CConstaterende datDen Haag
Koppel je AI →
Document · PDF

RIS317432 Bijlage 1

Commissie Ruimte 10 januari 2024, gemeente Den HaagBij agendapunt: Ingekomen bestuurlijke stukken38.651 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Welzijn en zorg

Beleidsplan Zorg, Jeugd en Volksgezondheid ''Gezond en Veerkrachtig'' Den Haag 2019-2022 (RIS303812) Den Haag is de stad waar iedereen erbij hoort en zelfstandig mee kan doen in de eigen wijk en in de stad. De juiste ondersteuning en hulp is toegankelijk, betaalbaar, dicht bij huis en tijdig. Informatie, advies, hulp en ondersteuning vinden zoveel mogelijk in de wijk plaats. We zetten in op een verschuiving van (gespecialiseerde) hulp en ondersteuning bij een instelling, naar brede passende ondersteuning in de eigen leefomgeving. In 2018 zijn het Centrum Jeugd en Gezin, de Wmo-uitvoeringsorganisatie en het Centraal Coördinatiepunt samengevoegd tot één wijkgerichte organisatie Jeugd en Maatschappelijke Ondersteuning (JMO). Inwoners van alle leeftijden kunnen hier terecht voor alle hulp en ondersteuning, inclusief de periodieke onderzoeken voor kinderen, voor vragen over jeugdgezondheidszorg, opvoeding en jeugdhulp. Voor inwoners in een kwetsbare positie komt er een basisinfrastructuur van het Haagse welzijn, waar zij terechtkunnen voor informatie over alle voorzieningen in de wijk, voor vragen over welzijn en ondersteuning. Deze ondersteuning wordt geboden vanuit de Servicepunten XL. Aan de hand van de kenmerken van de wijk wordt een aantal Servicepunten XL doorontwikkeld.

Het brede kader van dit nieuwe beleidsplan maakt het mogelijk om het Beleidsplan Jeugd 2018-2020 'Haagse jeugd samen aan zet' (RIS298573) hieraan te verbinden. Met het beleidsplan wordt voldaan aan de wettelijke verplichting zoals die is verwoord in de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet

49

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

én de Wet publieke gezondheid.

3.9.3

Maatschappelijke voorzieningen

3.9.3.1 Publieke gezondheidszorg In het verlengde van de Wet Publieke Gezondheid (WPG) heeft de gemeente een taak in het realiseren van samenhang tussen diverse onderdelen van zorg- en dienstverlening, en moet zij zorgen voor voldoende toegankelijkheid van voorzieningen. Het is dus een taak van de gemeente om ervoor te zorgen dat in de stad voldoende aanbod van zorg aanwezig is en dat deze bereikbaar is voor bewoners. Het bestemmingsplan faciliteert de behoefte aan zorgvoorzieningen door in de ruimtelijke vormgeving van de wijk de 'fysieke kwaliteit' te bewaken en zo een gezonde leefomgeving voor burgers te bewerkstelligen. Van gemeentewege wordt gestreefd naar multidisciplinaire samenwerking binnen de eerstelijnszorg. In iedere wijk is idealiter een kristallisatiepunt van zorg gesitueerd van waaruit naast zorg ook (zorg)informatie en (zorg)diensten kunnen worden geleverd. Naast bovenstaande algemene (zorg)voorzieningen zijn er ook voorzieningen nodig voor burgers die minder bedeeld zijn. Niet alleen in economische zin maar vooral mensen die vanwege verstandelijke of fysieke beperkingen moeite hebben zelfstandig te wonen. Het is belangrijk om ook voor deze mensen woningen ter beschikking te hebben waar ze al dan niet met begeleiding kunnen wonen. Daarnaast is er behoefte aan voorzieningen waar deze mensen gezamenlijk onderdak kunnen vinden in de vorm van een opvang.

3.10

Sport en recreatie

3.10.1 Sport Sportnota 2015-2030 (RIS 283153) De Haagse sport is aantrekkelijk, toegankelijk en bereikbaar voor alle Hagenaars. De Hagenaar moet een leven lang kunnen sporten. Om dat te bereiken is het van belang aan te sluiten op de wensen, behoeften en mogelijkheden van alle inwoners. Dit betekent dat drempels, die sommige groepen ervaren om te sporten, moeten worden weggenomen. En ook dat er aansluiting wordt gezocht met andere terreinen, organisaties en maatschappelijke doelen. Om dit mogelijk te maken, moeten inspanningen geleverd worden door: Sport-inclusief denken: het besef dat sport en bewegen kan helpen bij tal van maatschappelijke vraagstukken dient breed omarmd te worden, zowel in de sport als in andere sectoren. Maatwerk en innovatie: de huidige samenleving - die zich kenmerkt door complexiteit, diversiteit en snelle veranderingen - vraagt om de inzet op slimme verbindingen en passende methoden die aansluiten bij de stad, bij specifieke organisaties en bij de wijk en zijn bewoners. Eigentijdse sportvoorzieningen: de verwachte bevolkingstoename in Den Haag vraagt om efficiënt ruimtegebruik. Dat betekent nadrukkelijke inzet op multifunctionele, duurzame en laagdrempelige sportvoorzieningen, op medegebruik en op sportief gebruik van buitenruimte.

Verenigingssport benadrukken: de sportverenigingen vormen het fundament van de Haagse sport en moeten worden gekoesterd en ondersteund, zonder daarbij andere sportverbanden (de zogeheten anders en niet georganiseerde sport) en sportbehoeften te veronachtzamen. Het aantal inwoners van Den Haag stijgt de komende jaren verder en de gemeente wil dat de sportdeelname (aanzienlijk) toeneemt terwijl de daadwerkelijke behoefte in het algemeen afneemt . Dit betekent dat de beschikbare sportruimte behouden moet blijven en voor zover mogelijk efficiënter worden gebruikt. Hiervoor zijn diverse maatregelen te treffen, zoals herontwikkelingen van bestaande terreinen, aanleg van kunstgras, realiseren van tijdelijke sportvoorzieningen e.d. Voor wat betreft de fysieke situatie dient er aandacht te worden besteed aan:

50

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

A. Het optimaliseren van de toegankelijkheid van de sportaccommodaties voor Hagenaars met een beperking; B. efficiënt gebruik van sportaccommodaties bevorderen; C. Verbetering kwaliteit (verenigings)accommodaties door stimuleren van onderhoud en energiebesparende maatregelen: 1. Stimuleren van de aanpak van het onderhoud van verenigingsopstallen. 2. Stimuleren voor het aanbrengen van energiebesparende maatregelen op/aan verenigingsaccommodaties. D. Verbeteren van de toegankelijkheid van sportparken door het wegnemen van hekken; E. Voortzetten van de lijn om laagdrempelige sportieve mogelijkheden in de buitenruimte te realiseren; F. Het ondersteunen van de maatschappelijke wijkfunctie van sportverenigingen. De bestemming "Gemengd" in bestemmingsplan "Zichten 2, 3 en 7" biedt mogelijkheden voor de vestiging van bijvoorbeeld sportscholen.

3.10.2 Spelen De nota Spelen in de stad 2015 – 2018 (RIS 157604 en RIS 281389) heeft als ambitie om in de stad een goed aanbod te bieden aan speelplekken voor kinderen en jongeren van verschillende leeftijden. Dat betekent dat er voldoende speelplekken moeten zijn voor zowel de kinderen als de jongeren. Deze speelplekken moeten aansluiten bij de wensen die leven in de stad. Bij de aanleg van speelplekken wordt daarom de omgeving nauw betrokken. Gebruikers, ouders en bewoners willen zich bij speelplekken meer verantwoordelijk voelen (mede-eigenaarschap), als zij bij de aanleg van die speelplek nauw betrokken zijn. Verder dient er rekening te worden gehouden met de actieradius verschillen per leeftijdsgroep, omdat oudere kinderen verder van huis spelen en meer ruimte nodig hebben dan jongere. Onderstaande tabel geeft voor Den Haag invulling aan de nieuwe richtlijn. Onderstaande tabel geeft invulling aan de nieuwe richtlijn: leeftijdscategorie 0 tot 6 jaar 7 tot 12 jaar 13 tot 18 jaar

aantal kinderen per speelplek 50 tot 75 kinderen 75 tot 100 kinderen 100 tot 125 kinderen

actieradius

speeloppervlakte

100 - 150 meter 400 - 600 meter 1.000 meter

200 m² 500 m² > 750 m²

Bij nieuwe woningbouwlocaties dient in principe de richtlijn van 3% aan openbare speelruimte te worden gehanteerd in relatie tot het 'uitgeefbaar' gebied. Groenvoorzieningen die ook als informele speel- en/of recreatie ruimte kunnen fungeren, worden hierin meegeteld. Uitgaande van de onderstaande tabel kunnen bij nieuwe woningbouwlocaties prognoses gemaakt worden wat de openbare buiten speelruimtebehoefte is. Bijvoorbeeld bij een nieuwbouwvariant Stadsrand. De gemiddelde bezetting is hier 2.996 personen per nieuwbouwwoning. Uitgaande van een tweeoudergezin betekent dit dat er 0.996 kind per woning is. Stel dat er 150 woningen worden gebouwd, dan is de prognose 149 inwonende kinderen. Afhankelijk van de verwachte leeftijdsopbouw en het huidige omgevingsaanbod kan bepaald worden hoe groot de behoefte is aan buiten speelruimte voor de komende jaren. Woonmilieu Centrum stedelijk Stedelijk vooroorlogs Groen stedelijk Stedelijk naoorlogs Stadsrand 20e eeuw Stadsrand modern Werkgebieden

Gemiddelde woning bezetting in deze nieuwbouw 2,742 2,260 1,779 2,160 2,152 2,996 2,245

51

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Totaal

2,702

Tabel Woonmilieu huidige situatie naar 7 milieus (incl. Werkgebieden) Bron: Bev olkingsprognose Den Haag 2006-2022 blz.96

Daar waar in de richtlijn 3% niet haalbaar is, maar wel nodig is gezien de bevolkingsopbouw, dienen de volgende mogelijkheden te worden geïnventariseerd: het autoluw/vrij maken van een primair woongebied, samenwerken met scholen en sportverenigingen, om het potentieel aan speelruimte te vergroten. In het standaardonderwerp van een speelplek is een aantal uitgangspunten genoemd waaraan een speelplek bij ontwerp dient te voldoen: 1. 2. 3. 4. 5.

een centrale, sociaalveilige plek in de buurt, dus geen 'overhoek'; woningen moeten gericht zijn op het spelen, sociale controle (belangrijk voor meisjes); speelruimte combineren met een ontmoetingsplek of groen; verkeersveiligheid rondom een speelplek; speelplekken dienen bruikbaar en toegankelijk zijn voor kinderen met en zonder handicap.

In dit bestemmingsplan worden binnen diverse bestemmingen speelvoorzieningen toegestaan.

3.11

Duurzaamheidsbeleid

Kadernota duurzaamheid - schone energie in een groene stad (5 maart 2019, RIS 301829). Deze nota beschrijft op hoofdlijnen hoe Den Haag de energievoorziening, leefomgeving, mobiliteit en het afval- en grondstoffengebruik duurzaam en daarmee toekomstbestendig wil maken. Op elk wordt hierna ingegaan. Energietransitie De Kadernota geeft aan dat Den Haag streeft naar actieve invulling van het klimaatakkoord van Parijs. Hiermee sluit de gemeente aan op de besluiten van de Rijksoverheid die op energieterrein zijn genomen. Uitgangspunten hierbij zijn: Minder energie verbruiken en Meer gebruik make van schone energie. In het navolgende wordt op elk ingegaan. De omschakeling van fossiele naar duurzame en daarmee schone energie wordt beschreven in het Stedelijk EnergiePlan (RIS306869). Dat streeft naar een klimaatneutrale stad in 2030 en hiervoor zijn een aantal zaken noodzakelijk. Er moeten duurzame bronnen worden gerealiseerd om vervolgens de panden hierop aan te sluiten. Duurzame bronnen waar in Den Haag op wordt ingezet zijn elektriciteit, geothermie, aquathermie en restwarmte. Om deze duurzame energie vervolgens te kunnen gebruiken is het van belang netwerken aan te leggen en het elektriciteitsnet te verzwaren.

Naast gebruik van duurzame energie is ook energiebesparing (isolatie, duurzaam gedrag) van belang omdat juist dit een bijdrage kan leveren aan de haalbaarheid, betaalbaarheid en financierbaarheid van de energietransitie. De markt kan hier zelf zijn werk doen maar de gemeente geeft daarbij zelf het goede voorbeeld door het verlagen van de energievraag van gemeentelijke gebouwen. De Transitievisie warmte (RIS310442) werkt vervolgens de uitgangspunten van het Stedelijk Energieplan Den Haag verder uit. Hierbij wordt vooral gefocust op wijkniveau. Veel huizen en gebouwen binnen de wijken zijn niet in eigendom van de gemeente zodat er

52

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

veel wordt verwacht van burgers, ondernemers en betrokken partners. De Transitievisie biedt ondersteuning door per buurt of wijk in kaart te brengen of er een keuze voor energieopwekking voor de hand ligt of dat er meerdere opties zijn. Er zijn immers meerdere wijzen om over te stappen van fossiele naar schone energie en bij de verschillende keuzes horen soms ook andere overstapsnelheden. Mogelijkheden zijn warmtepompen, hybride warmtepompen en warmtenetten. Verder geldt voor iedere buurt in Den Haag dat men aan de slag kan met isolatie, de overstap naar inductie koken en het plaatsen van zonnepanelen op het dak. Leefomgeving en klimaatadaptatie De omgang met de groei van de stad en met de klimaatverandering dient volgens de Kadernota gepaard te gaan met de ambitie om een gezonde, aangename leefomgeving te creëren. Dit vraagt een maximale inzet op Klimaatbestendigheid (omgaan met wateroverlast, hitte en droogte) en Een sterke vooruitgang in milieukwaliteit. In het navolgende wordt op elk ingegaan. Klimaatbestendigheidsmaatregelen moeten zo mogelijk samenvallen met andere fysieke werkzaamheden in de stad, zoals gebiedsontwikkelingen, herinrichtingen en grootschalig onderhoud. De aan te leggen groenvoorzieningen in de stad zullen aan kwaliteitseisen moeten voldoen, zodat zij toekomstbestendig worden.

In intensiveringsgebieden zullen zij in, op, en aan gebouwen een belangrijk middel zijn om bij te dragen aan de verschillende functies van groenvoorzieningen in de stad (natuurontwikkeling, bijdragen aan klimaatbestendigheid, aanbieden plekken voor rust en ontspanning). Voorts wordt ingezet op schone lucht en bodem, een aangenaam omgevingsgeluidsniveau en externe veiligheid. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen in de stad op een verantwoorde wijze worden mogelijk gemaakt. Daar hoort ook een afgewogen gebruik en beheer van ondergrond bij. De Wegwijzer Den Haag Klimaatbestendig (RIS308744) biedt ontwerpprincipes om gebouwen en de buitenruimte klimaatbestendig te ontwerpen en in te richten. Wateroverlast en de schade die daardoor veroorzaakt wordt zijn per locatie te analyseren middels de stresstesten in de klimaatatlas. De sponswerking van de stad moet vergroot worden om de gevolgen van klimaatverandering te beperken. Dat wordt bereikt middels het vasthouden - bergen - infiltreren en/of hergebruiken of - eventueel vertraagd afvoeren van hemelwater. Oplossingsrichtingen zijn sterk afhankelijk van lokale omstandigheden zoals grondwaterstanden en typen ondergrond (zand of veen). Een oplossing vraagt daarmee altijd om maatwerk. Het rapport Haagse Hitte (RIS299474) toont het hitte eiland en de overlast in Den Haag aan.

Naast maatregelen op en aan gebouwen die gericht zijn op het buitenhouden van de zomerse zon of verkoeling (zonwering, overstekken, groene daken, verticaal groen, geveltuintjes) bieden; Bomen schaduw en verkoeling in de zomer; Bij het bomenbeheer zal klimaatbestendigheid een randvoorwaarde gaan vormen. Voor Den Haag zijn de effecten van droogte onderzocht in een Droogtestudie (RIS306855). De studie geeft aan dat verschillende delen van de stad kwetsbaar kunnen zijn voor diverse effecten van droogte. Droogte wordt beperkt door de maximale sponswerking in de stad te benutten door oplossingen in: Groenvoorzieningen; Bodembuffers; Wateraanvoer via het (stedelijke/regionale) oppervlaktewatersysteem. Mobiliteit

53

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Den Haag zet in de Kadernota op een schoon en efficiënt mobiliteitssysteem. Hiervoor is een verandering van dit mobiliteitssysteem noodzakelijk: de mobiliteitstransitie, welke is vastgelegd middels de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040 (RIS310664). De strategie is opgebouwd uit de volgende vier thema's. De compacte stad; De menselijke maat; Stadsvriendelijke vervoerswijzen; De regionale context. Binnen het thema 'stadsvriendelijke vervoerswijzen' wordt ingegaan op duurzame mobiliteit. Hierin staan duurzame mobiliteitsoplossingen centraal die zo min mogelijk schade brengen aan mens en milieu, en die ten dienste staan van het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte. Dat betekent onder andere dat wordt uitgegaan van het STOMP-principe: Stappen-Trappen-OV-MaaS-Privéauto. Bij het ontwerp van de openbare ruimte én de gebouwen wordt in de eerste plaats gekozen voor de voetganger en fietser, gevolgd door het openbaar vervoer, deelmobiliteit en privéauto. Zo vormt de mens het startpunt. Lopen is de basis, voor wat langere afstanden bieden fiets, openbaar vervoer en auto de uitkomst. De privéauto geldt als sluitstuk, deze neemt namelijk de meeste ruimte in beslag.

Om de noodzakelijke doorontwikkeling van het mobiliteitssysteem te bewaken, zijn zes doelstellingen voor mobiliteit geformuleerd, waaronder schone mobiliteit; er wordt ingezet op een klimaatneutrale stad in 2030 en op emissievrije mobiliteit. Dat wordt gedaan door de realisatie van schoner vervoer; het terugdringen van het aantal en de lengte van verplaatsingen ; door meer verplaatsingen lopend, fietsend en met het openbaar vervoer te laten plaatsvinden; daarnaast wordt gestreefd naar schone en emissievrije stadslogistiek, taxi- en doelgroepenvervoer. Luchtvervuiling heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid van onze inwoners en bezoekers. In Den Haag wordt daarom gestreefd de norm van de Wereldgezondheidsorganisatie voor luchtkwaliteit na. In de Aanpak schoon vervoer (RIS303606) wordt daarom versneld ingezet op schonere voertuigen voor een gezondere lucht. De inrichting van (de omgeving van) gebouwen kan hier actief aan bijdragen door ruimte te reserveren en voorzieningen te treffen voor bijvoorbeeld (deel)fietsen en laadpunten voor elektrische voertuigen. Om de luchtkwaliteit in het centrum te verbeteren kent Den Haag diverse milieuzones. Deze gelden onder andere voor vrachtverkeer, bussen, dieselauto's en oude brommers en worden stapsgewijs aangescherpt. Vanaf 2025 moet alle logistiek in de binnenstad emissieloos plaatsvinden (Milieu Zones Den Haag RIS305702).

Afval en grondstoffen Den Haag draagt met de vaststelling van het Grondstoffenplan (RIS310284) bij aan het Rijksdoel 100% gebruik van hernieuwbare grondstoffen in 2050 (met als tussenstap 50% secundair materiaalgebruik in 2030). De visie van de gemeente is dat afval als grondstof waarde heeft en zoveel mogelijk hergebruikt of gerecycled moet worden. Dit vraagt om een andere aanpak op het gebied van inzameling, verwerking, inkoop, ontwerp en bouwen en slopen. In het plan zijn drie uitgangspunten vastgesteld om de waarde van afval zo maximaal mogelijk te benutten. Het eerste uitgangspunt is dat aan de slag wordt gegaan met vraaggericht inzamelen. Dit houdt in dat specifiek afval wordt ingezameld waar lokale ondernemers vraag naar hebben zodat ze dit weer kunnen verwerken in nieuwe producten.

54

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Het tweede uitgangspunt is dat er wordt ingezet op zoveel mogelijk waardebehoud van afval en waar mogelijk waarde toevoegen, het zogenaamde upcyclen. Tot slot moet afval zoveel mogelijk lokaal worden ingezameld en verwerkt. Als het binnen de gemeentelijke grenzen niet lukt, dan in samenwerking met de regio. Circulariteit van projecten worden getoetst middels de R-ladder. Dit is een meetinstrument met negen vormen van circulariteit. Voorbeelden zijn re-use (producten hergebruiken) en recycle (materialen verwerken tot nieuwe kwaliteit). In totaal zijn er acht prioritaire stromen gedefinieerd: bioafval, plastic, textiel, elektrische apparaten, papier en karton, grofvuil, bedrijfsafval en bouw- en sloopafval. Voor ieder van deze stromen wordt gekeken hoe deze het beste ingezameld en uiteindelijk hoogwaardig verwerkt kan worden. Wat betreft het bedrijfsafval geldt op dit moment dat ondernemers zelf verantwoordelijk zijn voor de inzameling van hun eigen afval. De gemeente Den Haag stimuleert waar mogelijk collectieve inzameling door ondernemers en lobbyt nationaal en Europees voor stedelijke afvalinzameling. Dit houdt in dat op termijn de inzameling van huishoudelijk- en bedrijfsafval wellicht gecombineerd kan worden. Het aanbieden en ophalen van afval brengt een ruimtevraag met zich mee.

De opstelplekken en aanrijroutes moeten voldoen aan de daarvoor geldende randvoorwaarden, zoals geformuleerd in onder andere het handboek openbare ruimte (www.hor.denhaag.nl). Afvalscheiding van de acht prioritaire stromen wordt zoveel mogelijk in de stad gestimuleerd. In de laagbouw doen we dit veelal via huis-aan-huisinzameling. Dit vullen we zowel bij laagbouw als gestapelde bouw aan met afvalsorteerstraatjes in de openbare ruimte. In de gestapelde bouw en hoogbouw kan gescheiden inzamelen uitdagend zijn, omdat er inpandig vaak beperkt ruimte is. Waar mogelijk worden nieuwe pilots opgezet met alternatieve inzamelmiddelen. Daarnaast zal de gemeente bij gebiedsontwikkeling met gronduitgifte het circulair gebruik van materialen en grondstoffen stimuleren middels gunningscriteria in ontwikkelcompetities. Grote winst is te behalen met slimme, modulaire ontwerpoplossingen in bouwprojecten. Er wordt daarbij onder andere ingezet op biobased bouwen (gebruik maken van materiaal dat CO2 opslaat en hernieuwbaar is) en geïndustrialiseerd conceptueel bouwen (bouwproductie versnellen en milieu-impact verlagen). Het bestemmingsplan "Zichten 2, 3 en 7" is in overeenstemming met het duurzaamheidsbeleid. Bij de uitwerking naar bouwplannen kan nog een verdiepingsslag plaatsvinden.

55

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

56

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Hoofdstuk 4 4.1

Wet en regelgeving

Inleiding

De Wet milieubeheer schaart onder milieu het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat. In de ruimtelijke context gaat het om het fysieke milieu, de fysieke ruimtelijke omgeving. Voor de inkadering van milieu gebruikt men dan vaak de begrippen: 'milieuhygiëne': gericht op het bestrijden van milieuhinder van geluid, lucht, geur, stank, bodemverontreiniging en veiligheidsrisico's; 'ecologische duurzaamheid': bestaat naast milieuhygiëne uit aspecten van aardkunde, hydrologie, cultuurhistorie, natuur en klimaat en energie, die bij aantasting niet of zeer moeilijk te herstellen zijn. In dit hoofdstuk komen aan de orde: de milieueffectrapportage, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, natuurbescherming en bodem.

4.2

Milieutoets

Wijzigingswet Wet milieubeheer De wijzigingen van de m.e.r.-richtlijn zijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wijzigingswet Wet milieubeheer. In deze wet zijn alleen de noodzakelijke wijzigingen vastgelegd. Met name wordt géén gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ondergrenzen voor de m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten aan te geven. De procedurele en inhoudsvereisten voor de m.e.r.-beoordeling waren al grotendeels vastgelegd in de wetgeving tot nu toe. Zo was al geregeld dat de m.e.r.-beoordelingsbeslissing binnen 6 weken moet plaatsvinden. Nu is in artikel 7.16 een uitgebreide lijst van te overleggen gegevens opgenomen voor initiatiefnemers. Maar deze verschillen niet heel veel van wat gebruikelijk is. Aanpassing van het Besluit m.e.r. Met de aanpassing van het Besluit m.e.r., zoals deze 7 juli 2017 in werking is getreden, gelden deze procedurele en inhoudsvereisten ook voor activiteiten onder de drempelwaarden, dus in het geval van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het belangrijkste verschil met een m.e.r.-beoordeling voor gevallen boven de drempelwaarde is dat het bevoegd gezag geen mededeling hoeft te doen van zijn beslissing omtrent de vraag of een MER moet worden gemaakt door een kennisgeving en ter inzage legging niet nodig is.

De beslissing dat er (g)een MER moet worden gemaakt, maakt uiteindelijk deel uit van het m.e.r.(beoordelings)-plichtige besluit (omgevingsvergunning of bestemmingsplan). Gevolgen voor de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijking of milieu Voor de formeel m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten boven de drempelwaarden is er qua procedure niet zo heel veel veranderd. Hier moest altijd al een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden gepubliceerd. Nieuw is wel dat eventuele mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen bij de beoordeling, maar dat moet dan wel worden vastgelegd in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Voor vormvrije m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten geldt nu, net als bij formele m.e.r.- beoordelingsplichtige projecten, dat bij besluiten op aanvraag (aanmeldingsnotitie) er binnen 6 weken moet worden beslist of een MER moet worden gemaakt. Waar het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer is moet nu (net als bij een formele m.e.r.-beoordeling) ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit c.q. -plan een m.e.r.-beoordelingsbeslissing zijn genomen. Deze hoeft niet apart te worden gepubliceerd, maar zal in de praktijk wel meegaan bij de terinzagelegging van het ontwerpbesluit c.q. -plan.

57

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Stedelijk e ontwikkelingsprojecten Dat een m.e.r-beoordelingsbeslissing moet worden gemaakt is een aandachtspunt voor een aantal activiteiten die in kolom 1 vallen. Een belangrijk voorbeeld is categorie D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r., stedelijke ontwikkelingsprojecten: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Als de gevalsomschrijving (drempelwaarde) niet meer bepalend is voor de noodzaak van een m.e.r.beoordelingsbeslissing valt hier opeens heel veel onder. Samenvatting Uit voorgaande blijkt dat bij veel (meer) plannen een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, bestaand uit een apart besluit in een zo vroeg mogelijke planfase op basis van een zelfstandig document waarin expliciet wordt aangetoond of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten nadat er een afweging heeft plaatsgevonden aangaande de volgende drie criteria: - de kenmerken van de projecten; - de plaats van de projecten; - de kenmerken van de potentiële effecten. Omdat er geen drempelwaarden meer gelden en er geen duidelijke definitie van stedelijke ontwikkelingsprojecten is opgenomen, is het bij het mogelijk maken van een paar woningen al snel een discussiepunt 'wel of geen stedelijk ontwikkelingsproject' betreft.

Door de omgevingsdienst wordt beoordeeld of voor de genoemde activiteiten welke in het Besluit milieueffectrapportage zijn opgenomen eerst een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden doorlopen. Daar is wel enige nuancering op zijn plaats. Uit uitspraken van de Raad van State volgt namelijk dat er wel sprake moet zijn van activiteiten met een zekere omvang. Er begint zich al wel een zekere lijn af te tekenen in de jurisprudentie, maar veel blijf afhankelijk van de aard en omvang van het concrete project en het gebied waarbinnen dit plaatsvindt. De Afdeling heeft daarin bijvoorbeeld expliciet overwogen dat dat het geval is voor de ontwikkeling van volumineuze detailhandel met een oppervlakte van 17.000 m2 (ABRvS 24 december 2014,201307608/1/R1, r.o. 20.3) en 95 woningen (ABRvS 27 mei 2015, 201404713/1/R3, r.o. 13.2). Onduidelijk is of een nieuw muziekcentrum (ABRvS 28 november 2012, 201112213/1/R4, r.o. 5), 14 woningen (ABRvS 19 december 2012, 201201154/1/R4, r.o. 8.3 en 17 woningen (ABRvS 20 februari 2013, 201208192/1/R3, r.o. 5.3) als een stedelijk ontwikkelingsproject laat kwalificeren. Natura 2000 gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied.

Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onder het Westduinpark wordt “Westduinpark & Wapendal inclusief Bosjes van Poot” verstaan. In onderstaande kaart zijn de verschillende deelgebieden op kaart weergegeven. Westduinpark & Wapendal maken deel uit van een aaneenschakeling van Natura-2000 gebieden die in het duinlandschap langs de Noordzeekust zijn gelegen (de aaneenschakeling is hier en daar onderbroken door onder andere bebouwing, zoals steden als Den Haag of Katwijk). Ten noorden van het Westduinpark ligt het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide en ten zuiden ligt het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen.

58

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Afbeelding: deelgebieden in het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal Er bevinden zich geen Natura-2000 gebieden in of nabij het plangebied, waardoor er geen effect is op de Natura 2000-gebieden door de voorgestane planologische ontwikkeling. Conclusie De herontwikkeling van het plangebied van Zichten 2, 3 en 7 naar woningbouw en commerciële functies valt te kwalificeren als een stedelijke ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. , en valt binnen de beoogde gebieden voor de transformatie van Den Haag Zuidwest waarvoor een PlanMer is opgesteld. Het bestemmingsplan Zichten 2,3 en 7 vormt, tezamen met bestemmingsplan Dreven 1, éém vam de eerste ruimtelijke ontwikkelingen waarin het PlanMER Zuidwest voorziet en is daarmee project-MER plichtig. In deel C van het PlanMER Zuidwest is een project-MER opgenomen. Aangezien de ontwikkeling van Zichten 2, 3 en 7 valt binnen de bandbreedte van de onderzochte effecten van het PlanMER, welke als bijlage aan de toelichting van dit plan is toegevoegd, is ervoor gekozen het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 hieraan te toetsen. De activiteiten die mogelijk worden gemaakt met voorliggende ontwikkeling en planologisch worden vastgesteld met dit bestemmingsplan zijn, gelet op de kenmerken, plaats van de activiteiten en kenmerken van de potentiele effecten, in lijn met het PlanMER Zuidwest.

Uit de toets aan het PlanMER Den Haag Zuidwest blijkt dat er nog een groot aantal maatregelen voor de ontwikkeling van Zichten 2,3 en 7 uitgewerkt moeten worden. We gaan zorgen dat de aandachtspunten bij de nadere uitwerking van het stedenbouwkundig ontwerp en het opstellen van de omgevingsvergunningen worden opgepakt, om zo negatieve effecten te beperken en positieve effecten te versterken. Voor een aantal getoetste aspecten uit het PlanMER, zoals ontmoetingsplekken, voorzieningen, parkeren, een gescheiden rioleringssysteem en duurzame energieopwekking zijn aanbevelingen gedaan om met behulp van latere deelplannen en/of monitoring alsnog te voldoen aan de voorspelde effecten uit het MER Zuidwest. De aanbevelingen per deelthema worden genoemd in de specifieke paragrafen in hoofdstuk 4 van de toelichting.

59

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

4.3

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Risicovolle inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook LNG- en waterstoftankstations en windturbines. Hierop is het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet van toepassing. Voor dergelijke objecten zijn wel rekenmethoden vastgelegd om de veiligheidscontouren te bepalen. Hierbij worden vergelijkbare grenswaarden (PR 10-6) gehanteerd. Voor de opslag van explosieven wordt geen risicobenadering maar een effectbenadering gehanteerd. Op grond van artikel 2.6.6 (veiligheidszones munitieopslag civiele inrichting) van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening worden drie veiligheidszones aangewezen. Voor zowel LPG- als LNG-tankstations heeft het Rijk aanvullend effectgericht beleid geformuleerd door middel van het vaststellen van circulaires.

In de circulaires wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten (bijvoorbeeld een verzorgingstehuis en een kindercrèche). Mensen op hoge leeftijd en kleine kinderen zijn beperkt zelfredzaam. Daarom moet voor dergelijke verblijdsobjecten een grotere afstand tot het vulpunt van een LNG- of LPG-installatie aangehouden worden tenzij aanvullende maatregelen aan de gebouwen worden getroffen. Aan de effectbenadering wordt verder vormgegeven in het kader van de Omgevingswet. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In de gemeente Den Haag zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens met Leidschendam-Voorburg, en de A13 basisnetafstanden vastgelegd.

60

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord.

Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Op 27 juni 2013 heeft de gemeenteraad een routeringsbesluit voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgesteld (raadsvoorstel, RIS258608 en besluitenlijst, RIS260481 onder E.2). Dit routeringsbesluit is gewijzigd (RIS302166) en bij besluit van 16 mei 2019 door de gemeenteraad vastgesteld (besluiten-lijst RIS302538 onder G.10). De wijziging is op 1 oktober 2019 in werking getreden.

Vanaf die datum zijn de venstertijden voor het vervoer van routeplichtige stoffen (zoals LPG en propaan) op de Utrechtsebaan en de Benoordenhoutseweg komen te vervallen. Doorgaand vervoer van routeplichtige stoffen is niet meer mogelijk behoudens voor het bevoorraden van de LPG-tankstations aan de Prof. B.M. Teldersweg en de Rijksstraat 447 (Wassenaar) door middel van een ontheffing. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010.

Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan, kan worden met een beperkte verantwoording: 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het

61

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Gemeentelijk beleid De Nota externe veiligheid Den Haag is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld (raadsvoorstel, RIS259485 en besluitenlijst, RIS260481, onder E.1). De belangrijkste uitgangspunten zijn hieronder vermeld: 1. De gemeente richt zich op het vasthouden en bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de bestaande bedrijvigheid en het ontwikkelen van nieuwe bedrijvigheid. 2. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op vier gebiedstypen: woongebieden, buitengebieden, gemengde gebieden, risicoarme bedrijventerreinen (inclusief buitengebieden) en bedrijventerreinen met risicovolle bedrijven/inrichtingen. 3. Bij nieuwe ontwikkelingen in woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen van betekenis, zoals LPG-tankstations, toegelaten. 4. Op de bedrijventerreinen hanteert de gemeente een minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting (lichtere vorm van risicovolle bedrijven) onder voorwaarden mogelijk. 5. Bij externe veiligheidsknelpunten, besteedt de gemeente eerst aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde.

In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen worden in de nota 3 niveaus onderscheiden met elk hun eigen ambitieniveau: Structuurvisieniveau -> Veiligheidsgeïntegreerd ontwikkelen Bestemmingsplanniveau -> Veiligheidsgeïntegreerd ordenen Bouwplanniveau: -> Veiligheidsgeïntegreerd ontwerpen. Wanneer beoogde ruimtelijke ontwikkelingen een overschrijding van het groepsrisico tot gevolg kunnen hebben, wordt het gemeentebestuur in een vroeg stadium actief bij het proces betrokken. Er is een expliciet collegebesluit ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico waarbij de kosteneffectiviteit van maatregelen in beschouwing wordt genomen. Onderzoek en conclusie Beschreven effecten uit PlanMER Den Haag Zuidwest In het PlanMER van Den Haag Zuidwest is geconstateerd dat er binnen Zuidwest geen ontwikkelingen zijn beoogd waarmee het plaatsgebonden risico toeneemt, maar het groepsrisico wel kan toenemen door de verdichting. Dit laatste heeft betrekking op het LPG-tankstation aan de Lozerlaan 1555, twee hogedruk aardgastransportleidingen (ter hoogte van de Lozerlaan) en het transport van gevaarlijke stoffen over de Lozerlaan. In de structuurvisie zijn geen spelregels opgenomen die deze risico's moeten voorkomen of beperken. Op basis hiervan is het aspect externe veiligheid voor heel Zuidwest negatief beoordeeld.

Toets Zichten 2 en 3 aan PlanMER Den Haag ZuidWest Uit de toets van Zichten 2 en 3 aan het PlanMER Den Haag Zuidwest volgt dat er voor Zichten 2 en 3 geen aandachtspunten zijn ten aanzien van externe veiligheid door de grote afstand tot potentiële risicobronnen en transportroutes. Aangezien het plangebied niet binnen het invloedsgebied van enig risicobron ligt, is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet vereist. Toets 7 biolu ing aan het gemeentelijk beleid kan daarom eveneens achterwege blijven. Voorts blijkt uit de gegevens die beschikbaar zijn via de provinciale risicokaart dat binnen het plangebied en in de omgeving daarvan geen bedrijven zijn gelegen die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn. Er vindt binnen het plangebied of de omgeving daarvan geen vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor plaats. Ook zijn er binnen het plangebied of in de directe omgeving geen buisleidingen gelegen voor het transport van gevaarlijke

62

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

stoffen. De effecten zijn in lijn met wat in het PlanMER Zuidwest is voorspeld en vormen derhalve geen verandering op dit aspect. Geconcludeerd wordt derhalve dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor het vaststellen van het bestemmingsplan Zichten 2,3 en 7.

4.4

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, waarbij in artikel 1.2 lid 1 van het Besluit geluidhinder de geluidgevoelige gebouwen worden benoemd. De Wgh onderscheidt drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer: Wegverk eers- en spoorweglawaai Op grond van de Wet geluidhinder hebben wegen en spoorwegen een geluidszone, waarbinnen bepaalde normen gelden voor de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, en waarbinnen bij het opstellen van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Die verplichting geldt niet indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan de (spoor)weg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan of in de zone van de betreffende weg opgenomen geluidsgevoelige gebouwen die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn. Daarnaast maakt de wet een uitzondering voor wegen waar de maximaal toegelaten snelheid 30 km/uur is. Deze wegen hoeven niet in het onderzoek te worden betrokken. De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Voor nieuwe situaties kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Deze bedraagt voor wegverkeerslawaai maximaal 63 dB. Een uitzondering wordt gemaakt als het gaat om vervangende nieuwbouw langs wegen.

De gevelbelasting mag dan maximaal 68 dB bedragen. De wet bepaalt hierbij dat de vervanging niet zal leiden tot: een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur of functie; een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen. In het plangebied van Zichten 2, 3 en 7 of in de directe omgeving zijn geen spoorwegen aanwezig. Met lawaai van railverkeer hoeft geen rekening te worden gehouden. Reconstructie van wegen Binnen het plangebied zullen de komende jaren naar verwachting geen straten ingrijpend gereconstrueerd worden. Industrielawaai In en rond het plangebied zijn geen industrieterreinen aanwezig waarop aangewezen inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd. Procedure hogere waarden Wanneer de voorkeursgrenswaarden worden overschreden, is parallel aan de bestemmingsplanprocedure een procedure ontheffing hogere waarden ingevolge de Wet geluidhinder noodzakelijk. De hogere waarde procedure moet zijn afgerond alvorens het bestemmingsplan wordt vastgestel Onderzoek en conclusie Uit de toets van Zichten 2,3 en 7aan het PlanMER Den Haag Zuidwest volgt dat er voor de ontwikkeling een quickscan geluid is uitgevoerd, waarmee het aspect geluid gedetailleerd in beeld is gebracht. De volgende resultaten zijn geconcludeerd:

63

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Wegverkeerslawaai: hiervoor is nader akkoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitgevoerde quick scan is het waarschijnlijk dat er vanwege de geluidsbelasting door de Hengelolaan een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt en in het kader van het bestemmingsplan hogere waarden moeten worden aangevraagd; Bedrijvenlawaai en lawaai vanaf sportvelden: In de nabijheid van de locatie bevinden zich geen industrieterreinen. Op basis van de uitgevoerde quickscan is het waarschijnlijk dat de geluidsbelasting vanaf het sportveld van invloed zal zijn op de woningen in het plangebied. Derhalve is in de regels een verplichting opgenomen dat ziet op het verplichte binnenniveau. Nader akkoestisch onderzoek is voorts aanbevolen. Geluidhinder vanaf school: Op basis van de uitgevoerde quickscan is het waarschijnlijk dat de geluidsbelasting vanaf de school van invloed zal zijn op de woningen in het plangebied. Derhalve is in de regels een verplichting opgenomen dat ziet op het verplichte binnenniveau. Nader akkoestisch onderzoek is voorts aanbevolen. Evenementenlawaai: naar verwachting is er geen sprake van evenementenlawaai binnen Zichten 2,3 en 7; Cumulatieve geluidbelasting: de geluidbelasting ten aanzien van wegverkeerslawaai, lawaai van sportvelden en lawaai van de nabijgelegen school kan lokaal iets toenemen. Naar verwachting blijven deze effecten beperkt.

Gelet op het bovenstaande blijkt uit de toets aan het PlanMER dat de effecten in lijn zijn met de voor Zuidwest voorspelde effecten in het PlanMER.

4.5

Luchtkwaliteit

Inleiding Op 15 november 2007 is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). De luchtkwaliteit in een bepaald gebied wordt bepaald door de achtergrondconcentratie van fijn stof (PM10, deeltjes <10 µm) en stikstofdioxide (NO2) plus de bijdragen van lokale bronnen die bij de achtergrondconcentratie opgeteld worden. Bij de besluitvorming over bouw- en bestemmingsplannen dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit: in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is aangeven dat een bestuursorgaan bevoegdheden kan uitoefenen of wettelijke voorschriften kan toepassen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de uitoefening of toepassing niet 'in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties in de buitenlucht. De definitie van 'in betekenende mate' is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Projecten die de concentratie NO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In concentraties uitgedrukt betekent dit een verslechtering van 1,2 µg/m3 voor beide stoffen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009, de datum waarop het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht werd.

De 3%-grens is voor een aantal categorieën van projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen. Zo gaat het bij woningbouw om de toevoeging van 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg, of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Door het adviesbureau Antea is een onderzoek naar luchtkwaliteit voor de beoogde ontwikkelingen binnen Den Haag Zuid West uitgevoerd. Het beoogde programma ten behoeve van de ontwikkeling van ca. 600 woningen in bestemmingsplan Zichten 2 ,3 en 7 is hierbij meegenomen. Naast het behoud van 104 bestaande woningen in het plangebied, zal dit bestaan uit uit ca. 215 nieuwbouwwoningen voor Zichten 2, 280 nieuwbouwwoningen voor Zichten 3, en 0 woningen voor Zichten 7. In Zichten 7 zal tevens een parkeervoorziening en kleinschalige bedrijfsruimte worden mogelijk gemaakt.

64

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

De ontwikkeling valt binnen de regeling NIMB waardoor geen toetsing aan de grenswaarden van luchtkwaliteit nodig is, omdat er geen significante veranderingen in de achtergrondconcentraties wordt verwacht. Wel is voor Den Haag Zuid West een worst-case berekening gemaakt waaruit blijkt dat er niet of nauwelijks effecten optreden als gevolg van de beoogde ontwikkelingen. Het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 zal niet leiden tot effecten op de luchtkwaliteit. Zo blijkt met betrekking tot fijnstof PM10 uit het onderzoek dat de ontwikkeling ten gevolge van het bestemmingsplan ten opzicht van de autonome ontwikkeling op alle plaatsten in het gebied een niet in betekenende mate invloed op de luchtkwaliteit heeft. De planbijdrage is kleiner of gelijk aan [1,2] µg/m3. Een toetsing aan de grenswaarde kan daarom achterwege blijven. Met betrekking tot stikstofdioxide NO2 blijkt dat de ontwikkeling die het bestemmingsplan voorstaat een niet in betekenende mate invloed heeft op de concentratie. De bijdrage is overal kleiner [1,2] µg/m3. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, dragen niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer (zie ook Bijlage 8) vormen geen beletsel voor de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. De Wereldgezondheidsorganisatie (of WHO) adviseert strengere normen dan de Europese Unie.

De maximale normen voor fijnstof volgens de Wereldgezondheidsorganisatie bedragen 20 ìg/m³ voor PM10 en 10 ìg/m³ voor PM2,5. Aan deze normen wordt ter plaatse van het plangebied in 2040 voldaan. De verwachte oplevering van het bouwplan zal medio 2024 plaatsvinden waarbij de fijnstofconcentraties al richting de adviesnormen van de Wereldgezondheidsorganisatie verschuiven. Conclusie Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle onderzochte locaties binnen Den Haag Zuidwest wordt voldaan aan de te toetsen grenswaarden uit Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De ontwikkeling van Zichten 2 ,3 en 7 zal derhalve niet leiden tot effecten op de luchtkwaliteit. Hiermee staat het aspect luchtkwaliteit de vaststelling van bestemmingsplan Zichten 2,3 en 7 niet in de weg.

4.6

Waterparagraaf

4.6.1

Wateropgave

4.6.1.1 Inleiding De ontwikkelingen binnen bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7, bestaat uit twee ontwikkelgebieden, bestaande uit twee appartementencomplexen en één parkeergarage. De plangebieden bevinden zich ten westen van voetbalclub Sparta (VCS). De huidige inrichting langs de straat Ruimzicht en Het Zicht betreft bebouwing bestaande uit rijtjeshuizen en portiekflats. Met betrekking tot het thema water is van belang op te merken dat in het kader van het grotere herstructuringsproject voor de ontwikkeling 'Steenzicht en Ruimzicht' in dezelfde wijk (zie afbeelding 4.6.1.1), reeds een afstemmingsoverleg plaatsgevonden tussen Antea Group, de gemeente Den Haag en het Hoogheemraadschap Delfland. De inhoudelijke afspraken vormen ook het uitgangspunt voor de verrichte watertoets rapportage voor het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7, welke als Bijlage 12 aan de toelichting is toegevoegd.

65

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Afbeelding 4.6.1.1:Gedeeltelijke ontwikkeling ‘Steenzicht en Ruimzicht’ in rode en gele contour, als onderdeel van het grotere herstructureringsproject in de wijk Bouwlust en Vredelust, waarvoor reeds afstemming tussen betrokken partijen heeft plaatsgevonden. De figuur is afkomstig uit de reeds opgestelde watertoets Steenzicht en Ruimzicht te Den Haag (10 mei, 2022).

66

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

4.6.1.2 Waterkwaliteit Watersysteem Het plangebied ligt aan de oostkant binnen de beschermingszone van een secundaire watergang van het Hoogheemraadschap van Delfland. Tevens toont de legger een verruiming van het watervoerende deel van de watergang binnen het plangebied. De situatie is weergegeven in onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4..6.1.2.B: Oppervlaktewatersysteem conform de legger van Delfland. Bron: leggerkaart Delfland. Onderbemaling Op basis van gegevens van het hoogheemraadschap en een startoverleg op 16 september 2021 blijkt dat ter plaatse van de sportvelden een onderbemaling aanwezig is. Hierbij wordt het water uit de secundaire watergang aan de zuidoostzijde van de sportvelden (niet zichtbaar in Figuur 4.6.1.2 B) door middel van een gemaal in de primaire watergang gebracht. Het peil in de primaire- en secundairre watergang zijn echter op basis van gegevens van het hoogheemraadschap hetzelfde met een peil van NAP -1,75 m. Vanuit het hoogheemraadschap is ook aangegeven dat het bijbehorende gemaaltje aan de zuidoostzijde van de sportvelden in beheer is bij de gemeente Den Haag. Waterpeil Het plangebied ligt binnen de Eschhofpolder, en heeft een vast peil -1.75 m NAP. Op basis van de Waterbergingsvisie is een bestuursovereenkomst gesloten tussen de gemeente en het Hoogheemraadschap van Delfland, die de waterberging regelt. Er geldt gezien de afspraken uit de Waterbergingsvisie een waterbergingsopgave voor het plangebied van de Zichten 2, 3.en 7 Veiligheid en waterkeringen Uit de legger van het hoogheemraadschap blijkt dat het plangebied zich niet in de kern- of beschermingszones van waterkeringen bevindt.

67

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

kwaliteit en ecologie In het plangebied bevinden zich geen geen KRW-waterlichamen. Het planngebied ligt in een ecologische verbindingszone van de gemeente. Bij de inrichting van het gebied dient rekening gehouden te worden met ecologische factoren. Dit is in paragraaf 4.6.1.6 toegelicht. Afvalwater en riolering Uitgangspunt voor het rioleringsbeleid is "De Leidraad Riolering" en de "Beslisboom aan- en afkoppelen verharde oppervlakken". Hierbij is het gebruik van voor het oppervlaktewater schadelijke stoffen zoals koper, zink en bitumineuze dakbedekking niet toegestaan. In het plangebied bevinden zich geen rioolpersleidingen. Naast het plangebied ligt een gemengd rioleringsstelsel, zie onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4.6.1.2.C: Riolering naast het plangebied. Bron: geoportaal gemeente Den Haag. 4.6.1.3 Uitgangspunten Water in PlanMER Zuidwest en toets aan het PlanMER In het PlanMER Zuidwest en de toets van Zichten 2,3 en 7 zijn de volgende effecten van de ontwikkeling op het thema water vastgesteld. PlanMER Den Haag Zuidwest In het PlanMER van Den Haag Zuidwest is het thema water neutraal beoordeeld. Ten aanzien van het thema water wordt aanbevolen dat Bij de herontwikkeling van Zuidwest dienen waterstructuren te worden behouden en waar mogelijk verbeterd; In de Structuurvisie Zuidwest is het verbeteren van de waterkwaliteit als aandachtspunt genoemd, maar hieraan zijn nog geen maatregelen aan verbonden; Bij de ontwikkeling van Zuidwest wordt het huidige gemengde rioolsysteem vervangen door een gescheiden riool. De hoofdstructuur hiervoor wordt vóór de start van de nieuwbouw aangelegd; Het realiseren van natuurvriendelijke oevers, zonder beschoeiing, is het uitgangspunt.

68

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Toets Zichten 2, 3 en 7 aan het PlanMER Het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 is aan het PlanMER Den Haag Zuidwest getoetst. Ten aanzien van het thema water zijn daarvoor de volgende uitgangspunten opgenomen: Binnen het plangebied wordt extra wateroppervlak in het plangebied mogelijk gemaakt, langs de bestaande flats aan de Hengelolaan; Tevens wordt er oppervlakkige waterberging in het openbare groen, binnentuinen en daken voorgeschreven. Deze moeten ervoor zorgen dat een piekbui van 70mm opgevangen kan worden en niet tot overlast zal leiden; Het sportpark ten oosten van het plangebied wordt klimaatbestendig ingericht, waarbij de oevers van de watergangen binnen de ecozone natuurvriendelijk worden ingericht; Het gescheiden rioleringssysteem wordt na de bouw aangelegd vanwege technische overwegingen. Indien dit voor de nieuwbouw al zou worden aangelegd, dan zou het twee keer moeten worden aangepast; In het kader van het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 is een watertoets nodig om de waterhuishouding in beeld te brengen. Conclusie Afgezien van het gescheiden rioleringssysteem dat niet vóór, maar na de bouw wordt aangelegd vanwege technische overwegingen, volgt uit de toets aan het PlanMER dat de effecten van het bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 overwegend in lijn zijn met hetgeen voor Zuidwest voorspeld is.

Daarnaast is naar voren gekomen dat nader onderzoek in de vorm van een watertoets benodigd is om de waterhuishoudkundige aspecten van het bestemmingsplan inzichtelijk te maken. De resultaten uit de watertoets, worden in de hiernavolgende paragraaf toegelicht. 4.6.1.4 Benodigde watercompensatie Met het oog op de eisen vanuit het hoogheemraadschap en vanuit de gemeente ten behoeve van de waterbergingsopgave, wordt de benodigde watercomensatie vanuit beide beheerders voor het specifieke plangebied Zichten 2,3 en 7 hieronder uiteengezet. Het hoogheemraadschap werkt conform de ‘Watersleutel’ en de gemeente heeft aspecten vanuit het ‘Convenant Klimaatadaptief Bouwen’ vastgelegd in een klimaatbeleid. Hierbij is het niet nodig om beide watercompensaties bij elkaar op te tellen, maar dient aan de grootste watercompensatie te worden voldaan. Bepaling wateropgave volgens watersleutel HH Delfland Op basis van de watersleutel (zie bijlage 1 van de Watertoets 30102023) blijkt dat door de toename van verharding en rekening houdend met het klimaat in totaal 1.120 m2 aan nieuw oppervlaktewater gerealiseerd dient te worden. Als het realiseren van nieuw oppervlaktewater aantoonbaar niet mogelijk is binnen het plangebied kan dit ook worden ingevuld met het realiseren van 672,2 m3 waterberging.

De waterberging dient ingericht te worden conform de vasthoudmaatregelen van het hoogheemraadschap (zie paragraaf 3.5.3). Deze watercompensatie is benodigd op basis van de gegevens van verhard en onverhard oppervlak, voor het plangebied geldt dat het in de toekomstige situatie zal bestaan uit verhard oppervlak, waar bij de oppervlakte verdeling eventuele waterretentie of toepassing van groene daken niet is meegenomen. Als de oppervlakken verhard en onverhard in toekomstige ontwerpen veranderen, zal ook de benodigde watercompensatie veranderen. De watersleutel is onderverdeeld in 2 componenten: Het huidige klimaat (A) en een aanvullende opgave om te voldoen aan het klimaat in 2050 (B). Bepaling wateropgave volgens Gemeente den Haag Op basis van de hierboven beschreven gegevens van verhard en onverhard oppervlak, dient op basis van een compensatie van 50 mm/m2 in totaal circa 540 m3 aan berging gerealiseerd te worden. Hierbij is de bebouwingsoppervlakte van beide complexen (10.800 m2) als uitgangspunt genomen.

69

bestemmingsplan Zichten 2, 3 en 7 (ontwerp)

Uit de vergelijking van de Watersleutel en het Convenant Klimaatadaptief Bouwen/De wegwijzer Den Haag blijkt dat de opgave van het hoogheemraadschap wat betreft omvang maatgevend is, maar ruimte biedt om de opgave buiten het plangebied te realiseren. De opgave voor watercompensatie vanuit de gemeente is minder omvangrijk, maar dient in principe binnen het plangebied gerealiseerd te worden. 4.6.1.5 Waterberging Aangezien het huidige plangebied onderdeel is van een groter woningbouwproject binnen de gemeente Den Haag, is de watersleutel voor het gehele project reeds ingevuld in de hiervoor opgestelde ‘Nota van Uitgangspunten Zichten’ (RIS308508). Daaruit blijkt dat het gehele gebied 'De Zichten' binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Delfland valt en dat voor het gehele project 3.912 m² nieuw oppervlaktewater gerealiseerd dient te worden of 2.347,3 m³ aan waterberging. In het gehele project is door het graven van nieuw oppervlaktewater en het realiseren van waterbergingslocaties voldoende watercompensatie gerealiseerd in de eerste plannen. Uit de watertoets volgt dat de borging van de bergingsopgave voor Zichten 2, 3 en 7 ook in een later planfase verder uitgewerkt dient te worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13659218/1