RIS317835 Bijlage 1 Nota Haagse richtinggevende normen MV en groen 2024
Tekst van het document
Onderbouwing richtinggevende normen Voor het vaststellen van de richtinggevende normen bestaat een verschillende behoefte per woonmilieu op basis van de hoeveelheid kinderen in de specifieke leeftijdsgroepen. In de onderstaande tabel staat een weergave van het gemiddelde aantal kinderen per 1.000 woningen in de verschillende woonmilieus. De berekeningen zijn gebaseerd op de huidige woningvoorraad en typologieën, gekoppeld aan de huishoudensgrootte. Voor het CID is met het voorzieningenonderzoek CID niet kunnen bepalen hoe de leeftijds categorieën verdeling gaat worden. Alleen het totaalmetrage als reservering is bepaald op basis van het te verwachte aantal gezinnen met kinderen. Leeftijdscategorie
Centrum-stedelijk
Gemengd stedelijk
Stedelijk
0-6 jaar
188 kinderen per 1.000 woningen
183 kinderen per 1.000 woningen
248 kinderen per 1.000 woningen
7-12 jaar
143 kinderen per 1.000 woningen
141 kinderen per 1.000 woningen
274 kinderen per 1.000 woningen
13-18 jaar
148 kinderen per 1.000 woningen
127 kinderen per 1.000 woningen
284 kinderen per 1.000 woningen
Tabel 8: gemiddelde aantal kinderen per 1.000 woningen in de verschillende woonmilieus
< INHOUD
59
Door de gegevens uit de bovenstaande tabellen te combineren, ontstaat een beeld van het benodigde aantal vierkante meters aan speelvoorzieningen per 1.000 woningen (tabel 9) en per hoeveel woningen er behoefte is aan een nieuwe speelplek (tabel 10). Leeftijdscategorie
Centrum stedelijk
Gemengd stedelijk
Stedelijk
0-6 jaar
752 m per 1.000 woningen
732 m per 1.000 woningen
992 m2 per 1.000 woningen
7-12 jaar
953 m2 per 1.000 woningen
940 m2 per 1.000 woningen
1.827 m2 per 1.000 woningen
13-18 jaar
1.110 m2 per 1.000 woningen
953 m2 per 1.000 woningen
2.130 m2 per 1.000 woningen
2.815 m2 per 1.000 woningen
2.625 m2 per 1.000 woningen
4.949 m2 per 1.000 woningen
Totaal
Hoogstedelijk
2
1207 m2 per 1.000 woningen
2
Tabel 9: richtinggevende normen in m2 per woonmilieuu Leeftijdscategorie
Hoogstedelijk
Centrum-stedelijk
Gemengd stedelijk
Stedelijk
0-6 jaar
1 speelplek per 575 woningen
1 speelplek per 265 woningen
1 speelplek per 273 woningen
1 speelplek per 201 woningen
7-12 jaar
1 speelplek per 1.170 woningen
1 speelplek per 524 woningen
1 speelplek per 532 woningen
1 speelplek per 274 woningen
13-18 jaar
1 speelplek per 1.580 woningen
1 speelplek per 676 woningen
1 speelplek per 787 woningen
1 speelplek per 352 woningen
Tabel 10: richtinggevende normen uitgedrukt in aantal speelplekken per woning
• Den Haag telt in 2022 ruim 113.000 kinderen van 0 tot en met 18 jaar. Meer dan een vijfde van onze Hagenaars. In 2022 stijgt het aantal kinderen minstens naar ruim 119.000 (een groei van bijna 4%). De komende jaren wordt geïnvesteerd in extra nieuwe en bestaande speelplekken (bijna 600 stuks) voor kinderen en jongeren.
< INHOUD
60
Bijlage 2 Bekostiging maatschappelijk vastgoed Algemeen Maatschappelijke voorzieningen worden op verschillende manieren gefinancierd. Vaak heeft de gemeente daarbij een rol, maar zeker niet overal. Een praktijk voor huisartsen of fysiotherapeuten komt zonder tussenkomst van de gemeente tot stand. Ook zorginstellingen en woon/zorg combinaties of seniorenwoningen zorgen zelf voor huisvesting. Maar ook commerciële sportaanbieders, hoger onderwijs of bijvoorbeeld de landenscholen krijgen geen bekostiging van de gemeente. Uiteraard speelt de gemeente wel een rol in het ruimtelijk mogelijk maken van dergelijke functie in het bestemmings plan/omgevingsplan. Voor eventuele nieuwbouw verstrekt de gemeente de vergunning binnen de wettelijke kaders. Daar waar de gemeente wel een rol speelt in de financiering van maatschappelijke voorzieningen is dat tweeledig. Enerzijds is er voor de huisvesting/realisatie van openbare ruimte de investeringslast met langlopende verplichtingen (kapitaallasten) en anderzijds zijn er ten aanzien van de exploitatie van instellingen vaak structurele verplichtingen. Huisvesting zonder programmering is een lege huls. Gerealiseerd openbaar groen en speelruimte dienen op voldoende niveau beheerd te kunnen worden. Er zijn in de huidige situatie twee algemene knelpunten bij de bekostiging van extra voorzieningen.
Ten eerste is er geen systematiek in de gemeentelijke begrotingsregels die voorziet in extra investeringsruimte als de stad groeit. Er is weliswaar in de begroting een oplopende kapitaalreeks opgenomen. Het blijft elk jaar de vraag bij de meerjaren begroting of de oplopende reeks wordt doorgetrokken en of er gecorrigeerd wordt voor inflatie. Er ligt daarmee geen directe relatie tussen meer inwoners en meer budget voor voorzieningen. Terwijl de behoefte wel toeneemt en de investering in uitbreiding (kosten) voor de baten (verhoging gemeentefonds en OZB-inkomsten) uit gaat. Ten tweede zijn maatschappelijke gebouwde voorzieningen van oudsher geen onderdeel van het ruimtelijk domein met als gevolg dat in grondexploitaties snel een knelpunt ontstaat, omdat gerekend is met functies die ook in het bestemmingsplan mogelijk zijn en een hogere opbrengst hebben dan de maatschappelijke voorzieningen. Ook is beheer van een uitbreiding van het areaal openbaar groen niet vanzelfsprekend structureel gedekt.
Onderwijs Wettelijke taak gemeente16 Investeringen De huisvesting van het primair en voortgezet (speciaal) onderwijs in Den Haag is gere geld in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Den Haag 2015.17 De verordening beschrijft hoe en voor welke zaken onderwijsinstellingen bekostiging van huisvesting moet worden geboden. Het gaat daarbij om vervanging en uitbreiding van schoolgebouwen. De toekenning van middelen loopt via het programma Onder
16 Wet op het primair onderwijs & Wet op het voortgezet onderwijs. 17 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Den Haag 2015.
< INHOUD
61
wijshuisvesting, dat jaarlijks door het college wordt vastgesteld binnen de kaders van de begroting. Het betreffen onrendabele investeringen die voortkomen uit de wettelijke taak van de gemeente. Hiervoor is ruimte gereserveerd in het MIP die structureel beschikbaar is voor Onderwijshuisvesting. In het gemeentefonds zit een niet gelabelde bijdrage voor onderwijshuisvesting die (deels) voorziet in de dekking van de investerings- en exploitatielasten. Exploitatie Als onderdeel van de lumpsum van het ministerie van OCW aan de schoolbesturen, ontvangt het bestuur een genormeerde vergoeding voor onderhoud, energieverbruik en schoonmaak. De schoolbesturen dienen het onderhoud te bekostigen voor het terrein en gebouw als het gaat om: • het onderhoud van de binnenkant; • het buitenonderhoud en aanpassingen; • het herstelonderhoud; • vervanging van leer- en hulpmiddelen. De gemeente bekostigt vanuit haar wettelijke taak de OZB en verzekering van school gebouwen en inboedel, geeft een vergoeding voor het onderhoud aan gymzalen, bekostigdde eerste inrichting en lespakketten, constructiefouten, glasschade, verhuizingskosten en waar van toepassing huurkosten en erfpachtcanon. Ook voorziet de gemeente in tijdelijke huisvesting voor scholen waar vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd.
Zorg Deels wettelijke taak gemeente18 Investeringen Huisvesting is een eigenstandige verantwoordelijkheid van de zorginstellingen. Exploitatie De huisvestingslasten worden deels via subsidies en inkoop, en deels via andere inkomsten bekostigd (markt/verzekeraars). Knelpunten Als gevolg van de decentralisatie van overheidstaken naar gemeenten in 2015 zijn structureel financiële tekorten ontstaan. Het Rijk draagt taken over aan de gemeente, maar zij krijgt daar geen of niet genoeg financiering voor. Gemeenten zijn sinds de decentralisatie verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen, en zorg aan lang durig zieken en ouderen.
18 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) & Jeugdwet & Wet publieke gezondheid.
< INHOUD
62
Welzijn Deels wettelijke taak gemeente19 Investeringen Hier is sprake van rendabele investeringen waarbij de kapitaallasten terugverdiend worden via de huurbaten. In veel gevallen, zoals bij club- en buurthuizen worden de welzijnsinstellingen door de gemeente gesubsidieerd. Exploitatie Servicepunten XL en de Centra voor Jeugd en Gezin zijn volledig bekostigd door de gemeente (in huur of eigendom). Knelpunten Als gevolg van de decentralisatie van overheidstaken naar gemeenten in 2015 zijn structureel financiële tekorten ontstaan. Het Rijk draagt taken over aan de gemeente, maar zij krijgt daar geen of niet genoeg financiering voor. Gemeenten zijn sinds de decentralisatie verantwoordelijk voor jeugdzorg, werk en inkomen, en zorg aan lang durig zieken en ouderen.
Cultuur Geen wettelijke taak gemeente Investeringen Investeringen in gemeentelijke cultuurpanden worden op grond van de gemeentelijke financiële systematiek in het meerjarig investeringsplan (MIP) als onrendabel aan gemerkt. Het als onrendabel aanmerken betekent dat de gemeente de kapitaallasten (afschrijvings- en rentelasten) voor zijn rekening neemt. Exploitatie Cultuurinstellingen draaien voor een belangrijk deel op subsidie en zijn veelal verantwoordelijkvoor het gebruikersonderhoud en de gemeente voor het eigenaren onderhoud. Subsidies worden door de gemeente toegekend via het Meerjarenbe leidsplan Kunst en Cultuur, waarin de plannen en financiële kaders voor de komende vier jaar worden vastgesteld. De bij de huurders in rekening gebrachte huur dient ter afdekking van de OZB, verzekeringenen het eigenaarsonderhoud. Het eigenaarsonderhoud wordt door de CVDH uitgevoerd op basis van een Meerjaren Onderhoudsplan. De vervanging van gebouwgebonden installaties is hierin niet opgenomen. Deze investeringen lopen via het MIP. Knelpunten De dekking voor de vervangingsinvesteringen van de gebouwgebonden installaties vanuit het verleden is niet structureel geregeld, maar wordt op basis van de beschikbare financiële ruimte afgewogen ten opzichte van andere investeringen. Dit terwijl dergelijkevervanging onontkoombaar is.
19 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) & Jeugdwet & Wet publieke gezondheid.
< INHOUD
63
Sport Geen wettelijke taak gemeente Investeringen De gemeentelijke sportaccommodaties worden onderhouden conform de methodiek van ‘conditie gestuurd’ onderhoud. Investeringen in de gemeentelijke sportaccom modaties (objecten die in gemeentelijk beheer zijn met een verwachte beheertermijn van minimaal vijf jaar) worden op grond van de gemeentelijke financiële systematiek in het meerjarig investeringsplan (MIP) opgenomen. De meeste investeringen zijn onrendabel. De rendabele investeringen worden door middel van de huuraanpassing met de huurder verrekend (denk in dit geval aan het de aanleg van het natuurgrasveld in het ADO stadion). Exploitatie De gemeentelijke sportvelden worden door de gemeente beheerd, terwijl de sport accommodaties in bruikleen aan de verenigingen worden gegeven, waarbij zij zorgdragen voor al het onderhoud. De verenigingen hebben de mogelijkheid om bij aanpassingenvan de accommodaties hier zowel gemeentelijke (IAS) als Rijkssubsidie (BOSA) aan te vragen. Bij aanleg van nieuwe sportaccommodaties (zowel binnen als buiten) zijn er middelen vanuit het MIP beschikbaar (uiteraard na goedkeuring Raad).
Gebruikers- en eigenaarsdeel van het onderhoud Het onderhoud van sportaccommodaties is verdeeld in gebruikers en eigenaren onderhoud, waarbij het gebruikers onderhoud door Sportvoorzieningen (OCW) wordt verricht en het eigenaren onderhoud (van de zwembaden en sporthallen) door CVDH. De onderhoudsdotatie voor zowel het gebruikersonderhoud als voor het eigenaren onderhoud is structureel ontoereikend voor het uitvoeren van het (duurzame) meer jaren onderhoudsplan. Insteek is dat dit met een oplopende reeks in de begroting wordt opgelost, maar grote knelpunten in onderhoud en hoge energielasten zorgen ervoor dat huidige middelen ontoereikend zijn. Knelpunten Bij afschaffing van de (diverse) subsidieregelingen bestaat de mogelijkheid dat het onderhoud aan de in bruikleen gegeven sportaccommodaties in verval raken en het onderhoud alsnog in handen van de gemeente wordt gelegd.
Spelen Geen wettelijke taak gemeente Investeringen Het wettelijk kader wordt gevormd door het Warenwetbesluit Attractie- en Speel toestellen (WAS). De Nederlandse Voedsel – en Warenautoriteit (NVWA) voert het toezicht hierop uit. In het WAS worden eisen gesteld aan de veiligheid van speeltoestel. De gemeente is verantwoordelijk voor alle speel- en beweegvoorzieningen in de openbare ruimte (in gemeente bezit). Bij nieuwbouwprojecten horen investeringen ten behoeve van spelen in het project te worden meegenomen.
< INHOUD
64
Exploitatie Het op orde houden van een kwalitatief goed en uitdagend speelvoorzieningenniveau kan de gemeente niet alleen. De gemeente betrekt ouders, verzorgers en vrijwilligers actief bij het beheer en onderhoud van speelplekken. De speelvoorzieningen voldoen aan de wettelijke kaders en zijn in goede staat van onderhoud. De speeltoestellen worden jaarlijks viermaal conform de wettelijke veiligheidseisen geïnspecteerd en er wordt zorg voor gedragen dat alle openbare speelvoorzieningen veilig zijn. Het onder houd van de speelvoorzieningen valt binnen het stadsdeelbudget voor Openbaar Groen en openluchtrecreatie. Knelpunten In projecten en grondexploitaties zijn niet altijd voldoende middelen opgenomen om ook spelen in de openbare ruimte mee te nemen.
Groen Geen wettelijke taak gemeente Investeringen Investeringen in ontwikkelgebieden kan de gemeente de kosten deels verhalen op ontwikkelaars. Dat kan ook de gemeente zelf zijn. Bij private ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de openbare ruimte, wordt een zogenaamde anterieure overeen komst gesloten met de ontwikkelende partij, waarin afspraken worden gemaakt over de aanleg/aanpassing van de openbare ruimte. Als een overeenkomst niet mogelijk is, gelden de regels voor kostenverhaal uit het omgevingsplan. De wet stelt een grens aan de kosten die verhaald mogen worden. Deze mogen niet hoger zijn dan de opbrengst van een project. Op dit moment verhaalt Den Haag de kosten voor extra groen in ontwikkelgebieden niet op ontwikkelaars. Dit betekent dat de gemeente afhankelijk is van eigen middelen en Rijksmiddelen. Exploitatie Openbaar groen in de wijken wordt volledig door de gemeente beheerd. De gemeente beheert het overgrote deel van de grote groengebieden en het strand. Het Haagse Bos en Malieveld worden door Staatsbosbeheer beheerd en Dunea beheert in Meijendel en Sol leveld. Daarnaast beheren private partijen (deels) publiek toegankelijke buitenruimte, zoals rondom het Maanplein. Knelpunten Aandachtspunt bij het doen van investeringen is inzicht in de toekomstige beheerlasten.
Bij een areaaluitbreiding of bij de aanleg van hogere kwaliteit dan voorzien in de begro ting, bestaat het risico op een structureel tekort op de beheerlasten. Grotere ontwik kelgebieden dienen dan ook voorzien te zijn van een beheerplan, dat inzicht geeft in de toekomstige beheerlasten. Het is gewenst in de ontwikkeling verschil te maken tussen openbare ruimte (beheerd door de gemeente) en publiek toegankelijke buitenruimte (hetgeen door gebruikers vaak als openbare ruimte wordt ervaren en een waardevolle toevoeging kan zijn indien aan randvoorwaarden wordt voldaan).
< INHOUD
65
Bijlage 3 Samenvatting rapportage Bureau Stedelijke Planning Bureau Stedelijke Planning (nu deel van SWECO) heeft in 2020 in opdracht van de gemeenteDen Haag onderzoek gedaan naar Haagse planologische referentienormen voor maatschappelijke en commerciële voorzieningen (inclusief groen- en speel voorzieningen). Het rapport vormt een belangrijke basis onder de Nota richtinggevende normen. Er is in 2020 onderscheid gemaakt in drie woonmilieus met verschillende demografische kenmerken en daarmee een andere behoefte aan voorzieningen: centrum-stedelijk, gemengd stedelijk en groen-blauw (in de nota Haagse richtinggevende normen 2024 is dit hernoemd in stedelijk), omdat deze wijken vergeleken met de rest van Nederland vrij stedelijk zijn. De planologische referentienormen zijn door Bureau Stedelijke Planning in beeld gebracht op basis van: • Consultatie van de reeds aanwezige expertise en kennis binnen de gemeente en een werksessie om de normen onderling af te stemmen. • Bestaande onderzoeken, zoals de voorzieningenkaarten voor de diverse ontwikkel gebieden in Den Haag en vergelijkbare richtinggevende normen/referentienormen van andere grootstedelijke gemeenten. • Normen en ambities vastgelegd in het Haagse beleid of (landelijk) wettelijk verplicht. • Belangrijke trends en ontwikkelingen die van invloed zijn op de richtinggevende normen.
• Data-analyse van Haagse of landelijke referenties. De Haagse referentiewijken zijn hieronder weergegeven. De richtinggevende normen zijn mede gebaseerd op het gemiddelde van de voorzieningenniveaus van deze wijken:.
Figuur 13 Haagse referentiewijken (‘Groen en Blauw’ heet nu ‘Stedelijk’)
< INHOUD
66
Deze kaart schrijft niet voor hoe deze wijken zich nar de toekomst toe moeten ontwikkelen. Die keuze wordt gemaakt in de omgevingsvisie en de uitwerking daarvan in gebiedsvisies. Bureau Stedelijke Planning adviseert de onderstaande vervolgstappen om te komen tot een efficiënt gebruik van richtinggevende normen in de ontwikkeling van de stad: • Nadere afstemming binnen de verschillende diensten en afdelingen van de gemeente van de richtinggevende normen: een deel van de normen betreft ook beleidsmatige keuzes over het gewenste voorzieningenniveau. • Tegelijk met het in beeld brengen van deze richtinggevende normen lopen onder zoeken naar de mogelijkheden van meervoudig ruimtegebruik en slimme innovatieve oplossingen voor voorzieningen. Leg deze onderzoeken naast de richtinggevende normen om te bezien waar slimme combinaties kunnen leiden tot efficiënter ruimte gebruik en een verlaging van de footprint. • Het in beeld brengen van de onder- of overbenutting van de huidige voorraad aan voorzieningen, uitgesplitst naar wijken. Waarbij ook de bereikbaarheid en een goede spreiding van de voorzieningen over de stad onderdeel is. Zo kan bijvoorbeeld ook de mogelijkheid van het gebruik voor een ander type voorziening buiten de piektijden en de huidige bezetting van sportvelden worden onderzocht.
• Nader onderzoek naar het verschil in gebruik van voorzieningen tussen sociaal economisch sterkere en zwakkere wijken. Bron: Eindrapportage Ruimtelijke referentienormen voorzieningen Den Haag, d.d. 4 juni 2020, Bureau Stedelijke Planning, projectnummer 2019.G.123, referentie: 2019.E.123 Den Haag referentienormen 040620.
< INHOUD
67
Colofon Dit is een uitgave van Gemeente Den Haag Vormgeving Dienst Bedrijfsvoering Multimedia Februari 2024
< INHOUD
68