RIS317835 Bijlage 1 Nota Haagse richtinggevende normen MV en groen 2024
Tekst van het document
< INHOUD
32
3.2.1 Van richtinggevende normen naar bevolkingsprognoses Uit bevolkingsprognoses blijkt gaandeweg welke bevolking er in het gebied komt wonen. Het benodigde voorzieningenniveau en de investeringen daarin wordt hierop aangepast. Bijvoorbeeld: komen we er minder huishoudens met kinderen wonen, dan zijn er minder speelplekken nodig. Bij de bekostiging van onderwijs is deze werkwijze met Integrale Huisvestingsplannen wettelijk voorgeschreven. Ook bij andere voorzieningen is de stap van richtinggevende normen per woning naar actuele en accurate bevolkingsprognose (zover mogelijk vanuit gebiedsgrenzen en schaalniveau) een noodzakelijke tussenstap naar concreet te realiseren voorzieningenprogramma.
3.2.2 Benutting bestaande voorzieningen Veel voorzieningen in de stad worden niet ten volle benut. Het is efficiënt om bestaande capaciteiten te benutten, voordat voorzieningen worden toegevoegd. Zo kunnen scholen meer leerlingen krijgen, omdat er lokalen leeg staan of onderbenut worden. Ook kunnen sportverenigingen meer leden gebruiken binnen de bestaande lessen of worden sporthallen op veel tijdstippen nog niet gebruikt.
3.2.3 Gecombineerd, gedeeld en slim ruimtegebruik In het Ambitiedocument Omgevingsvisie Den Haag 2050 (RIS310283, 2021) is slim en gecombineerd ruimtegebruik benoemd als leidend ruimtelijk principe voor een duur zame stedelijke ontwikkeling. Het combineren van functies is nodig in een verdichtende stad. Door slimme (innovatieve) combinaties van stedelijke functies in tijd, functionaliteit en ruimte kan veel ruimte worden gewonnen en beter benut. Dit vraagt een andere denkwijze op zaken als financiering, ontwerp, ontwikkeling, exploitatie en beheer. Maatwerk, fasering en duidelijke afspraken zijn nodig om voldoende ruimte te reserveren voor maatschappelijke voorzieningen en groen op de daarvoor meest gunstige locaties. Om kostenefficiënt te werken in het gebiedsontwikkelingsproces worden de voor zieningen soms direct mee ontwikkeld met woningen. Daarbij is het van belang om oog te houden voor de risico’s als gevolg van afhankelijkheden tussen de betrokken partijen. Gecombineerde ontwikkelingen zullen altijd vergezeld moeten gaan van een business case met aandacht voor de risico’s ten behoeve van besluitvorming. Zowel het ontwerp, de financiering als het beheer is complex, het vergroot de onderlinge afhankelijkheid en de flexibiliteit kan hierdoor afnemen. Bovendien leent niet elke voorziening zich even goed voor de combinatie met andere functies.
3.2.4 Inzet van voorzieningen per gebied, deelgebieden en omliggende wijken De komende jaren worden in Den Haag voornamelijk in binnenstedelijke gebieden veel woningen bijgebouwd9. Daardoor neemt de vraag naar voorzieningen in hoog tempo toe op deze locaties, terwijl er weinig ruimte beschikbaar is om deze te huisvesten. Door innovatievecombinaties kan er weliswaar efficiënt worden omgegaan met de beperkt beschikbare ruimte, maar dit is niet altijd voldoende.
9
< INHOUD
Begin 2024 is Vroondaal de laatste uitleglocatie binnen Den Haag. Deze is vrijwel voltooid
33
Zeker voor ruimtevragende voorzieningen als sportvelden zal de ontstane behoefte niet allemaal in de gebieden zelf opgelost kunnen worden. Beschikbare ruimte in omliggende wijken kan dan de oplossing bieden. Hierbij dient gewaakt te worden voor het opknippen van ontwikkelingen in kleinere deelgebieden die vervolgens naar elkaar verwijzen voor de voorzieningen. Een integrale visie op de ontwikkeling van een groter gebied, zoals Zuidwest, voorkomt dit “waterbed” effect. Concrete afspraken over compensatie elders moeten worden verankerd in het gemeentelijkeinstrumentarium bij gebiedsontwikkelingsprocessen (zowel publiek rechtelijk als privaatrechtelijk). Voorzieningenprogramma’s voor een gebied, gaan daarom niet alleen over de voorzieningen die in het gebied gaan landen, maar ook over de voorzieningen die ten behoeven van het gebied elders worden gecompenseerd. Wel willen we nog borgen dat die realisatie elders ook gebeurt. Daarvoor wordt de stadsbrede regie op voorzieningen versterkt, zowel in het planologische spoor (Omgevingsvisie), in de meerjarige investeringsprogramma’s (MIP) en IHP’s, en via stadsbrede monitoring (zie paragraaf 4.6)
3.2.5 Benutting tijdelijkheid Bij ontwikkelgebieden worden keuzes gemaakt om al dan niet tijdelijke voorzieningen te realiseren. Het is niet realistisch om bij een eerste ontwikkeling gelijk bijvoorbeeld een buurthuis te realiseren waar conform de referentienorm meer dan 5.000 bewoners nodig zijn. Daarom kan de inzet zijn om bijvoorbeeld eerst een tijdelijk buurthuis te realiseren. Of een buurthuis te openen in een basisschool die in beginperiode nog niet volledig wordt benut. Ook zullen in ontwikkelgebieden niet alle voorzieningen vanaf he begin op elk gewenst tijdstip beschikbaar zijn.
3.2.6 Participatie en samenwerking Voorafgaand aan de vaststelling van gebiedsvisies vindt participatie plaats. Hieruit kan de behoefte naar voren komen van voorzieningen, vanuit de lokale omstandigheden. Lokale omstandigheden hangen vaak samen met kansen vanuit specifieke samen werkingen en beschikbare ruimte. Bijvoorbeeld een ontwikkelaar of woningcorporatie heeft tijdelijk ruimte beschikbaar, waarmee een stadsmakersinitiatief ontstaat voor een specifieke voorziening. Een leegstaande ruimte wordt bijvoorbeeld benut voor workshops, studieruimte en co-working dat vervolgens een permanent karakter krijgt.
3.3
Nut en noodzaak, bestuurlijke keuzes De grote verstedelijkingsopgave leidt tot de vraag of alle ambities wel een plek gaan vinden in verschillende gebieden. Er moet goed nagedacht worden over wat allemaal wel en niet mogelijk is op de ontwikkellocaties. Het inpassen van alle opgaven vergt verbeelding, inzet, creativiteit en innovatiekracht, zowel in de boven- als de ondergrond. Door innovatief te bouwen, functiemenging en compensatie elders wordt de groeiende ruimtevraag zo goed mogelijk opgelost.
< INHOUD
34
Wanneer niet alles past of niet te bekostigen valt, zal een bestuurlijke keuze gevraagd worden over welke voorzieningen waar te realiseren, en welke voorzieningen niet. Bijstelling van de woningbouwproductie is dan ook een scenario, maar ook een suboptimaleoplossing. “Vervolgens is het zaak prioriteiten te kiezen die logisch passen bij het gebied en de opgave. Excelleer daarin en doe de tienkamp! En dan mag er ook een minder onderdeel met een ‘vijfje’ tussen zitten.10” In de omgevingsvisie die nu wordt opgesteld wordt per gebied aangegeven welke opgaven daar centraal staan. Dit is mede tot stand gekomen door participatie door middel van de ‘Haagse Mixer’. Dit is een mengpaneel waarin inwoners 10 punten mogen verdelen tussen ambities.
Figuur 8 De Haagse Mixer
“Het inpassen van maatschappelijke voorzieningen is in een hoogstedelijke context complexer dan in een uitbreidingslocatie. Dit maakt dat de gemeente op voorhand na moet denken en communiceren over de beoogde voorzieningen. -Bureau Stedelijke Planning, 2020 Bij die afweging is het de kunst om over de project- of gebiedsgrenzen heen te kijken en de bijdrage van voorzieningen aan de leefbaarheid van een gebied of de stad als geheel mee te wegen. Fysieke en sociale waarden beïnvloeden daarmee beiden de waarde van de stad, maar niet allebei even direct. In het kader van de omgevingsvisie Den Haag zal de leefbaar heid van de stad een nadrukkelijke rol spelen, waarbij niet alleen het voorzieningenniveau maar ook ruimtelijke kwaliteit en brede welvaart inzichtelijk worden gemaakt.
10 Duurzame gebiedsontwikkeling: doe de tienkamp! TU Delft praktijkleerstoel gebiedsontwikkeling, 2011.
< INHOUD
35
4
Van richtinggevende normen naar realisatie: verdere uitwerking, financiering en ontwikkelstrategie De richtinggevende normen zijn een goed hulpinstrument om de voorzieningenbehoefte in ontwikkelgebieden ruimtelijk uit te drukken. Daarmee is de realisatie van deze voorzieningen nog niet gegarandeerd. Een succesvolle vertaling naar de praktijk bepaalt uiteindelijk de meerwaarde voor Den Haag. Hiervoor worden de richtinggevende normen uitgewerkt naar: • Voorzieningenprogramma’s en openbare ruimte plannen voor ontwikkelgebieden. Hierin wordt voor een langere periode uitgewerkt hoeveel ruimte er precies nodig is; • Integrale huisvestingsplannen (IHP’s) voor alle soorten maatschappelijke voorzieningen. Hiermee wordt in de hele stad gestuurd op het gewenste aantal voorzieningen. De IHP’s worden tweejaarlijks bijgesteld.
Figuur 9 Toepassing richtinggevende normen in IHP's en voorzieningenprogramma's
< INHOUD
36
4.1
Voorzieningenprogramma’s en openbare ruimte plannen: maatwerk per gebied Voor het bepalen van de concrete opgave per gebied zal zoals in vorige hoofdstuk beschreven maatwerk nodig blijven. De behoefte aan voorzieningen is sterk afhankelijk van het type inwoners in een wijk. In ontwikkelgebieden wordt dat pas in de loop van de gebiedsontwikkeling duidelijk, naarmate woningen gereed komen. De richtinggevende normen geven dit slechts grofmazig aan. Per voorziening spelen andere aspecten een rol, bijvoorbeeld de leeftijd van de inwoners, aanwezigheid van kinderen, het inkomensniveau of het opleidingsniveau. Ook is niet altijd vooraf bekend wat de samenstelling van de bevolking is in een nieuw te ontwikkelenwijk en zijn veranderingen in de tijd mogelijk. Daarom spreken we af om voor ontwikkelgebieden een voorzieningenprogramma op te stellen waarin op basis van de richtinggevende normen wordt aangegeven welke voorzieningen op welke plek – in eerste instantie als ruimtereservering – zullen worden toegevoegd. Dit is het resultaat van een uitgebreide analyse van het gebied, de demografieen de reeds aanwezige voorzieningen. Ook wordt een openbare ruimte plan opgesteld voor sport, spelen en groenvoorzieningen en kunst in de openbare ruimte.
Hierin worden ook relaties gelegd met stedelijke netwerken voor sport en recreatie, en het ecologisch netwerk ofwel de aansluiting op de stedelijke groene hoofdstructuur. Om te zorgen dat maatwerk niet leidt tot willekeur, is hier aangegeven op welke aspecten maatwerk mogelijk is bij het opstellen van voorzieningenprogramma’s:
Aspect
Voorbeeld groen en spelen
Voorbeeld gebouwde voorziening
Doel: Zijn er andere manieren om achterliggend doel van een voorziening te bereiken?
Gebruik van toegankelijk privaat groen op daken/daktuinen Inzet op veel bomen (daarmee meer oppervlakte aan boomkroongroen dan oppervlakte groen)
In plaats van buurthuis een studentensociëteit, want er wonen veel studenten
Bevolkingssamenstelling en omvang: Uit bevolkingsprognose of te verwachte huishoudensdichtheid blijkt een andere samenstelling met daaruit andere behoefte of minder inwoners
Minder speelvoorzieningen vanwege minder kinderen
Minder behoefte basisscholen in verband met studentenwoningen
Benutting van bestaande voorzieningen
Benutting speelvoorzieningen, die nauwelijks gebruikt wordt
Sportvelden worden een groot deel van de tijd niet gebruikt. Betere benutting van buiten sportvelden kan door piekmoment van de jeugdcompetitie op zaterdag te beperken door afspraken met sportbonden te maken (al dan niet met budget voor personeel om gebrek vrijwilligers)
< INHOUD
37
Aspect
Voorbeeld groen en spelen
Voorbeeld gebouwde voorziening
Gecombineerd, gedeeld en slim ruimtegebruik (dubbelgebruik of delen door gebruik op een ander moment)
Deel van speelvoorzieningen kan gerealiseerd worden in het groen Zo hebben kinderen plek om te spelen en worden ouders uitgenodigd om ook naar het groen te komen
Brede buurtschool realiseren in plaats van vergroten buurthuis Een sportzaal overdag voor de school, ’s avonds verhuren Verschillende functies in één gebouw stapelen: optimale ruimtebesparing, flexibiliteit en samenwerking, mogelijk eigen of aparte entrees en gedeeld parkeren
Samenhang met omliggende wijken: Benutting goed bereikbare mogelijkheden voorzieningen buiten gebiedsgrenzen
Aansluiting sportief/recreatief netwerk om hardlopen en fietsen; Aansluiting op stedelijke groene hoofdstructuur (max 750 meter) Parken binnen bereik (max 300 meter)
Basisschool bereikbaar om de hoek in een andere wijk met nog overcapaciteit Het uitbreiden of intensiveren van een bestaande voorziening om de hoek, die vanuit duurzaamheid toch flink verbouwd moet worden
Benutting tijdelijkheid: Voorzieningen na elkaar in de tijd/al dan niet met een tijdelijke voorziening
Een tijdelijke pop-up park
Tijdelijke blaashal in afwachting permanente sporthal
Kansen benutten vanuit samenwerking
een Burgerinitiatief waarbij een binnentuin opengesteld wordt voor derden
Groter gezondheidscentrum met aandacht voor preventie
Kansen benutten vanuit beschikbare ruimte of gecombineerd ruimtegebruik
Toevoegen van meer groen en bomen vanuit een private ontwikkeling
Meer kleedkamers en opslagruimte en uitgebreidere kantine door dans, vechtsport of urbansportschool te realiseren in gymzaal van school
Verhouding kosten-baten
Een ingreep in de openbare ruimte brengt zodanige kosten met zich mee dat die niet opwegen tegen de maatschappelijke baten van de gemeente ook in relatie tot totale beschikbaarheid en bereikbaarheid aan groen
De kosten van realisatie wegen niet op tegen de baten; ook in relatie tot het aanbod en bereikbaarheid van andere voorzieningen
Tabel 2 Aspecten waarbij maatwerk mogelijk is bij het opstellen van voorzieningenprogramma’s
Door deze aspecten te betrekken bij een voorzieningenprogramma komt de gemeente tot een afgewogen besluit over ruimtegebruik en investeringen. Hierbij worden er geen ruimte of middelen ondoelmatig verspild. Op deze wijze komen we van een algemene norm (een ruime jas) tot een passend voorzieningenaanbod (passende jas). Door de keuzes in het proces te beargumenteren is de gemeente transparant. Het besparen van vierkante meters willen we niet ten koste laten gaan van de beleving van de eindgebruiker. Kwaliteit staat voorop. Daarom pakken we functiemenging integraal aan, waarbij naast de fysieke argumenten dat het ruimte bespaart, ook wordt nagedacht over de “zachte” impact van de combinatie. Ontwerpen vanuit de gedachte wat bewoners nodig hebben om prettig te leven, werken en recreëren en de voor zieningenstructuur daarop laten aansluiten. Het creëren van maatschappelijke meerwaarde blijft daarmee het uitgangspunt.
< INHOUD
38
4.2
Integrale Huisvestingsplannen De richtinggevende normen vormen een leidraad om zicht te houden op het voorzieningenniveau bij ontwikkelgebieden. Dit neemt echter niet in beschouwing in hoeverre de huidige voorzieningen voldoen aan de beleidsdoelstellingen. Een belang rijke vervolgactie is een analyse van de huidige voorzieningen en het ontwikkelen van een afwegingskader om bestaande voorzieningen te toetsen, op basis van zaken als functionaliteit, duurzaamheid, financiën en bezettingsgraad. De parameters worden per sector opgesteld. Hierin komen niet alleen de ambities voor ontwikkelgebied, maar ook de opgave in de bestaande stad in beeld. Dit vormt de basis voor het ontwikkelen van integrale huisvestingsplannen (IHP’s) per domein. De investeringsplanning wordt tweejaarlijks op basis van de bevolkings prognose en beschikbare middelen bijgesteld. Door dit voor elk domein in kaart te brengen en actueel te houden, ontstaat een overzicht van de gehele maatschappelijke vastgoedportefeuille en de ambities voor de komende jaren. Daarmee geeft het inzicht in de omvang en samenhang van de totale huisvestingsopgave van Den Haag en de investeringen die daarmee gepaard gaan. Er zijn al IHP’s voor onderwijs, cultuur & bibliotheken en sport. Momenteel wordt gewerkt aan een IHP zorg en welzijn.
Voor groen in de openbare ruimte onderzoekt het college of het wenselijk is om een integraal investeringsplan11 groen op te stellen.
4.3
Gebiedsgerichte aanpak en stadsbrede planning van voorzieningen De realisatie van voorzieningen in de ontwikkelgebieden en de integrale huisvestings plannen worden op elkaar afgestemd. Zo ontstaat synergie tussen de gebiedsgerichte aanpak en de ambitie om voorzieningen in de hele stad op peil te houden.
Figuur 10 Synergie tussen de gebiedsgerichte aanpak en stadsbrede planning van voorzieningen
11 Investeringsplan in plaats van huisvestingsplan, omdat groen niet in gebouwen gehuisvest wordt
< INHOUD
39
4.4
Regie op voorzieningen: realisatie- en ontwikkelstrategie per gebied De voorzieningenprogramma’s en Integrale Huisvestingsplannen brengen het “waar” en “hoeveel”, in beeld. Dit wordt uitgewerkt in een “ontwikkelings- of realisatie strategie”, die gaat over het “hoe”. Daarbij zet de gemeente verschillende instrumenten in, zoals planologische besluiten, eigen grondposities/actief grondbeleid, financiële middelen, en afspraken met ontwikkelende partijen. In een gebiedsexploitatie kunnen kosten en baten van de totale ontwikkeling (inclusief de maatschappelijke voorzieningen) inzichtelijk gemaakt worden.
4.4.1 Regierol per type voorziening Qua regierol kan daarbij onderscheid gemaakt worden in een aantal typen voorzieningen. Hieronder wordt per type beschreven hoe deze rol in zijn werk gaat. In het overzicht komen per voorzieningen verschillende realisatiestrategieën voor. Wellicht kan geconcludeerd worden dat er nog te veel sectoraal gewerkt wordt, terwijl integraal werken meer oplevert voor hetzelfde geld. De uitdagingen van grootstedelijke ontwikkelingen op het gebied van maatschappelijke voorzieningen zullen niet alleen door de markt of de lokale overheid opgelost kunnen worden. Hierin is het zoeken naar de juiste balans: wat pakt de markt op, en waar ligt een rol voor de overheid? Regierol
Type voorzieningen
Ruimtelijke strategie
Afweging en financiën
Voorzieningen, die gemeente in (juridisch) eigendom neemt
basisonderwijs (inclusief kinderopvang), speciaal onderwijs, middelbaar onderwijs, Centrum voor Jeugd en Gezin, wijkcentra met Servicepunt XL, cultuurankers, bibliotheken, sporthallen, zwembaden, podia, grootste gedeelte van broedplaatsen, ateliers en ca de helft van musea en ook een deel maatschappelijke opvang
Reserveringen van voorzieningen op gemeentegrond of te verwerven locatie (actief grondbeleid) en bundeling in voorzieningenclusters
Nut & Noodzaak voorzieningen op basis van IHP’s en financiële afweging beschikbare middelen (MIP)
Overleg met onderwijsinstellingen over locaties met gecombineerd ruimtegebruik
Uit te werken systematiek voor onderhoud, beheer en exploitatie (personeel)
Eerstelijns Zorgvoorzieningen en wijkgerichte tweedelijnszorg
In het IHP Zorg & Welzijn onderzoek naar publiek- en privaatrechtelijk instrumentarium
Door de markt/zorgaanbieder
Commerciële zorgvoorzieningen
Inzet op eventuele tijdelijke locaties
Inzet clustering in gezondheids centra reserveringen in bestemmingsplan/ omgevingsplan met gemengde en specifieke eerstelijnszorgbestemmingen samenbrengen van ontwikkelaars met (vertegenwoordiging van) huisartsen en andere zorg professionals in de eerste lijn
< INHOUD
40
Gros voorzieningen is aangelegenheid opvolgende colleges/raden, inzet op oplopende kapitaalreeks van beschikbare middelen (MIP)
verantwoordelijke waarborging: G4/VNG-inzet richting Nederlandse Zorg Autoriteit over vastgoedtariefstelling van verzekeraars, juiste indexatie en differentiatie naar gebieden en het financieel instrumentarium voor startende praktijken Eventuele afspraken over betaalbaarheid in anterieure overeenkomsten
Regierol
Type voorzieningen
Ruimtelijke strategie
Afweging en financiën
Georganiseerde buitensport
Zorgvoorzieningen en wijkgerichte tweedelijnszorg
Beslisboom Sport (zie paragraaf 2.4) Inzet Vlietzone voor CID en Binckhorst
Nut & Noodzaak voorzieningen op basis van IHP’s en financiële afweging beschikbare middelen
Hierbij sterke afhankelijkheid van regels van landelijke sportbonden en beschikbaarheid van vrijwilligers, die zorgen voor sterke piekmomenten op de zaterdag vanuit regionale competitie programmering en vaste maatvoeringen van sportvelden Voorzieningen in de openbare ruimte
Sportvelden en -banen
Gros velden aangelegenheid opvolgende colleges/ raden, inzet op oplopende kapitaalreeks van beschikbare middelen Kostenverhaal/begroting/Rijksmiddelen voor slimme oplossingen met gecombineerd ruimtegebruik Uit te werken systematiek voor onderhoud, beheer en exploitatie (personeel)
Ruimtereserveringen in gebiedsontwikkeling
Kostenverhaal, Rijksmiddelen en middelen in begroting stedelijke ontwikkeling
Aparte projecten voor grote groenparken, speelveldjes, bomen aanpak bestaand groen en sportieve/ecologische netwerken binnen en buiten ontwikkel gebieden
Onderzoek naar aanvullende financieringsmogelijkheden, voor kosten die niet op de ontwikkelaar verhaald kunnen worden Onderzoek naar nader uit te werken systematiek ook voor toenemende kosten voor beheer, onderhoud
Uit te werken beleid om voldoende sporttoestellen, speeltuinen en groen in toegankelijke binnentuinen van private eigenaren te waarborgen Specials en overige commerciële maatschappelijke voorzieningen
Speeltuinen, sportveldjes, sporttoestellen en groen
Ruimtereserveringen
Middelen in IHP’s
Diverse sturingsmiddelen
Subsidies voor verenigingen en instellingen, begrotingsbudget voor stadsmaken/placemaking al dan niet uit kostenverhaal
Stadsmaken/placemaking vastgestelde Plintenstrategie (RIS312977) Tabel 3 Regierol per type voorziening
< INHOUD
41
Instrumentarium plintenstrategie
4.4.2 Actief grondbeleid Tegelijkertijd zal de gemeente, zoals het bovenstaande overzicht laat zien, voor heel veel functies ook zelf ontwikkelen op eigen grond. En zal waar nodig (en mogelijk) vastgoed of grond aankopen (actief grondbeleid). Daarbij gaat het vooral om grotere voorzieningen als georganiseerde buitensport, sporthallen, VO-scholen of een bibliotheek. Daar waar de gemeente de maatschappelijke voorzieningen op deze wijze moet ontwikkelen, zal gezocht worden naar het bundelen van functies in voorzieningenclusters.
4.4.3 Juridische instrumenten (Omgevingswet) Met de invoering van de Omgevingswet verandert de juridische context van stedelijke ontwikkeling. Alle betrokken partijen zullen hieraan moeten wennen en zich aanpassen. De gemeente zal de beleidsdoelen uit deze nota opnemen in de Omgevingsvisie. Dit biedt een kans om fysieke en sociale waarden, in balans met elkaar, een plek te geven in de lange termijn ontwikkelingvan de gemeente.
4.4.4 Bekostiging Voor de bekostiging van maatschappelijke voorzieningen en groen is er een aantal bronnen beschikbaar. In de toekomst zijn wellicht andere bronnen mogelijk. Den Haag onderzoekt deze mogelijkheden, in samenwerking met andere G4 gemeenten en met het Rijk.
Kostenverhaal Grondexploitaties en anterieure overeenkomsten behoren tot het vertrouwde instrumentarium. De Nota kostenverhaal wordt in 2024 vernieuwd. Er is hierbij ook aandacht nodig voor regie en bekostiging van voorzieningen op bovenwijks niveau. Voor mobiliteit worden kosten in rekening gebracht voor mobiliteitsvoorzieningen die samenhangen met een ontwikkeling, maar buiten het ontwikkelgebied liggen. Wat voor mobiliteitsnetwerken geldt, geldt echter ook voor ecologische en sportieve netwerken. Want die zijn belangrijk voor een klimaatadaptieve en gezonde leefomgeving, zeker voor het hoogstedelijk gebied.
Rjjksbijdragen Den Haag heeft in 2023 bedragen gekregen van het Rijk voor stedelijke ontwikkeling. De onderbouwing van de aanvragen is mede gebaseerd op de nota Haagse referentie normen 2021.
4.4.5 Plintenstrategie Veel verschillende functies zullen terecht moeten komen in de plinten van diverse ontwikkelingen. Recentelijk is hiervoor de plintenstrategie ontwikkeld. De vastgestelde Plintenstrategie (RIS312977) en bijbehorende onderzoek bevat een ‘instrumenten ladder’: circa 30 instrumenten waarmee de gemeente kan sturen op betaalbare, levendige en aantrekkelijke plinten, ingedeeld in verschillende niveaus van overheids betrokkenheid: richting geven, verbinden, reguleren, stimuleren, of zelf ontwikkelen. Voor de voorzieningen is deze indeling ook relevant:
< INHOUD
42
Richting geven Vanuit voorzieningenprogramma’s, IHP’s, plintenvisie en gebiedsnota’s zelf worden ambities vastgelegd. Regulering (juridisch) Deze ambities kunnen vervolgens mogelijk publiek- en privaatrechtelijk sterker verankerd worden.
Stimuleren (financieel) Financieel kunnen er op verschillende wijze geprikkeld worden. Dit kan zowel door (structurele) middelen gericht op specifiek voorzieningen of met een plintenfonds.
Verbinden In de Binckhorst is er specifieke matchmakingtool met website om matching tussen vraag en aanbod te stimuleren. Stadsbreed was die er in het verleden met Steenworp. Ook kan gedacht worden aan een plintenregisseur of makelaar (voor tijdelijk gebruik) in uitbreiding op broedplaatsenmakelaar.
Zelf doen Dit gaat over de keuze om als gemeente zelf voorzieningen in eigendom te nemen.
4.4.6 Place making/stadsmaken, samenwerking met woningcorporaties/ ontwikkelaars en participatie Waar de richtinggevende normen een top-down benadering hebben, gaat placemaking en stadsmaken uit van bottom-up benadering. Kansen worden hiermee benut om invulling te geven aan de lokale omstandigheden en voor verschillende behoeften in de samenleving. In de grote ontwikkelgebieden die voorzien zijn, kunnen pilots worden opgestart. Daarbij kunnen ook woningcorporaties worden betrokken, die zowel goed zicht hebben op de bewoners die van hun woningen afhankelijk zijn als de expertise hebben op het gebied van vastgoedontwikkeling. Met name in Zuidwest liggen hier kansen. Ook in andere gebieden kunnen pilots tot stand komen. Dit kan gaan om invulling te geven aan de richtinggevende normen, maar ook om aanvullingen. Initiatieven vanuit bewoners en verenigingen om leegstand of onder benutte ruimte te benutten komen dan ook tot bloei. Bij sport bijvoorbeeld kan het bijvoorbeeld gaan om watersportcultuur of de behoefte aan meer vechtsportfaciliteiten. Participatie is daarom van belang temeer deze behoefte vanuit de achtergrond van personen en behoefte-onderzoeken niet altijd direct boven komen drijven.
< INHOUD
43
4.5
Financiële dekking Indien er voor gekozen wordt om in aansluiting bij de woningbouwproductie uitvoering te geven aan de realisatie van voorzieningen dan gaat dat in de meeste gevallen niet zonder dat hiervoor gemeentelijke financiële middelen beschikbaar worden gesteld. Daarom is gestart met het in beeld brengen van deze financiële opgave per type voorzieningen en per ontwikkelgebied zodat deze kostenpost integraal kan worden meegewogen bij besluitvorming over ontwikkelgebieden. Binnen de kaders van de vastgestelde gemeentelijke begroting wordt op basis van een businesscase besloten over de toekenning van middelen. In de meerjarenbegroting is een oplopende reeks opgenomen voor IHP-middelen (middelen voor de Integrale Huisvestingsplannen te alloceren in het MIP). Hiermee kan -indien voor volgende jaren de reeks wordt doorgezet - een groot deel van benodigde investeringen gedekt worden. De uitdaging is door bestaande onderbenutting aan voorzieningen en slim en gecombineerd ruimtegebruik hiermee de benodigde investe ringen in voorzieningen te dekken. Echter de investeringskosten vragen ook om index atie (inflatie). Daarnaast zijn er ook onrendabele toppen in verwerving in de begroting stedelijke ontwikkeling (grondexploitatie, bodemsanering) en zijn er forse investeringen nodig voor voldoende voorzieningen in de openbare ruimte.
Zowel de gebouwde voorzieningen als de voorzieningen in de openbare ruimte vragen naast de investeringskant ook om exploitatiemiddelen in de vorm van beheer en onder houd en subsidieverlening aan instellingen. De openbare ruimte moet onderhouden worden en beheerd, en een bibliotheek heeft ook personeel nodig. In de dekkingsmethodiek vraagt deze component om aandacht. Bij het opstellen van businesscases zal bovendien de exploitatie moeten worden meegenomen. Er zal een generiek onderzoek worden gestart om te bezien in hoeverre de huidige gemeentelijke financieringssystematiek passend is voor de opgave en of aangepast dient te worden. De wijze waarop de realisatie en exploitatie van maatschappelijke voorzieningen gefinancierd wordt verschilt in de huidige situatie per type voorziening.12
Categorie
Wettelijke taak huisvesting gemeente
Investeringen vervanging en uitbreiding
Exploitatie en beheer
Onderwijs
Ja13
Structurele middelen, toekenning via het Programma Onderwijshuisvesting
Verantwoordelijkheid schoolbesturen, bekostigd via lumpsum ministerie van OCW ((groot)onderhoud, aanpassingen, energieverbruik en schoonmaak)
12 Zie bijlage 2 voor aanvullende informatie over de financiering van voorzieningen per domein. 13 Wet op het primair onderwijs & Wet op het voortgezet onderwijs. De gemeente is verantwoordelijk voor de huisvesting van scholen in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs.
< INHOUD
44
Categorie
Wettelijke taak huisvesting gemeente
Investeringen vervanging en uitbreiding
Exploitatie en beheer
Zorg
Deels14
Eigenstandige verantwoordelijkheid van de zorginstellingen
Huisvestingslasten deels via subsidies, deels via andere inkomsten bekostigd (markt/verzekeraars)
Welzijn
Deels15
Structurele (oplopende) reeks investering via het MIP en via kostendekkende huur vanuit subsidies aan instellingen
Servicepunten XL en CJG’s worden volledig bekostigd door de gemeente (kapitaallasten en exploitatie). Wijkcentra betalen huur, maar inkomsten via subsidies
Kunst en cultuur
Nee
Structurele (oplopende) reeks investering via het MIP
Bekostigd door subsidies. Klein onderhoud door instellingen, groot onderhoud door de gemeente
Sport
Nee
Structurele (oplopende) reeks investering via het MIP Incidenteel, via de MJOP
Sportvelden beheerd door de gemeente, sportaccommodaties in bruikleen aan de vereniging (verantwoordelijk voor onderhoud). Personeelskosten, onderhoudskosten en subsidies uit programmabegroting Sport
Groen
Nee
Investeringen: incidenteel via grondexploitaties en kostenverhaal (overeenkomsten met ontwikkelende partijen)
Dagelijks beheer en onderhoud: structureel, via Programma Buitenruimte. Bij incidentele investeringen dient structureel beheer gedekt te zijn
Spelen & sporten in openbare ruimte
Nee
Investeringen: incidenteel via begroting stedelijke ontwikkeling, grondexploitaties en kostenverhaal (overeenkomsten met ontwikkelende partijen)
Beheer, onderhoud en vervanging door de gemeente, actief via Programma stadsdelen en wijken bijgestaan door vrijwilligers, ouders en verzorgers
Tabel 4 Wijze van realisatie en exploitatie
4.6
Monitoring Het college koppelt op meerdere manier terug hoe het gaat met het voorzieningen niveau in de stad. Monitoring zal niet alleen ingaan op de situatie van dat moment, maar ook een vooruitblik bieden naar de toekomst: • Doel: wordt het doel bereikt om voldoende voorzieningen te hebben voor de bewoners van de stad? Dit gebeurt door realisatie van nieuwe voorzieningen, maar ook door benutting van bestaande voorzieningen, of het achterblijven van de vraag. • Reserveringen: zijn locaties uit de voorzieningenprogramma’s vastgelegd? • Zicht op Realisatie: zijn er publiekrechtelijk (omgevingsplan) of privaatrechtelijk afspraken gemaakt over realisatie van voorzieningen? Heeft de gemeente (IHP-) middelenof middelen van derden om voorzieningen te realiseren? • Realisatie: Zijn er bouwvergunningaanvragen of opleveringen van maatschappelijk vastgoed? Voorzieningen die nu in visies en voorzieningenprogramma's zijn opgenomen, zullen de komende jaren steeds concreter worden. Dat zal in de monitoring terug te zien zijn.
14 Wet maatschappelijke ondersteuning. 15 Wet maatschappelijke ondersteuning, Participatiewet en Jeugdwet. De gemeente is wettelijk verplicht om ondersteuning te bieden, maar is vrij in de keuze voor het aanbod van de soort voorzieningen.
< INHOUD
45
4.6.1 Stadbrede monitoring via Integrale huisvestingsplannen De realisatie van maatschappelijke voorzieningen en groen wordt geregeld in de Integralehuisvestingsplannen. De IHP’s worden ongeveer tweejaarlijks bijgesteld, op basis van de stand van zaken van dat moment. Zo is de gewenste voorzieningenplanning steeds voor de komende 10 jaar op orde.
4.6.2 Ontwikkelgebieden: Voortgangsrapportages De voortgangsrapportages voor ontwikkelgebieden gaan in op de voortgang van de voorzieningenprogramma’s. De voortgangsrapportages verschijnen elk halfjaar tot een jaar.
4.6.3 Ontwikkelgebieden: herijking voorzieningenprogramma’s De inzet is dat voorzieningenprogramma’s ook periodiek herijkt worden. Herijking zal plaatsvinden indien de behoefte door een andere bevolkingssamenstelling daartoe aanleiding geeft. Dit kan zowel door een ander woonprogramma (fasering) als door ander type bewoners of huishoudensdichtheid. De IHP’s en de voortgangsrapportages ontwikkelgebieden worden anno 2023 besproken in de commissie Samenleving. Het verdient aanbeveling om de IHP’s ook te richten aan de commissie Ruimte, omdat zij van invloed zijn op ruimtelijk beleid.
< INHOUD
46
Bijlagen Bijlage 1 Onderbouwing per domein Bijlage 2 Financiering Bijlage 3 Samenvatting rapportage BSP – Ruimtelijke voorzieningen Den Haag
< INHOUD
47
Bijlage 1 Onderbouwing per domein Bijlage 1a. Onderwijs Gemeenten hebben de wettelijke zorgplicht voor voldoende en adequate huisvesting voor scholen binnen de gemeentegrenzen. Als nieuwe wijken ontstaan en bestaande wijken worden verdicht, moeten daar tijdig nieuwe scholen en andere belangrijke voorzieningen voor kinderen staan. De gemeente heeft hierin een regierol. Den Haag zet in op brede buurtscholen en kindcentra. In 2025 zijn alle Haagse voscholen een brede (buurt)school. Dit houdt in dat elke vo-school met andere scholen, instellingen en/of bedrijven samenwerkt om het onderwijs voor hun leerlingen te verbreden en te verrijken. Daarnaast wordt ingezet op de ontwikkeling van kindcentra: integrale voorzieningen voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar. Onderwijs, zorg en welzijn komen in kindcentra bij elkaar.
Onderbouwing referentienorm Primair Onderwijs • Een basisschool is een buurtvoorziening. • In een kindcentrum wordt primair onderwijs gecombineerd met een gymzaal en kinderopvang. • Per 425 leerlingen is 1 basisschool nodig. Dit is gebaseerd op de voorkeur om kind centra met een dubbele leerlijn te bouwen (minimaal 17 groepen). • Het benodigde metrage voor een kindcentrum betreft 4.400 m2 bruto vloeroppervlak.
Binnenruimte (m2)
Buitenruimte (m2)
BVO per 425 leerlingen (m2)
2.245
1.000
3.245
Primair onderwijs Gymzaal
455
Kinderopvang
500
455 200
Totaal
700 4.400 m2
Tabel 1: uitsplitsing richtinggevende normen primair onderwijs in m2 BVO
Voortgezet Onderwijs • Een vo-school is een bovenwijkse voorziening. • Momenteel kent Den Haag ongeveer 40 vo-scholen en ruim 28.000 leerlingen in de bijbehorende leeftijdscategorie. Per 700 leerlingen is een school in het voortgezet onderwijs nodig. • Het benodigde bruto vloeroppervlak voor een middelbare school is ca. 6.410 m². Dit is inclusief buitenruimte en twee gymzalen. • Speciaal en internationaal onderwijs zijn meegenomen in de richtinggevende normen, maar niet uitgesplitst in een eigen categorie.
< INHOUD
48
Binnenruimte (m2)
Buitenruimte (m2)
BVO per 700 leerlingen (m2)
Klaslokalen
5.000
500
5.500
Gymzalen
910
910
Totaal
6.410 m2
Tabel 2: uitsplitsing richtinggevende normen voortgezet onderwijs in m2 BVO
Bijlage 1b. Zorg en welzijn De wereld van zorg en welzijn kent veel wettelijke kaders. Doordat men langer zelf standig thuis woont, is zorg en ondersteuning in de buurt van groot belang. Hagenaars in een kwetsbare positie kunnen sinds 2015 voor brede ondersteuning terecht bij de Servicepunten XL. Deze zijn gehuisvest in buurt- en wijkcentra, met een breed welzijns aanbod. Er vindt steeds meer verbinding plaats tussen welzijn en de eerstelijnszorg, zoals in het gezondheidscentrum de Rubenshoek al het geval is. De missie is dat de Haagse jeugd veilig, gezond en met plezier opgroeit, haar talenten ontwikkelt en meedoet in de stad. In het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) zijn de taken bijeengebracht die de gemeente uitvoert op grond van de Wet Publieke Gezondheid en de Jeugdwet. Sinds 2012 heeft elk stadsdeel een eigen CJG.
Onderbouwing richtinggevende normen Eerstelijnszorgvoorzieningen De eerstelijnszorgvoorzieningen betreffen huisarts, tandarts, fysiotherapeut, verlos kundige en apotheek. Dit is zorg waar inwoners zelf zonder verwijzing naartoe kunnen gaan. • Voor huisartsen geldt een normpraktijk van 1 huisarts per 2.095 patiënten. Echter, de normpraktijk voor huisartsen is de afgelopen periode al diverse keren naar beneden bijgesteld. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) pleit al enkele jaren voor een verkleining van het aantal patiënten in huisartsenpraktijken, zodat huisartsen meer tijd per patiënt krijgen. Wat de LHV betreft komt de norm op 1.800 patiënten per praktijk te liggen. • De richtinggevende normen voor de overige voorzieningen zijn gebaseerd op de huidige situatie in Nederland, Zuid-Holland of Den Haag. Hierin is geen rekening gehouden met over- of onderbenutting op dit moment. • In het stedelijke woonmilieu is de huishoudensgrootte per woning groter dan in de andere milieus. In theorie zou dit voor iedere voorziening een grotere behoefte per woning betekenen. Echter betreffen dit juist ‘sterke’ wijken waar de bevolking meer te besteden heeft en over het algemeen een gezondere leefstijl heeft. Daarom wordt een gezamenlijke richtinggevende normen gehanteerd voor alle woonmilieus.
Alleen voor het hoogstedelijke milieu met een lagere huishoudensgrootte is de norm lager gemaakt. Met kleine huishoudens en veel studenten wordt een lagere behoefte verwacht. • Maatwerk is noodzakelijk op basis van de huidige bezetting en het type inwoners in een wijk.
< INHOUD
49
Aantal per 1.000 inwoners
BVO m2 per 1,0 fte
Huisarts
0,48
120
Tandarts
0,5
120
Apotheek
0,15
150
Fysiotherapeut
0,93
50
Verloskundige
0,5 per 1.000 vrouwen in de vruchtbare leeftijd
40
Tabel 3: richtinggevende normen eerstelijnszorg
Welzijn, jeugd en wijken De richtinggevende normen voor welzijn jeugd en wijkvoorzieningen zijn in beeld gebracht op basis van het huidige metrage per inwoner in Den Haag. • De behoefte aan CJG’s en club- en buurthuizen is groter in wijken met veel kinderen en jongeren. Bij het opstellen van deze richtinggevende normen is gekeken naar het huidige aantal vierkante meters en niet naar feitelijk gebruik. • Feitelijk worden beschikbare vierkante meters in wijk- en buurtcentra (Servicepunten XL) ook gebruikt als club- en buurthuizen. Er is een grote mate van functievermenging. Veel maatschappelijke initiatieven, bewonersinitiatieven, vrijwilligersorganisaties en zelforganisaties maken gebruik van beide soort locaties. Daarom is gekozen voor één gezamenlijke richtinggevende normen. • Den Haag hanteert het beleidsmatige concept van een “Buurthuis van de toekomst”, waarin sportclubs, scholen, culturele-, zorg- en welzijnsinstellingen en andere organisaties een accommodatie delen. De behoefte in vierkante meters aan welzijns voorzieningen wordt daarom deels ondergebracht in voorzieningen van een andere categorie. • Stadsdelen krijgen signalen dat er momenteel een ruimtetekort is voor maatschap pelijke initiatieven en dat de bezettingsgraad van welzijnslocaties over het algemeen hoog ligt. Met het IHP Zorg & Welzijn wordt daarom onderzoek gedaan naar de bezettingsgraad.
Huidig BVO m2
M2 per 1.000 inwoners
Centrum Jeugd en Gezin
13.900
26 m2
Club- en buurthuis
3.000
6 m2
Wijk- en buurtcentrum/Servicepunt XL
29.500
55 m2
Totaal
87 m2
Tabel 4: richtinggevende normen welzijn, jeugd en wijken
Sociale zaken en dienstverlening: hulp richting werk en armoede Dit betreft klantontvangst richting werk en armoede, bestaande uit: • Centrale voorzieningen waaronder gemeentelijke kredietbank, WSP (Den Haag Werkt!), Coördinatie Punt dak- en thuislozen en re-integratie. • Wijkvoorzieningen waaronder schuldenproblematiek, sociale raadsleden en service punten arbeid (gericht op jongeren).
< INHOUD
50
Over het algemeen is centralisering van de voorzieningen wenselijk. Voor bepaalde doelgroepen is sprake van een drempel, waarmee het van belang is dat er ook voor zieningen in de nabijheid zijn. Inzet is daarom op spreiding, maar niet altijd met een eigen faciliteit, bijvoorbeeld door ook van Servicepunt XL gebruik te maken. Momenteel is een groot deel van de voorzieningen gesitueerd aan de Fruitweg.
Voorzieningen sociale zaken
Huidig BVO m2
M2 per 1.000 inwoners
6.080
1,3 m2
Tabel 5: richtinggevende normen hulp richting werk en armoede
Begeleid wonen, opvang en verslavingszorg • In totaal zijn er in Den Haag 49 locaties voor begeleid wonen, vervangend tehuis en opvang (peildatum 2021). Een deel betreft gemeentelijk vastgoed (15.500 m2) en een deel andere instellingen en stichtingen zoals het Leger des Heils. Dit zijn 34 locaties met een capaciteit voor 1.034 personen. Met een gemiddelde van 35 m2 per persoon (totaal 36.200 m2) leidt dit tot een metrage van 200 m2 per 1.000 woningen. • Op dit moment zijn er 22 locaties voor verslavingszorg met een capaciteit van 884 personen. Op basis van de huidige woningvoorraad in Den Haag komt dit neer op 3,4 plekken per 1.000 woningen. • Dit deel van de behoeft aan opvang hangt niet samen met bevolkingsgroei, maar bijvoorbeeld met het woningtekort en andere crises.
Bijlage 1c. Kunst en cultuur In het Beleidskader Kunst en Cultuur 2021-2024: Zee aan mogelijkheden (2019) zet de gemeente in op het in standhouden van een divers en hoogwaardig cultureel aanbod voor een breed publiek. De ontwikkelgebieden in de Binckhorst, het CID en Zuidwest zijn daarom van grote invloed om deze ambitie te realiseren. Voldoende ruimte voor kunst en cultuur is van belang om de leefbaarheid in deze gebieden te behouden of vergroten. In het IHP Cultuur & Bibliotheken is de opgave voor komende 10 jaar weergegeven.
Onderbouwing richtinggevende normen Cultuurankers Ieder stadsdeel in Den Haag heeft een Cultuuranker, zoals een theater, bibliotheek of museum van waaruit activiteiten voor het stadsdeel georganiseerd worden. Ieder cultuuranker speelt in op de eigenschappen van de buurt. De richtinggevende normen voor cultuurankers zijn gebaseerd op het huidige aanbod aan voorzieningen in Den Haag. Er zijn acht cultuurankers (waarvan 2 bibliotheken) in Den Haag met in totaal een metrage van ca. 15.000 m2. In totaal is er op dit moment ca. 60 m2 aan cultuurankers per 1.000 woningen aanwezig in Den Haag. Daarnaast zet Den Haag in op diverse stedelijke voorzieningen rondom kunst en cultuur, waaronder voldoende ateliers en broedplaatsen conform het broedplaatsenbeleid
< INHOUD
51
(RIS306133) en een aantrekkelijk aanbod aan poppodia, film en musea. Dit trekt ook bezoekers aan van buiten Den Haag.
Bibliotheken Er zijn 14 bibliotheken in de wijken van Den Haag met in totaal een metrage van ca. 12.000 m2 (exclusief de centrale bibliotheek van 16.750 m2 met een stedelijk verzorgings gebied). Op basis van de huidige woningvoorraad is dit 45 m2 per 1.000 woningen. In dit getal zit een overlap met de richtinggevende normen voor cultuurankers, omdat de cultuurankers in Leidschenveen-Ypenburg en Loosduinen ook een bibliotheek betreffen. Uitgangspunt voor beleid is de bibliotheekvisie 2021-2025, Bibliotheek in Beweging (RIS 306227 collegebesluit 25 september 2020).
Overige kunst- en cultuurvoorzieningen Daarnaast zet Den Haag in op de wijk overstijgende functies atelierruimte, broed plaatsen, theater, dans en film, poppodia/muziek, musea, cultuur verzamelpanden en de centrale bibliotheek. Aangezien dit vooral ambities betreffen, en de voorzieningen deels afhankelijk zijn van bezoekers (van elders). Bij podia komt ongeveer 50% van de bezoekers van buiten Den Haag. Voor deze voorzieningen zijn met deze herijking nu ook de ambities ook uitgedrukt in richtinggevende normen. Voor het maken van de richtinggevende normen is uitgegaan van het gemiddelde per woning in 2022. Dit is wellicht discutabel, omdat niet alle groei samenhangt met het aantal inwoners. Hier is wel voor gekozen omdat er ook groei is van woningen in de regio en het binnenlandse toerisme toeneemt. Van de musea wordt 50% gefinancierd door de markt.
Bijlage 1d. Sport De ambitie van de raad is dat in 2030 100% van de Hagenaren sport (sportbeleids kader 2015-2030, RIS 283153). Dit betekent dat elke Hagenaar minstens eens per maand sport. In 2014 was de sportdeelname circa 70%. Om te kunnen sporten zijn er voldoende sportvoorzieningen in de buurt nodig. Den Haag groeit en het aanbod aan sportvoorzie ningen moet aansluiting blijven vinden op de groeiende sportvraag. Verspreid over de stadsdelen hebben we op dit moment de beschikking over 6 (openbaar toegankelijke) zwembaden, 17 sporthallen en 195 sportvelden. De afgelopen 4 jaar hebben we 19 nieuwe kunstgrasvelden (voetbal, hockey, korfbal en rugby) gerealiseerd. Ook zijn we trots op de diverse (inter)nationale topsportaccommodaties, zoals de Sport campus Zuiderpark, het Zeilcentrum in de haven, het Cars Jeans Stadion, Het Hofbad en de voormalige RAC-hallen (urban sports). De gemeenteraad heeft – constaterende dat Den Haag er tot 2040 zeker 80.000 inwonersbij krijgt – gevraagd om een (richtinggevende) sportnorm die leidend is bij de toekomstige ontwikkelingen. De norm geeft aan in welke mate het aantal sport voorzieningen met de stad mee groeit.
< INHOUD
52
Op 25 november 2020 heeft de gemeenteraad ingestemd met het Haags Sportakkoord (RIS306192). Hierin is de visie op sport en bewegen verwoord.
Onderbouwing richtinggevende normen De richtinggevende normen zijn gebaseerd op de data over de huidige hoeveelheid aan sportvoorzieningen in de gemeente Den Haag. De (kwantitatieve en kwalitatieve) vraag naar sport is afhankelijk van het type inwoners en verschilt daarmee per wijk. De norm wordt gebruikt om de behoefte aan veldoppervlak te berekenen. Voordat dit leidt tot de aanleg van extra sportterrein wordt eerst gekeken of de sportcapaciteit op bestaande accommodaties kan worden geoptimaliseerd door bijvoorbeeld omzetting van gras in kunstgras. De ruimtelijke inbedding van projecten in het stedelijk weefsel en de hoeveelheid ruimte in projectgebieden maken het niet altijd mogelijk of wenselijk het sportprogramma in het gebied zelf te realiseren. In de opeenvolgende fasen van een gebiedsontwikkelingsproces (haalbaarheid en ontwerp) gelden daarom de volgende spelregels: • De ruimte voor sport om de hoek (sporten en bewegen in de openbare ruimte) á 1 m2 per woning wordt binnen het ontwikkelgebied gerealiseerd. • De opgave voor (anders-)georganiseerde buitensport wordt in het ontwikkelgebied of indien niet mogelijk bij voorkeur binnen een hemelsbrede afstand van ongeveer 1.500 meter rond het ontwikkelgebied gerealiseerd of opgelost. Conform de beslis boom sport wordt ook getrapt op een grotere afstand gekeken.
De afstandsnorm voor (anders-)georganiseerde sport is gebaseerd op een acceptabele reisafstand naar een sportvoorziening met onderscheid naar type buitensport, waarbij de fietsverbinding en de bereikbaarheid met openbaar vervoer een rol spelen. Bij kleine woningaantallen zal het draagvlak voor een sportvoorziening binnen het ontwikkel gebied te klein zijn, maar wel bijdragen aan de vraag op een hoger schaalniveau (bijvoorbeeld aan de vraag naar zwemwater). Door de opgave per ontwikkelgebied in kaart te brengen, kan in volgende planfasen beredeneerd bekeken worden of de sportopgave in het gebied zelf of bovenplans wordt gerealiseerd. Om een goed beeld hiervan te krijgen is in een nadere studie een stadsbreed planologisch spreidingsbeeld voor sport en bewegen uitgewerkt – het integraal huisvestingsplan sport (IHP sport). Hierin wordt op stedelijk en bovenplans niveau gekeken naar de uitbreiding en spreidingvan het stedelijke sportaanbod. Sporthal • In Den Haag zijn 25 sporthallen aanwezig, waarvan 19 sporthallen in eigendom zijn van de gemeente Den Haag. Vier sportverenigingen beschikken over een eigen sporthal en verhuren deze aan andere sportverenigingen. • Daarnaast hebben het Roemer Visscher College en het Segbroek College een sporthal voor het eigen bewegingsonderwijs. Deze sporthallen zijn in de avond en het weekend beschikbaar voor overige partijen.
Echter, omdat de gemeente niet kan garanderen dat deze ruimte beschikbaar is voor sport, zijn deze vierkante meters niet meegenomen in de richtinggevende normen.
< INHOUD
53
• Om de richtinggevende normen te berekenen, is uitgegaan van de huidige situatie van 1 sporthal per 22.000 inwoners. Het gemiddelde bruto vloeroppervlak van een sporthal in Den Haag is ca. 2.840 m2. Dit komt neer op 118 m2 sporthal per 1.000 inwoners. Op basis van de gemiddelde huishoudensgrootte per woonmilieu wordt de richtinggevende normen uitgedrukt in vierkante meters per 1.000 woningen. • Uit het Mulier Rapport (RIS301864, 2019 ) blijkt een huidig overschot van 1 sporthal en een tekort van 14 sportzalen. Bij een groeiende behoefte zou de richtinggevende normen bijgesteld moeten worden, wat thans nog niet is voorzien. • De opgave voor sporthallen in opgenomen in het IHP Sport. Zwembad • Den Haag kent zes zwembaden: het Zuiderpark, het Hofbad, Overbosch, de Blinkerd, de Waterthor en de Houtzagerij. Op basis van de huidige voorraad en toekomstige behoefte komen we op een richtlijn van 1 zwembad per 77.500 inwoners. • Den Haag beschikt over 21.600 m² zwembaden plus 11.622 m² in combinaties met sporthallen. Dit komt neer op 61 m² zwembad per 1.000 inwoners. Op basis van de gemiddelde huishoudensgrootte per woonmilieu wordt de richtinggevende normen uitgedrukt in vierkante meters per 1.000 woningen. • Als we de richtinggevende normen van 1 zwembad per 77.500 aanhouden zijn tot 2040 minimaal twee extra zwembaden nodig.
Dat is in overeenstemming met de conclusies van het vastgestelde behoefterapport van Drijver & Partners (RIS299542). • De opgave voor zwembaden is opgenomen in het IHP Sport. Buitensport • Den Haag beschikt over ca. 2.151.000 m² aan buitensport (inclusief club- en kleed gebouwen). Dit resulteert in een gemiddeld bruto vloeroppervlak aan buitensport voorzieningen van 4,0 m2 per inwoner in Den Haag. • Het huidige aanbod is ruimtelijk onevenwichtig verspreid in Den Haag. Buitensport voorzieningen zijn echter wijkoverstijgend en door de grote ruimtebehoefte lastig in te passen in dichtbebouwde wijken. De sportnorm dient dus naast op wijkniveau, ook altijd op stadsdeel- en stedelijk niveau beschouwd te worden. • Momenteel is er voor voetbal, hockey en rugby een tekort aan veldruimte. Deze sporten groeien sterk in beoefening en de veldbezetting concentreert zich sterk op de zaterdag. De tekorten nemen naar verwachting verder toe de komende jaren. Naast het bouwen van extra veldruimte, zal de gemeente inzetten op een betere spreidingvan teams over het weekend. Bij het bereiken van de maximale bezetting groeien de buitensportaccommodaties mee aan de hand van de richtinggevende normen. • Voor atletiek, tennis en handbal is naar verwachting voldoende capaciteit de komende jaren.
• De maximale afstand die bewoners willen afleggen naar een sportvoorziening, hangt ook mede af van leeftijd en opleidingsniveau. Door de toenemende vergrijzing ontstaat meer behoefte aan goed bereikbare sportvoorzieningen. • In het IHP Sport is opgave geformuleerd voor de komende 10 jaar.
< INHOUD
54
Sport overig (sportzalen) • Dit betreft niet-commerciële accommodaties voor bijvoorbeeld judo- en boksscholen. Den Haag heeft gemiddeld 23 m² bvo per 1.000 woningen aan overige sport voorzieningen. Hiervoor is geen norm opgenomen. Sport in de openbare ruimte • In Den Haag wordt steeds meer in de buitenruimte gesport, bijvoorbeeld met boot camps, skaten, hardlopen en fietsen. Hiervoor is geen data voor Den Haag beschikbaar. • Voor de richtinggevende normen is 1.000 m² per 1.000 woningen aangehouden als onderdeel van de totale behoefte aan “gebruiksgroen”. De norm voor gebruiksgroen verschilt per type stedelijk milieu. Speelveldjes • Dit betreft de courts in de wijken zoals de Krajicek en Cruyff Courts. • We hanteren een stadsbrede richtinggevende normen van 1.000 m2 per 1.000 woningen. Overzicht maatvoering sportaccomodaties Soort sportfaciliteit
Maatvoering
Sporthal
3.000 m2
Zwembad
4.000 m2
Voetbal
7.700 m2
Hockey
6.000 m2
Rugby
7.700 m2
Tennis (1 baan)
450 m2
Padel (1 baan)
200 m2
Krajicek Playground
800 m2
Cruyff Court
450 m2
Tabel 6 Overzicht maatvoering sportaccommodaties
< INHOUD
55
Bijlage 1e. Openbare ruimte (groen en spelen) Op dit moment is er gemiddeld ca. 30 m2 gebruiksgroen per woning in Den Haag. Dit betreft het stedelijk groen exclusief duinen en stedelijke groene hoofdstructuur. In het centrum ligt dit lager dan in het stedelijke woonmilieu in de nieuwste buitenwij ken. De richtinggevende normen voor gebruiksgroen zijn gebaseerd op de referentie norm van Amsterdam. Kwantitatieve groennorm (oppervlakte) Den Haag hanteert een differentiatie in de norm voor gebruiksgroen per woonmilieu: 8 m2 in centrum-stedelijk en hoogstedelijk, 16 m2 in gemengd-stedelijk en 24 m2 in stedelijk. In de bestaande stad zijn er zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheden voor groen voorzieningen. De mobiliteitstransitie zorgt voor kansen, door parkeerplekken om te zetten in groen. In de verdichtingsgebieden kan ook dubbel ruimtegebruik en natuurinclusief bouwen (bijvoorbeeld met groenvoorzieningen op daken) uitbreidings mogelijkheden bieden. Daarnaast kan ook worden geïnvesteerd in een hogere kwaliteit van het groen. Afstanden tot groen Naast een oppervlaktenorm voor ontwikkelgebieden is ook de afstand tot groen van belang. Het is van belang dat iedere inwoner van Den Haag in de nabijheid groen voorzieningen kan vinden.
Groenvoorzieningen hebben grote waarde voor de leef kwaliteit van de stad; zo bevordert het de gezondheid van de inwoners, zorgt het voor een aantrekkelijke stad en draagt het bij aan klimaatadaptatie. Daarom bevat deze nota ook richtafstanden, overgenomen van de gemeente Amsterdam: 300 meter tot buurt groen en 750 meter tot stedelijk groen (in Den Haag: stedelijke groene hoofdstructuur). Net als in Amsterdam is niet gedefinieerd hoe omvangrijk buurtgroen of stedelijk groen moet zijn. Hiermee wordt maatwerk mogelijk om voor gebieden verder van het centrum uit te gaan van grote maatvoering. In onderstaande kaarten is een maatwerk toepassing op het CID weergegeven.
Figuur 1-1 CID - Afstand tot stadsparken nu
< INHOUD
56
Figuur 1-2 CID - Afstand tot stadsparken na toevoegen groen
Weergegeven zijn de kansrijke interventies conform het kwaliteitsplan CID (RIS314594) en de realisatie van een stadspark in de Binckhorst. Hiermee wordt voldaan aan de richtinggevende normen voor afstanden tot stadsparken/stedelijke groen. Nagenoeg het gehele CID krijgt zelfs binnen 300 meter een stadspark en slechts enkele gebieden vallen daarbuiten. Precies de gebieden, die niet binnen de 300 meter een stadspark hebben, hebben wel een alternatief parkje met Groene Schenk, groenstrook achter Haagse Hogeschool en het Grevenlingenveld. Hiermee wordt goed voldaan aan de behoefte aan groen. Groen in relatie tot verschillende functies Over de ruimte voor groen in relatie tot vele functies van groen (klimaat/natuur/ recreatie/kijkgroen) is de afgelopen 2 jaar een discussie gevoerd, waarin zeker in hoog stedelijk gebied het gesprek gaat over de samenhang van gebouwen met (openbare) buitenruimte en kwaliteit ten opzichte van kwantiteit. Gekozen is om met de herijking op basis van de evaluatie en Europees en G4 vergelijkend onderzoek kwalitatieve aspecten toe te voegen.
Aandacht voor het omvormen van versteende (openbare) ruimte naar groene ruimte, bijvoorbeeld als gevolg van een mobiliteitstransitie en keuzes ten aanzien van parkeren op straat, het toegankelijk maken van private buitenruimten (zoals schoolpleinen, binnenterreinen of daken), biedt kansen voor het toevoegen van groene openbare ruimte in de verdichtende stad. Het borgen van voldoende ruimte voor groen bij nieuwe ontwikkelingen en het ver sterken van huidige groengebieden en structuren vraagt meer dan alleen de ruim tereservering van een aantal m2 gebruiksgroen per woning. “Groen” is een algemeen begrip, waar meer differentiatie gewenst is vanuit verschillende functies die een groene inrichting van gebieden heeft. Zo vervullen groengebieden een belangrijke functie op het gebied van klimaatadaptatie, zoals het vasthouden van regenwater en het bieden van verkoeling op warme dagen.
< INHOUD
57
Robuuste groene verbindingen zijn belangrijk voor de ecologische hoofdstructuren, waardoor natuur in de stad meer kansen krijgt. Hetzelfde geldt voor het belang van sportieve en recreatieve netwerken. Hoewel openbaar groen zich leent voor sporten en spelen, is het gewenst de ruimte voor sporten, spelen en openbaar groen afzonderlijk van elkaar te bepalen. Vervolgens kan op inrichtingsniveau naar slimme combinaties worden gezocht, rekening houdend met verschillende functies in tijd en locatie. Een verhard basketbalveld kan daarbij bijvoor beeld niet zomaar in de plaats komen van een groen speelveld, hoewel beide gewenst kunnen zijn. Bij verdere uitwerking is het gewenst ook aandacht te besteden aan het aspect en ruimtebeslag van water. Naast wettelijke normen speelt hier ook het gebruik van water ten behoeve van recreatie, en daarmee een maatschappelijke rol. Spelen Buitenspelen is belangrijk voor kinderen en jongeren. Kinderen brengen steeds meer tijd door achter beeldschermen en spelen minder buiten. Ze brengen echter nog steeds veel tijd buiten door: wekelijks ruim vijf keer om te spelen. Ruimte dichtbij huis die uitnodigt en uitdaagt om te spelen, sporten, bewegen en ontmoeten is essentieel. Groen voorzieningen zijn van groot belang voor recreatie, sport en als informele speelruimte.
Bij de toevoeging van woningen hanteert Den Haag de landelijke richtlijn van 3% aan openbare speelruimte, in relatie tot het ‘uitgeefbaar’ gebied (Jantje Betonnorm). Groenvoorzieningendie ook als informele speel- en/of recreatieruimte kunnen fungeren, worden hierin meegeteld. De kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan buitenspeelruimte verschilt sterk per leeftijdsgroep. Van kleine, veilige speelplekken vlak bij huis voor de allerkleinsten tot grotere voorzieningen op wijkniveau voor de wat oudere kinderen. De behoefte aan speelruimte is gespecificeerd naar drie leeftijdsgroepen. Het speelbeleid is vastgelegd in de Nota Spelen in de stad (RIS157603). • Tot 6 jaar (op blokniveau): open gebied, zand en water, natuur, kleine speelelementen, bankje voor de ouders, afscherming van het spel van oudere kinderen. • 6 tot 12 jaar (op buurtniveau): open gebied voor balspel, fietscrossen en dergelijke, natuur met avontuurlijke materialen, ruimte voor specifieke activiteiten zoals klimmen, glijden, zitten en kletsen. • Vanaf 12 jaar (op wijkniveau): sport- en ontmoetingsplek binnen de wijk, voldoende in het zicht van woningen, gelegenheid voor skaten, balspellen en om te kletsen.
< INHOUD
58
Leeftijdscategorie
Behoefte
Afstand woning tot speelplek
M2 per speelplek
M2 per kind
0-6 jaar
1 speelplek per 50 kinderen
100 tot 150 meter
200 m2
4,0 m2
7-12 jaar
1 speelplek per 75 kinderen
400 tot 600 meter
500 m2
6,7 m2
13-18 jaar
1 speelplek per 100 kinderen
1.000 meter
750 m2
7,5 m2
Tabel 7: benodigde speelruimte per leeftijdscategorie
• De locatie van een speelplek dient aan een aantal uitgangspunten te voldoen: voldoende sociale controle, verkeersveiligheid en toegankelijk voor kinderen met en zonder handicap. • Wanneer de richtlijn voor spelen niet haalbaar is, dient het autoluw/vrij maken van een woongebied onderzocht te worden, evenals samenwerking met scholen en sportverenigingen. • Naast de richtinggevende normen voor formele speelruimten wordt ook gebruik gemaakt van informele speelplekken, zoals grasvelden, straat/stoep, zand/water/ bosjes en het buitengebied. • Een vijfde van de Haagse kinderen tussen 0 en 19 jaar heeft overgewicht en zou minstens één uur per dag buiten moeten bewegen. Bij basisschoolkinderen verhoogt buitenspelen de leerprestaties en de cognitieve ontwikkeling. Om ook het centrum-stedelijk woonmilieu aantrekkelijk te houden voor kinderen, is aandacht voor speelruimte nodig. Nieuwe woonvormen met bijvoorbeeld gezins appartementen bieden de mogelijkheid spelen op andere wijze dan in de openbare ruimte te organiseren, denk hierbij aan binnentuinen of brede galerijen. Voor deze richtinggevende normen gaan wij uit van openbare speelruimte.