RIS318489 Bijlage Onderzoeksrapportage Thuiszittersaanpak Den Haag
Tekst van het document
22
Oberon
Verstoorde relatie leraar-leerling Het contact tussen de leraar en de leerling kan volgens enkele respondenten ook een rol spelen bij (het ontstaan van) verzuim. Een relatie die niet goed is, waarin de leerling zich niet gehoord en gezien voelt, kan volgens een aantal respondenten het risico op verzuim en thuiszitten aanzienlijk vergroten. Leraren leren volgens deze respondenten tijdens hun opleiding nog te weinig over omgaan met gedrag. Onvoldoende en verstoorde communicatie met ouders Bij sommige casussen speelt een gevoelige communicatiesfeer of een verstoorde verhouding tussen ouders en professionals een grote rol bij het ontstaan van thuiszitten. Dit kan al in de school ontstaan en na verloop van tijd opbouwen en escaleren, met als gevolg schade voor alle betrokkenen. Dit komt ook naar voren uit het casusonderzoek, waarbij ook opviel dat ouders en leerlingen soms meerdere malen niet komen opdagen bij afspraken met onderwijs- of jeugdprofessionals. Respondenten spreken verder van een verharding van casussen en zien steeds vaker dat ouders een advocaat inschakelen. Veel respondenten geven aan dat ouders hoge en soms onrealistische verwachtingen hebben, soms niet passend bij de behoefte van het kind. Dit roept frustratie op bij professionals. Ouders beroepen zich soms op leerrecht, maar dit is in de praktijk lastig te realiseren.
Naast voldoende mogelijkheden voor passende ondersteuning ontbreekt er volgens respondenten ook wet- en regelgeving rond leerrecht vanuit de overheid. Ouders kunnen zich machteloos voelen, niet gehoord en niet begrepen. Op jonge leeftijd is vaak nog onbekend welke ondersteuning het kind nodig heeft. Ouders horen soms voor de eerste keer dat hun kind iets extra’s nodig heeft. Zij kunnen zich overvallen voelen als de school (soms plotseling) aangeeft dat het onderwijs niet meer passend is. Hierdoor hebben basisscholen soms te maken met weerstand van ouders, bijvoorbeeld wanneer een kind mogelijk verwezen moet worden naar een gespecialiseerde voorziening. Acceptatie kan in zo’n situatie enige tijd duren, ouders moeten immers hun verwachtingen bijstellen. Ook in het vo komt het voor dat ouders weigeren om mee te werken aan onderzoek of het overdragen van informatie. Soms zoeken zij dan alvast een nieuwe school, waardoor de leerling na verloop van tijd op deze school tegen dezelfde problemen aanloopt. De ongelijke uitgangssituatie (voor ouders gaat het immers om hun kind waardoor zij emotioneel betrokken zijn) maakt dat ouders in een kwetsbare positie verkeren. Enkele respondenten geven aan dat er soms een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis als ouders niet meewerken. Dit kan helpen maar het kan er ook juist voor zorgen dat het proces vertraagt omdat ouders zich bedreigd voelen.
Sommige respondenten geven aan dat ouders behoefte hebben aan een onafhankelijke partij die met hen meedenkt. Niet alle ouders weten het ouder- en jeugdsteunpunt van het samenwerkingsverband te vinden. Ook ervaren sommige ouders informatie of advies vanuit het samenwerkingsverband als nietonafhankelijk, het zijn immers samenwerkende schoolbesturen. Wanneer een leerling langdurig thuiszit of vastloopt op school en het ouders, school en samenwerkingsverband niet lukt om een oplossing te vinden is het mogelijk om een onderwijsconsulent in te schakelen. Dit kan echter niet bij een lopende juridische procedure. Vermijden van de zorgplicht Volgens een aantal respondenten komt het nog steeds voor dat scholen hun zorgplicht afhouden. Daarbij geeft de school voordat ouders van een kind met een ondersteuningsbehoefte zich kunnen aanmelden al aan dat ze elders moeten kijken omdat het aanbod van de school niet passend is. De zorgplicht telt alleen voor scholen die nog plek hebben, maar omdat niemand daar echt zicht op heeft kunnen scholen die niet vol zitten ouders toch weg adviseren.
Evaluatieonderzoek Haagse thuiszittersaanpak po & vo
23
Te weinig aandacht voor overgang po-vo Een enkele respondent geeft aan dat de overdracht van leerlingen van po naar vo nog niet overal optimaal verloopt waardoor vo-scholen onvoldoende op de hoogte zijn van ondersteuningsbehoeften of verzuimgeschiedenis. Hier speelt mee dat ouders soms geen toestemming geven voor het doorgeven van informatie. Verder moeten leerlingen meerdere vo-scholen opgeven en bestaat de kans dat zij niet op de school terechtkomen waar zij graag naartoe hadden gewild. Ook dit kan een reden zijn van verzuim.
4.3 Werkzame elementen en verbetermogelijkheden In deze paragraaf beschrijven we elementen van de huidige thuiszittersaanpak die volgens respondenten goed werken en behouden moeten blijven. Daarnaast besteden we aandacht aan verbeteringen die volgens hen nog mogelijk zijn, sommige daarvan zijn al in gang gezet. Werkzame elementen in de huidige aanpak Regisseurs sociaal domein Er zijn dertien regisseurs sociaal domein werkzaam binnen de gemeente Den Haag. Als bij een MDO of JES blijkt dat een casus vastloopt bestaat de mogelijkheid om op te schalen (escaleren). Dit kan rechtstreeks naar de regisseurs, via de adviestafel po of voor het vo middels maatwerktrajecten. Meestal gaat het om leerlingen waarbij het onderwijs niet meer passend is en er geen vervolgplek is en leerlingen die vanuit zorg een onderwijsplek zoeken. De regisseurs sociaal domein blijven iedere casus volgen totdat deze is opgelost. De regisseurs werken oplossingsgericht (wat kan er wél?) en kennen de route naar alternatieven en maatwerk, ook richting de samenwerkingsverbanden jeugdhulp. Soms is een oplossing second best in plaats van de ideale oplossing, maar wel goed genoeg om door te kunnen. Preventieve Verzuimaanpak Met tijdelijke financiering uit het Nationaal Programma Onderwijs is een Preventieve Verzuimaanpak opgezet.
De samenwerking tussen de school en de leerplichtambtenaar gaat hierbij eerder van start. De aanpak bestaat uit een aantal basiselementen, zoals het voeren van gesprekken met leerlingen als bij beginnend verzuim en het doornemen van het verzuimbeleid en verbeterpunten per school. Ook is er maatwerk per school, bijvoorbeeld het geven van voorlichting aan ouders en het ondersteunen van schoolpersoneel in de praktijk in het uitvoeren van het verzuimbeleid. De activiteiten worden door de school en de leerplichtambtenaar samen uitgevoerd. Uit een tussenevaluatie blijkt dat dit project positief wordt gewaardeerd.28 M@ZL M@ZL staat voor Meer Aandacht voor Ziekgemelde Leerlingen. M@ZL helpt om zorgwekkend ziekteverzuim in een vroeg stadium te signaleren. De aanpak is werkt volgens een stappenplan waarbij de school signaleert, de jeugdarts adviseert en de leerplichtambtenaar handhaaft. Nog niet alle scholen werken met M@ZL, maar de aanpak krijgt wel een plek in het nieuwe routeboek.
28
Zie denhaag.raadsinformatie.nl/document/12942261/2/RIS316048+Stand+van+zaken+Nationaal+Programma+Onderwijs
24
Oberon
Startklassen Een startklas is voor vierjarige kinderen die nog niet mee kunnen komen op school. Om te voorkomen dat deze kinderen uitvallen, organiseert het regulier onderwijs een aanbod met kleine klassen en benodigde expertise. Het samenwerkingsverband po bekostigt hierin een groot deel van deze expertise. De wens is om jeugdhulp bij de Startklassen te betrekken om te kijken wat er voor het kind en het gezin nodig is, bijvoorbeeld als er opvoedproblemen zijn of moeilijkheden in de thuissituatie. Een andere wens is dat een vaste leerplichtambtenaar betrokken zou zijn bij de Startklassen ondanks dat de kinderen in de Startklassen nog niet de leerplichtige leeftijd hebben bereikt. Een integrale aanpak voor ouder, kind en school is van belang. De ambitie is om uiteindelijk elf Startklassen met twaalf tot vijftien kinderen te realiseren. De gemeente Den Haag heeft inmiddels toegezegd jeugdhulp in negen Startklassen te zullen financieren. Observatiegroep De Ontdekkers Observatiegroep de Ontdekkers op SBO Het Avontuur is een samenwerking van het onderwijs, drie gemeenten en jeugdhulporganisatie Prodeba. De Ontdekkers is voor kinderen van groep vier tot groep zeven. De Ontdekkers bestaat uit een groep van negen leerlingen van SBO het Avontuur en vijf observatieplekken voor leerlingen die thuiszitten of dreigen thuis te komen zitten.
In een observatieperiode van dertien tot twintig weken worden de onderwijsbehoeften van deze leerlingen onderzocht. De jeugdhulppartner, onderwijs en ouders werken hierbij nauw samen. De Ontdekkers organiseert twee keer per jaar een bijeenkomst voor professionals om kennis en ideeën uit te wisselen. De gemeente Den Haag stelt via Prodeba middelen beschikbaar voor deze specifieke voorziening. Steunpunt (dreigende) thuiszitters en loket verzuim en thuiszitters Per 1 oktober 2023 is het Steunpunt (dreigende) thuiszitters voor het po gestart. Het idee is ontstaan vanuit De Ontdekkers. Scholen maken hier veel gebruik van. Scholen kunnen laagdrempelig contact opnemen via een contactformulier en telefoonnummer. Medewerkers van het steunpunt beantwoorden vragen en geven advies. Zij helpen scholen bij alle stappen in het routeboek en kunnen een observatie op locatie uitvoeren, aansluiten bij een MDO of meehelpen met het opstellen van een OPP. Het samenwerkingsverband po faciliteert en analyseert ook de vragen die binnenkomen met als doel te leren en door te ontwikkelen. Hierdoor ontstaat ook meer inzicht in scholingsbehoeften waar het samenwerkingsverband vervolgens bij kan ondersteunen. Medewerkers van het steunpunt schakelen ook regelmatig met de medewerkers van het loket verzuim en thuiszitters. Het steunpunt is met name gericht op preventie.
Het loket kan via de advies-en doorbraaktafel faciliteren met middelen als dat nodig is. Het steunpunt wordt als een succes ervaren en krijgt een plek in de nieuwe versie van het routeboek. Leernetwerk vo Het samenwerkingsverband vo maakt onderdeel uit van een leernetwerk waarin ook de gemeente Den Haag, jeugdhulp en jeugdgezondheidszorg participeren. Het leernetwerk bespreekt regelmatig een casus en gaat na wat er goed is gegaan en wat er beter kon. Op deze manier leren de verschillende samenwerkingspartners van casuïstiek. Hier zijn al verschillende concrete verbeterpunten uit naar voren gekomen, bijvoorbeeld het scherper formuleren van wat er van de verschillende tafels in het routeboek wordt verwacht. Het leernetwerk komt één keer in de twee maanden bij elkaar en de leerpunten richten zich op alle partijen. Het leernetwerk in het vo is gefinancierd met NPO-gelden waardoor er nog structurele bekostiging nodig is om het voort te zetten.
Evaluatieonderzoek Haagse thuiszittersaanpak po & vo
25
Plaatsingstafel vo Het samenwerkingsverband vo organiseert een plaatsingstafel voor jongeren die tijdelijk of nog geen schoolinschrijving of passende plek hebben. Bij de plaatsingstafel zijn schoolleiders aanwezig die het onderwijsniveau en de eventueel benodigde ondersteuning van de voorgedragen jongeren kunnen bieden. De bijeenkomst wordt pas afgesloten als elke jongere een plek heeft. Het samenwerkingsverband kan helpen bij de extra ondersteuning (bijvoorbeeld gericht op veiligheid), zodat ook moeilijk plaatsbare jongeren worden aangenomen. Als er plek is gevonden, blijft het voor sommige jongeren de vraag of dit ook de best passende plek is. Daarom worden leerlingen na plaatsing nog enige tijd gevolgd door het samenwerkingsverband. Soms is er toch nog aanvullende ondersteuning of een schoolwisseling nodig. Jeugdcoaches in het OPDC en het vso Het collectief en/of preventief snel en laagdrempelig inzetten van jeugdhulp (zonder diagnose en indicatie) op reguliere en gespecialiseerde scholen is volgens enkele respondenten een goede ontwikkeling om jeugdigen te ondersteunen en tevens kosten te beheersen. Een voorbeeld hiervan is de inzet van jeugdcoaches in een aantal bovenschoolse voorzieningen en voorzieningen voor gespecialiseerd onderwijs in het vo.29 De gemeente Den Haag stelt middelen beschikbaar voor de jeugdcoaches.
Genoemde mogelijkheden voor verbetering Beter signaleren in de scholen Volgens veel respondenten is er nog veel winst te behalen in de preventie door een goede registratie en analyse van verzuim bij de scholen. Dit kan scholen helpen om zorgwekkend verzuim eerder te herkennen. Respondenten merken hierbij op dat dit in het vo lastiger kan zijn dan in het po doordat zowel ouders als leraren meer afstand tot leerlingen ervaren. Toch kan de mentor een belangrijke rol spelen door bijvoorbeeld gesprekjes te voeren met leerlingen die vaak afwezig zijn. Afstemmen van thuiszittersregistraties De samenwerkingsverbanden po en vo en de gemeenten Den Haag, Rijswijk en Leidschendam-Voorburg willen de registratie van thuiszitters beter op elkaar af te stemmen. De thuiszittersregistratie van de schoolbesturen kan hier ook op aansluiten. Dit maakt het vergelijken van en handelen rond thuiszitterslijsten makkelijker, bijvoorbeeld omdat zichtbaar wordt welke scholen veel thuiszitters hebben. Inzet van preventieve jeugdhulp De gemeente wil met de herinrichting van de jeugdhulp ook meer inzetten op preventie. Door snel en laagdrempelig jeugdhulp op school te bieden, kan inzet van zwaardere hulp mogelijk worden voorkomen. In het kader van preventieve jeugdhulp is (naast het voorbeeld van de jeugdcoaches) ook het belang van meer aandacht voor trainingen voor jongeren genoemd.
Het gaat om kortdurende cursussen waar een individuele of een groep leerling(en) (online) aan deel kan nemen. In het vo kunnen mentoren hierbij een rol spelen door het aanbod met leerlingen te bespreken.
29
Zie voor meer informatie: https://kohnstamminstituut.nl/rapport/activiteiten-jeugdcoaches-in-beeld/
26
Oberon
Actieve rol samenwerkingsverband po bij absoluut verzuim Het samenwerkingsverband po zou net als in het vo een actieve rol bij kinderen zonder schoolinschrijving kunnen pakken zodat kinderen eerder geplaatst kunnen worden. In de werkgroep thuiszitters en de samenwerkingsagenda, waarin de gemeenten Den Haag, Leidschendam-Voorburg en Rijswijk zijn vertegenwoordigd, wordt gekeken hoe deze route beter en indien mogelijk op wijkniveau ingericht kan worden. Preventieve rol voor leerplicht Veel respondenten verwachten een preventieve werking bij verzuim en daardoor mogelijk ook bij het ontstaan van thuiszitten als de leerplichtambtenaar vaker in de school aanwezig is. De leerplichtambtenaar kan scholen meer bewust maken van het correct melden van verzuim en voorlichting geven op ouderavonden. Daarnaast kan de leerplichtambtenaar bijvoorbeeld eens per week bij de voordeur de leerlingen verwelkomen en gesprekken met leerlingen voeren die veel verzuimen. Verschillende respondenten geven aan dat leerplichtambtenaren verschillen in betrokkenheid. Sommige leerplichtambtenaren zijn bereid om mee te denken met een school en vervullen deels al een preventieve rol, terwijl andere leerplichtambtenaren niet buiten de gestelde kaders denken. Hier zou volgens respondenten meer eenheid in moeten zijn.
Er zijn ook respondenten die aangeven dat betrokkenheid van leerplicht pas vanaf het bereiken van de leerplichtige leeftijd (vijf jaar) niet in een preventieve aanpak past. Leerplicht zou eerder ingeschakeld kunnen worden, bijvoorbeeld als er in de voorschoolse periode problemen worden gesignaleerd. In het basisonderwijs zou het mogelijk ook helpen om op vaste momenten zorgoverleggen te plannen waarbij de leerplichtambtenaar aansluit. Nu sluit de leerplichtambtenaar doorgaans alleen bij een MDO aan als er sprake is van ongeoorloofd verzuim. Wat het lastig maakt is dat er veel basisscholen in Den Haag zijn en dat leerplicht beperkte capaciteit heeft. Er is al wel een startgesprek aan het begin van het schooljaar met de basisschool en betrokken leerplichtambtenaar. Tijdens dit gesprek worden afspraken gemaakt rond de samenwerking en doelen opgesteld voor de thuiszittersaanpak. Ook is er een mogelijkheid voor een tussenevaluatie. Gezamenlijk optrekken in het grijze gebied Respondenten spreken ook over situaties waarin ‘zorg voorliggend’30 zou zijn waardoor basisscholen en het samenwerkingsverband po niet verder inzetten op een arrangement. Bij de adviestafel (po) zou een verwijzing vaker voorkomen, terwijl er bij de expertisetafel (vo) meer oplossingsgericht wordt gehandeld om maatwerk te kunnen bieden.
Een mogelijke verklaring die respondenten geven is dat het samenwerkingsverband scholen wil beschermen tegen situaties die ze niet aankunnen of niet waar kunnen maken. Het uitgangspunt zou zijn dat een leerling in een groep moet kunnen functioneren. Een andere verklaring die wordt gegeven is het financieringsmodel. Hierdoor zouden er beperkt middelen zijn om vanuit het samenwerkingsverband in te zetten. Ook het feit dat samenwerkingsverbanden alleen hulp verzorgd door een instelling met een brin-nummer mogen financieren speelt wellicht mee. Dit beperkt de mogelijkheid om maatwerk te bieden. Het samenwerkingsverband vo gaat maakt hierin andere keuzes. Volgens het samenwerkingsverband po neemt zij juist verschillende initiatieven om het aantal thuiszitters terug te dringen. Deze plannen vinden echter soms moeizaam doorgang, onder andere omdat hiervoor op gemeentelijk niveau bestuurlijke dekking nodig is. Denk aan structurele financiering
30
Het gebruik van de term ‘zorg voorliggend’ betekent niet per definitie dat er ook d.m.v. onderzoek geconcludeerd is dat zorg voorliggend is.
Evaluatieonderzoek Haagse thuiszittersaanpak po & vo
27
voor de Startklassen en een aanpak rond verzuim en thuiszitten op wijkniveau waarbij het CJG betrokken is. Wat betreft visie liggen samenwerkingsverband en gemeente op één lijn en is de overtuiging dat het onderwijs-zorgcontinuüm uitgebreid moet worden. Ondanks deze overeenstemming wordt er aangegeven dat er meer behoefte is aan besluitvaardigheid bij de gemeente op bestuurlijk niveau. Sommige respondenten merken dat pestproblematiek steeds vaker voorkomt in thuiszittersdossiers. Het regulier onderwijs zou hier meer aandacht aan kunnen besteden. Ook de gemeente kan deze problematiek meer onder de aandacht brengen, bijvoorbeeld door een campagne of trainingen vanuit de jeugdgezondheidzorg. Betere samenwerking met ouders Een enkele respondent geeft aan dat er wettelijk iets geregeld zou moeten worden waarbij ouders verplicht worden in het belang van hun kind te handelen. Andere respondenten zien meer in training van gesprekstechnieken voor onderwijs- en (minder genoemd) ook jeugdhulpprofessionals. Volgens sommige respondenten ziet niet elke professional in dat ouders soms eerst moeten verwerken wat er gebeurt of de uitleg die zij krijgen niet begrijpen. Sommige ouders spreken de taal niet of zijn niet bekend met het Nederlandse onderwijssysteem. Scholen zouden hier begeleiding in moeten krijgen, vooral rondom taalbarrières en cultuursensitiviteit.
Ook betere en onafhankelijke informatie zou kunnen helpen om de kwetsbare positie van ouders te verstevigen. Het vertalen van informatie en brieven (vanuit leerplicht) voor ouders die geen Nederlands of Engels spreken, zou standaard mogelijk moeten zijn, evenals de inzet van een tolk (dit laatste is al vaak het geval). Ook moet er hulp zijn voor ouders die analfabeet zijn. Verder kan het helpen als er iemand is die in een vroeg stadium laagdrempelig voor ouders beschikbaar is en naast hen gaat staan. Deze functionaris zou ook ieders rol in het proces voor ouders kunnen verduidelijken. De gezinscoach kan deze rol soms al vervullen. Realiseren van tijdelijke opvang en andere vormen van onderwijs in het vo In het kader van tussenoplossingen om erger te voorkomen is door sommige respondenten het belang van een tijdelijk onderkomen voor leerlingen waarbij thuiszitten dreigt. Er zijn al verschillende plekken en projecten waar een kind terechtkan (OPDC, maatwerkklas), maar dit is volgens respondenten ‘gefragmenteerd’. Een dergelijke tussenvoorziening kan ook voor kinderen die al thuiszitten gerealiseerd worden, een soort ‘huiskamer in de school’ om de drempel naar school te verlagen. Ook zou er thuisonderwijs of digitaal afstandsonderwijs georganiseerd kunnen worden.
Verder zouden andere vormen van onderwijs voor sommige jeugdigen een uitkomst zijn, zoals ambachtelijk onderwijs met een praktische of technische insteek. Normaliseren Tot slot wijzen enkele respondenten op de noodzaak van normaliseren. Dit is volgens hen in het belang van het kind en ook nodig vanwege de houdbaarheid van systemen (jeugdhulp, gespecialiseerd onderwijs) en daarmee gepaard gaande kosten. De behoefte om een diagnose te stellen is onverminderd groot. Een van de respondenten spreekt van een ‘informatieverslaving’ van professionals. Als er geen rem komt op het medicaliseren en labelen, blijft de vraag naar hulp groeien. Uitbreiding van het aanbod kan meer vraag creëren en is daarmee niet altijd een geschikte oplossing.
28
Oberon
5 Conclusies en aanbevelingen In het vorige hoofdstuk werd al duidelijk dat bij het ontstaan van thuiszitten vele factoren een rol kunnen spelen. Elke ketenpartner is zich zeer bewust van het belang van het voorkomen van thuiszitten en welwillend om hier een bijdrage aan te leveren. In dit hoofdstuk vatten we de opgehaalde informatie samen en geven we antwoord op de onderzoeksvragen. Ook doen we enkele aanbevelingen voor de toekomst.
5.1 Conclusies en reflectie De vragen die in het onderzoek centraal staan hebben betrekking op het proces en de samenwerking rond thuiszitten. Per onderzoeksvraag geven we een samenvatting van de opgehaalde informatie en voorzien deze daar waar relevant van een reflectie vanuit de onderzoekers. 1. Hoe werkt het routeboek verzuim en thuiszitten uit in de dagelijkse praktijk? Hoewel de aanpak van verzuim en thuiszitten er op papier redelijk goed uitziet, ervaren betrokkenen verschillende knelpunten in de praktijk. Zo blijkt dat het routeboek op de werkvloer onvoldoende bekend is en dat het te weinig wordt gebruikt in de scholen. Hierdoor zijn opschalingsmogelijkheden maar ook rollen en verantwoordelijkheden van betrokken partners in de keten onvoldoende duidelijk. Bij een casus is het regelmatig niet helder wie aan zet is. Ook ontbreekt het soms aan regie waardoor niemand in de keten het overzicht heeft of stuurt op een casus om binnen een redelijke termijn tot een oplossing voor een jeugdige te komen. Het routeboek kan echter alleen als centraal vertrekpunt werken als het bij iedereen bekend is en daadwerkelijk gebruik wordt. Het zou een levend en verbindend document moeten zijn dat voortdurend onder de aandacht wordt gebracht, alleen al omdat er veel personeelswisselingen zijn. Dit blijkt in de praktijk nog niet het geval.
Zoals aangegeven ontbreekt het soms aan regie op de samenwerking rond een casus. Het routeboek geeft weinig uitleg over het belang van casusregie en hoe deze te beleggen. Er staat wel aangegeven dat een plan van aanpak wordt uitgevoerd onder ‘regie van het multidisciplinair overleg’ en in de (nieuwe) praktische handleiding staat dat de leerplichtambtenaar bij ongeoorloofd verzuim ‘nagaat welke ondersteuning wordt ingezet en wie de regie heeft’. Dit geeft echter geen garantie op het expliciet beleggen van regie bij een persoon die een casus van begin tot eind volgt. Dit sluit aan bij de bevinding dat elke partner zijn eigen activiteit of stukje in de keten uitvoert. Er is onvoldoende regie op samenwerking in de keten. Een casusregisseur zou dit zicht op de ketensamenwerking wel kunnen hebben. Afhankelijk van de situatie en fase in het proces kan een regisseur worden gekozen. Het is daarbij belangrijk dat als een betrokkene besluiten wil nemen over bijvoorbeeld een behandeling, dit in overleg met de casusregisseur gebeurt zodat deze laatste grip kan houden op het proces. Als de regie (vaker) expliciet belegd is dan zorgt dit voor meer verantwoordelijkheidsgevoel en bewustzijn van dat er voortgang moet zijn en dat een casus opgelost moet worden. Dit kan onnodige vertraging doordat men op elkaar zit te wachten voorkomen.
De huidige situatie geeft nog te veel risico op verantwoordelijkheid van iedereen, waardoor uiteindelijk niemand zich echt verantwoordelijkheid voelt. Verder blijkt dat de stappen die gezet kunnen worden en de mogelijkheden tot opschaling, zeker voor de scholen, nog onvoldoende helder zijn. Een heldere (visuele) escalatieladder ontbreekt in het routeboek, evenals een duidelijke mogelijkheid om contact op te nemen bij vragen over hoe verder. Scholen blijven onder andere daardoor lang zelf proberen om een casus op te lossen. Dit betekent dat de regisseurs sociaal domein soms (te) laat in beeld komen, terwijl juist zij een succesvolle schakel
Evaluatieonderzoek Haagse thuiszittersaanpak po & vo
29
kunnen zijn in het oplossen van casussen waarbij naast onderwijsondersteuning ook hulp of zorg nodig is. Zij weten de weg en blijven bij een casus totdat er een oplossing is. Uit het onderzoek blijkt ook dat de doorbraaktafel nog nooit heeft plaatsgevonden, onder meer omdat men niet weet wat deze tafel kan betekenen. 2. Welke belemmeringen of knelpunten zijn er in het proces en de samenwerking rond thuiszitten? Naast de zojuist genoemde onduidelijkheden in de basis van de aanpak, spelen diverse andere factoren een rol bij het ontstaan en de duur van thuiszitten. Het gaat daarbij soms om knelpunten die ook landelijk een groot probleem vormen, zoals wachtlijsten voor speciale voorzieningen en personeelstekorten in het onderwijs en de jeugdhulp. Deze knelpunten zijn (in tegenstelling tot de knelpunten genoemd onder onderzoeksvraag 1) niet gemakkelijk op te lossen. Jeugdigen wachten op een onderwijs(zorg)plek, een observatieonderzoek, een verwijzing, een vorm van jeugdhulp, etc. Dit levert soms veel vertraging op waardoor thuiszitten onvermijdelijk is of langer duurt. Jeugdigen die thuiszitten omdat ze wachten op onderzoek of een passende plek (onderwijs en zorg) komen zowel in de groep langdurig relatief verzuim als geoorloofd verzuim (ziek) voor.
Er is bovendien weinig zicht op werkelijke wachttijden door wachtlijstvervuiling omdat ouders soms het advies krijgen om voor de zekerheid meerdere voorzieningen in te schrijven. Doordat kinderen niet kunnen doorstromen houden zij een plek bezet die voor henzelf bovendien niet meer passend is. Door het lerarentekort staat het onderwijs onder druk. Scholen zijn hierdoor terughoudender geworden in het uitproberen of zij passend onderwijs kunnen bieden aan sommige leerlingen. Tegelijkertijd houden veel scholen leerlingen langer binnen terwijl zij daar geen capaciteit voor hebben. Daarnaast heeft Den Haag te maken met een tekort aan leerplichtambtenaren. Hierdoor heeft niet elke school een eigen leerplichtambtenaar. Dit heeft gevolgen voor de reguliere taken van de leerplichtambtenaar: het onderzoeken en acties ondernemen bij ongeoorloofd schoolverzuim. Wisselingen in personeel brengt soms ook verlies van ervaring en expertise met zich mee. Sommige knelpunten spelen alleen of vooral een rol bij absoluut verzuim. Het gaat bij dit type verzuim om verschillende groepen jeugdigen, zoals de grote toestroom van nieuwkomers (kinderen van asielzoekers, statushouders, arbeidsmigranten en expats), vijfjarigen die nog niet eerder naar school gingen, jeugdigen afkomstig uit gesloten jeugdhulp, verhuisleerlingen en ‘spookleerlingen’ zonder school en huisadres.
Doordat veel van deze kinderen niet (direct) bij de gemeente zijn ingeschreven, duurt het enige tijd voordat zij bij leerplicht in beeld zijn. Voor kinderen die eerst taalonderwijs nodig hebben zijn er de Taalklassen in po en de ISK in vo. Deze klassen kennen echter ook wachtlijsten. Verder zijn er kinderen binnen deze groep die extra aandacht en zorg nodig hebben, voor hen is het nog moeilijker om een passende plek te vinden. Bovendien is vaak nog niet bekend om welke behoeften het gaat. Dit laatste geldt ook voor de groep jonge kinderen die net leerplichtig zijn en nog geen schoolinschrijving hebben. Sommige scholen vermijden in zo’n geval de zorgplicht door ouders al voor een aanmelding kan plaatsvinden te adviseren om bij een andere school te gaan kijken. Ook jeugdigen die wegens een veiligheidsincident van school zijn verwijderd, hebben moeite om een nieuwe plek te vinden. Verder kan het moeilijk zijn om een passende plek te vinden voor kinderen waarvan de vrijstelling 5 onder a is verlopen. Een vrijstelling op grond van artikel 5 onder a van de Leerplichtwet is bedoeld voor kinderen met een lichamelijke of psychische beperking waardoor zij (tijdelijk) geen onderwijs kunnen volgen. Uit onder andere het casusonderzoek blijkt dat als kinderen weer onderwijs kunnen volgen, het soms erg moeilijk is om een passende plek voor hen te vinden.
Belemmeringen die (vooral) een rol spelen bij langdurig relatief verzuim hebben vaak te maken met het vinden van een passende plek, eventueel als tussenoplossing. Er zijn te weinig plekken waar onderwijs
30
Oberon
met zorg gecombineerd kan worden en/of waar jeugdigen tijdelijk kunnen verblijven zodat zij niet helemaal uitvallen. Dat de reisafstand thuis-school niet te groot mag zijn speelt hierbij, zeker in het po, ook een rol. Kansrijke initiatieven wachten soms op structurele financiering en dreigen hierdoor te stoppen of kunnen niet worden opgestart. Verder verloopt de overdracht van po naar vo nog niet overal optimaal waardoor de ontvangende school onvoldoende op de hoogte is van ondersteuningsbehoeften of verzuimgeschiedenis, waardoor zij hier niet preventief op in kunnen spelen. Hier speelt mee dat ouders soms geen toestemming geven voor het doorgeven van informatie. De herinrichting van de jeugdhulp - waarbij de twee samenwerkingsverbanden Kracht en rondomJou sinds 1 januari 2024 jeugdhulp voor de Haagse jeugd en gezinnen verzorgen – vormt ook een knelpunt. Daarbij gaat het in eerste instantie om de overgangsfase waarin jeugdhulp voor sommige jeugdigen niet bij de vertrouwde aanbieder gecontinueerd kan worden. Ook zijn er jeugdigen van de wachtlijst gehaald omdat ze niet meer in het gebied van de aanbieder wonen. Met welk samenwerkingsverband/welke hulpverleners een jeugdige te maken heeft, hangt af van de eigen woonwijk. Bovendien zijn sommige aanbieders niet meer gecontracteerd. Gebrek aan capaciteit speelt ook bij Kracht en rondomJou een rol.
Mogelijk verbetert deze situatie op de langere termijn. Een ander punt is dat verwijzing voortaan via het CJG en niet meer via de huisarts verloopt. Dit betekent dat het langer duurt voordat een verwijzing is afgegeven omdat het CJG een wachttijd kent. Bevindingen uit dit onderzoek laten ook zien dat verstoorde verhoudingen een rol kunnen spelen bij het ontstaan en de duur van thuiszitten. Een slechte relatie tussen leraar en leerling kan het risico op uitval vergroten. Dit wordt ondersteund door onderzoek waaruit blijkt dat leraren een beschermende factor kunnen zijn door te zorgen voor een veilige omgeving waarin leerlingen zich gezien en gehoord voelen. Begeleiding van de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen en verbondenheid met leraren versterkt het emotionele welzijn van leerlingen. Hierdoor ervaren leerlingen dat ze erbij horen in de klas met leeftijdsgenoten. Het ontbreken van betekenisvolle relaties in de school zorgt voor eenzaamheid, gebrek aan zelfvertrouwen en vergroot de kans op schooluitval.31 Bij sommige casussen speelt een gevoelige communicatiesfeer tussen ouders en professionals een grote rol bij verzuim en thuiszitten. Dit kan al in een vroeg stadium ontstaan en uiteindelijk escaleren met risico op veel schade voor alle betrokkenen. Uit onderzoek blijkt dat een goede en vertrouwde relatie de basis is voor partnerschap tussen ouders en leraar.
Door vanaf de eerste kennismaking aan een goede relatie te bouwen, kan de school hierop terugvallen als er iets aan de hand is. Het is immers makkelijker om elkaar aan te spreken als het contact goed is.32 3. Welke werkzame elementen zijn er in de (gemeentelijke) thuiszittersaanpak en wat is nog nodig? Uit het onderzoek blijkt dat er belangrijke succeselementen in de thuiszittersaanpak zijn die behouden moeten blijven. Deze elementen hebben betrekking op opvang op een tijdelijke passende plek, het inwinnen en uitwisselen van informatie/ervaringen, en (preventieve) samenwerking. We lichten dit kort toe. Tijdelijke plekken met een combinatie van onderwijs, ondersteuning en het in kaart brengen van behoeften, worden als succes beschouwd (OPDC, Startklassen, Observatiegroep De Ontdekkers). Dit aanbod kan voorkomen dat jeugdigen thuis komen te zitten en geeft tevens ruimte om ondersteuningsbehoeften (verder) in kaart te brengen zodat een vervolgplek goed aansluit bij wat nodig 31 32
Zie https://www.onderwijskennis.nl/kennisbank/sociaal-emotionele-ontwikkeling-van-de-leerling Struyf, A., Schreurs, B., Cornelissen, F., Volman, M., Van der Zanden, P., Geijsel., Denessen, E. (2021). Veerkracht verkennen. Hoe vijf VMBO-scholen het partnerschap aangingen met de ouders van kwetsbare leerlingen tijdens de COVID19-crisis.
Evaluatieonderzoek Haagse thuiszittersaanpak po & vo
31
is. Voor dergelijke initiatieven is het van belang dat er structurele financiering is zodat ze kunnen blijven bestaan of worden uitgebouwd. De gemeente draagt hieraan bij. Een ander werkzaam element betreft de mogelijkheid van inzet van de regisseurs sociaal domein (opschaling) om maatwerk voor kinderen te realiseren. Deze inzet heeft een positieve uitwerking omdat in deze fase naast regie ook nieuwe mogelijkheden ter sprake komen en meestal alsnog een (soms tijdelijke) oplossing voor een casus wordt gevonden. De mogelijkheid tot inwinnen en uitwisselen van informatie voor betrokken partners blijkt ook belangrijk in de thuiszittersaanpak. Het routeboek bevat veel informatie en heeft (ondanks de nog niet optimale werking in de praktijk) al verbetering in de thuiszittersaanpak gebracht. Ook ondersteunt het Steunpunt (dreigende) thuiszitters scholen die vragen en zorgen op dit gebied hebben. Het Leernetwerk vo wordt gebruikt om met elkaar van thuiszitterscasussen te leren en is een mooi voorbeeld van echt gezamenlijk kijken naar de sterke en minder sterke kanten van de samenwerking in een traject rond thuiszitten. Wat betreft het tegengaan van verzuim komt preventieve samenwerking zoals binnen de Preventieve Verzuimaanpak en het gebruik van M@ZL naar voren als werkzaam element.
Tot slot is de plaatsingstafel in het vo belangrijk om in gezamenlijk overleg tussen scholen een plek ter beschikking te stellen voor leerlingen die moeilijk plaatsbaar zijn. Naast de werkzame elementen ziet het veld nog mogelijkheden om de thuiszittersaanpak te verbeteren. Het gaat om meer samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp, meer maatwerk en mogelijkheden voor tijdelijke opvang voor thuiszitters. Daarnaast is het belangrijk om de samenwerking met ouders te verbeteren door hen beter te informeren en hen te helpen om de weg te vinden als het gaat om onderwijs, ondersteuning, rechten en plichten. De overige beoogde verbeteringen zijn vooral gericht op het voorkómen van (langdurig) verzuim en thuiszitten. Het gaat om het vroeg signaleren van zorgwekkend verzuim in de scholen, het afstemmen van thuiszittersregistraties, meer inzet van preventieve jeugdhulp in de scholen, een actieve rol voor het samenwerkingsverband po bij absoluut verzuim en meer inzet op de preventieve rol van leerplicht.
5.2 Aanbevelingen Thuiszitten is niet alleen een Haags maar ook een landelijk probleem. De term wicked problem33 is tijdens de uitvoering van dit onderzoek regelmatig gevallen. Thuiszitten is zo’n ontembaar probleem. Het is complex en moeilijk oplosbaar omdat verschillende factoren en partijen een rol spelen. Duidelijkheid of overeenstemming bij een casus over de kern van het probleem en de beste oplossing, is er ook niet altijd. Desondanks doen we in deze paragraaf op basis van het voorgaande enkele aanbevelingen. We richten ons daarbij op aanbevelingen voor de gemeente omdat de focus van het onderzoek op de gemeentelijke kant van de thuiszittersaanpak lag. Uiteraard zijn ook andere partners nodig of aan zet om de thuiszittersaanpak te verbeteren. Aanbevelingen hebben grofweg betrekking op twee gebieden: 1) integrale samenwerking en preventie, en 2) informatie en steun voor scholen en ouders. Een (gezamenlijke) preventieve aanpak kan in sommige gevallen thuiszitten voorkomen, maar niet altijd. Daarom is het belangrijk dat er wordt ingezet
33
Rittel, H.W.J. & Webber, M.M. (1973). Dilemmas in a general theory of planning. Policy Sciences, 4, 155-169.
32
Oberon
op preventie én dat de processen voor kinderen die ondanks de inzet op preventie toch thuis komen te zitten ook op orde zijn. Integrale samenwerking en preventie Samenwerking tussen gemeentelijke en onderwijspartners is belangrijk, zowel bij het voorkomen als het oplossen van thuiszitterscasussen. → Stuur aan op preventie van thuiszitten als gezamenlijke taak van leerplicht, onderwijs, jeugdhulp en jeugdgezondheidszorg Ernstig verzuim begint vaak met ‘gewoon’ verzuim. Verzuim van leerlingen is daarom een belangrijk aanknopingspunt om thuiszitten te voorkomen. 34 Het voorkomen en oplossen van verzuim en thuiszitten kan alleen als partijen het recht van kinderen op leren en ontwikkeling sámen beschermen. Nu komt het voor dat de gemeente in de rol van leerplicht wordt aangesproken als degene die ook het leerrecht kan garanderen, terwijl alle partijen nodig zijn om dat recht te kunnen verzilveren. In de huidige gang van zaken handelt eenieder daarbij nog te veel vanuit eigen wet- en regelgeving en vanuit het eigen stukje in de keten. Samen werken in de keten is niet hetzelfde als samenwerken. Samenwerken is elkaar versterken om een gezamenlijk doel te bereiken en de druk op eenieder te verlichten. Dit vraagt om een gedeelde bestuurlijke visie op de preventie van thuiszitten.
Vanuit een gezamenlijke bestuurlijke koers op deze ambitie kunnen stappen worden gezet op beleidsmatig en uitvoerend niveau. Dit vindt al plaats, bijvoorbeeld met de Haagse Educatieve Agenda 2022-202635 die naar het gezamenlijke doel van voorkomen van verzuim en thuiszitten verwijst. Uitwerkingen van hoe jeugdigen te ondersteunen in jeugdplannen van de gemeente en ondersteuningsplannen van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs worden gezamenlijk besproken in het op overeenstemming gericht overleg. Samenwerking rond thuiszitters stond ook bovenaan de werkagenda van de wethouders van de 10 Haagse gemeenten. Met de uitkomsten van onderhavig onderzoek kan de gemeente mogelijk nog meer en proactief op samenwerking rond preventie van thuiszitten sturen. De gemeente heeft immers goed zicht op zowel onderwijs, als jeugdhulp, jeugdgezondheidszorg en leerplicht en is bovendien verantwoordelijk voor randvoorwaarden als huisvesting en leerlingenvervoer. Zij kan zorgen voor goede samenwerking tussen de verschillende gemeentelijke domeinen. Ook kan zij er ook op sturen dat preventie van thuiszitten in samenwerking met onderwijs en leerplicht tot de taken van de ingekochte jeugdhulp hoort. In dit kader is het voor de gemeente ook belangrijk om de ingezette verandering in jeugdhulp (Kracht en rondomJou) goed te volgen.
Na de overgangsfase zouden beoogde verbeteringen duidelijk merkbaar moeten zijn. Tevens kan de in het onderzoek voorgestelde actieve rol voor het samenwerkingsverband po bij absoluut verzuim ter sprake worden gebracht, evenals het gezamenlijk afstemmen van de thuiszittersregistraties door gemeenten en onderwijs. → Zet in op verduidelijking en versterking van de preventieve rol van de leerplichtambtenaar In het licht van gezamenlijke preventie kan de gemeente overwegen om de preventieve rol van de leerplichtambtenaar bij het voorkomen van verzuim te verduidelijken en te versterken. In de huidige verzuim en thuiszittersaanpak vervult leerplicht al een preventieve rol maar uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat het in het veld niet duidelijk is wat men hiervan kan verwachten. De ene leerplichtambtenaar denkt wel mee, ook al heeft deze geen formele taak, de andere niet. Bovendien willen scholen dat de leerplichtambtenaar meer en eerder betrokken is, ook al voordat verzuim plaatsvindt. Een voor het veld heldere, afgebakende basisrol in preventie die elke leerplichtambtenaar 34 35
Van Binsbergen, M.H., Pronk, S., Van Schooten, E., Heurter, A., & Verbeek, F. (2019). Niet thuisgeven. Schooluitval vanuit het perspectief van leerlingen: onderzoek naar thuiszitters. Amsterdam: Kohnstamm Instituut https://denhaag.raadsinformatie.nl/document/11546791/1
Evaluatieonderzoek Haagse thuiszittersaanpak po & vo
33
kan bieden is wenselijk. Daarbovenop zouden per school of wijk afspraken gemaakt kunnen worden over een invulling naar behoefte. Op sommige scholen zal immers meer preventie nodig zijn dan op andere scholen. Voor het goed vervullen van een preventieve rol is het van belang dat elke school een vaste leerplichtambtenaar heeft, zodat men goed bekend is met elkaar en met de school. Voor basisscholen kan dit eventueel op wijkniveau geregeld worden. De leerplichtambtenaar kan in een preventieve rol de scholen meer bewust maken van het belang van een goed verzuimbeleid en nagaan of scholen daarin ergens tegenaanlopen. Ook kan de leerplichtambtenaar scholen wijzen op het belang van een zorgvuldige verzuimregistratie en het correct melden van verzuim. Zij kunnen scholen ook helpen hoe zij signalen van beginnend verzuim kunnen herkennen. Het onderscheid geoorloofd-ongeoorloofd verzuim maakt het vroeg signaleren van zorgwekkend (ziekte)verzuim niet makkelijk. Scholen zijn niet (wettelijk) verplicht om geoorloofd verzuim te melden. Ze registreren het meestal wel, maar er is een risico dat leerlingen met frequent en zorgwekkend ziekteverzuim pas laat bij de jeugdarts worden gemeld. Verder komen leerlingen met ongeoorloofd verzuim, die onder de grens van zestien uur in vier weken blijven, maar waarbij er wel meer aan de hand is, niet automatisch bij leerplicht in beeld.
Ook hier kan de leerplichtambtenaar scholen helpen om (meer) alert te zijn en scholen stimuleren elke vorm van zorgwekkend verzuim te melden. Een leerplichtambtenaar die vaker in de school zichtbaar aanwezig is, kan ook gesprekken voeren met (ouders van) leerlingen die vaak verzuimen. Het is belangrijk dat er bij deze gesprekken oprechte aandacht en interesse is. Verder past ook aandacht voor de groep jonge kinderen (5-), waarbij in de voorschoolse periode al signalen zijn dat zij niet makkelijk in het onderwijs zullen instromen, bij een preventieve insteek. Indien de gemeente uitbreiding en versterking van de rol van de leerplichtambtenaar wenst te realiseren, is een investering in capaciteit en aanvullende deskundigheid van leerplichtambtenaren nodig. Ook landelijk is er een verschuiving van curatief naar preventief werken bij verzuim. Zo werken sommige regio’s volgens de aanwezigheidsvisie en plaatsen scholen hun verzuimbeleid binnen een breder beleid gericht op schoolaanwezigheid.36 Dit is een benadering waarin er meer ruimte is voor een positieve en preventieve insteek gericht op alle leerlingen, denk daarbij aan investeren in welbevinden van leerlingen en sociale veiligheid op scholen. Ook hier is bij de inzet van leerplicht een verschuiving te zien van handhaving naar samenwerking en preventie van verzuim. In het nieuwe routeboek wordt deze benadering ook genoemd.
De gemeente zou deze aanpak met haar partners verder kunnen uitwerken. → Zorg voor meer samenwerking in de uitvoering van onderwijs en jeugdhulp en zorg Om thuiszitten tegen te gaan is voldoende aanbod nodig waarin onderwijs, jeugdhulp en zorg gecombineerd worden. Het gaat zowel om tijdelijke plekken voor opvang en observatie als om structurele plekken met een combinatie van onderwijs en zorg. Om meer maatwerk voor kinderen te realiseren, is uitbreiding van de samenwerking tussen onderwijs, jeugdhulp en zorg noodzakelijk. De discussie over de financiering van dergelijke initiatieven heeft tot nu toe weinig opgeleverd. Het buiten de gestelde kaders en oplossingsgericht denken en handelen heeft daarentegen al wel veel voor kinderen betekend. Hiervoor zijn bestuurlijke besluitvaardigheid vanuit gemeente en onderwijs, commitment en gezamenlijke investeringen noodzakelijk zodat kansrijke initiatieven opgestart en doorontwikkeld kunnen worden. De ontwikkeling van inclusiever onderwijs kan ook bijdragen aan meer flexibiliteit in het systeem, waar ouders en kinderen toch op terug moeten kunnen vallen. De vraag daarbij is wat school nodig heeft om het kind passende ondersteuning te bieden, in plaats van wat het 36
Zie voor meer informatie over schoolaanwezigheid: https://www.steunpuntpassendonderwijspovo.nl/document/publicatie-van-verzuim-naar-aanwezigheid/
34
Oberon
kind nodig heeft om in het schoolsysteem te passen. Echter, de ontwikkeling naar inclusiever onderwijs kost tijd en maakt in de tussentijd het creëren van meer plek in het speciaal onderwijs lastig. Informatie en steun voor scholen en ouders Thuiszitten kan voor jeugdigen grote gevolgen hebben en heeft impact op het hele gezin. Het verhaal van Aiden in Deel 2 van deze rapportage illustreert dit. Ook betrokken professionals voelen zich soms machteloos. Goede informatie en steun voor scholen en ouders (en leerlingen) is daarom belangrijk. → Geef in het routeboek meer aandacht aan casusregie en opschalingsmogelijkheden Uit het onderzoek komt duidelijk naar voren dat het routeboek verzuim en thuiszitten een goed startpunt is van samenwerking. Het routeboek is echter onvoldoende bekend bij de scholen. Scholen die er wel bekend mee zijn missen een duidelijk overzicht van stappen en mogelijkheden tot opschaling waardoor zij een casus soms lang vasthouden. Daarnaast besteedt het routeboek te weinig aandacht aan het belang van casusregie, waardoor jeugdigen soms uit beeld raken. Een casusregisseur is echter noodzakelijk om acties rond leerlingen in goede banen te leiden, na te gaan of afspraken worden nagekomen en de casus te evalueren. Expliciet belegde casusregie kan vertraging in het proces doordat men op elkaar zit te wachten voorkomen.
Het risico dat kinderen uit beeld raken wordt kleiner. De casusregisseur kan sturen op samenwerking rond een jeugdige waardoor de keten meer als een netwerk kan functioneren. Vastleggen van casusregie kan tijdens het zorgoverleg plaatsvinden. Welke persoon regie neemt is afhankelijk van de situatie/de casus, indien nodig kan regie later overgedragen worden. Op dit punt is redelijk makkelijk winst te behalen door in het vernieuwde routeboek te zorgen voor meer helderheid in de routes, hoe en wanneer op te schalen en meer duidelijkheid over de noodzaak van het expliciet beleggen van casusregie. De gemeente werkt samen met onderwijs aan het vernieuwen van het routeboek en kan deze verbeteringen ter sprake brengen. Ook kan zij de werking van het routeboek regelmatig met partners evalueren en aan de hand van de uitkomsten aanpassingen doorvoeren. → Breng het routeboek regelmatig onder de aandacht Ook moet het routeboek voortdurend door zowel gemeentelijke als onderwijspartners bij het veld onder de aandacht worden gebracht. Dit is belangrijk om het document te laten leven en omdat er veel personeelswisselingen in de keten plaatsvinden. Als iedere partner goed bekend is met het routeboek en er daadwerkelijk mee werkt, is het routeboek niet alleen een startpunt van samenwerking maar heeft het ook een verbindende functie.
→ Zorg ervoor dat scholen met vragen bij een centraal punt terechtkunnen Scholen hebben soms behoefte aan advies, als zij dreigen vast te lopen met een casus. In het onderzoek is het voorbeeld van het Steunpunt (dreigende) thuiszitters genoemd. Scholen (po) maken hier al veel gebruik van, maar het steunpunt heeft een beperkte bezetting en nog geen structurele financiering. Het is in dit kader belangrijk om tijdig en gezamenlijk bestuurlijke keuzes te maken, zodat een dergelijk initiatief niet onderbroken of stopgezet hoeft te worden. Daarnaast kan het helpen als in het routeboek een mogelijkheid tot het opnemen van contact (met een centraal punt) is opgenomen, zodat scholen weten waar ze met vragen vanuit po en vo terechtkunnen. Dit contactpunt kan hen eventueel verder verwijzen. → Ondersteun ouders met betere en onafhankelijke informatie Betere en onafhankelijke informatie en advies kan helpen om de kwetsbare positie van ouders en leerlingen te versterken. School staat centraal in het steunen en informeren van ouders en leerling. Daarnaast staan de andere MDO/JES-partners die steun en informatie kunnen bieden aan ouders,
Evaluatieonderzoek Haagse thuiszittersaanpak po & vo
35
leerling en elkaar. Verder zijn er diverse informatie/adviespunten, maar deze worden door ouders niet als onafhankelijk ervaren, zij zijn immers verbonden aan de scholen en samenwerkende schoolbesturen. Ook op landelijk niveau zijn er diverse voorzieningen zoals Ouders & Onderwijs, de Geschillencommissie Passend Onderwijs en de Onderwijsconsulenten. Voor ouders (die de taal niet spreken) is het echter (ook) van belang om dichtbij en in een vroeg stadium een laagdrempelig, vertrouwd persoon te hebben die hen de weg kan wijzen in de wereld van onderwijs- en jeugdhulp. De gemeente (leerplicht, jeugdhulp, jeugdgezondheidszorg, regisseurs sociaal domein) zou samen met het onderwijs (schoolbesturen, samenwerkingsverbanden) na kunnen nagaan of hier mogelijkheden voor zijn. Daarnaast kan informatie over de rollen van partners in de keten ouders helpen meer inzicht te krijgen in wie wat voor hen (wel of niet) kan betekenen. Een vereenvoudigde, op ouders toegeschreven versie van het routeboek kan hierbij helpen. Als het gaat om betere informatie voor ouders valt er aan de gemeentelijke kant ook snel winst te behalen door het vertalen van bijvoorbeeld (standaard)brieven die leerplicht stuurt. Deze zijn er nu in het Nederlands en het Engels maar een uitbreiding hierop of een check in het systeem op de moedertaal kan onnodige vertraging voorkomen.
→ Zorg voor training en begeleiding van (onderwijs)professionals in het contact met ouders In het contact met ouders is oprechtheid van belang, zodat zij weten waar zij aan toe zijn. Soms komen jeugdigen op een wachtlijst terwijl eigenlijk al bekend is dat dit door de lange wachttijden geen kans van slagen heeft. Ook wordt er soms nog over in plaats van met ouders en leerlingen gesproken. Het kan in dit verband zinvol zijn als professionals begeleiding krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van training in hoe zij gesprekken met ouders kunnen voeren, hoe zij vanuit verschillende perspectieven kunnen leren kijken (open houding) en hoe zij kunnen omgaan met situaties waarin zij zichzelf niet veilig voelen. Het verplichten van training voor professionals kan voorkomen dat alleen diegenen deelnemen die de ondersteuning het minst hard nodig hebben.
36
DEEL 2
Oberon
Plaats voor ieder kind?
Het verhaal van Aiden, verteld door zijn ouders Dit is het verhaal van Aiden, een jongen die al vroeg in zijn schoolloopbaan is vastgelopen. Het verhaal is verteld vanuit het perspectief van de ouders. Deze thuiszitterscasus is niet representatief voor andere thuiszitterscasussen, iedere casus is immers uniek. Andere betrokkenen bij deze casus hebben de situatie anders ervaren maar zijn niet gehoord omdat hoor en wederhoor of waarheidsvinding geen doelen waren bij de weergave van dit verhaal. Het doel van deze weergave is het in beeld brengen van de complexiteit en impact van een situatie waarin een kind niet naar school kan gaan. Twijfels in groep 2 Het begon allemaal toen onze zoon Aiden in groep 2 zat. De directeur van deze school voor speciaal basisonderwijs dacht dat onze zoon de overgang naar groep 3 wat betreft cognitie niet zou redden. We kregen daarom het advies om naar scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen te kijken. Thuis liet Aiden echter heel andere dingen zien... We hebben dat gefilmd, zodat ze dit op school ook konden zien. Uiteindelijk hebben we hier met school veel discussie over gehad en is er een multidisciplinair overleg georganiseerd. Ondertussen heb ik gebeld met een school voor zeer moeilijk lerende kinderen, cluster 3, om te kijken of dat wat zou kunnen zijn voor Aiden.
Tijdens dat telefoongesprek kwam ik erachter dat de intern begeleider van onze eigen school zonder overleg met ons ook al een cluster 3 school had benaderd. Dus daar begon het eigenlijk al… Met een arrangement naar groep 3 Bij het multidisciplinair overleg bleek dat niemand hard kon maken dat onze zoon het niet zou redden in groep 3. Dus hij kreeg nog een kans, met een arrangement. Hij had op dat moment een Shadow van een onafhankelijke organisatie. De school stelde echter als voorwaarde dat zij het arrangement door een eigen onderwijsassistent zouden uitvoeren, dus de externe Shadow moest stoppen. Dat wilden we eigenlijk niet, want dat arrangement werd betaald vanuit het samenwerkingsverband en waarom zou je dat geld niet voor een externe partij kunnen gebruiken? Maar de school was heel stellig. We raakten een beetje klem, want we dachten ‘als we nu nee zeggen dan raakt hij zijn plekje kwijt en dan gaat hij de kans niet krijgen en als we ja zeggen dan heeft hij dat plekje wel’. We kozen dus voor ‘ja’, terwijl ons onderbuikgevoel al zei dat dit waarschijnlijk een probleem ging worden... Ondersteuning wordt afgebouwd In groep 3 kon Aiden boven alle verwachtingen meekomen met de leerlijn. Daarom zou het arrangement al na de herfstvakantie gestopt worden. Dat vonden we vreemd.
We vonden dat we niet zo snel moesten stoppen, maar het geld gewoon moesten gebruiken en afbouwen tot aan januari. Dit werd ook een discussie, met als uitkomst dat we zouden afbouwen. Achteraf bleek dat het arrangement helemaal niet is uitgevoerd. Vanaf dat moment ging de school inzoomen op gedrag. Aiden moest veel huilen en liet zich alleen door de onderwijsassistenten troosten. Op een gegeven moment vond de school dat we moesten starten met Ritalin. Dat wilden we niet zonder dat er een medische diagnose was. We hebben de kinderarts gebeld en die vond het ook geen goed idee, dus we hebben school laten weten dat we er niet voor open stonden. Vanaf toen gaf school telkens aan dat onze zoon ontroostbaar was. We hadden verwacht dat een school voor gespecialiseerd onderwijs daarmee om zou kunnen gaan en vroegen ons af of onze zoon zich nog wel veilig voelde op deze school? We hadden hier wel gesprekken over met school maar dit bracht veel irritaties over en weer met zich mee.
Evaluatieonderzoek Haagse thuiszittersaanpak po & vo
37
School geeft aan het niet meer te kunnen Toen we een paar weken later onze zoon van school kwamen halen zei de juf dat het een vermoeiende ochtend was geweest. Ze ging op haar hurken zitten, pakte onze zoon bij zijn schouders en zei tegen hem: ‘De juffen zijn moe, we zijn er klaar mee.’ Ik heb daar wat van gezegd, ik merkte dat bij mij de emoties hoog opliepen en ik heb gevraagd of ze wilde nadenken of mijn zoon überhaupt nog iets goed kon doen, omdat ze anders misschien niet de juiste juf was voor ons kind. We moeten daarin open en eerlijk naar elkaar zijn. Ik heb niet veel meer gezegd want twee dagen later zouden we een gesprek hebben. Bij dat gesprek voelde ik me niet gehoord. Het voorval werd goedgepraat, terwijl ik vond dat ik als moeder kenbaar mag maken dat ik dat voorval pedagogisch niet verantwoord vind. Het vertrouwen is weg In januari is de school gestart met check-in-check out: aan het begin van de dag de doelen bespreken waar het kind aan gaat werken en aan het eind van de dag een gesprekje over hoe dat ging. De doelenkaart bleek een gedragskaart. Dat was niet de afspraak en ik vond het niet okay om zijn gedrag op deze manier onder een vergrootglas te leggen. Nog voordat we een gesprek zouden hebben werd ik gebeld. Aiden was helemaal overstuur. Ik heb gezegd dat ik vond dat ze hem eerst moesten troosten en daarna pas mij bellen.
Uiteindelijk heb ik hem telefonisch getroost. Een uur later werd ik weer gebeld. Hij was weer aan het huilen. Aiden vertelde wat er in zijn beleving was gebeurd en de directeur riep ’je moet niet liegen, wel de waarheid vertellen’. Ik heb toen weer aangegeven dat ik het pedagogisch handelen niet goed vond, maar als ik er helemaal geen vertrouwen meer in had gehad, zou ik mijn zoon niet brengen. Onze intentie was altijd in de samenwerking blijven door open en transparant te communiceren. Het voorval waarin tegen mijn zoon is gezegd dat ze moe zijn en klaar met hem zijn had me al zo geraakt… Ik zat hier nu weer in een gesprek vanwege het pedagogisch handelen, maar ook weer vanuit de intentie ‘ik wil met je in gesprek en ik wil dit samen oplossen, maar als dat niet de insteek van de school is, wat doe ik hier dan?’ Op een gegeven moment werd dit gesprek afgebroken en zei de directeur: ‘We hebben geen vertrouwen meer in elkaar, loop maar naar de klas en neem hem maar mee.’ Ik heb hem uiteindelijk huilend en al meegenomen omdat ik niet anders kon, ook omdat het geen vraag was maar een eis van de directeur. Achterlaten kon niet, omdat hij niet meer welkom was Veiligheid Ik heb leerplicht gebeld en het advies was mijn zoon gewoon naar school te brengen, maar dat durfde ik niet meer aan.
Ik heb ook het schoolbestuur en de onderwijsinspectie gesproken omdat een kind toch niet zomaar van school gestuurd kan worden? Ik heb Aiden toch maar weer naar school gebracht. We kregen een gesprek bij het schoolbestuur. Hierbij waren ook een juridisch adviseur van het bestuur, een vertegenwoordiger van school en een familievriend van ons – tevens gemeenteraadslid – aanwezig. Ik wist zeker dat veiligheid ter sprake zou komen, want dat is natuurlijk de enige legitieme reden om een kind per direct weg te sturen. Dat gebeurde ook: ‘onveiligheid vanuit ouders’. De school gaf aan dat de medewerkers en leerlingen met buikpijn naar school kwamen vanwege ons. Ik raakte helemaal in shock. Ik ben er toen ook even uitgestapt en heb ook echt even tot tien moeten tellen. En toen ik weer terug in het gesprek kwam, was het gesprek eigenlijk al afgekapt. Toch zijn we nog even blijven zitten, met onze familievriend en de juridisch adviseur van het schoolbestuur. Onveiligheid was nooit eerder ter sprake gekomen of ergens gemeld. Waar is het bewijs? We wisten toen al: dit gaat nooit meer goed komen. Toen we onze zoon van school gingen ophalen, mochten de juffen opeens niet meer naar buiten met de klas. De juridisch adviseur belde met de vraag of wij onze zoon voor één dagje thuis wilden houden om de rust te bewaren.
Dit hebben we gedaan, terwijl achteraf na het gesprek met de bovenschoolse directeur duidelijk naar voren kwam dat het niet om eenmalig thuishouden ging maar zij al van plan waren Aiden te verwijderen. We werden voor ons gevoel misleid.
38
Oberon
Niet meer welkom De volgende dag hadden we een gesprek met de bovenschools directeur en de juridisch adviseur van het schoolbestuur. We hadden ook onze familievriend weer meegenomen. De bovenschools directeur zei toen dat Aiden per direct niet meer welkom was op school. We hebben de bovenschools directeur gevraagd of er meldingen zijn geweest van onveiligheid en die waren er niet. Echter op de vraag waar de verwijdering, gebaseerd op onveiligheid dan vandaan kwam, is nooit echt antwoord gegeven. Het bestuur ging zonder een gesprek met ons en een vooronderzoek gewoon mee in het verhaal van de school. We zeiden dat ze maar iets moesten regelen en dat we hem anders gewoon naar school zouden brengen. Als we dat zouden doen dan zouden ze hem gelijk weer buiten zetten. Dat mag juridisch gezien helemaal niet. Ze hadden de verwijdering van onze zoon namelijk nog niet op papier gezet en de onderwijsinspectie en leerplicht waren nog niet op de hoogte gesteld. Een paar weken later hadden we weer een gesprek met de juridisch adviseur, de onderwijsadviseur van het samenwerkingsverband en de directeur van de school waar Aiden een week één op één begeleiding kreeg van de onderwijsassistent. We hadden ons voorgenomen dat als het gesprek niet goed zou gaan, we onze familievriend als raadslid zouden introduceren in plaats van als familievriend.
We zouden aangeven dat hij het dan ook politiek zou oppakken. We hebben voorafgaand aan het gesprek contact opgenomen met verschillende advocatenkantoren, maar die gaven aan dat ze weinig voor ons konden betekenen omdat we nergens tegen in bezwaar konden gaan. De verwijdering stond namelijk nog steeds niet op papier. School had het ook steeds over een schorsing. We hebben contact opgenomen met de leerplichtambtenaar met de vraag wat hun functie precies is, aangezien onze zoon technisch gezien thuis zat. Leerplicht moet bij een verwijdering altijd op de hoogte gesteld worden door een school, maar dit was niet gebeurd. Ook de verwijderingsprocedure was niet in gang gezet, terwijl onze zoon niet meer welkom was op school. De leerplichtambtenaar heeft contact opgenomen met de school, maar gaf ook aan dat de rol van leerplicht beperkt is aangezien ze het schoolbestuur formeel niet kunnen aanspreken. Geen passende plek Tijdens het gesprek bleek dat het dossier van Aiden ineens liet zien dat er binnen een half jaar meer dan vijftig incidenten zouden zijn geweest. We hebben hier als ouders nooit eerder iets over gehoord. We zijn nooit gebeld. Waarom wisten we hier niets van? Uiteindelijk hebben ze geregeld dat Aiden een paar dagen thuis les kreeg van een onderwijsassistent.