CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS317432 Bijlage 1

Commissie Ruimte 10 januari 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken38.651 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Om te bezien hoe aan de wateropgave voldaan kan worden voldaan is daartoe in eerder overleg met het Hoogheemraadschap afgesproken dat gekeken moet worden of met de watergangen ten noorden van het plangebied hier al voldoende compensatie geregeld kan worden. Indien de twee watergangen aan de noordzijde voldoende compensatie opleveren dient dit voor aanvang van de bouwwerkzaamheden aan het plangebied gerealiseerd te zijn. Op dit moment zijn aan de noordzijde twee watergangen ingetekend op basis van de randvoorwaardenkaart Zichten. Het oppervlak van de watergangen betreft gezamenlijk circa 1.350 m² (675 + 675). Voorts volgt uit de watertoets dat het watersysteem nog niet volledig in kaart is gebracht. Op het moment van opstellen van de watertoets is nog onbekend hoe de noordelijke watergangen verbonden worden met de omgeving. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven doodlopende watergangen zo veel mogelijk te willen voorkomen. Derhalve dient in nadere ontwerpen bepaald te worden hoe de watergangen met de omgeving verbonden kunnen worden en hoe het watersysteem binnen het plangebied gaat werken. 4.6.1.6 Klimaatadaptatie Deze subparagraaf gaat in op de effecten van het plangebied ten aanzien van klimaat.

Uit het PlanMER Zuidwest en de toets aan het PlanMER blijkt dat het thema klimaatbestendigheid licht positief is beoordeeld met betrekking tot de in paragraaf 3.4.1 aangestipte effecten ten aanzien van de onderwerpen hittestress, droogte en extreme neerslag. Zo blijkt dat: In de structuurvisie het uitgangspunt is opgenomen dat de binnentuinen een klimaatadaptieve inrichting krijgen met o.a. een grondlaag van minimaal 1 meter dik. Hierdoor bieden de binnentuinen mogelijkheden voor beplanting en daarmee het tegengaan van hittestress; Bij de inrichting van de openbare ruimte wordt rekening gehouden met het opvangen en vasthouden van water en is het uitgangspunt dat bij nieuwbouw water zo lang mogelijk op eigen terrein wordt vastgehouden. Er worden nieuwe groen- en waterstructuren gerealiseerd, met name langs de grote wegstructuren. Tot slot biedt de grootschalige ontwikkeling van Zuidwest de mogelijkheid om de leefomgeving klimaatadaptiever in te richten, conform de Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig. Al

70

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

deze maatregelen dragen bij aan het beperken van droogteproblemen; De groen- en waterstructuren (conform de visiekaart klimaatadaptatie) dragen bij aan het opvangen van hemelwater; Er komt een gescheiden rioleringssysteem waarbij hemelwater en afval water gescheiden worden opgevangen. De hoofdstructuur hiervoor wordt voor de start van de nieuwbouw aangelegd. In Zichten 2, 3 en 7 worden groene binnenterreinen, groene wiggen, en een ecologische zone aangelegd waarmee wordt bijgedragen aan het verminderen van de kans op hittestress, het beperken van droogteproblemen en wateroverlast. 4.6.1.7 conclusie De bergingsopgave voor Zichten 2,3 en 7 die behandeld zijn in de watertoets betreft 1.120 m2. Gelet op gemeentelijk beleid Den Haag voor waterberging betekent het voor de ontwikkeling dat er 540 m3 waterberging binnen het plangebied gerealiseerd dient te worden om in ieder geval aan het gemeentelijk beleid te voldoen. Er resteert dan nog een opgave van 133 m3 om tevens aan de opgave van het waterschap, ex 673 m3, te voldoen. De watergangen aan de noordzijde van het plangebied kunnen hiertoe voldoende compensatie bieden, nadere uitwerking is echter benodigd. De borging van de de bergingsopgave dient in een latere planfase verder uitgewerkt te worden.

Met betrekking tot klimaatadaptatie is het plangebied van Zichten 2, 3 en 7 positief beoordeeld ten aanzien van hitte, droogte en extreme neerslag, en is daarmee eveneens overwegend in lijn met de geconstateerde effecten voor Den Haag Zuidwest.

4.7

Bodem

Op 1 januari 2006 is de wijziging van de Wet bodembescherming (Wbb) in werking getreden. Vertrekpunt van de nieuwe Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is voortaan functiegericht. Vroeger moesten alle functies van de bodem worden hersteld maar dit bleek in de praktijk lastig haalbaar. Hoge kosten en langdurige saneringen zorgden voor stagnatie. De gewijzigde wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen wordt een stuk flexibeler. Het is niet meer altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Wanneer economische of maatschappelijke omstandigheden rond de vervuilde locatie uitstel vragen, kunnen tijdelijke maatregelen worden genomen, op voorwaarde dat risico's voldoende worden beheerst.

Onderzoek en conclusie Beschreven effecten uit het PlanMER Den Haag Zuidwest Het aspect bodem is neutraal beoordeeld in het PlanMER omdat er geen functies komen die een risico vormen voor de bodemkwaliteit en eventuele verontreinigingen gesaneerd worden. Geconstateerd is dat: in de huidige situatie de bodemkwaliteit in Zuidwest geschikt is voor ten minste de functie wonen; met de ontwikkeling geen functies zijn voorzien die een risico vormen voor de bodemkwaliteit; eventuele lokale verontreinigingen gesaneerd of ingepakt dienen te worden. Toets bestemmingsplan Zichten 2,3 en 7 aan PlanMER Den Haag ZuidWest De specifieke toets van het bestemmingsplan Zichten 2,3 en 7 aan het PlanMER is in lijn wat in het PlanMER Zuidwest is voorspeld. Eventuele verontreinigingen worden gesaneerd. Voorts is aanbevolen

71

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

om voorafgaand aan de aanleg- en bouwwerkzaamheden bodemonderzoek te laten uitvoeren. Gelet op het bovenstaande worden er met de realisatie van het bestemmingsplan Zichten 2,3 en 7 geen significante effecten op de bodemkwaliteit verwacht, wat leidt tot een neutrale (0) score.

4.8

Wind en bezonning

Onderdeel van de toetsing van stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden de normen voor wind en bezonning gehanteerd (RIS 170509). 4.8.1

Wind

Van windhinder is sprake als gedurende een te groot aantal uren per jaar een bepaalde windsnelheid wordt overschreden. Dit treedt op rond hoge gebouwen wanneer er sprake is verhoogde windsnelheden, die het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk maken. In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder. De gemeente sluit zich wat betreft beleid ten aanzien van wind aan bij de NEN 8100. In deze norm is een beslismodel weergeven wanneer een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn: gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek nodig beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is. PM Evt. onderzoek zal nog worden uitgevoerd.

4.8.2

Bezonning

De realisatie bouwwerken kunnen gevolgen hebben voor de schaduwwerking in de omgeving. Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Gemeente Den Haag sluit grotendeels aan op de 'lichte TNO-norm'. De Haagse bezonningsnorm gaat er vanuit dat de ondergrens op twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober, uitgaande van een zonhoogte van eer dan 10 graden, moet liggen. In afwijking van de lichte TNO-norm is in de Haagse norm de bezonning op gevels maatgevend, onafhankelijk van de plaats van de ramen. De Haagse bezonningsnorm is van toepassing op de omgeving van de te realiseren nieuwbouw en geldt voor bouwwerken vanaf een hoogte van 25 meter of indien de nieuwbouw ten minste 1,5 maal hoger is dan de gemiddelde hoogte van de omgeving. De realiseren nieuwbouw is weliswaar met maximaal 23 meter lager dan 25 meter, maar omwille van een goede ruimtelijke ordening is toch onderzoek uitgevoerd. PM Voor de te realiseren nieuwbouw in de Zichten 2 ,3 en 7 wordt onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek toont aan dat wel/niet aan de Haagse bezonningsnormen wordt voldaan. Dit onderzoek zal als bijlage X aan deze toelichting toegevoegd.

72

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

4.9

Natuurbescherming

Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en het bijbehorende besluit in werking getreden. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). Wat valt onder de vrijstelling: het bouwen en slopen van een bouwwerk; het aanleggen, wijzigen en opruimen van een werk (bijvoorbeeld voor duurzame energieopwekking en grond-, weg- en waterbouw zoals pleinen, straten, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatieinfrastructuur, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen; De vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden (o.a. het aan- en afvoeren van bouwmaterialen en emissies van werktuigen op de bouwplaats) Wat valt niet onder de vrijstelling: De productie van bouwmaterialen.

Onderbouwing in de toelichting bij een bestemmingsplan De toelichting bij het Bsn geeft nog een tip voor de onderbouwing van stikstof in de aanlegfase in onze bestemmingsplannen, waar toch nog vaak om wordt gevraagd: "Deze partiële vrijstelling kan ook helpen bij het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenten. Als het bestemmingsplan dient om bepaalde bouwactiviteiten of de aanleg of wijziging van werken mogelijk te maken, zal voor dit onderdeel van het plan kunnen worden verwezen naar het feit dat al een beoordeling door de wetgever heeft plaatsgevonden die een partiële vrijstelling voor de bouwfase van het project heeft vastgesteld. Als gevolg daarvan kan bij de beschouwing van de stikstofemissies wat betreft de bouwfase gebruik worden gemaakt van de onderbouwing in de toelichting van het besluit" (citaat uit paragraaf 5.4 Nota van Toelichting Bsn). De Nota van Toelichting bevat in paragraaf 5 een uitgebreidere toelichting van de redenering waarom men de vrijstelling mogelijk acht. Als de definitieve tekst is vastgesteld zou je van die motivering dus gebruik kunnen maken in de toelichting bij je bestemmingsplan.

Wettekst Zie voor de wettekst: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-140.html Lees ook deze blog voor meer achtergrond: https://www.omgevingsweb.nl/nieuws/wet-en-besluit-stikstofreductie-en-natuurverbetering-een-verlichting -voor-de-bouwsector/ Groene waarden De wet- en regelgeving voor de groene waarden betreft de Wet natuurbescherming, de Wet milieubeheer, de Gemeentewet en de Wet ruimtelijke ordening. De bescherming van de groene waarden kent in de wet- en regelgeving verschillende invalshoeken: gebiedsbescherming, soortenbescherming, bomenbescherming areaalbescherming en netwerkbescherming. Op elk van deze aspecten wordt hierna ingegaan.

73

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

4.9.1

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de gebiedsbescherming van bijzondere natuurgebieden, de zogenoemde Natura 2000-gebieden, overgenomen uit de Natuurbeschermingswet 1998. Hieraan voorafgaand is in januari 2006 de formele aanwijzingsprocedure van Natura 2000-gebieden gestart. Na deze aanwijzing is de gebiedsbescherming uit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 en sinds 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming. Daarmee vervalt de rechtstreekse werking van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn in Nederland. In Den Haag dient rekening te worden gehouden met de Natura 2000-gebieden: Meijendel & Berkheide (inclusief Harstenhoek, Oostduinen en Vlakte van Waalsdorp), Westduinpark & Wapendal (inclusief Bosjes van Poot) alsmede Solleveld & Kapittelduinen (inclusief landgoed Ockenburgh, Hyacintenbos, van Leydenhof en Westduinen). Dit betreffen Habitatrichtlijngebieden. Er zijn geen Vogelrichtlijngebieden in de gemeente Den Haag. Indien ontwikkelingen en activiteiten in het plangebied een significant negatief effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, dient een habitattoets uitgevoerd te worden. Is er op grond van de Wet milieubeheer (Wm) sprake van een passende beoordeling dan is een MER nodig. Voor de andere gevallen kent de Wm de vormvrije merbeoordeling.

In het bestemmingsplan dient aangegeven te worden in hoeverre de uitvoering van het plan onder de verplichtingen vanuit deze wet valt. Onderzoek en conclusie Zowel uit het PlanMER Den Haag Zuidwest als uit de toets van het bestemmingsplan aan het PlanMER volgt dat er geen ruimtebeslag op beschermde natuurgebieden plaatsvindt. De kortste afstand tussen het plangebied en een Natura 2000-gebied bedraagt 3,5 kilometer. Op basis hiervan is dit aspect in het PlanMER neutraal beoordeeld en is in de toets aan het PlanMER geconcludeerd dat door de ontwikkeling van Zichten 2, 3 en 7 geen ruimtebeslag op beschermde natuur plaatsvindt. Uit de natuurtoets, welke is opgenomen als bijlage bij de toelichting, volgt dat de effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase niet op voorhand zijn uit te sluiten. Derhalve is aanbevolen om een AERIUS-berekening voor de aanlegfase en de gebruikersfase op te stellen, aangezien dit inzicht biedt in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden. Indien sprake is van een toename in stikstofdepositie, is voorts aanbevolen om een ecologische Voorstoets Stikstof op te stellen.

In het voor Zichten 2, 3 en 7 verrichte stikstofonderzoek, welke is toegevoegd als bijlage bij de toelichting, is te zien dat met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator 2023 de effecten m.b.t. stikstofdepositie als gevolg van de voorliggende ontwikkeling in beeld zijn gebracht. Daaruit volgt dat de AERIUS Calculator voor de realisatiefase en gebruiksfase geen groter verschil toont dan 0,00 mol/ha/jaar in vergelijking met de referentiesituatie. Uit de berekeningen van de realisatiefase en gebruiksfase blijkt derhalve dat de ontwikkeling van Zichten 2,3 en 7 niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van enig Natura 2000-gebied. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten, waardoor geconcludeerd is dat het aspect stikstofdepositie verdere besluitvorming niet in de weg staat 4.9.2

Natuurnetwerk Nederland

Om de nationale ruimtelijke beleid te borgen in bestemmingsplannen is op grond van de Wet ruimtelijke ordening door het Rijk het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (BARRO) van kracht. Daarin wordt de mogelijkheid geboden om stelsels van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang aan te wijzen dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten - het natuurnetwerk Nederland. Deze gebieden moeten bij provinciale verordening worden aangewezen en hun ligging geometrisch vastgelegd. Ook de Wnb kent een gelijke bepaling voor dit netwerk. De door Provinciale Staten van Zuid-Holland vastgestelde Verordening Ruimte 2014 vervult deze functie. In artikel 2.3.2.1 van deze verordening wordt gesteld dat een bestemmingsplan voor gronden binnen dit netwerk, met bestaande natuur, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8, geen bestemmingen aanwijst die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.

74

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 1000 meter ten zuidwesten van het plangebied. Aangezien er geen sprake is van externe werking in de provincie Zuid-Holland zijn vervolgstappen niet aan de orde.

Afbeelding: ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het NNN (groen). Bron: QGIS-PDOK. 4.9.3

Soortenbescherming

De Wet Natuurbescherming heeft de bescherming van planten- en diersoorten uit de Flora- en faunawet overgenomen. De wet gaat ervan uit dat zonder uitdrukkelijke toestemming geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. Dit betekent dat het gaat om het effect van een handeling op beschermde soorten. De wet kent een drie aparte beschermingsregimes voor: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn; 3. andere soorten' die vanuit nationaal oogpunt zijn beschermd. Hierbij hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden in de soorten die beschermd zijn. De wet legt een zorgplicht op voor alle dieren en planten in Nederland, bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de wijze en het tijdstip van uitvoering van bouwplannen waarbij men rekening houdt met het voortplantingsseizoen en met winterverblijfplaatsen en waardoor dieren niet onnodig worden verontrust. Ook legt de wet een beschermingsplicht op voor een groot aantal met name genoemde soorten. De wet bevat verbodsbepalingen voor het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde diersoorten en het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.

Voor de algemene beschermde soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling, voor andere soorten die strenger zijn beschermd (vleermuizen, vogels, eekhoorns) kan onder voorwaarden een ontheffing worden aangevraagd. Beschreven effecten uit MER Den Haag Zuidwest

75

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Voor het plangebied van Den Haag Zuidwest volgt uit het PlanMER dat een quickscan is uitgevoerd, waaruit blijkt dat het aspect biodiversiteit neutraal is beoordeeld. Geconcludeerd is dat de kansen voor de biodiversiteit niet opwegen tegen de risico's. Op grond van dit onderzoek zijn de volgende effecten in het PlanMER Den Haag Zuidwest geconstateerd: In Zuidwest zijn beschermde soorten aanwezig zijn, zoals egels en verschillende soorten vleermuizen; Bij sloop en nieuwbouw wordt het leefgebied van deze soorten aangetast; Zonder het toepassen van mitigerende maatregelen (bijvoorbeeld tijdige realisatie van alternatieve verblijfplaatsen) bestaat het risico op het overtreden van de Wet natuurbescherming. Bij de verdere uitwerking van het plan moet nader onderzocht worden welke beschermde soorten aanwezig zijn en negatief beïnvloed kunnen worden; Ten aanzien van de groenstructuur wordt de hoofdgroenstructuur behouden, groenverbindingen versterkt en natuurinclusieve bouw toegepast, Meer dan de helft van de bomen in het gebied is slecht verplantbaar.

Per straat of deelproject van Zuidwest dient een bomeneffectenanalyse te worden uitgevoerd, waarmee in een vroeg stadium inzichtelijk wordt gemaakt of en hoe de bomen kunnen worden ingepast in de nieuwe situatie en waar eventuele knelpunten liggen met ondergrondse infrastructuur; De verdichting leidt tot extra recreatiedruk in parken waar veel beschermde soorten aanwezig zijn. Deze toename kan leiden tot verstoring van de aanwezige soorten. De parken ontvangen in de referentiesituatie ook al bezoekers waardoor reeds verstoring plaats vindt. De effecten als gevolg van de herontwikkeling van Zuidwest zijn daardoor beperkt; Het realiseren van natuurvriendelijke oevers, zonder beschoeiing, is het uitgangspunt. Onderzoek en conclusie In aansluiting op het bovenstaande volgt uit de toets van het bestemmingsplan aan het PlanMER voor Den Haag Zuidwest dat er een ecozone tussen het sportpark en de Zichten 2,3 en 7 ligt, dat een natuurlijk ingericht gebied is met daarin een doorgaande waterverbinding. De ecozone wordt iets verplaatst om ruimte te maken voor de nieuwe, bredere, bouwblokken van Zichten 2, 3 en 4, maar behoudt zijn huidige omvang in m2 (een breedte van 30 meter). De ecozone is primair bedoeld voor natuur, verstoring (betreden, verlichten) en wordt dan ook zoveel mogelijk gemeden. Op drie plekken, ter hoogte van de wiggen, wordt de ecozone doorkruist door langzaam verkeer.

De oevers van de ecozone, alsook de watergangen langs de Hengelolaan worden natuurvriendelijk ingericht. Geconstateerd is dat de ontwikkeling van Zichten 2, 3 en 7 bijdraagt aan de recreatiedruk in bestaande parken door het toenemen van het aantal bewoners. In de toets van Zichten 2, 3 en 7 aan het PlanMER Den Haag Zuidwest is geconcludeerd dat nader ecologisch onderzoek is vereist om de eventuele effecten van het bestemmingsplan op beschermde soorten in kaart te brengen. Dit wordt bevestigd door de natuurtoets welke als bijlage bij de toelichting is toegevoegd.

4.9.4

Bescherming bossen

De Wnb beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de bebouwde kom ligt, wordt bepaald door de gemeenteraad. Anders dan de naam wellicht doet vermoeden, gaat het hier niet om de grens van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Aangezien de gemeente op 1 januari 2017 nog geen (nieuwe) komgrens op grond van deze wet heeft vastgesteld geldt volgens artikel 9.9 van de Wnb de komgrens zoals die door de gemeenteraad op 5 maart 1998 is vastgesteld onder de Boswet (RIS 021312). Deze gebieden vallen per 1 januari 2017 onder de werking van de Wnb. Dit betekent dat duurzame instandhouding van het bos is verzekerd en wat bos is ook bos moet blijven. Financiële tegemoetkomingen (subsidies) van Rijk en Provincie zijn mogelijk. Bescherming vindt plaats door middel van een meldings- en herplantingsplicht.

76

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

4.9.5

De Wet natuurbescherming: meld- en herplantingsplicht

De Wnb kent voor de meld- en herplantingsplicht voor het vellen van houtopstanden. Houtopstanden die onder de werking van de Wet natuurbescherming vallen, mogen alleen worden gekapt als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Allereerst moet de kap van te voren worden gemeld. Voor dunningen is de meldings- en herplantingsplicht niet van toepassing. Anders dan onder de Boswet moet de kap vanaf 1 januari 2017 worden gemeld bij Gedeputeerde Staten van de provincie. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding en bepalen welke gegevens moeten worden verstrekt, de termijn en de wijze waarop moet worden gemeld en over de wijze waarop moet worden herbeplant. Na de (gemelde) kap dient de eigenaar van het bos ervoor te zorgen dat drie jaar na het kappen van het bos, hetzelfde areaal bos aanwezig is in de vorm van jonge beplanting. Het herbeplanten van het perceel kan plaatsvinden door aanplant, bezaaiing, natuurlijke verjonging of op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand. 4.9.6

Houtopstanden

Ook voor de reikwijdte van te beschermen houtopstanden is in de Wnb grotendeels aangesloten op de Boswet. Wederom geldt de meld- en herplantingsplicht voor houtopstanden van 10 are en groter en een bomenrij van 20 bomen. De term 'houtopstand' is gedefinieerd als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Niet voor alle houtopstanden die aan deze vereisten voldoen, geldt de meld- en herplantingsplicht. Net zoals onder de werking van de Boswet zijn bomen op erven en tuinen en een rij wilgen of populieren op of langs landbouwgronden uitgezonderd. Ook is in de Wet natuurbescherming gedacht aan de praktische problemen bij de productie van hout als biomassa. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als houtige biomassa zijn uitgezonderd van de meld- en herplantingsplicht indien ten minste eens per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan bepaalde beplantingseisen is voldaan. Italiaanse populieren, linden, paardenkastanjes en treurwilgen worden vanaf 1 januari 2017 -in tegenstelling tot voorheen onder de Boswet - wél beschermd. De bomen in het plangebied worden gekapt als gevolg van het planvoornemen. Uit de bijgesloten natuurtoets volgt dat het plangebied zich bevindt binnen de bebouwde kom Wnb (of voormalige Boswet).

Daarmee vallen de bomen niet onder de definitie van beschermde houtopstanden Wnb. Beschermde houtopstanden Wnb zijn daarom niet relevant voor voorliggend planvoornemen. Gemeentelijk beleid omtrent de kap van bomen en/of bosschages kan echter wel van toepassing zijn (zie ook bijlage 1 van de Natuurtoets). 4.9.7

Bescherming bomen

In de op grond van de Gemeentewet door de gemeenteraad vastgestelde Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is de bescherming van bomen vastgelegd. Volgens de APV van Den Haag, artikel 2.80 e.v., is voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig (RIS 174540). Door deze bescherming kunnen belangen zorgvuldig worden afgewogen voordat een omgevingsvergunning wordt afgegeven dan wel geweigerd. Daarnaast is een mogelijkheid opgenomen om monumentale bomen aan te wijzen. Monumentale bomen hebben een hogere beschermingsstatus. Voor een volledig overzicht van de monumentale bomen in Den Haag is op de website van de gemeente Den Haag de meest actuele lijst en kaart terug te vinden. 4.9.8

Bomenbalans in het plangebied

Uit het PlanMER Den Haag Zuidwest volgt dat er 923 bomen in Zuidwest bestaan, waarvan het overgrote deel van de bomen een normale conditie en een toekomstverwachting van meer dan 15 jaar heeft. Meer dan de helft van de bomen is slecht verplantbaar. Per straat of deelproject van Zuidwest dient derhalve een bomeneffectenanalyse te worden uitgevoerd, waarmee in een vroeg stadium inzichtelijk wordt gemaakt of en hoe de bomen kunnen worden ingepast in de nieuwe situatie en waar eventuele knelpunten liggen met ondergrondse infrastructuur. PM

77

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Een bomenbalans in het plangebied is uitgevoerd, en is in bijlage x aan de toelichting toegevoegd. Per saldo geeft deze balans aan: PM.

78

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Hoofdstuk 5 5.1

Planbeschrijving

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken zijn de bestaande situatie (hoofdstuk 2), het beleidskader (hoofdstuk 3) en de milieukwaliteitseisen (hoofdstuk 4) uiteengezet. Dit diende ertoe om de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen voor het bestemmingsplan. In paragraaf 5.2 wordt het plan beschreven en in paragraaf worden de in het plan opgenomen ontwikkelingen aangegeven. Aan de hand hiervan wordt in paragraaf 5.4 een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen gemaakt. Met deze keuze kan de opzet van het bestemmingsplan in paragraaf 5.5 en de bestemmingen globaal beschreven worden.

5.2

Beschrijving van het plan

5.2.1

Beschrijving van het plan

Het college heeft op 07-05-2021 ingestemd met de Nota van Uitgangspunten (NvU) voor de ontwikkeling van De Zichten (RIS308508). Daarna heeft het college de commissie per brief geïnformeerd en is de NvU besproken in de commissie Ruimte van 13-07-2021. De volledige NvU is opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting. Daarnaast is het projectdocument voor Dreven-Gaarden-Zichten fase 1 door het college, onder voorbehoud van goedkeuring door de raad van de bijbehorende grondexploitatie Dreven-Gaarden-Zichten fase 1 (SBK nummer ES-156), op 21 december 2021 vastgesteld (RIS311092) Dit is een uitvoeringsbesluit voor de eerste 10 jaar van de totale gebiedsontwikkeling Dreven-Gaarden-Zichten en de realisatie van ruim 50% van het beoogde programma. Op basis van de randvoorwaarden uit de NvU zijn regels voor het plangebied opgesteld in dit bestemmingsplan. De randvoorwaarden kaart uit de NvU is hieronder opgenomen, daarna volgt een toelichting.

79

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Randvoorwaardenkaart (RIS311093). 5.2.2

Functionele hoofdopzet

In Zichten 2,3 en 7 is een verdichtingsopgave gepland met extra woningen, extra bedrijfsruimte en een parkeergarage. In tabel 2.1 is het programma voor de gebouwde functies weergegeven. Functie Woningen

Aantal / m2 bvo 600 woningen, waarvan: - 496 woningen

- Nieuwbouw Overige functies - Bedrijfsruimte 2500 m2 BOG / MOG - Parkeergarage 260 parkeerplaatsen Tabel 2.1 Programma Zichten 2, 3 en 7 Woningen De woningvoorraad groeit met bijna drie keer meer woningen dan in de huidige situatie, namelijk in totaal 600 woningen (ten opzichte van 213 woningen in de huidige situatie). Hiervoor wordt 109 van de 213 woningen gesloopt en 496 woningen nieuw gebouwd. 104 bestaande woningen blijven gehandhaafd. Het doel is om in te zetten op differentiatie van de woningvoorraad met aandacht voor de beoogde doelgroepen. Hiermee komen er woningen bij voor de doelgroepen in de sociale sector, middenhuur en betaalbare koop, zie tabel 2.2.

Soort Zichten 2 Zichten 3 Sociaal 63 152 Midden huur 0 76 Dure huur 0 43 Betaalbare koop 102 0 Dure koop 50 10 Totaal 215 281 Tabel 2.2. Woningtypes nieuwbouw .

Totaal 215 76 43 102 60 496

% 43,4 % 15,4 % 8,7 % 20,5 % 12%

Overige gebouwde functies Het plan biedt daarnaast bedrijfsruimte in de plint van in totaal 2500 m2 BOG /MOG en een nieuwe parkeergarage op de verdiepingen met 260 parkeerplaatsen. Voorheen was er een school voorzien in Zichten 7, dit is gewijzigd. Daarom zijn deze gereserveerde vierkante meter beschikbaar voor BOG/MOG. 5.2.3

Stedenbouwkundige opzet

Stedelijk e rand langs het sportpark van de wijk De randen van het gebied worden aantrekkelijke groene verblijfsgebieden en worden meer geïntegreerd met het sportpark Escamp met de huidige sportverenigingen, nieuwe sportactiviteiten en ecologie. De Zichten 2,3 en 7 krijgt stevige stedelijke wanden aan dit sportpark. Langs de Hengelolaan wordt de singel doorgetrokken tot aan De Stede. Groene verbinding tussen sportpark en het Marinipark Een groene wig koppelt het vernieuwde sportpark via de singel van de Vrederustlaan aan het Marinipark. Deze wig krijgt ook een fietsroute. Een tweede groene wig verbindt het sportpark via een looproute met

80

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

het winkelcentrum de Stede langs de Shalomkerk. Een interne groene kwaliteit van een woonbuurt met hoge dichtheden. Grotendeels behouden van het stratenpatroon Voor een belangrijk deel borduurt het ontwerp voort op het huidige stratenpatroon, waardoor fasering makkelijker wordt en volwassen bomenlanen zoveel mogelijk behouden kunnen worden. Bouwblok ken Binnen de bovenstaande structuur voor de Zichten 2, 3 en 7 zijn bouwvelden zichtbaar. Binnen deze bouwvelden worden diverse woningtypes en bijbehorende functies in orthogonale of haakvormige woongebouwen georganiseerd rondom groene, collectieve binnentuinen: de ontmoetingsplaats voor de blokgemeenschap en een veilige speelplek voor kleine kinderen. Onder de binnentuin liggen parkeerplaatsen en een gezamenlijke fietsenstalling. Deze bouwblokken vormen de ruimtelijke eenheden in de buurt. Uitgangspunt is dat elk bouwblok minimaal twee openingen of opengewerkte hoeken heeft naar de collectieve binnenwereld: het collectieve binnenterrein is via deze openingen openbaar toegankelijk of 'doorwaadbaar' en draagt zo bij aan ontmoetingen en interactie. De openingen in een bouwblokken zijn feitelijk de 'entrees' van het bouwblok en worden dan ook als zodanig vormgegeven: als uitnodigend stedenbouwkundig gebaar naar de openbare ruimte en uitnodigende toegangen naar de groene binnenwereld.

Dat wordt ondersteund door de daar aan gelegen functies en/of de architectonische uitstraling: open, uitnodigend en vriendelijk. Ter verlevendiging van de groene wiggen, de langzaam verkeersroutes door de buurt, moeten er expressieve, aantrekkelijke overhoekse ruimtes op de hoeken worden gerealiseerd. Dit is in principe een representatieve entreehal, maar kan ook een aantrekkelijk alternatief niet-woonprogramma (koffiebar, buurthuiskamer, etc.) worden. De bouwblokken kennen altijd een mix van woningtypes, gezinswoningen, appartementen, maisonettes, ect. De mix van woningen in de bouwblokken levert een afwisseling in hoogtes: een laag tot 13 meter, een 'stedelijke laag' van 13-23 meter en daar bovenop 'optoppingen' tot 35 meter en hoogteaccenten tot 50-70 meter. De stedelijke laag is herkenbaar in de massaopbouw. Zichten 2 (Op de verbeelding met een woonbestemming aangeduid) Binnen de ontwikkellocatie Zichten 2 worden 44 meergezinswoningen gesloopt. Uitgangspunt is op deze locatie circa 215 appartementen in diverse woningtypes en segmenten te combineren in een halfopen stedelijk bouwblok met toren met een groen, collectief binnenterrein van hoge kwaliteit. Onder de binnentuin liggen parkeerplaatsen en een gezamenlijke fietsenstalling. Het bouwblok krijgt een mix van woningtypes, gezinswoningen, appartementen, maisonnettes, etc.

Gevels aan de openbare ruimte zijn altijd 'voorkanten': er liggen in principe geen galerijen aan de openbare ruimte en er is geen sprake van volledig gesloten kopgevels. Zowel aan de openbare ruimte als ook rond de binnentuin dient er een prettige mix te zijn van gevels met slaapkamers en gevels met woonkamers. De mix van woningtypes in het bouwblok levert een afwisseling in hoogtes van 13 - 70 meter. Eenzijdig georiënteerde woningen krijgen een kwalitatief uitzicht; op een aantrekkelijk stuk openbare ruimte of op een kwalitatief hoogwaardig ingerichte binnentuin, met voldoende afstand (ten minste circa 20m) tot een tegenoverliggende woning. Op de begane grond kunnen, op de representatieve hoeken van de bouwblokken, ontmoetingsruimtes voor de bewoners van het bouwblok komen. De gebouwdelen worden zoveel mogelijk ontsloten via de straat Ruimzicht of zo dicht mogelijk daarop. Denk hierbij ook aan de fietsenstallingen. Zichten 3 (Op de verbeelding met een woonbestemming aangeduid) Binnen de ontwikkellocatie Zichten 3 worden 44 meergezinswoningen gesloopt. Uitgangspunt is op deze locatie circa 280 appartementen in diverse woningtypes en segmenten te combineren in een halfopen stedelijk bouwblok met toren met een groen, collectief binnenterrein van hoge kwaliteit. Onder

81

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

de binnentuin liggen parkeerplaatsen en een gezamenlijke fietsenstalling. Het bouwblok krijgt een mix van woningtypes, gezinswoningen, appartementen, maisonnettes, etc. Gevels aan de openbare ruimte zijn altijd 'voorkanten': er liggen in principe geen galerijen aan de openbare ruimte en er is geen sprake van volledig gesloten kopgevels. Zowel aan de openbare ruimte als ook rond de binnentuin dient er een prettige mix te zijn van gevels met slaapkamers en gevels met woonkamers. De mix van woningtypes in het bouwblok levert een afwisseling in hoogtes van 13 - 70 meter. Eenzijdig georiënteerde woningen krijgen een kwalitatief uitzicht; op een aantrekkelijk stuk openbare ruimte of op een kwalitatief hoogwaardig ingerichte binnentuin, met voldoende afstand (ten minste circa 20m) tot een tegenoverliggende woning. Op de begane grond kunnen, op de representatieve hoeken van de bouwblokken, ontmoetingsruimtes voor de bewoners van het bouwblok komen. De gebouwdelen worden zoveel mogelijk ontsloten via de straat Ruimzicht of zo dicht mogelijk daarop. Denk hierbij ook aan de fietsenstallingen. Zichten 7 (Op de verbeelding met een gemengde bestemming aangeduid) Binnen de ontwikkellocatie Zichten 7 worden 21 meergezinswoningen gesloopt alsmede bedrijfsmatige/ maatschappelijke ruimtes die zich op de begane grond bevinden.

Uitgangspunt is op deze locatie een parkeergebouw met ruimte voor circa 260 parkeerplaatsen gecombineerd met bedrijfsmatige/ maatschappelijke ruimtes op de begane grond. Gevels aan de openbare ruimte zijn altijd 'voorkanten' en de uitstraling van het gebouw is van hoge kwaliteit. Het gebouw heeft een hoogte van 13 - 23 meter.

Figuur 2 Impressie Zichten 2, 3 en 7 (bron: Heijmans, 2023) 5.2.4

Ontsluiting en parkeren

De bouwblokken gelegen tussen het Ruimzicht en Sportzicht worden voor alle modaliteiten ontsloten via het Ruimzicht. Voor voetgangers is het mogelijk om via de groene wiggen naar de entree van de woning te lopen. Deze groene wiggen zijn niet toegankelijk voor fietsers, autoverkeer en bezorgdiensten. Zij moeten het stuk tussen het Ruimzicht en entrees van de woongebouwen lopend afleggen. Een klein deel van de bewoners parkeren in een gebouwde parkeervoorzieningen op het middenterrein. De rest van de bewoners en hun bezoekers gaan parkeren op afstand in het centrale parkeergebouw aan Het Zicht. Om de leefbaarheid in de wijk te kunnen garanderen wordt in heel Den Haag Zuidwest een parkeerregime ingevoerd. Bewoners en bezoekers van de nieuwbouw komen niet in aanmerking

82

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

voor een parkeervergunning op openbare straat omdat zij beschikken over parkeren op eigen terrein of in het centrale parkeergebouw. De te handhaven woningen aan het Steenzicht komen wel in aanmerking voor een parkeervergunning. In het centrale parkeergebouw is daarnaast ook ruimte voor de bezoekers van de nieuwbouwontwikkeling Steenzicht. 5.2.5

Groen

Openbare ruimte Het handboek openbare ruimte geeft principes voor wegprofielen. Belangrijker is echter welke functie de openbare ruimte heeft. Bij het ontwerpen van de openbare ruimte gaan we meer uit van de voetganger en fietsers en wordt de auto minder dominant. Elk bouwblok is in elk geval aan één zijde bereikbaar per auto. De nadruk komt meer te liggen op verblijven dan op ontsluiten. Dit sluit ook aan bij de principes van Duurzaam Veilig. Voetpaden hebben minstens 2,5 meter vrije doorloopruimte zodat wandelen, spelen, bewegen en ontmoeten wordt gestimuleerd zonder dat men last heeft van elkaar en een eventuele lichtmast of boom de doorgang niet direct belemmerd. Daarnaast wordt er zoveel mogelijk verharding gemeden ten gunste van groen. Tussen het sportpark en de Zichten 2 en 3 is een ecologische verbindingszone gelegen. Een natuurlijk ingericht gebied met daarin een doorgaande waterverbinding. Deze zone is reeds aanwezig en wordt wat verplaatst om ruimte te maken voor de nieuwe bouwblokken van Zichten 2 en 3, en in de nabije toekomst ook blok 4. Daarnaast zal er meer water gerealiseerd worden om de woningbouw mogelijk te maken. Waar mogelijk is het principe van de minimale breedte van 30 meter toegepast. Ter hoogte van de school en het ESDO-veld is dit niet het geval.

De vierkante ecologische meters die gerealiseerd worden zullen hoogwaardig en kwalitatief ingericht worden, waardoor de ecologische waarde wordt verhoogd ten opzichte van de bestaande situatie. De ecologische verbindingszone is primair bedoeld voor natuur en verstoring (betreden, verlichten) wordt dan ook zoveel mogelijk vermeden. Ter hoogte van de wiggen wordt op 3 plekken de ecologische verbindingszone doorkruist met wandelpaden. Bij de middelste wig wordt dit gecombineerd met een fietspad.

Beeldkwaliteit ecologische zone Voor de ontwikkeling ecologische zone moet rekening worden gehouden met een bepaald beeld voor bewoners en uitgangspunten: De ecologische zone wordt ecologisch ingericht waarbij 'wilde' natuur uitgangspunt is. De ecologische zone wordt ecologisch beheerd, dit betekent minder vaak maaien en de aanwezigheid van een hogere grasvegetatie. Dit heeft gevolgen voor gebruik voor het uitlaten van dieren. De ecologische zone dient conform de uitgangspunten van de Nota Stadsnatuur en Richtlijn Licht op Natuur (RIS305825) donker te blijven vanwege de functionaliteit voor vleermuizen. Het wandelpad aan Zichten 2 wordt verlicht conform uitgangspunten uit de Richtlijn licht op natuur. Dus geen 'standaard' lantaarnpalen langs het voetpad of de kruisende (fiets)paden. Toegank elijkheid/ beeldkwaliteit woonblokken De woningen grenzen 'hard' aan de ecologische zone, maar er is een overgangszone van 2 meter. Deze zone wordt in een verder stadium uitgewerkt. Ecologische functionaliteit Ligging/hoogte van de bouwblokken t.o.v. de ecologische zone > de afwezigheid van zonlicht is een beperkende factor ten aanzien van functionaliteit van de zone. Het wegnemen van het zonlicht van het

83

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

gebouw heeft een negatief effect op de waterkwaliteit en het waterleven (zoals vissen, amfibieën en insecten). Sport Realisatie van de ecozone en de bouwblokken in hun beoogde omvang is mogelijk omdat op het naastgelegen sportpark Escamp ruimte kan worden gevonden door het draaien van velden. Binnentuinen De collectieve binnentuinen vormen de gemeenschappelijke buitenruimte van de bouwblokgemeenschap in combinatie met langs de gevels van de woningen semi-private zones als veranda of voortuintjes. Eventuele grenzen collectief – privé moeten worden mee ontworpen.Uitgangspunt voor de binnenruimten is een groene inrichting. De collectieve, groene binnenruimtes zorgen er samen met het openbare groen voor dat de totale hoeveelheid groen in de buurten op peil blijft: een aspect wat het meest genoemd en gewaardeerd wordt tijdens participatiegesprekken met bewoners. De ruimtelijke verbinding tussen de binnenruimtes en het openbaar gebied ontstaat door openingen in de bouwblokkenstructuur. Uitgangspunt is dat elk bouwblok minimaal twee openingen of opengewerkte hoeken heeft naar de collectieve binnenwereld: het collectieve binnenterrein is via deze openingen toegankelijk of 'doorwaadbaar' en draagt zo bij aan ontmoeting en interactie. De openingen in de bouwblokken zijn feitelijk de 'entrees' van het blok en worden dan ook als zodanig vormgegeven.

De positie van bouwblokopeningen dient altijd in onderlinge samenhang met de andere entrees naar de woongebouwen en in de ruimere stedenbouwkundige context te worden gezien. 5.2.6

Water

Binnen het plangebied en de grotere uitgangspunten vanuit de NvU wordt extra wateroppervlak in het plangebied mogelijk gemaakt, langs de bestaande flats aan de Hengelolaan. Tevens wordt er oppervlakkige waterberging in het openbare groen, binnentuinen en daken voorgeschreven. Deze moeten ervoor zorgen dat een piekbui van 70mm opgevangen kan worden en niet tot overlast zal leiden.

5.3

Duurzaamheid

5.3.1

Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Verantwoord dient te worden dat er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen, werken, detailhandel en voorzieningen. Deze behoefte moet blijken uit een regionaal afgestemd programma en de afspraken gemaakt in Haaglandse gemeenten in een Regionaal Structuurplan 2020. Het Bro bepaalt dat voor bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. De structuurvisie bevat geen belangen die voor dit bestemmingsplan van toepassing zijn. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening geeft aan de regering de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) regels te geven waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening moeten houden. Het gaat daarbij niet alleen om procedureregels maar ook om de inhoud van bestemmingsplannen. Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden (Stb. 2011, 391).

Bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigings- of uitwerkingsplannen maar ook bij projectuitvoeringsbesluiten (Crisis- en herstelwet) moeten gemeenten rekening houden met het Barro.

84

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Een aantal projecten dat de regering van Rijksbelang vindt, wordt met het Barro dwingend geborgd in bestemmingsplannen of in andere ruimtelijke plannen van lagere overheden. De projecten worden benoemd en middels digitale kaarten ingekaderd. Per project worden regels gegeven waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Voor Den Haag zijn de binnen de gemeente gelegen militaire terreinen met de daarbij behorende zenden ontvangstinstallaties, en het Kustfundament van belang. In 2016 is een Besluit tot wijziging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in verband met de herziening van de Beleidslijn kust en enige andere wijzigingen van kracht geworden. Volgens het Barro zijn er in dit bestemmingsplan geen projecten van Rijksbelang aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 1 januari 2023 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. Hierbij hoort een rijksbrede visie op de leefomgeving; de Nationale Omgevingvisie (NOVI), die de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zal vervangen. De ontwerp-NOVI heeft ter inzage gelegen van 20 augustus tot en met 30 september 2019.

In de ontwerp-NOVI zijn 21 nationale belangen en opgaven benoemd, waarbij de volgende vier prioriteiten worden onderscheiden: Ruimte voor Klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Bij het kiezen tussen strijdige ruimtelijke belangen worden drie afwegingsprincipes gehanteerd: combinatie van functies gaat voor enkelvoudige functies; kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; afwentelen wordt voorkomen. Bij vaststelling zal de NOVI ook een uitvoeringsagenda bevatten. Samen met de regio's wil het rijk samenwerkingsafspraken opnemen in Gebiedsagenda's. Het abstractieniveau van de ontwerp-NOVI is van een andere orde dan de thema's die in het plangebied spelen. Toch kan gesteld worden dat dit bestemmingsplan aansluit bij de uitgangspunten uit de ontwerp-NOVI. 5.3.2

Waterhuishouding

Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor het beheer van de primaire waterkering en het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het plangebied. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan wordt in het kader van de watertoets overleg gevoerd over de waterparagraaf, de plankaart en de voorschriften. De waterparagraaf in hoofstuk 3.5 Water bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. 5.3.3

Duurzaamheidsbeleid

Verwezen wordt naar hoofdstuk 3.11 van deze toelichting.

5.4

Keuze en verantwoording van bestemmingen

5.4.1

Het digitale bestemmingsplan

Een belangrijk onderdeel van Wet ruimtelijke ordening (Wro) vormt de digitaliseringsverplichting. De Wro bepaalt dat een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar moet zijn. Dit heeft onder meer geleid tot de introductie van twee nieuwe begrippen: 'digitale verbeelding' en de 'analoge verbeelding'. Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding (plankaart), regels en een toelichting en is digitaal raadpleegbaar. De eerste twee onderdelen zijn juridisch bindend, de toelichting is juridisch niet bindend maar helpt bij de interpretatie van de kaart en de regels. De 'digitale verbeelding' is een interactieve raadpleegomgeving die o.a. via het internet (www.ruimtelijkeplannen.nl) die de gehele inhoud van het bestemmingsplan ontsluit overeenkomstig de

85

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

SVBP2012: Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 'van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. . Door een muisklik op een bepaalde plek verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in een nieuw tabblad in beeld. Onder de term digitale verbeelding wordt dan ook niet alleen het ruimtelijk beeld, maar ook de daarbij behorende juridische informatie (regels) verstaan. Indien de digitale en de analoge verbeelding tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale verbeelding beslissend. Onder analoge verbeelding wordt verstaan: alle te verbeelden informatie van een ruimtelijk plan op papier. De term analoge verbeelding is dus een synoniem voor de tot nu toe altijd gebruikte term plankaart. Op de bij het onderhavige bestemmingsplan "Zichten 2, 3 en 7" behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke en op grond van het Besluit ruimtelijke ordening vereiste gegevens ingetekend. Er is daarbij onderscheid gemaakt in bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding. De bestemmingen zijn de belangrijkste elementen. Elk stuk grond van het plangebied heeft een bestemming.

Deze wordt zichtbaar gemaakt door middel van een kleur, op de digitale verbeelding wordt de informatie in een aparte deel van het scherm zichtbaar, op de analoge verbeelding al dan niet in combinatie met een letter, ter aanduiding van de bestemming en een getal dat de maximale toegestane (goot- en nok)hoogte en/of bebouwingspercentage aangeeft. Op deze wijze is het mogelijk om te zien welke bestemmingen zijn gegeven aan de gronden en opstallen binnen het plangebied. Elke op de verbeelding aangegeven bestemming is gekoppeld aan een bestemmingsartikel in de regels. De regels laten vervolgens bij elke bestemming zien op welke wijze gronden binnen de desbetreffende bestemming gebruikt mogen worden. Daarbij wordt onder meer verwezen naar aanduidingen op de plankaart. Aanduidingen geven dientengevolge, in samenhang met de regels, duidelijkheid over wat binnen een bestemmingsvlak al dan niet is toegestaan. Op de digitale en analoge verbeelding van de plankaart zijn bouwhoogten aangegeven. Gekoppeld aan bouwvlakken is een maatvoering voor (goot- en nok)hoogte, afgerond in meters en conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012, opgenomen. De waarde op de plankaart geeft de maximaal toegelaten (goot- en nok)hoogte van een gebouw aan. Daarnaast wordt ook in de bouwregels van het bestemmingsplan een en ander bepaald over bouwhoogten.

Bij het bepalen van de daadwerkelijke hoogte van gebouwen is gebruik gemaakt van stereokartering met behulp van luchtfoto's. De maximaal toegelaten bouwhoogte kan afwijken van de daadwerkelijke hoogte van een gebouw: aan het vaststellen van een maximale bouwhoogte liggen stedenbouwkundige overwegingen ten grondslag. Voorts wordt de opzet van het bestemmingsplan ingegeven door de relevante beleidskaders en omgevingsfactoren. In onderstaande tabellen (beslissingstabel) is aangegeven op welke onderdelen de in dit bestemmingsplan beschreven beleidskaders en omgevingsfactoren hun vertaling hebben gevonden in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze paragraaf vormt dan ook als het ware de schakel tussen de toelichting van het bestemmingsplan en de daarbij behorende regels en plankaart.

5.4.2

Keuze en verantwoording van de bestemmingen

Beleidskader Ruimtelijk beleid

Vertaling in het bestemmingsplan

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De ladder voor duurzame verstedelijking is wordt de ladder voor duurzame verstedelijking beschreven in hoofdstuk 5 paragraaf 5.3.1 geïntroduceerd. De ladder voor duurzame Ladder voor duurzame verstedelijking verstedelijking is kaderstellend voor alle De 'ladder voor duurzame verstedelijking' vormt juridisch verbindende ruimtelijke plannen van geen belemmering voor dit bestemmingsplan. de decentrale overheden.

86

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

De Provinciale Structuurvisie "Visie op Zuid-Holland" en de provinciale "Verordening Ruimte" zet in op een samenhangend stedelijk en landschappelijk netwerk, goede bereikbaarheid, een divers aanbod van woonen werkmilieus in een aantrekkelijk landschap met ruimte voor water, landbouw en natuur. De Verordening Ruimte laat uitbreiding van detailhandel slechts toe op plekken die gelegen zijn binnen bestaande winkelconcentraties en kantoren binnen de bestaande haltes van het Zuidvleugelnet. Cultureel erfgoed Cultuur historische waarde De Erfgoedwet legt de verplichting op om in nieuwe bestemmingsplannen en bij wijziging van bestaande bestemmingsplannen met de archeologische waarden rekening te houden. Bestemmingsplannen moeten een juridische regeling bevatten die voldoende bescherming biedt tegen werkzaamheden die tot een verstoring van het bodemarchief zouden kunnen leiden. Water

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe detailhandel mogelijk.

Op basis van onderzoeken is de archeologische verwachting voor het plangebied laag, waardoor in het onderhavig plangebied geen archeologische waarde aanwezig is.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027(ook Over deze ontwikkeling heeft vooroverleg met het wel 'WBP 6') is het strategisch werkplan van waterschap plaatsgevonden. het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap draagt zorg voor het kwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater, het beheer van de waterkeringen en het kwantiteitsbeheer van grondwater Groen Inzet is de Stedelijke Groen Hoofdstructuur Het plan is hiermede in overeenstemming. (paragraaf 4.9 Natuurbescherming) duurzaam in stand te houden en waar mogelijk te versterken. Verkeer en parkeren De Haagse Nota Mobiliteit hanteert een rangorde in haar wegenstructuur. Naast de hoofdwegen voor het doorgaande verkeer zijn er de wegen van een lagere orde die het verkeer tussen wijken en het buurtgebonden verkeer moeten afwikkelen: buurtontsluitingswegen (straten) en erfontsluitingswegen (verblijfs- en woonstraten). Verblijfsgebied ten slotte is openbare ruimte waar geen autoverkeer is toegestaan en waar de verkeersfunctie ondergeschikt is aan de verblijfsfunctie De nota “Parkeernormen Den Haag 2021” gaat mede in op het faciliteren van de parkeerbehoefte en het benutten van schaarse ruimte

De bestemming Verkeer-Hoofdverkeersweg is gericht op de hoofdverkeerswegen: De bestemming Verkeer-Straat ziet op alle straten in het plangebied: Alle straten in het plangebied die niet als hoofdverkeersweg of straat kunnen worden geclassificeerd, vallen onder de bestemming Verkeer-Verblijfsstraat. Verblijfsgebieden zijn als Verkeer-Verblijfsgebied aangegeven.

In het plangebied wordt uitgegaan van parkeren deels op eigen terrein en deels op de openbare weg met een parkeerbehoefte volgens de Nota Parkeernormen.

87

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Wonen De kern van de Woonvisie 2017-2030 is dat als Den Haag zich meer op de kaart wil zetten als woonstad, de stad zich moet versterken door telkens meer differentiatie in woonmilieus en woonsferen te creëren en de woonkwaliteit verhogen Economie

In het plan wordt ingezet op de stedelijk gewenste verdichting.Het plan behelst circa 600 woningen, waarvan circa 50 %in de sociale woningbouw.

Bedrijven

De bestaande bedrijven kunnen binnen het plangebied gevestigd blijven De bestemming dienstverlening biedt ruimte voor nieuwvestiging van dienstverlenende bedrijven met een maximale bruto-vloeroppervlakte van 200m2. In het plangebied is de vestiging van horeca in de categorie licht toegestaan tot maximaal 250 m2.

Dienstverlening

Horeca

Onderwijs, Welzijn en Maatschappelijke Zorg Onderwijs, Welzijn en Maatschappelijke Zorg Dit bestemmingsplan maakt welzijnsvoorzieningen gericht op sport, cultuur en maatschappelijk welzijn, alsmede tentoonstellingsruimten en presentatieruimten mogelijk Sport en recreatie Sport Recreatie

5.5

De bestaande (binnen)sportvoorzieningen zijn in het bestemmingsplan opgenomen. Het bestemmingsplan maakt het realiseren van speelvoorzieningen mogelijk

Toelichting op de regels

De regels zijn als volgt ingedeeld: 1. Inleidende regels. De inleidende regels (artikelen 1 en 2) lichten de begrippen toe die in de regels voorkomen en ook de wijze van meten (hoogte, diepte et cetera) die moet worden gehanteerd. 2. Bestemmingsregels. De bestemmingsregels (artikel 3 tot en met bevatten voor elke bestemming een omschrijving van de bestemming en bouwregels. Als specifiek voor een bestemming een afwijkingsbevoegdheid geldt, is deze in het betreffende artikel opgenomen. 3. Algemene regels. De algemene regels (artikel 8 tot en met 12) bevatten voor alle bestemmingen geldende regels: algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene procedureregels. 4. Overgangs- en slotregels. Het overgangsrecht is opgenomen in artikel 13 en de slotregel in artikel 14.

88

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

5.5.1

Inleidende regels

In Artikel 1 Begrippen worden belangrijke begrippen die in het plan veel voorkomen, nader gedefinieerd. Aandacht verdienen de begrippen aan-huis-gebonden bedrijf, en aan-huis-gebonden beroep. Wanneer in de bestemmingsregels wonen is toegestaan, is impliciet ook het uitoefenen van een aan-huis-gebonden bedrijf en/of beroep toegestaan. Op basis van jurisprudentie mogen deze activiteiten: geen hinder voor de woonsituatie opleveren; naar de aard en visueel geen afbreuk doen aan het karakter van de woning; geen detailhandel en/of horeca betreffen; geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen parkeerproblemen in de omgeving veroorzaken. In Artikel 2 Wijze van meten is aangegeven hoe afstanden en maten die in de regels worden voorgeschreven, moeten worden gemeten. Het definiëren van begrippen en de aanwijzingen voor het meten, vergroten de duidelijkheid en de rechtszekerheid. De regeling voor bestaand gebruik dat afwijkt van de bestemming is onderdeel van de algemene gebruiksregels. 5.5.2

Bestemmingsregels

Artikel 3 Gemengd Deze bestemming heeft betrekking op de te handhaven bebouwing aan plot 7 van Zichten 2 en 3, inclusief het daartussen gelegen binnenterrein, waarop de bestemming met name bebouwing ten behoeve van parkeervoorziening, bedrijfsmatige en maatschappelijke voorzieningen toelaat. Artikel 4 Groen De bestemming groen is toegekend aan alle openbare groenvoorzieningen binnen het plangebied. De gronden zijn bestemd voor plantsoen, grasvelden, gazons, bomen en planten, boomvakken en plantenvakken, waterlopen en waterpartijen, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen en ecologische verbindingszone. Voorts is ter plaatse van de functieaanduiding "ov" op de Hengelolaan openbaar vervoer en de bijbehorende voorzieningen toegestaan. Artikel 5 Verkeer - Verblijfsstraat Deze bestemming heeft betrekking op de in het plangebied opgenomen straten, die alle een verblijfsfunctie hebben. Artikel 6 Wonen Met deze bestemming wordt de beoogde nieuwbouw van appartementen mogelijk gemaakt. In het artikel is de verplichting opgenomen dat in totaal 50% van de woningen als sociale huurwoningen zullen worden geëxploiteerd door een toegelaten instelling.

De bestemming Water is toegekend aan al het water binnen het plangebied. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor water, vijver, waterberging, oever, steiger en bruggen voor fietsers en voetgangers. Burggen voor gemotoriseerd verkeer en langzaam verkeer zijn met een aanduiding op de verbeelding aangegeven.

89

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

5.5.3

Algemene Regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel: Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 9 Algemene bouwregels: De algemene bouwregels gelden voor alle bestemmingen. In de eerste plaats wordt hierin nu ook algemeen gesteld dat bouwwerken niet buiten bestemmings- en bebouwingsgrenzen mogen worden gebouwd. Kleine overschrijdingen van deze grenzen voor stoepen, kozijnen en dergelijke zijn wel toegestaan. Grote overschrijdingen van deze grenzen voor overstekende daken en soortgelijke delen van gebouwen zijn tot een bepaalde omvang ook toegestaan. Verder is algemeen voorgeschreven dat bouwwerken beneden peil uitsluitend zijn toegestaan binnen een bouwvlak, dat deze ondergrondse bebouwing uit niet meer dan één bouwlaag mag bestaan en is de bouw van installaties voor mobiele telecommunicatie in principe toegestaan op alle gebouwen met uitzondering van rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of gebouwen in een rijksbeschermd stadsgezicht. Afwijken van deze algemene bouwregels wordt geregeld in de algemene afwijkingsregels, in.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13659218/1