CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS318437 Bijlage 4 - Cultuurhistorische verkenning Ambassade Galema en Hooimeijer 2018

Gemeenteraad 28 november 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Gewijzigd voorstel van het college inzake Formalisering voorbereidings- en uitwerkingskrediet transformatie Lange Voorhout 102 naar het Nieuwe Eschermuseum (RIS318437)25.523 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

44 Kenworthy geciteerd in: Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.121.

45 Stern et.al., p.681.

Marcel Breuer in beeld

De nieuwe ambassade in Den Haag is ondanks het uitstel één van de belangrijkste projecten op de agenda van FBO en bijna even groot als ambassades in New Delhi en Hong Kong. Het budget wordt geschat op één miljoen dollar en alleen Londen heeft met drie miljoen meer budget. De AAC heeft aanvankelijk het idee een ontwerpwedstrijd voor Den Haag en Londen te houden, maar dat wordt snel verlaten. Als eerste stap om tot een geschikte architect te komen, bezoekt Shepley de locatie en meldt dat er ontwerprestricties 29

46 Brief van Belluschi aan ­Kenworthy, 27 januari 1953, zie: Clausen, p.221.

47 Time Magazine, 2 July 1956; het artikel had een reizende tentoonstelling van de American Federation af Arts tot gevolg. Pietro Belluschi en architectuurcriticus Cranston Jones schrijven de catalogus Form givers at mid-centuy.

Ambassade in Londen, Eero Saarinen, 1960.

Ambassade in New Delhi, Edward Durell Stone, 1959.

zijn op het Lange Voorhout. Hij waarschuwt dat een voorstel moet worden beoordeeld door een lokale commissie, vermoedelijk doelend op de welstandscommissie. De architectuur van Den Haag omschrijft hij als robuust: “Frank Lloyd Wright buildings would go well there”.48 Ook is hij onder de indruk van de goed onderhouden gazons en parken, en adviseert het landschapsontwerp te incorporeren in het ontwerp voor het nieuwe gebouw. Een jaar later bezoekt ook Walker de locatie. “I wandered all over the square, sat in a café, and drank in de quality of peaceful charm as well as the good Dutch beer” schrijft hij in augustus 1955 aan zijn collega’s.49 Hij maakt ook diverse observaties aangaande een mogelijk ontwerp. Nieuwe gebouwen in Nederland hebben de eigenschap vroeg ‘out of date’ te zijn. Om goed in vorm te blijven hebben gebouwen uit beton, staal en glas meer onderhoud nodig hebben dan traditionele materialen. Om onder deze omstandigheden een goed gebouw te maken, is een relevante notie voor de toekomstig architect. De AAC adviseert het bureau Holabird, Root & Burgee in te huren voor Den Haag, maar FBO kiest het tweede bureau op de lijst: William Gehron uit New York. Een capabele architect op leeftijd, maar niet de meest prominente uit het lijstje van AAC. Wegens ziekte verschijnt Gehron niet zelf in Washington.

Zijn partner Gilbert Seltzer presenteert in december 1955 de eerste schetsen aan de AAC. De commissie is teleurgesteld over het ontwerp en vraagt een tweede ontwerp te maken. Dat is zonodig nog slechter en wordt omschreven als ‘saai, voorstellingsloos en inspiratieloos’.50 Het gevolg van het negatieve advies van de AAC is dat Gehron zich terugtrekt. Officieel wegens ziekte, maar hij blijkt hier min of meer toe gedwongen door FBO. Dit heeft te maken met het feit dat inmiddels bekend is dat Marcel Breuer beschikbaar is.51 Het ontslag van Gehron valt ongeveer samen met het vertrek van Walker uit de commissie in december 1955. “Walkers antipathy to the work of Gropius and Breuer was well known. As long as he served on the AAC, Walker would have opposed the selection of either man; but after he resigned from the AAC, new possibilities opened up”.52 In maart 1956 benadert FBO Gropius voor Athene en drie weken later tekent Breuer een contract voor Den Haag.

48 Shepley geciteerd in: ­Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.211. 49 Walker geciteerd in: ­Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.211.

50 Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.212. 51 Ook de Nederlandse pers maakt melding van het feit dat AAC het ontwerp van Gehron & Seltzer heeft afgewezen en dat na teruggave de opdracht is verstrekt aan Marcel Breuer, Bouw, 1956, p. 378. 52 Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.212-213.

30

31

Ontwerp Marcel Breuer

Gastheer Amerika

Buisframestoel, 1929 en Wassilychair, 1925.

Voordat Marcel Breuer de prestigieuze opdracht voor het ontwerp van de Amerikaanse ambassade krijgt, heeft hij al een indrukwekkende carrière achter de rug. Marcel Lajkó Breuer wordt in 1902 geboren in Pécs, Hongarije. In 1919 verlaat hij op 17-jarige leeftijd zijn geboorteland om via een kort verblijf aan de kunstacademie in Wenen te gaan studeren aan het Bauhaus in Weimar. Na zijn afstuderen leidt hij van 1924 tot 1928 de timmermanswerkplaats van het inmiddels naar Dessau verhuisde Bauhaus. In deze periode werkt hij aan zijn eerste meubelontwerpen met stalen buisframes, waarmee hij later grote bekendheid verwierf. Na een paar jaar in Berlijn als meubelontwerper te hebben gewerkt en omzwervingen via Zürich en Parijs, zet hij in 1935 een architectenbureau op in Londen. In 1937 volgt hij zijn leermeester Walter Gropius, met wie hij vanaf zijn Bauhausperiode een bijzondere band onderhoudt, naar Harvard in de Verenigde Staten. Zijn Joodse komaf en de opkomst van Nazi-Duitsland dwingen hem daartoe. In Harvard wordt hij ‘associate’ professor aan de Graduate School of Design. In hetzelfde jaar vertrekt ook de architect Ludwig Mies van der Rohe, die net als Gropius enkele jaren aan het roer stond van het Bauhaus, naar Amerika. De culturele repressie van de Nazi’s drijft ook hem naar de Nieuwe Wereld.

De voormalige Bauhausmeesters worden door de academische gemeenschap in de Verenigde Staten met open armen verwelkomd. De Amerikanen waren onzeker over hun eigen architectonische achtergrond en zagen de Europese modernisten als helden. Gropius, Mies van der Rohe en Breuer leiden in die jaren een hele generatie aan Amerikaanse architecten op die na de Tweede Wereldoorlog meteen aan de slag gaat. Door de hoogconjunctuur in de jaren vijftig ligt een gigantische opgave aan hun voeten. In het hele land worden op grote schaal kantoorgebouwen, industriecomplexen en universiteitsgebouwen gebouwd. De opgedane kennis over nieuwe technologische toepassingen als het gebruik van beton, staal en glas kan razendsnel in praktijk worden gebracht. Het gevolg is dat het zwaartepunt van architectonische vernieuwing van Europa naar de Verenigde Staten verschuift, met New York als nieuwe architectuurhoofdstad. Vijftig procent van de geregistreerde architecten in de VS werkt in de jaren vijftig op Manhattan en ook de belangrijkste tijdschriften op het gebied van architectuur houden er redactie. Amerika ontpopt zich in die dagen ook als een genereuze gastheer voor archi­ tecten uit de hele wereld, die zich aangetrokken voelen door de atmosfeer van vrijheid waarin ze hun beroep kunnen uitoefenen.

Manhattan is “the arrival point for visiting and emigrating European and South American architects, who added a cosmopolitan luster tot the local scene”.53 Ook Breuer, die naast zijn docentschap aan Harvard als zelfstandig architect in ­Cambridge werkt, verhuist in 1946 naar New York. Hij stopt met lesgeven en bouwt op Manhattan zijn architectenbureau verder uit. Tot halverwege de jaren vijftig concentreert 32

Breuer House New Canaan I, New Canaan, Connecticut, 1948.

Unesco-gebouw in Parijs, Marcel Breuer i.s.m. Nervi en Zehrfuss, 1958.

53 Stern et.al., p.1205.

33

zijn werk, voorname­lijk woonhuizen, zich bijna helemaal in de staat New York en in New England. In 1952 wordt Breuer door tussenkomst van Gropius gevraagd voor het hoofdkantoor van Unesco in Parijs, waar hij samen met de Italiaanse architect Nervi en de Franse architect Zehrfuss aan werkt.

De Bijenkorf in Rotterdam, 1953-1955.

Breuer en Nederland

In 1953 krijgt Breuer de opdracht voor het ontwerp van de nieuwe vestiging van De Bijenkorf in Rotterdam. Aan deze opdracht werkt hij samen met Abraham Elzas, de ‘huisarchitect’ van het warenhuisconcern. Het contact met Breuer komt tot stand tijdens een studiereis naar Amerika waar de directie van De Bijenkorf zich laat informeren over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van warenhuisbouw. Breuer heeft dan net het warenhuis voor Abraham & Strauss in Hempstead op Long Island in de staat New York opgeleverd. Breuer laat een goede indruk achter en wordt gevraagd de nieuwste inzichten te vertalen naar de prominente locatie aan de Coolsingel in Rotterdam. Hij ontwerpt een vijf bouwlagen tellend, doosvormig volume dat geheel met natuurstenen panelen is bekleed in een honingraatvormig patroon.54 Tijdens de opdracht voor De Bijenkorf bouwt Breuer een vriendschap op met Gerrit van der Wal, directeur van het warenhuisconcern. Van der Wal zit ook in de raad van bestuur bij Van Leer’s vatenfabriek in Amsterdam en dit leidt in 1957 tot de opdracht voor het kantoorgebouw van deze multinational in verpakkingen. Het nieuwe hoofdkantoor is gelegen naast het landgoed De Braak in Amstelveen en bestaat uit twee gekoppelde Y-vormige vleugels met grote glazen puien. Om het zonlicht te temperen ontwerpt Breuer panelen van gekleurd glas die aan stalen profielen voor de gevel zijn gehangen.

Een vergelijkbaar principe past hij ook toe in het Unesco-gebouw in Parijs. In 1962 wordt Breuer ook nog gevraagd om een woonhuis voor Van der Wal te ont­ werpen in Amsterdam. Het ontwerp bestaat uit een gesloten, compact, massief volume met scherpe hoeken waarin de collectie moderne sculptuur van kunstverzamelaar Van der Wal tot zijn recht moet komen. Ondanks dat het echtpaar Van der Wal zijn zorgen uitspreekt over de beperkte daglichttoetreding en de grote betonnen overstekken, probeert het toch een bouwvergunning te krijgen bij de Amsterdamse autoriteiten, maar tevergeefs. Het ontwerp is nooit gerealiseerd.55 De prestigieuze opdracht voor de ambassade, die Breuer vermoedelijk vanwege zijn Europese ervaring met Unesco en De Bijenkorf verkrijgt, betekent een belangrijke stap in Breuers professionele en artistieke loopbaan. Met de drie min of meer gelijktijdige opdrachten in Nederland en die voor kloosters en universiteitscomplexen in Amerika groeit zijn opdrachtenportefeuille snel. Breuer is genoodzaakt veel nieuwe medewerkers aan te nemen. Als blijk van dank voor de mogelijkheden die de VS hem hebben geboden, biedt Breuer op zijn beurt ‘onderdak’ aan jonge buitenlandse architecten. Twee van hen, Leo de Bever en Rem Huygens uit Nederland, grijpen de kans en werken op het bureau van Breuer aan de Amerikaanse ambassade.

In 1956 biedt Breuer vier medewerkers, Herbert Beckhard, Murray Emslie, Robert (Bob) Gatje en Hamilton Smith, een partnerschap aan en verandert de bureaunaam in ‘Marcel 34

54 In 1970 ontwerpt het ­bureau Marcel Breuer and ­Associates ook de achter­ liggende parkeergarage.

Schets van het woonhuis voor het echtpaar Van der Wal (links); het ontwerp vertoont overeenkomsten met het auditorium voor de NYU, New York, 1961.

55 Hyman, p.375.

Gevel met zonwering (links) en entreepartij (rechts) van het kantoorgebouw van Van Leer’s vatenfabriek in Amstelveen, 1958.

35

Breuer and Associates’. Naast de partners werken 12 medewerkers. Om die te accommoderen, verhuist het bureau naar een groter kantoor op 210 East 57th Street, waar het tot 1965 blijft. Breuer zit hier vaak alleen op zijn kamer: te denken of zaken af te handelen per telefoon. Hij werkt efficiënt, schrijft en tekent nauwelijks, maar heeft de dingen vooral goed in zijn hoofd.56 Zijn erfenis, het vooroorlogse werk uit Europa, ligt opgeslagen achter een geheimzinnige gesloten deur en lijkt daarmee een afgesloten periode.57

Voorlopig ontwerp

56 Interview Isabelle Hyman, New York, 12 december 2007. 57 Interview Leo de Bever, Eindhoven, 15 februari 2008.

Half april 1956 tekent Breuer het contract met FBO voor het ontwerp voor de ambassade. Als hij aan de opdracht begint, is nog niet duidelijk hoe de omgeving van de ambassade er precies gaat uitzien. Het perceel maakt deel uit van het wederopbouwplan voor het Korte Voorhout dat een moderne stadsentree met grote gebouwen beoogt, waarvan de ambassade als eerste zou verschijnen. Aan de andere kant is ook het historische karakter van het Lange Voorhout een belangrijk aspect in de lokale omstandigheden. De gemeente Den Haag geeft echter nauwelijks randvoorwaarden mee, behalve dat de goothoogte van de tegenoverliggende Koninklijke Schouwburg de maximale hoogte van de ambassade zou bepalen. Het zijn deze drie gegevens waarop Breuer met zijn ontwerp reageert. Hij probeert een brug te slaan tussen dat wat er al staat en dat wat nog gebouwd gaat worden. De basis van zijn ontwerp wordt gevormd door twee haaks op elkaar staande rechthoekige volumes met elk een eigen entree: aan het Lange Voorhout de voor het publiek afgesloten diplomatieke vleugel en aan het Korte Voorhout het iets grotere publieke deel met USIS als belangrijkste functie. Openheid heeft Breuer bereikt door zichtlijnen aan te brengen door de lobbies en het transparante verbindingsdeel tussen beide vleugels.

De gewenste vernauwing van het profiel om de portaalwerking van het Korte Voorhout te versterken, heeft geleid tot een verspringing in de rooilijn. De zijgevel van het bouwdeel aan het Lange Voorhout is ten opzichte van het bouwdeel aan het Korte Voorhout een paar meter naar voren geschoven.

Welstand en weerstand

Een maand na de opdracht presenteert Breuer zijn ontwerp voor de eerste èn enige keer aan de AAC in Washington, die meteen enthousiast reageert en het schetsontwerp goedkeurt.58 In juni 1956 wordt het schetsontwerp door de Haagse welstandscommissie beoordeeld en ook hier vindt het plan bijval. Breuer kan aan de slag met de uitwerking en komt in het begin van 1957 terug met het definitieve ontwerp. De welstandscommissie meent dan dat “het betrokken project bij de architect Marcel Breuer, gezien zijn reputatie, in goeie handen is. De commissie is van oordeel, dat het ontwerp allereerst ten aanzien van de hoogte en de bouwmassa en voorts door de materiaalkeuze en toegezegde kleurbehandeling in harmonie is met zijn omgeving. De commissie acht de genoemde elementen van primair belang voor het stadsbeeld in zijn totaliteit en meent, dat de gevelindeling – hoewel zeker niet onbelangrijk – in wezen secundair is. Hoewel deze gevelindeling door zijn raamvorm en -plaatsing wellicht iets decoratief is te achten, acht de commissie deze mede door de verticale tendens in de raampartijen toch zeker niet vijandig aan de sfeer van het Voorhout”.59

Presentatieschets van het voorlopig ontwerp, 1955.

36

Opvallend aan het ontwerp zijn de gevels, die zijn uitgevoerd als dragende muren. In plaats van grote glasoppervlakken kiest Breuer voor een klassieke gevelindeling met losse vensters, aansluitend op de panden aan het Lange Voorhout. De vorm en de positie van de vensters neemt hij echter niet één op één over. Hij past trapeziumvormige ramen toe die hij in een alternerend ritme, per verdieping verspringend ten opzichte van elkaar, positioneert. De vensters worden gecombineerd met terugliggende panelen met een identieke vorm, maar die gespiegeld ten opzichte van de onderliggende vensters zijn geplaatst. De penanten tussen de vensters volgen de trapeziumvormige indeling waardoor een levendig patroon is ontstaan.

De welstandscommissie gaat in haar lange betoog in op de relatie tussen de ambassade en de bebouwing aan het Lange Voorhout. De panden tussen de ambassade en het paleis vertonen veel afwisseling in hoogte, maar zijn gemiddeld lager dan de overige bebouwing aan het Lange Voorhout. De commissie spreekt de hoop uit dat deze panden in de toekomst meer op peil gebracht worden van de architectonisch waardevolle gedeelten van het Lange Voorhout. Ook benadrukt de commissie dat de ambassade ook bezien moet worden als onderdeel van het Lange Voorhout, maar ook als schakel, tezamen met de Koninklijke Schouwburg, tussen verschillende ruimten. Tenslotte wijst de commissie op de toekomstige bebouwing van het Korte Voorhout. “Wanneer onze samenleving het op zou kunnen brengen hier zonder toepassing van historiserende vormen te komen tot een gave architectuur, zal de Amerikaanse Ambassade, gezien het overlegde ontwerp, een waardevol trait d’union worden tussen deze nieuwe voorhof tot de stad en hetgeen gespaard is gebleven. Onze commissie waardeert het dan ook hogelijk dat het gebouw het stempel draagt van de tijd waarin wij leven; zij zou het althans hebben betreurt indien men voor de dag gekomen zou zijn met een ontwerp in bijvoorbeeld ‘colonial style’ of anderszins historiserende vormgeving.

Onze commissie handhaaft tegenover alle kritiek volledig haar oorspronkelijke oordeel, dat zij het ontwerp voor de Amerikaanse Ambassade een belangrijke aanwinst acht voor onze stad. 37

58 Een zeer kritisch geluid komt uit de mond van de vertrokken Walker. Als hij FBO in oktober 1956 bezoekt en zich over een aantal ambassadeontwerpen buigt, noemt hij Breuers ontwerp ‘onversneden en vulgaire lelijkheid’, zie: Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.216

59 0579-02 gemeentelijke ­welstandscommissie (1947) 1948-1990, 461, bouw van een kantoor aan de Korte- en Lange Voorhout; aanvrager Amerikaanse ambassade 1955-1957; ­dossiernummer 2562, een conceptadvies aan B&W van 18 april 1957.

Het ontwerp staat – ook gezien in zijn omgeving – op een hoogte als na de oorlog in de nieuwbouw in Den Haag zelden is bereikt”. 60 Vooral de passage ‘handhaaft tegenover alle kritiek’ duidt erop dat het ontwerp buiten de welstandscommissie op bezwaren is gestuit. In het advies schemert door dat die kritiek vooral is gericht op het contrast tussen de strakke contouren van de ambassade en de historische bebouwing van het Lange Voorhout. Op 3 maart 1957 presenteert Breuer het definitieve ontwerp aan de Haagse pers. “Na afloop van de lezing deelde Breuer reproducties uit naar een gewassen pentekening van het ontwerp, die de volgende dag in alle Haagse kranten stonden. Deze prent werkte op de Hagenaars als de bekende rode lap op een stier”.61 Talloze particulieren en organisaties, die in dagblad Het Vaderland een spreekbuis vinden, uiten felle kritiek op het ontwerp. Ingezonden brieven getuigen van heftige emoties met bewoordingen als ‘een schok in het esthetisch gedeelte van mijn gemoed’, ‘een gruwel’ en ‘de gek steken met iemand’.62 Een aantal Haagse notabelen stuurt een petitie aan de gemeente waarin zij voorop stellen dat men bij de herbouw van oude stadskernen niet moet proberen oude stijlen te imiteren, maar dat wel aanpassing aan de omringende architectuur moet worden nagestreefd.

De charme van en de sfeer van het Lange Voorhout wordt bepaald door bakstenen gevels met rechthoekige ramen in een witte omlijsting. Ze betreuren het dat Breuer dit zelfs niet heeft gepoogd. Ook het Haags Historisch Genootschap Die Haghe uit grote ongerustheid over de voorgenomen plannen. In een gesprek met burgemeester Kolfschoten dringt het genootschap aan om het ontwerp af te wijzen omdat het simpelweg niet past in de historisch waardevolle omgeving. Ook arrangeert het genootschap een gesprek met Breuer, die hoffelijk en standvastig elke aanpassing van zijn ontwerp weigert. Hij is van mening dat Rembrandts tijdgenoten evenmin hebben getracht invloed op de schilder uit te oefenen tot wijziging van details in zijn doeken.63 Het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie vraagt zich bij monde van con­servator Gudlaugsson af of met de verwezenlijking van dit plan niet een van de weinige, betrekkelijk intact gebleven oude gedeelten van Den Haag geheel zijn karakter zou ver­ liezen. Schimmenspeler en illustrator Frans ter Gast doet een beroep op de Amerikaanse ambassadeur die als vooraanstaand mens toch over goede smaak zou beschikken en een halt kan toeroepen aan dit ‘modern vandalisme’. De redactie van Het Vaderland staat achter haar lezers en doet er nog een schepje bovenop.

Zij vraagt zich af waarom de Amerikanen een nieuwe bron van ergernis scheppen dat onderwerp van blijvende spot zal zijn, terwijl ze bij iedereen populair gevonden willen worden?64 Met andere woorden: schiet het ontwerp de diplomatieke doelstelling om goodwill te creëren niet voorbij? Marcel Breuer reageert gelaten op alle kritiek. ‘Het went wel’ laat hij per telex weten en geeft nogmaals uitleg hoe het ontwerp tot stand is gekomen.65 Tegenover de ongezouten en door nostalgische gevoelens ingegeven kritiek van de Haagse burgerij staan de meer genuanceerde en overwegend positieve reacties van de vakwereld. Architect R.I. de Vries vindt de protesten verheugend omdat hieruit de publieke belangstelling voor architectuur blijkt, maar tegelijkertijd ook beschamend aangezien het publiek weinig moeite neemt om tot een gefundeerd oordeel te komen. De Vries is van mening dat het gebouw ondanks de moderne vormgeving in schaal is met de omringende bebouwing. Breuer heeft “een volkomen modern gebouw ontworpen, dat, zoals het behoort, wortelt in de bouwkundige tradities van de tijd waarin het gebouwd is”.66 38

60 Zie: noot 59.

Het Haags Dagblad vraagt twee bekende Haagse architecten om een reactie op het ontwerp. A.H. Wegerif ziet een ‘ziekelijke neiging’ onder de Haagse bevolking om naar behoud van een bepaalde sfeer aan het Lange Voorhout te streven. Zonder nieuwe ideeën zou het Lange Voorhout ook niet zijn ontstaan. Over de bouwhoogte van de ambassade merkt hij provocerend op dat die nog best wat groter zou mogen zijn, om de poortfunctie van het Korte Voorhout te versterken. Zijn collega W.A. Thunissen is ook geen voorstander van gebouwen in oude stijl. Het gevaar is dat een verarmde versie van een achttiendeeeuws gebouw ontstaat. “Wij geloven niet meer in de waarden die toen golden”.

61 Van Heijningen et.al., p. 43.

62 Ibid.

63 Jaarboekje Die Haghe, 1980, p.27.

64 idem, p.44.

65 Ibid.

66 R.I. de Vries, geciteerd in: Van Heijningen et.al.., p.44.

Politieke commotie

De publieke ophef weerspiegelt zich ook in de vragen die de gemeenteraad stelt bij de behandeling van het plan. Een aantal raadsleden heeft twijfel ten aanzien van de hoogte, de moderniteit en de gevelindeling van het gebouw. Van der Sluijs, directeur van de Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling stelt de raad gerust. Hoewel er tijdens de verkoop van de grond geen bebouwingsvoorwaarden zijn meegegeven, heeft hij samen met Marcel Breuer de situatie op het Korte Voorhout bekeken en “met eigen onderzoek en afwegingen is hij tot de gewenste bouwhoogte gekomen, bepaald door de relatie met de Koninklijke schouwburg die hij als zeer belangrijk achtte en die ook de bouwmassa en het gevelmateriaal bepaalde. Hij koos bewust voor het decoratieve effect van de vensters. Ramen zoals achttiende eeuwse gevels in zich hebben achtte Breuer stijlimitatie, functioneel slecht voor wat er zich binnen georganiseerd moest worden, en bij de afmetingen van de ambassade zou een zeer lange raamreeks ontstaan het geen in de smalle parcellering van het Korte Voorhout meer zou detoneren dan wat hij nu voorgesteld heeft”.67 Ten aanzien van de inpassing in de historische omgeving vraagt raadslid C.A.M.

Diepenhorst aan B&W of het, met het oog op de verordening 12/1939, mogelijk is de gemeentelijke monumentencommissie te horen? Deze verordening biedt mogelijkheden om bijzondere voorschriften te stellen aan de bouwverordening voor de door oorlogs­ geweld verwoeste gebieden in het hart van de stad. Ten tweede vraagt hij of in de geest van de Rijksmonumentenwet bij beschermde stadsgezichten, dat toch zeker op dit stadsdeel van toepassing is, de monumentencommissie te horen?68 Bouw- en Woningtoezicht antwoordt dat door de vaststelling van het Wederopbouwplan Korte Voorhout (als gevolg van de Wederopbouwwet art. 9 lid 1) de verordening 12/1939 is komen te vervallen en dat de Rijksmonumentenwet nog niet is ingediend. Voor deze specifieke situatie is het dus niet nodig de monumentencommissie te horen, maar het is wenselijk dit in de toekomst met betrekking tot dit soort zaken wel te doen. Ook zijn er vragen over het welstandsadvies, waarop de voorzitter van de commissie een aanvulling geeft op het toch al uitvoerige advies. Hij meldt dat de architect heeft gepoogd zijn ontwerp aan te passen aan de omgeving “door allereerst ten aanzien van de hoogte en bouwmassa in harmonie te blijven met de omringende bebouwing en voorts door de materiaalkeuze en toegezegde kleurbehandeling.

Wat de hoogte en vlakke afdekking van het gebouw betreft komen deze geheel overeen met die van het hotel Paulez oorspronkelijk daar ter plaatse”.69 De voorzitter benadrukt nogmaals dat de commissie het gebouw van de Amerikaanse ambassade niet alleen als afsluiting ziet van de 39

67 0579-02 gemeentelijke ­welstandscommissie (1947) 1948-1990, 461 Bouw van een kantoor aan de Korte- en Lange Voorhout; aanvrager Amerikaanse Ambassade 1955-1957 ­Dossiernummer 2562, Brief 28 maart 1956 no. 406267 I afd. W.V. 68 Idem, brief 22 mei 1957.

69 Idem, 25 april 1957.

gevelwand van het Lange Voorhout, maar ook als overgang tot de hedendaagse architectuur zoals die in het Wederopbouwplan Lange Voorhout wordt voorgesteld. De stedenbouwkundige situatie “geeft aanleiding tot een bouwwerk dat een zekere zelfstandigheid vereist en dat een eigen karakter dient te bezitten. Het is te danken aan de decoratieve behandeling van de gevels, dat de voor een modern kantoorgebouw zo gewenste geringe traveebreedte (om hierdoor inwendig grotere flexibiliteit te verkrijgen) werd verkregen zonder in strijd te komen met het ritme dat de omgeving kenmerkt. Zo oordeelt onze commissie het tevens knap, dat bij het gebouw als gevolg van haar bijzondere vormgeving een verticale tendens gehandhaafd blijft ondanks de gerektheid van de bouwmassa’s. Mede aan deze verticale strekking en de keuze der kostbare bouwstoffen doch vooral aan de situatie ontleent het gebouw der Amerikaanse Ambassade een zekere waardigheid, die als eis mag worden gesteld”.70 Op 31 mei 1957 wordt de bouwvergunning voor de ambassade verleend. Als mosterd na de maaltijd vraagt de fractie van de Communistische Partij Nederland (CPN) om openheid van het welstandsadvies. Het gerucht gaat dat welstand het ontwerp eigenlijk had willen afkeuren, maar dit onder druk van de Amerikaanse overheid niet durfde. Ook Walter H.

Waggoner, correspondent voor de Benelux van de New York Times, meldt dat er serieuze twijfel over de plannen heeft bestaan, maar dat de lokale autoriteiten zich gedwongen voelden het ontwerp goed te keuren uit respect voor de architect en de VS.71 De vraag van de CPN wordt door het college van B&W afgewezen, aangezien er geen enkele bevoegde instantie bezwaar heeft geuit tegen het plan. In officiële documenten is over een coulante houding ten aanzien van de VS ook niets te vinden, maar onder het publiek blijken deze gevoelens wel degelijk te leven. Een abonnee van Het Vaderland is het niet eens met de felle houding van Het Vaderland jegens de Amerikanen: “Ik vind dergelijk onbesuisd geschrijf in Uw courant brutaal en beschamend, vooral met het oog op wat Amerika voor ons deed, nog doet en laat ons hopen nog zal doen”.72

70 Zie: noot 67.

71 Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.215.

72 Geciteerd in: Van Heijningen et.al., p.44.

De ambassade in aanbouw met steigers voor het plaatsen van de natuurstenen panelen.

40

41

Uitgevoerd ontwerp

Bouw van de ambassade

Plaatsing van de natuur­stenen panelen, rechts­ onder op de foto het logo van natuursteenbedrijf Van Stokkum uit Venlo.

Nadat de bouwvergunning is verleend, staat niets de bouw van de ambassade in de weg. Binnen enkele weken wordt het contract met de aannemer gesloten en op 19 juni 1957 vindt de ‘ground breaking’ plaats, het ceremoniële moment waarop de eerste schop de grond ingaat. De aannemer, Ingenieursbureau voor Bouwnijverheid uit Oegstgeest, rondt zijn werkzaamheden op 31 maart 1959 af en de overige werkzaamheden zijn op 1 juli 1959 klaar. Het gemiddeld aantal Nederlandse vaklieden dat gedurende de bouw aan de ambassade werkt is 75, met pieken van 130, en goed voor een totaal van 315.000 manuren. Aan de bouw werken verschillende onderaannemers en toeleveranciers mee. Een overzicht van alle betrokkenen is opgenomen in de projectgegevens. De bouw wordt begeleid door zelfstandig architect Peter Morton uit New York door wie Marcel Breuer zich van 1 januari 1958 tot 1 januari 1959 laat vertegenwoordigen. Dat betekent niet dat hij zich tijdens de bouw niet meer in Den Haag laat zien. Hij bezoekt de bouwplaats in april, juli, augustus en november 1958 en in mei 1959. Breuer is regelmatig in Europa voor de bouw van het Unesco-gebouw in Parijs en voor het kantoor­ gebouw van Van Leer’s vatenfabriek in Amstelveen. Op 15 mei 1959 is er een voorbezichtiging voor de pers en op zaterdag 4 juli 1959, de dag waarop in Amerika Independence Day wordt gevierd, volgt de officiële opening van het gebouw.

Speciaal voor deze gelegenheid worden kunstwerken tentoongesteld uit de collectie van Lessing J. Rosenwald, een particuliere kunstverzamelaar uit de VS.73

73 United States Information Service, p.4.

Natuurstenen gevel

Als de steigers rondom het gebouw worden verwijderd in het voorjaar van 1959, wordt duidelijk dat de ambassade nagenoeg identiek is uitgevoerd als in de eerste schetsen. De beide vleugels tellen vier bouwlagen en zijn geheel uit dragende muren van gewapend beton opgetrokken. Om de contouren van de rechthoekige volumes te benadrukken, zijn deze op een iets terugliggende plint geplaatst. De begane grond is anderhalve meter opgetild boven het maaiveld. De gevels zijn rondom bekleed met panelen van lichtgrijze Muschelkalksteen afkomstig uit Duitsland. Het patroon van de trapeziumvormige vensters is doorgevoerd in de borstweringen en de penanten in de geveldelen met de alternerende vensterstroken. In de borstweringen zijn om en om terugliggende panelen geplaatst, die samen met de onderliggende vensters een geheel vormen. Deze panelen zijn van gepolijst Reinersreuther graniet uit Polen. Een afwijkende indeling heeft de gevel ter linkerzijde van de entree van de USIS-vleugel. Hier is omwille van de achterliggende toiletgroepen een patroon van 42

43

Gevel aan het Korte Voorhout met de entree voor USIS en het achter­ liggende auditorium.

44

45

smalle staande vensters gemaakt. De terugliggende plint is van zwarte baksteen. In het bestek wordt nadrukkelijk verwezen naar de gevelsteen van Cineac in Rotterdam, onderdeel van de Bijenkorf. De vensters bestaan uit stalen kozijnen met taatsramen. De kozijnen zijn thermisch verzinkt en op de bouwplaats geschilderd in een ten opzichte van de natuursteen gevels onopvallende, lichtgrijze kleur. In de gevel aan het Lange Voorhout manifesteert de ambassadeurskamer zich door een uitkragend balkon op de tweede verdieping, waarvan de balustrade met Muschelkalksteen is bekleed. Tussenlid met doorkijk naar de Koninklijke Schouwburg zoals uitgevoerd (links) en als schetsvariant in omgekeerde richting.

Entree aan het Lange Voorhout (links) en aan het Korte Voorhout (rechts).

Bijzondere aandacht is besteed aan de afwerking van natuurstenen panelen. Al in december 1956, als het ontwerp in de Amerikaanse vakliteratuur wordt gepubliceerd, beschrijft Breuer dat de textuur zal worden verlevendigd door het oppervlak van de kalksteen door middel van de frijntechniek op te ruwen. “The striation pattern will vary from stone to stone – some vertical, others horizontal, the remainder diagonal in either direction”.74 Door de frijnrichting per paneel af te wisselen is een levendig patroon ontstaan dat bewust is aangebracht om te voorkomen dat het gebouw op een lelijke manier oud wordt. Het vuil dat door regenwater langs de gevel loopt, veroorzaakt op deze manier geen egale grauwsluier, maar een contrastrijk patina van vervuilde en schoongespoelde vlakken. Een vergelijkbaar principe van ‘growing old gracefully’ past Breuer twee jaar eerder toe in de gevel van de Rotterdamse Bijenkorf.

Entreepartijen

Beide volumes hebben een eigen ingang die asymmetrisch zijn gesitueerd. In de gevels vallen deze op door de dubbelhoge portieken en de daarboven geplaatste vlaggenstokhouders. De ingang aan het Lange Voorhout biedt oorspronkelijk toegang tot het diplomatieke deel van de ambassade, de zogenaamde Kanselarij, met kantoren voor de attachés en de ambassadeur. Deze ingangspartij is de meest voorname van de twee, dat wordt onderstreept door de dubbele hoogte van de achterliggende hal en het wapen van de VS dat in gestileerde vorm op een teakhouten paneel boven de deur is aangebracht. De hal loopt tot de achtergevel door en heeft aan beide zijden dubbelhoge puien van teakhout met grote glasoppervlakken en dubbele glazen deuren. Dit levert een bijzondere zichtlijn op vanaf de straat naar de binnentuin en het auditorium. De ingang aan het Korte Voorhout geeft toegang tot het oorspronkelijk publieke deel van de ambassade: de kantoren, de bibliotheek en het auditorium van USIS. Boven de entree geen wapen, maar een gesloten muurvlak van natuursteen. De achterliggende hal is slechts één verdieping hoog, maar biedt oorspronkelijk ook een doorkijk naar het binnenterrein. De entree bestaat ook hier uit een teakhouten pui met grote glasvlakken en dubbele deuren. Voor beide entrees bevindt zich een natuurstenen bordes vanaf de straat bereikbaar door een trap.

De trappen nemen niet de gehele breedte van de portieken in en steken gedeeltelijk uit de rooilijn. Ze worden geflankeerd door ronde teakhouten leuningen met messing hoekstukken die doorlopen langs de randen van de bordessen. De wanden van de portieken zijn bekleed met ruw gehakte strips van wit Christallino natuursteen die in lengterichting zijn aangebracht. 46

47

74 Architectural Record, ­december 1956, p.176.

satelliet van het warenhuis op het naastliggende, voor uitbreiding bestemde stuk grond heeft gestaan. Bij het kantoorgebouw van Van Leer’s vatenfabriek is een diabolovormige kantine door middel van een transparante verbindingsgang met de kantoren verbonden.

Leuning en wapen van de Verenigde Staten uitgevoerd in teakhout.

Het gebruik van teakhout afkomstig uit Birma en Christallino uit Zwitserland is een gevolg van het beleid van FBO om voor de bouw van ambassades gebruik te maken van bouwmaterialen die in het buitenland worden betrokken in ruil voor de aflossing van oorlogsschulden. Ook de kozijnen worden op deze manier aangeschaft bij de Engelse firma Henry Hope & Sons uit Birmingham.

Binnenterrein en auditorium

De ruimte achter het auditorium wordt ingenomen door een hellingbaan naar de parkeerkelder, die bereikbaar is via een poort aan het Smidsplein. Het oorspronkelijke hekwerk dat het terrein afsluit van de openbare ruimte is verdwenen, maar langs de rand van de hellingbaan is de oorspronkelijke balustrade nog wel aanwezig. De toegang naar de parkeerkelder is smal aan de kant van het Smidsplein, maar verbreedt zich achter de bebouwing van het Smidswater. De westelijke helft van het binnenterrein ligt op de parkeerkelder en is als tuin in­ gericht. Hier is enige intimiteit gecreëerd door de diepe, belendende bebouwing aan de zijde van het Lange Voorhout af te schermen door een hoge wand van zwarte verglaasde baksteen en door het auditorium dat de ruimte aan de oostzijde begrensd. De inrichting van de tuin is door Marcel Breuer ontworpen en bestaat slechts uit drie elementen: een rechthoekig verhoogd grasvlak, een rondom doorlopend plaveisel van ruwe breuksteen en één boom in de hoek van de tuin naast het transparante tussenlid. Het strak omkaderde grasvlak is op een subtiele manier ingepast in de ruimte, waardoor zichtlijnen door het gebouw en de tuin worden begeleid. Het oorspronkelijk onregelmatige patroon van de breuksteentegels met grote voegen waartussen grassen en onkruid omhoog groeien, vormt een bewust contrast tegen de strakke contouren van het gebouw.

In de keuze voor de boom, een zuilbeuk of ‘fagus sympathica dawyck’, is rekening gehouden met de plaatsing in de beperkte ruimte in de oksel van het gebouw. De takken van deze soort groeien nauwelijks uit en de beuk verliest zijn blad pas bij het uitkomen van nieuwe blaadjes, zodat ook in de winter een natuurlijke aanblik wordt geboden.

De twee vleugels zijn door een transparant tussenlid met elkaar verbonden. Dit vier bouwlagen hoge verbindingsdeel is zeer minimalistisch vormgegeven met dunne betonnen ‘bruggen’ en geheel van glas voorziene, stalen puien. Hierdoor is een derde zichtlijn door het gebouw gecreëerd. Deze biedt vanaf de straat een blik op het binnenterrein, vanaf het binnenterrein op de gevel van de Koninklijke Schouwburg, en vanuit het tussenlid naar buiten. Tezamen omsluiten de twee vleugels een rechthoekig binnenterrein waarin Breuer het auditorium, de hellingbaan naar de parkeerkelder, en de tuin heeft ondergebracht. Het gehele binnenterrein is ten opzichte van het maaiveld opgetild tot de hoogte van de bakstenen plint en is in feite opgedeeld in twee helften. De oostelijke helft wordt grotendeels ingenomen door het enigszins verdiepte, trapeziumvormige auditorium, dat met de smalle kant richting het Smidsplein is georiënteerd. De brede zijde grenst aan de tuin en aan deze kant is een betonnen noodtrap als een sculpturaal element aan de gevel geplaatst. Het auditorium is rondom bekleed met dezelfde natuursteensoort als de gevels en heeft alleen in de noordgevel één groot venster. Het dak van het auditorium loopt schuin op in de richting van de kanselarij.

In combinatie met de taps toelopende plattegrond, de schuingeplaatste wanden en de perfecte detaillering levert dit messcherpe contouren op. Het auditorium is op enkele meters afstand van de USIS-vleugel gesitueerd en wordt daarmee verbonden door een klein tussenlid. Deze ruimtelijke opzet van een bijzonder vormgegeven annex dat via een tussenlid is verbonden met het hoofdvolume, past Breuer achter elkaar toe in al zijn ontwerpen voor Nederlandse gebouwen. De Bijenkorf heeft oorspronkelijk het zogenaamde Bijkorama, een transparant paviljoen dat als een 48

Plattegrond van de begane grond met oorspronkelijke zichtlijnen door het gebouw.

49

Binnenterrein met auditorium, toegang parkeerkelder en verhoogd grasvlak.

50

51

Interieur

Entrees en trappenhuizen

Dubbelhoge entreehal kanselarij.

De binnenkant van de ambassade kenmerkt zich door dezelfde minimalistische benadering als het exterieur. Het gebouw is op de eerste plaats een kantoorgebouw met een functio­ nele indeling, die al naar gelang de ruimtebehoefte kan worden aangepast. In de beide vleugels zijn kantoorruimten langs voor- en achtergevels gesitueerd, die worden ontsloten door een middengang. De gangen in het USIS-gedeelte lopen via het transparante tussenlid door tot aan de gangen in de kanselarij. Daar waar de gangen elkaar ontmoeten bevinden zich het hoofdtrappenhuis en de liftkoker met een dubbele lift. De kwaliteit van het interieur wordt vooral mate bepaald door de aandacht die Breuer heeft geschonken aan centrale ruimten, zoals de entreehallen, de trappenhuizen, liftkokers en toiletten. Deze worden bepaald door het gebruik van natuurlijke en contrasterende materialen, terughoudend kleurgebruik, een zorgvuldige maatvoering en sublieme detaillering. Zo zijn de wanden van de entreehallen met dezelfde christallino strips bekleed als die van de portieken. In combinatie met de grote glazen puien wordt de suggestie gewekt dat binnen en buiten in elkaar overlopen. De vloeren van de hallen zijn van ruw bewerkte, zwarte leisteen uit Noorwegen. Entree USIS met doorkijk naar binnentuin en trap naar auditorium.

Door de dubbele hoogte van de entreehal in de kanselarij en de oorspronkelijke doorgangen in de zijwand naar het trappenhuis en de liften, is hier een bijzondere ruimtewerking tot stand gebracht. Dwars door dubbelhoge entreehal loopt een grindbetonnen loopbrug die de gang op de eerste verdieping met de liften en het trappenhuis verbindt. Het doorkijkje in de zijwand is voorzien van een gesloten balustrade van grindbeton identiek aan de loopbrug. De entreehal van de USIS-vleugel heeft niet de dubbele hoogte, maar is oorspronkelijk wel even breed als de ingang van de kanselarij. De grote open ruimte biedt doorzicht naar de tuin en sluit aan op het tussenlid naar het auditorium. Omdat dit enigszins verdiept is, biedt een halfhoog trapje vanuit de hal en vanuit het souterrain toegang tot het tussenlid. De christallino strips zijn hier op de wanden en de balustrades doorgezet en de zwarte leisteen op de vloeren en de trappen. Het teakhout dat buiten is toegepast keert terug in de trapleuningen. De gesloten zijwand van het tussenlid is binnen bekleed met grote panelen Muschelkalksteen. Direct naast de entree aan het Korte Voorhout bevindt zich een trappenhuis. Dat is opgebouwd uit bordestrappen belegd met ruw bewerkte, grijze natuursteen en zeer open balustrades van verchroomde platstaal met teakhouten leuningen.

Het noodtrappenhuis in de kanselarij heeft een identieke detaillering alleen met mat gemoffelde balustrades. Aan het hoofdtrappenhuis in de kanselarij heeft Breuer de meeste aandacht besteed. Het gehele trappenhuis, maar ook de buitenkant van de tegenoverliggende liftkoker, is bekleed met christallino op de wanden. De vloeren van de bordessen en de trappen zelf zijn met zwarte leisteen belegd. 52

53

Trappenhuis USIS-vleugel (links) en constructie trap Unesco-gebouw (rechts).

Conferentiezaal.

Hoofdtrappenhuis (links) en trap naar auditorium (rechts).

Ambassadeurskamer met open haard.

Teakhouten deurknop in trapeziumvorm.

54

55

Het meest in het oog springend is de middenwand die is voorzien van driehoekige inkepingen. Dit geeft het trappenhuis een unieke, ruimtelijke ervaring. Dit type trap past Breuer ook toe in Amstelveen en vindt zijn oorsprong in het Unesco-gebouw in Parijs, dat Breuer samen met Nervi en Zehrfuss een paar jaar vóór de ambassade ontwerpt. De toepassing van natuurlijke materialen is exemplarisch voor de ontwikkeling van het naoorlogse interieur in de VS. Vanaf 1940 ontstaat een tendens in de toepassing van natuurlijke materialen door invloed van het werk van de Finse architect Alvar Aalto. Veel jonge Amerikaanse architecten zien zijn werk op de World Fair van 1939 in New York. De manier waarop Aalto de modernistische vormentaal verbindt met Finse architectonische tradities, zoals het gebruik van ruw bewerkte natuurlijke materialen, blijkt goed aan te sluiten bij de Amerikaanse smaak. Dit zogenaamd ‘naturalistisch modernisme’ draagt mede bij aan de acceptatie van het modernisme in de VS en heeft ervoor gezorgd dat architecten afwijken van de ‘mechanomorfologie’ van de jaren twintig en zich meer gaan toeleggen op een persoonlijke, ambachtelijke stijl.75 In de interieurs van Breuer tekent zich zo’n persoonlijke stijl duidelijk af.

Die manifesteert zich in de Nederlandse gebouwen door het overeenkomstig materiaalgebruik zoals leistenen vloeren en trappen, natuurstenen wandbekledingen, grindbetonnen kolommen en teakhouten elementen als leuningen en deurgrepen. In de gangen van de ambassade laat Breuer de gebouchardeerde betonnen kolommen in het zicht en voor de binnen­ deuren ontwerpt hij een deurknop van teakhout en staal waarin de trapeziumvorm van de vensters terugkeert. Een ander motief voor het gebruik van teakhout is de persoonlijke voorkeur van de ambassadeur die dit materiaal zou prefereren boven de door Breuer voorgestelde stalen leuningen.76 Breuer kan hier, gezien zijn andere ontwerpen, onmogelijk grote bezwaren tegen hebben gehad.

Bijzondere ruimten

De hand van Breuer is ook te zien in een aantal vertrekken met een bijzondere bestemming. In de kanselarij bevindt zich op de kop van de tweede verdieping een conferentiezaal. Deze is rondom bekleed met teakhouten elementen met trapeziumvormige belijning. Een van de wanden is geheel voorzien van een eveneens teakhouten boekenkast. Een v ­ ergelijkbare wandbekleding is ook te vinden in de ambassadeurskamer op dezelfde ver­dieping, hoewel de originele kleur hier is overgelakt. Alle betimmeringen en boekenkasten (ook die in de bibliotheek) zijn door het bureau van Breuer nauwkeurig uitgetekend en uitgevoerd door de Belgische meubelwerkplaats De Coene uit Kortrijk. In de ambassadeurskamer bevindt zich ook een open haard van gebouchardeerde beton die als een vrijstaand meubel­stuk iets voor de wand is geplaatst. Deze haard is op basis van aanwijzingen van Breuer uitgewerkt door de Nederlandse architect Leo de Bever, op dat moment werkzaam op het bureau van Breuer. In de USIS-vleugel bevindt zich de bibliotheek met een dubbele verdiepingshoogte. De ruimte wordt bepaald door twee centraal geplaatste, ‘getordeerde’ kolommen van gebouchardeerd beton, dat wil zeggen dat het rechthoekige grondvlak van de kolommen op de vloer negentig graden is gedraaid ten opzichte van de bovenkant van de kolommen. Aan de 56

De bibliotheek in oorsprokelijk en huidige vorm.

75 Stern et.al., p.539.

76 Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.93.

sculpturale vorm van de kolommen ligt een constructieve reden ten grondslag. De dubbele kolommen van de bovengelegen verdiepingen worden ermee samengebracht en doorgevoerd naar het souterrain. Breuer gaf hiermee bewust vorm aan de constructie die daardoor in hoge mate bepalend is voor de ruimtelijke beleving. Een teakhouten trap in de voorruimte van de bibliotheek leidt naar een entresol, die door middel van stalen dragers is opgehangen aan het plafond. Rondom zijn de wanden voorzien van teakhouten boekenkasten, zowel op de begane grond als op de entresol. De sfeer is die van een klassieke bibliotheek, die door de oorspronkelijk open balustrade wordt versterkt. Boven de mans­hoge boekenkasten van de entresol bevindt zich een aantal vensters die voor daglicht in de ruimte zorgen. Net als aan de buitenkant heeft Breuer ook aan de binnenzijde van het auditorium veel aandacht besteed. De karakteristieke ruitvormige betonconstructie van het plafond is oorspronkelijk prominent in beeld gelaten. Het verbijzonderen van de dakconstructies van ‘losse’ paviljoens past Breuer ook toe bij De Bijenkorf en het kantoorgebouw van Van Leer. Het Bijkorama heeft een dun, concaaf schaaldak rustend op vier stalen kolommen. Aan de sculpturale vorm van de kolommen ligt een constructieve reden ten grondslag.

De dubbele kolommen van de bovengelegen verdiepingen worden ermee samengebracht en doorgevoerd naar het souterrain. Breuer gaf hiermee bewust vorm aan de constructie die daardoor in hoge mate bepalend is voor de ruimtelijke beleving. De kantine van Van Leer heeft driehoekige kolommen en dakdelen die ‘vloeiend’ in elkaar overgaan.

Visuele diplomatie

De inrichting van de ambassade, zoals de keuze voor het meubilair en de stoffering, is niet bepaald door Marcel Breuer, maar is verzorgd door de Furnishings Branch van FBO. Die wordt van 1949 tot 1972 geleid door interieurarchitecte Anita Möller Laird. Geheel in overeenstemming met het architectuurbeleid van FBO werkt Möller, opgeleid aan de Parsons School of Design in New York, aan tientallen interieurontwerpen voor ambassades, consulaten en woningen voor diplomatiek personeel over de hele wereld. Haar ontwerpen dragen bij aan de diplomatieke boodschap van de Verenigde Staten. Interieurarchitectuur wordt ook nadrukkelijk ingezet als een visuele vorm van diplomatie bedoeld om de wereld 57

Door Jules Wabbes ontworpen postbak.

Na een korte studie aan het Art Institute of Chicago start Wormley in 1928 op 21-jarige leeftijd zijn loopbaan als interieurarchitect. In 1931 gaat hij een langlopende samenwerking aan met Dunbar, die voor de fabriek en voor Wormley tot grote successen en beroemdheid leidt. In het begin ontwerpt Wormley zowel traditionele als moderne meubels, maar aan het eind van de jaren dertig verschijnt een geheel moderne collectie, die de verkoop van traditionele meubels overschaduwt.

te laten zien hoe Amerika leeft, en “to show the efficiency and dignity of the products of our democratic way of life”.77 Dat betekent dat in de keuze van het meubilair zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van Amerikaanse producten. Aangezien de aankopen van het benodigde meubilair gefinancierd worden door buitenlandse kredieten, selecteert FBO voor de inrichting van ambassades ook meubels en acceçoires uit het buitenland, waaronder tapijten uit India en gordijnen uit België. Om toch ook Amerikaanse ontwerpen te kunnen toepassen, maakt State Department afspraken met buitenlandse meubelfabrieken om Amerikaanse meubels in licentie te vervaardigen.

Anders dan de onder architecten veel bekendere fabrikant Herman Miller, die de alumi­ nium en kunststof stoelontwerpen van Charles en Ray Eames produceert, werkt Dunbar overwegend met hout, zowel voor constructieve elementen als in de afwerking. De productie wordt gestandaardiseerd, maar blijft grotendeels met de hand en in gelimiteerde oplage uitgevoerd. Daarmee sluiten de meubels van Dunbar eerder aan bij de moderne Scandinavische vormgeving uit die tijd dan bij de Amerikaanse avant-garde, die wordt gedomineerd door de Internationale Stijl. Desondanks maken de ontwerpen van Wormley deel uit van ‘good design’ tentoonstellingen in het Museum of Modern Art in New York en zijn ze van grote betekenis voor de verspreiding en acceptatie van modern meubilair in Amerika.

Voor de levering van meubels voor Den Haag wordt een contract gesloten met het Belgische Mobilier Universal die de ontwerpen van de Amerikaanse meubelproducent Dunbar zou vervaardigen. Mobilier Universal wordt in 1957 opgericht door de Belgische interieurarchitect Jules Wabbes. Hij krijgt begin 1959 de opdracht om de meubels voor de ambassade te produceren en te installeren. Wabbes reist voor de opdracht af naar Washington en ondervindt daar de veeleisendheid van State Department ten aanzien van de presentatie, de materiaalkeuze en het tijdsbestek van de projecten. Tussen de opdracht en de opening van de ambassade liggen nog maar enkele maanden. Wabbes heeft een goede indruk achtergelaten want ook in de keuze en de levering van meubelstoffen krijgt hij een rol. Bovendien maakt hij speciaal voor de ambassade een ontwerp voor postbakjes van gebogen hout, geproduceerd in zijn eigen fabriek.78 De keuze voor Mobilier Universal komt voort uit het inlossen van Belgische schulden, maar heeft ongetwijfeld ook te maken met de kwaliteiten van Wabbes als ontwerper. Zijn meubels vertonen overeenkomsten met de ontwerpen van Dunbar: eenvoudig, solide, tijdloos en veelal van hout gemaakt. De kantoorinrichtingen van Wabbes zijn bovendien sterk beïnvloed door de moderne en zakelijke interieurs van kantoren in de Verenigde Staten.

Door zijn contacten bij de Belgische luchtvaartmaatschappij Sabena, voor wie hij vliegtuiginterieurs ontwerpt, vliegt Wabbes begin jaren vijftig meerdere keren naar Amerika. Daar raakt hij onder de indruk van moderne architectuur, zoals het beroemde Lever House in New York, ontworpen door SOM.

Comfortabel modernisme

Ondanks de betrokkenheid van Jules Wabbes, houdt Anita Möller de supervisie over het interieur van de ambassade. Zij maakt de keuze voor de meubels uit de collectie van Dunbar Furniture Corporation. De ontwerpen van deze ambachtelijke meubelfabriek uit Berne (Indiana) zijn allemaal van de hand van meubelontwerper Edward J. Wormley. 58

77 Anderson, p.61.

78 zie: Ferran-Wabbes.

Een verklaring voor het succes van het ‘Dunbar Modernisme’ is de minder extreme vormgeving en de nadruk op het comfort van de meubels. Amerikanen prefereren op dat moment “het leven mét meubels boven het tonen ervan” en zien graag subtiele verwij­ zingen naar het verleden terug in het ontwerp.79 De abrupte stijlbreuk met het verleden van de ontwerpers van de Internationale Stijl wordt in de Verenigde Staten nauwelijks gewaardeerd of zelfs helemaal niet begrepen. In plaats van vernieuwing zoekt Wormley naar een versobering van klassieke vormen en maakt een vertaalslag naar contemporaine leefstijlen. Hij biedt een aantrekkelijk en comfortabel alternatief voor zowel traditioneel als modern design. De reden dat Anita Möller haar interieurontwerp voor de ambassade baseert op de meubels van Dunbar komt zoals genoemd voort uit de wens om een zoveel mogelijk ­Amerikaanse uitstraling te bereiken zonder in te leveren op comfort. Enkele jaren eerder, als de modernistische architectuur van State Department onder vuur ligt, wordt ook kritiek geuit op de selectie van het meubilair door FBO. Meubelfabrikant Knoll krijgt aan het begin van de jaren vijftig de opdracht voor het leveren van Barcelona-stoelen en andere ontwerpen voor de consulaten in Duitsland en voor de ambassade in Brussel. Het diplomatiek personeel is helemaal niet gecharmeerd van dit moderne buisframemeubilair.

Vooral de oudere medewerkers hebben moeite met het comfort van de stoelen. De stoelen breken soms af en de transparantie brengt personeel en bezoekers in verlegenheid. Dit leidt ertoe dat in de tweede helft van de jaren vijftig wordt gekozen voor het minder uitgesproken, maar wel eigentijdse meubilair van Dunbar. Hoe de oorspronkelijke inrichting van de ambassade eruit heeft gezien – het meubilair is niet meer aanwezig – is alleen op zwart-wit foto’s van vlak na de oplevering te zien. Deze geven geen informatie over de kleuren van de toegepaste stoffering zoals gordijnen en meubelstoffen in de ambassadeurskamer, de conferentiezaal en het auditorium, maar wel een beeld van het gebruik van de meubels. Niet bekend is of het Dunbar-meubilair in alle vertrekken heeft gestaan of alleen in representatieve ruimten van belang voor de visuele diplomatie. De klapstoelen in het auditorium zijn in elk geval niet door Mobilier Universal geleverd, maar door de firma Raket uit Arnhem. 59

79 Pina, p.V.

Het auditorium met ruitvormige dakconstructie.

60

61

Perceptie

indruk maken als zij het bij vroegere, getekende informaties en tijdens de uitvoering deden”.84 Maar het feit dat juist een architect als Breuer met ‘roots’ in het Bauhaus een dergelijk spel van materiaal en ornament bezigt, is voor Vriend onverkwikkelijk. J.J.P. Oud kreeg de volle laag van zijn modernistische collega’s toen hij ornamenten toepaste in het BIM-gebouw, maar nu begint het decoratief monumentale internationaal tot de goede toon te horen. Vriend eindigt zijn kritiek met de vraag wat het aandeel van Breuer is in het ontwerp van de ambassade, gezien het teleurstellende gebouw en het feit dat Breuer tijdens de bouw maar een paar keer in Den Haag is geweest. Zal Breuer zich in de toekomst tevreden kunnen stellen met een rol als ‘vliegende decorateur’? “Men denkt met enige droefenis aan het vroegere eenvoudige, menselijke werk van zulk een hoogst begaafde architect als Breuer en de indruk laat niet af dat hij de prijs voor roem en grootheid rijkelijk heeft betaald”.

Verwijten aan Breuer

Als de ambassade in 1959 is opgeleverd, verschijnen uitgebreide artikelen in de Haagse pers en in landelijke en buitenlandse vakbladen. Van tumult, zoals bij de presentatie van het ontwerp, is geen sprake meer. Het Vaderland besteedt helemaal geen aandacht aan het nieuwe gebouw, maar De Haagsche Courant meldt dat “de storm van verontwaardiging over de hypermoderne Amerikaanse ambassade is vrijwel geluwd [...]”.80 Een week na de officiële opening krijgt ook de Haagse bevolking een kans om binnen te kijken en dan schrijft de krant: “de fraaie natuurstenen binnenmuren, de luxueuze inrichting van de kamers, alsook het uitzicht uit de trapeziumvormige ramen wekte veel bewondering”.81 Ook architectuurcorrespondent Rein Blijstra van Het Vrije Volk is positief: “De vrees dat het op onaanvaardbare wijze de historische omgeving zou overheersen is niet bewaarheid”. Blijstra waardeert vooral de eenvoud van de opzet. “De strakke lijnen, de ondanks de schuine arcering rustige proporties in de gevel, het mooie materiaal, en vooral de uitstekende binnenplaats moeten ons en de architecten onder ons toch wel even waarschuwen dat men in het buitenland naar andere vormen zoekt en die zo nu en dan ook vindt”.82 De Nederlandse vakpers is een stuk harder in zijn oordeel, met J.J. Vriend als de meest kritische.

In zijn artikel in De Groene Amsterdammer begint Vriend nog met enige waardering over het gebouw dat hij als “een vakkundig en “smaakvol” geheel van kantoorruimten met eenvoudige, doch niettemin dure afwerking”.83 Hij prijst de kleurbehandeling van wit en grijs in verschillende nuances, maar merkt op dat het gebouw verder geen ruimtelijke belevenis biedt. Het is de “genormaliseerde esthetiek van deze tijd”. Vriend gaat in op de trapeziumvorm die op verschillende plekken terugkeert in het gebouw, zoals in de kolommen van de bibliotheek. Deze ruimte vindt hij op zichzelf sympathiek maar de vorm en functie van deze kolommen vindt hij onbegrijpelijk. Ze detoneren volgens hem in deze betrekkelijk kleine ruimte, vooral ook “door de gewild eerlijke materiaaldemonstratie”. De gebruikte natuursteen is prachtig en smaakvol aangebracht in de gang en de trappenhuizen, maar is “in zijn smetteloze blankheid overdadig toegepast”. Ook begrijpt Vriend niet waarom voor de zoveelste variant op de Thonetstoel is gekozen voor het auditorium. “Elke zich zelf respecterende architect in Nederland had dit niet durven plaatsen. Wat zou onze grote Rietveld van zulks een zaaltje hebben gemaakt?” Hier levert Vriend onterecht kritiek op Breuer die helemaal niet verantwoordelijk is geweest voor het meubilair. Het grootste probleem heeft Vriend met de trapeziumvormige vensters.

Breuer zou de onalledaagse vorm op een transatlantische vlucht hebben bedacht en omdat van bovenaf gezien alles dichter bij de grond steeds kleiner wordt. Het is dus niet verwonderlijk dat Breuer met deze vorm op de proppen komt, meent Vriend. “De trapeziumvormige ramen zijn blijkbaar het allesbeheersende uitgangspunt geweest voor dit ontwerp, maar zij hebben nauwelijks of geen verband met de daarachter liggende kantoorruimten. Het dient gezegd dat deze fameuze muuropeningen in werkelijkheid niet zo’n irriterende 62

80 “Marcel Breuers Amerikaanse ambassade blijkt aanwinst’, De Haagsche Courant, 16 mei 1959, p.2. 81 Van Heijningen et.al., p.45.

82 Ibid.

83 zie: Vriend.

In het tijdschrift Bouw doet Vriend het nog een keer dunnetjes over. Hij vraagt zich nogmaals af waarom de vroege werken van Breuer meteen waardering oproepen en “dit oppervlakkige, spectaculaire geval, dat ons tracht te overbluffen” niet. “Wij zien een oorspronkelijk waarachtig functioneel architect zich verliezen in l’art pour l’art in een modieuze opschik van in wezen elementaire ruimtevormen”.85 In hetzelfde Bouw schrijft R.C. Hekker positief over de ramen. Hij stelt dat glasbanen de compositie zouden verbrokkelen en simpele rechthoekige vensters een bunkerachtig effect opleveren. De gekozen trapeziumvormen geven door hun verwijding naar boven een gevoel van openheid. De Haagse architect W.S. van de Erve schrijft in Bouwkundig Weekblad als enige iets over de stedenbouwkundige situatie. Met de verbreding van het Korte Voorhout en de bouw van ambassade is daar een verbetering opgetreden. Hij vindt het gebouw wel enigszins te hoog en hoewel dat nodig is om alle functies erin onder te brengen, ziet hij het gebouw liever op een andere plaats. Over de architectuur is hij kritisch. Van de Erve mist een waardige bekroning en een sokkel van het gebouw. De plint van zwarte steen vindt hij niet passend voor een ambassade, “onder een statiekleed draagt men geen gebreide sokken”.86 Over de vorm van de ramen is al veel gezegd, aldus Van de Erve, en dat is geheel terecht.

De uitleg van Breuer dat met deze vorm de inkijk vanaf de straat wordt beperkt, mist alle grond. In het Katholiek Bouwblad vergelijkt Mr. A. van Rooij alle drie de Nederlandse gebouwen van Breuer en concludeert dat de ambassade de minste is van de drie. “Het gebouw lijkt ons de vrucht van een conventionele opdracht en wellicht nog beperkt door de noodzaak wat schaal betreft een zekere aanpassing bij de oude huizen van het Voorhout te bereiken”.87 Maar over die aanpassing is Van Rooij positief. “Wellicht is de verwezenlijking van dit laatste oogmerk wel het best geslaagde moment in het gebouw. Door het haaks op elkaar staan der beide, los door glaspartijen verbonden, vleugels, door de matige hoogte van de etages en vensters en door de fijne ritmiek van het steeds doorgevoerde trapezium­ motief is een gevoelige maatvoering bereikt, die met de omgeving niet contrasteert”. Ook Walter H. Waggoner, correspondent van The New York Times, gaat in op het aspect van de inpassing in de historische omgeving. Hij is van mening dat Breuer er door de toepassing van natuurlijke en traditionele materialen in is geslaagd om een scherp contrast tussen het hedendaagse en het historische te voorkomen. Dat is volgens hem ook de reden dat Breuer het gebruik van grote glasvlakken, glimmend metaal en heldere kleuren heeft vermeden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14589323/1