CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS317835 Bijlage 1 Nota Haagse richtinggevende normen MV en groen 2024

Gemeenteraad 12 september 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Voorstel van het college inzake nota ‘Haagse richtinggevende normen maatschappelijke voorzieningen en groen 2024' (RIS317835)20.075 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Haagse richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen 2024

Gemeente Den Haag 30 januari 2024

Inhoud Samenvatting

4

1 Inleiding

5

De verantwoorde ontwikkeling van de stad

5

Normen als hulpmiddel

6

Leeswijzer

7

2 Richtinggevende normen maatschappelijke voorzieningen en groen 2.1 Doel van de richtinggevende normen

8

2.1.1

Verschil ontwikkelgebieden en rest van de stad

9

2.1.2

Richtinggevende normen zijn een ruimteclaim

9

2.1.3

Middelen nodig om ruimteclaim te realiseren

10

2.1.4

Richtinggevende normen niet het enige instrument

10

2.1.5

Woonmilieus

11

2.1.6

Schaalniveau en verzorgingsgebied voorzieningen

12

2.1.7

Groen: doelen, afstand en kwaliteit ook belangrijk

13

2.1.8

Normen aanpassen aan verandering in de samenleving

15

2.1.9

Andere factoren van invloed op gebruik voorzieningen

20

2.2 Opbouw richtinggevende normen

20

2.3 Tabel Haagse richtinggevende normen maatschappelijke voorzieningen en groen

22

2.4 Beslisboom Buitensport

29

3 Toepassing richtinggevende normen in ontwikkelgebieden: maatwerk per gebied

< INHOUD

8

31

3.1 Planvorming ontwikkelgebieden

31

3.2 Realisatie ontwikkelgebieden

32

3.2.1

Van richtinggevende normen naar bevolkingsprognoses

33

3.2.2

Benutting bestaande voorzieningen 

33

3.2.3

Gecombineerd, gedeeld en slim ruimtegebruik

33

3.2.4

Inzet van voorzieningen per gebied, deelgebieden en omliggende wijken

33

3.2.5

Benutting tijdelijkheid

34

3.2.6

Participatie en samenwerking

34

3.3 Nut en noodzaak, bestuurlijke keuzes

34

2

4 Van richtinggevende normen naar realisatie: verdere uitwerking, financiering en ontwikkelstrategie

36

4.1 Voorzieningenprogramma’s en openbare ruimte plannen: maatwerk per gebied

37

4.2 Integrale Huisvestingsplannen

39

4.3 Gebiedsgerichte aanpak en stadsbrede planning van voorzieningen

39

4.4 Regie op voorzieningen: realisatie- en ontwikkelstrategie per gebied

40

4.4.1

Regierol per type voorziening

40

4.4.2

Actief grondbeleid

42

4.4.3

Juridische instrumenten (Omgevingswet)

42

4.4.4

Bekostiging

42

4.4.5

Plintenstrategie 

42

4.4.6

Place making/stadsmaken, samenwerking met woning­corporaties­/­­ ontwikkelaars en participatie

43

4.5 Financiële dekking

44

4.6 Monitoring

45

4.6.1

Stadbrede monitoring via Integrale huisvestingsplannen

46

4.6.2

Ontwikkelgebieden: Voortgangsrapportages

46

4.6.3

Ontwikkelgebieden: herijking voorzieningenprogramma’s

46

Bijlagen47 Bijlage 1 Onderbouwing per domein

< INHOUD

48

Bijlage 1a. Onderwijs

48

Bijlage 1b. Zorg en welzijn

49

Bijlage 1c. Kunst en cultuur

51

Bijlage 1d. Sport

52

Bijlage 1e. Openbare ruimte (groen en spelen)

56

Bijlage 2 Bekostiging maatschappelijk vastgoed

61

Bijlage 3 Samenvatting rapportage Bureau Stedelijke Planning

66

3

Samenvatting De bevolking van Den Haag groeit, en de vraag naar maatschappelijke voorzieningen­ groeit mee. Naast het toevoegen van woningen is het nodig om ook het voorzieningen­ niveau in deze gebieden mee te laten groeien. Zo zorgen we voor een evenwichtige en verantwoorde ontwikkeling van de stad: leefbaar, gezond, veerkrachtig en aantrekkelijk. Om te sturen op voldoende voorzieningen in de stad gebruikt de gemeente verschillende­instrumenten, elk met een ander doel: • Normeren: Het college heeft in 2021 de nota ‘Haagse referentienormen maat­ schappelijke voorzieningen’ vastgesteld (RIS307513). Deze richtinggevende normen geven aan hoeveel vierkante meter moet worden gereserveerd voor maatschappelijke voorzieningen en groen bij het opstellen van structuurvisies en voorzieningennota’s voor ontwikkelgebieden. • Reserveren: de raad legt in gebiedsvisies (tot 2024 structuurvisies) voor ontwikkel­ gebieden vast hoeveel voorzieningen nodig zijn, en waar. Hiermee is voor langere tijd (10-20 jaar) ruimte gereserveerd voor de voorzieningen en het groen. • Investeren: het college stelt Integrale Huisvestingsplannen (IHP’s) vast. Hierin staat een concreet investeringsplan voor tien jaar voor de hele stad, gebaseerd op de meest actuele bevolkingsdata. Hierin worden rekening gehouden zowel met nieuwbouw als met de bestaande situatie.

• Realiseren: op basis van de IHP’s realiseert het college realiseert voorzieningen in ontwikkelgebieden. Deze nota ‘Haagse richtinggevende normen voor maatschappelijke voorzieningen en groen 2024’ vervangt de nota ‘Haagse referentienormen maatschappelijke voorzieningen’ uit 2021, Hiermee zet de raad het beleid over maatschappelijke voorzieningen en groen voort, dat eerst door het college is uitgestippeld. De nieuwe nota is op onderdelen aangepast, naar aanleiding van een evaluatie en van moties van de afgelopen drie jaar: de tabel met richtinggevende normen is aangevuld met normen voor cultuur en met normen voor het hoogstedelijk gebied dat ontwikkeld wordt in het CID. En deze nota geeft meer duidelijkheid over hoe we omgaan met groen in de ontwikkelgebieden.

< INHOUD

4

1

Inleiding De verantwoorde ontwikkeling van de stad Den Haag is in trek: Met een voorziene groei van bijna 5.000 inwoners per jaar neemt de vraag naar woningen in de stad enorm toe. In de Agenda Ruimte voor de Stad (2016) is in beeld gebracht waar de groei van het aantal inwoners geaccommodeerd kan worden. De raad besloot om het grootste deel van de bevolkingsgroei op te vangen in drie ontwikkelgebieden: het Central Innovation District, de Binckhorst en in Zuidwest. De komende decennia is de ambitie om in deze ontwikkelgebieden tienduizenden woningen toe te voegen. Deze woningen moeten worden toegevoegd aan de bestaande stad, waar vrije ruimte en gemeentelijke grondposities schaars zijn. Met het toevoegen van woningen alleen, creëren we nog niet de aantrekkelijke, inclusieve­en levendige stad die we voor ogen hebben. De leefbaarheid van de stad is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder milieu, verkeer etc. Dit document spitst zich toe op maatschappelijke voorzieningen, inclusief groen en spelen. In het coalitieakkoord 2023-2026 staat dat de groei van de stad gepaard gaat met voldoende voorzieningen. Ruimtelijk willen we voorzieningen toevoegen daar waar de vraag toeneemt. Bovendien richten we ons nadrukkelijk op de verbetering van de leef­ baarheid in delen van de stad waar deze onder druk staat.

Voorzieningen zijn bovendien van belang voor de gezondheid, weerbaarheid, toegankelijkheid, ontplooiing en sociale cohesie. Dit is van cruciaal belang voor het functioneren en de aantrekkelijkheid van Den Haag.

< INHOUD

5

Normen als hulpmiddel Gezien de ambitie om in hoog tempo woningen bij te bouwen, is een richtinggevend instrument nodig voor (maatschappelijke) voorzieningen bij de ontwikkelgebieden. Daarom heeft het college van B&W in 2021 de nota Haagse referentienormen voor maatschappelijke voorzieningen (RIS307513) vastgesteld. Deze nota vormt sindsdien een uitgangspunt bij ontwikkelgebied, als eerste stap om voldoende ruimte en middelen­voor maatschappelijke voorzieningen en groen bij ontwikkelgebieden te kunnen reserveren. Deze herziene nota is tot stand gekomen na een evaluatie (RIS316628). De nota bevat normen voor de ruimtevraag per type maatschappelijke voorziening, uitgedruk­t in vierkante meters per 1.000 woningen. Deze richtinggevende normen houden rekening met het verzorgingsgebied van een voorziening. Ook maken zij onderscheid in vier soorten gebieden.

Wat is een maatschappelijke voorziening? Maatschappelijke voorzieningen omvatten onderwijs, 1e en 2e lijnszorg, welzijn, kunst en cultuur, sport en spelen. Dit zijn voorzieningen die vanouds worden gezien als basisbehoeften, waar iedereen toegang toe zou moeten hebben. Voor onderwijs en het centrum jeugd- en gezin heeft de gemeente wettelijke huisvestingstaken. Voor de andere voorzieningen heeft de gemeente traditioneel een rol, maar geen wettelijke taak.

Wat bedoelen we met groen? In deze nota gaat het om beleefbaar groen in de directe woonomgeving. Dit groen dient voor recreatie en gezondheid van inwoners, voor de bio­ diversiteit, voor de opvang van neerslag en verkoeling van de stad. De hoeveel­ heid groen die nodig is in de woonomgeving valt te relateren aan het aantal inwoners. De grote groengebieden (bijvoorbeeld het Haagse Bos) die onderdeel zijn van de Stedelijke Groene Hoofdstructuur (RIS300506) vallen buiten deze definitie van groen. Ecologische verbindingen in de wijken kunnen wel onderdeel zijn van groen in de directe woonomgeving. Speel- en sportvoorzieningen in de buiten­ ruimte kunnen in het groen gesitueerd worden. Sportcomplexen vallen niet onder groen, omdat zij doorgaans niet openbaar toegankelijk zijn. Bovendien moet het mogelijk blijven om hier kunstgras en binnenaccommodaties aan te leggen. De nadruk ligt in deze nota op de voorzieningen waar de gemeente een rol heeft en waarvan de behoefte goed te relateren is aan het aantal inwoners in een wijk of ontwikkelgebied. Andere maatschappelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld beroepsonderwijs of gebedsruimtes zijn ook onderdeel van het voorzieningen­ niveau, maar hiervoor vallen geen richtinggevende normen vast te stellen.

< INHOUD

6

Deze richtinggevende normen zijn bedoeld als hulpmiddel om in ontwikkelgebieden tot een adequaat voorzieningenniveau te komen. De richtinggevende normen vormen daarmee een belangrijke schakel om de ontwikkeling van ontwikkelgebieden integraal aan te pakken. Woningbouw en maatschappelijke voorzieningen en groen zijn niet los van elkaar te zien bij de verdichtingsopgave van Den Haag. Sinds de vaststelling van de nota is deze toegepast in verschillende structuurvisies, in voorzieningenonderzoeken voor ontwikkelgebieden, en in integrale huisvestings­ plannen voor maatschappelijk vastgoed. De richtinggevende normen zijn met behulp van interne en externe expertise samen­ gesteld en gebaseerd op bestaand landelijk of gemeentelijk beleid, eerder vastgestelde Haagse normen en ambities, of als extrapolatie van het huidige voorzieningenniveau in de stad.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 staat het beleid: het doel van de richtinggevende normen, de tabel met de normen, en uitleg daarbij. • Paragraaf 2.1 beschrijft het doel van de richtinggevende normen. Deze paragraaf wordt later opgenomen in de Omgevingsvisie, deel A (visiedeel). • Paragrafen 2.2 en 2.3 bevatten de tabel met de normen zelf, en de uitleg daarbij. Deze worden later opgenomen in de Omgevingsvisie, deel B (beleidsdoorwerking). In hoofdstuk 3 en 4 staat uitleg hoe dit beleid wordt toegepast in de ontwikkelgebieden en in de rest van de stad.

< INHOUD

7

Referentie in Lyon, Frankrijk

2

Richtinggevende normen maatschappelijke voorzieningen en groen

2.1

Doel van de richtinggevende normen De opgave om vorm en inhoud te geven aan een evenwichtige groei van de stad is groot. De richtinggevende normen zijn een van de instrumenten om deze opgave te realiseren. Zij geven houvast om niet-woonfuncties direct mee te ontwikkelen in ontwikkel­ gebieden. Zonder dit instrument bestaat het risico dat te laat duidelijk wordt waar aanvullende voorzieningen nodig zijn. Richtinggevende normen zijn een hulpmiddel om tot leefbare wijken te komen. Niet een toetsingskader om plannen af te wijzen. Zij vormen een vertrekpunt bij planvorming voor gebieden. Bij de nadere uitwerking van die plannen kijken we ook naar bevol­ kingsprognoses en houden we rekening met kwalitatieve aspecten , zoals meervoudig ruimtegebruik en groene netwerken. Daaruit komt een kostenplaatje rollen waarvoor dekking wordt gezocht. De nota ‘Haagse richtinggevende normen maatschappelijke voorzieningen en groen 2024’ geldt niet als toetsingskader voor de toelaatbaarheid van een individueel (bouw)project. Het geeft met andere woorden geen afwegingskader bij het verlenen van bijvoorbeeld omgevingsvergunningen. De nota betreft dus geen beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De richtinggevende normen houden ook rekening met de verschillen tussen gebieden in de stad. Daarom zijn voor verschillende woonmilieus verschillende richtinggevende normen opgenomen.

< INHOUD

8

2.1.1 Verschil ontwikkelgebieden en rest van de stad De richtinggevende normen kunnen in principe voor de toevoeging van woningen in de hele stad worden toegepast, maar dat gebeurt niet overal op de zelfde manier. Voor de hele stad worden Integrale huisvestingsplannen (IHP’s) opgesteld. Deze bevatten een concreet investeringsplan voor 10 jaar voor de hele stad, met locaties en bedragen. Deze zijn gebaseerd op bevolkingsprognoses, maatschappelijke trends en de staat van het gemeentelijk bezit. Voor groen is veel beleid vastgesteld maar nog geen integraal investeringsplan. Voor ontwikkelgebieden (nu: Binckhorst, Zuidwest en CID) stellen we structuurvisies en voorzieningenprogramma's op. Deze geven voor 15-20 jaar aan hoeveel ruimte eer in die ontwikkelgebieden moet worden vrijgehouden voor maatschappelijke voorzieningen en groen. En waar die ruimte te vinden is. Die langdurige reservering is nodig omdat de opgave voor maatschappelijke voorzieningen en groen in ontwikkelgebieden veel groter is dan in de rest van de stad. Binnen de vrijgehouden ruimte zorgen de IHP's voor de concrete investeringen.

2.1.2 Richtinggevende normen zijn een ruimteclaim De richtinggevende normen drukken de ruimtebehoefte per type voorziening uit in vierkante meters per 1.000 woningen. Daarmee wordt de voorzieningenbehoefte direct te relateren aan de woningbouwprogramma’s in een gebied. De richtinggevende normen vormen een uitgangspunt voor het toe te voegen aantal voorzieningen in ontwikkel­ gebieden: hoeveel en waar. Zij zijn niet bedoeld als juridisch bindende norm. Wel zijn ze bedoeld om bij ontwikkelgebieden aan de voorkant globaal onderbouwde ruimte- en investeringsclaims te kunnen doen. Bij de toepassing van de richtinggevende normen in gebiedsvisies en voorzieningenprogramma's voor gebieden worden de claims stap voor stap omgezet in realistische projecten. Daarbij wordt dan ook rekening gehouden met ander beleid, zoals programma’s van eisen voor accommodaties, en eisen aan openbaar groen zoals het handboek openbare ruimte, bomennota en nota stadsnatuur.

Figuur 1 Voorbeeld: ruimteclaim voorzieningen CID

< INHOUD

9

In Den Haag is grond schaars en het aantal gemeentelijke grondposities beperkt. Des te belangrijker is het om in een vroeg stadium te bepalen welke locaties nodig zijn om voorzieningen te ontwikkelen, welke locaties beschikbaar zijn voor andere programma’s en welke combinaties van functies mogelijk zijn. De richtinggevende normen helpen om deze afweging tijdig te kunnen maken.

Figuur 2 Voorbeeld: voorzieningen Zuidwest

2.1.3 Middelen nodig om ruimteclaim te realiseren Een ruimtereservering alleen zorgt er niet voor dat de voorzieningen en groen er komen. Voor de realisatie van voorzieningen zijn ook in een vroeg stadium middelen nodig. Voor de investering worden in het Meerjaren Investerings­programma (MIP) van de gemeente­middelen opgenomen. Ook horen daarbij middelen voor de kosten voor beheer, onderhoud en exploitatie op de gemeente­begroting. Ook zijn in de ontwikkel­ gebied middelen nodig voor de inrichting van openbare ruimte en voor verwervingen. Dit vraagt om dekking in grondexploitaties, verhalen van kosten op marktpartijen, bijdragen in de gemeentebegroting in het programma stadsontwikkeling en veelal Rijksbijdragen. Zo niet, dan komt de realisatie van de voorzieningen in gevaar en kunnen tekorten ontstaan.

2.1.4 Richtinggevende normen niet het enige instrument De richtinggevende normen zijn niet de enige manier waarop de raad regie kan nemen op voorzieningen en groen. Hieronder is aangegeven welke instrumenten de raad en het college ter beschikking hebben. Door deze instrumenten in samenhang in te zetten houdt de gemeente grip op de komst van voorzieningen. Figuur 3 Voorbeeld: sturingsinstrumenten Zuidwest

< INHOUD

10

2.1.5 Woonmilieus Om te bepalen hoeveel voorzieningen er in een ontwikkelgebied nodig zijn gaan we uit van het voorzieningenaanbod in vergelijkbare bestaande wijken. In Den Haag zijn verschillende­wijken met verschillende eigenschappen. Zo verschillen wijken in bevolkingsdichtheid, huishoudenssamenstelling en stedenbouwkundige structuur. Dat betekent dat niet elke wijk evenveel van elke voorziening nodig heeft. Een wijk met veel kinderen heeft meer scholen nodig dan een wijk met weinig kinderen. En in het dichtbebouwde centrum verwacht je minder groen per inwoner dan in de buitenwijken. De richtinggevende normen zijn mede gebaseerd op het voorzieningenaanbod in een aantal ‘referentiegebieden’ in Den Haag. Om het overzichtelijk te houden is Den Haag ten behoeve van richtinggevende normen ingedeeld in vier typen woonmilieus: “hoog­ stedelijk”, “centrum-stedelijk”, “gemengd stedelijk” en “stedelijk”. Elk woonmilieu heeft een eigen karakter met bijbehorende unieke behoeften en gemiddelde huishoudens­ grootte, en dus met eigen richtinggevende normen. In het CID creëren we een hoogstedelijk milieu. Dit milieu kennen we nu nog niet in Den Haag. De normen hiervoor zin dus niet gebaseerd op een hoogstedelijk referentie­ gebied maar zijn ontwikkeld bij het opstellen van het voorzieningenonderzoek CID.

< INHOUD

11

Binnen de gehanteerde woonmilieus zitten logischerwijs ook verschillen tussen wijken. Met name in het centrum-stedelijke woonmilieu is een grote variatie tussen de wijken aanwezig. Zo is het aantal kinderen en de huishoudensgrootte in de Schilderswijk relatief hoog, terwijl in het centrum een groot deel van de huishoudens uit één persoon bestaat. De bestaande voorzieningen en de (over- of onder) benutting hiervan kan leiden tot een verschillende additionele behoefte per wijk. De uiteindelijke behoefte per wijk wordt gefinetuned tijdens de planvorming en ontwikkelingen per gebied. Wijzigingen in de bevolkingssamenstelling betekenen een ander voorzieningenaanbod.

Woonmilieus richtinggevende normen anders dan woonmilieus uit de woonvisie De vier woonmilieus voor de richtinggevende normen sluiten niet aan bij de tien verschillende woonmilieus uit de woonvisie Den Haag 2017-2030 (RIS296833). Voor de richtinggevende normen is een dergelijke fijnmazige indeling niet praktisch en niet noodzakelijk. Ondanks verschillen tussen gebieden, komt de behoefte aan voorzieningen op hoofdlijnen overeen binnen de vier woonmilieus. Bij de nadere uitwerking in voorzieningenprogramma’s is ruimte voor maatwerk en kunnen karakteristieke eigenschappen van de gebieden worden meegenomen. Ook zorgen wijzigingen in de bevolkingssamenstelling voor een andere behoefte aan voorzieningen.

De keuze wat voor woonmilieu een ontwikkelgebied gaat worden, werd tot 2024 gemaakt bij het opstellen van de structuurvisie voor dat ontwikkelgebied. Vanaf 2024 wordt dat anders door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De omgevingsvisie gaat dan op hoofdlijnen aangeven wat de ontwikkelrichting van alle delen van de stad wordt. Bij de uitwerking van de Omgevingsvisie in gebiedsvisies[1]1 wordt bepaald wat voor woonmilieu een gebied gaat worden, en dus hoeveel voorzieningen en groen daarbij horen. Als door verdichting het toekomstige woonmilieu anders wordt dan nu, dan hoort daar ook een andere hoeveelheid voorzieningen en groen per woning bij. Vooral bij groen kan het zijn dat de hoeveelheid groen per woning minder wordt dan nu, ook al blijft de totale hoeveelheid groen gelijk. De gebiedsvisie dient hier duidelijkheid over te geven.

2.1.6 Schaalniveau en verzorgingsgebied voorzieningen Iedere voorziening kent een eigen omvang van het verzorgingsgebied en een maximale afstand die de gebruikers bereid zijn om af te leggen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen voorzieningen die op buurt/wijk-, stadsdeel- en stedelijk niveau aanwezig dienen te zijn.

1

Na de vaststelling van de Omgevingsvisie Den Haag zal het college deze voor delen van de gemeente uitwerken in gebiedsvisies.

< INHOUD

12

Wel kan er uitwisseling tussen de woonmilieus plaatsvinden. Zo passen culturele voorzieningen als musea het beste in de binnenstad of andere goed bereikbare plekken, terwijl grote ruimtevragende voorzieningen als buitensportaccommodaties beter in minder dichtbevolkte gebieden passen. Daarbij is het van belang om het evenwicht en de bereikbaarheid ook stadsbreed te bewaken. Tot slot dienen voorzieningen multi­ modaal (= met verschillende vervoersmiddelen) bereikbaar te zijn. Dit om te voorkomen dat een nieuwe voorziening extra autoverkeer oplevert.

2.1.7 Groen: doelen, afstand en kwaliteit ook belangrijk Groen in de leefomgeving dient meerdere doelen. • Recreatie (wandelen, sporten, spelen, ontmoeten, tuinieren, picknicken, evenementen, stroken met hondenuitlaat etc, zie ook norm spelen en sporten • Klimaatadaptatie (waterberging en voorkomen hittestress) • Uitzicht en groenbeleving (3-30-300 regel) • Bevordert biodiversiteit • Positief effect op de gezondheid Niet elk stuk groen hoeft al deze doelen te vervullen. Bijvoorbeeld een groene spoorberm die niet toegankelijk is voor mensen, kan juist een hoge waarde hebben voor de bio­ diversiteit en voor wateropvang. Terwijl een druk belopen speelweide weinig ecologische waarde heeft. Openbaar groen is ook bedoeld voor sport, spel en ontmoeting. Voor dat doel kan een klein deel van het openbaar groen (half)verhard worden als paden of speelondergronden. Aanvullend aan de oppervlaktenormen voor openbaar groen is het zinvol om ook andere criteria te betrekken bij planvorming. Afstand Uit wetenschappelijk onderzoek2 blijkt dat het zinvol is om richtafstanden tot groen vast te stellen. Het coalitieakkoord 2023-2026 kiest ook deze weg: in het akkoord staat het uitgangs­ punt dat iedereen op 300 meter van elke woning een groene verblijfsplek is. Waar deze ontbreekt, ligt er een opgave om nieuw groen te realiseren.

Deze opgave zit in de Binckhorst (plan openbare­ruimte en buitenruimte Binckhorst, RIS303175 en RIS310092) en Laakhavens­(gebieds-NVU laakhavens, RIS311821). Voor het CID is er uitgezocht in hoeverre groen binnen bereik is. In onderstaande kaart is aangegeven welk deel van het gebied ligt binnen 300 meter en 750 meter van een park. 300 meter tot een groene verblijfsplek is het uitgangspunt van het coalitieakkoord 2023-2026. Met 750 meter is groen op aanvaardbare afstand, gebaseerd op een aanpak van Amsterdam.

2

Evaluatie Nota Haagse referentienormen/G4 en Europees vergelijkend onderzoek biedt een overzicht van dit onderzoek

< INHOUD

13

Figuur 5 afstand (hemelsbreed) tot stadsparken na toevoegen nieuw park

Andere kwantitatieve criteria In het coalitieakkoord 2023-2026 staat ook het streven dat je vanuit elke woning drie bomen ziet, en dat 30% van een wijk in de schaduw valt van een boom. Dit streven wordt ook genoemd in de tabel met richtinggevende normen in deze nota. Ook krijgen deze criteria een plek in de openbare ruimte plannen, die worden opgesteld bij ontwikkelgebieden of bij herinrichting van straten.

Kwaliteit groen Het gaat niet alleen om het aantal vierkante meters groen of aantal bomen, maar ook om de kwaliteit. Inzet is om te voorzien in een hoogwaardige groene buitenruimte met een hoge gebruiks- en ecologische waarde. Het Haagse groenbeleid en het G4 en Europees vergelijkend onderzoek (RIS316628) sluiten goed op elkaar aan. Een aantal aspecten is belangrijk om mee te nemen bij planvorming in ontwikkelgebieden: • Ecosysteemdiensten – wat levert groen op voor bijvoorbeeld de biodiversiteit? • Netwerken – is het groen met elkaar verbonden? Dit is van belang voor de beleving van bewoners en voor de biodiversiteit. • Meervoudig ruimtegebruik – denk aan parken op overkluizingen, of juist openbaar spelen en sporten in gebouwen, zodat de bodem vrij blijft voor groen. Investeringen in kwaliteit mogen echter niet te veel ten koste gaan van de kwantiteit. Ze zijn beide belangrijk.

< INHOUD

14

2.1.8 Normen aanpassen aan verandering in de samenleving In de voorzieningenonderzoeken en IHP’s houden we rekening met de bevolkings­ prognoses over 10 jaar. Ontwikkelingen op langere termijn kunnen ertoe leiden dat de richtinggevende normen zelf aangepast moeten worden. Denk aan vergrijzing en maatschappelijke trends. Daarom is het noodzakelijk om na vaststelling de richting­ gevende normen regelmatig (elke 2-4 jaar) te evalueren. Op basis van evaluatie kan worden vastgesteld of de richtinggevende normen nog aansluiten bij de behoeften van de bewoners en de ambities van Den Haag, of dat de richtinggevende normen moeten worden bijgesteld. Dit doen we niet te vaak, omdat we met de richtinggevende normen continuïteit willen bieden. In 2023 zijn de normen voor het eerst geëvalueerd (RIS316628). Uit de evaluatie bleek dat enkele aanpassingen wenselijk zijn. Onder andere het vaststellen van richting­ gevende normen voor hoogstedelijk gebied, en het verduidelijken van de richting­ gevende normen voor groen.

< INHOUD

15

De vier woonmilieus 1. Hoogstedelijk Voor dit woon milieu bestaat nog geen bestaande referentie in Den Haag3. Het Central Innovation District zal zich de komende jaren ontwikkelen­tot een hoogstedelijk woonmilieu. Op basis van de verwachte samenstelling van de bevolking en in welke mate die afwijkt van het centrum-stedelijk milieu zijn richtinggevende normen voor hoogstedelijk gebied opgesteld. In het voor­ zieningenonderzoek CID is per deelgebied gekeken hoe de verwachte bevolkings­ samenstelling afwijkt.

Kenmerken van deze wijken: • Groot aandeel 25-45-jarigen en eenpersoonshuishoudens; • Wonen midden tussen winkels, kantoren en (unieke) voorzieningen voor bewoners, bezoekers, werknemers en toeristen; • Zeer veel drukte, veel te zien en veel te beleven op straat; • Uitmuntend OV; • Zeer hoge bebouwingsdichtheid, hoogbouw en functiemenging in gebouwen.4 • Verwachte gemiddelde huishoudensgrootte nieuwbouw van maximaal 1,7 per deelgebied. Dit varieert sterk per wijk.

Afbeelding: hoogstedelijk woonmilieu, bron: foto Manchester Campus (Mecanoo) & impressie HS kwartier CID Den Haag (KCAP)

< INHOUD

3

Rotterdam heeft hoogstedelijk gebied, maar daarvoor geen aparte richtinggevende normen opgesteld

4

RIS296833 Woonvisie Den Haag 2017-2030.

16

2. Centrum-stedelijk Voor dit woonmilieu is gekeken naar de referentiegebieden Zeeheldenkwartier, Regentessekwartier, Transvaalkwartier, Schildersbuurt en Stationsbuurt. Dit type wijken heeft de volgende kenmerken: • Groot aandeel 25-45-jarigen en eenpersoonshuishoudens (55%); • Vooral meergezinswoningen (88%); • Gemiddelde huishoudensgrootte van 1,94. Dit varieert sterk per wijk. • Wonen tussen andere functies zoals in metropolitaan milieu, maar met meer wonen en minder kantoren; • Goede bereikbaarheid met het OV; • Wonen in een levendige omgeving nabij het centrum van grote stad; • Veel stedelijke voorzieningen, veel soorten (bijzondere) winkels en horeca en veel verschillende soorten bewoners en bezoekers; • Appartementen dominant.5

Afbeelding: centrum-stedelijk woonmilieu, bron foto's: gemeente Den Haag

5

< INHOUD

RIS296833 Woonvisie Den Haag 2017-2030.

17

3. Gemengd-stedelijk Voor dit woonmilieu is gekeken naar de referentiegebieden Bomen- en Bloemen­ buurt, Waldeck, Vruchtenbuurt, Valkenboskwartier, Loosduinen, Leyenburg, Bouwlust en Vrederust en Morgenstond. Dit type wijken heeft de volgende kenmerken: • Meest diverse leeftijdsopbouw en huishoudenssamenstelling van de drie milieus; • 46% van de huishoudens bestaat uit één persoon; • Sterke nadruk op meergezinswoningen (84%); • Gemiddelde huishoudensgrootte van 1,96; • Rustige vooroorlogse woonstraten- en buurten in een levendige omgeving met winkels, wijkvoorzieningen en horeca relatief dichtbij het centrum van de stad; • Stadswoningen, boven- en benedenwoningen met kleine tuinen; • Woonfunctie dominant. Zowel wijken met hogere dichtheden en meer voorzieningen, als wijken met lagere dichtheden en veel groen; • Bewoners hechten sterk aan autobereikbaarheid; • Woonwijken uit de jaren 70 aan de rand van de stad met een mix van laag- en hoogbouw, zowel koop- als particuliere als sociale huur. Ook hier eigen voorzieningencentra aanwezig.6

Afbeelding: gemengd-stedelijk woonmilieu, bron: Wonen in Den Haag

6

< INHOUD

RIS296833 Woonvisie Den Haag 2017-2030.

18

4. Stedelijk Voor dit woonmilieu is gekeken naar de referentiegebieden Wateringse Veld, Leidschenveen en Ypenburg. Dit type wijken heeft de volgende kenmerken: • Groot aandeel gezinnen (57%); • Relatief veel kinderen (0-15 jaar) en 45-65-jarigen; • Groot aandeel eengezinswoningen (74%); • Gemiddelde huishoudensgrootte van 2,73. • Woonwijken met vooral eengezinswoningen met tuinen uit de jaren ’60-’90 (laatste gebieden nog af te maken). Zeer kindvriendelijk. Bewoners op de auto georiënteerd; • Winkelcentrum en basisvoorzieningen in de wijk; • Woonbuurten met ruime opzet, veelheid aan openbare ruimte; • In de oudere buurten veel sociale huurappartementen, de afgelopen jaren zijn eengezinswoningen toegevoegd; • Bewoners georiënteerd op voorzieningencentra in de wijk, vanwege grotere afstand tot centrum.7

Afbeelding: stedelijk woonmilieu. bron beelden: Wonen in Den Haag

7

< INHOUD

RIS296833 Woonvisie Den Haag 2017-2030.

19

2.1.9 Andere factoren van invloed op gebruik voorzieningen Het gebruik van maatschappelijke voorzieningen en groen wordt niet alleen bepaald door de beschikbaarheid. Ook zaken als persoonlijke voorkeuren en levensstijl bepalen mee of een voorziening goed gebruikt wordt. Bijvoorbeeld bij scholen bepalen ouders naar welke school zij hun kind sturen, dat hoeft niet de school in de buurt te zijn. En bij huisartsen zien we dat veel mensen na een verhuizing nog steeds naar hun oude huisarts in een andere wijk gaan. Dit kan ertoe leiden dat sommige scholen en huis­ artsenpraktijken overvol zijn, terwijl andere nog plek over hebben. De gemeente kan hier niet van tevoren rekening mee houden. Wel kan de gemeente tijdens de ontwikkeling van een gebied bijsturen.

2.2

Opbouw richtinggevende normen Wat zijn maatschappelijke voorzieningen? Zoals in hoofdstuk 1 is aangegeven zijn er richtinggevende normen opgesteld voor de domeinen onderwijs, zorg, welzijn, kunst en cultuur, sport, spelen en groen. Het gaat er hierbij om, in de basisbehoeften en welzijn van Den Haag als geheel te voorzien. Deze voorzieningen zijn essentieel om de kwaliteit van leven van de bewoners te verbeteren en om ervoor te zorgen dat Den Haag goed functioneert, De nadruk ligt op de voorzieningen waar de gemeente voor aan de lat staat en waarvan de behoefte goed te relateren is aan het aantal inwoners. Andere maatschappelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld beroeps- en hoger onderwijs zijn evengoed onderdeel van de gebieds/ stadsontwikkeling, maar dit loopt niet via de richtinggevende normen.

Richtlijn Als de stad groeit, neemt ook de vraag naar voorzieningen toe. Het aantal inwoners dat van een bepaalde voorziening gebruik kan maken, bepaalt bij welke toename aan inwoners een extra voorziening nodig is. Dit vertaalt zich naar een richtlijn uitgedrukt in inwoner- of woningaantallen. Voor onderwijs volgen die richtlijnen uit de wet. Voor bepaalde maatschappelijke voorzieningen volgen die uit gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld voor de cultuurankers. Niet alle voorzieningen kennen een vastgestelde richtlijn. Daarvoor wordt alleen een richtinggevende normen gehanteerd, gebaseerd op vergelijkbare buurten. Per soort voorziening kan de berekening afwijken. Bijvoorbeeld voor een huisarts geldt een norm voor de omvang van een praktijk gerelateerd aan het aantal inwoners van een wijk, maar voor bijvoorbeeld basisscholen is een relatie te zien met het woonmilieu. In een stedelijk woonmilieu, met meer eengezinswoningen zijn er naar verhouding meer kinderen dan in een centrum-stedelijk woonmilieu, en zal de behoefte naar scholen sneller toenemen.

Richtinggevende normen De richtinggevende normen geven het benodigde aantal vierkante meters weer per 1.000 woningen per type voorziening. Dit geeft een beeld van zowel het ruimtebeslag, als de aantallen die nodig zijn bij het bouwen aan de stad. Voor sommige voorzieningen

< INHOUD

20

verschilt de richtinggevende norm per woonmilieu, terwijl we voor andere voorzieningen één stadsbrede richtinggevende norm aanhouden. Bijvoorbeeld voorzieningen die stedelijk worden aangeboden of waar de behoefte niet significant afwijkt per woon­ milieu. Bij gebouwde voorzieningen gaat het over vierkante meters bruto vloeroppervlak (bvo), bij groen gaat het over vierkante meters grondoppervlak.

Maatvoering Een richtinggevende norm voor elk type voorziening volstaat niet zonder kennis van passende maatvoering. Daarom wordt hier per voorziening nader op ingegaan. De maatvoering is een gemiddelde maatvoering voor het type voorziening en kan per locatie afwijken.

Voedingsgebied Dat geldt ook voor het schaalniveau waarop de betreffende voorziening functioneert. Betreft het een wijkgebonden voorziening zoals een basisschool, of juist een stedelijke voorziening zoals de sportcampus. De maximale afstand die inwoners af willen leggen tot de voorzieningen en de multimodale bereikbaarheid daarvan speelt hierbij een belangrijke rol.

Onderbouwing Naast de tabel met richtinggevende normen, kennen de verschillende domeinen een eigen, sectorspecifieke onderbouwing van de richtinggevende normen. Iedere sector heeft immers eigen wetgeving, ontwikkelingen en aandachtspunten, die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de richtinggevende normen en die helpen om deze correct toe te kunnen passen. De onderbouwing en kanttekeningen zijn per domein terug te vinden in de bijlagen. Een voorbeeld hiervan is de huisvesting van basis- en middelbaar onderwijs. Onderwijs­ huisvesting is een wettelijke taak. De richtinggevende normen is daarom een maximaal benodigde norm. Er kan immers niet te weinig ruimte hiervoor gepland worden. Voor andere normen, bijvoorbeeld een sporthal, is een gemiddelde van wat we nu in de stad hebben het uitgangspunt.

Toegankelijkheid Toegankelijkheid van voorzieningen voor alle leeftijden en ongeacht eventuele (fysieke) beperkingen van de doelgroepen draagt bij aan optimaal gebruik van voorzieningen. Bij de realisatie van voorzieningen dragen wij hiervoor dan ook een bijzondere zorg, zowel waar het betreft gebouwen als de openbare ruimte.

< INHOUD

21

2.3

Tabel Haagse richtinggevende normen maatschappelijke voorzieningen en groen Wijze van tellen • Maatschappelijke voorzieningen: tel alleen de nieuwe woningen in het ontwikkel­ gebied. Want voor bestaande woningen in het ontwikkelgebied worden de bestaande voorzieningen al afgestemd op de huidige behoefte. • Groen: tel de bestaande en nieuwe woningen in het ontwikkelgebied. Want de huidige groenstructuur in de wijk is ooit ontstaan, en sindsdien niet aangepast aan de actuele bevolkingssamenstelling.

Categorie

Hoogstedelijk

Centrum-stedelijk

Gemengd Stedelijk

Stedelijk

Omrekenfactor van woningen naar inwoners

Huishoudens-grootte max 1.7 verschilt sterk per deelgebied

Huishoudens-grootte gemiddeld 1,94, verschilt sterk per wijk

Huishoudensgrootte gemiddeld 1,96

Huishoudens-grootte gemiddeld 2,73

Richtlijn 1 school per 4.350 woningen

Richtlijn 1 school per 2.100 woningen

Richtlijn 1 school per 2.320 woningen

Richtlijn 1 school per 1.165 woningen

Richtinggevende normen 1.000m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 1.900 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 3.800 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 3.800 m2 per 1.000 woningen

ONDERWIJS Primair Onderwijs Kindcentrum met: • 425 leerlingen • 1 gymzaal • Kinderopvang Inclusief speciaal onderwijs Voedingsgebied: Buurt/wijk Maatvoering: 4.400 m2 2.245 m2 onderwijs 455 m2 gymzaal 500 m2 kinderopvang 1.200 m2 buitenruimte Voortgezet Onderwijs • 700 leerlingen • 2 gymzalen Inclusief internationaal & speciaal onderwijs Voedingsgebied: Stadsdeel/stad Maatvoering: 6.410 m2 5.000 m2 onderwijs 910 m2 gymzaal 500 m2 buitenruimte

< INHOUD

Richtlijn Toepassing van deze richtinggevende normen is niet voor alle woningen in een ontwikkelgebied, maar alleen voor woningen die niet zijn meegenomen in de leerlingenprognose. De leerlingprognoses zijn leidend voor de woningbouwplannen die zijn meegenomen in de leerlingenprognoses.

Richtlijn 1 school per 21.100 woningen Referentienorm 300 m2 per 1.000 woningen

Richtlijn 1 school per 5.100 woningen

Richtlijn 1 school per 5.100 woningen

Richtlijn 1 school per 3.660 woningen

Referentienorm 1.250 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 1.250 m2 per 1.000 woningen

Referentienorm 1.750 m2 per 1.000 woningen

Richtlijn Toepassing van deze richtinggevende normen is niet voor alle woningen in een ontwikkelgebied, maar alleen voor woningen die niet zijn meegenomen in de leerlingenprognose. De leerlingprognoses zijn leidend voor de woningbouwplannen die zijn meegenomen in de leerlingenprognoses.

22

Categorie

Hoogstedelijk

Centrum-stedelijk

Gemengd Stedelijk

Stedelijk

Omrekenfactor van woningen naar inwoners

Huishoudens-grootte max 1.7 verschilt sterk per deelgebied

Huishoudens-grootte gemiddeld 1,94, verschilt sterk per wijk

Huishoudensgrootte gemiddeld 1,96

Huishoudens-grootte gemiddeld 2,73

ZORG EN WELZIJN Eerstelijnszorg • huisarts • tandarts • apotheek • fysiotherapeut • verloskundige

Richtlijn (zie omrekenfactor naar woningen bovenaan tabel) 1 huisarts per 2.095 inwoners 1 tandarts per 2.000 inwoners 1 apotheek per 6.600 inwoners 1 fysiotherapeut per 1.075 inwoners 1 verloskundige per 2.000 vrouwen in de vruchtbare leeftijd

Voedingsgebied: Buurt/wijk

Richtinggevende normen Voor hoogstedelijk milieu gemiddeld 327 m2 per 1.000 woningen Voor overige milieus 365 m2 per 1.000 woningen: • huisarts 110 m2 • tandarts 115 m2 • apotheek 40 m2 • fysiotherapeut 90 m2 • verloskundige 10 m2

Maatvoering: • huisarts 120 m2 • tandarts 120 m2 • apotheek 150 m2 • fysiotherapeut 50 m2 • verloskundige 40 m2 Centrum Jeugd en Gezin Voedingsgebied: Buurt/wijk Maatvoering: 1.400 m2 Club- en buurthuis, Wijk- en buurtcentrum, Servicepunt XL Voedingsgebied: Buurt/wijk

Richtlijn 1 CJG per stadsdeel wordt momenteel gehanteerd. Richtinggevende normen 40 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 50 m2 per 1.000 woningen

Onder deze richtinggevende normen valt ook een andere invulling van een buurt/wijkgebouw voor welzijnsfuncties, zoals brede buurtschool, met speelotheek, multisport verenigingsgebouw of studentensociëteit. Op basis van het DNA van de bestaande wijk, de bevolkingssamenstelling, de aanwezige configuratie en mogelijkheden voor gecombineerd ruimtegebruik invulling te geven aan de richtinggevende normen.

Richtinggevende normen 3 m2 per 1.000 woningen

Voedingsgebied: Stedelijke voorziening Begeleid wonen, vervangend tehuis en opvang

Richtinggevende normen 200 m2 per 1.000 woningen

Voedingsgebied: Stedelijke voorziening Maatvoering: Ca. 35 m2 per bewoner Verslavingszorg

Richtinggevende normen 3,4 plekken per 1.000 woningen

Voedingsgebied: Stedelijke voorziening

< INHOUD

Richtinggevende normen 70 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 125 m2 per 1.000 woningen

Maatvoering: Club- en buurthuis: 600 m2 Wijk- en buurtcentrum/ Servicepunt XL: 2.500 m2 Hulp richting werk en armoede

Richtinggevende normen 50 m2 per 1.000 woningen

23

Categorie

Hoogstedelijk

Centrum-stedelijk

Gemengd Stedelijk

Stedelijk

Omrekenfactor van woningen naar inwoners

Huishoudens-grootte max 1.7 verschilt sterk per deelgebied

Huishoudens-grootte gemiddeld 1,94, verschilt sterk per wijk

Huishoudensgrootte gemiddeld 1,96

Huishoudens-grootte gemiddeld 2,73

KUNST EN CULTUUR Cultuurankers Voedingsgebied: Stadsdeel

Richtlijn Elk stadsdeel kent een eigen cultuuranker. De inzet is dat het aantal cultuurankers gelijk blijft In ontwikkelgebieden wordt ingezet op benutting van bestaande cultuurankers, al dan niet met uitbreiding ter plaatse. Een andere mogelijkheid is de realisatie van cultuuranker-satellieten. Hiermee zal een cultuuranker conform de subsidieregeling nevenvestigingen krijgen.

Maatvoering: 1.000-3.000 m2 1.800 m2 gemiddeld

Richtinggevende normen 60 m2 per 1.000 woningen

Bibliotheken Exclusief centrale bibliotheek

Richtinggevende normen 45 m2 per 1.000 woningen (één wijkbibliotheek per ca. 30.000 inwoners)

Voedingsgebied: Buurt/wijk Maatvoering: 350-950 m2 850 m2 gemiddeld Musea Voedingsgebied: Stad

Richtlijn Afhankelijk van het gebied in het gebied zelf of een centrale locatie in de stad Richtinggevende normen 200 m2 per 1.000 woningen

Maatvoering: Vanaf 2000m2 Podia Voedingsgebied: Stad

Richtlijn Afhankelijk gebied in het gebied zelf of een centrale locatie in de stad Richtinggevende normen 150 m2 per 1.000 woningen.

Maatvoering: Vanaf 1500 m2 Ateliers Voedingsgebied: stadsbreed

Richtlijn Oplossingen in de tijdelijkheid en stadsbrede inpassing Richtinggevende normen 48 m2 per 1.000 woningen.

Maatvoering: Afzonderlijke ateliers 20-60 m2 Verzamelpanden 400-800 m2 Broedplaatsen Voedingsgebied: stadsbreed

Richtlijn Oplossingen in de tijdelijkheid en stadsbrede inpassing Richtinggevende normen 90 m2 per 1.000 woningen.

Maatvoering: 400-3.000 m2

< INHOUD

24

Categorie

Hoogstedelijk

Centrum-stedelijk

Gemengd Stedelijk

Stedelijk

Omrekenfactor van woningen naar inwoners

Huishoudens-grootte max 1.7 verschilt sterk per deelgebied

Huishoudens-grootte gemiddeld 1,94, verschilt sterk per wijk

Huishoudensgrootte gemiddeld 1,96

Huishoudens-grootte gemiddeld 2,73

SPORT Algemeen: bij de toepassing van de richtinggevende normen voor sport in een gebied wordt gebruik gemaakt van de Beslisboom Sport. Daarmee kan bepaald worden hoeveel nieuw aanbod er echt nodig is. Dit is ook opgenomen in het IHP sport (RIS311895) en Structuurvisie Zuidwest. De beslisboom is opgenomen aan het einde van dit hoofdstuk. Sporthal Voedingsgebied: Buurt/wijk

Richtlijn 1 sporthal per 22.000 inwoners (zie omrekenfactor naar woningen bovenaan tabel). Een nieuwe sporthal wordt bij voorkeur in combinatie met een gymzaal voor voortgezet onderwijs ontwikkeld.

Maatvoering: 3.000 m2 Zwembad Voedingsgebied: Stadsdeel

Richtlijn 1 zwembad per 77.500 inwoners (zie omrekenfactor naar woningen bovenaan tabel). (bron: rapport Drijver & Partners: spreiding is belangrijk + verdeling wedstrijd versus instructie)

Maatvoering: 4.000 m2 Buitensport Inclusief parkeren, buiten­ruimte, club­ gebouwen Voedingsgebied: Stadsdeel

Richtlijn Naast het aanleggen van extra veldruimte, zal de gemeente in samenwerking met de sportbonden inzetten op een betere spreiding van teams over het weekend. Bij het bereiken van de maximale bezetting – conform Beslisboom Sport – groeien de buitensportaccommodaties mee aan de hand van de richtinggevende normen. De opgave voor (anders-)georganiseerde buitensport wordt in het ontwikkelgebied gerealiseerd. Of indien niet mogelijk bij voorkeur binnen een hemelsbrede afstand van ongeveer 1.500 meter rond het ontwikkelgebied gerealiseerd of opgelost. Deze afstandsnorm is gebaseerd op een acceptabele reisafstand naar een sportvoorziening, waarbij de fietsverbinding en de bereikbaarheid met openbaar vervoer een rol spelen.

Maatvoering: Varieert, sport­complexen hebben bij voorkeur meerdere velden. buiten­ ruimte, club­gebouwen

Richtinggevende normen 2.600 m2 per 1.000 woningen

Speelveldjes zoals Cruyff- en Krajicek Courts

Richtinggevende normen Voor hoogstedelijk 810 m2 per 1.000 woningen. Voor de overige milieus 1.000 m2 per 1.000 woningen.

Richtinggevende normen 4.000 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 6.000 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 10.000 m2 per 1.000 woningen

Voedingsgebied: Stadsdeel Sport in de openbare ruimte

Richtinggevende normen Voor hoogstedelijk 1.050 m2 per 1.000 woningen. Voor de overige milieus 1.000 m2 per 1.000 woningen. Richtlijn Sport is een onderdeel van de totale openbare ruimte die voor gebruik(sgroen) wordt ingericht, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 1.000 m2 voor sport, spelen en bewegen per 1.000 woningen. Er wordt indicatief uitgegaan van 100% dubbelgebruik met groen of verharde openbare ruimte (alle sport in de openbare ruimte wordt gerealiseerd in gebruiksgroen). Daarnaast is de ambitie van de gemeente dat iedereen in 2040 binnen een straal van 1 km rond zijn huis een gelegenheid kan vinden om te sporten in de openbare ruimte. Routes en rondjes worden waar mogelijk aan elkaar verbonden waardoor de wandelaar, de korte én de lange afstand sporter gemakkelijk zijn weg vindt. Er zijn ook voldoende sporttoestellen zoals voor calisthenics.

< INHOUD

25

Categorie

Hoogstedelijk

Centrum-stedelijk

Gemengd Stedelijk

Stedelijk

Omrekenfactor van woningen naar inwoners

Huishoudens-grootte max 1.7 verschilt sterk per deelgebied

Huishoudens-grootte gemiddeld 1,94, verschilt sterk per wijk

Huishoudensgrootte gemiddeld 1,96

Huishoudens-grootte gemiddeld 2,73

Groen en spelen Algemeen: in de bijlage 1 staat nadere uitleg over doel en toepassing van de richtinggevende normen voor (openbaar) gebruiksgroen, spelen en sport in de openbare ruimte. Speelvoorzieningen Voedingsgebied: Buurt/wijk 0-6 jaar: 100-150 meter 7-12 jaar: 400-600 meter 13-18 jaar: 1.000 meter

Richtlijn 0-6 jaar: 1 speelplek per 50 kinderen 7-12 jaar: 1 speelplek per 75 kinderen 13-18 jaar: 1 speelplek per 100 kinderen Ieder kind, jeugdige en jongere vindt een uitdagende maar veilige plek om te spelen, te sporten en verblijven. Deze plek bevindt zich in een actieradius rond zijn huis die passend is bij de leeftijd. 40% van de speelvoorzieningen kan worden gecombineerd met groen. Dit schept een verplichting voor de ontwerpopgave.

Maatvoering: 0-6 jaar: 200 m2 7-12 jaar: 500 m2 13-18 jaar: 750 m2

< INHOUD

Richtinggevende normen 1207 m2 per 1.000 woningen Sterk verschillend per deelgebied

Richtinggevende normen 2.625 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 2.815 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 4.950 m2 per 1.000 woningen

0-6 jaar: 1 speelplek per 265 woningen

0-6 jaar: 1 speelplek per 275 woningen

0-6 jaar: 1 speelplek per 200 woningen

7-12 jaar: 1 speelplek per 525 woningen

7-12 jaar: 1 speelplek per 530 woningen

7-12 jaar: 1 speelplek per 275 woningen

13-18 jaar: 1 speelplek per 675 woningen

13-18 jaar: 1 speelplek per 785 woningen

13-18 jaar: 1 speelplek per 350 woningen

26

Categorie

Hoogstedelijk

Centrum-stedelijk

Gemengd Stedelijk

Stedelijk

Omrekenfactor van woningen naar inwoners

Huishoudens-grootte max 1.7 verschilt sterk per deelgebied

Huishoudens-grootte gemiddeld 1,94, verschilt sterk per wijk

Huishoudensgrootte gemiddeld 1,96

Huishoudens-grootte gemiddeld 2,73

Groen

Richtlijn oppervlakte Inzet is om te voorzien in een hoogwaardige groene buitenruimte met een hoge gebruiks- en ecologische waarde. • Openbaar (gebruiks) groen dient meerdere doelen. Niet elk stuk groen hoeft al deze doelen te vervullen: • Recreatie (wandelen, sporten, spelen, ontmoeten, tuinieren, picknicken, evenementen, stroken met hondenuitlaat etc, zie ook norm spelen en sporten • Klimaatadaptatie (waterberging en voorkomen hittestress) • Uitzicht en groenbeleving (3-30-300 regel) • Bevordert biodiversiteit • Positief effect op de gezondheid

Voedingsgebied: Buurt/wijk

Openbaar groen is hiermee ook bedoeld voor sport, spel en ontmoeting. Voor dat doel kan een klein deel van het openbaar groen (half)verhard worden als paden of speelondergronden. Die (half)verharding moet wel functioneel zijn: het ontwerpprincipe voor de openbare ruimte is 'groen tenzij'. Dat staat in de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308744) en in de Kadernota openbare ruimte (RIS310884). In ontwikkelgebieden betekent de richtinggevende normen het aantal m2 groen per woning in het gebied, aan het eind van de ontwikkeling van het ontwikkelgebied. Dit wordt vastgelegd in de gebiedsvisie en voorzieningenprogramma voor het gebied. Hiermee tellen we alle bestaande woningen en bestaande groenvoorzieningen in het ontwikkelgebied mee. Dit betekent dat indien op gebiedsniveau van het gehele ontwikkelingsgebied in de huidige situatie al een tekort is aan groen dit tekort ook ingelopen moet worden en dat indien er in de huidige situatie een normatief overschot is, dit normatief overschot benut kan worden voor de nieuwe bewoners. Dus niet het metrage groenvoorziening per toegevoegde woning. Het gaat immers om de leefbaarheid van het hele gebied, niet van een project. Bestaande tekorten of overschotten buiten de grens van het ontwikkelgebied tellen niet mee. Voor het nieuwe groen wordt gerekend met 10% ‘snijverlies’ van inritten en dergelijke die groenstroken doorsnijden.

Tuinen op particuliere binnenterreinen tellen ook mee met (openbaar) gebruiksgroen, mits privaatrechtelijk geborgd is dat het openbaar toegankelijk is (overdag) en in het omgevingsplan wordt geborgd dat het groen blijft, en met name toegankelijkheid in overeenstemming is met het handboek openbare ruimte. Groen op parkeergarages telt mee als groen mits voldaan wordt aan bovenstaande eisen voor binnenterreinen, èn mits het voldoet aan de eisen uit het handboek openbare ruimte over groene daken. Deze eisen betreffen onder andere een minimale gronddekking van 1,2 meter. Conform de structuurvisie CID telt in dat gebied ook niet-openbaar groen mee voor de doelen klimaatadaptatie. Richtinggevende normen 8.000 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 8.000 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 16.000 m2 per 1.000 woningen

Richtinggevende normen 24.000 m2 per 1.000 woningen

Richtlijn afstand en kwaliteit Bij het opstellen van gebiedsvisies en voorzieningenprogramma's wordt rekening gehouden met de afstand van nieuwe woningen tot groen: Binnen 300 meter van elke woning willen we een groene verblijfsplek hebben. Waar die afstand te groot is, is het streven om voor het gebied een plek aan te wijzen voor nieuw groen. Wij benutten daktuinen/verblijfsruimte in de stedelijke laag8 voor spelen, sporten en groen in de directe nabijheid van de woning. Bij de uitwerking van plannen voor het hele gebied worden ook kwaliteitsaspecten betrokken als bomenstructuur, klimaatadaptatie, biodiversiteit (met inzet op verscheidenheid aan bomen en bomen, die oud kunnen worden), sportieve en recreatieve routes om hard te lopen en te fietsen en ecologische netwerken in aansluiting op de stedelijke groene hoofdstructuur. Hierbij maken we in het ontwikkelgebied voldoende groene, onverharde ruimte waar bomen in de volle grond kunnen staan. Onverharde ruimte draagt op een concrete en zichtbare manier bij aan klimaatadaptatie. Het zorgt met beplanting en met name door bomen voor een verkoelende werking waardoor er een afname is van hittestress, is essentieel voor een goede waterinfiltratie in de bodem en zorgt voor waterafvang en opvang en stimuleert biodiversiteit zoals een goed bodemleven.

Het voordeel van groen is daarnaast dat het ook nog meer dan twintig andere ecosysteemdiensten aan de gebruikers levert zoals het bevorderen van de gezondheid. Daarom zetten we conform het coalitieakkoord 'Haags Akkoord' in op het "(onverhard) groen tenzij" principe in alle gebiedsontwikkelingen. De ruimtereservering voor groen draagt er ook aan bij dat vanuit elke woning drie bomen te zien zijn, en dat 30% van de openbare ruimte in de schaduw van een boom ligt. Op alle beeldbepalende parken en pleinen hebben we aandacht voor kunst in de openbare ruimte.

8

< INHOUD

Begrip uit de nota Eyeline en Skyline (RIS314363.

27

Categorie

Hoogstedelijk

Centrum-stedelijk

Gemengd Stedelijk

Stedelijk

Omrekenfactor van woningen naar inwoners

Huishoudens-grootte max 1.7 verschilt sterk per deelgebied

Huishoudens-grootte gemiddeld 1,94, verschilt sterk per wijk

Huishoudensgrootte gemiddeld 1,96

Huishoudens-grootte gemiddeld 2,73

Overige functies

We gebruiken richtinggevende normen om ruimte te reserveren voor voorzieningen waarvan de behoefte goed te relateren is aan het aantal inwoners in een wijk. Er zijn ook voorzieningen die geconcentreerd zijn op één plek, bijvoorbeeld beroeps- en hoger onderwijs. Of waarvoor geen goede ervaringscijfers zijn, bijvoorbeeld een gebedshuis. Voor deze maatschappelijke functies gelden geen richtinggevende normen, maar een “nadenkplicht” om deze in de voorzieningenprogramma’s mee te nemen: beroeps- en hoger onderwijs (MBO, HBO, WO), nutsvoorzieningen, gebedsruimte, kinder-/stadsboerderij, educatie-/stadstuin, scouting, dagbesteding, overige eerstelijnszorg (diëtist, ergotherapeut e.d.) en tweedelijns wijkgerichte zorg (logopedie, psycholoog). Ook wordt rekening gehouden met economische functies, zoals winkels, horeca, dienstverlening, fitness en leisure. Ook zijn er unieke voorzieningen, zoals de Sportcampus of Amare, die voorzien in een stedelijke, regionale of zelfs (inter) nationale behoefte.

Tabel 1 Richtinggevende normen

Toelichting overige functies De lijst met richtinggevende normen en overige functies is niet limitatief. De nadruk ligt op de voorzieningen waar de gemeente voor aan de lat staat en waarvan de behoefte goed te relateren is aan het aantal inwoners. Sommige voorzieningen hebben een ander karakter. Bijvoorbeeld nieuwe vrijetijds­ voorzieningen zoals boulderen, kinderspeelparadijzen en padel, maar ook bioscopen, filmhuizen en musea zijn sterk aanbod gedreven. Ook zijn er landmarks die de stad op de kaart zetten zoals in Den Haag de Sportcampus of Amare, die voorzien in een stedelijke­, regionale of zelfs (inter)nationale behoefte. Particuliere scholen of sport­ scholen voorzien in een aanzienlijk deel van de behoefte, maar dit is in bovenstaande richtinggevende normen niet betrokken. Hetzelfde geldt voor commerciële gelegen­ heden en gebedshuizen waar mensen samen komen, of het groen in particuliere tuinen waar velen van meegenieten. Uiteraard vragen de commerciële functies ook om ruimte. Voor detailhandel, horeca, dienstverlening, sportscholen, leisure, kantoren en bedrijfsruimte gelden echter de beleidsnota’s voor die terreinen. Voor de richtinggevende normen zijn maatvoeringen weergegeven. De richtinggevende normen zijn echter geen programma van eisen. Dit geldt ook voor de kwalitatieve aspecten­in de openbare ruimte.

Er zijn nog tal van andere kwalitatieve aspecten, die worden meegenomen in een programma van eisen en ontwerpopgave: onder andere vanuit de Nota stadsnatuur, de wegwijzer klimaatadaptief bouwen, bomennota en handboek openbare ruimte. Ook vraagt sport in de openbare ruimte om uitwerking, rekening houdend met toegankelijkheid, blessuregevoeligheid, motorische bevorder­ ding, instructie, variatie, veilig, schoon, heel en afgestemd op leeftijd en doelgroep.

< INHOUD

28

2.4

Beslisboom Buitensport In de verdichtende stad wordt de uitdaging steeds groter om het aantal sportvelden evenredig mee te laten groeien met het aantal inwoners. De Beslisboom Buitensport is ontwikkeld als extra check hoeveel oppervlak er echt nodig is voor sport.

Uitgangspunten binnen het ontwikkelgebied 1. Uitgangspunt is dat bij het realiseren van extra woningen in een ontwikkelgebied er extra buitensport (niet zijnde openbare ruimte) en bijbehorende voorzieningen binnen het ontwikkelgebied gerealiseerd worden conform de richtinggevende normen. De opgave conform de richtinggevende normen wordt getoetst aan: a. de huidige en de geprognosticeerde bezetting van de beschikbare velden/buiten­ sport en/of er geen overcapaciteit is of wordt verwacht. Hiervoor geldt de minimale bespelingsnorm conform de Algemene Huurbepalingen buitensport. b. de mogelijkheid om door middel van herindeling van bestaande complexen extra ruimte te creëren voor nieuwe velden/buitensport; c. door middel van veldintensivering (kunstgras i.p.v. natuurgras) binnen het ontwikkel­ gebied ruimtewinst mogelijk is. Vervanging van een natuurgrasveld voor een kunstgrasveld levert 0,25 – 0,3 sportveld aan ruimtewinst. Dus 3 a 4 kunstgrasvelden compenseren ruimtelijk 1 natuurgrasveld*; d.de mogelijkheid van grondverwerving van derden en/of omzetting openbare ruimte (in eigendom gemeente) ten behoeve van de noodzakelijke uitbreiding van buiten­ sport.

Uitgangspunten sportvoorzieningen buiten de ontwikkelgebieden 2. indien de extra buitensport niet binnen het ontwikkelgebied kan worden gerealiseerd wordt deze voorziening binnen een hemelsbrede afstand van ongeveer 1.500 meter rond het ontwikkelgebied gerealiseerd. Hierbij geldt: a. Dat dit wordt getoetst aan 1 a t/m 1d b. Dat tevens de mogelijkheid wordt onderzocht van het (mede) gebruik van gronden van buurgemeenten.

Indien niet kan worden voldaan aan 2 geldt: c. Dat in het ontwikkelgebied of binnen een maximale hemelsbrede afstand van 1.500 meter buitensportvoorzieningen met volwaardige afmetingen op niettraditionele wijze worden gerealiseerd, zoals door combinatiegebruik op daken en/of overkluizing van spoor en of wegen;

< INHOUD

29

Als niet kan worden voldaan aan de opgave conform de richtinggevende normen (zie 1 + 2 en 3 geen oplossing biedt) kunnen de volgende compensatiemaatregelen worden ingezet: 3. De hemelsbrede afstand wordt uitgebreid tot maximaal 3.000m. Voor het CID geldt een uitzondering waarbij 4.000m is bepaald. Hiervoor gelden de volgende uitgangs­ punten: a. Dat er aandacht is voor de spreiding van betreffende sportsoort over Den Haag (en aangrenzende gemeenten) b. Dat dit voldoet aan de berekende gemiddelde reisafstand van betreffende sport volgens het onderzoek Remco Hoekman (voor rugby of hockey is de (geaccepteerde) bereidheid groter dan voor voetbal) c. Dat de locatie veilig bereikbaar is met langzaam verkeer (geen drukke wegen of andere barrières)

Uitgangspunt bij onvoldoende buitensportvoorziening 4. Een bestuurlijke afweging wordt gemaakt op het moment dat in een verdichtende stad de ambities gaan knellen en niet voldaan kan worden aan de geldende hoeveel­ heid buitensport. Hier wordt dan een transparante afweging gemaakt tussen reductie van het woonprogramma, minder sportvelden dan behoefte, en andere sectorale belangen. *Natuurgrasveld per week max 10 uur in weekend/druk op zaterdag = 6 uur. Uitbreiden tot 9 - 10 uur keer 30 weken betekent 3 tot 4 uur extra x 30 weken is 90 tot 120 uur: natuurgrasveld kan 300 uur gebruik aan> dus ombouw van 3 a 4 natuurgrasveld betekent 1 ruimtelijk veld minder nodig.

Figuur 6 Beslisboom buitensport

< INHOUD

30

3

Toepassing richtinggevende normen in ontwikkelgebieden: maatwerk per gebied

3.1

Planvorming ontwikkelgebieden De richtinggevende normen geven globaal aan hoeveel ruimte er bij ontwikkelgebieden moet worden vrijgehouden voor maatschappelijke voorzieningen en groen. De richting­ gevende normen worden toegepast bij het opstellen van ruimtelijke plannen voor een ontwikkelgebied, zoals een structuurvisie en het bijbehorende voorzieningen­ programma. Hierin wordt nader uitgewerkt hoeveel voorzieningen en groen er echt nodig zijn, en hoe dit ruimtelijk gerealiseerd kan worden. Hierbij spelen de bijzonder­ heden van het gebied een belangrijke rol, zoals de stedenbouwkundige structuur, de huidige en toekomstige bevolkingssamenstelling en het huidige voorzieningenaanbod. Ook kan op dit niveau worden gekeken naar slimme oplossingen zoals functiemenging en efficiënter­gebruik van bestaande voorzieningen. Zo komen we tot een concreet plan, dat aangeeft wat er in een gebied echt nodig is aan voorzieningen, waar kunnen die komen, en hoe ze gefinancierd kunnen worden. Het kan gebeuren dat een gewenste voorziening moeilijk in te passen is in een ontwikkel­gebied vanwege de grote ruimtevraag. Bijvoorbeeld sportvelden of een groter park. Dan is het nodig om stadsbreed te kijken waar er plek te vinden is voor deze voorzieningen. Dan wordt op stedelijk niveau geborgd dat die voorzieningen buiten het ontwikkelgebied er ook gaan komen.

Dit is met aansluiting op een sportief en recreatief netwerk zeker het geval. Ook kan het zijn dat vanuit participatie of samenwerking met corporaties, marktpartijen of verenigingen er aanvullende wensen zijn.

< INHOUD

31

Ook is geen zekerheid vooraf te geven over een gebiedsontwikkelingsproces van 20 jaar. De gemeente is afhankelijk van Rijksmiddelen en van veel uitgaven na de begrotingshorizon. Ook zijn er allerlei maatschappelijke veranderingen. De verschillende gebiedsvisies geven richting, maar zeker is dat 20 jaar later de gebieden op een ander punt uitkomen.

3.2

Realisatie ontwikkelgebieden Tijdens de ontwikkeling van een gebied, project voor project, verkennen we of de gereserveerde ruimte (m2) echt nodig is of er meer nodig is. Hiermee wordt er maatwerk toegepast. Dit doen we op basis van een aantal aspecten gedurende het proces: • Bevolkingsprognose • Benutting bestaande voorzieningen • Gecombineerd, gedeeld en slim ruimtegebruik • Samenhang met omliggende wijken • Benutting tijdelijkheid • Participatie en samenwerking • Kansen met beschikbare ruimte, samenwerking • Nut & Noodzaak/Financiën Schematische weergaven van gebiedsontwikkelingsproces voor voorzieningen van start tot finish.

Figuur 7 Schematische weergaven van gebiedsontwikkelingsproces voor voorzieningen van start tot finish

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13778243/1