RIS317781 Bijlage 1 - Voortoets aanlegfase KC-locatie V3 Den Haag
Tekst van het document
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
28
duinen. De abiotiek van Witte duinen is goed en momenteel zijn geen aanvullende maatregelen nodig om de kwaliteit te verbeteren (Natuurdoelanalyse; Gebiedsanalyse). Stikstof is in de huidige situatie geen knelpunt voor de kwaliteit en realisatie van de instandhoudingsdoelen. Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 par 4.1) Stikstof is in de huidige situatie geen knelpunt voor de kwaliteit. Een tijdelijke projectbijdrage van 0,01 mol N/ha/jr op het kleine deel van de oppervlakte naderend overbelast habitat doet geen afbreuk aan de kwaliteit of aan de effectiviteit van het beheer. Het is daarmee uitgesloten dat de projectbijdrage negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelen voor het habitattype Witte duinen.
4.3.4
(ZG)H2130A Grijze duinen (kalkrijk) De KDW voor Grijze duinen (kalkrijk) wordt in Meijendel & Berkheide op 15% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.3). In totaal vindt op 98 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr plaats. Dit geldt ook voor 1,9 hectare van het zoekgebied Grijze duinen (kalkrijk). Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Grijze duinen (kalkrijk) in Meijendel & Berkheide zijn verbetering van de huidige kwaliteit en vergroten van het oppervlak (Tabel 4.4). De kwaliteit van de vegetatie van het habitattype is overwegend goed. De abiotiek is in 2022 beoordeeld als goed beoordeeld, terwijl deze in 2017 door overschrijding van de KDW nog werd beoordeeld als slecht (Natuurdoelanalyse, Beheerplan). Op basis van het aspect ‘typische soorten’ is de kwaliteit matig, typische soorten komen relatief in lage aantallen voor. Structuur en functie varieert van goede kwaliteit tot slechte kwaliteit. Kleinschalige dynamiek in de duingraslanden met struweel en bos is aanwezig. De grootste knelpunten met betrekking tot de kwaliteit zijn het deels ontbreken van typische soorten, vergrassing (lokaal mogelijk door loslopende honden) en verstruweling als gevolg van een te lage dynamiek en onvoldoende natuurlijke begrazing door konijnen (Natuurdoelanalyse).
Er is op basis van de vegetatie echter geen sprake van een ruimtelijke relatie tussen de kwaliteit en de mate van overbelasting. Zo komen in Meijendel overwegend vegetaties voor van goede kwaliteit, ook waar nog sprake is van een forse overbelasting. Vegetaties met matige kwaliteit liggen in Berkheide waar de achtergronddepositie relatief laag is (zie Afbeelding 3.18 in het Beheerplan). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Maatregelen om verstuiving te initiëren en begrazing toe te passen hebben in Meijendel & Berkheide al tot een aantoonbare verbetering van Grijze duinen geleid (Aggenbach et al., 2018; De Leeuw et al., 2019). In §3.4 is besproken hoe deze knelpunten met elkaar samenhangen en waarom het herstellen van de winddynamiek noodzakelijk is voor instandhouding van het habitattype. Het verbeteren van de kwaliteit is gekoppeld aan ontwikkelingen in de zeereep aangevuld met extra natuurmaatregelen: plaggen, verwijderen van struweel, jonge opslag en exoten, het reactiveren van stuifplekken en
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
29
intensiveren van maaibeheer en begrazing (Natuurdoelanalyse). Door middel van deze maatregelen worden jaarlijks grote hoeveelheden stikstof in de orde van honderden mol N of meer uit het systeem afgevoerd (Van den Berg et al., 2014). Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 par 4.1) De huidige vegetatie en abiotiek is beoordeeld als goed, ook ter plaatse van de hoogste projectbijdrage en een overbelasting van honderden mol. Er zijn in het verleden met succes maatregelen uitgevoerd om verstuiving te initiëren en vergrassing en verstruweling aan te pakken. Voor verdere verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van Grijze duinen is continuering van deze maatregelen noodzakelijk. De tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr op overbelast habitat, doet geen afbreuk aan de effectiviteit van beheer en herstelmaatregelen en de huidige kwaliteit van het habitattype. De tijdelijke projectbijdrage heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van Grijze duinen (kalkrijk) of het realiseren van dit habitattype.
4.3.5
(ZG)H2130B Grijze duinen (kalkarm) De KDW voor Grijze duinen (kalkarm) wordt in Meijendel & Berkheide op 81% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.3). In totaal vindt op 228,5 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr plaats. Dit geldt ook voor 0,8 hectare van het zoekgebied Grijze duinen (kalkarm). Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Grijze duinen (kalkarm) zijn verbetering van kwaliteit en vergroten van oppervlakte (Tabel 4.4). De kwaliteit van de vegetatie van het habitattype is wisselend. Vegetaties van matige kwaliteit liggen echter grotendeels in Berkheide, waar de achtergronddepositie relatief laag is (Natuurdoelanalyse). Dit indiceert dat factoren anders dan stikstofdepositie grotendeels bepalend zijn voor de kwaliteit van de vegetatie (zie ook paragraaf 3.4). Het aspect ‘typische soorten’ is beoordeeld als slecht tot goed doordat deze soorten slechts nog in relatief lage dichtheden voorkomen. Op basis van de abiotiek is de kwaliteit beoordeeld als matig tot goed. Lokaal is in Meijendel sprake van verzuring. De algemene kwaliteit voor het aspect structuur en functie wordt beoordeeld als goed (Natuurdoelanalyse).
De knelpunten voor het gehele habitattype zijn vergelijkbaar met Grijze duinen (kalkrijk) en hangen samen met een te lage dynamiek en op verschillende plekken onvoldoende natuurlijke begrazing door konijnen (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Maatregelen om verstuiving te initiëren en begrazing toe te passen hebben in Meijendel & Berkheide al tot een aantoonbare verbetering van Grijze duinen geleid (Aggenbach et al., 2018; De Leeuw et al., 2019). In §3.4 is besproken hoe deze knelpunten met elkaar samenhangen en waarom het herstellen van de winddynamiek noodzakelijk is voor instandhouding van het habitattype. Het reguliere beheer bestaat uit begrazing en in mindere mate uit maaien en afvoeren. Aanvullend op het regulier beheer worden in Meijendel aanvullende maatregelen uitgevoerd om geaccumuleerde voedingstoffen in de bodem (ontstaan door de hoge stikstofdepositie) af te voeren. Met de genoemde
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
30
maatregelen worden jaarlijks hoeveelheden stikstof van honderden mol of meer uit het duinsysteem verwijderd (Van den Berg et al., 2014). Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 par 4.1) De huidige abiotiek is beoordeeld als goed. In Meijendel & Berkheide is een goede kwaliteit vegetatie aanwezig, ook op plekken met een forse overbelasting. Dit geldt ook voor de kwaliteit op basis van structuur en functie. Er zijn in het verleden met succes maatregelen uitgevoerd om verstuiving te initiëren en vergrassing en verstruweling aan te pakken. Voor verdere verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van Grijze duinen is continuering van deze maatregelen noodzakelijk. De projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr doet geen afbreuk aan de effectiviteit van het beheer, de herstelmaatregelen en de huidige kwaliteit van het habitattype. De tijdelijke projectbijdrage heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van Grijze duinen (kalkarm) of het realiseren daarvan.
4.3.6
H2160 Duinstruwelen De KDW voor Duindoornstruwelen wordt in Meijendel & Berkheide op minder dan 1% van het totale oppervlak nog naderend overschreden (Tabel 4.3). In totaal vindt op 0,4 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Duindoornstruwelen in Meijendel & Berkheide zijn behoud van kwaliteit, het oppervlak mag afnemen ten gunste van Grijze duinen en Vochtige duinvalleien (Tabel 4.4). De kwaliteit van het habitattype is op alle aspecten als goed beoordeeld. Het belangrijkste knelpunt is lokaal te weinig dynamiek (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Maatregelen voor behoud van de kwaliteit zijn niet noodzakelijk, maar kunnen wel getroffen worden voor verbetering van de kwaliteit. Maatregelen zijn onder andere het reactiveren van stuifkuilen, selectief kappen van bomen en exotenbestrijding (Natuurdoelanalyse). Met deze maatregelen worden hoeveelheden stikstof van honderden mol of meer uit het duinsysteem verwijderd (Van den Berg et al., 2014). Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 par 4.1) Stikstof is geen knelpunt voor de kwaliteit.
Een tijdelijke projectbijdrage van 0,01 mol N/ha/jr op een (zeer) klein deel van de oppervlakte naderend overbelast habitat doet geen afbreuk aan de kwaliteit of aan het rendement van maatregelen om de kwaliteit lokaal te verbeteren. Het is uitgesloten dat de projectbijdrage negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelen voor het habitattype Witte duinen.
4.3.7
(ZG)H2180Abe/o Duinbossen (droog), berken-eikenbos / overig De KDW voor H2180Abe Duinbossen (droog), berken-eikenbos wordt in Meijendel & Berkheide op 78% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.3). In totaal vindt op 3,6
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
31
hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr plaats. Dit geldt ook voor 0,8 hectare van het zoekgebied Duinbossen (droog), berkeneikenbos. De KDW voor H2180A Duinbossen (droog), overig wordt in Meijendel & Berkheide op 98% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.3). In totaal vindt op 348,9 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr plaats. Ook op 2,0 hectare van het zoekgebied Duinbossen (droog), overig is sprake van een tijdelijke projectbijdrage van 0,02 mol N/ha/jr. Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor Duinbossen (droog), berken-eikenbos / overig zijn behoud van oppervlakte en kwaliteit (Tabel 4.4). In dit type is sprake van een overschrijding van de KDW, maar er zijn geen aanwijzingen zijn voor aantasting van de kwaliteit of oppervlak, er zijn geen effecten van een te hoge stikstofdepositie zichtbaar (Beheerplan; Gebiedsanalyse). Matige kwaliteit komt lokaal voor, vrijwel uitsluitend op locaties waar de KDW niet wordt overschreden (Natuurdoelanalyse). De kwaliteit van Duinbossen (droog) neemt van nature toe doordat het aantal dikke en dode bomen toeneemt en daarmee structuur en functie als leefgebied voor typische bossoorten vergroot wordt.
Voor Meijendel & Berkheide zijn voor Duinbossen (droog) geen knelpunten bekend (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Exoten vormen in het algemeen een bedreiging voor de typerende flora van droge duinbossen. Met het verwijderen van exoten worden hoeveelheden stikstof van honderden mol of meer uit het duinsysteem verwijderd (Van den Berg et al., 2014). De tijdelijke projectbijdrage doet geen afbreuk aan de effectiviteit van exotenbeheer en heeft daarmee geen significant effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen. Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 par 4.1) Er zijn geen aanwijzingen dan stikstof een knelpunt vormt voor de huidige kwaliteit, dit ondanks een nog forse lokale overschrijding van de KDW. De projectbijdrage heeft geen effect op beheermaatregelen als verwijderen van exoten. Het is daarmee uitgesloten dat de tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelen van het habitattype Duinbossen (droog), berkeneikenbos/overig en het bijbehorende zoekgebied.
4.3.8
H2180C Duinbossen (binnenduinrand) De KDW voor Duinbossen (binnenduinrand) wordt in Meijendel & Berkheide op 4% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.3). In totaal vindt op 12,3 hectare overbelaste oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Dit geldt ook voor 0,1 hectare van het zoekgebied Duinbossen (binnenduinrand). Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Duinbossen (binnenduinrand) zijn behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit (Tabel 4.4). De kwaliteit van de vegetatie wordt
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
32
over het algemeen beoordeeld als goed. Natuurlijke veroudering zorgt grotendeels voor de gewenste kwaliteitsverbetering. Structuur en functie is slecht omdat het type erg versnipperd voorkomt (Natuurdoelanalyse). Het aspect ‘typische soorten’ wordt over het algemeen beoordeeld als goed. Aan de abiotische randvoorwaarden wordt overal voldaan, met uitzondering van de vochttoestand. Lokaal is sprake van enige verdroging. Knelpunten betreffen dan ook verdroging en versnippering. Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Om de kwaliteit van binnenduinrandbossen te behouden wordt gewerkt volgens het principe geïntegreerd bosbeheer. Jonge, soortenarme opstanden worden soms omgevormd ten behoeve van het open duinlandschap en aan de binnenduinrand wordt de successie van soortenrijke struwelen richting bos gestimuleerd. Per saldo is dan sprake van kwaliteitsverbetering en behoud van oppervlakte (Beheerplan). Door lokaal exoten te verwijderen kan voor een langere periode de goede kwaliteit behouden blijven en verder worden verbeterd. Als maatregelen noemt de Natuurdoelanalyse het kappen van naaldbomen, het instellen van begrazing en de aanplant van boszomen. Met het beheer wordt periodiek ook een aanzienlijke hoeveelheid stikstof van honderden mol of meer uit het duinsysteem verwijderd (Van den Berg et al., 2014).
Dit beheer is zowel op korte termijn als richting 2030 in combinatie met het huidige natuurbeheer afdoende om behoud van omvang en verbetering van kwaliteit te kunnen garanderen. Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 par 4.1) De huidige kwaliteit van Duinbossen (binnenduinrand) is goed en de KDW wordt momenteel nergens meer overschreden. De kwaliteit is met het huidige beheer gewaarborgd en met veroudering van het bos neemt de kwaliteit toe. Knelpunten hebben bovendien geen relatie met stikstofdepositie. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr ter plaatse van een naderende overschrijding van de KDW, doet geen afbreuk aan de effectiviteit van het beheer. Het is daarmee uitgesloten dat de projectbijdrage negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelen van het habitattype Duinbossen (binnenduinrand).
4.3.9
H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) De KDW van het habitattype Vochtige duinvalleien (ontkalkt) (<1 ha) wordt op 29% van oppervlak nog (naderend) overschreden (AERIUS Monitor). In totaal vindt op 0,1 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats (Tabel 4.3). Kwaliteit, maatregelen en conclusie Recent komt dit habitattype met 0,2 ha voor bij enkele valleien in Meijendel. De ontkalkte vochtige duinvalleien H2190C hebben grotendeels dezelfde standplaatseisen als het algemenere subtype B. De trend is stabiel, de verspreide ligging is een knelpunt (Natuurdoelanalyse). Voor het habitattype zijn (nog) geen maatregelen voor uitbreiding getroffen (Natuurdoelanalyse). Verbetering van de kwaliteit is gericht op uitbreiding van het oppervlak habitat. De projectbijdrage staat dit niet in de weg. De projectbijdrage heeft daarmee geen effect op de instandhoudingsdoelen voor Vochtige duinvalleien (ontkalkt).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
33
4.3.10
H3140 Kranswierwateren Kranswierwateren bevinden zich uitsluitend in infiltratieplassen in Berkheide en zijn met een KDW van 571 mol zeer gevoelig voor stikstofdepositie. In Meijendel & Berkheide wordt de KDW op 100% van het oppervlak overschreden. Op 0,2 hectare van dit overbelaste oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats (Tabel 4.3). Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 §3.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Kranswierwateren zijn behoud van de kwaliteit en behoud van oppervlakte (Tabel 4.4). De kwaliteit van de vegetatie en de abiotiek zijn beoordeeld als goed. Het aspect typische soorten is onvoldoende omdat de meeste typische soorten niet nabij het habitattype zijn aangetroffen. De beoordeling van de aspecten structuur en functie is onbekend. De opgave voor het doelbereik is behaald en knelpunten met betrekking tot de kwaliteit zijn er niet (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 §3.1) Voor kranswierwateren H3140 hoeven geen maatregelen te worden getroffen ten behoeve van uitbreiding oppervlak of verbetering van de kwaliteit. Uitbreiding is mogelijk met systeemmaatregelen (Natuurdoelanalyse). De Kranswierwateren, zijnde infiltratieplassen, worden periodiek geschoond waarbij slib op de bodem wordt verwijder.
Met het verwijderen van slib wordt ook een aanzienlijke hoeveelheid stikstof uit het systeem verwijderd (minimaal 40 mol N/ha; Van den Berg et al., 2014). Hiermee wordt de accumulatie van organisch slib weer voor meerdere jaren teruggezet. Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 §3.1) De huidige kwaliteit van het habitat is goed, ook al wordt de KDW vrijwel overal (naderend) overschreden. Het habitattype komt in Meijendel & Berkheide alleen voor in de infiltratieplassen en is daarmee afhankelijk van de waterwinning en het gebruik van voorgezuiverd rivierwater. Behoud van de waterkwaliteit is met dit gebruik gewaarborgd. De tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr heeft geen effect op de waterkwaliteit. Daarmee zijn negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van Kranswierwateren uitgesloten.
4.3.11
Lg12 – Zoom, mantel & droog struweel van de duinen De KDW voor het Leefgebied Zoom, mantel & droog struweel van de duinen wordt in Meijendel & Berkheide op minder dan 1% van het totale oppervlak overschreden met maximaal 256 mol (Tabel 4.3). In totaal vindt op 0,3 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 §3.1) Van het leefgebiedtype Lg12 – Zoom, mantel en droog struweel van duinen is in Meijendel & Berkheide alleen de nauwe korfslak aangemerkt als potentieel stikstofgevoelig. De doelstelling voor nauwe korfslak is behoud van kwaliteit, omvang leefgebied en populatie. Op basis van het aanwezige leefgebied kan worden geconcludeerd dat in Meijendel & Berkheide op dit moment ruim voldoende kwalitatief leefgebied voor de nauwe korfslak
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
34
aanwezig is (Natuurdoelanalyse; Beheerplan). Het belangrijkste leefgebied van nauwe korfslak zijn vochtige duinvalleien. Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 §3.1) Het beheerplan is gericht op het behoud van habitat van de nauwe korfslak in vochtige duinvalleien. Het zijn met name de overgangen van duinbos naar struweel en duingrasland, die voor nauwe korfslak van belang zijn. De nauwe korfslak moet meeliften met maatregelen ten behoeve van Vochtige duinvalleien (Beheerplan). Ook het realiseren van meer openheid in het duin door verwijderen van struweel ten gunste van Grijze duinen en Vochtige duinvalleien zal bijdragen aan behoud van habitat van de nauwe korfslak. Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 §3.1) In de gebiedsanalyse staat beschreven dat stikstofdepositie het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de nauwe korfslak niet in de weg staat. De KDW van het leefgebied wordt nauwelijks overschreden. Met het beheer en maatregelen ten behoeve van Grijze duinen en Vochtige duinvalleien is de kwaliteit van het leefgebied van nauwe korfslak afdoende gewaarborgd. Een projectbijdrage van maximaal 0,02 mol/ha/jr op een (zeer) klein oppervlak overbelaste leefgebied Lg12 doet hier geen afbreuk aan. De projectbijdrage heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van nauwe korfslak.
4.3.12
Conclusie Meijendel & Berkheide In Meijendel & Berkheide komt goede kwaliteit habitat voor, ook op plekken waar de KDW wordt overschreden. De beschikbare informatie schets geen relatie tussen de kwaliteit en de mate van overbelasting. Dit geeft aan dat andere sleutelfactoren dan stikstof van belang zijn voor de huidige kwaliteit, waaronder de in het verleden uitgevoerde herstelmaatregelen. De goede kwaliteit habitat heeft zich ontwikkelt in een periode met een aanmerkelijk hogere achtergronddepositie dan in de huidige situatie. De projectbijdrage heeft geen effect op de ontwikkeling van achtergronddepositie. De projectbijdrage staat de effectiviteit van beheeren herstelmaatregelen niet in de weg. De projectbijdrage heeft daarmee geen effect op de instandhoudingsdoelen voor overbelaste habitattypen met een projectbijdrage en voor het leefgebied van nauwe korfslak. Aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide is uitgesloten.
4.4
Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal
4.4.1
Achtergronddepositie De achtergronddepositie in Westduinpark & Wapendal varieert van 700 mol N/ha/jr aan de kust tot maximaal 2.400 mol N/ha/jr aan de rand met Scheveningen (Figuur 4.4). De hoogste regionale bijdrage wordt geleverd door de landbouw, de hoge depositie aan de
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
35
randen van het gebied zullen samenhangen met de bebouwing en het wegverkeer (bron: AERIUS Monitor). Voor de periode 2020 tot 2025 geeft AERIUS Monitor een dalende depositie van ca. 32 mol N/ha (Figuur 4.4). Naar verwachting zal deze verder oplopen tot ca. 87 mol/ha in 2030 (AERIUS-Monitor 2023). Dit neemt niet weg dat in Westduinpark & Wapendal nog steeds sprake is van een overbelaste situatie (Tabel 4.5). Voor een belangrijk deel heeft dit betrekking op de ruime verspreiding van het voor stikstof zeer gevoelige habitat Grijze duinen (kalkarm) (Figuur 4.5).
Figuur 4.4
Huidige achtergronddepositie Westduinpark & Wapendal (links) (AERIUSCalculator 2023) en de ontwikkeling van de achtergronddepositie sinds 2020 (en AERIUS Monitor 2023).
Figuur 4.5
Afstand tot de KDW in Westduinpark & Wapendal (mate van overschrijding, links) (AERIUS-monitor 2023) en ligging voor stikstof gevoelig habitat (rechts) (AERIUSmonitor 2023).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
36
4.4.2
Relevante habitattypen Westduinpark & Wapendal is aangewezen voor 8 habitattypen. Voor alle acht habitattypen geldt dat er als gevolg van het project extra depositie plaatsvindt, waarbij ook de KDW wordt overschreden (Tabel 4.5). Tabel 4.5
Habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide met een projectbijdrage. Weergegeven is het percentage overbelast oppervlak (AERIUS-Monitor), het (naderend) overbelast oppervlak met projectbijdrage en de maximale bijdrage ter plaatse van overbelast oppervlak (berekend met Gis).
Habitattype / leefgebied
Oppervlakte (ha)
KDW (mol N/ha/jr)
Overbelasting
Opp. overbelasting én bijdrage (ha)
Max. bijdrage t.p.v. overbelasting (mol N/ha/jr)
H2120
15,6
1.429
1%
0,2
0,01
H2130A
40,0
1.071
64%
14,3
0,01
H2130B
5,0
929
86%
3,4
0,01
H2150
0,6
857
100%
0,6
0,01
H2160
45,2
2.000
6%
2,6
0,01
H2180A
1,1
1.071
100%
1,0
0,01
H2180Ao
0,4
1.071
100%
0,4
0,01
H2180C
70,3
1.786
37%
28,3
0,01
Tabel 4.6 weergeeft de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitattypen en de beoordeling van de kwaliteit op basis de aspecten ‘vegetatie’, ‘typische soorten’, ‘abiotiek’ en ‘structuur en functie’. Het effect van de tijdelijke projectbijdrage op de overbelaste habitattypen en leefgebied worden beoordeeld in onderstaande paragrafen. Tabel 4.6
Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal: instandhoudingsdoelen (ISD) en kwaliteit voor (naderend) overbelaste habitattypen met een projectbijdrage (Natuurdoelanalyse).
Habitattype
ISD
Vegetatie
Typische
Abiotiek
soorten
Opp Kw
Structuur en functie
H2120
==
Matig - Goed
Slecht - Matig
Goed
Matig - Goed
H2130A
>>
Goed
Matig - Goed
Goed
Matig - Goed
H2130B
==
Matig
Matig
Matig
Matig - Goed
H2150
==
Matig
Goed
Goed
Matig - Goed
H2160
==
Goed
Matig - Goed
Goed
Slecht - Goed
H2180A/Ao
=>
Goed
Matig - Goed
Goed
Onbekend
H2180C
=>
Matig
Goed
Matig
Slecht - Goed
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
37
4.4.3
H2120 Witte Duinen De KDW voor Witte duinen in Westduinpark & Wapendal wordt op minder dan 1% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.5). In totaal vindt op 1 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Witte duinen is behoud van kwaliteit en oppervlak. De kwaliteit van de vegetatie in de zeereep is goed. De dynamiek is op orde waardoor doorstuiving plaatsvindt. Buiten de zeereep is goede kwaliteit aanwezig, maar is het aandeel beperkt. Het aspect ‘typische soorten’ is vanwege het beperkt voorkomen (max 5 van de 11 soorten), beoordeeld als slecht tot matig. Het aspect ‘abiotiek’ is daarentegen goed. De Witte duinen in Westduinpark & Wapendal hebben vanwege het hoge kalkgehalte een goed bufferend vermogen. Betreft ‘structuur en functie’ is de kwaliteit matig tot goed. Verstruweling met duindoorn en rimpelroos in de minder dynamische delen vormt het grootste knelpunt voor instandhouding van het habitattype. Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Systeemmaatregel is natuurlijke ontwikkeling. Proces- en patroonmaatregelen zijn onder andere lokale dynamisering van de zeereep en het verwijderen van rimpelroos en exoten (Natuurdoelanalyse).
Op de locatie met een tijdelijke projectbijdrage ontbreken de randvoorwaarden voor behoud van het habitat. Om het habitat hier te behouden zijn ingrijpende maatregelen nodig waarbij grote hoeveelheden stikstof uit het systeem worden verwijderd (Van den Berg et al., 2014). Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 par 4.1) Het habitat is niet of nauwelijks overbelast. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr doet geen afbreuk aan de effectiviteit van maatregelen om de kwaliteit te verbeteren. Het is daarmee uitgesloten dat de projectbijdrage negatieve gevolgen heeft voor (maatregelen die nodig zijn voor het behalen van) de instandhoudingsdoelen voor het habitattype Witte Duinen.
4.4.4
H2130A Grijze duinen (kalkrijk) De KDW voor Grijze duinen (kalkrijk) in Westduinpark & Wapendal wordt op 64% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.5). In totaal vindt op 14,3 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Grijze duinen (kalkrijk) in Westduinpark & Wapendal zijn verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van het oppervlak (Tabel 4.6). De huidige vegetatieve kwaliteit is overwegend goed (Natuurdoelanalyse). Op basis van typische soorten is de kwaliteit in de Natuurdoelanalyse beoordeeld van goed tot matig. Aan de abiotische vereisten wordt voldaan. Structuur en functie scoort afhankelijk van de mate van vergrassing en verruiging matig tot goed.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
38
Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Procesmaatregelen betreffen maatregelen om de dynamiek te verbeteren en opslag van duindoornstruweel en exoten te verwijderen. Het betreft kerven in de zeereep, heroriënteren strandslagen, grootschalig verwijderen van exoten en/of duindoornstruweel, verwijderen van naaldbos en het aanbrengen van stuifschermen (Natuurdoelanalyse). In de deelgebieden ‘Radio Scheveningen’, ‘Wieringsestraat’, ‘Tramlus’ en ‘Natte Pan’ zijn in de eerste beheerplanperiode herstelmaatregelen uitgevoerd voor uitbreiding en verbetering van de kwaliteit kalkrijke Grijze duinen. Het betreft eenmalige herstelmaatregelen zoals plaggen en het verwijderen van struweel, gevolgd door jaarlijks vervolgbeheer in de vorm van integrale begrazing (Beheerplan). Met bovenstaande maatregelen worden hoeveelheden van honderden mol stikstof uit het duinsysteem verwijderd (Van den Berg et al., 2014). Conclusie effect (vragen 4 en 5 par 4.1) De kwaliteit van Grijze duinen (kalkrijk) hangt niet samen met de mate van overbelastig. Op plekken waar sprake is van een structurele overschrijding van de KDW is habitat aanwezig van goede kwaliteit. Een duidelijke relatie tussen de kwaliteit en mate van overbelasting wordt ook niet ondersteund door de Natuurdoelanalyse.
Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr doet niets af aan de effectiviteit van beheer of herstelmaatregelen. Het is daarmee uitgesloten dat de projectbijdrage negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelen van het habitattype Grijze duinen (kalkrijk).
4.4.5
H2130B Grijze duinen (kalkarm) De KDW voor Grijze duinen (kalkarm) in Westduinpark & Wapendal wordt op 86% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.5). In totaal vindt op 3,4 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Grijze duinen (kalkarm) in Westduinpark & Wapendal zijn behoud van kwaliteit en oppervlak. De kwaliteit van de vegetatie is overwegend matig, maar in Zeereep goed ondanks dat de KDW hier lokaal wordt overschreden. Het aspect ‘typische soorten’ is matig beoordeeld. De abiotiek voldoet deels aan de eisen, aan de functionele omvang wordt niet voldaan. Knelpunten zijn een klein oppervlak en een te hoge betreding door begrazing (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Maatregelen betreffen het aanleggen van stuifplekken, terugzetten van bosranden, plaggen en aanpassingen in begrazing om negatieve effecten op de vegetatie tegen te gaan. Met het terugzetten van bosranden en plaggen worden relatief grote hoeveelheden stikstof afgevoerd (Van den Berg et al., 2014). Conclusie effect (vragen 4 en 5 par 4.1) De kwaliteit van het habitat is overwegend matig. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr doet niets af aan de effectiviteit van beheer of
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
39
herstelmaatregelen. Het is daarmee uitgesloten dat de projectbijdrage negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelen van het habitattype Grijze duinen (kalkarm).
4.4.6
H2150 – Duinheiden met struikhei De KDW voor Duinheiden met struikhei in Westduinpark & Wapendal wordt over het gehele oppervlak (Tabel 4.5). In totaal vindt op 0,6 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Duinheiden met struikhei in Westduinpark & Wapendal zijn behoud van kwaliteit en oppervlakte. De kwaliteit van dit habitattype is matig doordat de bedekking van korstmossen onvoldoende is vanwege vergrassing met zandzegge. Het aspect ‘typische soorten’ is goed, aan de abiotische eisen en functionele omvang wordt voldaan. Het voornaamste knelpunt is hoge mate van begrazing (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Sinds 2007 wordt de heide ’s winters begraasd door Shetlandpony’s. Proces- en patroonmaatregelen zijn het terugzetten van de bosrand en aanpassen van de begrazing (Natuurdoelanalyse). Als gevolg van deze maatregelen worden jaarlijks hoeveelheden stikstof van honderden mol of meer uit het duinsysteem verwijderd (Van den Berg et al., 2014). Conclusie effect (vragen 4 en 5 par 4.1) Dit habitattype is van matige kwaliteit. Optimalisatie van het begrazingsbeheer is noodzakelijk.
Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr doet geen afbreuk aan de effectiviteit van beheer en herstelmaatregelen om de kwaliteit te behouden. De projectbijdrage heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van het habitattype Grijze duinheide met struikhei.
4.4.7
H2160 – Duindoornstruwelen De KDW van Duindoornstruwelen wordt op 6% van het totale oppervlak (Tabel 4.5). In totaal vindt op 2,6 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De kwaliteit van de vegetatie van dit habitattype is in de Natuurdoelanalyse beoordeeld als goed, ook ter plaatse van de overbelasting. Het aspect typische soorten scoort matig tot goed omdat in het grootse gedeelte van het areaal maar 1 van de 2 doelsoorten (egelantier & nachtegaal) wordt waargenomen. Aan de abiotische eisen en functionele omvang wordt voldaan. De bodem heeft een goed bufferend vermogen vanwege de relatief hoge kalkrijkheid. Een knelpunt is de aanwezigheid van exoten (Natuurdoelanalyse).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
40
Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Systeemmaatregel is natuurlijke ontwikkeling. Patroonmaatregel is het verwijderen van exoten (Natuurdoelanalyse), een maatregel waarmee hoeveelheden van duizenden mol stikstof uit het duinsysteem wordt verwijderd (Van den Berg et al., 2014). Conclusie projectbijdrage (vragen 4 en 5 par 4.1) De KDW van het habitattype Duindoornstruwelen wordt op een groot deel van het areaal niet meer overschreden. De projectbijdrage heeft geen effect op het rendement van een beheer als het verwijderen van exoten en staat natuurlijke ontwikkeling niet in de weg. De projectbijdrage heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van Duindoornstruwelen.
4.4.8
H2180A/H2180Ao – Duinbossen (droog)/ (droog), overig, H2180C – Duinbossen (binnenduinrand) De KDW van het habitattype H2180A/H2180Ao Duinbossen (droog) wordt op 100% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.5). De tijdelijke projectbijdrage op H2180A betreft 1,0 hectare overbelast oppervlak, de tijdelijke projectbijdrage op H2180Ao betreft 0,4 hectare overbelast oppervlak. De KDW van het habitattype H2180C Duinbossen (binnenduinrand) wordt op 37% van het totale oppervlak overschreden. De tijdelijke projectbijdrage op H2180C betreft 28,3 hectare overbelast oppervlak (Tabel 4.5). De projectbijdrage bij alle habitattypen is maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Duinbossen (droog) en (droog), overig in Westduinpark & Wapendal zijn behoud van kwaliteit en oppervlak (Tabel 4.6). De kwaliteit van de vegetatie van dit habitattype is overwegend ‘goed’, ook in Wapendal waar de KDW fors wordt overschreden. Het aspect ‘typische soorten’ scoort matig tot goed omdat de eikenpage in 50% van het gebied nog niet voorkomt. Aan de abiotische eisen van het habitat wordt voldaan maar aan de functionele omvang niet (Natuurdoelanalyse).
Vanwege de beperkte omvang heeft in het habitattype droge duinbossen geen structuurkarterering heeft plaatsgevonden, wat heeft geleid tot een slechte/onbekende beoordeling van het aspect ‘structuur en functie’. De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Duinbossen (binnenduinrand) in Westduinpark & Wapendal zijn verbetering van de kwaliteit en behoud van oppervlak. De huidige kwaliteit van de Duinbossen (binnenduinrand) is overwegend matig vanwege de niet kenmerkende kruidenvegetatie. Een goede kwaliteit komt onder andere voor in deelgebied Bosjes van Poot, waar deels sprake is van een sterke overbelasting. Het aspect typische soorten is goed, in alle deelgebieden komen minimaal twee van de drie typische soorten (wilde hyacint, grote bonte specht en houtsnip) voor (Natuurdoelanalyse). Aan de abiotische eisen wordt deels voldaan en de functionele omvang is goed (Natuurdoelanalyse). Knelpunten met betrekking tot het habitattype zijn opslag van exoten (Amerikaanse vogelkers, hemelboom, esdoorn), het ontbreken van open plekken en verjonging en de hoge recreatieve druk (incl. loslopende honden).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
41
Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Systeemmaatregel voor Duinbossen is natuurlijke ontwikkeling. Proces- en patroonmaatregelen zijn het verwijderen gebiedsvreemde soorten en creëren van open plekken (Natuurdoelanalyse). Als gevolg van het dunnen en verwijderen van exoten worden hoeveelheden van honderden mol stikstof uit het duinsysteem verwijderd (Van den Berg et al., 2014). Conclusie effect (vragen 4 en 5 par 4.1) De kwaliteit van het habitattype wordt beperkt door gebiedsvreemde soorten. Een relatie tussen kwaliteit van de vegetatie en de huidige achtergronddepositie ontbreekt. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr doet geen afbreuk aan de effectiviteit van de maatregelen om exoten te verwijderen. De projectbijdrage heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van het habitattype Duinbossen.
4.4.9
Conclusie Westduinpark & Wapendal In Westduinpark & Wapendal komt goede kwaliteit habitat voor, ook op plekken de KDW wordt overschreden. De beschikbare informatie beschrijft geen relatie tussen de kwaliteit en de mate van overbelasting. Dit geeft aan dat andere sleutelfactoren dan stikstof van belang zijn voor de huidige kwaliteit, waaronder de ligging (Witte duinen), het ontbreken van konijnenbegrazing en beheer (Grijze duinen), te intensieve begrazing (Duinheiden met struikhei) en exotenbeheer (Grijze duinen, Duindoornstruwelen, Duinbossen). De delen met goede kwaliteit habitat hebben zich ontwikkelt in een periode met een aanmerkelijk hogere achtergronddepositie dan in de huidige situatie. De tijdelijke projectbijdrage heeft geen effect op de ontwikkeling van achtergronddepositie. De projectbijdrage staat de effectiviteit van beheer- en herstelmaatregelen niet in de weg. De projectbijdrage heeft daarmee geen effect op de instandhoudingsdoelen voor overbelaste habitattypen met een projectbijdrage. Aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal is uitgesloten.
4.5
Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen
4.5.1
Achtergronddepositie De achtergronddepositie in Solleveld & Kapittelduinen varieert van minder dan 700 mol N/ha/jaar aan de kust tot maximaal ruim 2.200 mol N/ha/jaar landinwaarts (Figuur 4.7). De hoogste regionale bijdrage wordt geleverd door de landbouw, de hoge depositie aan de randen van het gebied zullen samenhangen met de bebouwing en het wegverkeer (bron: AERIUS Monitor). Voor de periode 2020 tot 2025 geeft AERIUS Monitor een dalende depositie van ca. 38 mol N/ha/jr (Figuur 4.7), die naar verwachting in 2030 zal oplopen tot 98 mol N/ha/jr (AERIUS-Monitor 2023). Dit neemt niet weg dat in Solleveld & Kapittelduinen nog steeds
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
42
sprake is van een overbelaste situatie (Tabel 4.7). Voor een belangrijk deel heeft dit betrekking op de ruime verspreiding van het voor stikstof zeer gevoelige habitat Grijze duinen (kalkarm) (Figuur 4.8).
Figuur 4.6
Huidige achtergronddepositie Solleveld & Kapittelduinen (links) (AERIUS Calculator 2023) en de ontwikkeling van de achtergronddepositie sinds 2020 (Bron AERIUS Monitor 2023).
Figuur 4.7
Afstand tot de KDW in Solleveld & Kapittelduinen (mate van overschrijding )(links)(AERIUS-monitor 2023) en ligging voor stikstof gevoelig habitat (rechts, rood H2130B) (Bron AERIUS-monitor, 2023).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
43
4.5.2
Relevante habitattypen In Solleveld & Kapittelduinen is bij 5 habitat(sub)typen en 1 zoekgebied sprake van overschrijding van de KDW als gevolg van de projectbijdrage (Tabel 4.7). Bij de habitattypen H2110, H2120, H2130A, H2160, H2180A, H2190Ae, H2190Aom, H2190B de zoekgebieden ZGH2120, ZGH2130A, ZGH2190B en het leefgebiedtype Lg12 is geen sprake van een (nader) overbelaste situatie met projectbijdrage. Effecten op deze habitattypen zijn op voorhand uitgesloten en worden verder niet besproken. Tabel 4.7
Habitattype / leefgebied
Habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide met een projectbijdrage. Weergegeven is het percentage overbelast oppervlak (AERIUS-Monitor), het (naderend) overbelast oppervlak met projectbijdrage en de maximale bijdrage ter plaatse van overbelast oppervlak (berekend met Gis). * bij 0% is wel sprake van naderend overbelast oppervlak Oppervlakte (ha)
KDW (mol N/ha/jr)
Overbelasting
Opp. overbelasting én bijdrage (ha)
Max. bijdrage t.p.v. overbelasting (mol N/ha/jr)
H2110
1,7
1429
0%
-
0,00
H2120
66,1
1429
0%
-
0,00
H2130A
59,4
1071
9%
-
0,00
H2130B
89,8
929
87%
1,0
0,01
H2150
2,1
857
100%
1,1
0,01
H2160
113,5
2000
1%
-
0,00
H2180A
0,1
1071
100%
-
0,00
H2180Abe
4,8
1071
100%
4,8
0,01
H2180Ao
68,3
1071
98%
44,3
0,01
H2180C
107,9
1786
72%
4,7
0,01
H2190Ae
0,3
2143
0%
-
0,00
H2190Aom
2,4
1000
4%
-
0,00
H2190B
2,7
1429
0%
-
0,00
Lg12
4,3
1643
3%
-
0,00
ZGH2120
43,7
1429
0%
-
0,00
ZGH2130A
39,4
1071
12%
-
0,00
ZGH2130B
22,4
929
53%
0,0
0,01
ZGH2190B
26,9
1429
0%
-
0,00
Tabel 4.8 geeft de hierna te bespreken overbelaste habitattypen met een projectbijdrage. In de tabel zijn de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen weergegeven en de beoordeling van de kwaliteit op basis de aspecten ‘vegetatie’, ‘typische soorten’, ‘abiotiek’ en ‘structuur en functie’ (Natuurdoelanalyse).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
44
Tabel 4.8
Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen: instandhoudingsdoelen (ISD) en kwaliteit voor (naderend) overbelaste habitattypen met een projectbijdrage (Natuurdoelanalyse Tabel 4-31).
Habitattype
ISD
Vegetatie
4.5.3
Typische
Abiotiek
soorten
Opp Kw
Structuur en functie
H2130B
=>
Matig
Matig
Matig - Goed
Slecht - Matig
H2150
=>
Matig
Slecht - Goed
Goed
Matig - Goed
H2180Abe/o
=>
Matig - Goed
Goed - Slecht
Goed - Slecht
Matig - Goed
H2180C
=>
Matig - Goed
Slecht - Goed
Goed
Matig
(ZG)H2130B – Grijze duinen (kalkarm) Grijze duinen (kalkarm) komen enkel voor in het noordelijk deel van het gebied. De KDW van Grijze duinen (kalkarm) wordt op 87% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.7). In totaal vindt op 1,0 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Voor het zoekgebied ZGH2130B geldt dat de projectbijdrage betrekking heeft op een oppervlak kleiner dan 100m2, namelijk 24m2. Effecten op habitattypen met een overbelast oppervlak kleiner dan 100m2 worden op voorhand niet als significant beoordeeld (Steunpunt Natura 2000, 2010). Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Grijze duinen (kalkarm) in Solleveld & Kapittelduinen zijn verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlak. De kwaliteit van de vegetatie is matig. Binnen het habitattype lijkt een relatie aanwezig tussen de kwaliteit van het habitattype en de plaatselijke aanwezigheid van (loslopende) honden. Zo neemt de kwaliteit zichtbaar af rondom de dijk langs de Haagweg te Monster, waar ondanks de opruimplicht hondendrollen veelal niet worden opgeruimd. Op grotere afstand van de dijk, richting de zeereep neemt de kwaliteit toe (Sietsema & Loermans, persoonlijke communicatie). Dit wordt ondersteund door de Natuurdoelanalyse, waar loslopende honden als knelpunt worden genoemd.
Een duidelijke relatie tussen de achtergronddepositie en kwaliteit van het habitat lijkt te ontbreken. Het aspect ‘typische soorten’ in Solleveld is goed. De structuur is matig vanwege een beperkt aandeel open zand en dichte graszode. De bodem voldoet in grote delen aan de abiotische randvoorwaarden. Intensief maaibeheer om de vergrassing tegen te gaan, vormt samen met stikstofdepositie een ander knelpunt (Natuurdoelanalyse). Kuiters (2019) concludeert op basis van een analyse van de soortensamenstelling van vegetatieopnames dat er geen indicatie is dat de kwaliteit van het habitat afneemt, deze lijkt eerder toe te nemen. De kwaliteit van het habitattype op basis van ‘structuur en functie’ is goed (Kuiters, 2019). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Om de kwaliteit in stand te houden dan wel te verbeteren wordt vanaf 1993 een groot deel van gebied begraasd. Rond waterwinputten in het waterwingebied en de delen waar het vee geen toegang heeft wordt gemaaid (Kuiters, 2019). Het lokaal instuiven van zand lijkt positief uit te werken op de soortenrijkdom van de vegetatie. Kleinschalige verstuiving kan als instandhoudingsmaatregel worden gestimuleerd maar neemt mogelijk ook toe als
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
45
gevolg van autonome processen (Van de Hagen et al., 2020; Kuiters, 2019; Aggenbach et al., 2018). Natuurlijke ontwikkeling is in het Natuurdoeldocument als instandhoudingsmaatregel aangegeven. Conclusie effect (vragen 4 en 5 par 4.1) De kwaliteit van Grijze duinen (kalkarm) in Solleveld & Kapittelduinen wordt onder andere bepaald door loslopende honden en weinig dynamiek. Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr staat een al dan niet natuurlijk herstel door kleinschalige verstuiving niet in de weg. Negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van op Grijze duinen (kalkarm) zijn uitgesloten. Dit geldt ook voor de mogelijkheden de verbeteropgave te realisaren.
4.5.4
H2150 – Duinheiden met struikhei Het habitattype Duinheide met struikhei komt uitsluitend voor in deelgebieden ‘Solleveld’, ‘Ochenrode’ en ‘Hyacintenbos’. De KDW wordt op het gehele oppervlak overschreden (Tabel 4.7). In totaal vindt op 1,1 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Duinheiden met struikhei in Solleveld & Kapittelduinen zijn verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlak. Het habitattype komt fragmentarisch voor, en de kwaliteit is matig tot goed. De trend is onbekend. Goede kwaliteit komt voor op locaties die worden begraasd. Op niet begraasde locaties is veroudering van de heide en het uitblijven van verjonging een knelpunt (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Lokaal kan de kwaliteit worden verbeterd door het periodiek verwijderen van exoten als Amerikaanse vogelkers, maaien/plaggen van verouderde heidestruiken of periodiek begrazen met schapen (Natuurdoelanalyse). Met deze maatregelen worden relatief grote hoeveelheden stikstof uit het systeem afgevoerd van enkele honderden tot duizenden mol per hectare (Van den Berg et al., 2014). Conclusie effect (vragen 4 en 5 par 4.1) De kwaliteit van het habitattype is goed op locaties waar adequaat beheer plaatsvindt.
Een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr doet geen afbreuk aan de effectiviteit van het beheer en noodzakelijke herstelmaatregelen. Het is uitgesloten dat de projectbijdrage negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelen van het habitattype.
4.5.5
H2180Abe/o – Duinbossen (droog), berken-eikenbos/overig De KDW voor H2180Abe Duinbossen (droog), berken-eikenbos wordt in Solleveld & Kapittelduinen op het gehele oppervlak overschreden (Tabel 4.7). In totaal vindt op 4,8
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
46
hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. De KDW voor H2180A Duinbossen (droog), overig wordt in Solleveld & Kapittelduinen op 98% van het totale oppervlak overschreden (Tabel 4.7). In totaal vindt op 44,3 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Duinbossen (droog) in Solleveld & Kapittelduinen zijn verbetering van de kwaliteit en behoud van oppervlak (Tabel 4.8). De actuele kwaliteit is matig tot goed. In Solleveld zijn de aspecten ‘typische soorten’ en ‘structuur en functie’ als goed beoordeeld, ‘abiotische randvoorwaarden’ is matig. Het gebrek aan verjonging en verzuring zijn knelpunten (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Maatregelen zijn gericht op het creëren van open plekken ten behoeve van verjonging en in Solleveld is aanvullend het verwijderen van verruiging nodig. Op andere locaties is het verwijderen van gebiedsvreemde soorten een maatregel om de kwaliteit te waarborgen dan wel te verbeteren (Natuurdoelanalyse). Door het uitvoeren van deze maatregelen worden grote hoeveelheden stikstof uit het systeem afgevoerd van enkele honderden tot duizenden mol per hectare (Van den Berg et al., 2014).
Conclusie effect (vragen 4 en 5 par 4.1) De kwaliteit van de vegetatie is lokaal als goed beoordeeld, ondanks een structurele overschrijding van de KDW. Een tijdelijke bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr doet geen afbreuk aan de effectiviteit van maatregelen als het verwijderen van exoten. De tijdelijke projectbijdrage heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van het habitattype Duinbossen (droog).
4.5.6
H2180C – Duinbossen binnenduinrand De KDW van duinbossen (binnenduinrand) wordt op 72% van het totale oppervlak overschreden. In totaal vindt op 4,7 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats (Tabel 4.7). Instandhoudingsdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Duinbossen (binnenduinrand) in Solleveld & Kapittelduinen zijn verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlak (Tabel 4.8). De actuele kwaliteit is matig tot goed. In Solleveld zijn de aspecten ‘typische soorten’ en ‘structuur en functie’ beoordeeld als goed maar de ‘abiotische randvoorwaarden’ als matig. Het gebrek aan verjonging en verzuring zijn net als bij Duinbossen (droog) knelpunten (Natuurdoelanalyse). Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) Het reguliere beheer bestaat uit het actief bestrijden van gebiedsvreemde soorten. Voor Solleveld wordt bekalking aangegeven als maatregel om verzuring tegen te gaan. Op
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
47
andere locaties is het creëren van open plekken en verwijderen van gebiedsvreemde soorten een maatregel om de kwaliteit te waarborgen dan wel te verbeteren (Natuurdoelanalyse). Door het uitvoeren van deze maatregelen worden jaarlijks grote hoeveelheden stikstof uit het systeem afgevoerd van enkele honderden tot duizenden mol per hectare (Van den Berg et al., 2014). Conclusie effect (vragen 4 en 5 par 4.1) De kwaliteit van de binnenduinrandbossen in Solleveld & Kapittelduinen is ondanks een overschrijding van de KDW van enkele honderden mol N/ha/jr lokaal als goed beoordeeld. Een tijdelijke bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr doet geen afbreuk aan de effectiviteit van maatregelen als het verwijderen van exoten. De tijdelijke projectbijdrage heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van het habitattype Duinbossen (binnenduinrand).
4.5.7
Conclusie Solleveld & Kapittelduinen In Solleveld & Kapittelduinen komt goede kwaliteit habitat voor ook op plekken waar de KDW wordt overschreden. De beschikbare informatie schetst geen relatie tussen de kwaliteit en de mate van overbelasting als gevolg van de achtergronddepositie. Dit geeft aan dat andere sleutelfactoren dan stikstof van belang zijn voor de huidige kwaliteit. Bij Grijze duinen hebben de eerder uitgevoerde herstelmaatregelen een positief effect op de kwaliteit, hondenuitlaten en de afwezigheid van kleinschalige verstuiving is lokaal een knelpunt. Bij Duinheiden met struikhei en Duinbossen is veroudering (ontbreken van verjonging) een knelpunt. Bij Duinbossen draagt exotenbeheer bij aan de kwaliteit. Deze knelpunten hangen samen met de beperkte dynamiek in het gebied. Het beheer waarborgt het behoud van de kwaliteit van habitat in het gebied. De delen met goede kwaliteit habitat hebben zich ontwikkelt in een periode met een aanmerkelijk hogere achtergronddepositie dan in de huidige situatie. De projectbijdrage heeft geen effect op de ontwikkeling van achtergronddepositie. De projectbijdrage staat de effectiviteit van beheer- en herstelmaatregelen niet in de weg. De projectbijdrage heeft daarmee geen effect op de instandhoudingsdoelen voor overbelaste habitattypen met een projectbijdrage.
Aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen is uitgesloten.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
48
4.6
Cumulatie Bij de auteurs van dit rapport zijn verschillende (< 5) projecten bekend die (mogelijk) gelijktijdig met de herontwikkeling van de KC-locatie een vergelijkbare depositie op dezelfde Natura 2000-gebieden veroorzaken. Zo worden in Meijendel & Berkheide en in Solleveld projecten uitgevoerd in het kader van de waterwinning en worden in Leiden projecten uitgevoerd in het kader van de Leidse Ring. De conclusies uit bovenstaande zijn zodanig dat ook in het geval van meerdere projecten met een vergelijkbare depositie op dezelfde hexagonen, er geen significant negatieve effecten kunnen optreden op (de instandhoudingsdoelen van) Natura 2000-gebieden. Reeds vergunde, maar nog niet opgeleverde projecten anders dan hierboven genoemd zijn bij de auteurs van dit rapport niet bekend.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
49
5 Conclusie Voor de habitattypen met een (naderende) overschrijding van de KDW op plaatsen met een projectbijdrage geldt een behoud- en een verbeter/uitbreidingdoelstelling. Naast stikstof zijn windverstuiving, begrazing en exotenbeheer de sleutelfactoren voor de kwaliteit van de habitattypen. Precisie en trend ADW en overschrijding KDW De tijdelijke totale bijdrage als gevolg van de realisatiefase van de KC-locatie leidt niet tot een wezenlijke verandering in de plaatselijke achtergronddepositie. De bijdrage heeft geen reëel effect op de trend in achtergronddepositie. Ten aanzien van de kwaliteit van overbelaste habitattypen met een projectbijdrage wordt het volgende geconcludeerd: 1. De habitattypen hebben lokaal veelal een goede kwaliteit, ook op plaatsen met een overbelasting in depositie van enkele honderden mol. 2. Het activeren van verstuiving in combinatie met begrazing heeft geleid tot een aantoonbare kwaliteitsverbetering bij Witte en Grijze duinen. Deze maatregelen blijven bij de huidige achtergronddepositie noodzakelijk om de kwaliteit op lange termijn te waarborgen. 3. Ook bij Duinheide met struikhei, Duindoornstruwelen, Duinbossen, Vochtige duinvalleien, Kranswierwateren en Lg12 is bij de huidige overbelasting een goede kwaliteit mogelijk. Het beheer is hiervoor een sleutelfactor. 4.
De projectbijdrage heeft geen effect op het rendement van het beheer en de uitgevoerde en nog uit te voeren herstelmaatregelen. Deze maatregelen hebben in de hier besproken duingebieden de laatste twee decennia tot een aantoonbare kwaliteitsverbetering hebben geleid. Deze verbetering is tot stand gekomen in een periode waarin de achtergrondepositie tientallen tot honderden mol hoger was dan in de huidige situatie. 5. Bovenstaande conclusies veranderen niet wanneer beoordeeld in cumulatie met bij de auteurs van dit rapport bekende vergunde, maar nog niet uitgevoerde projecten. Dit geldt ook voor cumulatie met onbekende projecten met een vergelijkbare depositie op betrokken (zoekgebieden voor) habitattypen en leefgebieden. 6. Om de kwaliteit op lange termijn onder natuurlijke processen te waarborgen zal een daling van enkele honderden mol nodig zijn. Deze opgave wordt niet verzwaard door de projectbijdrage. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat onder de huidige situatie in de hier besproken overbelaste habitattypen met een projectbijdrage realisatie van de instandhoudingsdoelen voor kwaliteit mogelijk is. De reeds in het verleden uitgevoerde maatregelen en maatregelen in het Natura 2000-beheerplan zijn hiervoor bepalend.
De totale tijdelijke projectbijdrage heeft geen reëel effect op het rendement van deze maatregelen en staat daarmee realisatie van de instandhoudingsdoelen niet in de weg. Significant negatieve effecten op habitattypen en leefgebieden in de hier besproken
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
50
overbelaste habitattypen met een projectbijdrage zijn daarmee uitgesloten. Van aantasting van natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden is geen sprake. Slotopmerking Ook bij de huidige overbelasting die, waar al decennia sprake van is, heeft zich duinhabitat van goede kwaliteit kunnen ontwikkelen als gevolg van een investering in regulier beheer en herstelmaatregelen. De toekomstige projectbijdrage doet niets af aan de effectiviteit van deze maatregelen. Om de (verbetering van de) kwaliteit te waarborgen blijft een investering in regulier beheer en periodieke herstelmaatregelen nodig. Alleen bij een aanzienlijke daling van de stikstofdepositie tot onder de KDW zal duurzaam herstel mogelijk zijn dat onder natuurlijke processen verloopt. Dit zal door middel van bronmaatregelen moeten worden aangepakt. De tijdelijke projectbijdrage heeft hier geen invloed op en verzwaart deze opgave niet.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
51
Literatuur Aggenbach, C., S. Arens, Y. Fujita, A. Kooijman, T. Neijmeijer, M. Nijssen, P. Stuyfzand, M. van Til, J. van Boxel & L. Cammeraat. 2018. Herstel grijze duinen door reactiveren kleinschalige dynamiek. OBN223- DK. VBNE, Driebergen. Aggenbach, C. J. S., Y.Fujita, L.Jones, A.Kooijman & A. Nanu. 2020. Effectiveness of measures to mitigate high nitrogen deposition in dry habitats. Nieuwegein, BTO. Bal, D. 2014. Temporele variatie in stikstofdepositie: effecten op natuurwaarden. Notitie t.b.v. de Programmatische Aanpak Stikstof. Programmadirectie Natura 2000, Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. BIJ12, 2021. Handreiking Voortoets Stikstof. Versie dd. 23 februari 2021. BIJ12, Utrecht. Bobbink R. & J.P. Hettelingh (red.). 2011. Review and revision of empirical critical loads and doseresponse relationships, Coordination Centre for Effects, National Institute for Public Health and the Environment (RIVM), www.rivm.nl/cce. Bobbink, R. & M. Weijters. 2018. Verschil in effecten op natuur van gereduceerd versus geoxideert stikstof. Lucht (2018), 23-27. Breedveld, M.J., W. Stempher & M.E. de Boer, 2017. Beheerplan bijzondere natuurwaarden Meijendel & Berkheide 2016-2022. Arcadis. Caporn, S., C. Field, R. Payne, N. Dise, A. Britton, B. Emmett, L. Jones, G. Phoenix, S. Power, L. Sheppard & C. Stevens. 2016.
Assessing the effects of small increments of atmospheric nitrogen deposition (above the critical load) on semi- natural habitats of conservation importance. Natural England. De Keersmaeker, L., H. Cosyns, A. Thomaes & K. Vandekerkhove. 2016) Kan houtoogst stikstofdepositie mitigeren? Landschap Tijdschrift Voor Landschapsecologie en Milieukunde, (4), 4–13. Retrieved from http://edepot.wur.nl/413120 De Leeuw, C.C., M. van Til, C.J.S. Aggenbach & S.M.I. Arens. 2019. Kleinschalige verstuiving voor herstel van Grijze duinen. Zeist Driebergen, KNNV Uitgeverij OBN/VBNE. Den Held, S.L.M, K.H. Grootjans & T. van den Broek. 2018. Beheerplan bijzondere natuurwaarden Voornse duinen. Planperiode 2018-2023. Haskoning Nederland B.V. Jaspers, H., H. Kwadijk, F. van der Kolk & E. de Swart. 2018a. Beheerplan bijzondere natuurwaarden Westduinpark en Wapendal. Planperiode 2018-2023. Referentienr. SWNL0215984. Sweco Nederland, de Bilt. Jaspers, H., H. Kwadijk, F. van der Kolk & E. de Swart. 2018b. Beheerplan bijzondere natuurwaarden Solleveld & Kapittelduinen. Planperiode 2018-2023. Referentienr. SWNL0215737. Sweco Nederland, de Bilt. Jones, L., C. Stevens, E.C. Rowe, R. Payne, S.J.M. Caporn, C.D. Evans, C. Field, & S. Dale. 2017. Can On-site Management Mitigate Nitrogen Deposition Impacts in Non-wooded Habitats? Biological Conservation, 212, 464–475. Johnson, D. W., & J. Turner. 2014.