RIS317781 Bijlage 1 - Voortoets aanlegfase KC-locatie V3 Den Haag
Tekst van het document
Voortoets aanlegfase KClocatie, Den Haag Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming
Lotte Littooij
Voortoets aanlegfase KC-locatie, Den Haag Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming L. Littooij Status uitgave: concept Rapportnummer:
23-488
Projectnummer:
23-0813
Datum uitgave:
18 december 2023
Projectleider:
J.T.B. Cardinaals
Tweede lezer:
G.F.J. Smit
Opdrachtgever:
Peutz bv (Zoetermeer) Postbus 696 2700 AR Zoetermeer
Referentie opdrachtgever: Akkoord voor uitgave:
G.F.J. Smit
Foto's omslag:
J.T.B. Cardinaals
Datum akkoord:
13 december 2023
Graag citeren als: L. Littooij. 2023. Voortoets bouwfase ANWB-kantoor, Den Haag. Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. Den Haag. Rapport 23-488 Waardenburg Ecology, Culemborg. Trefwoorden: ANWB-kantoor, ecologische beoordeling, stikstof, Wet natuurbescherming Waardenburg Ecology is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Waardenburg Ecology. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Waardenburg Ecology voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Waardenburg Ecology / Rijksvastgoedbedrijf Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Waardenburg Ecology, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Waardenburg Ecology is een handelsnaam van Bureau Waardenburg BV. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus. Het kwaliteitsmanagementsysteem is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015.
Waardenburg Ecology hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.
Waardenburg Ecology Varkensmarkt 9, 4101 CK Culemborg, 0345 512710 info@waardenburg.eco, www.waardenburg.eco
Voorwoord Nadat het Koninklijk Conservatorium (KC-locatie) verhuisd is naar het nieuwe cultuurcentrum Amare op het Spuiplein is deze locatie aan de Juliana van Stolberglaan 1 te ’s-Gravenhage beschikbaar gekomen voor een herontwikkeling. Het voornemen bestaat om op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Er zullen twee kantoorgebouwen worden gerealiseerd, één ten behoeve van het nieuwe hoofdkantoor van de ANWB en één kantoor dat door het Rijksvastgoedbedrijf wordt ontwikkeld. Daarnaast wordt ook voorzien in een groen pocketpark. In opdracht van Provast wordt in voorliggende rapportage onderzocht of de stikstof, die tijdens de aanlegfase (sloop- en bouwfase) van de herontwikkeling van de KC-locatie vrijkomt, significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebieden en aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten. Peutz heeft voor de voorgenomen ingreep een AERIUS-berekening (versie 2023) uitgevoerd en Waardenburg Ecology gevraagd de projectbijdrage aan de depositie als gevolg van de voorgenomen ingreep te toetsen aan de Wet natuurbescherming. In voorliggend rapport zijn de effecten van de additionele stikstofdepositie op Natura 2000gebieden beoordeeld. Dit rapport is een ecologische beoordeling gebaseerd op beschikbare informatie en te beschouwen als een Voortoets voor het aspect stikstof.
Voorliggende rapportage is opgesteld door Waardenburg Ecology. Aan de totstandkoming van dit rapport werkten mee: J.T.B. Cardinaals L. Littooij G.F.J. Smit
projectleiding rapportage kwaliteitsborging
Genoemde personen zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Waardenburg Ecology. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg is ISO gecertificeerd. Vanuit Peutz werd de opdracht begeleid door de heer Koen van der Nat. Wij danken hem voor de prettige samenwerking.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
3
Inhoud Voorwoord
3
Samenvatting
5
1
7
2
3
4
5
Inleiding 1.1
Aanleiding en doel
7
1.2
Proces Wet natuurbescherming
7
1.3
Verantwoording
8
1.4
Leeswijzer
10
Plangebied
11
2.1
Ligging plangebied
11
2.2
Voorgenomen ingreep
11
Effecten van stikstof
13
3.1
Wat doet stikstof?
13
3.2
Ontwikkeling stikstofdepositie
14
3.3
Beheer- en herstelmaatregelen bij stikstofdaling
15
3.4
De rol van verstuiving en stikstofdepositie op de kwaliteit van duinhabitat
17
3.5
Effecten van een tijdelijk verhoogde stikstofdepositie
19
3.6
Bepaling van effecten van stikstofdepositie
20
Resultaten AERIUS-berekening
24
4.1
Reikwijdte van de bijdrage
24
4.2
Precisie – bijdrage en ontwikkeling achtergronddepositie vraag 1 § 2.2
25
4.3
Natura 2000-gebied Meijendel & Berkeheide
25
4.4
Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal
35
4.5
Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen
42
4.6
Cumulatie
49
Conclusie
50
Literatuur
52
Bijlage I
AERIUS-berekening
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
55
4
Samenvatting Het voornemen bestaat om twee kantoorgebouwen te realiseren ter plaatse van de KClocatie. Daarnaast wordt ook voorzien in een groen pocketpark. In dit rapport is ecologisch beoordeeld wat de effecten zijn van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de sloop- en bouwwerkzaamheden in het maatgevende jaar van deze ontwikkeling. Het doel van het onderzoek is om te bepalen of aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden op voorhand is uit te sluiten of dat voor het project een vergunning nodig is op grond van de Wet natuurbescherming. De AERIUS-berekening van de stikstofdepositie is uitgevoerd door Witteveen & Bos. De depositie in deze rapportage heeft betrekking op de aanlegfase van deze ontwikkeling. Het beoordelen van effecten als gevolg van de gebruiksfase maakt geen onderdeel uit van voorliggende rapportage. Uit de rapportage van Peutz (Van der Nat, 2023) volgt een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige habitats. Van negatieve effecten als gevolg van de gebruiksfase is daardoor geen sprake. Realisatiefase Als gevolg van de realisatie van de KC-locatie vindt er tijdelijk maximaal 0,02 mol N/ha/jr stikstofdepositie plaats op de daarvoor gevoelige habitattypen en leefgebieden in het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide.
In de Natura 2000-gebieden Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen is de depositie maximaal 0,01 mol N/ha/jr. De genoemde depositiebijdrage treedt op in het maatgevende jaar van de aanlegfase van de KC-locatie. Het maatgevende jaar is het jaar waarin de stikstofdepositie vanwege de bouw- en/of sloopwerkzaamheden over de hele aanlegfase gezien het grootst is. De werkzaamheden zullen een aantal jaren in beslag nemen, waarbij de werkzaamheden op de RVB-kavel naar verwachting circa een jaar later zullen starten dan de werkzaamheden op de ANWB-kavel. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden op beide kavels zal de gehele ontwikkellocatie door de gemeente (in één werkstroom) bouwrijp worden gemaakt, waarbij de bestaande opstallen op de KC-locatie volledig zullen worden gesloopt. Rekening houdend met deze uitgangspunten, is het eerste jaar van de werkzaamheden op de KC-locatie het maatgevende jaar voor de aanlegfase.
In dit jaar vindt zowel de sloop van alle bestaande opstallen plaats, als het eerste gedeelte van de bouwwerkzaamheden aan het nieuwe ANWB-kantoor, inclusief de plaatsing van de kelderbak waar relatief veel materieel voor nodig is. In de resterende periode van de
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
5
aanlegfase zal de inzet van zwaarder materieel op de KC-locatie een stuk beperkter zijn dan in het eerste jaar, waarmee de daarmee gemoeide stikstofdepositie ook lager is. Voor een deel betreft de tijdelijke projectbijdrage habitattypen met locaties waar geen overschrijding van de kritische depositie plaatsvindt. Niettemin vindt er tijdelijk ook depositie plaats op reeds overbelaste delen van de aanwezige habitattypen en het leefgebied voor nauwe korfslak. De tijdelijke projectbijdrage op de overbelaste delen van habitattypen en het leefgebied is beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstelling voor deze habitattypen en nauwe korfslak, zoals aangegeven in het aanwijzingsbesluit van de betrokken Natura 2000-gebieden. Conclusie In dit rapport is op basis van beschikbare informatie geconcludeerd dat als gevolg van dit project er geen effecten zijn op de instanhoudingsdoelstellingen van de habitattypen en op de leefgebieden van soorten van de drie Natura 2000-gebieden. Er zal geen sprake zijn van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Er zijn geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen dan wel te beperken.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
6
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Het voornemen bestaat om twee kantoorgebouwen te realiseren ter plaatse van de KClocatie. Daarnaast wordt de locatie ook voorzien in een groen pocketpark. In dit rapport is ecologisch beoordeeld wat de effecten zijn van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden als gevolg van de sloop- en bouwwerkzaamheden in het maatgevende jaar van deze ontwikkeling. In opdracht van Provast is onderzocht of en zo ja, hoe met deze ingreep rekening moet worden gehouden met de Wet natuurbescherming, in het bijzonder wat betreft de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden als gevolg van de sloop- en bouwwerkzaamheden. Concreet wil ANWB weten of als gevolg van dit project significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. In dit rapport is op basis van de AERIUS-berekening en de meest recente beschikbare gegevens ecologisch beoordeeld wat de effecten zijn van additionele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De AERIUS-berekening van de realisatiefase is uitgevoerd door Witteveen & Bos (Nogueria, 2023). Uit de rapportage van Peutz (Van der Nat, 2023) volgt een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige habitats en daarmee geen negatieve effecten. Het doel van het onderzoek is om te bepalen of voor de ingreep een vergunning op grond van de regels uit de Wet natuurbescherming nodig is.
De Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft als doel het behoud van de biodiversiteit en duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan. Sommige handelingen en ontwikkelingen kunnen de natuur, en daarmee de biodiversiteit, schaden en zijn daarom krachtens de wet verboden. Is dat het geval voor Natura 2000-gebieden dan is een vergunning nodig.
1.2
Proces Wet natuurbescherming In het onderstaande wordt de additionele depositie als gevolg van een project getoetst aan artikel 2.7 lid 2 van de Wet Natuurbescherming: Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
7
Zowel voor plannen als projecten is het criterium of een plan of project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Er dient dus aangetoond te worden dat er ‘cumulatief’ geen significante effecten kunnen optreden als gevolg van het plan of project. Kan dat al “op voorhand”, dan is een zogenaamde voortoets voldoende. In dit geval zijn geen maatregelen nodig om de projectbijdrage te beperken, Als significante effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld. Hierin wordt op basis van een inhoudelijke ecologische bepaling van de effecten op het Natura 2000-gebied beoordeeld of er effecten kunnen optreden. In een passende beoordeling mogen mitigerende maatregelen in de beoordeling worden meegenomen om de effecten te niet te doen of te verzachten. Ook externe saldering kan worden meegenomen, dat wil zeggen vermindering van stikstofduitstoot buiten het project. Hierbij mag maximaal 70% van de externe vermindering worden benut voor saldering. In de passende beoordeling wordt onderzocht of sprake kan zijn van aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. Alleen als verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast kan een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming worden verleend.
Is het niet mogelijk om aantasting van de natuurlijke kenmerken uit te sluiten, dan is een ADC-toets noodzakelijk. Er dient dan te worden aangetoond dat er: • geen Alternatieven zijn, • een Dwingende reden van groot openbaar belang is en • Compensatie plaatsvindt voor de verloren gaande natuur(kwaliteit). De vergunning kan alsnog verleend worden als blijkt dat aan de ADC-voorwaarden wordt voldaan. Als de dwingende reden van groot openbaar belang een reden van sociale of economische aard is, en de aantasting van prioritaire habitats of soorten niet is uitgesloten, moet het compensatieplan voor advies aan de Europese Commissie worden voorgelegd.
1.3
Verantwoording AERIUS-berekening bouwfase De berekening is uitgevoerd met AERIUS-calculator versie 2023. Voor de verantwoording van de AERIUS-berekening en berekende resultaten wordt verwezen naar het rapport van Witteveen & Bos (Nogueria, 2023). Beschikbare informatie De habitattypen en soorten waarvoor de in dit rapport genoemde Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, zijn met hun instandhoudingsdoelen weergegeven op https://www.natura2000.nl/gebieden. Informatie over sleutelfactoren voor de kwaliteit van habitattypen is ontleend aan de profieldocumenten voor habitattypen en aanvullende literatuur, waaronder gebiedspecifiek onderzoek.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
8
De informatie uit Natura 2000-beheerplannen, evaluaties van de beheerplannen, de PASgebiedsanalyses en Natuurdoelanalyses zijn gebruikt voor het vaststellen van mogelijke gebiedsgerichte knelpunten en oplossingen ten aanzien van de instandhoudingdoelen. In deze beoordeling is hieraan op de volgende wijze gerefereerd: Natura 2000-beheerplan (Beheerplan) - Beheerplan Meijendel & Berkheide à Breedveld et al., 2017; - Beheerplan Westduinpark & Wapendal à Jaspers et al., 2018a; - Beheerplan Solleveld & Kapittelduinen à Jaspers et al., 2018a. Evaluatie Natura 2000-beheerplan (Evaluatie beheerplan) - Evaluatie Natura 2000-beheerplan Kennemerland-Zuid (Sweco, 2023) Natuurdoelanalyses (Natuurdoelanalyses) - Natuurdoelanalyse Meijendel & Berkheide à Provincie Zuid-Holland, 2022d; - Natuurdoelanalyse Westduinpark & Wapendal à Provincie Zuid-Holland, 2022e; - Natuurdoelanalyse Solleveld & Kapittelduinen à Provincie Zuid-Holland, 2021. Gebiedsanalyse (Gebiedsanalyse) - Gebiedsanalyse Mijendel & Berkheide à Provincie Zuid-Holland, 2017a; - Gebiedsanalyse Westduinpark & Wapendal à Provincie Zuid-Holland, 2017b; - Gebiedsanalyse Solleveld & Kapittelduinen à Provincie Zuid-Holland, 2017c; De informatie in natuurdoelanalyses, beheerplannen en gebiedsanalyses komt niet voor alle habitattypen overeen. Waar deze documenten elkaar tegenspreken is de meest recente bron aangehouden.
Informatie uit de profielen en herstelstrategieën voor habitattypen en de literatuur is gebruikt om de aard en omvang van effecten in te schatten. Voor plaatselijke gegevens over de achtergronddepositie en ligging van habitattypen en leefgebieden van soorten is AERIUS geraadpleegd. Berekening oppervlakten met GIS Voor de GIS-berekeningen van de oppervlakten overbelast habitat met een projectbijdrage is gebruik gemaakt van de volgende datasets gedownload van het Nationaal Georegister: - AERIUS koppeltabel hexagonengrid en relevante habitats (dd. 5 oktober 2023); - AERIUS totale stikstofdepositie (dd. 5 oktober 2023) Voor de projectbijdrage per habitat is gebruik gemaakt van de gml-export van de rekenresultaten van AERIUS Calculator. De berekening van oppervlakten met overbelast habitat op basis van de AERIUS koppeltabel komen overeen met AERIUS Monitor 2023. De berekening van oppervlakten met toename op basis van de AERIUS koppeltabel komen echter niet altijd overeen met de berekening in AERIUS Calculator. Waar deze verschillen is AERIUS Calculator aangehouden.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
9
Voor overige bronnen wordt verwezen naar de literatuurlijst.
1.4
Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft de ligging van het project en een beknopte projectbeschrijving. In Hoofdstuk 3 is de algemene problematiek en de toetsingscriteria geschetst. Omdat sprake is van stikstofdepositie op drie Natura 2000-gebieden in de kustduinen is in Hoofdstuk 3 tevens de relatie tussen stikstof en de sleutelfactoren voor instandhouding van het duinhabitat beschreven. Hoofdstuk 4 betreft de beoordeling van effecten op habitattypen in de drie Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 5 geeft de conclusie van de effectbeoordelingen en in cumulatie met andere bekende vergunde maar nog niet opgeleverde projecten.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
10
2 Plangebied 2.1
Ligging plangebied De KC-locatie is gelegen aan de Juliana van Stolberglaan 1 te Den-Haag. De meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn het duingebied Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal, en Solleveld & Kapittelduinen op circa 3 km tot 8 km van de bouwlocatie (Figuur 2.1).
Meijendel & Berkheide
Westduinpark & Wapendal
Solleveld & Kapittelduinen Figuur 2.1
2.2
Globale ligging plangebied (rode omkaderd) ten opzichte van Natura 2000gebieden (groen) (OpenStreetmaps).
Voorgenomen ingreep Onderstaande informatie is aangeleverd door Witteveen & Bos (Nogueria, 2023). Het project behelst de herontwikkeling van de KC-locatie alwaar twee kantoorgebouwen worden gerealiseerd alsmede een pocketpark. Het project bestaat daarmee uit twee samenhangende, parallelle onderdelen: 1. Het uitfaseren en sloop van het Koninklijk Conservatorium. 2. De bouw van een kantoor door het Rijksvastgoedbedrijf, een kantoor ten behoeve van de ANWB en de aanleg van een pocketpark. Tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden worden mobiele werktuigen ingezet welke worden aangedreven door verbrandingsmotoren. Dit leidt tot emissie van
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
11
stikstofverbindingen die kunnen leiden tot stikstofdepositie op beschermde Natura 2000gebieden.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
12
3 Effecten van stikstof 3.1
Wat doet stikstof? Stikstof is een onmisbare bouwsteen en voor het leven met name van belang in de vorm van nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+). In veel natuurlijke en half-natuurlijke ecosystemen zijn plantensoorten aangepast aan nutriëntenarme omstandigheden waarbij (onder andere) stikstof beperkend is voor de groei. Neemt de depositie van stikstof in de vorm van stikstofoxides (NOx) en ammoniak (NH3) toe, dan is er risico op vermestende en verzurende effecten doordat NOx en NH3 in de bodem worden omgevormd tot nitraat en ammonium waardoor voor de vegetatie veel voedingsstoffen beschikbaar komen. De thema’s verzuring en vermesting maken al vanaf de jaren negentig deel uit van het nationale natuur- en milieubeleid. Een hoge stikstofdepositie vormt een belangrijke bedreiging voor de biodiversiteit (Wallis De Vries & Bobbink, 2017). Een toename van de atmosferische stikstofdepositie in een voorheen onbelast gebied vergoot de beschikbaarheid van stikstof in bodem of water, en leidt zodoende tot een verhoogde opname van stikstofverbindingen door vegetatie. Dit proces wordt eutrofiëring genoemd. Een langdurige toename van stikstofdepositie bevordert snelgroeiende soorten. Dit kan leiden tot het verdwijnen van kenmerkende soorten van voedselarme omstandigheden omdat zij juist zijn aangepast aan een lage stikstofbeschikbaarheid (Smits & Bal, 2014).
Wanneer de hoeveelheid stikstof in de bodem toeneemt, neemt de concurrentiekracht van deze soorten ten opzichte van snelgroeiende soorten af.
Een structureel hoge stikstofdepositie bevordert snelgroeiende planten en versnelt uitloging van de bodem. De eutrofiering kan successie versnellen en eutrofiering en verzuring in het duin leiden tot verlies van voor het duin kenmerkende soorten. In zeer sterk gebufferde systemen zoals plekken met kalkrijke kwel in de duinen speelt verzuring niet.
Verzuring, oftewel afname van de buffercapaciteit, is een langetermijnproces dat ook van nature plaatsvindt door carbonzuur of organische zuren, maar wat (zeer sterk) versneld kan worden door de toevoer van zure of verzurende stoffen uit de atmosfeer. Afhankelijk van de bodemsamenstelling kan dit complexe proces leiden tot een lagere pH, verhoogde uitspoeling van kationen, verhoogde concentraties aan toxische metalen (vooral van aluminium) en veranderingen in de verhouding tussen nitraat en ammonium in de bodem (Smits & Bal, 2014). Plantensoorten van kalkrijke of licht zure habitattypen zijn aangepast aan nitraat als stikstofbron, of een combinatie van nitraat en ammonium, terwijl dat onder zure omstandigheden juist ammonium is. Verzuring leidt dan ook tot een verandering in de soortensamenstelling en vormt een bedreiging voor kenmerkende soorten van zwak gebufferde systemen, vooral Rode-lijstsoorten. Algemene of dominante plantensoorten
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
13
worden niet beïnvloed of juist gestimuleerd. In zeer sterk gebufferde systemen speelt verzuring geen rol, wat niet wegneemt dat ze gevoelig zijn voor het vermestende effect van stikstof en doorwerking in de voedselketen (Bobbink & Weijters, 2018). De verhoogde stikstofniveaus kunnen verder leiden tot een hogere gevoeligheid voor droogte en ziekten. Verhoogde stikstofniveaus kunnen ook leiden tot een verandering van het stikstofgehalte in de plant, wat de gevoeligheid voor (plaag)insecten kan vergroten en doorwerkt in de voedselketen (Wallis De Vries & Bobbink, 2017; Smits & Bal, 2014). Toetsingskader Een structureel te hoge stikstoflast kan leiden tot vermesting en verzuring. Dit leidt tot een verandering in de soortensamenstelling van de vegetatie. Het gevolg is de kwaliteit van de betreffende habitattype(n) afneemt en op termijn ook leidt tot een afname van de omvang van oppervlakte. Veranderingen in oppervlak en kwaliteit van het habitat zijn in deze beoordeling gebruikt als toetsingscriteria. Beide criteria zijn direct gekoppeld aan de instandhoudingsdoelen voor oppervlak en kwaliteit van habitattypen.
3.2
Ontwikkeling stikstofdepositie Rond 1900, aan het begin van de vorige eeuw, lag de achtergronddepositie (ADW) in Nederland onder de 500 mol N/ha/jaar, en daarmee onder de kritische depositiewaarde (KDW) van de voor stikstof zeer gevoelige habitattypen. Vanaf 1900 is de stikstofdepositie toegenomen, eerst gestaag en vanaf 1960 steeds sneller. In de jaren negentig werden de hoogste waarden bereikt. In 1990 bedroeg de gemiddelde stikstofdepositie in Nederland ruim 2700 mol N/ha. In 2010 daalde de stikstofdepositie tot rond de 1600 mol N/ha. Na enkele jaren van stagnatie is de depositie inmiddels weer gestegen tot 1730 mol N/ha/jr (situatie 2018). Dit komt doordat de depositie van gereduceerd stikstof sinds 2005 niet verder is gedaald en sinds 2010 weer toegenomen (bron www.clo.nl). De stagnatie van de daling sinds 2005 en de stijging sinds 2009 in ammoniakdepositie zijn vooral toe te schrijven aan hogere ammoniak uitstoot door uitbreiding van de veestapel (www.clo.nl).
Kritische depositiewaarde voor stikstof (KDW): de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Beneden deze grens treden geen significant schadelijke effecten op (Van Dobben et al., 2012).
Toetsingscriteria De landelijke stikstofdepositie daalde fors vanaf de jaren negentig in de vorige eeuw. De laatste jaren stagneert de afname, de KDW voor strikstofgevoelige habitattypen wordt lokaal nog steeds overschreden. De projectbijdrage mag geen invloed hebben op de trend van de achtergronddepositie. Dit betekent dat de projectbijdrage geen wezenlijke bijdrage mag leveren aan een toename van de depositie, de duur van een overbelasting of het beperken van de daling van de depositie.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
14
3.3
Beheer- en herstelmaatregelen bij stikstofdaling Het spontaan herstel van habitattypen verloopt, ook bij een afname van de depositie, in het algemeen traag. Dit kan een gevolg zijn van het feit dat de stikstofdepositie, hoewel afgenomen, nog steeds te hoog is, of doordat een geschikte zaadbank of andere zaadbronnen ontbreken. Ook kunnen vegetaties in een overbelaste situatie in een alternatieve stabiele staat komen wat voorkomt dat eerder verdwenen en kenmerkende soorten weer terug kunnen komen (Stevens, 2016). Een hoge stikstoflast kan bijvoorbeeld leiden tot een opstapeling van strooisel of humus waardoor de effecten lang doorwerken. De bodem kan ook zo verzuurd zijn dat buffering als gevolg van verwering onvoldoende plaatsvindt. In dergelijke gevallen zijn actieve herstelmaatregelen nodig om de kwaliteit te verbeteren en uitbreiding te realiseren. Herstelmaatregelen Verzuring en vermesting staan niet los van elkaar, maar versterken elkaar. Om de verzurende en vermestende effecten van een te hoge stikstofdepositie het hoofd te bieden bestaan er twee herstelstrategieën: het verwijderen van de extra geaccumuleerde stikstof en het vergroten van de buffercapaciteit in verzuurde systemen (Smits & Bal, 2014). • Verwijdering van geaccumuleerde stikstof kan op verschillende manieren gebeuren en is afhankelijk van het type habitat.
Voorbeelden van herstelmaatregelen zijn: extra maaien en afvoeren, plaggen, drukbegrazing of baggeren. Met deze maatregelen wordt een aanzienlijke hoeveelheid stikstof uit het systeem verwijderd (zie Van den Berg et al., 2014 voor voorbeelden voor duinhabitat). Deze maatregelen zijn uitvoerbaar in half-natuurlijke ecosystemen. • Een maatregel om verzuring tegen te gaan in droge ecosystemen is bekalking (na plaggen). Een andere maatregel is het herstellen van de toestroom aan bicarbonaatrijk, basisch en kationenrijk grond- of oppervlaktewater. Afhankelijk van de situatie kan dit door herstel van kwel, overstroming met gebufferd, schoon oppervlaktewater of bekalking van het inzijgingsgebied (Smits & Bal, 2014). In kalkrijke kustduinen is het stimuleren van verstuiving een belangrijke maatregel (De Leeuw et al., 2019). Duurzaam herstel van ecosystemen vraagt om een aanpak op landschapsschaal. Als de kenmerkende plantensoorten niet in de zaadbank aanwezig zijn, is de kolonisatie afhankelijk van groeiplaatsen uit de omgeving. Bij dieren is het van belang dat binnen een ecosysteem de verschillende levensfase worden ondersteund. Natuurlijke landschappen zijn afwisselend door de dynamiek via wind, vuur, grond- en oppervlaktewater, grote herbivoren en hun predatoren. In onze halfnatuurlijke landschappen is deze sturende rol grotendeels door de mens overgenomen (Smits & Bal, 2014).
Om de effecten van een verhoogde stikstofdepositie aan te pakken kunnen beheer- en herstelmaatregelen noodzakelijk zijn. In de duinen speelt het stimuleren van de natuurlijke dynamiek door verstuiving en toepassen van begrazing een belangrijke rol bij herstel en beheer van duinhabitat. Hoewel deze maatregelen succesvol zijn, ook bij een forse overbelasting van de KDW, is een verdere daling van de depositie noodzakelijk om natuurlijke processen te bevorderen en de noodzaak voor periodiek ingrijpen te verminderen.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
15
Beheer, herstel en een verhoogde depositie Om een versnelde successie, als gevolg van overbelasting, in half-natuurlijke landschappen tegen te gaan is actief beheer nodig. Met regulier beheer kan op regelmatige basis een grote hoeveelheid stikstof worden afgevoerd (Van den Berg et al., 2014). Door maaien en afvoeren kunnen hoeveelheden stikstof worden afgevoerd die vergelijkbaar zijn met de orde van de plaatselijke achtergronddepositie. De afgevoerde hoeveelheid stikstof kan daarbij plaatselijk enkele honderden mol per hectare verschillen. Ook tussen de jaren kunnen grote verschillen optreden. Dit is onder andere afhankelijk van hoelang het maaisel blijft liggen voor het wordt afgevoerd (Schaffers et al., 1998; Socher et al., 2013). Het beheer in half-natuurlijke landschappen is maatwerk en afhankelijk van het habitattype en de lokale situatie. Hooilanden zijn, zoals de naam aangeeft, afhankelijk van een regulier maaien terwijl graslanden en heide veelal afhankelijk zijn van begrazing. Bij duingraslanden speelt begrazing door konijnen een belangrijke rol. Waar de konijnenpopulatie is ingestort kunnen grote grazers de rol van konijnen overnemen. Het stimuleren van een natuurlijke dynamiek, zoals verstuiving bij duingraslanden en stuifzanden op de hogere zandgronden wordt naast het tegengaan van successie ook ingezet voor het tegengaan van verzuring (De Leeuw et al., 2019).
Herstelmaatregelen om de huidige geaccumuleerde niveaus van stikstof te verminderen, zoals het plaggen, zijn ingrijpend voor de bodem en de flora en fauna. Deze maatregelen kunnen het best op kleine schaal worden toegepast. Het succes van herstelmaatregelen kan bij continuering van hoge depositieniveaus een beperkt effect hebben, wat betekent dat op termijn opnieuw moeten worden ingegrepen. Dit is wederom ingrijpend voor flora en fauna. Ook intensivering van het beheer met als doel het afvoeren van extra stikstof kan een negatief effect hebben op de biodiversiteit en leiden tot ongewenste verstoring van de nutriëntenbalans in de bodem (Jones et al., 2017; de Keersmaeker et al., 2016; Nijssen et al., 2014). Hoewel beheermaatregelen kunnen bijdragen aan een vlotter herstel van vegetaties, zijn ze over het algemeen niet geschikt en bedoeld om een extra stikstof belasting op te vangen. Is het beheer op orde, dan is intensivering van het beheer met tot doel stikstof af te voeren als vorm van mitigatie niet wenselijk. Het reduceren van stikstofemissies is de enige duurzame oplossing om de schade als gevolg van een te hoge stikstofbelasting te verminderen (Jones et al., 2017; Van der Bij et al., 2017, Schoukens & Cliquet, 2016; Stevens, 2016; Wallis de Vries & Bobbink, 2017).
Uit veldstudies blijkt dat habitattypes gevoeliger zijn voor een structurele toename in depositie als de achtergronddepositie rond de KDW ligt. Bij een depositie rond de KDW kan een structurele toename van 20 mol N/ha/jaar of hoger bij verlies van soorten optreden (Caporn et al., 2016; Bobbink & Hettelingh, 2011). Effecten als gevolg van een te hoge stikstofdepositie, boven de KDW, zijn meestal pas na enkele jaren en soms pas na tientallen jaren zichtbaar. Omgekeerd kan ook bij verlaging van de depositie pas na jaren verbetering optreden, of treedt dit pas op na actief herstelbeheer (Stevens, 2016).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
16
Toetsingscriteria Eén van de aspecten voor het bepalen van effecten is de mate waarin een effect kan worden opgevangen in natuurlijke fluctuaties, de veerkracht in een gebied zoals opgenomen in de Leidraad bepaling significantie (Steunpunt Natura 2000, 2010). Beheer en herstelmaatregelen dragen bij aan de veerkracht van een gebied. Regulier beheer is belangrijk voor de instandhouding van een habitattype. De projectbijdrage mag geen invloed hebben op het rendement van beheermaatregelen en niet leiden tot de noodzaak voor intensiever beheer of aanvullende maatregelen. Herstelmaatregelen worden uitgevoerd met het doel de kwaliteit en oppervlak van een habitattype te verbeteren. Met herstelmaatregelen die aantoonbaar bijgedragen aan instandhoudingsdoelen worden onder andere de effecten van een hoge stikstoflast aangepakt. De projectbijdrage mag geen invloed hebben op het rendement van de uitgevoerde herstelmaatregelen en dus niet leiden tot de noodzaak voor extra maatregelen.
3.4
De rol van verstuiving en stikstofdepositie op de kwaliteit van duinhabitat De kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen in de duinen hangt nauw samen met de mate van humusvorming, ontkalking en verzuring in relatie tot kleinschalige verstuiving. In open duintypen zoals Grijze duinen, wordt de kwaliteit mede bepaald door de aanwezigheid van konijnen. Konijnen houden niet alleen de vegetatie kort maar zorgen door het graven van holen plaatselijk ook voor verstuiving en voorkomen dominantie van duindoornstruwelen en kruipwilgstruwelen. Winddynamiek en fosfaatbeschikbaarheid De kalkrijke en ijzerrijke duinen ten zuiden van Schoorl zijn over het algemeen fosfaatgelimiteerde systemen. Dit wil zeggen dat fosfaat niet vrij opneembaar is voor planten en de beperkte beschikbaarheid van fosfaat zorgt voor een natuurlijk evenwicht in duinvegetaties. Dit evenwicht staat in relatie tot de zuurgraad van de bodem en de hoeveelheid aan ijzer en aluminium in de bodem (Kooijman, Besse & Haak, 2005). Het evenwicht verschuift wanneer de pH van de bodem onder de 6,0 zakt, doordat het immobiele calciumfosfaat (Fe4P) net als calciumcarbonaat oplost (Kooijman & Besse, 2002).
Normaliter wordt de zuurgraad van de bodem gebufferd doordat kleinschalige verstoringen in de vorm van winderosie, overstuiving, watererosie en begrazing door konijnen ervoor zorgen dat de bodem oppervlakkig wordt voorzien van een nieuwe laag kalkrijk zand en de successie weer opnieuw plaatsvindt (Aggenbach et al., 2018). Wanneer het evenwicht verschuift leiden externe knelpunten als eutrofiering door stikstofdepositie en verdroging tot een versnelde successie en afname soortensamenstelling (Bobbink & Weijters, 2018). Positief effect van meer verstuivingsdynamiek In de vorige eeuw was het beheer van de kustduinen gericht op het tegengaan van verstuiving en het vastleggen van het duin. Gelijk met dit proces is de stikstofdepositie sterk toegenomen. In de periode tussen 1980 en 1990 is de verstuiving in de kalkrijke duinen langzaam weer toegenomen. De stikstofdepositie was destijds aanzienlijk hoger dan nu, maar de hoge aantallen konijnen hielden de vegetatiegroei in toom. Tussen 1990 en 2003 nam het aantal konijnen sterk af door de virusziekte VHS en leidde de hoge
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
17
stikstofdepositie tot een snellere stabilisatie van het duin, een verminderd aandeel kaal zand en een toename van struweel. Na 2003 trad er in de kalkrijke kustduinen spontaan herstel op van verstuiving als gevolg van een herstellende konijnenpopulatie in combinatie met een sinds 1990 significant dalende stikstofdepositie tot rond de KDW van kalkrijke Grijze duinen (De Leeuw et al., 2019). De laatste jaren daalt de depositie nauwelijks meer en is er voor Grijze duinen kalkarm nog steeds sprake van een forse overschrijding. Soortenrijke duingraslanden ontstaan pas 20 tot 40 jaar nadat het zand is gestabiliseerd. De positieve effecten van verstuiving kunnen wel 50 tot 100 jaar doorwerken op de bodem en de vegetatie en daarmee bijdragen aan de kwaliteit van duingraslanden. Ook Duindoornstruwelen kunnen zich onder invloed van verstuiving decennialang handhaven. De effecten op de kleine fauna zijn echter al na 10-15 jaar uitgewerkt. Voor een hogere diversiteit en biomassa van kleine fauna zal onder de huidige condities het periodiek activeren van stuifkuilen dan ook belangrijk zijn (De Leeuw et al., 2019). Tien tot 25 jaar na stabilisatie van de stuifkuilen zijn vaak nog duidelijke, positieve effecten waarneembaar in de bodem en vegetatie (Aggenbach et al., 2020; De Leeuw et al., 2019).
Begrazing in duingebieden In de duinen wordt begrazing toegepast om verstruweling te voorkomen, de duingraslanden open te houden en, indien mogelijk, verstuiving te initiëren en/of in stand te houden. Uit een vergelijking van de langjarige ontwikkeling in begraasde en onbegraasde eenheden in Meijendel, waar vanaf 1990 begrazing wordt toegepast, blijkt dat begrazing op zichzelf niet leidt tot een afname van struweel of een toename van open zandige plekken. Begrazing is dus met name gericht op het voorkomen van het dichtgroeien van het duin en gaat daarmee een versnelde successie als gevolg van een hoge depositie tegen. Daar waar lokaal een verbetering van de kwaliteit door uitbreiding van duingrasland gewenst is zal het actief verwijderen van opslag nodig zijn (Van der Hagen et al., 2020).
Stikstofdepositie leidt in het duin tot het versneld vastleggen van stuifzand doordat het de ontwikkeling van algen en mossen stimuleert. Het leidt tot vermesting en verzuring van de bodem. Als gevolg van instuivend zand worden deze processen vertraagd. Helmduinen, duingraslanden en duindoornstruwelen kunnen hiervan profiteren. Vochtige duinvalleien zijn met name afhankelijk van kalkrijke kwel om verzuring tegen te gaan.
Samenvatting • Een decennialange verhoogde stikstofdepositie (meerdere kilo’s per hectare) heeft de natuurlijke processen in onze kustduinen versneld, zoals het vastleggen van stuivend zand, de vegetatiesuccessie en verzuring van de bodem. • Begrazing vertraagt de vegetatieontwikkeling en kan lokale verstuiving initiëren, maar begrazing op zichzelf zal niet voldoende zijn voor herstel van duinhabitat. • Verstuiving heeft een positief effect op duinhabitat. Het initiëren van verstuiving is een in de praktijk bewezen maatregel waarvan effect op de vegetatie decennialang kan
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
18
•
3.5
doorwerken en op kleine fauna 10-15 jaar, ook bij de huidige overbelasting die op kan lopen tot honderden mol N/ha/jaar. Voor een duurzaam herstel van duinhabitat zonder menselijk ingrijpen met beheer en herstelmaatregelen zal de depositie tot (ruim) onder het niveau van de KDW moeten dalen.
Effecten van een tijdelijk verhoogde stikstofdepositie Temporele en ruimtelijke variatie in depositie Het is gebruikelijk om de stikstofdepositie uit te drukken in molen stikstof per hectare per jaar. Dit betreft een middeling over een jaar, terwijl er feitelijk sprake is van allerlei temporele en ruimtelijke variatie. De mate van depositie verandert in de loop van de tijd afhankelijk van de omvang van uitstoot uit de verschillende bronnen, de weersomstandigheden (turbulentie, neerslag) en de ruwheid van de vegetatie. Bij vegetatie gaat het om de hoogte en het bladoppervlak (Leaf Area Index/LAI; Heil et al., 1988 in: Schaffers et al., 1998). Bladeren vangen stikstof in en het bladoppervlak (LAI) is in de zomer groter dan in de winter en kan ook veranderen als gevolg van (maai)beheer. In publicaties over de effecten van stikstofdepositie wordt weinig of geen aandacht gegeven aan de variatie in depositie (Bal, 2014). Ook de beschikbaarheid van stikstof is variabel Depositie in een ecosysteem betekent niet dat alle stikstofverbindingen in het systeem aanwezig blijven. In droge ecosystemen vindt uitspoeling plaats van stikstof dat niet door de vegetatie wordt opgenomen. In natte systemen treedt vooral afbraak op van stikstofverbindingen via denitrificatie door bacteriën. In sommige gevallen wordt daarmee de volledige stikstoftoevoer in een bepaalde periode tenietgedaan.
In bossystemen kan stikstof echter ook lange tijd aanwezig blijven doordat er geen uitspoeling plaatsvindt (Johnson & Turner, 2014). Ook bij het verwijderen van stikstof uit het systeem als regulier beheer kunnen tussen jaren grote verschillen optreden, bijvoorbeeld als gevolg van de productie van het hooiland en wijze van afvoeren van het maaisel (Schaffers et al., 1998). Korte termijneffecten als gevolg van een tijdelijke projectbijdrage (Bal 2014) Acute effecten (binnen een groeiseizoen) kunnen optreden bij zeer hoge stikstofgiften (kilo’s per ha) zoals deze bij bemesting in de landbouw worden toegepast. Bij de depositie uit de lucht, bijvoorbeeld door deposities afkomstig van bouw- en renovatieprojecten, is dit niet aan de orde omdat de depositie te laag blijft om acute effecten te kunnen veroorzaken. Zowel de mate van depositie uit de lucht als de beschikbaarheid van stikstof in de bodem is sterk onderhevig aan variatie als gevolg van het weer, het seizoen, type vegetatie en allerlei andere factoren. Tijdelijke variaties in depositie kunnen een orde van grootte van enkele honderden mol N/ha/jaar bedragen. Effecten als gevolg van een (tijdelijk) verhoogde depositie treden in de natuur bij de huidige niveaus van depositie niet acuut op. Effecten treden geleidelijk op, veelal na een structurele verhoging gedurende een reeks van jaren.
Zoals hiervoor beschreven is er al meerdere decennia sprake van een verhoogde depositie. Ondanks dat de depositie sinds de jaren 1990 flink is gedaald, ligt er nog veel stikstof opgeslagen in de bodem (tenzij dat is afgevoerd via plaggen of baggeren).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
19
Deze stikstof is nog steeds als voedingsstof beschikbaar en de verzuring is al opgetreden, dus de gevolgen voor natuur zijn al permanent aanwezig (tenzij er door herstelmaatregelen is ingegrepen in het ecosysteem). Het voortduren van de overmaat (de overschrijding van de KDW) houdt deze situatie in stand. Maar de aard van de effecten is niet zo dat er een snelle reactie is op zowel een stijging als een daling van depositie. Concurrentieverhoudingen tussen planten veranderen slechts langzaam als gevolg van veranderingen in stikstofdepositie. Er is in de literatuur geen aanwijzing te vinden dat een tijdelijke depositie genegeerd kan worden bij het bepalen van effecten op habitats. Maar aan de andere kant is het niet zo dat tijdelijke verhogingen direct aantoonbaar zouden leiden tot sterkere effecten op de vegetatie of de fauna. Uit de aard van de processen die optreden als gevolg van stikstofdepositie ligt het niet voor de hand dat er een snelle reactie optreedt op variaties in de tijd. Dergelijke reacties zijn ook nooit waargenomen in natuurgebieden, terwijl de temporele variatie in depositie aanzienlijk is. Korte termijneffecten van een tijdelijke, beperkte verhoging van de stikstofdepositie op habitats zijn uitgesloten daar de vegetatie in het algemeen traag reageert op veranderingen.
Belangijker dan de temporele variatie in depositie is de (gemiddelde) totale overschrijding van de KDW. Een tijdelijke depositie zal moeten worden beoordeeld op grond van de bijdrage aan de overschrijding van de KDW, de duur van deze bijdrage én hun effect de uitgevoerde herstelmaatregelen (zie ook § 3.4).
3.6
Bepaling van effecten van stikstofdepositie Significantiebepaling Bij het bepalen of sprake is van een kans op significante gevolgen voor (het behalen van) instandhoudingsdoelen is het van belang of door de ingreep de toekomstige oppervlakte van het habitat of leefgebied, soortenaantallen dan wel kwaliteit van een habitat lager zal worden dan bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling (Steunpunt Natura 2000, 2010). Stikstofdepositie heeft geen (direct) effect op het oppervlak of soortenaantallen. Wel kan de kwaliteit van habitat of leefgebied afnemen ten gevolge van stikstofdepositie. Stikstofdepositie kan namelijk leiden tot vermesting en verzuring van het ecosysteem, wat kan resulteren in vergrassing, verruiging en afname van soortenrijkdom. Bij het beoordelen van de kwaliteit zijn de aspecten precisie en veerkracht van belang in relatie tot de instandhoudingsdoelen. Precisie De precisie waarmee de kwaliteit kan worden bepaald kan niet nauwkeuriger zijn dan een vermindering met één klasse zoals beschreven in de profieldocumenten (Steunpunt Natura 2000, 2010). Stikstofdepositie heeft in potentie effect op de zuurgraad en voedselrijkdom van een habitattype of leefgebied. Voedselrijkdom wordt ingedeeld in klassen van zeer voedselarm tot uiterst voedselrijk en zuurgraad in klassen. Van basisch tot zuur. Als het projecteffect mogelijk leidt tot een
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
20
verschuiving naar een andere voedselrijkdom- of zuurgraadklasse kan sprake zijn van significant negatieve effecten op het betreffende habitattype (Ministerie van economische zaken, 2014, Steunpunt Natura 2000, 2010). Stikstofdepositie wordt berekend in mol N/ha/jr. De gevoeligheid van een habitattype voor stikstof is bepaald op basis van de KDW. De KDW is bepaald in eenheden (stappen) van 1 kilo (70 mol). Als de achtergronddepositie hoger is dan de KDW is sprake van een overbelaste situatie en kunnen significant negatieve effecten optreden. Vanuit voorzorg wordt bij de effectbeoordeling uitgegaan van een naderende overbelasting waarbij een marge van 70 mol wordt gehanteerd. Bij de bepaling van significantie zal moeten worden beoordeeld of de projectbijdrage leidt tot een wezenlijke verandering in de (trend van de) achtergronddepositie. Ontwikkeling en actuele kwaliteit: Gegevens over de actuele kwaliteit en (autonome) ontwikkeling zijn ontleend aan het Natura 2000 beheerplan en de Natuurdoelanalyse en is aangevuld met actuele informatie uit het veld. Veerkracht en kwaliteit Bij de beoordeling van kwaliteit is het wenselijk om rekening te houden met de veerkracht van het ecosysteem (§ 3.3 en §3.4).
Belangrijk bij de beoordeling van kwaliteit is dat een afname die door natuurlijke fluctuaties van het gebied kan worden opgevangen per definitie niet significant is (Steunpunt Natura 2000, 2010). Als het projecteffect een (negatief) effect heeft op het langjarig gemiddelde kan wél sprake zijn van een significant negatief effect. Om de veerkracht van een gebied beter in beeld te brengen dient te worden bepaald wat de sleutelfactoren zijn die bepalend zijn voor de kwaliteit (en ten dele ook veerkracht). Op basis van de impact die sleutelfactoren hebben op de kwaliteit kan worden vastgesteld wat de rol is van stikstofdepositie in het behouden of behalen van een goede kwaliteit habitat. Voor de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden in de duinen zijn meerdere sleutelfactoren van belang (§3.4). Instandhoudingsdoelen: Voor de instandhoudingsdoelen per Natura 2000-gebied wordt verwezen naar https://www.natura2000.nl/gebieden. Hier zijn de doelen per gebied aangegeven zoals opgenomen in de aanwijsbesluiten en de wijzigingsbesluiten. In het geval van een behoudsdoelstelling zal moeten worden beoordeeld of de kwaliteit zoals bepaald in de begintoestand (bij aanwijzing van het gebied) is gewaarborgd. Bij een verbeterdoelstelling moet worden tevens worden beoordeeld of de genoemde verbetering niet wordt belemmerd door de projectbijdrage.
In het Natura 2000-beheerpan zijn de instandhoudings-maatregelen aangegeven om de kwaliteit te verbeteren of te behouden. Voor de effectbepaling is van belang of de projectbijdrage invloed heeft op de instandhoudingsmaatregelen, zodanig dat de additionele depositie beperkend is voor het behalen van de instandhoudingsdoelen.
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
21
Toetsingscriteria De ecologische beoordeling toetst (op basis van de AERIUS-uitkomst) op de onderstaande vragen: 1. Wat is het projecteffect op de ontwikkeling van de achtergronddepositie en overschrijding van de kritische depositiewaarde? a. Heeft de additionele hoeveelheid stikstof als gevolg van dit project invloed op de ontwikkeling van de achtergronddepositie? b. Is er in het gebied met additionele depositie sprake van overschrijding van de kritische depositiewaarde? Indien er op een habitattype geen sprake is van overschrijding van de KDW, rekening houdend met de projectbijdrage en een marge van 70 mol, en de projectbijdrage heeft geen invloed op de trend van de depositie dan zijn significant schadelijke effecten op het habitattype op voorhand uitgesloten. In het geval dat de KDW wordt overschreden moet de projectbijdrage in samenhang met andere projecten beoordeeld worden in het licht van de instandhoudingsdoelen en maatregelen zoals beschreven in het Natura 2000-beheerplan. De volgende vragen zijn daarbij van toepassing. 2. Wat zijn de instandhoudingsdoelen voor de relevante habitattypen en leefgebieden? c. Is voor het habitattype/leefgebiedtype een verbeter- of uitbreidingsdoelstelling opgenomen? d. Wat is de huidige kwaliteit van het habitattype/leefgebiedtype ter plekke van de projectbijdrage? e.
Is de kwaliteit onvoldoende, wat zijn dan de knelpunten ten aanzien van vegetatie, structuur en functie, typische soorten en abiotiek, en is er een relatie tussen deze knelpunten en stikstof? 3. Wat zijn de instandhoudingsmaatregelen voor de relevante habitattypen en leefgebieden? a. Zijn er reguliere beheermaatregelen van toepassing gericht op behoud of verbetering van de kwaliteit? b. Zijn er herstelmaatregelen uitgevoerd of in uitvoering gericht op behoud of verbetering van de kwaliteit? 4. Is additionele stikstofdepositie (al dan niet in cumulatie met andere bekende projecten) beperkend voor het behalen van de instandhoudingsdoelen? a. Heeft de tijdelijke additionele stikstofdepositie als gevolg van dit project of in cumulatie met andere bekende projecten een reëel effect op de effectiviteit van het reguliere beheer? b. Heeft de tijdelijke additionele stikstofdepositie als gevolg van dit project of in cumulatie met andere bekende projecten een reëel effect op de effectiviteit van de herstelmaatregelen?
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
22
Met andere woorden heeft het project (in cumulatie met andere vergunde, maar nog niet uitgevoerde projecten) een reëel effect op de stikstofhuishouding van een habitat of leefgebied in relatie tot beheer- en herstelmaatregelen voor dat habitat of leefgebied?
De staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt als gunstig beschouwd wanneer het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is.
In het geval dat negatieve gevolgen op instandhoudingsdoelen als gevolg van de projectbijdrage niet kunnen worden uitgesloten is de volgende vraag van toepassing: 5. Is het nodig om aanvullende maatregelen te nemen als gevolg van de additionele stikstofdepositie van dit project? Met andere woorden is mitigatie dan wel compensatie nodig om negatieve effecten te voorkomen?
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
23
4 Resultaten AERIUS-berekening 4.1
Reikwijdte van de bijdrage De stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase van de KC-locatie is afkomstig van verkeer en mobiele werktuigen die worden ingezet voor de sloop- en bouwwerkzaamheden. De aanlegfase leidt tot een tijdelijke bijdrage aan de depositie in drie Natura 2000-gebieden, Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen (Figuur 4.1).
Meijendel & Berkheide
Westduinpark & Wapendal Solleveld & Kapittelduinen
Figuur 4.1
Spreiding van de extra depositie ten gevolge van de realisatiefase van de KClocatie) (Bron: AERIUS-Calculator V2023).
De bijdrage in het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide is maximaal 0,02 mol N/ha/jr. In Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen is sprake van een maximale depositie van 0,01 mol N/ha/jr. Er worden geen deposities berekend op andere gebieden (Tabel 4.1). Tabel 4.1
Berekende projectbijdrage in het maatgevend jaar per Natura 2000-gebied.
Natura 2000-gebied
Max. projectbijdrage (mol N/ha/jr)
Meijendel & Berkheide
0,02
Westduinpark & Wapendal
0,01
Solleveld & Kapittelduinen
0,01
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
24
4.2
Precisie – bijdrage en ontwikkeling achtergronddepositie vraag 1 § 2.2 Uit de gegevens van AERIUS Monitor blijkt dat in alle drie de Natura 2000-gebieden de afgelopen jaren sprake is van een dalende trend van de achtergronddepositie van 6 – 7 mol per jaar (Tabel 4.2) De komende jaren zal deze daling doorzetten met zo’n 11 mol per jaar. Tabel 4.2
Ontwikkeling gemiddelde achtergronddepositie in Natura 2000-gebied in de periode 2018 – 2020 - 2025 (AERIUS Monitor 2023).
Natura 2000-gebied
Stikstofdepositie Mol N/ha/j 2020
2025
2030
Meijendel & Berkheide
1.072
(↓ 32)
1.040
(↓ 54)
986
Westduinpark & Wapendal
1.399
(↓ 32)
1.367
(↓ 55)
1.312
Solleveld & Kapittelduinen
1.237
(↓ 38)
1.199
(↓ 57)
1.142
De projectbijdrage is tijdelijk en bedraagt 0,01 tot 0,02 mol N/ha/jr (Tabel 4.1). De bijdrage is kleiner dan 1% van de kleinste jaarlijkse afname (6 mol) en daarmee dermate beperkt dat ze geen effect heeft op de al gerealiseerde dalende trend in achtergronddepositie. De tijdelijke bijdrage heeft daarmee geen reëel effect op de mate van overschrijding van de KDW en de duur van deze overschrijding in de drie Natura 2000-gebieden. •
Samenvattend: De recente daling van de achtergronddepositie is gunstig voor de ontwikkeling van de overbelasting van habitat en leefgebied in de drie Natura 2000gebieden met een projectbijdrage. De projectbijdrage heeft geen reëel effect op de (naderende) overschrijding van de KDW en de duur van deze overschrijding in deze gebieden.
4.3
Natura 2000-gebied Meijendel & Berkeheide
4.3.1
Achtergronddepositie De achtergronddepositie in Meijendel & Berkheide varieert van 700 mol N/ha/jr langs de kust tot ca. 2.000 mol N/ha/jaar in de centrale delen en langs de rand van Wassenaar. De hoogste depositie treedt op aan de zuidkant van het gebied en langs de randen bij Wassenaar (Figuur 4.2). De hoogste regionale bijdrage is afkomstig van de landbouw, de hoge depositie aan de randen van het gebied hangt samen met de bebouwing en het wegverkeer (bron: AERIUS Monitor).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
25
Figuur 4.2
Huidige achtergronddepositie Meijendel & Berkheide (links) (AERIUS Monitor 2023) en de ontwikkeling van de achtergronddepositie sinds 2020 (Bron AERIUS Monitor 2023).
Voor de periode 2020 tot 2025 geeft AERIUS Monitor een dalende depositie van ca. 32 mol N/ha/jr (Figuur 4.2). Deze daling zal naar verwachting doorzetten tot ca. 86 mol N/ha/jr in 2025 (AERIUS Monitor 2023). Dit neemt niet weg dat in Meijendel & Berkheide nog steeds sprake is van een overbelaste situatie (Tabel 4.3). Voor een belangrijk deel heeft dit betrekking op de ruime verspreiding van het voor stikstof zeer gevoelige habitat Grijze duinen (kalkarm) (Figuur 4.3). De overbelasting van habitattypen is in Meijendel hoger dan in Berkheide en hangt samen met de hogere achtergronddepositie in Meijendel (Figuur 4.3). In de zeereep en grote delen van het noordwestelijk deel van Berkheide is geen sprake meer van een overbelaste situatie. Grijze duinen (kalkarm) komt hier ook minder voor.
Figuur 4.3
Afstand tot de KDW in Meijendel & Berkheide (mate van overschrijding, links) en ligging voor stikstof gevoelig habitat (rechts) (Bron AERIUS-monitor, 2023).
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
26
4.3.2
Relevante habitattypen In Meijendel & Berkheide is bij 10 habitat(sub)typen, 5 zoekgebieden en 1 leefgebied sprake van overschrijding van de KDW (Tabel 4.3). Bij de habitattypen H2110, H2180B, H2190Ae, H2190Aom en de zoekgebieden ZGH2160 en ZGH2180B is geen sprake meer van een (nader) overbelaste situatie met projectbijdrage. Effecten op deze habitattypen zijn op voorhand uitgesloten en worden verder niet besproken. Voor het habitattype H2190B geldt dat de projectbijdrage betrekking heeft op een oppervlak kleiner dan 100m2, namelijk 30m2. Effecten op habitattypen met een overbelast oppervlak kleiner dan 100m2 hoeven niet te worden beoordeeld (Steunpunt Natura 2000, 2010). Dit habitattype wordt verder niet besproken. Tabel 4.3
Habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide met een projectbijdrage. Weergegeven is het percentage overbelast oppervlak (AERIUS-Monitor), het (naderend) overbelast oppervlak met projectbijdrage en de maximale bijdrage ter plaatse van overbelast oppervlak (berekend met Gis). * bij 0% is wel sprake van naderend overbelast oppervlak
Habitattype /
Oppervlakte
leefgebied
(ha)
KDW
Over-
(mol
belasting*
N/ha/jr)
Opp. over-
Max. bijdrage
belasting én
t.p.v. over-
bijdrage (ha)
belasting (mol N/ha/jr)
H2110
11,9
1.429
0%
-
0,00
H2120
96,0
1.429
0%
0,8
0,01
H2130A
494,8
1.071
15%
98,2
0,02
H2130B
201,0
929
81%
228,5
0,02
H2160
591,3
2.000
0%
0,4
0,01
H2180Abe
3,5
1.071
78%
3,6
0,02
H2180Ao
332,4
1.071
98%
348,9
0,02
H2180B
27,4
2.214
0%
-
0,00
H2180C
115,3
1.786
4%
12,3
0,01
H2190Ae
14,8
2.143
0%
-
0,00
H2190Aom
0,2
1.000
0%
-
0,00
H2190B
21,3
1.429
0%
0,00
0,01
H2190C
0,2
1.071
29%
0,1
0,01
H3140
16,0
571
100%
0,2
0,01
Lg12
51,2
1.643
0%
0,3
0,02
ZGH2130A
3,6
1.071
60%
1,9
0,02
ZGH2130B
0,8
929
100%
0,8
0,02
ZGH2160
3,7
2.000
0%
-
0,00
ZGH2180Abe
0,3
1.071
76%
0,8
0,02
ZGH2180Ao
2,3
1.071
95%
2,0
0,02
ZGH2180B
0,1
2.214
0%
-
0,00
ZGH2180C
4,3
1.786
0%
0,1
0,01
VOORTOETS STIKSTOF AANLEGFASE KC LOCATIE, DEN HAAG TOETSING IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
27
Tabel 4.4 geeft de hierna te bespreken overbelaste habitattypen en leefgebied Lg12 met een projectbijdrage. In de tabel zijn de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen weergegeven en de beoordeling van de kwaliteit op basis de aspecten ‘vegetatie’, ‘typische soorten’, ‘abiotiek’ en ‘structuur en functie’ (Natuurdoelanalyse). Tabel 4.4
Habitattype
Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide: instandhoudingsdoelen (ISD) en kwaliteit voor (naderend) overbelaste habitattypen met een projectbijdrage (Natuurdoelanalyse, Tabel 03). ISD
Vegetatie
Abiotiek
soorten
Opp Kw
Structuur en functie
H2120
=>
Goed
Matig/Goed
Goed
Voldoet niet
H2130A
>>
Goed
Matig
Goed
Voldoet niet
H2130B
=>
Goed
Matig
Goed
Voldoet niet
H2160
-=
Goed/Matig
Goed
Goed
Voldoet
H2180A(be/o)
==
Goed
Goed
Goed
Matig
H2190C
>>
Goed
Goed
Goed
Voldoet niet
Goed
Slecht
Goed
Voldoet niet
H3140 Lg12/Nauwe korfslak
4.3.3
Typische
==
trend populatie – onzeker; trend leefgebied – onzeker; trend kwaliteit – onzeker
H21020 Witte duinen De KDW voor Witte duinen wordt in Meijendel & Berkheide op minder dan 1% van het totale oppervlak nog naderend overschreden (Tabel 4.3). In totaal vindt op 0,8 hectare overbelast oppervlak een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr plaats. Instandhoudingdoelen en kwaliteit habitat (vraag 2 par 4.1) De instandhoudingsdoelen voor het habitattype Witte duinen in Meijendel & Berkheide zijn verbetering van kwaliteit en behoud van oppervlakte (Tabel 4.4). De vegetatiekundige kwaliteit van Witte duinen is goed. Het aspect ‘typische soorten’ is beoordeeld als matig tot goed. Typische soorten ontbreken vaak in de landinwaarts gelegen delen (Natuurdoelanalyse). Het aspect ‘structuur en functie’ is minder goed ontwikkeld, vooral doordat sprake is van een vastgelegde situatie en dus beperkte invloed van verstuivingsdynamiek. De kwaliteit van Witte duinen is afhankelijk van verstuiving en beheer (zie §3.4). Het grootste knelpunt met betrekking tot de instandhoudingsdoelen is dan ook het gebrek aan dynamiek als gevolg van kunstmatig kustbeheer. Andere knelpunten zijn het dichtgroeien van het duin (vergrassing) en de snelle successie van struweel door de weggevallen konijnenpopulatie (Natuurdoelanalyse; Beheerplan; Gebiedsanalyse).
Instandhoudingsmaatregelen (vraag 3 par 4.1) In Meijendel & Berkheide zijn maatregelen uitgevoerd om verstuiving te bevorderen en de kwaliteit te verbeteren. De grote oppervlakten Witte duinen in het zuidwesten van Berkheide, lokaal bekend als de Kalahari, zijn ook vanuit dit kader gerealiseerd. Deze projecten hebben de verstuivingsdynamiek vergroot en ontwikkelen zich richting Grijze