CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS318437 Bijlage 4 - Cultuurhistorische verkenning Ambassade Galema en Hooimeijer 2018

Gemeenteraad 28 november 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Gewijzigd voorstel van het college inzake Formalisering voorbereidings- en uitwerkingskrediet transformatie Lange Voorhout 102 naar het Nieuwe Eschermuseum (RIS318437)25.523 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bouwen aan diplomatie De Amerikaanse ambassade in Den Haag Marcel Breuer, 1956 -1959

Cultuurhistorische verkenning (herziene versie) Wijnand Galema, Fransje Hooimeijer

Inhoudsopgave 7 8 13 24 32 42 52 62 68

3

75 90 115 116 117 120

Introductie

Op zoek naar een locatie

Wederopbouw Korte Voorhout

Bouwprogramma State Department

Ontwerp Marcel Breuer

Uitgevoerd ontwerp

Interieur

Perceptie

Wijzigingen na 1960

De ambassade in beeld: mei 2018

Cultuurhistorische waardering

Conclusie en aanbevelingen

Verantwoording

Projectgegevens en bronnen

Colofon

Gevel aan het Korte Voorhout kort na de oplevering.

4

5

Introductie Marcel Breuer bij de opening van de Amerikaanse ambassade in Den Haag, 4 juli 1959.

Aanleiding voor deze cultuurhistorische verkenning is de toekomstige herbestemming van de voormalige Amerikaanse ambassade in Den Haag. Het gebouw, een ontwerp van de AmerikaansHongaarse architect Marcel Breuer, is na de verhuizing van de ambassade naar een nieuwe locatie in Wassenaar, in eigendom gekomen van de gemeente Den Haag. De stad neemt hiermee een sleutelpositie in als het gaat over de toekomst van het gebouw. De komende periode wordt gebruikt om hiervoor plannen te ontwikkelen en een nieuwe eigenaar te vinden. Om in dit proces de cultuurhistorische betekenis van het oorspronke­lijke gebouw een rol te geven, heeft de ­gemeente Den Haag opdracht verstrekt tot het maken van deze cultuurhistorische verkenning. De publieke opinie over de Amerikaanse ambassade is de afgelopen decennia steeds aan verandering onderhevig geweest. Al bij presentatie van het eerste ontwerp in 1956 oogst Breuer veel kritiek met de moderne vormentaal in de overwegend historisch context van het Lange Voorhout. Na de oplevering van het gebouw ebben deze geluiden langzaam weg, maar vanaf de jaren zeventig is het niet de architectuur van de ambassade waar burgers zich tegen verzetten, maar de wereldmacht die het vertegenwoordigd. Het gebouw vormt dan vaak het decor van protesten tegen de imperialistische politiek van de Verenigde Staten.

Tenslotte heeft de toe­nemende terreurdreiging van de afgelopen jaren tot ingrijpende beveiligingsmaatregelen geleid die de aantrekkelijkheid en toegankelijkheid van het gebouw en zijn omgeving beperken, met alle nadelige gevolgen voor de acceptatie van het gebouw. Deze cultuurhistorische verkenning gaat hier op in. Het ontstaan van het gebouw, de achtergronden bij het ontwerp, de stedenbouwkundige context, het interieur en de betekenis voor de Haagse architectuurgeschiedenis zijn aspecten die hierin worden belicht. Daarnaast brengt dit onderzoek de internationale betekenis in beeld die onlosmakelijk met het gebouw verbonden is. Op de eerste plaats door Marcel Breuer als vertegenwoordiger van een generatie architecten die na de Tweede Wereldoorlog vorm geeft aan de modernisering van de Amerikaanse architectuur. Ten tweede door het architectuurbeleid van de opdrachtgever, het Amerikaanse Ministerie van ­Buitenlandse Zaken, dat er in de jaren vijftig van de vorige eeuw op is gericht de Verenigde Staten in het buitenland te representeren als een toonaangevende democratische wereldmacht. Dit tot nu toe onderbelichte aspect komt in deze cultuurhistorische verkenning uitgebreid aan de orde. Nu de ambassade is verhuisd, hekken en rampalen zijn verwijderd, kan het gebouw door het publiek worden toegeëigend en de plek aan de stad worden teruggegeven.

Er ontstaat ruimte om los van de maatschappelijke en politieke lading van het gebouw, te kijken naar dat was is achter gebleven: de architectuur. Dit onderzoek is oorspronkelijk uitgevoerd in 2008 volgens de toen geldende richtlijnen. De verhuizing van de ambassade naar het nieuwe gebouw in Wassenaar heeft echter langer op zich laten wachten. Ook heeft het gebouw sinds 2017 de status van rijksmonument. Hierdoor ontstond de behoefte een update te laten maken van de bestaande cultuurhistorische verkenning en deze uit te voeren volgens de nu geldende richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed.

6

7

Op zoek naar een locatie

het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Op dat moment wordt FBO geleid door Fritz Larkin, die dankzij goede contacten bij het Amerikaanse parlement, een vrijwel autonome positie verwerft. Hij slaagt erin in twee jaar tijd voor zeventig miljoen dollar aan grond en vastgoed aan te kopen. Deze aankopen worden mogelijk door buitenlandse kredieten - die tientallen landen aan Amerika schuldig zijn als gevolg van de Tweede Wereldoorlog - voor dit doel ter beschikking te stellen. Rond 1950 koopt FBO met gebruik van buitenlandse kredieten grond en vastgoed in Amsterdam, Rotterdam, Wassenaar en Den Haag. In Den Haag en Wassenaar bestaan de aankopen vooral uit bestaande woonhuizen ten behoeve van residenties voor diplomatiek personeel. De locatie aan het Museumplein in Amsterdam wordt in 1949 verworven voor de huisvesting van het consulaat. In Rotterdam bestaan de aankopen uit bouwgrond, waaronder een perceel aan de Blaak.2 Deze prominente locatie naast Plein 1940 is bestemd voor de bouw van een tweede consulaat, waarvoor de architecten E.H. en H.M. Kraaijvanger in 1947 een ontwerp maken.3 Het bouwplan is niet uitgevoerd en de grond is lange tijd onbebouwd gebleven.4 De zoektocht naar een geschikte locatie voor de ambassade in Den Haag wordt uitgevoerd door een van Larkins medewerkers, Ides Watersloot van der Gracht.

Hij is Amerikaans staatsburger, maar ook oud-inwoner van Den Haag, en als bouwkundig hoofdambtenaar van het State Department belast met de huisvesting en nieuwbouw van ambassades in Nederland en Scandinavië. Hij werkt vanuit het regionale kantoor van FBO in Den Haag.5

Diplomatieke expansie

De oorsprong van de diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten ligt in 1782. In dat jaar wordt John Adams, die later de tweede president van Amerika zou worden, de eerste gevolmachtigde vertegenwoordiger van de Verenigde Staten in het buitenland, en wel in Nederland. Den Haag is hiermee de oudste diplomatieke post van Amerika. In hetzelfde jaar wordt ook de formele erkenning van de Verenigde Staten als een zelfstandige en onafhankelijke natie door Nederland een feit. Kort daarop zendt Nederland een diplomatiek vertegenwoordiger naar Philadelphia, de toenmalige hoofdstad van de VS. Sinds het begin van de diplomatieke betrekkingen is de Amerikaanse vertegenwoordiging, ook wel gezantschap genaamd, gehuisvest op verschillende adressen in Den Haag. John Adams woont op de Fluwelen Burgwal en zijn opvolgers betrekken panden op de Bezuidenhoutseweg, Kneuterdijk en de Prinsessegracht. In 1942 krijgt het gezantschap van de Verenigde Staten de formele status van ambassade. Na de Tweede Wereldoorlog wordt deze status onderstreept met de bouw van een nieuwe ambassade en een dienstwoning voor de ambassadeur. Voor beide gebouwen wordt vanaf 1946 gezocht naar een geschikte locatie.

De zoektocht in Den Haag maakt deel uit van een wereldwijd aankoopbeleid van grond en vastgoed dat de Verenigde Staten meteen na de Tweede Wereldoorlog in gang zetten voor de huisvesting van ambassades, overheidsinstellingen en woonhuizen voor diplomatiek personeel. Op dat moment is Amerika steevast van plan haar aanwezigheid in de wereld te versterken. President Truman start in 1947, zich bewust van de naoorlogse verschuivingen in het geopolitieke landschap, een campagne om de verspreiding van het Communisme tegen te gaan en wereldwijd steun voor democratie te genereren. De 17 miljard dollar aan financiële hulp die West-Europese landen voor economisch herstel ontvangen, de zogenaamde Marshallhulp, is daar een direct gevolg van. Met de oprichting van de NAVO krijgen de VS bovendien permanente militaire bases in Europa. De wereldwijde toename van Amerikaanse vertegenwoordigingen leidt ook tot een forse uit­breiding van de diplomatieke staf en een groeiende behoefte aan kantoorruimte. Het verspreiden van de democratische boodschap wordt op cultureel gebied ondersteund door de United States Information Service (USIS) waar bezoekers terecht kunnen voor culturele, historische en maatschappelijke informatie over de VS. Amerika wil de wereld tonen dat een vreedzaam bestaan en expansie van economie, wetenschap en religie mogelijk is zonder repressie van persoonlijke vrijheid.

“It was up to USIS personnel to reach out and touch the people in faraway places and introduce them to the United States, its government, and its culture”.1 Deze voorziening wordt geïncorporeerd in talloze nieuwe ambassades in de vorm van bibliotheken, tentoonstellingsruimten en auditoria. De aankoop van buitenlandse bezittingen en de huisvesting van ambassades wordt geleid door de afdeling Foreign Buildings Operations (FBO) van het State Department, 8

1 Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.44.

Strijd om Zorgvliet

Voor Den Haag had Watersloot van der Gracht zijn oog laten vallen op het landgoed Zorgvliet als de plek voor een nieuwe ambassadeurswoning. De gemeente Den Haag had echter andere plannen, waardoor de discussie die sinds het begin van de twintigste eeuw over de toekomstige bestemming van dit particuliere landgoed wordt gevoerd, opnieuw oplaait. In 1902 wordt voor het eerst gesproken over de aankoop van Zorgvliet door de gemeente Den Haag voor de bouw van het Vredespaleis. De gemeenteraad stemt, na meerdere pogingen van het college van B&W, keer op keer tegen de aankoop. Intussen zijn delen verkocht ten behoeve van een villapark, maar de kern van het landgoed blijft hermetisch afgesloten van de omliggende stad. Als de eigenaren, de familie Goekoop, het landgoed in 1918 willen ommuren, krijgen ze hiervoor toestemming op voorwaarde dat deze omheining negen meter binnen de kavelgrenzen wordt gebouwd en de resterende grond aan de gemeente wordt afgestaan. Om het landgoed te bereiken over deze publieke grond worden zes toegangswegen toegestaan. In 1930 schenkt de familie Goekoop de grond aan de Nederlandse staat op voorwaarde dat het een nationale bestemming krijgt. Die moet binnen een termijn van tien jaar gerealiseerd zijn, anders zou de grond weer aan de eigenaren terugvallen.

De schenkers denken aan een nieuw Koninklijk paleis, maar de Staat ziet liever een congresgebouw op deze plek. Het landgoed is inmiddels opengesteld voor publiek en gaandeweg rijzen er ­bezwaren tegen het congresgebouw. De plannen van de Staat blijken te duur en het ontwerp valt niet in de smaak. Ook de familie Goekoop is het niet eens met de congresfunctie en na onderhandelingen wordt de voorwaarde voor een nationale bestemming afgekocht voor 345.000 gulden. De Tweede Kamer stemt in met deze afspraak, maar voor 9

2 ‘List of U.S. Governmentowned properties’, september 1954, archief Maintenance, Amerikaanse ambassade, Den Haag. 3 W. Galema, A. Tijhuis, Wederopbouw Rotterdam 1940/1965, Rotterdam 1996 (cd-rom). 4 In 1958 is er opnieuw sprake van de bouw van een consulaat in Rotterdam naar ontwerp van de Amerikaanse architect Victor Christ-Janer, maar ook dit plan is niet uitgevoerd, zie: Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.166. 5 Om de grondaankopen van nieuwe ambassades lokaal aan te sturen opent FBO aan het eind van de jaren veertig regionale kantoren in Parijs, Londen, Bonn, Tokyo, Rio de Janeiro en Den Haag.

de Eerste Kamer het kan bekrachtigen, breekt de oorlog uit. De termijn van tien jaar verstrijkt en het landgoed komt weer in handen van de familie Goekoop. Na de oorlog wordt door architect W.M. Dudok, de ontwerper van de wederopbouwen uitbreidingsplannen van Den Haag, een plan gemaakt voor het herstel van het gebied Sportlaan-Zorgvliet. De aanleg van de Atlantikwall heeft in de oorlog een spoor van verwoestingen achtergelaten in een langgerekte zone parallel aan de kust. Ook het landgoed ligt in die zone en heeft flinke schade opgelopen. Op 1 oktober 1946 komen de burgemees­ ter, architect Dudok, de directeuren van de gemeentelijke diensten voor de Wederopbouw, van Gemeentewerken en van Gemeenteplantsoenen, de architect J. van Nieukerken en het echtpaar Goekoop samen om te bespreken hoe de oorlogsschade kan worden hersteld en wat de gevolgen van het plan Sportlaan-Zorgvliet voor het landgoed zijn. Na het zien van de maquette voor het gebied is de familie Goekoop teleurgesteld over het feit dat het plan zonder enig overleg met hen is opgesteld. Dudok is verrast door het geringe enthousiasme en maakt zich zorgen over de medewerking van de Goekoops aan dit plan.

Zijn angst wordt werkelijkheid, want terwijl hij en de gemeente verder gaan met de planvorming, krijgt de familie Goekoop ter ore dat de heer Watersloot van der Gracht in onderhandeling is over de aankoop van een groot stuk grond aan de Adriaan Goekooplaan, direct naast hun grondgebied. Hierin zien de Goekoops een kans om het landgoed in zijn geheel aan de Amerikaanse staat aan te bieden en het door de exterritoriale status te onttrekken aan het wederopbouwplan van Dudok. Op deze manier hoopt de familie de bijzondere positie van het op het landgoed gelegen Catshuis te waarborgen, waarvan zij met het plan-Dudok niet zeker is. Met de voorwaarde het Catshuis als historisch monument te herstellen, biedt de familie Goekoop het landgoed op 23 december 1946 te koop aan bij Watersloot van der Gracht. Hij kan zich echter niet aan deze voorwaarde binden en het duurt nog tot begin 1948 voor een overeenkomst omtrent de verkoop tot stand komt. Op 1 maart 1948 wordt uiteindelijk 22,5 hectare bos voor 1,25 miljoen gulden verkocht aan de Verenigde Staten, in eerste instantie alleen voor de bouw van de ambassadeurswoning. Het Catshuis zou in de familie blijven.6 Door de verkoop aan de Amerikanen ziet de gemeente haar plannen voor Zorgvliet spaak lopen. Dudok wil het gebied betrekken bij de geplande vergroting van het stads­ centrum.

Voor de versterking van de internationale positie van Den Haag acht hij het van belang dat naast de bestaande, dichtbebouwde binnenstad ook een meer ontspannen, ruim opgezet gebied bestaat. Hierin projecteert hij een gebouw van nationale betekenis

en een groot cultureel centrum. Geïnspireerd door het Palais des Beaux Arts in Brussel tekent hij een concertgebouw, een congresgebouw en een schouwburg die in elkaars aanwezigheid aan belang kunnen winnen. Hij vult het plan bovendien aan met een volksuniversiteit, een conservatorium, een archiefgebouw en eventueel een postmuseum, “alles in harmonie met het karakter dezer stad met veel groen en bloemen”.7 Voor dat laatste ziet Dudok een rol voor Zorgvliet weggelegd en hij stelt dan ook voor om het als recreatiegebied voor de stad te behouden. Intussen wordt duidelijk dat de Verenigde Staten niet alleen een ambtswoning, maar ook de ambassade en een tweede dienstwoning op Zorgvliet willen realiseren. Hoewel de gemeente aanvankelijk meewerkt aan de plannen, wordt de Amerikanen toch voorgesteld de ambassade op een andere locatie te bouwen en wel in de groenstrook van de centrale as van het plangebied Sportlaan-Zorgvliet, op de plek waar Dudok een gebouw van nationale betekenis situeert. Hier kan met een hoogte van maximaal 15 meter een monumentale afsluiting worden gevormd van de zichtlijn in noordoostelijke richting van de groenstrook langs de Sportlaan. Kennelijk is er sprake van een bouwplan voor deze plek, want de gemeente stuurt aan op aanpassing van het ontwerp aan de welstandseisen en overleg tussen de gekozen architect en Dudok.

Als de welstandscommissie en Dudok niet akkoord gaan, dan zou de ambassade wellicht toch wel op het landgoed kunnen worden gesticht, maar dan op een beperkt kavel, aangezien de gemeente blijft vasthouden aan de realisatie van een park.8

6 Archief Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling 1945-1983 (0509-01), inventarisnummer 355, 28 oktober 1950.

Lange Voorhout

De nadrukkelijke voorkeur om ambassade, ambassadeurswoning en dienstwoning op één locatie onder te brengen, maakt dat er buiten Zorgvliet maar weinig plekken in Den Haag geschikt zijn voor een Amerikaanse enclave. Dat de Amerikanen meerdere ijzers in het vuur hebben, blijkt uit een brief van 11 juli 1947 van Mr William D. Fisher, derde secretaris van de ambassade. Hij schrijft aan de heer F. Bakker Schut, directeur van de Dienst voor de Wederopbouw, dat “pursuant to instructions received from the Department of State, the Embassy can now inform you that it is no longer interested in purchasing the property, which we have had under discussion for some time, on the Lange Voorhout between the Queen Emma Palace and the site of Hotel Paulez”.

Het Catshuis op het landgoed Zorgvliet in 1948.

10

Korte Voorhout 2, Hotel Paulez, 1936.

11

7 Archief Gemeentebestuur 1937-1951 bnr. 610, 669.

8 Archief Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling 1945-1983 (0509-01), inventarisnummer 355, brief 178866 afd. S. en B., B&W aan Ministerie van Binnenlandse Zaken, 29 januari 1947.

Hoewel de Amerikanen volgens deze brief afzien van de aankoop van grond aan het Lange Voorhout, blijkt hieruit wel dat de locatie als serieuze optie is overwogen. De Amerikanen blijven hierna over verschillende locaties in gesprek met de gemeente. Op 3 sep­tember 1947 volgt een onderhoud tussen Watersloot van der Gracht en de heer W.G.H.E. Suyver, directeur van de Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, waarin verschillende opties de revue passeren als locatie voor de ambassade, de residentie en een villa voor een medewerker. De eis dat dit allemaal op één plek gerealiseerd moet worden, laten de Amerikanen dan vallen. In het gesprek worden acht locaties besproken. Een deel van de terreinen ligt te ver of excentrisch ten opzichte van het centrum, zoals Backerhagen aan de Leidsche Straatweg in Wassenaar, de voormalige golfclub in het verlengde van de Ruychrocklaan en het Hubertuspark. De locatie Oostduin vinden de Amerikanen zeer geschikt, maar Suyver betwijfelt of de eigenaar, de Nederlandsche Hervormde Gemeente, het wil verkopen. Naar de percelen aan het Lange Voorhout 1 en 3 wordt meer informatie ingewonnen, aangezien de Amerikanen die zeer geschikt achten voor de ambassade. Ook Zorgvliet blijft als locatie op het lijstje van Watersloot van der Gracht staan, zowel het zuidelijk deel van de buitenplaats als het gedeelte waar zwaar beschadigde villa’s staan.

Tenslotte komt ook een terrein aan het Korte Voorhout, waar de Franse Ambassade was gevestigd, in aanmerking, maar dan vergroot met de aangrenzende percelen of de gebouwen tussen het paleis van Koningin Moeder aan het Lange Voorhout en het verwoeste Hotel Paulez.9 Het Lange Voorhout komt hiermee opnieuw in beeld, maar als onderdeel van een groter geheel van percelen aan de noordkant van het Korte Voorhout. Om de Verenigde Staten tevreden te stellen en Zorgvliet in bezit te krijgen, stelt de gemeente een deal met gesloten beurzen voor, waarin Zorgvliet voor de locatie aan het Korte Voorhout (voor de ambassade) en het landgoed Oosterbeek (voor de ambtswoning) wordt geruild. Dit is het begin van een compleet soapdrama waarbij gemeente, het Rijk en de Koninklijke familie alle mogelijke tactieken en strategieën bedenken om landgoed Zorgvliet in handen te krijgen. De gemeente wil nog steeds een park op Zorgvliet, ook omdat door de verwoeste Scheveningse Bosjes meer behoefte is aan groen.10 Het Rijk en de Koninklijke familie overwegen een nieuw paleis op Zorgvliet te bouwen, de oorspronkelijke wens van de Goekoops. Watersloot van der Gracht is in eerste instantie best bereid om na te denken over de aankoop van Oosterbeek, maar is niet geïnteresseerd in het ruilen van gronden.

De gemeente komt vervolgens met het idee om na de aankoop van Oosterbeek een bouw­ verbod op Zorgvliet op te leggen om bebouwing van het landgoed te voorkomen, maar deze tactiek wordt door de thesauriër van de Koningin, Mr. G. Baron van Hardenbroek, als zeer onvriendelijk naar de Amerikanen beschouwd. Dat zegt hij niet alleen om de gemeente in diskrediet te brengen, maar ook omdat een bouwverbod de plannen voor een nieuw paleis blokkeren. Aan het kat-en-muisspel komt in september 1950 een eind als State Department akkoord gaat met de prijs voor het stuk grond op de hoek van het Korte en Lange Voorhout. Twee maanden later meldt de Amerikaanse ambassadeur Selden Chapin dat wordt afgezien van de koop van Oosterbeek. Over de verkoop van Zorgvliet houden de Amerikanen bij alle partijen de boot af. Uit een vertrouwelijk gesprek tussen mr. J. Visser, Chef protocol van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en ambassadeur Chapin blijkt dat de heisa rond Zorgvliet wordt veroorzaakt omdat Fritz Larkin “geen vriend van Nederland is en wij dus, zolang hij nog in functie is, met name wat betreft een financiële aanbieding, weinig goeds van hem te verwachten hebben”.11 12

Wederopbouwplan Korte Voorhout

9 Archief Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling 1945-1983 (0509-01), inventarisnummer 355, brief van de Dienst Stads­ontwikkeling aan B&W (7776).

10 Idem, Brief van de gemeente aan de ambassade 21 januari 1950.

11 F. Bakker Schut in een brief aan de burgemeester nr. S1170K, 13 september 1951.

Vooroorlogse situatie

Door de aankoop van de grond op de hoek van het Korte en Lange Voorhout is bepaald dat de Amerikaanse ambassade op een van de meest prominente locaties in het historische centrum van Den Haag komt te liggen. Op het perceel van de ambassade bevindt zich tot het bombardement van 3 maart 1945, het chique Hotel Paulez. Hoewel het bombardement van de geallieerden de V1-installaties in het Haagse Bos als doel heeft, verwoest het per ongeluk een groot deel van het Bezuidenhout en ook grote stukken van het Korte Voorhout. De Koninklijke Schouwburg overleeft met de aangrenzende bebouwing op de hoek van de Lange Houtstraat als enige dit oorlogsgeweld. Met de verwoesting van het Korte Voorhout, dat met het boomrijke Toernooiveld, de Lange Vijverberg en de Hofvijver tot een van de mooiste stedenbouwkundige ensembles van Nederland behoort, wordt de historische continuïteit van het gebied abrupt verstoord. Het Tournooiveld aan de westkant van het Korte Voorhout is tegenwoordig een bomenplein dat het Korte Voorhout, het Lange Voorhout, de Lange Houtstraat en de Lange Vijverberg met elkaar verbindt. Voor 1600 staat ten oosten van het Tournooiveld een kasteel van een adellijke familie, dat op dat moment nog in het Haagse Bos ligt. Van dit grote ‘oerwoud’, dat zich van Hoek van Holland tot voorbij Haarlem uitstrekt, zijn alleen het Haagse Bos en de Haarlemmerhout overgebleven.

Een groot deel van het bos wordt omstreeks 1570 gekapt door de inwoners van Den Haag ten behoeve van de bouw van (eenvoudige) verdedigingswerken. Het kaalgeslagen gebied dat overblijft, vormt het huidige Malieveld. In 1603 komt het kasteel in handen van nieuwe eigenaren en maakt het plaats voor woonhuizen. Het pad door het bos wordt verbreed en Nieuwe Voorhout genoemd. Het Nieuwe Voorhout, het latere Korte Voorhout, vormt vanaf dat moment de toegang naar het Haagse Bos en behoort tot de chique, op het zandgelegen straten van Den Haag. Het Korte Voorhout ontsluit de stad met een brug over de Prinsessegracht. De gracht, waarvan het eerste deel omstreeks 1595 wordt gegraven, maakt deel uit van de verdedigingssingel die met een haakse bocht via het Smidswater en de Hooigracht naar de Noord-singelgracht loopt. Het rond 1600 gegraven Smidswater heet dan ‘Sandsloot’. Omstreeks 1709 wordt de Prinsessegracht verlengd. Reden voor deze omlegging is de bouw van de Kanongieterij die van de Kloosterkerk naar de gronden net buiten het Smidswater, ten noorden van het Korte Voorhout, wordt verplaatst. Het eiland dat door de omlegging van de singelgracht ontstaat, wordt Nieuwe Uitleg genoemd. Het Smidswater en de Hooigracht verliezen hun verdedigingsfunctie.

Door een lage brug aan te leggen tussen het Smidsplein en de Nieuwe Uitleg, de Maliebrug, wordt het voor hoge schepen ook niet langer mogelijk de Hooigracht als doorgaande route te gebruiken. Het Korte Voorhout wordt vanaf het begin van de zeventiende eeuw langzamerhand bebouwd. In 1761 wordt aan de zuidzijde een paleis gebouwd voor prinses Carolina en haar man Karel van Nassau-Weilburg, zus en zwager van stadhouder Willem V. Het ont13

Lange Voorhout op de stadsplattegrond van Iven Besoet, 1747.

Korte Voorhout met Hotel Paulez (links) en het Lange Voorhout (rechts), omstreeks 1890.

werp heeft een vorstelijke allure, maar kan wegens de Franse bezetting en geldgebrek niet geheel volgens plan worden uitgevoerd. In 1802 wordt het door vooraanstaande burgers van de stad in gebruik genomen als schouwburg, en dat is het nu nog steeds. Ten oosten van de Koninklijke Schouwburg bevinden zich tot aan het bombardement in 1945 vier andere belangrijke gebouwen: het kantoor van verzekeringsmaatschappij De Eerste Nederlandse (het oorspronkelijke huis Buysero), de rechtbank (het voormalig paleis van Prins Frederik), de provinciale Griffie (het oude huis Boerenzweet) en de ambtswoning van de Commissaris der Koningin. De noordzijde van het Korte Voorhout blijft tot het eind van de zeventiende eeuw onbebouwd. Tot die tijd kijkt men uit op de achterzijde en de binnenplaatsen van de kanongieterij, dat door de Gietkom van het Korte Voorhout wordt gescheiden. Op de beide hoeken van de tussenliggende gronden verschijnt aan het eind in de zeventiende eeuw het Tapijthuis, de latere Franse Legatie, en het huis van Raedtsheer Van der Goes. Dit huis wordt omstreeks 1916 vervangen wordt door de Prinsessenschouwburg.

In de achttiende eeuw is tussen deze beide huizen een wand gebouwd met zeer ondiepe woningen, vermoedelijk omdat de woningnood hoog is en men het uitzicht op de achterzijde van de gieterij te rommelig vindt.12 Ten westen van dit rijtje bevindt zich het bekende hotel Paulez, waar de chique bevolking van Den Haag dansles krijgt.

Overzicht verwoestingen bombardement: in roze de verwoeste gebieden en in blauw de zwaar beschadigde.

Korte Voorhout met links een restant van het verwoeste hotel Paulez, mei 1945.

14

12 Archief Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (0487-01) 624.

Herstel ruimtelijke structuur

Het bombardement van 3 maart 1945 heeft het Korte Voorhout dusdanig verwoest dat voor de meeste gebouwen herstel niet meer mogelijk is. In de aanloop naar de planvorming voor de wederopbouw wordt het Korte Voorhout als volgt omschreven: “Het gehele complex van Korte en Lange Voorhout, Vijverberg, Plein, Binnen- en Buitenhof bestaat uit een aaneenschakeling van ruimten, die onderling verbonden zijn door korte en betrekkelijk nauwe passages. In deze reeks van zalen vormt het Korte Voorhout als het ware het voorportaal, dat via een corridor bij de Koninklijke Schouwburg toegang gaf tot de ruimten daarachter. In de als geheel genomen zeer gave wand langs de Prinsessegracht – de burgerij op de eerste rang! – was de opening van het Korte Voorhout weinig gemarkeerd. Gezien vanaf het Haagse Bos over de vlakte van de Maliebaan en Koekamp vertoont deze wand een zeer gaaf rythme, waarin een duidelijke markering van de ‘voordeur’ zeer storend zou hebben gewerkt”.13 Directeur van de Gemeentelijke Dienst voor Wederopbouw en Stadsontwikkeling, ir F. van der Sluijs, stuurt op 27 februari 1951 materiaal en een toelichting aan het Polytechnisch Tijdschrift.14 In de toelichting beschrijft hij dat W.M.

Dudok al tegen het einde van de oorlog is gevraagd een structuurplan, als basis voor uitbreidingsplannen en als richtlijn voor verbeteringen van de bebouwde kom, en verschillende wederopbouwplannen te ontwerpen. “In deze lawine van projecten vormde het ontwerp voor het wederopbouwplan voor het Korte Voorhout en omgeving eigenlijk een buitenbeentje. Het grote palaver over bebouwingsdichtheid, terreinindex, hoogbouw, verzorgend oppervlak en wat dies meer zij liet het Korte Voorhout onberoerd. Hier was ‘slechts’ één vraag aan de orde, nl. hoe deze toegang tot het historisch meest waardevolle gedeelte van de binnenstad van die Haghe opnieuw gemodelleerd moest worden. Het spel dus met een allee en een 15

13 Archief Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling (0509-01), Wederopbouw Plan Korte Voorhout 1951 (1372). 14 Ibid.

gracht, wat bouwblokken en wat bomen men zou kunnen spreken van een ‘orthodox’ probleem! Geen wonder, dat het plan Korte Voorhout voor al diegenen, die zich er mee bezig hielden een soort troetelkind werd, in de bestudering waarvan periodiek werd ‘gedoken’, als de zaak elders weer eens vast zat!”15 Hiermee doelt Van der Sluijs op de verschillende wijzigingen die op het eerste wederopbouwplan zijn doorgevoerd vanwege de verschillende belangen die op dit kleine oppervlak in overeenstemming met elkaar zijn gebracht. Het belangrijkste uitgangspunt van Dudok is het Korte Voorhout als de toegang tot het complex van ruimten, dat volgens hem gevormd wordt door het historisch en esthetisch meest waardevolle gedeelte van Den Haag, zoals hierboven beschreven. Het ontwerp is er geheel op gericht om deze ruimtelijke karakteristiek in ere te houden. Vandaar geen eigenlijke wijziging van het oorspronkelijke stedelijke weefsel, maar een aanpassing en stroomlijning van het bestaande. Direct na de oorlog geeft een aantal eigenaren in het door het bombardement getroffen gebied aan te willen terugkeren. De N.V. Maatschappij tot Exploitatie van hotels en café-restaurants wil Hotel Paulez op dezelfde plek herbouwen. Ook wil het bedrijf graag belendende percelen aankopen voor een eventuele uitbreiding.16 Ook de N.V.

Flatgebouw Carnegieplein, eigenaar van de Prinsessenschouwburg, geeft aan deze te willen herbouwen. Vanwege de bijzondere zorg die voor de wederopbouw van dit gebied verlangd wordt, wil de gemeente het heft in eigen hand hebben en de gronden opkopen. De noordwand van het Korte Voorhout moet voor bijzondere en openbare gebouwen behouden worden.17 Het idee is dat de Franse Ambassade, die Korte Voorhout 8 en Nieuwe Uitleg 7 in bezit heeft, met de aankoop van Korte Voorhout 10 waarschijnlijk een groter gebouw gaat realiseren, passend in het wederopbouwplan.18 De prinsessenschouwburg wordt minder passend geacht en de NV Flatgebouw Carnegieplein wordt in februari 1947, vier maanden na hun brief, een plaats aan de Kalvermarkt aangeboden.19

Lürsen, Fels en Van der Stad als enig van de zes studies een moderne vormentaal voorstelt met een hoogbouwaccent aan de noordzijde van het voorportaal, tussen Gietkom en Korte Voorhout. 15 Archief Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling (0509-01), Wederopbouw Plan Korte Voorhout 1951 (1372).

16 Archief Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (0487-01) 624, brief 17 augus­tus 1946. 17 Archief Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (0487-01) 624. 18 Ibid. 19 Idem, brief 17 oktober 1946.

Tegenstrijdige belangen

Hoewel het een zeer klein gebied is, staat het Wederopbouwplan Korte Voorhout vanwege het belang als entree van de stad behoorlijk in de publieke en professionele belangstelling.20 In 1947 worden op de tentoonstelling ‘Den Haag bouwt op’ in het Haagse Gemeentemuseum zes plannen voor het wederopbouwgebied Korte Voorhout getoond van de hand van verschillende Haagse architecten. Deze plannen zijn gemaakt op initiatief van de architectuurafdeling van de Haagse Kunstkring. Uit onderzoek van de kring zijn verschillende inzichten naar voren gekomen die om verdere uitwerking in ontwerpstudies vragen, zoals het Korte Voorhout als vestibule van de stad, de onevenwichtigheid in bebouwing tussen de noord- en zuidwand, de betekenis van de Koninklijke Schouwburg en de verkeersproblematiek. Aan de studie doen veertig architecten mee, maar dat leidt niet tot één plan, zoals oorspronkelijk het idee is, maar tot zes geëxposeerde plannen. Vier plannen hebben het behoud van harmonie met het niet verwoeste gedeelte van de stad als uitgangspunt, omdat in de ogen van de ontwerpers, het gebied te klein is om een totaal andere architectuur te rechtvaardigen. De twee andere plannen stellen de verbetering van de verkeerssituatie centraal, waarvan het plan van de architecten Buys, 16

20 ‘Herbouw van het Haagse Korte Voorhout, zes ­archi­tectonische projecten’, Bouw, 22 februari 1947, p.63-67.

Een andere bemoeienis is die van architect M.A. van Nieuwkerken uit Gorssel die voorstelt het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen aan het Korte Voorhout te situeren. Van Nieuwkerken is door Dr. Kalf, oud-directeur van Monumentenzorg, gevraagd zijn zienswijze aan de minister kenbaar te maken.21 In de brief aan de minister betreurt hij het verlies van de kanongieterij, een ontwerp van de beroemde architect Pieter Post, en bedenkt verschillende scenario’s om toch tot een monumentaal stadsdeel te komen.22 Van Nieuwkerken komt met het idee om de noordelijke rooilijn een stuk terug te leggen en de geplande nieuwbouw van het ministerie op te rekken tot aan het Korte Voorhout.23 In reactie op dit voorstel schrijft Dudok aan de directeur van de Gemeentelijke Dienst voor de Wederopbouw dat hij het in de eerste plaats bezwarend vindt om op elk architectonisch plan commentaar te moeten leveren. Ten tweede ziet hij het Korte Voorhout als een van de toegangen tot de stadskern zonder grote verkeerskundige betekenis. De straat leidt naar de Korte Vijverberg en andere fraaie delen van de stad die een grote verkeersdruk niet kunnen dragen. “Het historisch waardevolle stadsdeel van de binnenstad bestaat uit een aaneenschakeling van ruimten en insnoeringen.

Zo was het Korte Voorhout een voorportaal, dat via de vernauwing bij de Koninklijke Schouwburg verbonden was met het Lange Voorhout. Dit laatste is van de Vijverberg gescheiden door de vernauwing bij het Tournooiveld. De overgang van de Vijverberg naar het Plein wordt weer gevormd door de smalle doorgang naast het Mauritshuis enz. Deze aaneenschakeling, die telkens nieuwe, verrassende stadsgezichten opent en weer afsluit, acht ik van grote waarde. Ik heb er dan ook in het plan Korte Voorhout naar gestreefd om, ondanks verkeers-technische verbeteringen, nochtans deze ruimteontwikkeling te behouden”. Het voorstel van Van Nieuwkerken vindt Dudok in zichzelf volkomen tegenstrijdig. Hij is bang dat het verbreden van het Korte Voorhout het portaalkarakter beschadigd, waardoor de ruimte van Korte en Lange Voorhout spanningsloos in elkaar overgaan.24 Naast de plannen van ‘Den Haag bouwt op’ en Van Nieuwkerken speelt ook Rijksbouwmeester Gijsbert Friefhoff een rol in de wederopbouwplannen. Friedhoff is, naast architect van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen op het terrein van de voormalige kanongieterij, ook verantwoordelijk voor een nieuw te bouwen Paleis van Justitie aan de zuidzijde van het Korte Voorhout.

Hij stelt in juli 1948 een verbreding van het Korte Voorhout voor om het Paleis van Justitie een meer voorname positie te geven.25 Op dat moment is net duidelijk geworden dat de Amerikanen de ambassade aan het Korte Voorhout willen vestigen. In een brief aan B&W overleggen zij een tekening van eigenaren die grond aan de VS willen verkopen. Ook blijkt dat de Amerikanen de medewerking van de gemeente hebben ingeroepen om deze gronden te bemachtigen.26 Gezien de voorgeschiedenis met Zorgvliet wil de gemeente er alles aan doen om de Amerikanen te helpen. Dudok probeert uiteindelijk het plan van de rijksbouwmeester te integreren in zijn eigen plan inclusief behoud van de ruimtewerking van het Korte Voorhout èn een verkeers­ verbetering. Voor het gebouw voor justitie heeft hij contact met Friedhoff om te kijken wat de speelruimte is wat betreft benodigde en beschikbare vierkante meters. Dudok vraagt zich af of de Amerikanen en de Fransen akkoord zullen gaan met het opschuiven van de rooilijn en het beperken van hun bouwgrond.27 17

21 Archief Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (0487-01) 624 (Gorssel, 4 juli 1946). 22 Archief Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (0487-01) 624. 23 Ibid.

24 Ibid.

25 Archief Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (0487-01) 624, brief 8 juli 1948. 26 Idem, brief 21 juni 1948 in een brief aan B&W.

27 Idem, brief van Dudok aan B&W, 30 juli 1948.

Zes plannen voor het Korte Voorhout uit ‘Den Haag Bouwt op’.

H.J. de Haas.

Van Eck, Doncker, Kruisinga, Brouwer-Koolhaas.

F.H. Warnaars. C.M. van der Stad. Buys, Lürsen en Fels.

Van Dorsser, Lansdorp, van Kranendonk, Schutte en Thunnissen.

18

19

Schets (links) en plan (rechts) van rijksbouw­ meester Friedhoff.

De Dienst Stadsontwikkeling & Volkshuisvesting, bij monde van directeur Van der Sluijs, heeft geen bezwaren tegen het wijzigen van het plan voor het Korte Voorhout, hoewel hij dit minder karakteristiek vindt dan het oorspronkelijke. Ook hij vindt de verkleining van het terrein voor de Amerikaanse ambassade een onaanvaardbare consequentie. De VS hebben via Watersloot van der Gracht laten weten dat het terrein te klein wordt.28 De oplossing ligt in een grondruil die Stadsontwikkeling & Volkshuisvesting voorstelt. Een gedeelte van de grond voor de Amerikaanse ambassade aan de zijde van het Korte Voorhout wordt overgedragen aan de gemeente in ruil voor extra vierkante meters aan de kant van het Smidsplein. Hierdoor wordt het mogelijk het Korte Voorhout ter hoogte van de ambassade te verbreden. Voor uitvoering zal medewerking nodig zijn van de Franse ambassadeur want hun terrein op de hoek van het Smidsplein wordt veel kleiner door deze nieuwe opzet.29

Herzien Wederopbouwplan Korte Voorhout.

28 Archief Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (0487-01) 624, 13 augustus 1948 brief directeur Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting aan Ides Watersloot van der Gracht. 29 Idem, 4 december 1948.

Herzien wederopbouwplan Korte Voorhout

Op 2 november 1950 wordt het Wederopbouwplan Korte Voorhout aan B&W aangeboden. De aanpassing van het profiel is toch doorgevoerd, aangezien de Amerikanen akkoord zijn gegaan met de grondruil. De verbreding van het profiel is aangegrepen om in plaats van twee, vier rijen bomen te plaatsen als bijdrage aan het herstel van de ‘voorhout’, dat synoniem staat aan het vormen van een groen voorportaal naar de andere kamers van de binnenstad. Door verschuiving van de rooilijnen is ook het Smidswater in de as van de toegang tot de Nieuwe Uitleg c.a. gebracht, waardoor deze gracht directer bij het stadsbeeld is betrokken. De rooilijn aan de zuidzijde van het Korte Voorhout wordt bepaald door het nieuwe gerechtsgebouw, dat vlak voor de hoek met de Schouwburgstraat naar voren springt om de lelijke zijgevel van de Koninklijke Schouwburg te verbloemen. Dudok handhaaft hiermee de opeenvolging van pleinen door contrast te creëren tussen de twee delen van het plein: het voorplein en de passage. Om de lange zuidwand te compenseren is aan de noordzijde een meer in afzonderlijke eenheden gelede bouwstrook geprojecteerd. “Van de bebouwing tegenover de Koninklijke Schouwburg zij nog vermeld, dat hiervoor een verschillende bouwhoogte aan Lange en Korte Voorhout wordt nagestreefd, waardoor het (hogere) blok aan het Lange Voorhout 20

21

liever eerder opgelost willen zien, omdat ze nu “ten aanzien van een bevriende natie niet een ‘royaal en flink gebaar’ kunnen maken, maar moeten zeggen (...) dat er ‘een kantje’ aan is omdat ze de belangen van een burger moeten meewegen”.33 Daarom wil hij dit punt ook nog even aanhouden om te kijken hoe dat opgelost kan worden.

Kaart met voorgestelde grondruil.

met de Koninklijke Schouwburg als een poort naar Tournooiveld en Lange Voorhout gaat werken”.30 Afgezien van deze bepaling worden binnen het aangepaste Wederopbouw­ plan Korte Voorhout geen speciale voorwaarden voor de Amerikaanse ambassade opgenomen. Directeur van het Gemeentelijk Grondbedrijf J.P. van der Ploeg schrijft aan het college dat: “Gelet op het bijzondere karakter van deze verkoop en op verzoek van de Regional Supervisor F.B.O., de heer Ides van der Gracht, heb ik mij gemachtigd gerekend om, in afwijking van de normale gedragslijn, in dit geval geen verklaring, bebouwingsvoorwaarden enz. te laten tekenen”.31

30 Archief Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling (0509-01). Wederopbouw Plan Korte Voorhout 1951 (1372).

Formeel gezien komt de heer Bakker te laat mijn zijn kritiek, aangezien hij tijdens de procedure van het herziene Wederopbouwplan geen bezwaar heeft ingediend. Sommige leden vinden het fout dat deze kwestie ten tijde van de behandeling van het Wederopbouw­ plan niet aan de orde is geweest, omdat is gebleken dat de heer Bakker toen al interesse had in het stuk grond. Anderen vinden dat Bakker zijn kans heeft verkeken. De heer Van Luttervelt, wethouder van Openbare Werken stelt: “Het plan voorziet in een openbaar gebouw. Dan zou eerst ten koste van een zeer langdurige procedure een herziening van het wederopbouwplan moeten worden uitgelokt. Voor de vaststelling van het plan kon het niet, omdat de Amerikanen zeiden: wij hebben het allemaal nodig. Het is een zeer lang­ durig proces van loven en bieden geweest om op een daarvoor in aanmerking komende plaats in de stad een daarvoor geschikt stuk grond te vinden, dat in alle opzichten voldeed. De Amerikanen hebben gezegd: wij moeten het hebben, het is hoogst noodzakelijk, dat wij het krijgen”.34 Ondanks de verdeeldheid in de raad wordt beslist dat de verkoop door kan gaan. Op 31 augustus 1951 vindt de overdracht plaats.

31 Ibid.

Verkoop van de grond

In september 1950 gaan de Amerikanen akkoord met de prijs voor de grond aan het Korte Voorhout: 480.000 gulden, ongeveer 125.000 Amerikaanse dollars. Een paar maanden later in mei 1951, schrijft ambassadeur Selden Chapin een enigszins geïrriteerd briefje aan B&W wanneer de formele aankoop van Korte Voorhout nu eens kan plaatsvinden, aangezien het gewijzigde Wederopbouwplan Korte Voorhout al een tijdje is goedgekeurd. Als de verkoop in juni 1951 aan de orde komt in de gemeenteraad, plaatst een aantal raadsleden vraagtekens bij de verkoop. Op de eerste plaats hebben die betrekking op het kleine stuk grond van 150 vierkante meter dat de heer Bakker, eigenaar van de woningen aan het Smidswater direct achter het Korte Voorhout, graag wil aankopen om zijn uitzicht te behouden. Het betreft precies de extra vierkante meters die de Amerikanen nodig hebben om de ambassade te kunnen huisvesten. Op de tweede plaats is er discussie over de ambassade ‘an sich’. Raadslid Veldhoen merkt hierover op: “Tevens meen ik, dat op deze plaats, recht tegenover de schouwburg, een groot hotel, vanuit ons standpunt gezien, financieel meer vruchtbaar was geweest.

Een groot hotel, dat vrijwel dag en nacht in exploitatie is, geeft aan een bepaalde wijk nu eenmaal meer vertier dan een ambassadegebouw, dat zijn deuren om 6 uur sluit, maar ter wille van onze relatie met genoemd land wil ik ook daar­omtrent geen verdere bezwaren maken”.32 Raadslid Lem had die 150 vierkante meter 22

32 Ibid.

23

33 Ibid.

34 Ibid.

Bouwprogramma State Department

Rapson en Van der Meulen

Op het moment dat de locatie van de nieuwe Amerikaanse ambassade is bepaald en onder leiding van Larkin ook in andere landen op grote schaal grond en vastgoed wordt gekocht, wordt bij FBO in Washington gewerkt aan plannen om het gigantische bouw­ programma van de grond te krijgen. Verantwoordelijk voor het bouwprogramma van State Department is de architect Leland King. Over de vroeg-naoorlogse ambassades die door de VS worden gebouwd, is hij niet erg enthousiast. De ambassade in Teheran, in 1948 gebouwd naar ontwerp van Watersloot van der Gracht, is ouderwets en mist in zijn ogen waardigheid. Hij gaat op zoek naar een nieuw type gebouw dat beter aansluit op de naoorlogse opgave. Zijn enthousiasme voor modernistische architectuur, die op dat moment in opkomst is in Amerika, en zijn vriendschappen met prominente Amerikaanse architecten besluiten hem meer ontwerpers van buiten State Department in te huren. Niet alleen vanwege hun betere ontwerpvaardigheden, maar ook omdat ze met hun architectuur positieve publiciteit kunnen genereren. Op dat moment vindt geen enkele architect het een uitdaging om voor FBO te werken, hetgeen vooral te danken is aan de reputatie van Larkin.

“Dat was een doodgewone bureaucraat in Washington die van traditionele architectuur hield”.35 De eerste gebouwen die als gevolg van het nieuwe ontwerpbeleid van King worden gerealiseerd zijn de ambassades in Rio de Janeiro en Havanna door Harrison & Abramovitz en Madrid door Garrigues & Middlehurst en Alan Jacobs. Naast modernistische architectuur worden de nieuwe ambassades ook voorzien van modernistisch meubilair. De Amerikaanse meubelproducent Knoll Furniture levert voor onder andere de ambassade in Brussel ranke bureaus en stoelen met stalen buisframes. Tijdens een verkoopgesprek met King hoort directeur Hans Knoll over de bouw van nieuwe ambassades in Scandinavië. Hij tipt zijn studiegenoot, de architect Ralph Rapson, die vervolgens de opdracht krijgt om niet alleen in Stockholm, Oslo en Kopenhagen, maar ook in Den Haag de bouw van de nieuwe ambassade te begeleiden. Rapson (1914-2008) is onder andere opgeleid aan Cranbrook Academy of Art, een van de toonaangevende architectuuropleidingen van de VS. Hier werkt hij samen met Eliel Saarinen en Charles Eames, en maakt kennis met het werk van Ludwig Mies van der Rohe, le Corbusier en Alvar Aalto.

Hij is korte tijd verbonden aan The New Bauhaus, het latere Chicago Institute of Design, en aan het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology (MIT).36 Met zijn kennis van nieuwe bouwtechnieken en de vormentaal van het Modernisme behoort hij tot een nieuwe generatie architecten die vlak na de Tweede Wereldoorlog aan de slag gaat. Als Rapson de opdracht van State Department aanneemt, vraagt hij zijn studiegenoot en oud-partner John van der Meulen met hem mee te gaan naar Europa. In 1949 verhuizen ze naar Den Haag om vanuit het regionale kantoor van FBO aan hun opdracht te werken. 24

Eerste ontwerp voor ­ambassade in Den Haag, Rapson & Van der Meulen, 1951.

35 Interview Bob Gatje, New York, 12 december 2007.

36 Het is aannemelijk dat ­Rapson het werk van Marcel Breuer ook kent en volgens Bob Gatje is het zelfs een leerling van Breuer, maar dit is niet te herleiden uit beider biografiën. Interview Bob Gatje, New York, 12 december 2007.

Ontwerp voor ambassade in Stockholm, Rapson & Van der Meulen, 1951.

25

Consulaat in Frankfurt, Skidmore,Owings and Merrill, 1954.

Het eerste gebouw dat ze ontwerpen, is de nieuwe ambassade in Den Haag. Hun ontwerp bestaat uit een rechthoekig volume van twee verdiepingen, dat is opgetild boven een teruggelegde entree op de begane grond. Opvallend aan het ontwerp is de grote mate van transparantie en het contrast met de omringende gebouwen. De gevels zijn volledig in glas uitgevoerd waardoor binnen en buiten in elkaar overvloeien tot een onbegrensde ruimte. Met het ontwerp sluiten Rapson en Van der Meulen aan bij het modernistisch adagium van licht, lucht en ruimte. Rapson zelf omschrijft het gebouw als ‘non-building’.37 Het blijken niet louter architectonische opvattingen die hiertoe hebben geleid, maar ook de achttiende-eeuwse omgeving. Om niet te concurreren met de historische gevels pogen Rapson en Van der Meulen de gevel zoveel mogelijk op te lossen. Het ontwerp van Rapson en Van der Meulen is niet uitgevoerd, in tegenstelling tot vergelijkbare ontwerpen voor Stockholm en Kopenhagen. De ambassade in Stockholm, bestaande uit een schijfvormig volume op kolommen boven een horizontaal gelede onderbouw, wordt goed ontvangen in de Zweedse en Amerikaanse vakpers.

In een overzicht van projecten van FBO in Architectural Forum in 1953 wordt het beschreven als “one of the handsomest of the new FBO-structures” en in 1955 wordt het zelfs bekroond door The American Institute of Architects (AIA).38 Duidelijk is dat Rapson en Van der Meulen de nieuwe ambassades als gewone kantoorgebouwen zien en niet als monumentale statements. De opmerkelijke openheid van de gebouwen is mogelijk door de vrijheid waarin ze hun werk kunnen doen, los van gede­ tailleerde specificaties of stringente veiligheidseisen. Hun ontwerpen presenteren de VS als een open, dynamisch en modern land. De waardering die FBO hiervoor krijgt, zorgt ervoor dat de Internationale Stijl wordt voortgezet. Larkin is weliswaar geen voorstander van modernistische architectuur, maar als hij in 1952 met pensioen gaat en King zijn positie over neemt, besluit die het omvangrijke bouwprogramma in Duitsland door het jonge Skidmore, Owings & Merrill (SOM) te laten uitvoeren. King heeft kort daarvoor het net opgeleverde, door Gordon Bunshaft van SOM ontworpen Lever House in New York bezocht. Dit nieuwe symbool van ‘corporate America’ wordt door de vakwereld meteen bejubeld als modern monument. Met het inhuren van SOM hoopt King ook FBO in het architectonische middelpunt te zetten.

Bovendien ziet hij de architectuur van SOM als een ‘passend gebaar van goodwill’ naar Duitsland omdat het idioom van het Bauhaus hierin reflecteert.39 Het bouwprogramma in Duitsland omvat zeven consulaten, zeven woonhuizen, zes informatiecentra en negentien appartementengebouwen.40 Voor het uitvoeren van deze omvangrijke klus zet SOM een kantoor op in Bonn. In Bremen, Düsseldorf, Frankfurt, Stuttgart en München verschijnen consulaten van één familie, bestaande uit rechthoekige kantoorvolumes op kolommen boven het maaiveld of een onderbouw en geheel omsloten door glazen vliesgevels. De consulaten worden ingericht met modern meubilair, zoals de Barcelona-stoel van Mies van der Rohe, en voorzien van beeldende kunst die aansluit bij het moderne karakter en de diplomatieke doelstellingen. In de jaren vijftig ontstaat discussie in het Amerikaanse Congres over het ‘ideologisch offensief’ als onderdeel van het Amerikaanse buitenlandse beleid. Door State Department wordt gewezen op het belang van het exporteren van voorbeelden van Amerikaanse kunst en cultuur als tegenwicht tegen de grootschalige propaganda van communistische cultuur door de Sovjetunie.41

37 Ralph Rapson, geciteerd in: Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.74.

38 Loeffler, The Architecture of Diplomacy, p.77.

39 Idem, p.88. 40 Daarnaast worden tussen 1946 en 1950 ook nog 153 America Houses gerealiseerd: informatiecentra waar de VS laten zien wat een democratische natie op het gebied van economie, wetenschap, religie kan bereiken zonder repressie van persoonlijke vrijheid. Officieel geen propaganda maar duidelijk bedoeld om tegenwicht te beiden tegen het opkomend communisme. Zie: Loefller, The Architecture of Diplomacy, p.99. 41 Larson, p.73.

26

Modernisme onder vuur

Over de oorzaak waarom het ontwerp van Rapson en Van der Meulen niet wordt gerealiseerd, tast Den Haag in 1951 volledig in het duister. Na de moeizame locatiekeuze en de grondaankopen, en het geharrewar over het Wederopbouwplan Korte Voorhout denkt de gemeente Den Haag eindelijk verder te kunnen gaan met de ontwikkeling van de locatie. De planvorming verloopt kennelijk niet naar wens van het college van B&W, want al op 6 november 1950 schrijft ze aan de hoofddirecteur van de Dienst voor Wederopbouw en Stadsontwikkeling: “Wat de verwezenlijking van het wederopbouwplan betreft vestigen wij er, wellicht ten overvloede, Uw aandacht op, dat tijdig contact zal dienen te worden opgenomen met de desbetreffende instanties, teneinde te voorkomen, dat de gebouwen van de Amerikaanse en van de Franse Ambassade worden opgetrokken in bouwstijlen, welke elkaar niet verdragen en (of) niet harmoniëren met de overige bebouwing. Gaarne zullen wij van de gang van zaken dienaangaande op de hoogte worden gehouden”.42 In een geheime brief van 14 november 1950 probeert F. Bakker Schut, directeur van de betreffende dienst, B&W enigszins gerust te stellen en meldt dat Dudok vanwege de esthetische supervisie over de bouw al contact heeft gehad met Watersloot van der Gracht. Deze blijkt echter niet gemachtigd te zijn hier verder beslissingen over te nemen.

Het project is in handen van zijn meerderen in Washington. In het koopcontract van de grond worden geen verdere bepalingen gesteld ten aanzien van de bouw. De grond is vanaf 1 september 1951 beschikbaar en de verwachtingen zijn dat omstreeks juni 1952 met de bouw gestart zal gaan worden. Op 16 april 1953 richt F. Bakker Schut zich schriftelijk tot Watersloot van der Gracht, inmiddels supervisor van FBO in Stockholm, met de vraag wanneer de bouw gaat beginnen. Dat er niet direct gebouwd zou gaan worden, dat is hem wel duidelijk geworden, drie jaar na de verkoop van de grond. Bakker Schut is ook op de hoogte van bezuinigingsmaatregelen, maar vraagt zich af of dat nog steeds de reden is. Zonder enige empathie voor Den Haag dat nog steeds met een onbebouwd stuk grond in hun stadshart zit, reageert Watersloot van der Gracht: “Our buildings in Stockholm and Copenhagen are progressing rapidely and we greatly enjoy life in Scandinavia”. Wat betreft Den Haag zijn de budgetten nog steeds bevroren. De stad zal verder moeten afwachten, maar de verwachtingen “are hopefull of a good outcome”.43 Watersloot van der Gracht rept met geen woord over de ontwikkelingen in Washington. Ondanks dat het vooruitstrevende opdrachtgeverschap in de architectuurwereld wordt gewaardeerd, komt het het bouwbeleid van State Department begin jaren vijftig onder druk te staan.

Dit is het gevolg van het veranderde politieke klimaat in de VS. Het land wordt op dat moment beheerst door de heksenjacht op communisten onder leiding van senator Joseph McCarthy. De Republikeinen winnen de verkiezingen in november 1952 en het ­State Department komt vervolgens onder leiding van minister J.F. Dulles. Ook Dulles is bezeten van de bestrijding van het communisme en onderwerpt zijn ministerie aan een grondig intern onderzoek. De werkwijze van het tot dan toe autonome FBO komt onder vuur te liggen. Er worden vraagtekens gezet bij het gebruik van buitenlandse kredieten, de handel en wandel van het personeel, de besteding van budgetten en bij de architectonische uitstraling van de overzeese gebouwen. Nieuwe medewerkers van FBO houden de recent gebouwde ambassades tegen het licht en komen tot de conclusie dat voor de Internationale Stijl teveel concessies zijn gedaan aan Amerikaanse belangen. De Internationale Stijl wordt te transparant en te liberaal gevonden en doet daarmee geen 27

42 Archief Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling (0509-01) Wederopbouw Plan Korte Voorhout 1951 (1372), no. 257454 II.

43 Archief Dienst Wederopbouw en Stadsontwikkeling (0509-01, brief 15 mei 1953.

recht aan de Amerikaanse waarden. Het is een tijd waarin alles wat anti-Amerikaans lijkt als een gevaar wordt gezien. In 1953 verklaart een hoge ambtenaar van State Department dat de modernistische architectuur niet langer wordt voortgezet en dat overzeese gebouwen in Georgian Style ontworpen dienen te worden. In zijn reactie verdedigt King zijn beleid met verve. Het aanpassen van bestaande projecten zou tot vertrek van architecten leiden. Ook benadrukt hij dat de contemporaine stijl – zoals King het wereldwijde modernisme tactisch omschrijft – ook is gekozen om technologische en technische redenen. Bovendien is er volgens King geen enkel traditioneel gebouw dat in voorafgaande jaren een prijs heeft ontvangen. Ondanks het sterke betoog van King lijkt een koerswijziging onafwendbaar. King valt ten prooi aan het McCarthyisme en moet in september 1953 het veld ruimen. Een tijdelijk hoofd wordt benoemd om FBO te reorganiseren en een gedegen architectuurbeleid op te zetten.

tot een van de leiders in de ontwikkeling van moderne Amerikaanse architectuur. In 1951 wordt hij decaan van de School of Architecture and Planning van MIT, zet zijn bureau in Portland voort onder de vleugels van SOM en publiceert in tijdschriften en catalogi over moderne architectuur in de VS. In januari 1954 roept minister Dulles de Architectural Advisory Committee (AAC) officieel bijeen. De commissie zou zich als onafhankelijk adviesorgaan gaan bezighouden met het formuleren van een architectuurbeleid voor buitenlandse gebouwen. Het creëren van goodwill krijgt een belangrijke plaats in het nieuwe beleid. Tijdens de eerste vergadering zegt Belluschi toe het ‘mission statement’ van de commissie op basis van Kenworthy’s uitgangspunten verder uit te werken. Twee dagen na de bijeenkomst stuurt hij Kenworthy een brief waarin hij zijn gedachten als volgt verwoord: “To the sensitive and imaginative designer, the FBO commission will be an invitation to give serious study to local conditions of climate and site, to understand and sympathize with local customs and people, and to grasp the historical meaning of the particular environment in which the new building must be set.

He will do so with a free mind without being dictated by obsolete or sterile formulae or clichés, be they old or new; he will avoid being either bizarre of fashionable, yet he will not fear using new techniques or new materials should these constitute real advances in architectural thinking”.46

Ook het congres, waarvan een aantal leden in september 1953 op werkbezoek naar Europa gaat om de resultaten van FBO te bekijken, komt met kritiek. De Internationale Stijl wordt als te gedetailleerd en te ingewikkeld bestempeld en daarmee ongeschikt om Amerika in het buitenland te representeren. De veelal conservatieve diplomatieke staf doet bovendien zijn beklag over de modernistische meubels in de gebouwen die als niet uitnodigend en oncomfortabel worden ervaren. Maar de belangrijkste conclusie van de delegatie is dat de gebouwen te weinig rekening houden met de lokale omstandigheden van het gastland, waardoor de diplomatieke betrekkingen gevaar lopen.

Belluschi’s tekst zou onterecht door het leven gaan als de start van het bouwprogramma van FBO en het gebruik van moderne architectuur. Wel wordt vanaf dat moment voorgeschreven dat het ontwerp voor nieuwe ambassades rekening dient te houden met lokale historische, culturele en klimatologische condities, zij het zonder een onderscheidend Amerikaans karakter uit het oog te verliezen. Om dit te bereiken stelt de commissie een overzicht samen van architecten die zij in staat achten om ambassades te ontwerpen volgens het nieuwe beleid. Marcel Breuer is een van de architecten die met vakgenoten als Walter Gropius, Louis Kahn, Morris Ketchum, Richard Neutra, José Luis Sert en Edward Durell Stone op de lijst staat. Stuk voor stuk zijn het grote namen die tot de kern behoren van de gevestigde moderne architectuur in de Verenigde Staten in het midden van de vorige eeuw. Gropius, Neutra, Stone en Breuer worden in 1956 door Time Magazine met grootheden als Le Corbusier, Mies van der Rohe en Saarinen tot de ‘form givers’ van de twintigste eeuw bestempeld; een generatie architecten die aan de oorsprong staat van een nieuwe vormentaal en een bijdrage heeft geleverd aan de publieke erkenning en acceptatie daarvan.47 Met de keuze voor ‘form givers’ zou de bouw van ambassades een showcase blijven van het vooruitstrevende architectuurklimaat van de VS.

Architectural Advisory Committee

Het risico op diplomatieke schade is een duidelijk signaal voor Nelson Kenworthy, die het interne onderzoek bij FBO leidt. Om herhaling van zetten te voorkomen, adviseert hij het congres om het architectuurbeleid te reviseren en het aspect van goodwill hierin te benadrukken. Daarnaast stelt hij voor een panel te formeren met vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen die over de inpassing zou adviseren. Een adviesraad van Amerikaanse architecten zou een nieuw architectuurbeleid formuleren en een panel van vooraanstaande interieurarchitecten zou zich buigen over een passende inrichting. Tenslotte adviseert Kenworthy een handleiding voor beleid en standaardprocedures op te zetten en te handhaven. Ten aanzien van architectuur is hij open. De vraag of een gebouw modern of traditioneel is, vindt hij niet belangrijk, maar wel of het een goed ontwerp is of niet. “We are neither committed to glass fish bowls, nor to Georgian tradition”.44 Het advies van Kenworthy valt zo in de smaak bij State Department dat hij wordt benoemd tot het nieuwe hoofd van FBO. De vorming van een adviesraad neemt hij meteen ter hand en hiervoor laat hij zich adviseren door de AIA. Die schuift Ralph Walker, oud-president van de AIA en opgeleid aan MIT, naar voren als geschikte architect om het panel samen te stellen.

Walker vraagt op zijn beurt de architecten Henry Shepley, die hij kent als zijn mentor bij de Boston Architectural Club45 , en Pietro Belluschi samen met hem de adviesraad te formeren. Hoewel ze alledrie belangrijke posities in professionele organisaties en aan architectuuropleidingen innemen, is Belluschi (1899-1994) de meest vooruitstrevende. Opgeleid aan de universiteit van Rome en het prestigieuze Cornell in Ithaca (NY) ontwikkelt hij zich 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14589323/1