet leiden tot: minder wateroverlast; minder hittestress; minder nadelige gevolgen van langdurige droogte en bodemdaling, en meer biodiversiteit. Deze principes zijn vastgelegd in een programma van eisen voor klimaat adaptief bouwen. Figuur 16. Programma van eisen klimaat adaptief bouwen
Interactieve Klimaatatlas Het klimaat verandert en dit geldt ook voor Den Haag. Naast zeespiegelstijging verwacht het KNMI hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving. Denk daarbij aan meer wateroverlast en hittestress. Daarbij is het gebied onderhevig aan bodemdaling. Dit zijn problemen waar iedereen in Den Haag mee te maken kan krijgen en waarbij de verantwoordelijkheid vaak verder reikt dan de gemeente alleen. De vraag hierbij is natuurlijk waar we welke problemen verwachten. De gemeente Den Haag heeft met de klimaatatlas de verwachte effecten van de klimaatverandering inzichtelijk gemaakt. Deze effecten zijn op hoog detailniveau bepaald met de meest recente gegevens en berekeningsmethoden. Hiermee biedt deze atlas geen pasklare oplossingen, maar wel een basis voor beleidsmakers, beheerders, inwoners, bedrijven, instellingen en belangengroeperingen om te bespreken welke problemen we verwachten en wie daarmee aan de slag kan. Gemeente Den Haag is aan de slag gegaan het aanpakken van de gevolgen door klimaatverandering en probeert nieuwe problemen in de toekomst te voorkomen. Door onze leefomgeving anders in te richten kunnen we de risico's van het veranderende klimaat beter opvangen. Dit heet klimaatadaptatie.
Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO
Pagina | 56
Op basis van de interactieve kaart ter plaatse van de projectlocatie kan worden geconcludeerd dat: waarschijnlijk wateroverlast zal ontstaan na een extreme bui van 70 millimeter in 1 uur; de grondwaterstanddalingen bij twee droge jaren op rij blijft waarschijnlijk beperkt tot circa 10 centimeter; het gemiddelde luchttemperatuur verschil tussen de stedelijke en omliggende landelijke gebieden circa 1,8-2,0 graden Celsius bedraagt. Met het vergroten van de bergingscapaciteit door de realisatie van infiltratiekratten zal de kans op wateroverlast tot een minimum worden beperkt.
Conclusie De waterhuishoudkundige situatie zorgt niet voor een belemmering voor de bouw van de nieuwe woning.
(VORMVRIJE) M.E.R-BEOORDELING Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Sinds 16 mei 2017 dient het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen teneinde vast te stellen of voor een ruimtelijke ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld door de initiatiefnemer. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU.
Relatie tot ontwikkeling Een stedelijk ontwikkelingsproject staat genoemd in bijlage D, onderdeel D11.2 en is m.e.r.beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De ontwikkeling omvat de realisatie van een woning met bijbehorend parkeergarage Onderhavige ontwikkeling valt daarmee ruim onder de drempelwaarden. De aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is van dien aard dat het niet kan worden getypeerd als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. Het betreft namelijk de realisatie van 1 woning in een bestaand stedelijk gemengd gebied. Significante negatieve effecten op omliggende natuurgebieden zijn gezien de afstand tot de projectlocatie en de aard van het tussenliggende stedelijke gebied niet aan de orde als gevolg van de toekomstige inrichting van het projectgebied. De stikstofdepositieberekeningen onderschrijven dit. Ook andere milieuaspecten leiden als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet tot significante negatieve effecten. Het wordt daarom dan ook weinig zinvol geacht om een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te doorlopen.
Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO
Pagina | 57
5
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.
Participatie Het voorgenomen plan is voorgelegd aan beide buren, te weten de eigenaar van het onroerend goed van restaurant Callas op nr 51A aan de linkerzijde van het project en de eigenaar van de appartementen aan de rechterkant op nr 47A-F. Beide hebben geen bezwaar tegen de voorgenomen invulling van de locatie. Daarnaast heeft overleg plaatsgevonden met de voorzitter van de wijkvereniging, waarbij hij op de hoogte is gebracht van het plan. Hij gaf aan dat een dergelijke plan niet strijdig is met de opvattingen van Buurtschap Centrum 2005 wat betreft ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan levert namelijk geen extra parkeerbelasting op voor de omgeving aangezien het gaat om een woning met eigen parkeergelegenheid en bijvoorbeeld geen short stay appartement of soortgelijke.
Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide planologische procedure doorlopen. Het is daarom in eerste instantie voor een ieder mogelijk door middel van een inspraakreactie of zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO
Pagina | 58
6
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel een woning te realiseren aan de Laan van Roos en Doorn naast 51a in Den Haag. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. De realisatie van een woning, bestaande uit drie bouwlagen en een kapverdiepingen, met een bijbehorende garage en tuin in bestaand stedelijk gebied is in lijn met het overheidsbeleid die stuurt op de realisatie van duurzame woningen in met name het bestaand stedelijk gebied. Aangezien deze nieuwe woning aan de nieuwste normen dient te voldoen betreft het een duurzame en klimaatadaptieve woning. Uit het beleid blijkt een tekort aan woningen in Nederland in zijn geheel maar ook in de provincie Zuid-Holland en de gemeente Den Haag. Het beoogde initiatief draagt hiermee bij aan het vervullen dan deze behoefte. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO
Pagina | 59
BIJLAGE 1. VERKENNEND BODEMONDERZOEK
Mees Ruimte & Milieu | 23070.RO
Pagina | 60
APS - Milieu B.V.
Tappersweg 12E 2031 ET Haarlem Tel.: (023) 538 51 91 info@apsmilieu.nl www.apsmilieu.nl
Verkennend bodemonderzoek + asbest in grond R23-B207 versie 2 Laan van Roos en Doorn tussen 47E en 51A Den Haag
Opdrachtgever: Gemini Development Weissenbruchstraat 36 2596 GJ Den Haag april 2023 NL52 RABO 0175 8032 77 KvK Haarlem: 34123303 BTW nr: 815463844B01
APS - Milieu B.V.
Inhoudsopgave 1 Inleiding .............................................................................................................................. 4 2 Doel en opzet van het onderzoek........................................................................................ 6 3 Vooronderzoek en onderzoeksstrategieën .......................................................................... 7 3.1 Historie ........................................................................................................................ 7 3.2 Bodemopbouw en geohydrologie ................................................................................ 8 3.3 Conclusies vooronderzoek........................................................................................... 9 3.4 Hypothese en strategie verkennend bodemonderzoek NEN5740 ............................. 10 3.5 Hypothese en strategie verkennend asbestonderzoek NEN5707 .............................. 10 4 Uitvoering ......................................................................................................................... 11 4.1 Veldwerk verkennend bodemonderzoek NEN5740 .................................................. 11 4.2 Veldwerk verkennend asbestonderzoek NEN5707 ...................................................
12 4.3 Laboratoriumonderzoek ............................................................................................ 12 5 Analyseresultaten en toetsing ........................................................................................... 14 5.1 Toetsing Wbb en Bbk ................................................................................................ 14 5.2 Toetsing PFAS........................................................................................................... 15 6 Resultaten, conclusies en aanbevelingen .......................................................................... 16 6.1 Resultaten verkennend onderzoek NEN5740 ............................................................ 16 6.2 Resultaten verkennend onderzoek asbest NEN5707 ................................................. 17 6.3 Resultaten onderzoek PFAS ...................................................................................... 17 6.4 Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................... 18 7 Betrouwbaarheid............................................................................................................... 19
Bijlage 1. Topografische kaart............................................................................................. 20 Bijlage 2. Kadastrale kaart................................................................................................... 22 Bijlage 3. Locatietekeningen ............................................................................................... 24 Bijlage 4. Boorstaten ........................................................................................................... 27 Bijlage 5. Toetsingskader Wbb ........................................................................................... 30 Bijlage 6. Toetsingskader PFAS.......................................................................................... 39 Bijlage 7. Referenties .......................................................................................................... 41 Bijlage 8. Monsternemingsplan asbestonderzoek ............................................................... 43 Bijlage 9. Monsternameformulier asbestonderzoek ............................................................ 46 Bijlage 10. Uitdraai Sanscrit................................................................................................ 49 Bijlage 11. Analysecertificaten ........................................................................................... 54
2
APS - Milieu B.V.
Samenvatting Soort onderzoek
Aanleiding tot het onderzoek Projectcode Opdrachtgever Adres opdrachtgever Locatieadres Kadastrale aanduiding Coördinaten Oppervlakte onderzoekslocatie Te onderscheiden deellocaties Aantal boringen en peilbuizen Datum veldwerk Datum watermonsters Aantal analyses Resultaten
Conclusies en aanbevelingen
verkennend bodemonderzoek NEN5740 + asbest in grond NEN5707 + PFAS in grond nieuwbouw woning R23-B207 versie 2 Gemini Development Weissenbruchstraat 36, 2596 GJ Den Haag Laan van Roos en Doorn tussen 47E en 51A, 2514 BC Den Haag ’s-Gravenhage P 7697 X: 081396 / Y: 455919 154 m2 01. gehele onderzoekslocatie 5 waarvan 1 afgewerkt met een peilbuis + 3 inspectiegaten asbest 9 maart 2023 16 maart 2023 Grond: 3x standaardpakket, 9x lood, 1x asbest, 1x PFAS Grondwater: 1x standaardpakket Grond, trajecten tussen 0 en 1,5 m-mv: o.a. matig tot sterk verontreinigd met lood. Bovengrond: niet verontreinigd met asbest. Bovenste meter grond: Wat betreft PFAS toepasbaar (wonen/industrie). Grondwater: niet verontreinigd.. • Sprake van een historisch geval van ernstige verontreiniging met lood in grond. • Een eventuele sanering wordt als niet spoedeisend beoordeeld bij het gebruik ‘wonen met tuin’. • BUS-melding naar bevoegd gezag.
3
APS - Milieu B.V.
1 Inleiding In maart 2023 heeft APS-Milieu in opdracht van Gemini Development te Den Haag een verkennend bodemonderzoek + asbest in grond onderzoek uitgevoerd op de locatie Laan van Roos en Doorn tussen 47E en 51A te Den Haag. Tevens is een onderzoek naar PFAS in grond uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform BRL SIKB 2000, protocol 2001 plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, protocol 2002 het nemen van grondwatermonsters en protocol 2018 locatieinspectie en monsterneming van asbest in bodem. APS-Milieu verklaart dat er geen andere relaties bestaan met de opdrachtgever van het bodemonderzoek anders dan die van opdrachtgever versus opdrachtnemer. Onderstaande personen verklaren de veld- en/of rapportagewerkzaamheden conform de geldende normen en onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd. Naam: Onderzoeksbureau: Certificaatnummer: Ondertekening:
Ing. J.J. de Vlieger APS-Milieu B.V. VB-028
Naam: Onderzoeksbureau: Certificaatnummer: Ondertekening:
Dhr. J.W. Munneke APS Milieu B.V. VB-028
Rapportage 2000 Naam: Onderzoeksbureau: Ondertekening:
Mevr. W. Berrevoets APS-Milieu B.V.
Rapportage vrijgegeven door: Naam: Ing. J.J. de Vlieger Onderzoeksbureau: APS-Milieu B.V. Certificaatnummer: VB-028 Ondertekening:
4
APS - Milieu B.V.
De aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek vormt de nieuwbouw van een woning op de locatie. Het doel van een bodemonderzoek is het vaststellen of de locatie geschikt is voor het voorgenomen gebruik en (indicatief) wat de hergebruikklasse van eventueel vrijkomende grond is. Een dergelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd als verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740, waarbij het vooronderzoek dient te voldoen aan de NEN5725. Tevens wordt een verkennend onderzoek asbest conform de NEN5707 uitgevoerd. Omdat in het kader van de nieuwbouw van de woning mogelijk grond van de locatie wordt afgevoerd, wordt de bovenste meter grond onderzocht op PFAS 1.
1
PFAS = Per- en PolyFluorAlkylStoffen
5
APS - Milieu B.V.
2 Doel en opzet van het onderzoek Doel van een verkennend bodemonderzoek is: • Bepalen of er al dan niet van bodemverontreiniging sprake is, conform de Wet Bodembescherming. • Eventueel bepalen of er een nader onderzoek gewenst is naar de ernst van de bodemverontreiniging. • Eventueel verkrijgen van een eerste indicatie van de verspreiding van de verontreiniging, zonodig door heranalyse van afzonderlijke monsters. De opzet van een verkennend onderzoek omvat de volgende fasen: • Vaststellen van het (juridische) kader van het onderzoek. • Verrichten van (historisch) vooronderzoek naar mogelijke verontreiniging. • Verrichten van vooronderzoek naar geohydrologie en bodemopbouw. • Opstellen van hypothese en onderzoeksstrategie voor het bodemonderzoek. • Uitvoering veldwerk (boringen, peilbuizen en bemonsteringen). • Uitvoering laboratoriumanalyses in een erkend RvA geaccrediteerd laboratorium. • Interpretatie van de resultaten van het onderzoek. • Toetsing van hypothese en strategie. • Eventueel herhalen van (enkele van) de voorgaande fasen als de hypothese en strategie niet toereikend blijken te zijn geweest. • Bepalen of er sprake is van bodemverontreiniging, en indicaties geven over de verspreiding ervan. • Eventueel bepalen of nader onderzoek gewenst is. • Rapportage en eindbespreking.
6
APS - Milieu B.V.
3 Vooronderzoek en onderzoeksstrategieën 3.1 Historie De ligging van de locatie is aangegeven op de topografische kaart (bijlage 1) en tevens op een kadastrale tekening (bijlage 2). Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017, strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. De onderzoekslocatie ligt aan de Laan van Roos en Doorn tussen de nrs. 47E en 51A te Den Haag. Het perceel staat kadastraal bekend als ‘’s-Gravenhage P 7697’ en heeft een oppervlakte van 154 m2. Het perceel is eigendom van Gemini Development BV te Den Haag. De omschrijving van het kadastrale object is ‘wegen’. De aanleiding van het onderzoek vormt de voorgenomen nieuwbouw van een woning op de locatie. Uit informatie van de opdrachtgever blijkt dat de locatie een tuin betreft. Door de opdrachtgever is aangegeven dat de locatie onderzocht moet worden conform de NEN5740 en de NEN5707 (asbest). Omdat in het kader van de nieuwbouw mogelijk grond van de locatie wordt afgevoerd, dient een onderzoek naar PFAS in grond uitgevoerd te worden. Uit informatie van het kadaster (topotijdreis.nl) blijkt dat de locatie in een gedeelte van Den Haag ligt dat sinds medio 19e eeuw bebouwd is. Uit informatie van de omgevingsdienst Haaglanden blijkt dat voor de locatie geen (historische) bodembedreigende activiteiten en/of uitgevoerde bodemonderzoeken bekend zijn.
Uit informatie van de omgevingsdienst Haaglanden blijkt dat voor de directe omgeving (<25 m) van de onderzoekslocatie het volgende bekend is: • Laan van Roos en Doorn 49B (locatiecode AA051810908) en Laan van Roos en Doorn 35T (locatiecode AA051810907) hebben de status ‘potentieel ernstig en urgent’ op basis van pre-HO, uitgevoerd in het kader van het ‘landsdekkend beeld’. De vervolgactie is het uitvoeren van een historisch onderzoek. • Laan van Roos en Doorn 49-51 (locatiecode AA051800999) heeft de status ‘potentieel ernstig’ op basis van een historisch onderzoek (augustus 2001). De documenten zijn bij de omgevingsdienst Haaglanden niet beschikbaar.
7
APS - Milieu B.V.
Uit de kaart Archeologie in Nederland 2 blijkt dat de onderzoekslocatie niet in een gebied met een archeologische verwachting ligt. Tevens is geen sprake van een archeologische monument. Uit de CE 3 Bodembelastingkaart van de gemeente Den Haag blijkt dat de locatie niet in een verdacht gebied ligt waar conventionele explosieven kunnen zijn achtergebleven. Uit de Nota bodembeheer van de gemeente Den Haag blijkt dat de bovengrond en de ondergrond worden ingedeeld in de ontgravingsklasse ‘wonen’. De bodemfunctieklasse is ‘wonen’. Uit het locatiebezoek (9 maart 2023) blijkt dat de locatie een tuin betreft. Een gedeelte van de tuin is verhard met grind of tegels. Tevens is sprake van een schuurtje, een vijver, een verhoogd perk en een opslag van takken. De terreininrichting is weergegeven op de locatietekening in bijlage 3.
3.2 Bodemopbouw en geohydrologie De locatie ligt in de wijk Willemspark te Den Haag. Er is geen sprake van een bodembeschermingsgebied, grondwaterbeschermingsgebied en/of drinkwaterwingebied. Het maaiveld ligt op circa 0,6 m +NAP (bron: Actueel Hoogtebestand Nederland). In onderstaande tabel is de regionale bodemopbouw, tot circa 50 m-mv, weergegeven (bron: dinoloket). Regionale bodemopbouw Diepte (m-mv) 0 - 21
Formatie Holocene afzettingen
21 - 22
Formatie van Boxtel
22 - 41
Formatie van Kreftenheye
41 - >50
Formatie van Urk
Samenstelling Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig fijn zand en grind en een spoor klei, zandige klei en veen
In de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen peilbuizen bekend, die informatie kunnen geven over de lokale en regionale grondwaterstromingen. (Bron: Dinoloket, d.d. maart 2023). De verwachting is dat grondwaterstand van het freatisch grondwater zich op circa 1,5 mmv (meter minus maaiveld) bevindt (bron: voorgaand onderzoek in de wijk Willemspark, eigen archief APS-Milieu BV). De kaart Archeologie in Nederland is een combinatie van de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). 3 CE = conventionele explosieven 2
8
APS - Milieu B.V.
3.3 Conclusies vooronderzoek •
•
•
Op basis van het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als verdachte locatie beschouwd vanwege de ligging in stedelijk gebied. Voor zover bekend is geen sprake van (historische) bodembedreigende activiteiten. De te hanteren onderzoeksstrategie is de NEN5740, strategie VED-HE-NL (verdachte diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming). Het is niet bekend of de locatie als ‘verdacht van asbest’ kan worden aangemerkt; de opdrachtgever heeft aangegeven dat een onderzoek naar asbest in grond gewenst is. De te hanteren strategie betreft de NEN5707, verdachte bovengrond diffuse bodembelasting heterogeen verdeeld. Omdat in het kader van de nieuwbouw mogelijk grond van de locatie wordt afgevoerd, wordt een onderzoek naar PFAS in grond uitgevoerd (bovenste meter).
9
APS - Milieu B.V.
3.4 Hypothese en strategie verkennend bodemonderzoek NEN5740 De hoofdhypothese “verdachte diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL)” wordt gesteld als er uit het vooronderzoek blijkt dat er op de locatie mogelijk diffuse bodembelasting heeft plaatsgevonden met een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming. Er wordt op deze deellocaties verontreiniging in de grond en/of het grondwater verwacht met bepaalde stoffen. De subhypothese “kleinschalig” is van toepassing op kleinere locaties (<1 ha) of op grotere locaties als deze kleinschalig zijn verkaveld, bebouwd zijn en/of een sterk wisselend gebruik kennen. In de onderstaande tabel worden de uit te voeren werkzaamheden weergegeven. Overzicht van uit te voeren werkzaamheden terreindeel 1. gehele onderzoekslocatie
strategie NEN-5740 verdacht VED-HE-NL grond freatisch grondwater (met peilbuis)
schaal 154 m2
boringen
analyses
5 1
3 1
3.5 Hypothese en strategie verkennend asbestonderzoek NEN5707 De hypothese “verdachte bovengrond diffuse bodembelasting heterogeen verdeeld” wordt gesteld als er uit het vooronderzoek blijkt dat er op de locatie mogelijk diffuse bodembelasting heeft plaatsgevonden met een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming. Hierbij valt te denken aan ophooglagen en stortingen van asbestverdacht puin dan wel asbestverdachte grond, bodem met restanten asbestverdacht materiaal door onzorgvuldige sloop/onderhoud van gebouwen, bodem met restanten asbesthoudend of asbestverdacht granulaat en/of bewerkte bodem na plaatselijk of oppervlakkige bodembelasting door brand-, explosie-, stormschade, verwering/uitspoeling, enz. De subhypothese “kleinschalig” is van toepassing op kleinere locaties (<1 ha) of op grotere locaties als deze kleinschalig zijn verkaveld, bebouwd zijn en/of een sterk wisselend gebruik kennen. In de onderstaande tabel worden de uit te voeren werkzaamheden weergegeven. Overzicht van deellocaties en gevolgde strategie code LOCA
deellocatie gehele onderzoekslocatie
strategie NEN-5707 verdacht gaten tot 0,5 m-mv boringen tot ongeroerde laag
10
schaal 154 m2
gaten/boringen
analyses
3 1
1 -
APS - Milieu B.V.
4 Uitvoering 4.1 Veldwerk verkennend bodemonderzoek NEN5740 Het veldwerk bestond uit het uitvoeren van boringen, het plaatsen van een peilbuis en het nemen van grond- en grondwatermonsters. Van de boringen zijn boorbeschrijvingen gemaakt conform de NEN5104. De boorbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 4. De situering van de boringen is weergegeven op de locatietekeningen in bijlage 3. Uit de boorbeschrijvingen blijkt dat de bodem op de locatie tot de verkende boordiepte van 3 m-mv (meter minus maaiveld) uit zand bestaat. In de grond zijn zwakke bijmengingen met grind, puin en aardewerk aangetroffen. Het grondwater is een week na plaatsing van het filter bemonsterd. In het veld is de grondwaterstand ingemeten en zijn de pH, geleidbaarheid (Ec) en de troebelheid van het grondwater bepaald. De grond en grondwatermonsters zijn gekoeld getransporteerd en opgeslagen. In de onderstaande tabellen zijn de veldwerkgegevens, evenals de zintuiglijke waarnemingen weergegeven. Overzicht van inspectiegaten, boringen, peilbuis en zintuiglijke waarnemingen boring/ insepctiegat
01 (peilbuis)
diepte insepctiegat/boring (m-mv) - / 3,00
02
0,50 / -
03 04
0,50 / 0,50 / 2,00
05
- / 0,50
datum
traject (m-mv)
waarnemingen
9-3-2023 9-3-2023 9-3-2023 9-3-2023 9-3-2023 9-3-2023 9-3-2023 9-3-2023 9-3-2023
0,00 - 0,50 0,50 - 1,50 0,00 - 0,05 0,05 - 0,06 0,06 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50
sporen puin, sporen grind, sporen aardewerk sporen grind volledig grind geotextiel zwak grindhoudend, sporen aardewerk, sporen puin sporen puin, sporen aardewerk, sporen grind sporen puin, sporen grind, sporen aardewerk sporen puin, sporen grind, sporen aardewerk sporen puin, sporen aardewerk, sporen grind
Overzicht grondwatermonstername peilbuis 01
filterdiepte (m-mv) 2,00 - 3,00
grondwaterstand (m-mv) 1,28
EC (µS/cm) 722
11
pH 7,2
troebelheid (NTU) 32,1
datum 16-3-2023
APS - Milieu B.V.
4.2 Veldwerk verkennend asbestonderzoek NEN5707 Ten behoeve van de visuele inspectie werd de onderzoekslocatie met een oppervlakte van 154 m2 opgedeeld in rasters van 1 bij 1 meter. De inspectie is uitgevoerd op een droge, bewolkte dag. De onderzoekslocatie is vrijwel geheel begroeid/verhard. De inspectieefficiëntie wordt geschat op <50%. Bij de inspectie werd op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het veldwerk t.b.v. het verkennend onderzoek bestond uit het graven van 3 inspectiegaten van 30 cm lang, 30 cm breed en circa 50 cm diep. Hieruit werden uit per inspectiegat, monsters genomen van ongeveer 4,5 kg. De monsters zijn samengesteld tot een veldmengmonster en aan het laboratorium aangeboden. Tevens zijn boringen geplaatst tot (dieper dan) 2 m-mv. In het opgegraven en opgeboorde materiaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het monsternemingsplan asbestonderzoek en het monsternameformulier asbestonderzoek zijn opgenomen in de bijlagen 8 en 9. Voor de veldwerkgegevens en de zintuiglijke waarnemingen worden verwezen naar de tabel in paragraaf 4.1.
4.3 Laboratoriumonderzoek De in het veld genomen monsters zijn volgens navolgende schema’s ter analyse aangeboden aan een door de RvA geaccrediteerd laboratorium. Eventueel zijn grondmonsters gecombineerd tot mengmonsters. Bij grondwateronderzoek worden in verband met verschillende soorten analyses, voorgeschreven wijze van bemonstering en conservering, soms meerdere monsters uit een filter genomen. Vanwege het aantreffen van matige tot sterke verontreinigingen met lood in de grond zijn in een later stadium de deelmonsters van de mengmonsters MM01 t/m MM03 separaat geanalyseerd op lood.
12
APS - Milieu B.V.
Overzicht van uitgevoerde analyses en samenstelling mengmonsters grond code
omschrijving
MM01
Mengmonster bovengrond zuidelijk terreindeel, zand, sporen puin, grind en aardewerk
01-1 02-1 03-1 MM02
Separaat monster bovengrond boring 01 Separaat monster bovengrond boring 02 Separaat monster bovengrond boring 03 Mengmonster bovengrond noordelijk terreindeel, zand, sporen puin, grind en aardewerk Separaat monster bovengrond boring 04 Separaat monster bovengrond boring 05 Mengmonster ondergrond, zand, plaatselijk sporen grind, puin en/of aardewerk
04-1 05-1 MM03
01-2 01-3 04-2 04-3 VMM01
Separaat monster ondergrond boring 01 Separaat monster diepere ondergrond boring 01 Separaat monster ondergrond boring 04 Separaat monster diepere ondergrond boring 04 Veldmengmonster zand met puin/grind/aardewerk
MP01
Mengmonster bovenste meter, zand
Overzicht van uitgevoerde analyses grondwater
deelmonsters (traject in m-mv) 01 (0,00 - 0,50) 02 (0,06 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 01 (0,00 - 0,50) 02 (0,06 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,50) 04 (0,50 - 1,00) 04 (1,00 - 1,50) 01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,50) 04 (0,50 - 1,00) 04 (1,00 - 1,50) 02 (0,06 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 01 (0,00 - 0,50) 01 (0,50 - 1,00) 04 (0,00 - 0,50) 04 (0,50 - 1,00)
analysepakket Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof Lood, lutum en organische stof Lood, lutum en organische stof Lood, lutum en organische stof Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof Lood, lutum en organische stof Lood, lutum en organische stof Standaardpakket grond incl. lutum en organische stof Lood, lutum en organische stof Lood, lutum en organische stof Lood, lutum en organische stof Lood, lutum en organische stof Asbest in grond NEN5898 PFAS 28 standaardpakket handelingskader 2019
code
omschrijving
filterdiepte (m-mv)
analysepakket
01-1-1
Grondwatermonster peilbuis 01
2,00 - 3,00
Standaardpakket grondwater
13
APS - Milieu B.V.
5 Analyseresultaten en toetsing 5.1 Toetsing Wbb en Bbk De resultaten van het laboratoriumonderzoek zijn in de onderstaande tabellen getoetst aan de meest recente versie van de AW2000-, streef- en interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering (toetsingskader Wbb [Wet bodembescherming]), waarbij de gemeten waarden van de grond zijn omgerekend volgens het gehalte organisch stof en kleidelen (lutum). Het toetsingskader Wbb is bij dit rapport opgenomen als bijlage 5. Tevens zijn de analyseresultaten getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) om een indicatie te krijgen van de bodemfunctieklasse en de hergebruikmogelijkheden van de grond. Voor een volledig overzicht van de gemeten waarden wordt verwezen naar de analysecertificaten in bijlage 11. Overschrijdingstabel grondmonsters, toetsing grond volgens Wbb en Bbk code
deelmonsters (traject in m-mv) 01 (0,00 - 0,50) 02 (0,06 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50)
traject (m-mv) 0,00 - 0,50
01-1 02-1 03-1 MM02
01 (0,00 - 0,50) 02 (0,06 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50)
0,00 - 0,50 0,06 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50
04-1 05-1 MM03
04 (0,00 - 0,50) 05 (0,00 - 0,50) 01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,50) 04 (0,50 - 1,00) 04 (1,00 - 1,50) 01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,50) 04 (0,50 - 1,00) 04 (1,00 - 1,50) Vmm01 (0,00 - 0,50)
0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,50
MM01
01-2 01-3 04-2 04-3 VMM01
0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,00 - 0,50
>AW
>T
>I
Koper (0,16) Zink (0,4) Cadmium (-) Kwik (0,02) PAK 10 VROM (0,03) Koper (0,28) Zink (0,34) Cadmium (-) Kwik (0,02) PAK 10 VROM (-) Koper (0,22) Kwik (0,02)
-
Lood (1,07)
Lood (0,93) -
Lood (1,37) Lood (1,41) Lood (1,36)
n.g. n.g. n.g. Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
Lood (0,89) Lood (0,64) -
Lood (1,17)
n.g. n.g. Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
Lood (0,06) <2 mg/kg d.s.
Lood (0,72) Lood (0,81) Lood (0,53)
-
n.g. n.g. n.g. n.g.
Overschrijdingstabel grondwatermonsters, toetsing grondwater volgens Wbb code
01-1-1
traject (m-mv) 2,00 - 3,00
>S
>T
>I
-
-
-
14
Bbk monsterconclusie Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
APS - Milieu B.V.
5.2 Toetsing PFAS De aangetroffen gehalten PFAS (mengmonster MP01, bovenste meter zand) zijn getoetst aan de waarden uit het Handelingskader PFAS (versie december 2021). In bijlage 6 van dit rapport zijn de normen uit Handelingskader opgenomen. Voor een overzicht van de gemeten waarden wordt verwezen naar de analysecertificaten in bijlage 11. In onderstaande tabel is de toetsing voor PFAS aan (landelijk) Handelingskader weergegeven. Toetsing PFAS in grond volgens Handelingskader code
MP01
Traject (m-mv) 0,00 - 1,00
Handelingskader (toetsing Bbk) Toepasbaar wonen/industrie
15
APS - Milieu B.V.
6 Resultaten, conclusies en aanbevelingen
6.1 Resultaten verkennend onderzoek NEN5740 De bovengrond van het zuidelijk terreindeel (MM01, traject 0-0,5 m-mv, zand) en de bovengrond van het noordelijk terreindeel (MM02, traject 0-0,5 m-mv, zand) waarin sporen puin, grind en aardewerk zijn aangetroffen, zijn sterk verontreinigd met lood en licht verontreinigd met koper, zink, cadmium, kwik en PAK. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘niet toepasbaar’. De ondergrond (MM03, traject 0,5-1,5 m-mv, zand) is sterk verontreinigd met lood en licht verontreinigd met koper en kwik. Wat betreft hergebruik wordt deze grond indicatief ingedeeld in de klasse ‘niet toepasbaar’. Vanwege het aantreffen van matige tot sterke verontreinigingen met lood in de mengmonster MM01 t/m MM03 zijn de deelmonsters van deze mengmonsters separaat geanalyseerd op lood. Uit de separate analyses blijkt: • De bovengrond (ca. 0-0,5 m-mv) van de boringen 02 en 03 is sterk verontreinigd met lood. • De bovengrond (ca. 0-0,5 m-mv) van de boringen 01, 04 en 05 is matig verontreinigd met lood. • De ondergrond ter plaatse van boring 01 is van 0,5-1 m-mv matig verontreinigd met lood en van 1-1,5 m-mv licht verontreinigd met lood. • De ondergrond ter plaatse van boring 04 is van 0,5-1,5 m-mv matig verontreinigd met lood.
De analyseresultaten van de separate analyses worden als representatief voor de kwaliteit van de grond op de locatie beschouwd. De verwachting is dat de verontreiniging gerelateerd is aan de ligging van de locatie in stedelijk gebied. De locatie ligt in een gebied dat sinds medio 19e eeuw bebouwd is. Er zal derhalve sprake zijn van een historische verontreiniging met lood in grond (ontstaan vóór 1987). Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt dat sprake is een bodemvolume van circa 35 m3 sterk met lood verontreinigde grond (oppervlakte 70 m2, traject 0-0,5 m-mv). Omdat sprake is van een bodemvolume met sterk verontreinigde grond dat groter is dan 25 m3, is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met lood in grond. De contour van de verontreiniging ter plaatse van de onderzoekslocatie is weergegeven op de tekening in bijlage 3b. Omdat de verontreiniging te relateren is aan de ligging in stedelijk gebied, is de verwachting dat deze verontreiniging zich niet beperkt tot de onderzoekslocatie.
16
APS - Milieu B.V.
Omdat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging is de spoedeisendheid van een eventuele sanering bepaald met behulp van het programma Sanscrit. De uitdraai is opgenomen bijlage 10. Uit de berekeningen blijkt dat een eventuele sanering als niet spoedeisend wordt beoordeeld. Opgemerkt wordt dat dit een indicatieve beoordeling betreft omdat het geval van verontreiniging niet volledig in beeld is gebracht. Het grondwater (peilbuis 01) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. De hypothese verdacht (NEN5740) wordt voor de locatie bevestigd omdat de grond licht tot sterk verontreinigd is. Het grondwater is niet verontreinigd.
6.2 Resultaten verkennend onderzoek asbest NEN5707 Er is geen asbestverdacht materiaal op of in de grond aangetroffen. In het veldmengmonster (VMM01) is eveneens geen asbest aangetroffen. De hypothese verdacht voor het asbestonderzoek (NEN5707) wordt verworpen. Op basis van onderhavig verkennend bodemonderzoek asbest kan gesteld worden dat de locatie niet verontreinigd is met asbest. Opgemerkt wordt dat er plaatselijk eventueel wel asbestnesten aanwezig kunnen zijn welke in onderhavig bodemonderzoek gemist zijn.
6.3 Resultaten onderzoek PFAS De onderzochte bovenste meter grond (MP01, zand) wordt wat betreft PFAS als toepasbaar wonen/industrie aangemerkt. Omdat deze grond op basis van de parameters uit het standaardpakket (toetsing Besluit bodemkwaliteit) in de klasse ‘niet toepasbaar’ wordt ingedeeld heeft het onderzoek naar PFAS geen invloed op de uiteindelijke klasse-indeling van deze grond.
17
APS - Milieu B.V.
6.4 Conclusies en aanbevelingen • • • • • • •
Ter plaatse van de locatie is sprake van een (historisch) geval van ernstige verontreiniging met lood in de bovengrond (circa 35 m3 bodemvolume is sterk verontreinigd). Een eventuele sanering wordt als ‘niet spoedeisend’ beoordeeld. De ondergrond (0,5-1,5 m-mv) is veelal matig verontreinigd met lood. Naast lood zijn in de grond enkele lichte verontreinigingen aangetroffen. Nader onderzoek naar deze lichte verontreinigingen is niet noodzakelijk. Het grondwater is niet verontreinigd. Asbest is niet aangetoond. Wat betreft PFAS wordt de bovenste meter grond (zand) als toepasbaar wonen/industrie aangemerkt. Het geval van ernstige verontreiniging met lood in de grond vormt een belemmering voor de geplande nieuwbouw van een woning: o Door het bevoegd gezag wordt bepaald of de locatie duurzaam geschikt is voor het toekomstige gebruik (wonen). Vanwege het geval van verontreiniging met lood zullen sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. o In het kader van de voorgenomen werkzaamheden, dient een BUS-melding (saneringsplan) ingediend te worden bij het bevoegd gezag, de werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een BRL7000-gecertificeerd bedrijf en de werkzaamheden moeten gecontroleerd worden door een onafhankelijke milieukundige begeleider (MKB).
18
APS - Milieu B.V.
7 Betrouwbaarheid Bodemonderzoeken worden door APS-Milieu op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de daartoe bestaande normen (protocollen) en gangbare inzichten. Indien in opdracht van de klant, en eventueel in overleg met het bevoegde gezag, is afgeweken van de gangbare normen en/of protocollen van onderzoek, dan wordt dit in de rapportage uitdrukkelijk vermeld. APS-Milieu aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de gevolgen die deze afwijkingen kunnen hebben voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van het onderzoek. Alle door de veldwerker uitgevoerde metingen (locatietekening, grondwaterstanden, laagdikte, enz.) zijn alleen van toepassing op het bodemonderzoek en kunnen niet dienen als basis voor exacte maatvoering van een bouwproject en/of andere doeleinden. Maar ook indien conform de protocollen wordt gewerkt blijven er enige beperkingen van kracht, met betrekking tot de betrouwbaarheid van de resultaten van dit onderzoek. a. Kwaliteit van het vooronderzoek Een bodemonderzoek wordt uitgevoerd op basis van een vooronderzoek. Een dergelijk vooronderzoek bestaat uit het verzamelen van (historische) gegevens over de locatie, een inspectie van de locatie en verzamelen van gegevens over bodemopbouw en hydrologie. Indien belangrijke feiten over de locatie niet worden achterhaald, bestaat de kans dat de hypothese en de strategie van het onderzoek niet voldoen.
Het onderzoek geeft dan onvoldoende informatie en is dus minder bruikbaar of betrouwbaar. APS-Milieu acht zich niet aansprakelijk voor de gevolgen van onvolledig of onjuist opgegeven informatie in het kader van het vooronderzoek. b. Restrisico De monsterdichtheid welke de protocollen voorschrijven heeft tot gevolg dat kleine verontreinigingskernen kunnen worden gemist. Dit beperkte restrisico wordt aanvaardbaar geacht, omdat de kosten van bodemonderzoek anders te hoog zouden oplopen. APS-Milieu acht zich niet aansprakelijk voor dergelijke normale restrisico’s. c. Veroudering De onderzoeksresultaten vormen slechts een momentopname. De resultaten en conclusies kunnen verouderen door drie oorzaken: • Er wordt nieuwe verontreiniging toegevoegd aan de locatie. • Bestaande verontreiniging is mobiel en verspreidt zich verder. • De normstelling door de overheid verandert. APS-Milieu acht zich niet aansprakelijk voor de gevolgen van veroudering van de rapportage. 19
APS - Milieu B.V.
Bijlage 1. Topografische kaart
20
Bijlage 1 - Regionale ligging R23-B207
=
ligging onderzoekslocatie Laan van Roos en Doorn tussen 47E en 51A Den Haag
APS - Milieu B.V.
Bijlage 2. Kadastrale kaart
22
Kadastrale kaart
Uw referentie: R23-B207
Deze kaart is noordgericht
12345 25
Schaal 1: 500
Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens
Kadastrale gemeente Sectie Perceel
's-Gravenhage P 7697
Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 11 maart 2023 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
APS - Milieu B.V.
Bijlage 3. Locatietekeningen Bijlage 3a. Locatietekening met boorpunten / inspectiegaten Bijlage 3b. Verontreinigingssituatie lood
24
APS - Milieu B.V.
Bijlage 4. Boorstaten
27
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
peilbuis blinde buis
casing
hoogste grondwaterstand gemiddelde grondwaterstand laagste grondwaterstand zand afdichting bentoniet/mikoliet/klei afdichting
grind afdichting filter
Boring:
01
Boring:
02
X:
81391,00
X:
81385,00
Y:
455913,00
Y:
455914,00
Datum:
9-3-2023
Datum:
9-3-2023
GWS:
150
0
0 1
-50
50
0 5 -6
0 Zand zwak siltig matig humeus, sporen puin, sporen grind, sporen aardewerk, donkerbruin, Edelmanboor
Volledig grind Geotextiel
1 -50
50 Zand zwak siltig matig humeus, sporen grind, donkerbruin, Edelmanboor
2
Zand matig siltig matig humeus, zwak grindhoudend, sporen aardewerk, sporen puin, donkerbruin, Schep
100 3 -150
150
Zand zwak siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor
4 -200
200
Zand uiterst siltig sterk humeus, neutraalbruin, Edelmanboor
5 -250
250
Zand zwak siltig, grijsbeige, Edelmanboor
6 -300
300
Boring:
03
Boring:
04
X:
81388,00
X:
81398,00
Y:
455910,00
Y:
455921,00
Datum:
9-3-2023
Datum:
9-3-2023
0
0 1
-50
50
0
0 Zand matig siltig matig humeus, sporen puin, sporen aardewerk, sporen grind, donkerbruin, Edelmanboor
Zand zwak siltig matig humeus, sporen puin, sporen grind, sporen aardewerk, donkerbruin, Schep
1 -50
50
Zand zwak siltig matig humeus, sporen puin, sporen grind, sporen aardewerk, donkerbruin, Edelmanboor
2 -100
100
Zand sterk siltig matig humeus, donker zwartbruin, Edelmanboor
3 -150
150
Zand zwak siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor
4 200
Boring:
05
X:
81398,00
Y:
455917,00
Datum:
9-3-2023
0
0
Zand matig siltig matig humeus, sporen puin, sporen aardewerk, sporen grind, donkerbruin, Schep
1 50
-200
-50
Projectnaam: Laan van Roos en Doorn tussen 47E en 51A Den Haag Projectcode: R23-B207
APS - Milieu B.V.
Bijlage 5. Toetsingskader Wbb
30
APS - Milieu B.V.
Toetsingskader bodemverontreiniging De kwaliteit van de bodem wordt getoetst aan streef/AW2000- en interventiewaarden. De toetsing betreft enerzijds de grond (landbodem) of het sediment (waterbodem), en anderzijds het grondwater. Voor grond/sediment moeten deze waarden worden gerelateerd aan de zogenaamde standaardbodem. Dit is een bodem met 10% organisch stof (humus) en 25% kleideel (lutum). Deze bodemcomponenten hebben namelijk de eigenschap verontreinigingen vast te leggen, en hun verspreiding te verhinderen. De gemeten concentraties aan verontreiniging moeten dan ook altijd teruggerekend worden naar standaardbodem aan de hand van de aan deze bodem bepaalde gehalten lutum en humus. Hiervoor zijn standaardformules in gebruik. Voor grondwater geldt een dergelijke omrekening niet. De Streefwaarden/AW2000 worden afgeleid en vastgesteld binnen het INS-proces. De Interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering (VROM 2013). Streefwaarde/AW200 (S/AW200-waarde) De streefwaarde/AW2000 wordt voor Organische stoffen gesteld op een honderdste deel van de MTR (maximaal toelaatbaar risico) van de betreffende stof. Voor metalen wordt de streefwaarde/AW2000 bepaald door de Natuurlijke achtergrondconcentratie op te tellen bij een honderdste deel van de MTR voor het betreffende metaal.
In de praktijk treden in door menselijk handelen beïnvloede bodemlagen overschrijdingen op tengevolge van langdurige diffuse belasting. In die gevallen is sprake van lokaal verhoogde “achtergrondwaarden”. Door veel gemeenten worden deze momenteel geïnventariseerd en wettelijk vastgelegd. Voor het saneringscriterium van oude verontreinigingen (voor 1987) zijn de achtergrondwaarden de ondergrens voor de saneringsdoelstelling. Ook voor grondverzet is de achtergrondwaarde en niet de streefwaarde doorslaggevend. Een verontreiniging boven de streefwaarden wordt “licht” genoemd. Tussenwaarde (T-waarde=(I+S)/2) De tussenwaarde, dat is de helft van de som van streef/AW2000- en interventiewaarde, speelt een rol in een aantal toetsingen. Indien bij een verkennend onderzoek een concentratie boven de tussenwaarde wordt gemeten, is er doorgaans aanleiding voor het uitvoeren van een nader onderzoek. Verkennend onderzoek dient slechts om de aan- of afwezigheid van verontreiniging aan te tonen. Bij verontreiniging boven de tussenwaarde wordt de kans reëel geacht dat bij nader onderzoek concentraties boven de interventiewaarde worden vastgesteld. Verder speelt de tussenwaarde een rol bij de risicoanalyses van een urgentiebepaling. Een verontreiniging boven de tussenwaarde wordt “matig” genoemd.
31
APS - Milieu B.V.
Interventiewaarde (I-waarde) De interventiewaarde is een concentratie waarbij er potentiële risico’s kunnen optreden voor de volksgezondheid of de ecologie. Het gaat hier dus om een risico grenswaarde. Een verontreiniging boven de interventiewaarde wordt “sterk” genoemd. Bij meer dan 10 × de interventiewaarde spreekt men vaak van een “zeer sterke verontreiniging”. Indien meer dan 25 m3 grond, of meer dan 100 m3 bodemvolume met grondwater, ernstig is verontreinigd, spreekt men bij oude verontreinigingen (bedoeld wordt meestal van vóór 1987) van een “ernstig geval van bodemverontreiniging”. Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging Voor een aantal stoffen zijn geen interventiewaarden vastgesteld, maar “indicatieve niveaus van ernstige verontreiniging”. Dit is het geval als er nog geen betrouwbare meetvoorschriften voorhanden zijn, of als de risicobeoordeling van de stof nog onvoldoende is getoetst. Ernst en urgentie van gevallen van bodemverontreiniging Met het in werking treden van de Wet Bodembescherming (Wbb) in 1987 is een onderscheid gemaakt tussen “bestaande gevallen van bodem verontreiniging” en “nieuwe gevallen van bodemverontreiniging”. Voor nieuwe gevallen kent de wet een duidelijke regeling: deze moeten worden opgeruimd (zorgplicht). Dit betekent dat de oude situatie moet worden hersteld, voor zover dat redelijkerwijze technisch mogelijk is (ALARA-principe).
Soms is de oude situatie vastgelegd middels een “nulsituatieonderzoek”. Voor oude (“bestaande”) gevallen is een speciale regeling ontworpen, de “saneringsregeling Wbb”. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen “ernstige” en “niet-ernstige” gevallen van verontreiniging. Er is sprake van een ernstig geval als er meer dan 25 m3 bodem boven de interventiewaarde is verontreinigd, of indien het grondwater van 100 m3 bodemvolume boven de interventiewaarde is verontreinigd. Pas als er sprake is van een ernstig geval, moet er op enig tijdstip gesaneerd worden. Vervolgens wordt de urgentie van het geval beoordeeld. Dit gebeurt middels een risicoanalyse voor mens, natuur en verspreiding. Indien een geval urgent is, wordt een saneringstijdstip opgelegd. Saneringsdoelstelling Nieuwe gevallen van verontreiniging moeten op grond van de wet teruggesaneerd worden naar de oude situatie. Soms is deze vastgelegd in een zogenaamd “nulsituatie onderzoek”. In andere gevallen wordt verondersteld dat de lokale achtergrond de oorspronkelijke situatie was. Oude gevallen van verontreiniging moesten tot voor kort teruggesaneerd worden naar multifunctionele (schone) bodem, tenzij de kosten hiervan veel te hoog dreigden op te lopen. In dat geval kon de verontreiniging ook “ingepakt” worden (IBC: Isoleren, beheersen en controleren).
In het kader van de zogenaamde BEVER-operatie verschuift het beleid naar “functioneel saneren”: de bodem moet worden teruggesaneerd zodat ze geschikt is voor de voorgenomen gebruiksfunctie. Hierbij moet wel worden aangetekend dat als de functie later wijzigt, aanvullende sanering noodzakelijk kan worden. De minimale terugsaneerwaarden bij functionele saneringen worden vastgesteld op basis van risicoanalyses.
32
APS - Milieu B.V.
Gemeten gehalten in grond met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Grondmonster Certificaatcode Boring(en) Traject (m -mv) Humus Lutum Datum van toetsing Monsterconclusie
% ds % ds
MM01 1250073 01, 02, 03 0,00 - 0,50 6,70 3,80 17-3-2023 Overschrijding Interventiewaarde Meetw GSSD
Index
MM02 1250073 04, 05 0,00 - 0,50 5,80 2,40 17-3-2023 Overschrijding Interventiewaarde Meetw GSSD
Index
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN PCB (som 7) PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
0,0061 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 0,0014 0,0012 <0,001
0,0091 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 0,0021 0,0018 <0,001
-0,01
0,0063 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 0,0014 0,0014 <0,001
0,0109 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 0,0024 0,0024 <0,001
-0,01
METALEN Kobalt Nikkel Koper Zink Molybdeen Cadmium Barium Kwik Lood
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
3 7,7 38 190 <1,5 0,47 81 0,64 400
9 19,5 64 372 <1,1 0,65 256 (6) 0,86 562
-0,04 -0,24 0,16 0,4 -0 0
3,5 7,6 45 160 <1,5 0,45 58 0,66 480
11,8 21,5 81 340 <1,1 0,66 214 (6) 0,91 701
-0,02 -0,21 0,28 0,34 -0 0
OVERIG Droge stof Lutum Organische stof (humus)
% % % ds
81,1 3,8 6,7
81,1 (6)
80,9 2,4 5,8
80,9 (6)
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie C10 - C12 Minerale olie C10 - C40 Minerale olie C12 - C16 Minerale olie C16 - C20 Minerale olie C20 - C24 Minerale olie C24 - C28 Minerale olie C28 - C32 Minerale olie C32 - C36 Minerale olie C36 - C40
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
<3 <35 <3 <4 <5 <5 8 <5 <5
3 (6) <37 3 (6) 4 (6) 5 (6) 5 (6) 12 (6) 5 (6) 5 (6)
<3 <35 <3 <4 <5 <5 9 <5 <5
4 (6) <42 4 (6) 5 (6) 6 (6) 6 (6) 16 (6) 6 (6) 6 (6)
PAK Naftaleen Anthraceen Fenanthreen Fluorantheen Chryseen Benzo(a)anthraceen Benzo(a)pyreen Benzo(k)fluorantheen Indeno-(1,2,3-c,d)pyreen Benzo(g,h,i)peryleen PAK 10 VROM
mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds mg/kg ds
<0,05 <0,05 0,23 0,54 0,36 0,27 0,36 0,16 0,27 0,32 2,6
<0,04 <0,04 0,23 0,54 0,36 0,27 0,36 0,16 0,27 0,32 2,6
<0,05 <0,05 0,19 0,3 0,19 0,2 0,21 0,099 0,14 0,15 1,5
<0,04 <0,04 0,19 0,3 0,19 0,2 0,21 0,099 0,14 0,15 1,5
33
0,02 1,07
-0,03
0,03
0,02 1,36
-0,03
0
APS - Milieu B.V.
Gemeten gehalten in grond met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Grondmonster Certificaatcode Boring(en) Traject (m -mv) Humus Lutum Datum van toetsing Monsterconclusie